PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond   Genesis. 32:4 – 36:43

Kwaad zit gehurkt aan de deur

Iemands inclinatie jegens kwaad, zowel als die jegens goed, brengt iemand dichterbij G’D.

Zohar, p. 165b

En Jacob zond afgezanten voor zich uit naar zijn broer Esau, naar de rode velden van het Se’ier, het gebied van Edom.

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers:

Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen. (Psalm. 91:11)

Dit vers werd uitgelegd door de collega’s met de betekenis dat op het moment wanneer iemand in deze wereld komt de “Yetzer Hara” al op hem wacht.

De “Kwade Inclinatie” is de kenmerkende vertaling van de “Yetzer Hara. De stam van het woord “yetzer” is “teweegbrengen” en refereert aan hoe iemands dierlijke drang probeert te voldoen aan behoeften op welk moment dan ook. Vanaf de geboorte verlaat de Yetzer Hara iemand niet.

De Yetzer Hara staat voortdurend klaar om iemand te verstrikken in het verkeerd doen van dingen en gaat er vervolgens toe over om hem aan te klagen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers, “Zonde [in het Hebreeuws, Chatat] zit gehurkt aan de deur op de loer, klaar om toe te slaan. (Genesis. 4:7) Wat is dat het gehurkt zitten, wacht om toe te slaan, zodra een persoon uit zijn moeder tevoorschijn komt in deze wereld? Het is de Yetzer Hara. Koning David refereert eveneens aan de Yetzer Hara als “Chatat” als hij zegt, “En mijn zonden [Chatati] zijn altijd vóór mij”(Psalm 51:5). De Yetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, elk moment, om een persoon in de ogen van G’D in een slecht daglicht te plaatsen en vanaf het moment dat hij geboren is hij verlaat een persoon niet.

De Yetzer Tov [de Goede inclinatie] komt in een mannelijk persoon wanneer hij de leeftijd van dertien heeft bereikt [en bij meisjes in de leeftijd van 12], dit is de leeftijd waarop een persoon in staat is om zichzelf te purificeren en zich te verbinden met zijn spirituele oorsprong door het doen van mitzwot. Op die leeftijd wanneer een persoon verplicht is om mitzwot uit te voeren, komt de Yetzer Tov om hem te assisteren en de inclinaties verenigen zich met de persoon, de Yetzer Tov aan zijn rechter zijde en de Yetzer Hara aan zijn linker zijde. Deze twee inclinaties zijn in wezen engelen, pure spirituele krachten, en zijn belast met het beschermen van de persoon tegen alles wat hem schade zou kunnen berokkenen. Zij verlaten de persoon nooit. Als de persoon besluit om zichzelf te purificeren en terug te keren naar zijn spirituele oorsprong, onderwerpt de Yetzer Hara zich aan de Yetzer Tov en de inclinatie om goed te doen heerst over de inclinatie die slecht doet. Beide verenigen zich door wederzijdse goedkeuring, om de persoon te behoeden voor het doen van kwaad overal waar hij gaat. Om die reden zegt het vers, “Hij zal Zijn engelen aan jou ter beschikking stellen, om op je te passen overal waar je zult gaan”. De engelen refereren aan de twee inclinaties en wanneer een persoon beslist om zijn Yetzer Tov te versterken over zijn kwade inclinatie, dan zal de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil zeggen, “Amen”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis 28:10 – 32:3)

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P. 150a

In deze klassieke passage laat Rebbe Shimon zien hoe de Ladder van Jacob een beeldbeschrijving is, hoe de sefirot zijn verbonden. Hij verschaft dus een inzicht in de structuur van de spirituele wereld.

“En zie, daar staat de Eeuwige boven hem en zegt: “Ik ben de Eeuwige, de G’D van je vader Awraham en de G’D van Izaak; het land, waarop je ligt zal Ik jou geven en aan je nakomelingen.” (Genesis. 28:13)
G’D stond boven Jacob, om zodoende een Heilig voertuig te creëren [Merkawa], rechts en links en Jacob in het midden.

G’D, sefira van tiferet duidelijk zichtbaar makend, stond boven Jacob om hem zo,tiferet te geven, om van hem een vehikel, een voertuig te maken, voor deze spirituele eigenschappen en om er mee om te gaan. Daarom de positie in het midden van de ladder, om door het vasthouden van de beide zijden, de eigenschap van Abraham, die de rechterzijde van de ladder representeert en de sefira van chesed, te verenigen met Izaak, die de linkerzijde van de ladder representeert en de sefira van gevoera. De eigenschappen van de drie Patriarchen, eenmaal verenigd, werden een vehikel voor bina, een vereiste om de spirituele en fysieke wereld te kunnen begrijpen.

