PARASHAT BEHÁR

PARASHAT BEHÁR

Op de berg (Leviticus 25:1 – 26:2)

Je zelf wegcijferen voor Hem

“En G’D sprak tot Mozes op de Berg Sinaï ” (Leviticus 25:1)

Wat leert de bovenstaande zin ons ten aanzien van onze dienst aan G’D?

De Lubavitcher Rebbe schrijft dat in alle opzichten van Jodendom verlangd wordt van iemand, vastberaden te zijn zoals een berg die niet verplaatst kan worden, ongeaffecteerd door alle problemen rondom. Deze uitspraak is verwant aan die van Rabbi Dov Ber van Lubavitch: “De ziel ging nimmer in verbanning”.

Een deel van onszelf is nooit, en zal nooit echt ongeaffecteerd door deze wereld. Bovendien, zegt de Talmoed, “De dienaar van een koning is van zichzelf een koning” (Shavoe’ot 47). Elke Jood is een dienaar van G’D. Daarom is het verboden om afstand te doen van onze eigen eer, niet omdat we belang hebben bij onze prestige, maar eerder omdat we verantwoordelijk zijn voor de eer van de Koning der Koningen, De Heilige, geprezen zij Hij.

Ons wekelijks Thoragedeelte behandelt de wetten van shemita, het vrijgeven of het laten rusten. Juist zoals we een wekelijkse Shabbatdag houden, zo ook is er, eens in de zeven jaar, een shabbatjaar voor het land, genaamd “shemita”, wanneer het wordt bevrijd van alle activiteit. Rashi stelt de vraag, waarom wordt shemita als eerste behandeld na de woorden “…op de Berg Sinaï”? Hij antwoordt dat dit is, om ons duidelijk te maken dat juist zoals de details van de mitzwa van Shemita, welke hier zijn beschreven, in zijn totaliteit zijn gegeven op de Berg Sinaï, zoals eveneens de details van alle andere wetten van de Thora, zelfs de niet geschrevene, werden daar in z’n geheel gegeven.

Rabbi Eliezer Lipman, in het boek Otzar Maimariem, becommentarieert hoofdstuk 32 van de Tanya, waar het concept van het liefhebben van je naaste wordt besproken.

De Tanya legt uit dat de sleutel om de Thora in zijn geheel te verwezenlijken is, het verheffen van de ziel over het lichaam. Anderen liefhebben en G’D liefhebben is alleen mogelijk wanneer wij de bedrieglijke verdeeldheid negeren, gecreëerd door ons werelds bewustzijn en ons richten op de ware spirituele eenheid van onze ziel. Diegenen die hun lichaam primair maken en hun ziel secondair, zijn niet in staat om lief te hebben. Rabbi Lipman legt uit, dat we van deze les leren, dat het onmogelijk is om op een of andere manier, oprecht een mitzwa kunnen uitvoeren, tenzij iemand eerst het niveau heeft bereikt van ”het liefhebben van je naaste”. Zonder anderen lief te hebben, kunnen wij G’D niet oprecht liefhebben, het fundamentele grondprincipe voor het doen van alle geboden en verboden, de Mitzwot. Dit is de boodschap van Rashi’s eerste commentaar op parashat Bahar. Zoals de wetten van shemita, volledig waren gegeven op De Berg Sinaï, zo zijn ook alle wetten van de Thora daar volledig gegeven. De enige manier om de mitzwot te doen is “van de Sinaï”. Toen de Joden waren verzameld aan de Sinaï, hadden zij een niveau van ware eenheid bereikt, een werkelijke liefde voor elkaar. Zo ook in onze generatie, als we beginnen bij het liefhebben van onze naasten, zijn we ook in staat om G’D lief te hebben, en elke mitzwot is makkelijk.

De Thora voorspelt de reacties van de Joden ten aanzien van het shemitajaar: “Wat zullen we eten in het zevende jaar?” G’D antwoordde dat Hij de opbrengst van het zesde jaar drievoudig zou zegenen (een voor het zesde jaar, een voor het shemitajaar, en een voor het achtste jaar wanneer de boeren de groeiende oogst afwachtten). Ondanks dit, waarom zou er twijfel aan G’D’s zegen zijn, vond het niet een paar jaar eerder ook plaats? De Lubavitcher Rebbe verklaart dat elke landbouwer weet dat bij elk voorbijgaand seizoen, een veld minder vruchtbaar wordt. Bij het zesde jaar zal het punt bereikt worden waarboven geen groei of verhoging meer mogelijk is. Wat zijn de kansen van dit veld dat het weer een normaal opbrengst heeft, in geen geval, driemaal zoveel? Ongetwijfeld gaat deze wonderbaarlijke gebeurtenis alle natuurlijke logica te boven. Wanneer iets boven onze logica uitstijgt, rest ons alleen de vraag, “Wat zullen we eten in het zevende jaar?” De wetten van Shemita leert ons om onze logica en persoonlijke verwachtingen los te laten en ons te verlaten op G’D en Zijn mitzwot. Wij cijferen ons weg voor Hem. Niettemin, een deel van onze “ik” kan niet worden weggecijferd. Daarom, telkens wanneer een nieuw shemitajaar aanbreekt, ontstaat nieuwe twijfel. Dit betekent niet, dat wij elke keer in ons leven, wanneer wij aarzelen of reageren ten aanzien van een bepaalde uitdaging, geen vooruitgang hebben geboekt. Integendeel, het betekent dat we hardnekkig moeten volharden en vooruit moeten gaan!!

SHABBAT SHALOM

PARASHAT EMÓR

Zeg                Leviticus. 21:1 – 24:23

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar III, 97a-b

 

Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijk rustdag,  de dag dat  jullie de ‘Omer’, als een zijdelings bewegend offer gebracht hebben, zeven volle weken moeten het zijn. Tot na de zevende week moet jullie tellen, vijftig dagen….(Leviticus. 23:15-16)

 

Dit is de Mitzwa voor het tellen van de Omer, zoals de Wijzen hebben vastgesteld (SoekkaI 58b). De esoterische betekenis is deze: alhoewel de Israëlieten zichzelf hebben gepurificeerd om het Pesach offer te maken en te brengen, dus achterlatend de sfeer van spirituele onzuiverheid, waren zij desondanks toch niet op het juiste niveau van perfectie en zuiverheid.

 

Niettemin waren zij in een staat om het Pesachoffer te brengen omdat de illuminatie die voortvloeit vanuit de sefirot omvattend de bovenste drie sefirot van het hogere bewustzijn (Chochma, Bina,en Da’at) niet afhangt van de verdienste van de Israëlieten, maar voortvloeit als een gevolg van G’D’s goedhartigheid (Ramaz).

 

Dit is de reden waarom we niet het Hallelgebed complementeren na de eerste dag van Pesach, omdat zij nog niet het juiste niveau van perfectie hebben bereikt.

