PESACH 5773

DOORBRAAK NAAR VERLOSSING

 IN DE UITEINDELIJKE VERLOSSING, ZULLEN DE WONDEREN VAN EGYPTE OVERKOMEN ALS KINDERSPEL.

 SEFER MA’AMARIM, ADAR-SIVAN, P.147

 Wanneer we kijken naar het vers, “Zoals in de dagen van jullie uittocht van Egypte, zal Ik jullie wonderen laten zien” (Micha. 7:15) rijzen twee vragen op.

De eerste: Waarom wordt in dit vers de meervoudsvorm gebruikt dan de meer logische enkelvoudsvorm?

Dit vers is een van de weinige, waarin de uittocht van Egypte wordt beschreven in het meervoud, in de hoedanigheid van “dagen” dan simpel “dag”, zoals geschreven in het vers, “Zodat jullie zullen herinneren de dag van jullie uittocht”.

De tweede: waarom wordt er gesproken van wonderen als in de dagen van de uittocht? Dit vers gedeelte betreft de vergelijking tussen de wonderen van de uittocht van Egypte met de wonderen die zullen plaats vinden in de Uiteindelijke Verlossing. De wonderen van de Uiteindelijke Verlossing worden vergeleken met de wonderen die het Joodse Volk zag toen zij uit Egypte kwamen. Na de verlossing uit Egypte zal er geen verbanning meer zijn, daarmee wordt aangegeven dat deze verlossing op een hoger niveau is en meer compleet. De wonderen van dit tijdperk ( deze era) zullen de wonderen van de Egyptische verlossing dusdanig overtreffen dat sommige Geleerden hebben gezegd dat de Egyptische verlossing in de Era van Mashiach niet langer zal worden vermeld.

 Een andere mening is dat we de herinnering aan de Egyptische verlossing zullen continueren, aangezien het deel uitmaakt van de Komende Verlossing omdat de Egyptische verlossing de eerste stap in het proces was in het brengen van Verlossing. We zullen de eerste verlossing vermelden omdat de wonderen van de Uiteindelijke Verlossing worden vergeleken met de wonderen die men zag toen men uit Egypte kwam.  Het Joodse Volk was getuige van grote wonderen toen zij Egypte verlieten en de wonderen van de Komende Verlossing zijn te vergelijken met de wonderen van de verlossing uit Egypte.

 Voor het begrijpen van wat er wordt bedoeld met “vergelijken” geldt de volgende spirituele bron als uitleg: Toen het Joodse Volk in Egypte was moesten zij worden verheven vanuit de 49e poort van onzuiverheid (vanuit 50). Als we de Omer tellen, verheffen en bestijgen we de 50 Poorten van Bina.

Dit wordt aangetoond door het feit dat de Egyptische verlossing 50 keer wordt aangehaald in de Thora. De Egyptische verlossing representeert de 50 Poorten van Bina als zij worden neergehaald door de sefira van Malchoet. De Komende Verlossing zal ook de 50 Poorten van Bina representeren, maar deze worden neergehaald door Keter die boven de Sefirot is en tot uiting komt in Antik, die hoger is dan Keter. Dit is niet het externe aspect van Antik, maar de pnimiyoet, het diepste deel van het niveau wat boven alle niveaus is. Dit zal resulteren in een grotere openbaring van G’D in de Verlossing.

 De openbaring van G’D gedurende de Egyptische uittocht was groot maar beperkt, aangezien het was gekleed in Malchoet. In de Era van Mashiach zal er geen verhulling van G’ddelijk Openbaring zijn.

 We keren terug naar de opmerking waarom we de uittocht van Egypte zullen aanhalen in de Era van Mashiach, als de wonderen en de openbaring van G’D zo veel groter zullen zijn. De Zesde Lubavitcher Rebbe, de Frierdiger, heeft gezegd dat de Egyptische uittocht zal worden vermeld omdat het een soort van kanaal creëerde voor al de toekomstige verlossingen, inclusief de Uiteindelijke Verlossing. De Egyptische uittocht was speciaal omdat het een noodzakelijke voorbereiding was voor het “Geven van de Thora”.  Vóór de tijd van het “Geven van de Thora”, kon niets in de wereld worden verheven tot de Hogere Werelden en niets wat deze niveaus inhield kon neerdalen in de wereld van Asiyah, de wereld van actie. De mogelijkheid om te zuiveren en om de wereld te verheffen was een zeer belangrijke stap in de richting van de Uiteindelijke Verlossing, wanneer de wereld zijn Schepper zal erkennen en een verblijfplaats wordt voor het Oneindige Licht: Geprezen Zij Hij.

 Het antwoord op de eerste vraag waarom in het vers “Zoals in de dagen van jullie uittocht van Egypte, zal Ik jullie wonderen laten zien”, dagen” in het meervoud is geschreven, is: dat alle dagen vanaf de Egyptische uittocht tot de Komende Verlossing, een deel van een proces van komen uit Egypte zijn.

Elke dag moet een persoon nadenken over het Idee dat hij uit Egypte komt

De Eerste Chabad Rebbe, Rabbi Schneur Zalman van Liadi (1745-1812), identificeert het Lezen van het Shema als de geschikte tijd om onze persoonlijke uittocht te ervaren. De reden dat we tzitzit  aanhalen in Ma’ariev, het Avondgebed, op een tijdstip dat niet gelieerd is met deze mitzwa, is dat de zelfde passage de uittocht van Egypte aanhaalt.