Dan is de Gemeenschap van Israël [malchoet] met hen verbonden.

De sefira van malchoet, eenmaal met hen verbonden, creëert het vierde wiel van het vehikel voor bina. Dit is een beschrijving van de basisstructuur van het fameuze diagram van de tien sefirot.

Dit wordt bedoeld met de woorden “Ik ben de Eeuwige, de G’D van je vader Awraham [chesed] en de G’D van Izaak [gevoera].”

Van waar leren wij dat Jacob in het midden was? Op de manier waarop de tekst is geschreven “G’D van je vader Abraham en G’D van Izaak”. Er staat niet geschreven dat Izaak zijn vader was. Aangezien zijn relatie met Abraham nadrukkelijk wordt benadrukt, is dit een vaststelling dat hij in het midden was.

De tekst verklaart dat Abraham Jacob’s vader is, ondanks het feit dat het Izaak was. Deze nadruk op Abraham, die één generatie verwijderd was, wordt goed gemaakt door hem vader te noemen, in plaats van Izaak. Dit brengt de twee met betrekking tot Jacob in evenwicht. We hebben hier dus een paradigma van spirituele werkelijkheid welke ook wordt weergegeven in de atomen van de fysieke wereld. Positieve/Abraham/chesed is verbonden met de Negatieve/Izaak/gevoera, en met de neutron/Jacob/tiferet. Nu kan elektriciteit stromen in de fysieke wereld en shefa/abondantie kan stromen in het spirituele.

En vervolgens staat er geschreven, “Het land [malchoet] waarop je ligt zal Ik jou geven”. Nu hebben we een vehikel, een drager, een voertuig voor het Heilige [chesedgevoera, en tiferet]. Van hier uit zag Jacob dat hij de voltooiing was van de voorvaderen.

Jacob realiseerde zich dat hij de completering van de voorvaderen was. Hij zag in zijn droom hoe hij chesed en gevoera, Abraham en Izaak verenigde, en hen verbond met de wereld, welke de representatie is van G’D’s koninkrijk –malchoet.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De nakomelingen van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9)

De esoterische dimensie van de tienden (afgifte op inkomsten) en de esoterische dimensie van de zegeningen komen voort uit een en dezelfde bron. Dit geeft het vers “Mea Sheariem, honderd poorten” weer, dat Jitschak volbracht. Het nummer honderd is zeer belangrijk, zowel in wettelijk halachisch als in allegorisch opzicht: Menachot 43 verklaart dat iedereen verplicht is om dagelijks honderd berachot ,zegeningen uit te spreken. Dit aantal is gebaseerd op de zegeningen die verleend zijn door G’D aan Jitschak in deze parasha, toen hij honderd maal zoveel oogstte als was verwacht. ( Genesis. 26:12 )

Rekanati schrijft hier over als volgt: Kabbalisten beschrijven dat de “hogere” wereld bestaat uit honderd “poorten”. Elke “poort” is waarneembaar als een fontein van zegeningen. Jitschak janak, zoog, m.a.w. absorbeerde van elk van deze “poorten”. Het Tabernakel had honderd zilveren sokkels (Exodus. 38:27), zij symboliseerden deze honderd bronnen van zegeningen. Elke adén, sokkel, was een vergaarplaats voor hemelse zegeningen. Tot zover Rekanati.

Rabbi Horowitz vermeldt een boek, genaamd sha aré ora, waarvan hij de volgende passage weergeeft over de verwantschap van de sokkels in het Tabernakel tot de hemelse bronnen van zegeningen en de noodzaak om dagelijks honderd zegeningen uit te spreken, en de negatieve uitwerking door het niet te doen.

Dit is wat hij schrijft: “Deze honderd sokkels van de pilaren in het Tabernakel zijn symbolisch voor de honderd zegeningen welke gevuld zijn vanuit het grote beracha, reservoir [ongetwijfeld een dubbele bedoeling die verbonden is met de bron van beracha, zegening]. Deze beracha is genoemd Adonai, G’D [m.a.w. heeft de eigenschap van de naam Adonai en is de bron].

Vandaar dat een persoon dagelijks honderd zegeningen moet uitspreken met de bedoeling om zichzelf te betrekken bij deze honderd verschillende zegeningen.