 

Deze [zeven purificatie weken] zijn vergelijkbaar met de zeven pure dagen van een vrouw na haar menstruatie. Wanneer eenmaal haar cyclus is beëindigd, begint zij te tellen [zeven dagen].

 

Zo ook met de Israëlieten toen zij Egypte verlieten, zij verlieten hun staat van spirituele onreinheid. Zij vierden Pesach, participerend in het voedsel van hun Vader (Zie Sifri Zoeta, Nasso 57), en vanaf dat tijdstip telde zij de dagen totdat de vrouw (het Joodse Volk) haar Echtgenoot [G’D] kan naderen. Deze zijn de vijftig dagen [tot aan de dag volgend op de voltooiing van de zeven weken van het tellen van de Omer] van purificatie die iemand in staat stelt om de Komende Wereld binnen te gaan [verwijzend naar het niveau van Bina] en de Thora te ontvangen, en de vrouw in staat te stelt om tot haar Echtgenoot te komen.

 

Aangezien deze de dagen zijn van de masculiene wereld [de wereld van de zeven Sefirot van Zeir Anpin] is deze telling alleen opgelegd aan mannen (zieAvraham, Orach Chaim siman 4989). En om deze reden moet men ook staande tellen, want aangelegenheden met betrekking tot de Lagere Wereld worden zittend gedaan. Dit is het diepe mystieke [verschil tussen] die delen van gebed die staande gezegd worden en die zittend gezegd worden.

 

Nu omvatten deze vijftig dagen negenenveertig dagen van Thora aspecten, maar de vijftigste dag is een diep mystiek geheim van de Thora zelf.. Als je nu vraagt of deze vijftig niet in feite negenenveertig zijn [ zeven weken van elk zeven dagen zijn gelijk aan 49, is het antwoord dat] één van hen [de Vijftigste Poort van Bina, zie Rosh HaShana 21b, Nedariem 38a] verborgen is en de hele wereld er op berust. Op de vijftigste dag [de dag dat de Thora werd gegeven], werd wat verbogen was gereveleerd, zoals de Koning die de vertrekken van de Koningin binnen treedt en daar blijft.

 

De essentie van de Thora, hier vergeleken met de Koning Zelf, was voor altijd gegeven aan de koningin, het Joodse Volk.

 

Dit is de betekenis van dit mystieke idee.

 

Shabbat Shalom

 

 

PARASHAT KEDOSHIEM

 Heilig   Leviticus. 19:1 – 20:27

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Zohar, p. 82b

 

 Nachtleven vs. Zelfhulp

 

 De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

 

 “Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

 

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G’D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

 

 De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

 

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

 

 De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

 

 Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren. 

 

 Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G’D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

 

 Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

 

 Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

 

 Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

SHABBAT SHALOM 

 

 

DE KABBALISTISCHE PSYCHOLOGIE VAN PESACH

HOE DE MITZWOT DIENEN ALS ARCHETYPES VAN HET COLLECTIEVE BEWUSTZIJN

Elk jaar, met Pesach, opent zich een unieke vortex in het tijd/ruimte continuüm, die een bijzondere wijze van G’ddelijke lichtstraling mogelijk maakt om in deze wereld binnen te komen. Deze kosmische ingang is maar voor een zeer korte tijd geopend, slechts enkele uren tijdens de nacht van Pesach.

De Hagada brengt naar voren dat “iemand die zichzelf niet ziet alsof hij Egypte verlaat, niet zijn plicht heeft vervuld in het vertellen van het verhaal.”

 

De exodus is niet alleen een historische gebeurtenis. Het is een ononderbroken voortdurende gebeurtenis, die elk jaar, op de seideravond een dramatische impuls ontvangt. Het klassieke Sefer Yetzirah, de Gids met de meeste autoriteit om de structuur van het universum te begrijpen, verklaart dat er drie algemene sferen kunnen worden benoemd, Olam, Shana en Nefesh. Olam (wereld) verwijst naar de dimensie van ruimte. Shana (jaar) verwijst naar de dimensie van tijd. Deze twee vormen de heden bekende tijd/ruimte continuüm waarin we leven. Maar er is een derde element, de ene waarvan de meeste mensen geen idee hebben hoe het is verbonden de met twee anderen. Het derde element, Nefesh (ziel) is het gebied van de geest, met andere woorden, het denken.

 

Denken, met andere woorden, het denkvermogen, is de dimensie welke heerst over het tijd/ruimte continuüm, Olam, Shana. Dus is het door Nefesh, het vermogen van het menselijke brein dat wij in staat zijn om ons te verheffen en te bevrijden van de gelimiteerde materiële omheining. Egypte, in het Hebreeuws, Mitsrajiem, betekent begrenzing beperking.

 

Door het vermogen van zuiver denken, kunnen wij opnieuw ervaren wat het betekent om vrije zielen te zijn, zielen die niet zijn onderworpen aan de limitaties van een gedachte gevangen door de zintuiglijke waarneming.

 

De rituelen van de Pesach Seider stelt het ware denken in staat om te worden vrijgelaten, om de vervoering van spirituele vrijheid te ervaren. Om dit te kunnen laten plaatsvinden, moet de de Seider op gepaste wijze in acht worden genomen, met andere woorden, in al zijn Halachische details. Meer dan gewoonlijk moet men de archetypen van de Seider activeren door hen uit te voeren met Kavanot en meditatie. Deze mentale functie van het brein stelt de Seider en de Hagadah in staat om te worden getransformeerd tot een platvorm voor spiritueel psychische verheffing in onbekende gebieden van de ziel.

 

Wanneer een maal de Seider op de juiste wijze is vervolledigd, met de gepaste Kavanot, is iemands ziel gereed om hoger op te stijgen in deze Lil Shimoeriem [bewaakte en beschermde nacht].

 

De boodschap is duidelijk: wordt wakker slapende zielen, grijp je vrijheid die je zielsbewustzijn onthouden wordt, de ziel die in deze wereld in slavernij wordt gehouden en zo je ware spirituele natuur verbant. Sta op en proclameer vrijheid, vrijheid van onwetendheid, van spirituele infantiliteit, vrijheid van de verstikkende greep van beperkingen van onze zintuiglijke vermogens, vrijheid om te zijn wat we werkelijk zijn: veelzijdig van niveau en meta – dimensionale wezens van geest en lichaam.

Or met een alef en or met een ayin.  

DE SIMANIEM: DE VIJFTIEN STAPPEN NAAR BEVRIJDING IN DE PESACH SEDER

DE OPEN POORT

Pesach is niet slechts de viering van een gebeurtenis in het verleden. Het is een openingspoort naar spirituele bevrijding die zich elk jaar manifesteert, in elke generatie. Deze indrukwekkende dag nodigt ons uit om onszelf te bevrijden van verslaving, elke gehechtheid aan kleingeestige passies, emoties, instincten, en negatief geloof. Het mag moeilijk lijken of zelfs onmogelijk om vrij te zijn van gewoonten zoals depressie of boosheid. Hoe kunnen wij de poort van Pesach passeren naar een staat van grotere vrijheid.