 Elke dag laten we meer en meer beperkingen achter ons, totdat we het punt bereiken waarop we alle beperkingen doorbreken in de Uiteindelijke Verlossing. Mashiach is de nakomeling van Koning David, die op zijn beurt een nakomeling is van Peretz, wat klinkt als het woord “poretz”, dat het doorbreken van beperkingen betekent.  Elke morgen, voor het davenen, gebed, is er een fysieke verbanning die ons het gevoel geeft van beperking binnen de grenzen van ons lichaam.

 Zoals het vers illustreert:  “We zijn nakomelingen van de mens die adem in zijn neusvleugels had. Voor wat wordt hij waardig geacht?” Het beschrijft de beperkte spiritualiteit bij het prille ontwaken uit de slaap wanneer de ziel alleen in de neusvleugels is. Gedurende het gebed verspreidt de ziel zich door het lichaam en beteugeld het grove fysieke en dwingt de dierlijke ziel ( het linker deel) “ amen” te zeggen tegen zijn wil in. (Ani modi lefanecha gebed) .Dit is de enige weg naar volledige dienst. Zoals Koning David zegt, “Mijn hart is leeg in mij” aantonend dat iemand het linkerdeel van zijn hart moet veroveren voordat hij kan zeggen: “Je zult houden….”  In het Shema om de liefde te verklaren voor G’D met beide zielen, de dierlijke en de G’ddelijke. Evenzo zullen kwaad en de staat van onzuiverheid worden overwonnen en worden getransformeerd naar goed in de Era van Mashiach.

 Waarom hebben we deze verovering nodig? Waarom transformeren we niet simpel de onzuiverheid in plaats van veroveren? Iemand is een ware dienaar van G’D zoals de Alte Rebbe, Rabbi Schneur Zalman schrijft in de Tanya, wanneer hij voortdurend strijd levert en zijn aard onderwerpt. Het is de strijd die G’ddelijk Licht brengt in de wereld.

 Deze “oorlog” is de strijd met de dierlijke ziel en de overwinning brengt schatten van G’ddelijke Openbaring. Dit is een andere reden waarom de Egyptische uittocht zal worden genoemd in de Era van Mashiach; het dagelijkse gevecht tegen de dierlijke ziel is onze persoonlijke uittocht van Egypte die ten slotte zal leiden naar de Uiteindelijke Verlossing.

 Goed Jom Tov en een Koshere Pesach   

 

POERIEM-LOTENFEEST

DE KRACHT VAN MORDECHAI EN ESTER KOMT VOORT UIT HUN GELIJKWAARDIGE WAARDEN

 “Maar dit alles heeft voor mij geen waarde [letterlijk, ‘gelijke, weerga], iedere keer als ik die Jood Mordechai daar in die poort die poort zie zitten.” (Ester. 5:13)

 In het bovenstaande vers uit de kwaadaardige Haman zijn frustratie over de weigering van de rechtvaardige Mordechai, leider van de Joodse Natie, om voor hem te buigen. In een eerste lezing van het vers, lijkt “dit alles” te refereren aan zijn rijkdom, zonen en de recente verleende eer aan hem [Haman]. Aangezien al deze feiten reeds expliciet zijn genoemd, lijkt de uitspraak overbodig. De afwijking op de eerste lezing van “dit alles” krijgt betekenis door de esoterische blootlegging van de onderliggende rivaliteit tussen goed en kwaad die wordt uitgelegd in de Rol van Ester door de grote 17e eeuwse Kabbalist, Rabbi Shimon van Ostropole.

Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de woorden “dit alles” [in het Hebreeuws. “kol zé”] overbodig zijn, en zou het voldoende zijn geweest om te schrijven “Het is niet waardig aan mij hoe dan ook”, verwijzend naar al de prestige van [Haman] ten aanzien van het Licht [ en zijn ergernis veroorzaakt door standvastige rechtschapenheid] van Mordechai de Jood. 

Om de diepte te begrijpen kijken we naar wat de Kabbalisten leren,namelijk dat Mordechai en Ester de G’ddelijke Naam, Havayah manifesteren, omdat de “kleine” numerieke waarde van “Mordechai” 13 is en dat van “Ester” 13 [met andere woorden, Mordechai en Ester] twee keer is 26, de numerieke waarde van de G’ddelijke Naam, Havayah.

 De “kleine” numerieke waarde, of “mispar katan”, is een verkleinde ( vereenvoudigde) numerieke waarde door de getallen op te tellen, zoals beneden geïllustreerd:

 De standaard numerieke waarde van “Mordechai”, wordt gespeld: mem (=40), reish (=200), dalet (=4), kaf (=20), yoed (=10) is 274.

2+7+4, de “kleine” numerieke waarde, is13.

De standaard numerieke waarde van “Ester”: wordt gespeld alef (=1), samech (=60), taf (=400), reish (=200) is 661.

 6+6+1, de “kleine” numerieke waarde, is13.

De standaard numerieke waarde van het Tetragrammaton (lettercombinatie) van de Naam Havayah: wordt gespeld yoed (=10), (=5), vav (=6), (=5) is 26.

Vanwege de overeenstemming in hun numerieke waarden, demonstreert de eenheid van Mordechai en Ester, zoals wordt geïllustreerd door hun respectievelijke “kleine” numerieke waarde (13+13=26) de kracht van het Tetragrammaton (26). Maar, zoals we zullen zien, is het niet alleen hun collectieve numerieke equivalentie tot de Naam Havayah  die significant is, maar ook de aard van hun gelijk zijn aan elkaar in waarde, waarin een diepgaande en G’ddelijke dynamiek binnen hun verwante verhouding wordt onthuld. 