Midrash Bereeshiet Rabba 1,10 becommentarieert waarom de Thora begint met de letter beth in plaats van de letter alef en noemt een aantal verschillende redenen. De Thora wenst aan te geven dat er twee verschillende werelden zijn, deze wereld en de Olam HaBa, de komende wereld. De letter beth symboliseert beracha, zegening. De letter alef zou ongepast zijn, omdat het de eerste letter is van het woord aroer, vervloekt. Was de Thora begonnen met alef, zouden velen hebben gedacht dat dit het bewijs zou zijn dat het hele gebeuren van de schepping was voorbestemd om te falen, m.a.w. te zijn vervloekt. Met dit als gegeven besloot G’D om het universum te creëren met de letter beth, hopende daarbij dat het universum zou blijven voort bestaan.

We zien dus dat beide, de schepping en de levens van de Patriarchen, tot uitdrukking brengen het concept van beracha, zegening.

Het is daarom passend dat de bron van, of beter gezegd, de sleutel van zegeningen, geplaatst zou moeten worden in de handen van de Patriarchen.

G’D zei dit voor het eerst aan Avraham in vers Genesis 12,2 toen Hij hem letterlijk commandeerde om een bron van zegeningen te worden. Avraham legateerde niet persoonlijk deze zegeningen aan zijn zoon Jitschak, maar wachtte totdat G’D dit zelf deed.

Jitschak erfde deze gift van zijn vader zoals we zien van het vers Genesis 25,11 waar G’D Avraham’s zegen doorgaf aan Jitschak na de dood van Abraham.

De tweestrijd tussen Esau en Ja’akov ging over wie van de twee de zegen zou erven welke G’D had gevestigd in Avraham en vervolgens in Jitschak.

Ja’akov werd de erfgenaam van het vermogen om te zegenen, en hij op zijn beurt legateerde het aan zijn kinderen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYE SARA

De leeftijd van Sara (Genesis 23:1 – 25:18)

ABRAHAM EN SARA, LICHAAM EN ZIEL


De Thoralezing van deze week begint met, “En Sara stierf in Kirjat Arba, dat is Hebron in het land Kana’an (Gen. 23:2), kwam Abraham om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen.” Volgens de Zohar is “Sara”het symbool voor het lichaam en “Abraham” het symbool voor de ziel. (Zohar I: 122b)

In deze context interpreteert de Zohar het vers als volgt: De frase, “En Sara stierf” betekent “wanneer het lichaam sterft”; “In Kirjat Arba,” [let. De stad van de vier] refereert aan de vier basiselementen waaruit het lichaam is samengesteld (vuur, lucht, water, aarde, waarmee, de Heilige zij geprezen, de wereld heeft geschapen); “Dat is Hebron” refereert aan het feit dat tijdens het bestaan van het lichaam, haar vier elementen verenigd waren. (mechoebar)(Hebron [Chevron] is een idiomatische uitdrukking van chabar – te verenigen, samen komen)

Wanneer nu het lichaam sterft “En Abraham kwam”,m.a.w. de ziel kwam om te wenen “om te weeklagen over Sara”, d.w.z, de ziel weent, want zelfs na de dood, na haar vertrek, blijft de ziel verbonden met het lichaam.

Echter deze interpretatie van Sara als het lichaam en Abraham als de ziel, is moeilijk te begrijpen zonder verklarende uitleg over het vers, “…..al wat Sara je zeggen zal, daar moet je gehoor aan geven…..”. (Gen. 21:12)

Want normaliter, behoort het lichaam de ziel te gehoorzamen en niet andersom? Er is een zeer bekend commentaar van de Baal Shem Tov ( Stichter van de Chassidische beweging) op het volgende vers, “Wanneer je de ezel van je vijand, die je haat, onder zijn last ziet bezwijken, dan moet je je ervan weerhouden het aan hem over te laten, je moet hem helpen, (Ex: 23:5)”: “Wanneer je ziet de ezel” (ezel, in het Hebreeuws chamor, is gerelateerd aan het woord chomer, materialisme) betekent, wanneer je je eigen chomer, je materiële aangelegenheden, zorgvuldig onderzoekt, zal je je realiseren dat zij je vijanden zijn. Want in de initiale stages van iemand’s spirituele dienst aan G’D, aan het begin van zijn leven, zijn lichaam en ziel vijanden van elkaar. “Onder zijn last bezwijken”, refereert aan het juk van de Thora en mitswot. Het is “zijn last, omdat Thora en mitswot gegeven waren aan de ziel, gevestigd in het lichaam, om het lichaam te zuiveren en te sublimeren. Ondanks dit, ervaart het lichaam het als een ongewilde last, vandaar “onder zijn last bezwijken”.

Afgezien van het feit dat de mitswot uitsluitend zijn gegeven aan zielen in lichamen, zijn zij ook betrokken in fysieke oogmerken.