 

FASEN VAN BEVRIJDING

De techniek van spirituele bevrijding reveleert drie noodzakelijke fasen: “hachna’ah, onderwerping, overgeven”, “havdalah, separatie”, en ten slotte “hamtaka, zoet maken, verzachten”. Om te worden bevrijd, moeten we ons eerst bewust worden van onze slavernij en zijn bitterheid proeven, zodat we ons kunnen ‘overgeven’ aan de roep van bevrijding. Ten tweede moeten we ‘separeren’ en onszelf losmaken van wat het dan ook is dat ons verstrikt. De derde fase is een herintegratie van ons verleden, waar we de bitterheid zoet maken en verzachten en alle negativiteit veranderen in heiligheid. Hoe verhouden deze drie fasen zich tot de Pesach Seder?

 

ONDERWERPING

De fase van “onderwerping” begint in feite al voor de Seder, met bedikas chametz, het zoeken naar gist en rijsmiddelen. “Chametz”, wat rijzing veroorzaakt, symboliseert arrogantie, ego, de bron van verslaving.

 

Behalve dat het woord bedika zoeken betekent, kan het ook gezien worden vanuit het stamwoord boka, ‘doordringen’. We moeten trachten de arrogantie uit elk onderdeel en alle hoeken van ons leven te verbannen, door erkenning van en rekening te houden met de wijze waarop we afhankelijk worden van negatieve toestanden van zijn of waarneming. Op deze manier staan we het Licht van Bevrijding toe om de duisternis van chametz te doordringen. Wanneer de letter Chet chametz binnendringt, wordt het een letter Hei, Hei en Chet zijn gelijkvormige letters, alleen in de Hei hangt het linkerbeen in de lucht en de letters van chametz kunnen dan opnieuw gerangschikt worden tot ‘matzah’, verwijzend naar het ongerezen brood van nederigheid. Voordat we echter het niveau van matzah kunnen bereiken, moeten we afstand doen en onze chametz vernietigen. We eten geen matzah totdat we zijn begonnen met het proces van de Seder zelf.

 

VAN SEPARATIE NAAR VERZACHTING

De Seder begint met de fase van “separatie” en verplaatst ons in de fase van “verzachting”. Dit proces van verwezenlijkingen van vrijheid, bestaat uit vijftien stappen, corresponderend met de bekende simaniem of gedeelten van de Seder, de simaniem worden toegeschreven aan Rashi (Machzor Vitri 65). Het getal vijftien wordt gerepresenteerd door de letters Joed en Hei, die een Naam van G’D vormen. Net zoals G’D ons in het verleden uit Egypte heeft geleid, zo zal G’D ons door de vijftien fasen van de Seder brengen, naar een nieuw niveau van vrijheid.

1)    Kadeish

Kadeish betekent ‘heilig, transcendent of afgezonderd’. De handeling van het doen van Kiddoesh over wijn, markeert de separatie tussen werelds bewustzijn van doordeweekse dagen en het transcendente bewustzijn van Jom Tov. We initiëren onze reis door onszelf te separeren en te verwijderen van onze comfortabele spirituele stagnatie.  

2)    Urchatz        

Als we eenmaal transcendentie  geproefd hebben, kunnen we onszelf reinigen. We wassen nu onze handen, echter we doen dit zonder een bracha te zeggen. De traditionele reden voor deze wassing is dat we op het punt staan om een groente te eten gedoopt in zout water (Pesachiem. 115a) Maar in de huidige tijd zijn we niet zorgvuldig genoeg zoals mensen waren in de oude tijd om onze handen te wassen voor het eten van groenten gedoopt in zout water. Bovendien zijn we gewend om een zegen uit te spreken wanneer we onze handen wassen voor het eten van brood gevolgd door Kiddoesh, dus dit handen wassen wekt onze nieuwsgierigheid op. Waarom is dit handen wassen anders?

1.    Een reden is om de kinderen simpel op te roepen om aan de Seder  te vragen ‘waarom’ (Chak Jakkov. 463:28).

 

2.    Een tweede reden is dat dit een herinnering is aan de era van de Heilige Tempel, toen we op deze manier onze handen wasten.

 

3.    Een derde reden is dat we reeds het gedrag van vrije personen beginnen te manifesteren. Het wassen van de handen op deze wijze is van gedrag van koningen die, in tegenstelling tot slaven, de vrije tijd hebben zich grondig te reinigen.

 

4.    Op een dieper niveau zelfs, is het wassen zonder een zegening niet een volledig positieve handeling. We zijn nog steeds bezig ons te ontdoen van subtiele sporen van negativiteit. We kunnen geen zegening uitspreken omdat het nog steeds een pijnlijke ervaring is, onze bitterheid heeft zich nog niet verzacht.      

Uchatz heeft de zelfde letters als rotzeach, ‘moordenaar’. Als we wassen brengen we de nog aanwezige negativiteit die aan onze handen kleeft om.

3)    Karpas

         Als we tweemaal een bittere groente dopen in zoutwater, worden we tweemaal bewust van ons verdriet over onze slavernij. Het zoutwater is als de tranen die we uitstorten als we als we doorgaan met het tonen van spijt, bevrijden we de negativiteit die onze ziel heeft beperkt. Opnieuw, we zeggen niet een speciale over deze mitzwa, want we zijn nog niet in staat deze  deze fase te zien als een ‘zegen’, maar als iets wat we afdwingen te doen.

4)    Yachatz

Als we de matzah breken, realiseren we ons hoe breekbaar we zijn geworden. We verstoppen een van de gebroken stukken die de afikoman zal zijn, de ‘ woestijn’. De traditionele reden voor het verstoppen van het afikoman is omdat het een herinnering is aan het pesachoffer, dat zorgvuldig moest worden bewaarden behoed. Spiritueel verbergen we de breekbare delen van onszelf en bewaren en behoeden ze tot de tijd wanneer we ze uiteindelijk kunnen verzachten en kunnen her integreren. De matzah die we breken is de middelste, de tweede van de drie matzot, die gescheiden door kleedjes, op elkaar liggen en die corresponderen met de spirituele eigenschap van gevoera. Bewust worden van onze breekbare delen en nog niet reagerend, maar deze stukken bewaren voor een latere her integratie, is een handeling van gevoera, van intense sterkte en zelfbeheersing.