 De “kleine” numerieke waarde van Haman en Zeresh [zijn vrouw] is ook 26, maar niet met de zelfde overeenkomstige aard zoals die van Mordechai en Ester. Dit omdat Haman gelijk staat aan 14 en Zeresh aan 12.

 De numerieke waarde van Haman, wordt gespeld (=5), mem (=40), noen (=50), is 95.

9+5, de “kleine” numerieke waarde, is14.

De numerieke waarde van Zeresh, wordt gespeld zayin (=7), reish (200), shin (300), 507

5+0+7, de “kleine” numerieke waarde, is 12.

De Kabbalisten leren dat als Haman en Zeresh gelijke “kleine” numerieke waarden zouden hebben, zoals dat van 13, bij Mordechai en Ester, geen aardse kracht hen zou kunnen overwinnen.

Het woord dit in “dit alles” in het bovengenoemde vers, wordt “dit” [in Hebreeuws, “zeh”), gespeld zayin (=7), (=5) en heeft de numerieke waarde van 12. En het is dit waaraan Haman refereerde toen hij zei, “Maar dit alles heeft voor mij geen waarde [letterlijk, ‘gelijke, weerga], betekenend dat al zijn tegenspoed en de uiteindelijke nederlaag een gevolg was van de “kleine” numerieke waarde van Zeres 12, het zelfde als van het Hebreeuwse woord “zeh”, of “dit”. “Dit, zeh, =12, verwijst naar zijn vrouw Zeresh: is niet gelijk aan mij, met andere woorden “Haman”, =14; is niet gelijk aan haar “kleine” numerieke waarde.

 Zoals wordt toegelicht in de klassieke teksten van Kabbala, ten aanzien van de verschillende types van spirituele eenwordingen tussen de masculiene en feminiene spirituele archetypen, is de meest “verhevene”, of “volwassene”, diegene waarin beide gelijk zijn in gestalte en een eenwording teweeg brengen bekend als “ aangezicht tot aangezicht”. Wellicht toont de binding tussen Mordechai en Ester, de meest verheven verhouding, namelijk die van gelijk respect voor elk van hun unieke rol, wat hun toestaat om te triomferen over hun tegenstanders, de krachten van chaos, ego en dominantie, als de wanverhouding geïllustreerd door Haman en Zeresh. 

“En dus zal Ik [Ester] de Koning benaderen.” (Ester. 4:16)

Rabbi Josef Gackon schrijft met betrekking tot de drie dagen van vasten van Ester, dat Ester’s drie dagen vasten de volgende Kabbalistische intentie had. Namelijk, dat drie dagen en nachten twee en zeventig uren bevat en “B’chem”, “dus”, in 4:16 numeriek tweeënzeventig ( letter en getalswaarde) correspondeert met de verheven 72 letter Naam van G’D aangeduid in de drie verzen die beginnen met, “Vayisa, “Vayavo”, “Vayet” Exodus. 14:19-20-21, die elk exact tweeënzeventig letters bevat. Het was met het vermogen van deze Naam dat G’D de Rode Zee spleet en de Israëlieten liet doortrekken en Hij hen leidde in Zijn Bescherming en zij geen vrees hadden voor de vijand.

VROLIJKE POERIEM

 

 

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BEREESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA

Op de feestdag van Sheminie ‘AtseretSimchat Thora (8-9 oktober, buiten Israël), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (8 oktober, in Israël ), lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereeshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 13 oktober is!

PARASHAT WEZOT HABERACHA

En dit is de zegen (Deuteronomium. 33:1 – 34:12)

Rabbi Shimon bar Jochai.
Het verwelkomen van gasten van de Soekka.
Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat Zot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soekka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van chesed tot malchoed]. Gelijk de manier het is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; chesed, gevoera, tiferet, netzach, hod, en jesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soekka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, referent aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soekka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezichtuitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soekka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

SOEKOT – LOOFHUTTENFEEST

RABBI JITZCHAK LURIA

 Van de vele mitzwot verbonden aan de feestdag van Soekot, is misschien het meest opvallende de eigenlijke structuur van de Soeka (hut) in welke wij alle feestdagen verblijven en waarnaar het feest is genoemd. Hoewel de expliciete reden voor het bouwen van de Soeka is, om te herinneren aan de miraculeuze uittocht uit Egypte en G’D’s bescherming tijdens de reizen door de Sinaï woestijn, verklaart de Ari dat, op de juiste manier geconstrueerd, de Soeka dient als een model van de spirituele werelden en een kanaal voor verruimend bewustzijn, een kanaliserende G’ddelijke vrijgevigheid in de Lagere Sferen.

 Een belangrijk element voor een geldige Soeka is de “schach”, de dakbedekking, gemaakt van organische natuurlijke materialen welke rusten op de wanden. Chassidische literratuur leert dat zowel de woorden “Soeka” en “schach” verwijzen naar de uitdrukking “beseffen” [Hebreeuws, “sochei” met G’ddelijke inspiratie], welke gebruikt wordt in de beschrijving van onze matriarche Sara, ook bekend als “Isca” (van de zelfde stamletters).

 De Ari leert dat deze connectie tussen schach en G’ddelijke inspiratie, profetie of enig andere verruimend bewustzijn allesbehalve bijkomstig is.

In feite, de schach van een koshere Soeka in het bijzonder dient als een medium door welke wij hemelse wijsheid en begrip absorberen.