Dit is niet alleen van toepassing tot mitswot ma’asiyot ( mitswot met betrekking tot fysiek handelen ), maar ook tot die mitswot welke essentiële plichten zijn van het hart, d.w.z. liefde en vrees voor G’D, of plichten van het verstand, d.w.z. het geloof in de eenheid van G’D. Zij betekenen eveneens een fysieke uitvoering door hart en brein. Neem bijvoorbeeld het voorschrift om G’D lief te hebben. In de fysieke sfeer noteren we dat “Een goede tijding verstevigt de beenderen” (Spreuken 15:30), de Gamara relateert dit aan een gelukkige gebeurtenis, ( gitin 56b )of een goede tijding, die een fysieke verandering teweeg brengt. Het zelfde is waar ten aanzien van lief hebben van G’D. Wanneer de mens beseft ” de nabijheid van G’D is goed voor mij “, moet dit ook waarneembaar zijn in zijn lichaam.

Evenredig is het met de vrees voor G’D. Een samentrekking van de geest en hart is niet voldoende. Het moet zich manifesteren in het fysieke brein en hart als ware angst.

Onze Nisi’iem (leiders) hebben alles aan ons getoond, incluis het principe van vrees. Er is een zeer bekend verhaal over de Alter Rebbe (Rabbi Schneur Zalman van Liadi), Op een keer, tijdens een gebed ( op Rosh Hashana of Jom Kippoer), komend aan de woorden “daarom leg op pachdecha (Uw vrees)”, viel hij rollend op de grond, zeggend pach, pach, zijn concentratie op deze passage vulde hem met zo’n grote vrees dat het voor hem onmogelijk was om het woord fatsoenlijk uit te spreken. Het nam enige tijd in beslag voordat hij het hele woord, pachdecha, kon prononceren.

Er is een ander verhaal van de Tzemach Tzedek, in de eerste jaren van zijn leiderschap, tijdens een farbrengen (samenkomst) met Chassidiem.

Er werd kavit (90% vodka) aangereikt en de Rebbe dronk een heel glas en nog een en vroeg vervolgens om een derde. Naderhand streek hij met zijn hand over zijn voorhoofd en men kon geen enkel effect meer waarnemen van de sterke drank. Op een latere gelegenheid legde de Tzemach Tzedek uit dat hij zijn gedachten compleet concentreert had op de grootheid van G’D.

Deze bezinning veroorzaakte dat hij overvallen werd door een grote vrees, “vrees neutraliseert het effect van sterke wijn” ( Talmoed, Baba Batra 10a ).

Deze vrees had zo een effect op hem dat men een ware fysieke verandering kon waarnemen, de alcohol had geen enkele invloed.

De Baal Shem Tov vervolgt zijn interpretatie van het vers [“Wanneer je ziet de ezel…..”] aldus: “Wil je je zelf ervan onthouden om hem te helpen”? Iemand zou kunnen denken dat, aangezien het lichaam” onder zijn last bezwijkt” hij dit wil corrigeren door complete spiritualiteit, m.a.w. uitsluiting van het lichamelijke, of zijn lichaam minder belangrijk maken, door onthouding, vasten, zelfkastijding. Dat is absoluut niet de juiste manier van doen. Integendeel zegt de Thora ” hij moet hem helpen” m.a.w. hij moet zijn lichaam helpen door het te zuiveren en te verbeteren, in plaats van het te breken.

Dat is door het doen van mitswot.De reden om het lichaam een volwaardige partner te maken in iemands spirituele dienst aan G’D is als volgt: Zelfs wanneer een persoon de juiste spirituele intenties bezit en associeert met de uitvoering van een mitswa, maar tekort schiet door een niet juiste uitvoering van die mitswa, heeft hij niet alleen gefaald in het eigenlijke vervullen van de mitswa, maar deze in feite ook overtreden.

Maar als de daad is uitgevoerd zonder de juiste intentie, enerzijds omdat de persoon niet de juiste intentie weet, of hij weet het, maar hij dacht er niet aan, dan, ondanks dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn gebrek aan intentie, heeft hij desalniettemin de mitswa vervuld.

Dit is de betekenis van “…..al wat Sara je zeggen zal, daar moet je gehoor aan geven…..”. (Gen. 21:12) in de context van de Zohar’s interpretatie van Sara als een symbool voor het lichaam. Het betekent dat het uiteindelijke doel van fysiek leven, zetelt in het fysieke lichaam en zijn spirituele zuiverheid.

Heden ten dage is het superieure spirituele aspect van het lichaam verhuld, maar met hopelijk een snelle komst van Mashiach zal dit worden geopenbaard.

SHABBAT SHALOM.