5)    Magied

Slaven hebben geen stem, zij durven zich niet uit te spreken over hun staat van ballingschap, noch over hun verlangen naar bevrijding. We bereiken nu het niveau van vrijheid waar we in staat zijn om te spreken. Wanneer we onze dromen van vrijheid kunnen verwoorden, die diep innerlijk begraven liggen, kunnen we beginnen ze te begrijpen en beginnen ze te verwerkelijken

In Egypte was de kracht van het spreken in verbanning (Zohar II, 25b). Pharao betekent ‘peh ra’ ‘de negatieve mond’, destructieve spraak. Tijdens de stap van magied, transformeren we ‘peh ra’ in ‘peh-sach, de ‘mond die positieve woorden spreekt’. Dit is de ware “vrijheid van spreken”: de innerlijke vrijheid hebben om de goedheid van het leven uit te drukken. Gedurende deze fase van magied, proclameren we de waarheid van onze innerlijke vrijheid en de fase van “verzachting” begint.

6)    Rachtzah

Op dit punt zijn we gestegen tot een staat van bewustzijn waar we in staat zijn om onze handen te wassen met een zegen. Het woord rachtzah komt van het Arameese/Talmoedische woord rachitz, ‘vertrouwen, zoals “Bei ana rachitz,” ‘Op Hem vertrouw ik.’ Nu dat we onze dromen en intenties van vrij zijn hebben uitgesproken, kunnen we werkelijk vertrouwen ervaren. We hebben vertrouwen in vrijheid. We kunnen het continuerende proces van bevrijding vertrouwen. We zijn niet langer slechts bezig met het negatieve weg te wassen, zoals we voorafgaand hebben gedaan, maar eerder ervaren we onze eigen innerlijke puurheid als vaak vanzelfsprekend  beschouwde zegen te leven.

7-8) Motzi-Matzah

Nu spreken we de zegening van hamotzie en eten we de matzah. We zijn bereidwillig om ons deze heilige nederige onderworpen bescheidenheid eigen te maken of zoals de Zohar het uitdrukt, het “brood van vertrouwen”; het “ helende brood” (Zohar II, 41a,2: 183b). Matzah is volmaakt simpel brood, zoals de simpelheid van puur vertrouwen. We zijn helemaal klaar om heling en volkomenheid te ervaren.

9)  Maror

Na het eten van het “brood van vertrouwen”, kunnen we terugkeren en de bitterheid van het verleden verzachten. We nemen maror, een bitter kruid en dippen dat in zoete, verzachtende charoses. Onze bitterheid heeft nu een enigszins zoete smaak, zodat we ons realiseren dat het de negativiteit van het verleden is die ons voorwaarts heeft gestimuleerd tot diep verlangen naar vrijheid. We begrijpen de positieve waarde van onze bittere ervaring en spreken er een zegen over uit.

Het woord maror heeft de zelfde numerieke waarde, 446, als maves, ‘dood’ (Shar Hakavonot. Inyon Pesach. Deruch 6) Ofschoon we niet kunnen ontkennen dat we bij wijze van spreken dood hebben ervaren, zijn we dankbaar voor de verlossing die deze ervaring ons nu brengt en zien hoe we nog veel meer in ons leven kunnen bereiken. Nu hebben we vertrouwen in de toekomst en zelfs in het G’ddelijk Licht dat scheen in de duisternis van ons verleden.

10)  Korech

Op dit moment plaatsen we de ‘bitterheid van de verbanning’ in een sandwich, tussen de stukken van het ‘brood van vertrouwen’, ‘het brood van vrijheid’. We verenigen pijn en vrijheid.

Maror representeert de yetzer hara, de inclinatie in het menselijk hart om terug te keren naar negativiteit. We plaatsen dit binnen de context van de matzah, vertegenwoordigend onze G’ddelijke dienst. Nu kunnen we dienen en tot leven komen ‘bechol levavcha’, met al onze ‘harten’ of inclinaties. We verheffen zelf de destructieve inclinatie, integreren het om te dienen in onze transcendentie en uiteindelijke bevrijding. Dood, ego en slavernij zijn nu verzacht en geabsorbeerd in een context van heiligheid.

11)  Shoelchan Orech

Nu is de tafel gereed. We zijn spiritueel gereed om onze maaltijd te eten, deel te hebben aan fysieke en spirituele genoegens, want alles is geïllumineerd.

12)  Tzafoen

Nu kunnen we het afikoman terugbrengen en eigen maken, de fragmentarische delen van ons die tzafoeni waren, ‘verstopt en verborgen’ op een eerder moment. Gewoonlijk vindt een kind het afikoman en brengt het ons (Meiri Pesachiem 109a). We winnen onze innerlijke onschuld van het kind zijn terug en zien de wereld met vreugdevolle puurheid en verwondering.

13)  Beirach

Yichoed gemaakt hebbend, eenmaking met elke dimensie van ons verleden, zien we nu dat alles in ons leven een bracha was, een zegen. We zegenen, we zien zegeningen en vragen dat we zelf ook een bron van zegen mogen worden.

14)  Hallel

Het woord Hallel betekent zowel ‘prijzen’ als ‘schijnen’. Als we dit extatisch prijzen zingen, schijnen we en reveleren we het Licht dat verborgen was in duisternis. Dit is de briljante duisternis, de nacht die helderder schijnt dan de dag.

15)  Nirtzah

Te slotte, alles is nirtzah, ‘geaccepteerd’, we zijn aangekomen. Alles is gedaan, alles is gezegd. Dit is een statische situatie, juister uitgedrukt, een staat van puur zijn.

Een staat van pure stilte van woorden in de wereld van perfecte eenheid, G’ddelijke Eenheid, het uiteindelijke niveau van spirituele bevrijding.

De volgende negenenveertig dagen van het “tellen van de Omer” heeft het vermogen om ons te helpen deze vrijheid compleet vorm te geven, deze geweldige verzachting van alle realiteit.

 

CHAG SAMEACH PESACH     

 

 

 

 

    

 

  

 

   

 

 

 

 

 

 

 

                     

 

 

 

 

PARASHAT ACHARÉ MOT

SHABBAT HAGADOL

Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar, p. 82b

 

Nachtleven vs. Zelfhulp

 

De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

 

“Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

 

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G’D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

 

 De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

 

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

 

 De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

 

Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren.

 

Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G’D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

 

Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

 

Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

 

Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

 

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT METSORÁ


‘Melaatse’        Leviticus. 14:1 – 15:33

 

Ongegeneerd kwaad

 

De geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

 

 

 

Het Thoragedeelte van deze week begint met een bespreking van de purificatieritus die een persoon, getroffen door tzara’at, moet ondergaan, wanneer hij is genezen. Een van de karakteristieken van deze ritus is als volgt:

 

 

 

“Dan geeft de Priester opdracht om voor de te reinigen persoon twee levende, reine vogels te nemen, met cederhout, karmozijnrode wol en hysop. Vervolgens geeft de Priester opdracht de ene vogel te slachten boven een voorwerp van aardewerk, boven water uit een levende bron. De levende vogel neemt hij apart met het cederhout, de karmozijnrode wol en de hysop en die doopt hij, samen met de levende, in het bloed van de vogel die geslacht is boven het water uit de levende bron. Dan spat hij zeven keer op de van de tara’at ziekte, te reinigen persoon;daardoor reinigt hij hem; de levende vogel laat hij in het vrije veld wegvliegen. (Leviticus. 14:4-7)

 

De aandoening  tzara’at, is niet simpelweg een medische conditie, maar weerspiegelt een spirituele mentale aandoening, een gebrekkig gedrag in het leven. Dit gedrag is het gevolg van het binnendringen van bepaalde vormen van niet G’ddelijke ideeën of perspectieven in iemands wijze van denken, dat hem uiteindelijk depressief, negatief en asociaal maakt. Het purificatieproces moet dan weergeven hoe zo iemand zichzelf distantieert van deze negatieve wijze van denken.