Kabbala reikt niet alleen voorbeelden aan van spirituele realiteiten in de celestiale werelden, maar dat ook wij een actieve rol kunnen spelen in hun manifestatie in Deze Wereld. In de Soeka functioneren wij in de rol van de partzoefiem van Zeir Anpin en Noekva, gelijk een onvolwassen zoon en dochter (of kuikens in een nest), en de schach functioneert als een interface met de partzoef van Imma, de verzorgende “moeder”, niet verschillend van “onze moeder” Sara, zwevend over haar jongen in haar nest, toekennend wijsheid en begrip, en hen de mogelijkheid geeft om tot volwassenheid te komen, en hen een glimp te laten opvangen van het universum van uit haar verheven perspectief.

 

SOEKOT, ZEVEN HEMELSE GASTEN

De Zohar vertelt ons dat de “Ushpizien,” (letterlijk, invitatie om plaats te nemen), de zeven “Herders” van het Joodse Volk, iedere Jood in zijn Soeka bezoekt, elke nacht een ander. En elk van hen is een paradigma voor één van de zeven G’ddelijke eigenschappen.

1e dag – Abraham – chesed

2e dag – Isaac – gevoera

3e dag – Jacob – tiferet

4e dag – Mozes – netzach

5e dag – Aaron – hod

6e dag – Josef – jesod

7e dag – David – malchut

Aan Rabbi Menachem Mendel van Kotsk, werd eens verteld dat een zekere tsadiek elk jaar alle zeven Ushpizien in zijn soeka ziet. De Kotsker antwoordde: “Ik zelf zie ze niet, maar desondanks geloof ik de verklaring van onze Wijzen ,in zaliger nagedachtenis, dat zij naar elke Soeka komen. En door dit te geloven, zie ik meer dan zij doen met hun ogen!”

GOED JOM TOV



JOM KIPPOER-GROTE VERZOENDAG

THORA OR EN LIKKOETEI THORA

Na de zonde van het Gouden Kalf, bracht Mozes tachtig dagen door op de Berg Sinai [met andere woorden, ononderbroken twee maal veertig dagen.] om G’D dringend te verzoeken om de teshoewa van het Joodse Volk te accepteren en hen te vergeven voor de begane zonde. [Teshoewa wordt gebruikelijk vertaald als “berouw.” Echter zoals de maamar  verder gaat met uitleggen, is de betekenis van de term niet beperkt tot deze vertaling  maar refereert Teshoewa  aan een alomvattend proces van terugkeren tot G’D en het hernieuwen van de gevestigde verbinding met Hem. ]

Uiteindelijk op de tiende dag van de maand Tishré, stemt G’d in en verleent hen complete verzoening. Op die dag werd Jom Kippoer ingesteld als een dag van teshoewa en verzoening voor alle tijden, zoals Maimonides schrijft: “ Jom Kippoer is de periode van teshoewa voor iedereen, voor de enkeling en voor de gemeenschap, het is het hart van vergeving en vergiffenis voor het Joodse Volk.” Op die zelfde dag gaf Mozes voor de tweede keer de Stenen Tafelen, daarmee aangevend dat de dag niet alleen is verbonden met teshoewa, maar ook met de Thora en zijn studie.

 OOG IN OOG KOMEN MET G’D

Het concept van teshoewa, verklaart dat het niet alleen vergoeding van zonden nastreeft, maar het streeft ook een verlangen om dichter tot G’D te komen na. Dichter tot G’D komen houdt niet in dat een fysieke afstand wordt overwonnen,  maar het zodanig richten van iemand zodat de verhouding met Hem een innerlijke verbinding wordt

Om te kunnen begrijpen hoe een dergelijke verbinding tot stand komt , ligt de nadruk op het belang van de studie van de Thora : waarin Thora studie prioriteit heeft over al de mitzwot; waardoor die studie van de Thora het brengen van offers kan compenseren en waarin het belang ligt van het waarom van een mitzwa  om de hele Thora te bestuderen, zelfs die aspecten die voor iemands gedrag relevant zijn.

Thora studie is niet slechts een intellectuele bezigheid, maar meer een proces waarin iemand zich vereenzelvigd en verenigt met G’D. Dit concept stelt ons in staat om de geïmpliceerde volgorde  van het Shema Jisrael te begrijpen, die de mitzwa van Thora studie in verband brengt met de eenheid van G’D en de liefde voor Hem. Het bewustzijn van G’D’s eenheid wekt liefde voor Hem op en een verlangen dat Zijn Licht in ons denken en hart zich eigen zal maken. Door de studie van de Thora worden wij in staat gesteld dit te realiseren.

Want in de Thora zijn de leerstellingen en gedragsregels te doorgronden door de mens omdat het is bekleed met het Licht. Het Licht is hier gereduceerd en samengetrokken, want G’D’s Licht reikt voorbij alle grenzen, is oneindig. De leerstellingen en regels, genereren gedragscodes en ethiek en ogenschijnlijk geen transcendente G’ddelijkheid. De G’ddelijkheid echter blijft de innerlijke essentie. Wanneer iemand zich intensief bezig houdt met Thorastudie, gaat hij boven de intellectuele dimensie van de Thora uit en ziet meer en meer dat het een medium is waardoor iemand G’ddelijk essentie kan waarnemen en zich kan verenigen met deze G’ddelijke essentie.

SPREKEN MET G’D’S STEM

 Dit is niet zomaar een abstract concept. Door de studie van de Thora, identificeert een persoon zich met G’D  dusdanig dat al zijn mogelijkheden van uitdrukking Hem weerspiegelen: zijn gedachten zijn G’D’s gedachten en zijn woorden zijn G’D’s woorden. Dit proces wordt benadrukt in het Shema Jisrael wanneer we verklaren: “Ik zal regen voor jullie land geven,” sprekend als het ware in G’D’s Naam.