PARASHAT WAJERÁ


En hij verscheen (Genesis. 18:1 – 22:24)

RABBI SHIMON BAR JOCHAI


ZOHAR 99a

Rabbi Abba opent zijn verhandeling met de woorden: “Wie zal de berg van G’D bestijgen en wie zal staan op Zijn heilige plaats? ( Psalm. 24:3)
Kom en zie: Mensen in de wereld vragen zich niet af  waarom zij op deze wereld zijn. Hun dagen gaan voorbij en rijzen op vóór de Heilige, geprezen zij Hij, elke afzonderlijke dag dat een persoon leeft op deze wereld. Elke dag wordt door Hem gecreëerd en zelfs nadat zij deze wereld hebben verlaten, staat ieder spiritueel voor Hem. Van waar uit leren we dit? Van het vers: “In Uw boek zijn allen ingeschreven, de dagen, toen er niet één van hen geschapen was.” (Psalm. 139:16)
Wanneer iemands tijd komt om deze wereld te verlaten, verschijnen al die dagen en stijgen op voor de Hoogste Koning, zo als staat geschreven: “De dagen van Koning David naderen zijn dood” (Koningen I 2:1) en De dagen van Israël om te sterven kwamen naderbij” (Genesis. 47:29)

Wanneer een persoon in Deze Wereld is, mediteert hij niet waarom en gaat hij niet de reden na voor zijn leven en zijn doel in Deze Wereld. Integendeel hij denkt dat al zijn dagen zonder enige betekenis voorbij gaan, wat absoluut niet het geval is, aangezien elke dag staat voor eeuwigheid. Wanneer de ziel deze fysieke wereld verlaat, weet hij niet waar naar toe zijn weg leidt. Aangezien de weg naarGan Eden, waar de rechtvaardige zielen schitteren, aan niemand bekend is, omdat de wijze waarop een persoon zich in Deze Wereld heeft gedragen beslissend is waarnaar toe hij vertrekt.
Hetgeen hij zocht in Deze Wereld beslist de trekkende kracht van zijn ziel bij het opstijgen naar de spirituele sferen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij   Genesis.  12:1 – 17:27

De Lubavitcher Rebbe

Het is niet genoeg om G’D te dienen met de ziel alleen.

Er was een hongersnood in het land en Avram daalde af naar Egypte om zich daar tijdelijk op te houden omdat de hongersnood zo zwaar was in het land. Toen hij dichter bij Egypte was gekomen zei hij tegen zijn vrouw Sarai: “Hoor eens, ik weet, dat je een mooie vrouw bent. Als de Egyptenaren je zien zullen zeggen, “dit is zijn vrouw”, dan zullen zij mij vermoorden en jou in leven laten. Zeg toch dat je mijn zuster bent zodat het mij goed zal gaan door jou en ik zelf in leven kan blijven ter wille van jou”.

“Zeg toch dat je mijn zuster bent”….: Spiritueel betekent Abraham de ziel en Sara het lichaam. Het zenden van Sara in het “ hol van de leeuw”, weerspiegelt het idee dat het niet genoeg is om G’D te dienen met de ziel alleen, het ontneemt het lichaam zijn fysieke vervulling. Veeleer moet het lichaam worden gestuurd in de gevaarlijke omgeving van “het huis van Pharao’s” – dat wil zeggen, zich bezig houden met fysieke bezigheden, zoals eten, het verdienen van levensonderhoud en trouwen. Wanneer iemand zich bezig houd met deze fysieke aangelegen heden en ongedeerd er uit tevoorschijn komt, en bovendien erin slaagt om deze bezigheden te spiritualizeren, ligt daarin de grootste winst voor zowel lichaam als ziel.

Echter om succesvol geconfronteerd te worden met de fysieke wereld, moet het lichaam trachten de heiligheid van de ziel te evenaren. Iemands liefde voor G’D kan een uitdrukking van zijn ziels nabijheid zijn met G’D of zijn lichamelijke afstand van G’D. De liefde van de ziel van God is als dat van een zuster voor een broer: natuurlijk en consistent.  De lichamelijke liefde voor G’D, aan de andere kant, is als de liefde van de ene echtgenoot voor de andere: niet aangeboren, en dus theoretisch op zegbaar. Toegegeven, de lichamelijke liefde voor God,  als de liefde binnen het huwelijk, is meer dramatisch en krachtig, precies omdat de inherente afstand tussen minnaar en geliefde hen in staat stelt om zich met gelijktijdige intensiteit te verbinden, tot ” één vlees” (in tegenstelling tot broer en zus liefde). Niettemin, opdat het lichaam slaagt in haar missie, moet zij zich bewust blijven van het voordeel van de bestendigheid van de liefde van de ziel voor G’D. Dus, moet zij “het huis Pharao”binnengaan, maar zich voordoen als een zuster en niet als een echtgenote.