 

Deze negativiteit of egocentrisme heet ongegeneerd “kwaad”in Kabbala. Het imaginaire beeld dat hiervoor wordt gebruikt is een “schil”, een grof, oneetbaar omhulsel, dat het fruit of vlees van de noot omringt. De beeltenis is kenmerkend op twee punten: allereerst, het feit dat de schil niet kan worden gegeten, het fruit afsluit en verwijderd moet worden, indiceert dat egocentrisme geen plaats heeft in een joods leven. In de tweede plaats, het feit dat de schil dient om het fruit te beschermen tijdens het rijpingsproces indiceert, dat in de context van zelfbehoud, het ego een doel nastreeft. In elk geval, centraal in het begrip van het purificatieproces van egocentrische negativiteit is de Kabbala “topologie” van kwaad. Het is dit onderwerp dat het grootste onderdeel zal vormen van de verhandeling van de geschriften van de Arizal.

 

Waarop ik (JG) in een later artikel op terug zal komen.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TAZRIÁ

ZIJ GEEFT ZAAD              (LEVITICUS 12:1 – 13:59)

DE ESSENTIE VAN RITUELE ONREINHEID

 

Een van de meest onbegrepen concepten van de Thora is de inhoud van de woorden toema en tahara. Vertaald als “onrein”en “rein” of “onzuiver” en “zuiver”, toema en tahara, en bij extensie de wetten van Niedda (vrouwelijke menstruatie) en familie-reinheid, roepen vaak een negatief respons op. Waarom is de vraag, moet een vrouw gestigmatiseerd worden als tamé, “onrein”? Waarom zou zij zich inferieur moeten voelen over een natuurlijk proces in haar lichaam? Het mag zeer oprecht gezegd worden dat deze bedenkingen voortkomen vanuit een fundamentele mis opvatting.

 

 

 

Toema

 

en tahara zijn spirituele en geen fysieke concepten. De wetten van Toema, Niedda en Mikwe (ritueel bad) behoren tot die categorie van geboden in de Thora die bekend staan als Choekkiem, G’ddeljke uitvaardigingen waar geen uitleg aan is gegeven. Zij zijn niet logischerwijze te begrijpen, zoals de wetten van diefstal of moord, of die wetten die dienen als herinnering van nationale gebeurtenissen in onze geschiedenis, zoals Pesach en Soekkot. De wetten van Toema en Tahara zijn supra-rationeel, “boven alle redenatie”. En het is precies daarom dat zij op zulk hoog spiritueel niveau zijn, boven het bevattingsvermogen van het intellect, zodat zij een deel van de ziel verheft en affecteert, dat deel van de ziel dat alle redenatie overtreft. Maar al kan het menselijke verstand deze G’ddelijke regels niet logisch verwerken, kunnen wij als nog proberen om hun spirituele innerlijke betekenis en belang te onderzoeken en te begrijpen.

 

Vanuit deze poging is de leer van de Chassidische filosofie van onschatbare waarde en hulp, want de studie van Chassidoet releveert het innerlijke aspect van de Thora, haar “ziel”, het kan ons leiden door sferen waar menselijk intellect hulpeloos in is.

 

Chassidisme streeft naar de directe waarneming van het schuilgaande G’ddelijke in alles en belicht de spirituele bronnen van alle fysieke fenomenen.

 

 

TOEMA ALS DE AFWEZIGHEID VAN HEILIGHEID

De Chassidische leer legt uit dat Toema, in essentie, “spirituele onreinheid” is in de zin van “afwezige heiligheid”. Heiligheid wordt genoemd “leven””vitaliteit”, het is dat wat verenigd is met en voortkomt uit de bron van al het leven, de Schepper. De Chassidische filosofie verklaart verder dat de ware binding met G’D is, door heiligheid, betekend dat iemands eigen onafhankelijke existentie in een staat van Bittoel is,”wegcijfering” tegenover G’D. Het tegenovergestelde is, wat is verwijderd of gesepareerd van de bron en wordt genoemd “dood” en “onreinheid”. Volgens de Thorawet is de dood de principiële oorzaak van alle Toema, de hoogste graad van Toema komt door aanraking van een dood lichaam. De krachten van kwaad zijn in de terminologie van kabbala en Chassidisme, de Sitra Achra, “de andere kant”. Zij zijn wat is “de andere kant”, wat ver van G’ds aanwezigheid en heiligheid is. Zij gedijen in de sferen waar Hij het meest verhuld is en het minst gevoeld wordt, daar waar heiligheid het minst is. In een omgeving waar G’d het minst aanwezig is, is natuurlijkerwijs meer ruimte voor “oppositie” tegen Hem. Vandaar dat, spiritueel gezien, boven alles het meest kwade en het meest onreine in een persoon het eigenbelang is. Men duwt G’Ds aanwezigheid weg en creëert een leegte, een vacuüm waar Zijn aanwezigheid zou moeten zijn. Dit is de diepere betekenis volgens de Chassidische leer van de uitdrukking ” het veroorzaken van een “chiloel Hashem,” het ontheiligen van G’D’s naam, men zal niet een chalal ( leegte) maken, een ruimte zonder Zijn aanwezigheid.

Heiligheid staat gelijk aan bittoel, onafhankelijk existentie van G’D heeft geen waarheidszin. Daarom zeggen onze geleerden ons dat arrogantie gelijk staat aan afgoderij, want afgoderij betekent in essentie, dat iets wordt beschouwd als onafhankelijk van zijn schepper en zichzelf in plaats stelt van Hem.

Vandaar, als wij de woorden “rein”en “onrein” ontdoen van hun fysieke bijbetekenissen en hun ware spirituele betekenis beseffen, zien we wat zij echt te kennen geven, heiligheid of afwezigheid van heiligheid.

EEN BELANGRIJK VERSCHIL TUSSEN TWEE TYPES VAN TOEMA

In dit stadium van de verhandeling zouden we ons moeten afvragen: Waarom moet Toema überhaupt bestaan? Welk doel heeft het in G’D’s schepping? “De almachtige heeft het één tegenover het andere geschapen,” het boek Prediker vertelt ons, en zoals de Chassidische leer het interpreteert, alles in de sfeer van heiligheid heeft zijn tegenhanger in de sfeer van onheiligheid.