Om deze vereenzelviging te laten gebeuren, moet iemands Thorastudie worden gekenmerkt door bittoel [Zelf wegcijferen, het menselijke concept van wegcijferen tot aan het punt van erkenning dat G’D de enige ware realiteit is]. Wanneer iemand zijn eigen egocentrisch belang kan prijsgeven en zichzelf wijdt aan G’D, kan hij zich identificeren met het G’ddelijke op zodanige wijze dat de woordenschat van de Thora die hij uitspreekt, de “woorden van G’D“ zijn.

Een studie op dit niveau verheft een persoon boven alle grenzen van wereldse existentie. Het naleven en in acht nemen van de mitzwot daarentegen, hangt af van  begrenzingen, want mitzwot  moeten worden vervuld binnen de grenzen van tijd en ruimte. Deze contradictie komt tot uiting bij het aanleren aan een persoon over de wetten van het brengen van offers, dat kan dan worden beschouwd alsof de persoon zelf het offer brengt.  Ofschoon hij nachts leert en buiten de Beth HaMikdash [de Tempel], waar het brengen van offers verboden is, is het bestuderen van de wetten  equivalent aan het eigenlijk brengen van offers. Want de studie van Thora stelt de mens in staat zich te verbinden met G’D’s Wil, zoals het existeert in Zijn gedachten, niet in tijd en ruimte.

De mitzwot daarentegen betekent de vervulling van G’D’s Wil binnen deze begrenzingen.

NIET VOOR ENGELEN

Ondanks dat we G’D’s mogelijkheden hebben die ons met de capaciteit voor bittoel begiftigen, hebben we andere mogelijkheden die voortkomen uit de sfeer van klipa [de kabbalistische term voor kwaad], die worden gekarakteriseerd door een bewustzijn die leidt naar een verlangen van zelfzucht en een verlangen naar wereldse zaken. Wanneer iemand zich in de aanwezigheid van G’D bevindt en een leven in eigenbelang probeert te bewerkstelligen zal worden vervuld met onbehagen en schaamte.  Dientengevolge zal hij G’D aanroepen in complete teshoewa. Een dergelijke betrokkenheid van de kant van de mens roept een respons op vanuit G’D’s Essentie, waardoor een neerwaartse energie wordt teweeg gebracht  die de persoon in staat stelt om al zijn voorafgaande negatieve gedragingen te corrigeren.

Tussen Rosh HaShana en Jom Kippoer zijn de Tien Dagen van Teshoewa, elke dag zuivert en verheft één van onze tien zielsvermogens. Op Jom Kippoer, is de completering van dit proces, is de persoon compleet gewijd aan G’ddelijkheid. Om die reden rijst hij compleet boven zijn wereldse aangelegenheden, zoals tot uiting komt in het verbod om te eten en drinken en dergelijke.

Dus Jom Kippoer representeert het wezen van de twee boven beschreven processen. Het representeert de Stenen Tafelen die voor de tweede keer worden gegeven en het representeert de volledige identificatie van een persoon met de Thora. Er zijn momenten dat we niet voldoen aan deze normen. Dan is teshoewa, ook een vereenzelviging met Jom Kippoer, en stelt ons in staat om te dienen als een goedmaking voor alles wat ontoereikend is en ontwikkelt zelfs een diepere verbinding met G’D.                                           

 GOED JOM TOV

 JUDA GROENTEMAN

ROSH HASHANA 5773

INTRODUCTIE

 De Alter Rebbe sprak:”Toen ik in de Mezrirch was, hoorde ik de volgende leerstelling van mijn geëerde leraar, de Maggid,( (uit naam van zijn geëerde leraar, de Baal Shem Tov):  

“Atem nitzaviem hajom”, “Jullie staan vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D.” (Deuteronomium.29:9)

 Het woord “vandaag” verwijst naar Rosh HaShana, de Dag van Oordeel. 

Want de frase “De dag komt,” wordt door de Targoem weergegeven met de woorden, “De grote dag des oordeels is gekomen.” Met betrekking tot deze dag zegt de Thora ons: “Jullie staan”; dat wil zeggen: rechtvaardig wordt over jullie geoordeeld.

 Op de Shabbat voor Rosh HaShana, de laatste Shabbat van de maand Elloel, lezen we de parasha die begint met de woorden “Atem nitzaviem hajom”. Deze lezing brengt de zegeningen die G’D geeft op Shabbat Mevarchiem, tot uitdrukking de Shabbat die de zevende maand zegent. De maand die gezegend is met overvloed, een gulle overvloed die het gehele Joodse Volk het hele jaar overlaadt.

 Zoals de volgende maamar, verhandeling, benadrukt, maakt Parashat Nitzaviem niet alleen G’D’s zegeningen voor Rosh HaShana kenbaar, maar het verwijst eveneens naar de G’ddelijke Liturgische Dienst die met die dag in verband staat.  Want het vers op Rosh HaShana impliceert dat alle Joodse zielen worden verheven naar hun bron van oorsprong. Het vers vermeldt

vervolgens tien categorieën van mensen, parallel lopend aan de tien Sefirot, die de afzonderlijke spirituele eigenschappen van een ieder begrenst. Niettemin zijn al deze zielen fundamenteel één. Deze eenheid wordt geopenbaard op Rosh HaShana wanneer de zielen zich verheffen tot hun transcendente spirituele bron. De eenheid van het Joodse Volk maakt hen een geschikt medium om G’D’s aanwezigheid neerwaarts te halen.