“zodat het mij goed zal gaan door jou….”, Abraham begreep dat zijn verblijf in Egypte was bedoeld om een rol te spelen bij de vervulling van de belofte van God: “Ik zal je zegenen en je naam groot maken”, die ook materieel succes inhield (Rashi ad loc.) Hij begreep ook dat dit zou gebeuren door Sarah. Zoals de wijzen zeggen: “Zegen is aanwezig in het huis vanwege de vrouw, want het is geschreven, En hij behandelt  Abram goed vanwege haar .”(Bava Metzia 59 bis) Abraham zag ook voor Sarah een engel lopen, en hij zei: “Zij is beschermd, Ik niet .” [Zohar 3:51 a, aangehaald in Igrot Kodesh, Vol. 2, p. 181. Likutei Sichot, vol. 20, p. 39]

In spiritueel opzicht, zag Abraham in zijn afdaling naar Egypte een middel om de vonken van heiligheid te verheffen. Dat is wat hij bedoelt met “zodat ze mij geschenken geven “: de rijkdom van Egypte zou de sfeer van heiligheid binnengaan.

Dit diende als een precedent voor de rijkelijk beladen uittocht van de Joden uit Egypte ongeveer 400 jaar later. (Likutei Sichot, vol. 5, p. 61. Zie de toelichting bij Exodus 11:2)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH Noach

Genesis. 6:9 – 11:32

RABBI JITZCHAK LURIA

De geschriften van de Ari

Toen Noach, na de vloed, uit de ark kwam dicteerde G’D aan hem de zeven Noachidische geboden. Inhoudend, het verbod om het vlees van een levend dier af te stropen, wat het algemeen onnodig pijnlijden van dieren aangeeft. Ten aanzien van het doden van dieren wordt in de Zohar, 11:68b aangehaald, dat geen enkel creatuur doelloos is geschapen.

Het is [daarom] verboden om dieren doelloos te doden.

De wijzen verklaren: “Alles wat de Eeuwige, geprezen zij Hij, creëert, creëert Hij alleen voor Zijn eer, zoals staat geschreven, Alles wat genoemd wordt in Mijn naam en voor Mijn eer, creëerde Ik, Ik vormde het, Ik maakte het Zelf.” ( Avot 6:11; Jesaja 43:7)

We zullen nu zien hoe de Arizal deze verklaring uiterst persoonlijk concludeerde, en ten opzichte hiervan dat zich gedroeg met uiterste piëteit.

Mijn leraar [deArizal} was uiterst voorzichtig om geen enkel insect te doden, zelfs niet de kleinste en de onaanzienlijkste zoals, vlooien, luizen en dergelijke, zelfs niet als zij hem beten.

We weten wat de Wijzen zeggen, commentariërend op het vers, “Zijn vijanden zullen ook vrede sluiten met hem” (Spreuken 16:7), sommigen zeggen dat dit verwijst naar de hond, anderen zeggen dat dit verwijst naar de slang, en nog anderen zeggen dat dit refereert aan de vlo. Jeruzalem Talmoed, Teroema)

Deze gedachte is het antwoord van Rabbi Elazar aan Rabbi Chizkiya opgenomen in de Zohar ( II:68), waar de mythische betekenis van het vers “Zal de slang bijten zonder gefluister (Prediker 10:11) wordt verklaard.

Rabbi Elazar en Rabbi Chizkiya wandelden samen en passeerden een slang. Rabbi Chizkiya was van plan de slang te doden, maar Rabbi Elazar zei hem dit niet te doen. Toen Rabbi Chizkiya protesteerde, met het argument dat het een gevaarlijk dier was, citeerde Rabbi Elazar het bovenstaande vers, en interpreteerde het met de betekenis, dat een slang alleen iemand bijt als G’D hem influistert dit te doen.

G’D creëerde slangen om bepaalde mensen te doden om daardoor hen te verhinderen en te weerhouden dat zij kwaad doen. Om zeker te zijn dat wij schepsels niet onnodig doden.

Maar zich onthouden van het doden van dieren die een dreigende houding aannemen t.a.v menselijk leven ( of gevaarlijke ziekten kunnen overbrengen) is strijdig met de Joodse wetgeving en het is te betwijfelen of enig Thora autoriteit dit zou toestaan. Inderdaad is het toegestaan gevaarlijke slangen te doden op Shabbat, wanneer dat normaal gesproken is verboden.

We mogen aannemen dat de Arizal zich geen zorgen hoefde te maken om het in leven of niet in leven te laten van slangen, omdat hij niet bang hoefde te zijn te worden gebeten om hem te beletten te zondigen.