Aan de ene kant zijn deze tegenovergestelden sferen geschapen zodat wij over een “vrije keus” kunnen beschikken`. En een dieper niveau, zoals Chassidisme verklaard, wanneer wij het kwaad verwerpen en kiezen voor het goede en daarnaast, het kwaad transformeren tot in goed, heeft dat niet alleen een effect op ons zelf, maar ook een uitwerking op de wereld en brengt de uiteindelijke perfectie dichterbij. Vandaar dat het uiteindelijke doel van toema, de “andere kant”, is om ons te stuwen naar hogere niveaus. Zoals een zeer bekende Chassidische uitspraak luidt: “Elke verlaging is als doel een grotere verheffing” en allen verhullingen van G’D maken plaats voor een groter openbaring. Wanneer de ziel neerdaalt in deze wereld om zich te vestigen in een fysiek lichaam, ondergaat het een onvergelijkbare verlaging met de voorafgaande zuiver spirituele existentie. Het doel niettemin van deze verlaging is, om de ziel de mogelijkheid te geven zelfs hoger te stijgen in zijn bevattingsvermogen van G’D en een meer verheffende status te verkrijgen dan voor het in deze wereld neerkwam. Het kan deze verheffing alleen verkrijgen door middel van een lichaam die G’D dient in deze lagere fysieke wereld. Maar er is verhulling en onreinheid in deze lagere wereld, daar tegenover, kan alleen door zijn worsteling hier de ziel hoger rijzen. We moeten hen in twee types van Toema, twee types van “verlaging” onderscheiden. Er is een Toema die wij zelfs creëren wanneer wij opzettelijk G’Ds aanwezigheid wegduwen en een leegte laten ontstaan; en er is een Toema die G’D heeft geschapen als deel van de natuur. Dit onderscheid is cruciaal om Niedda ( regels t.a.v. menstruatie ) te begrijpen. De Toema, de onreinheid die is verbonden met de zonde, is een leegte de we creëren en waarbij we ons zelf verlagen. De Toema van Niedda, daarentegen, is een wezenlijk onderdeel van de vrouwelijke natuurlijke maandelijkse cyclus. Haar “verlaging” van een hoogniveau van potentiele heiligheid ( m.a.w. waar een leven mogelijk is ) betekend niet dat zij, G’D behoede, “zondigt”of “degenereert”, “inferieur”of “stigmaties is. Integendeel, juist omdat er zo een heiligheid betrokken is in de vrouwelijke eigenschap, het Goddelijk vermogen om, ex nihilo, nieuw leven te scheppen vanuit haar lichaam, is er ook de mogelijkheid voor grotere Toema–maar evenzo een groter Verheffing.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

SHABBAT PARA

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Van Wijn en Appels

 

Zohar, parashat Shemini p. 40a

 

 

 

Dit Thoragedeelte bespreekt de inauguratie van het Tabernakel, de ontmoetingsplaats tussen de mens en de Oneindige. Hier behandelt de Zohar het vraagstuk van verbanning uit die verheven staat van verbinding met het G’ddelijke. Wat wordt heden ten dage vereist?

 

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers, “ Ondersteun mij met glazen bokalen met wijn [in het Hebreeuws, “ashishot”], heel mij met appels, want ik ben ziek van liefde”. (Hooglied. 2:4). We hebben dit vers reeds eerder op een prachtige wijze uitgelegd, maar hier kan het geïnterpreteerd worden op een andere wijze als volgt: De Congregatie van Israël [de Shechina en de Sefira van Malchoet] zegt deze woorden als zij tot ballingschap vervallen. [ Zij pleit met haar kinderen, het Volk van Israël] “Ondersteun mij”. Wat betekent dit “Ondersteun mij”? Iemand die valt behoeft ondersteuning, zoals staat geschreven, ´G’D steunt degenen die vallen(Psalmen. 145:14) Omdat de Congregatie van Israël in ballingschap is gevallen [van G’D die anders haar zou hebben geholpen], zegt zij, “Ondersteun mij”. En wie vraagt zij om haar te ondersteunen? [Zij vraagt steun van] haar kinderen Israëls, die met haar in ballingschap zijn.

 

 

 

De ballingschap van de Shechina is een val van het niveau van bewustzijn  van de eenheid met het G’ddelijke, gesymboliseerd door het Tabernakel. Dit bewustzijn  kan in gelijke mate worden teruggebracht in de staat van ballingschap door die “kinderen”van de Shechina die, door meditatieve eenwording, een influks van G’ddelijk Licht  teweeg brengen in de Sefira van Malchoet en haar op haar voetstuk plaatst door opnieuw te verbinden met haar oorsprong in de Sefira van Bina; dit kan het innerlijke aspect van ballingschap rectificeren. De externe fysieke ballingschap kan alleen worden gerectificeerd met de herbouw van het Tabernakel in de vorm van de Derde Tempel.

 

Door wat wordt zij ondersteund? Door glazen bokalen met wijn [ashishot], Die de Voorvaderen zijn.

 

 

 

De Voorvaderen, Abraham, Izaak en Jacob, zijn de archetypen van de Sefirot Chesed, Gevoera en Tiferet. Zij zijn de emotionele eigenschappen van goedhartigheid, vrees/oordeel en barmhartigheid en zijn gelijk aan vuur. Het woord voor vuur in het Hebreeuws is “aish”, en het woord “ashishot” is als een meervoudsvorm voor vuur. Chesed is een wit vuur, Gevoera is zwart vuur en de combinatie van de twee is Tiferet. Meditatief gebed brengt teweeg dat deze Sefirot worden gevuld met overvloed (bekend als “Sheva”) van Bina en dit op zijn beurt wordt doorgeven, door de Sefira van Yesod, naar Malchoet.

 

Zij vullen eerst die goede wijn, die heeft gerijpt op zijn sedimenten, de overvloed van Bina. Wanneer ze zijn gevuld met overvloed door meditatief gebed, is zegen aanwezig de Sefira van Malchoet, door bemiddeling wat rechtvaardig wordt genoemd, [verwijzend naar de Sefira van Yesod]. En iemand die weet hoe de Heilige Naam te verenigen en zo doet om de Shechina te ondersteunen, steunt en assisteert de Congregatie van Israël in haar ballingschap, alhoewel geen zegen wordt gevonden in de wereld, vanwege de overmaat aan streng oordeel.

 

 

 

Het vers continueert , Heel mij met appels”…., en beide zijn het zelfde zoals we hebben uitgelegd.