 De fundamentele eenheid van het Joodse Volk is een gevolg van de innige verbondenheid die zij delen met G’D. Want – zoals de geciteerde passage boven continueert- ons volk is verbonden met G’D door een verbond: “Om toe te treden tot het verbond van de Eeuwige, je G’D”. Een verbond vereeuwigt de verhouding door de eenwording van  de betrokken, zij worden tot één entiteit gemaakt. Dat betekent dat deze verbinding altijd zal bestaan ook indien vanwege redelijke of logische redenen deze verbinding verbroken zou moeten worden.

 EEN G’DDELIJK VERZOEK

 Onze Geleerden beschrijven de G’ddelijke Dienst van Rosh HaShana als volgt.

G’D vraagt het Joodse Volk: “Zeg [verzen die] koningschap [weergeven] voor Mij, om Mij Koning te maken over jullie, [en verzen die] herinnering [oproepen] zodat een aandenken zal komen voor Mij voor goed. Door wat wordt dit bereikt? Door de Shofar.” (Rosh HaShana 16a, refereert specifiek aan de drie zegeningen: Malgiot, Zigronot, Shoferot, in de Moessafdienst op Rosh HaShana)

 In de volgende verhandeling verklaart de Alter Rebbe dat deze zegeningen drie verschillende grondthema’s in onze verhouding met G’D weergeven. Door de zegeningen van Malgiot, Zigronot te reciteren, roepen we de openbaring van G’D’s Koningschap over ons af, door te herinneren aan het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. 

 “Door wat wordt dit bereikt? Door de shofar,” want de klanktonen van de shofar voegt een derde grondthema toe,als een kroon op het hartgrondig uitdrukken, aan het oprechte teshoeva van het Joodse Volk. Het geeft het innerlijke uitschreeuwen van de ziel weer, een roep naar G’D voorbij de grenzen van reden en logica. Want op Rosh HaShana wordt de innerlijke G’ddelijke essentie van onze harten opgeroepen. Met als resultaat dat onze G’ddelijke dienst zich volledig richt op het vestigen van een binding met G’D’s Essentie, zoals is geschreven: “Ik zal zoeken naar Uw Gezicht, met andere woorden, Uw innerlijke dimensie, O G’D.” (Psalm 27:8, gereciteerd gedurende de maand Elloel, continuerend op Rosh HaShana en de hele maand Tishré tot aan Hoshana Rabba.)

Doorgaans is onze verhouding met G’D afhankelijk van Zijn externe dimensies, de wijze waarop Hij Zich manifesteert in deze wereld. Op Rosh HaShana echter, verbinden wij ons aan de essentie van Zijn Koningschap. Om een verbinding op dat niveau te kunnen bewerkstelligen, is herinnering nodig. In zijn essentie is G’D ver verwijderd van al het aardse bestaan.  Door de herinnering aan Zijn innerlijke liefde voor het Joodse Volk is er een motivatie om te verbinden.  Dit wordt bereikt door het blazen van de shofar die Zijn absolute Essentie oproept.

 Het doel van het verbond die G’D vestigde met het Joodse Volk is “om jullie te verheffen Zijn Volk te zijn.” Weergevend: “Er is geen koning zonder een volk.”

(Rabbenoe Bachaya commentaar op Bereishiet. 38:30) Met andere woorden, voor het bestaan van een koning moet er een “volk” zijn, een volk die op een vergelijkbaar niveau  Hem kan erkennen. Met betrekking tot G’D’s Koningschap, is dit ogenschijnlijk onmogelijk, want er is geen vergelijking mogelijk met Hem. Niettemin verbindt Hij Zichzelf met het Joodse Volk door een verbond. Dit verheft hen op een niveau van verbinding met  G’d als Koning.

 Het is een interactief proces. Door het oproepen en uitdrukking geven aan hun G’ddelijk innerlijke, motiveren de Joden G’D om aan hen te herinneren en het verbond te belichten dat Hij deelt met hen. Door zo’n liturgische dienst, roepen zij Zijn zegeningen op voor een jaar, zowel in materiële als spirituele voorspoed. 

 Zie hoe op de volgende wijze onze Geleerden de G’ddelijk Dienst op Rosh HaShana beschrijven: “De Heilige, geprezen zij Hij zegt:’ “Zeg [verzen die] koningschap [weergeven] voor Mij, om Mij Koning te maken over jullie, [en verzen die] herinnering [oproepen] zodat een aandenken zal komen voor Mij voor goed.’ Door wat wordt dit bereikt? Door de Shofar.” (Rosh HaShana 16a, refereert specifiek aan de drie zegeningen: Malgiot, Zigronot, Shoferot, in de Moessafdienst op Rosh HaShana)

 Want het vers zegt op Rosh HaShana: “Dit is het begin van Uw daden, een herinnering aan de eerste dag.” Op Rosh HaShana was de eerste mens Adam geschapen en hij verklaarde: “G’D is Koning; Hij omhulde Zichzelf in pracht,” omdat toen Zijn soevereiniteit werd geopenbaard.

 Op dat moment, kwam het bewustzijn van G’D’s soevereiniteit als een resultaat van een ontwaking van Boven. Tegenwoordig echter moeten wij een “herinnering van de eerste dag” overbrengen, door een oproep van beneden. Wij moeten de openbaring van G’D’s Koningschap over ons afroepen door te herinneren aan het verbond en de verbinding die we delen met Hem.

 Dit wordt bereikt door de shofar, die teshoevah ilaah representeert, de hogere dimensie van teshoevah, uitschreeuwend met een stem die voortkomt vanuit de diepte van ons hart. De diepte is de essentie van het innerlijk hart van een ieder, de plaats waar vermogens van spraak niet is te controleren, vanwege een eenvoudige kreet. Daarom staat er , “er is geen spraak en woorden” slechts een shofar stoot; een eenvoudige toon. Het is juist binnen de toonklank zelf, dat er verscheidene dimensies van impulsen zijn (kermen, snikken…). 