Anderzijds zien we dat hij werd gebeten door insecten en ongedierte. De vraag is hoe de Arizal zich kon onthouden van het doden van slangen en dergelijke en hen toestond een gevaar te zijn voor anderen. Misschien bedoelde de Arizal alleen dat we geen slangen moeten doden in hun natuurlijk wilde leefomstandigheden, maar alleen als zij dicht bevolkte menselijke gebieden in gevaar brengen (of als het mogelijk is hen terug te plaatsen in hun natuurlijke  omgeving).

Maar dit alles is enkel gissing. Het kan net zo goed mogelijk zijn dat de Arizal het voorkomen van het doden van creaturen in zijn geheel bepleit, zelfs ten koste van een menselijk leven.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEREESHIET

In het begin  Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, p. 23a

In de onderstaande vertaling bespreekt Rebbe Shimon de vraag waarom G’D de kwade inclinatie in een persoon heeft gecreëerd. Als iemand geen aanmoediging in zich heeft tot kwaad, zouden er geen kwaadaardige handelingen worden gepleegd die rectificatie verlangden door berouw en gecorrigeerd gedrag.

Rebbe Shimon zegt dat als dit zo was [dat G’D wist dat de mensheid zich zou kunnen laten leiden bij hun kwade inclinatie]  waarom dit alles?

Waarom creëerde Hij de wereld?

Rebbe Shimon zei tot zijn vrienden, dat als G’D niet de goede en de kwade inclinaties had gecreëerd in een persoon [die zijn zoals licht en duisternis in het universum] een persoon ook niet was gecreëerd met de mogelijkheid om beloning en straf te ontvangen.  In plaats daarvan werd de mens gecreëerd met beide inclinaties, en omdat is er geschreven “Zie, vandaag leg Ik je voor het leven en dood en goed en kwade”( Deuteronomium. 30:15). [Deze “optie” reflecteert iemands vermogen om vrije keuzen te maken.]

Zij zeiden tot hem dat zijn uitleg uitstekend is, maar was het niet beter dat de kwade inclinatie in zijn geheel niet was geschapen? Dan zou een persoon niet zondigen en de negatieve effecten in de spirituele werelden zouden niet meer plaatsvinden.

Vervolgens worden straf en beloning overbodig.

Hij antwoordde hen dat ten aanzien van regels van oordeel, het gepaster is dat de mens werd geschapen op deze manier [vrijheid van keuze en straf en beloning].  De Thora is gecreëerd voor de mensheid en bevat geschreven teksten van straf voor de slechten en beloning voor de rechtvaardigen. Er was geen behoefte voor beloning en straf dan alleen voor de gecreëerde mens. Chaotische anarchie is niet gecreëerd, eerder een geordende staat met controle over de inclinatie [om goed of kwaad te doen].

Aldus wordt de mens een partner van G’D die licht en duisternis creëerde. In het kiezen van goed, creëert de mens licht; in het kiezen van kwaad creëert hij duisternis.  Dit verklaart waarom het eerste licht was gecreëerd op de eerste dag van de Schepping, vóór de zon en de sterren. Dat licht heet “goed” en is hier equivalent aan het licht dat wordt opgewekt door een handeling van barmhartigheid.

Zij zeiden tot hem dat wat zij nu hoorden, zij nooit tevoren hadden gehoord. Het is zeker dat G’D geen dingen creëert waar geen behoefte aan is.

Niet alleen dat, maar de Thora van de geschapen wereld is de kleding van de Shechina.

Dit omdat de persoon die kiest voor licht ( door het leren van Thora en het doen van goede daden) de G’ddelijke Aanwezigheid kleedt en verfraait in de laagste wereld met prachtige kleding, en haar in een passende staat brengt om zich te verenigen met haar G’ddelijke bron.

Als de mens niet was geschapen [na de Thora], zou de Shechina zonder kleding zijn, als een bedelaar [in lompen gehuld]. Daarom, als iemand, als het ware, kwaad doet, ontkleedt hij de Shechina,  wat een effect heeft op hem en op deze wereld.

Bovendien, allen die de opdrachten van de Thora uitvoeren, kleden de Shechina in haar gewaad.

Zoals we eerder hebben uitgelegd m.b.t de opdrachten over het dragen van de kledingstukken van Tzitziet en tefillien. Zoals staat geschreven: “Het is haar enige bedekking [een verwijzing naar de taliet]. Het is een kledingstuk voor zijn huid [een verwijzing naar Tefillien die gemaakt zijn van leer].

“In wat zal hij s’nachts slapen?” duidt op de verbanning van de Shechina, zoals we hebben uitgelegd. [Zie Tikoenei Zohar, Tikoen 69]

En zo is het met alle schepselen en dingen in de wereld.