 

 

 

Appels komen in verschillende kleuren voor, maar voornamelijk in het rood, wat verwijst naar de Sefira van Gevoera. Het feit dat zij ook van binnen wit zijn verwijst naar Chesed. Zij combineren daarom de twee aspecten van Chesed en Gevoera en zijn geassocieerd met de Sefira van Tiferet, als zijnde ashishot. Tiferet is geassocieerd met de middelste lijn in de Boom van de Sefirot en, zoals genezing, brengt onevenwichtige extremen terug in harmonie. De Zohar stelt evenzo dat appels een ontnuchterende invloed hebben.

 

Maar het geheim hiervan is, dat bokalen de uitwerking van wijn vergroten, en appels werken het effect van wijn tegen en verstevigen de kracht van iemands doorzettingsvermogen. Dit verklaart waarom het vers zowel bokalen als appels vermeldt: bokalen om het effect van wijn te verspreiden en appels om iemands wil te verstevigen zodat de wijn zijn wil niet zal beïnvloeden.

 

 

 

Aan “wijn” wordt hier gerefereerd als beïnvloeding van de andere Sefirot en refereert daarom aan de Sefira van Bina. De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord, “yayin” is 70, de zelfde numerieke waarde als van het Hebreeuwse woord voor “verborgen , mysterie”, “sod”. De intellectuele eigenschap wordt als “verborgen, mysterie” beschouwd in relatie tot de emotionele eigenschap en wordt alleen bekend door spraak. Wijn brengt spraak teweeg, die een revelatie is van iemands gedachten. Dus zeggen de Geleerden, “Wijn gaat in, en geheimen komen uit”. Het effect van wijn is om de mentale activiteit te stimuleren, gerelateerd aan de overvloed die wordt gegenereerd in Bina. Te veel wijn veroorzaakt dronkenschap, die onder controle wordt gebracht door het eten van appels.

 

Dit alles met welke reden? [het ondersteunen van de Shechina]. Omdat “ik ziek van liefde ben” in ballingschap.

 

 

 

Malchoet in ballingschap hunkert om te worden verenigd met de directe invloed van het G’ddelijke, door zich opnieuw te verbinden met Zeir Anpin. Zij is gek van liefde als iemand die emotioneel overstuur is in de fysieke wereld en bijgestaan door een stevig drank.  De “wijn”die haar ondersteunt, is het meditatieve gebed van haar zonen.

 

En iemand die de Heilige Naam verenigt [veroorzakend overvloed vloeiend van Bina naar Malchoet] moet op een gepaste wijze oordeel met barmhartigheid combineren.

 

Het geheim van meditatief gebed op de Heilige Namen zoals zij in verschillende fasen voorkomen in het Staande Gebed, is om de harde realiteit van de fysieke wereld te “verzachten” door combinatie van barmhartigheid, het aspect van de Naam Havayah, met strengheid, relateert aan de Naam Ado-nai. Dit is waarom vele gebedenboeken de Naam Havayah hebben geassocieerd met de klinkers van de Sefirot waaraan zij zijn gerelateerd en de Naam Ado-nai ingesloten in de laatste letter van de Naam.

 

Dit veroorzaakt [Haar] te worden verzacht en rectificeert alles als passend en dit ondersteunt de Congregatie van Israël in ballingschap.

 

 

 

De staat van ballingschap is de afwezigheid van het beïnvloedende gevoel van het G’ddelijke in de fysieke realiteit. Meditatieve gebeden, zowel als reciteren van zegeningen in gepaste vorm, rectificeren dit en brengen dit bewustzijn van het G’ddelijke terug in elk aspect van het leven.

 

SHABBAT SHALOM

POERIEM 5774

HET ELIMINEREN VAN TWIJFEL, HAMAN, EEN NAZAAT VAN AMALEK

 

Waarom is ons niet bevel gegeven om Amalek te verdrijven, zoals de andere volkeren kregen die het Land bewoonden? Waarom moesten we hen verdelgen?

 

 Het is een positief voorschrift van de Thora om de herinnering van Amalek uit te wissen.

 

Denk er steeds aan wat Amalek je heeft aangedaan……….je moet de herinnering aan Amalek onder de hemel absoluut wegvagen. (Deuteronomium. 25:17-19)

 

De vraag is: “Waarom is ons geboden van alle volken Amalek te verdelgen?” In het Thoragedeelte Ki Tisa staat geschreven: “ En Ik verdreef de Kananiten, de Emoriten, de Hittiten, de Priziten en Chiviten en de Yevoessiten en ook de Girgashiten.” Waarom wordt ons alleen geboden hen te verdrijven en niet geboden hen te verdelgen?

 

Het is bekend dat de concepten van de zeven landen verwijst naar de zeven slechte eigenschappen, zoals wordt geschreven in het commentaar op de Thora van de Ba’al Shem Tov (Parashat Shemot 12). “Kananiten,” verwijst naar “liefde” en de passie van copuleren geassocieerd met de Sefira van Chesed. Hittiten is een linguïstische verwijzing naar angst, met andere woorden, “kwade vrees”, geassocieerd met de Sefira van Gevoera. Emoriten is het equivalent van hoogmoed, geassocieerd met de Sefira van Tiferet. Priziten is equivalent aan brutaliteit, geassocieerd met de Sefira Netzach, met andere woorden, “zonder vrees”. Chiviten is geassocieerd met de Sefira Hod, een verwijzing naar droefheid [de letters van Hod, omgekeerd, spellen, “Davve” wat “droevig” betekent.] De Girgashiten representeren luiheid.

 

 Het probleem met de menselijke deugdelijke eigenschappen is dat ze niet teniet gedaan kunnen worden, maar elke eigenschap moet worden gemoduleerd volgens de juiste maatstaf [maatstaf en eigenschap zijn de zelfde woorden in het Hebreeuws]. Elke eigenschap heeft een goede mate die we ijverig moeten nastreven. Net zoals er destructieve afgunst is, is er constructieve afgunst en naijver, met andere woorden: de motiverende na-ijver zoals onder studenten; juist zoals er goede liefde is, is er slechte liefde, goed ontzag en slecht ontzag, etc. Dienovereenkomstig, wordt ons niet geboden om deze volkeren te verdelgen, maar om hen te veroveren en hen binnen het sacrale te brengen.

 

 Dit is niet het geval met Amalek, wiens essentieel belang is het zaaien van twijfel in het bestaan van G’ddelijke supervisie, zoals wordt gesteld in het Thoragedeelte “Beshalach’, waar het Volk Israël  G’D op de proef stelt door te zeggen: “Is G’D in ons midden of niet?” (Exodus.17:7). Bijgevolg is dus de numerieke waarde van Amalek het zelfde als “safek” wat twijfel betekent.

 

Aangezien de oorsprong van alle twijfel het gebrek van vertrouwen in de G’ddelijk supervisie is, profeteerde Bil’am, “Het begin van de vijandige volken was Amalek, maar aan het eind gaat hij voor altijd te gronde” (Numeri. 24:29). Met andere woorden, de oorsprong van overtreding in denken, de bron van de idee dat er geen G’ddelijke supervisie is, is in de wereld.