De verklaring van dit concept kan worden begrepen op basis van het vers in Tehilliem. 27:8: “Om U zegt Mijn hart, Zoek naar Mijn innerlijke dimensie.” Panai, vertaalt als “innerlijke dimensie”, refereert aan de innerlijke dimensie van het hart. Want er zijn twee dimensies ten aanzien van de kreet van het hart, een innerlijke dimensie en een externe dimensie.

 De externe dimensie van het hart wordt gemotiveerd door kennis: meditatie over de grootheid van G’D en de uitstraling van G’D’s Oneindige Licht aan de gecreëerde wezens; al de menigten van de sublieme spirituele werelden; onze wereld, met alles wat zich daarin bevindt, dat alles tot bestaan is gebracht vanuit het absolute niets [zoals we zeggen in onze gebeden]: “In Zijn goedheid, vernieuwd Hij ononderbroken het werk van de Schepping, en U verleend aan hen allen leven.” (Nechemia. 9:6, onderdeel van het Pesoeké De Zimra ochtendgebed.

Wanneer iemand zijn mediatie wil verdiepen en ook daartoe een wil heeft die dit verlangen deelt, zal hij worden aangemoedigd om te schreeuwen vanuit zijn hart. Zijn hart zal roepen tot G’D en aangetrokken worden tot Hem met een sterk verlangen en dorst om zich aan Hem te hechten.

 [Met andere woorden, zijn overdenkingen over G’D’s grootheid zal een uitschreeuwen van het hart teweegbrengen, en een diepe liefde voor G’D doen ontstaan. Desalniettemin refereert deze liefde nog steeds aan het “externe aspect” van de persoon en van G’d omdat:

a )Betreffende de persoon, de liefde die ontstaat is een gevolg van het intellect. Dus het geeft niet zijn ware innerlijke zelf.

b) Betreffende G’D, z’n liefde relateert aan de dimensie van G’ddelijkheid die de schepping tot stand brengt. Dit is alleen het externe aspect van Zijn existentie, niet Zijn innerlijke.

 Deze liefde wordt weergegeven in het vers van Hoshea. 11:10, “ Zij zullen volgen nadat G’D brult als een leeuw.” Dit verwijst  naar de leeuw in Jechezkiél’s visioen van het G’ddelijke Voertuig “het gezicht van de leeuw aan de rechterzijde” (Jechezkiél. 1:10), die alle engelen in het kamp van de Aartsengel Michael inhouden, wiens dienst en gebrul wordt geïdentificeerd met de rechter vector, het aspect van liefde.

De grootheid van hun liefde en hun sterk verlangen om zichzelf op te heffen en te worden opgenomen in G’D’s Oneindige Licht die hen tot zijn heeft gebracht en leven gaf. De behoefte te willen opgaan is een gevolg van hun begrip van hoe zij tot existentie zijn gebracht vanuit ex nihilo, en dat hun levensenergie, de handhaving van hun existentie en de invloed die daaraan wordt verleend een neerwaartse beweging is die ieder moment door Hem wordt gegeven. 

Dit alles wordt “de externe dimensie” van het hart genoemd, omdat het stamt van G’D’s externe dimensie, de stralende weergave van Zijn Licht op de gecreëerde wezens. Hoewel het bevattingsvermogen van de gecreëerde wezens in staat zijn om te worden verheven tot dit begrip, overeenkomstig ieders vermogen, representeert het echter alleen G’D’s uitstraling.

 Met andere woorden, de wijze waarop Hij uitstraalt voor anderen, is niet de wijze Hij die Hij is voor Zichzelf.

 De glorie en de Essentie van de Heilige, geprezen zij Hij, daarentegen, is verheven en eerwaardig, zoals kan worden geconcludeerd uit het vers in Tehilliem 148:13, “Zijn naam is alleen verheven.” Implicerend dat zelfs Zijn naam op een niveau die “alleen” is en ongeëvenaard, want “er is geen gedachte die Hem kan vatten”. (Tikkoenei Zohar. p.17a)

En er is geschreven in Malachi. 3:6: “Ik G’D, verander niet,” want net als voor de Schepping van de werelden, existeert Hij en Zijn naam alleen,” zo existeren zij ook op dit niveau zelfs na de Schepping van de werelden, zoals als wordt verklaard in andere bronnen. (Likkoetei Thora, Bamidbar. p.70c)

 Dit concept kan worden verklaard op basis van onze dagelijkse gebeden: “De Koning Die verheven is, uniek voor alle tijd, hoog geprezen, verheerlijkt en te eerbiedigen.

De intentie van de frase is dat “voor alle tijd”, voor de schepping van de werelden was de eigenschap van koningschap aanwezig, afzonderlijk en alleen als “Zijn Naam”.  Zelfs nu, bij het bestaan van een historie van de werelden, is G’D, desondanks toch “hoog geprezen, verheerlijkt en eerwaardig” boven deze Historie, ofschoon  Zijn invloed niet een openlijke  geopenbaarde verschijning betreft.  Hij Zelf maakt er ook geen deel vanuit en is niet afhankelijk van deze Schepping, Hij blijft er buiten onveranderd en onaangetast.