Hebreeuws, de Heilige Taal van de Thora, was de taal waarin de Schepping plaatsvond. Dus, alle creaturen en dingen  zijn direct beïnvloed door hun Hebreeuwse namen, en ook door de componenten letters van hun namen. In dit opzicht is de HeiligeTaal verschillend ten opzichte van andere willekeurige talen, welke betekenis een resultaat is van louter consensus.

Juist zoals G’D het vermogen heeft om te scheppen uit ex-nihilo, hebben de Tien Uitdrukkingen van de Thora dit ook.

SHABBAT SHALOM

SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

Het hoofdconcept van Simchat Thora is simcha, of vreugde, zoals de naam van het feest al aanduidt. Het is van deze uitzonderlijke dag dat wij al ons geluk voor het hele jaar verkrijgen.

Alhoewel het waar is dat alle feestdagen, tot een bepaalde hoogte, geassocieerd zijn met simcha, in het bijzonder Soekkot, welke “de tijd van vreugde” wordt genoemd, brengt Simchat Thora een groter aspect van simcha dan alle andere feestdagen en is het het hoogtepunt van de simcha van Soekkot.

Wat is de bron van de vreugde op Simchat Thora, en wat zet het apart van het geluk dat we ervaren van andere feestdagen? In de Zohar, parashat Pinchas, wordt gezegd dat het  gebruikelijk is dat Simchat Thora een dag is van vreugde en geluk.

Dit maakt Simchat Thora anders dan de dagen van Soekkot, welke de eigenschap beschrijven van vreugde omdat zij geassocieerd zijn met de graanoogst, daar de verheven stemming van Simchat Thora een verwijzen is naar “gebruik”, omdat het komt van een plaats verder dan natuur en oogst.

Bovendien zou iemand misschien zeggen dat de simcha van Simchat Thora is afgeleid van het lezen van de Thora. Echter, de vreugde die het leren van Thora geeft is eveneens natuurlijk, eerder dan een gewoonte, zoals het vers zegt, “De opdrachten van G’D zijn puur, en verblijden het hart. (Psalm. 19:9)

Misschien komt de blijdschap van Simchat Thora van het dansen? Dansen is de G’ddelijke dienst van het accepteren van Hemels Koningschap.

Dansen verhoogt de vreugde, maar het is niet de ware grond van de simcha. Vergelijkbaar met de manier waarvan de spraak komt met het intellect en het hart, en, op het zelfde moment emoties en begrip toevoegt. Hoe dan ook, niemand zou zeggen dat de bron van emotie en begrip komt van de spraak zelf. Insgelijks, simcha inspireert tot dansen en het dansen verhoogt de simcha, maar het dansen is niet de oorsprong van de vreugde.

Het centrale punt van de dienst op Simchat Thora is de hakafot, wanneer we zeven keer rondlopen met de Thora, er is gezegd dat de simcha op dat moment zo groot is dat zelfs de voeten zich verheugen. Als het concept van Simchat Thora zo nauw verbonden is met dansen, waarom lezen we dan nog van de Thora?

Het antwoord ligt in het feit dat, op Simchat Thora, het Joodse Volk een hoger aspect van de Thora neer haalt vanuit de Thora zelf, een vreugde die de Thora kroont van het aspect van keter.

Op de feestdag van Simchat Thora (11 oktober, buiten Israël), of de samengevoegde feestdag Shemini Atseret Simcha Thora ( 10 oktober in Israël) lezen wij het afsluitende gedeelte van de Thora Wezot HaBeracha. Wanneer dit is voltooid, begint de lezer onmiddellijk met het lezen van het eerste gedeelte van de eerste parasha van de Thora, Bereeshiet, dus het einde verbinden naar een nieuw begin. Het volledige gedeelte van Parashat Bereeshiet wordt gelezen op de Shabbat die volgt op Simchat Thora, wat betekent Shabbat 21 oktober.

SHABBAT SHALOM- GOED JOM TOV

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BEREESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA Op de feestdag van Simchat Thora (11 okt, buiten Israël), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (10 okt, in Israël ), lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereeshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 17 okt is!

PARASHAT WEZOT HABERACHA

En dit is de zegen (Deuteronomium. 33:1 – 34:12)

Rabbi Shimon bar Jochai.
Het verwelkomen van gasten van de Soekka.
Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat Zot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soekka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van chesed tot malchoed]. Gelijk de manier het is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; chesedgevoeratiferet,netzachhod, en jesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen vanSoekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soekka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, referent aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soekka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezichtuitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soekka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirotsamen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirotdie hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

SHABBAT SHALOM EN GOED JOM TOV