 

De vroegste oorsprong van Amalek is de primordiale slang die alle zonden veroorzaakt, zoals is geschreven, “De slang heeft mij verleidt en ik at” (Genesis. 3:13). Het woord “verleiding” in het Hebreeuws gebruikt de zelfde letters als de uitdrukking, “Is er niets?” [in het Hebreeuws, “HaYesh Ayin?”]. Alleen de openbaring van het Licht van Wijsheid kan deze smet corrigeren. Door de Thora is het mogelijk om de supervisie van de Schepper over Zijn creaturen te openbaren en dan zal de twijfel verdwijnen en worden vervangen door de bewustwording van “Oog tot oog zullen zij zien hoe G’D zal terugkeren naar Zion.” Dus het heeft geen zin om de karakteristiek van Amalek te verdrijven; men kan het alleen ontwortelen door het Licht van de Thora te openbaren en dan pas verdwijnt twijfel.

 

Onze Wijzen zeggen, “Er is geen grotere vreugde als de eliminatie van de twijfel.” Gedurende Poeriem profiteren we van dat geluk door middel van de onthulling van het Licht van Wijsheid die wordt aangereikt door het drinken van wijn. Dit is de reden waarom we worden gevraagd om dronken te worden etc. totdat er verwarring is tussen “vervloekt zij Haman en gezegend zij Mordechai.” Na de openbaring van G’ddelijke Supervisie, verdwijnt het kwaad en alles wordt getransformeerd naar het goede; dan is er inderdaad geen verder onderscheid tussen “vervloekt zij Haman en gezegend zij Mordechai” en sommige nakomelingen van Haman, een nakomeling van Amalek, zullen overgaan naar het Jodendom en in het openbaar Thora leren.

 

Nu kunnen we begrijpen van waar deze Wijzen van gezegende nagedachtenis zeiden, “Er is geen volledige Troon of volledige Naam van de Schepper totdat de naam Amalek is uitgewist,” omdat de G’ddelijke Supervisie van de Schepper en de volledige Naam van de Schepper, die verwijst naar “tov oemetiev”, Hij is goed en doet goed”, zal worden geopenbaard door het Licht van Zion en deze openbaring hangt af van de uitwissing van Amalek, die de oorsprong is van de ontkenning van Zijn supervisie.

 

 In het vers aan het eind van bovengenoemde Parashat BeShalachki jad al kess joed Kéh,” ontbreekt de letter “Alef” van het woord Kess [  betekent: stoel of troon] en van de letters “Vav Kéh ontbreken 2 letters van de Naam van G’D. Dit verwijst naar het mysterie van “En dan vanuit Zion de openbaring van Licht,” zoals wordt gezegd, “En Licht zal uitgaan van ZionI” en ook, “En G’D zal zegenen vanuit Zion”. Zijn troon en Zijn Naam zullen beiden compleet worden op het moment dat Amalek zal worden vernietigd.

 

VREUGDEVOL POERIEM     

PARASHAT TSAV

SHABBAT ZACHOR

Gebied            Leviticus.6:1 – 8:36

 

VIER SPIRITUELE GEVAREN

 

 Het woord “geef dank” in het Hebreeuws kan ook erkennen, accepteren betekenen.

 

 

 Reshimot, De Lubavitcher Rebbe, 11, p. 5-7

 

 “Wanneer men het uit dankbaarheid brengt……..” (Leviticus. 7:12)

 

 In vier gevallen werd verlangd om een dankoffer te brengen in de Heilige Tempel (tegenwoordig, is dit vervangen door het zeggen van de Gomel zegen) (zie ook Psalm. 107):

*Als men veilig een zee heeft overstoken.

 

*Als men is hersteld van een mogelijke levensbedreigende ziekte.

 

*Als men wordt bevrijd van gevangenschap.

 

*Als men veilig een woestijn heeft doortrokken.

 

Het woord “geef dank”, l’hodot, in het Hebreeuws, kan ook erkennen of accepteren betekenen. Dan reflecteert elk van deze vier situaties een specifiek spiritueel gevaar.

 

 ·      “De “zee” refereert aan Chochma, want de onmetelijke expansie van G’ddelijke Wijsheid wordt een “zee” genoemd.” (Kehilat Yaakov, s.v. Yam) Het ervaren van G’ddelijk inzicht draagt het gevaar in zich van “verdrinken” in de ervaring, daarbij is vergeten om het te verwerken in het intellect zodat het een affect en omwerking heeft op de emoties.

 

 

·      “Een patiënt refereert aan Bina. De numerieke waarde van het woord “patiënt” חולה is 49, verwijst naar iemand die 49 van de 50 “poorten van inzicht” waarneemt, en daarbij smacht naar de 50e poort.

 

 ·      Het ordelijk verloop en ontwikkeling van de Middot, emoties, komend van het intellect kan worden geblokkeerd bij onvoldoende Da’at. Da’at openbaart het belang van het intellect naar ons leven, en stelt ons daarbij in staat om een emotionele reactie te ervaren vanuit het  intellectueel besef. De corridor verbindend het intellect, gevestigd in het hoofd, met de emoties, gevestigd in het hart, wordt fysiek gereflecteerd door de nauwte van keel en hals.

 

 ·      De “gevangene” refereert aan de Middot wanneer zij, bij wijze van spreken, vast zit, gevangen is, in de nauwte van keel en hals en weerhouden wordt om zichzelf te manifesteren in het hart. (Thora Ohr 58b) Malchoet  omvat al onze vermogens van expressie, die, wanneer op de juiste wijze is geïnspireerd, anderen kan inspireren. In de woorden van onze geleerden, “Woorden die voortkomen vanuit het hart (van de spreker) betreden het hart (van de toehoorder).” Wanneer onze vermogens van expressie vluchtig zijn, niet gevestigd in harten, zijn zij “onvruchtbaar” en dragen geen vrucht. Een dergelijk verzwakte expressie wordt gesymboliseerd door de onvruchtbaarheid van de woestijn.

 

 Deze vier situaties omvatten het gehele spectrum van de sefirot, en ook de corresponderende facetten van de menselijke ziel. Als we overleven of herstellen van al deze vier gevaren, door niet te verdrinken in de zee van Chochma,  door vooruitgang te boeken naar de 50e  poort van begrip, door manifestatie van de emoties geboren vanuit ons intellect en door communicatie van onze inspiraties aan anderen, rectificeren wij daardoor onze volledige vervolmaking van de vermogens van de ziel.

 

Toch, zelfs na completering van onze zelfrectificatie, moeten we nog steeds erkennen en accepteren dat G’D’s oneindigheid onze begripsvermogens te boven gaat en dat daarom voor ons oneindig veel sporten van de spirituele ladder te beklimmen blijven.

 

SHABBAT SHALOM