 Dit wordt aangegeven door het vers in Devariem, 4:24: “De Eeuwige, je G’D, is een verterend vuur.” De intentie van de analogie is dat het vuur van nature opwaarts stijgt, dan dat het neerdaalt en zich verspreid. Evenzo, G’D blijft als het ware verwijderd van alle existentie. De invloed en uitstraling van G’D’s Oneindige Licht in de werelden dat neerdaalt, is analoog aan de eigenschap van water. Het licht daalt neer in gradaties van een hogere sfeer naar een lagere sfeer in als een ketting.  Dit proces is alleen relevant nadat G’D’s Licht verschillende typen van contracties heeft ondergaan en zichzelf heeft gekleed in verschillende niveaus van existenties als vele sluiers om de openbaring van G’D’s Essentie en Glorie te verhullen.

 Mocht het Licht niet z’n verhulling ondergaan, zouden de existentie van werelden worden te niet gedaan. Het zou zijn alsof ze nooit hadden bestaan en ze zouden terugkeren tot het niets. Het is niet relevant daartegen om te spreken van enige invloed komende van G’D alsof Hij is geopenbaard in Zijn Glorie en Zijn Essentie, niet op een wijze van memale kol almin, Letterlijk, “dat alle werelden vult”, met andere woorden, het Licht wordt geopenbaard in elke wereld aangaande zijn eigen natuurlijk aard.  noch op een wijze van sovev kol almin. Letterlijk, “dat alle werelden omgeeft”, een Licht dat te transcendent is om te worden geopenbaard binnen de werelden zelf, vandaar dat wordt beschreven als zijnde boven hen. Desalniettemin deelt het ook een verbinding met de werelden. G’D’s Essentie, daarentegen is totaal boven de Schepping.

Dienovereenkomstig wordt Hij “de sublieme G’D” genoemd, met andere woorden, verheven, eerbiedwaardig en hoog, compleet boven het niveau van alle gecreëerde wezens.

 Vanuit dit essentiële niveau is de mogelijk voor de mens om het uitschreeuwen [tot G’D] van zijn innerlijke hart teweeg te brengen, boven het niveau van enig begrip, zodat hij niet zal worden gesepareerd van G’D’s Eenheid, zodat zijn hart zal branden “met vlammen van vuur” met “een vuur dat stijgt uit eigen beweging”, zonder enige reden of logica, “om de ziel voort te laten stromen in de boezem van zijn Vader”, om zich over te geven door te verklaren ‘G’D is Een, “want Zijn volk is een deel van G’D”, en “Israël rees op in G’D’s gedachte, in zijn innerlijke dimensie”, zoals is verklaard in Zohar II, p119a, Zohar III, p. 33a en andere bronnen. 

 Bovenstaand roepen, behoeft de innerlijke dimensie van G’D van een verhullende staat te komen tot openbaring, hetgeen mogelijk is vanwege de innerlijke dimensie van Zijn Koningschap om te worden geopenbaard aan ons, zoals is geschreven in jirmeyahoe 31:2: “Van verre verschijnt G’D aan mij”.

 Dit is de intentie van de Zichronot zegen, want zicaron, “herinnering” refereert aan iets dat ver weg van ons is. Daarom is er gezegd,”U herinnert de daden van de wereld,” want zij zijn ver verwijderd van het Licht van Zijn gelaat. Wij wekken G’D’s herinnering op van Zijn innerlijke liefde voor het Joodse Volk vanwege Zijn Essentie en innerlijk Wezen door het geluid van  de shofar, die een eenvoudige klank voortbrengt als van de innerlijke dimensie van het hart, zoals boven is uitgelegd.

 KESIVA VACHASIMA TOVA, dat je mag worden ingeschreven en verzegeld voor een goed jaar en de zegen, LESHANA TOVA UMESUKA, een goed en zoet jaar.

 Juda Groenteman

SHABBAT ROSH CHODESH ELLOEL

De maand Elloel is de maand van barmhartigheid, waarin de dertien eigenschappen van G’ddelijke barmhartigheid uitstralen. Dit is de maand van medelijden, waarin de poorten van G’ddelijkheid geopend zijn voor al diegene die verlangen om dichterbij heiligheid te komen en G’D te dienen door inkeer, gebed en Thorastudie.

Dit is de laatste maand van het jaar dat eindigt, die het heden passeert naar het verleden.

Het is de maand van spiritueel zelfonderzoek en inventarisatie, waarop iemand zich bezint hoe hij het afgelopen jaar heeft doorleefd en volledig teshoewa doet over wat onwenselijk was en zich voorneemt om uiterst nauwgezet en waakzaam te zijn met het in acht nemen van de mitswot, eerlijke en zorgvuldige studie van Thora en tefilla en zich eigen maakt aan positieve karaktereigenschappen.

Dit is de maand van voorbereiding op het nieuwe jaar.

Elloel is de zesde maand gerekend van af de maand Niesan, welke wordt aangegeven in de Thora als de eerste maand van het joods nationaal jaar. In het algemene kalenderjaar van de joodse traditie echter, is Tishri de eerste van alle maanden, vandaar dat Elloel de laatste maand is.

De naam Elloel werd aangenomen, zoals alle anderen, bij de repatrianten van de eerste Babylonische verbanning, zoals onze wijzen hebben verklaard: “de namen van de maanden kwamen van Babylon”. Omdat Elloel de laatste maand van het jaar is en direct voorafgaat aan Rosh HaShana (de dag van het gerecht voor alle wereldbewoners), is het daarom de maand van teshoewa en het reciteren van Selichot, de traditionele gebeden voor vergeving.

Vanaf de Sinaï waren er dagen van verzoening tussen G’D en Israël. Toen de Israëlieten de zonde van het gouden kalf pleegde, besteeg Mosje de berg en smeekte voor Goddelijke barmhartigheid en vergiffenis, G’D was verzoenend naar hem en zei:” Hou uit twee Tafelen van steen, zoals de eersten “.

Mosje besteeg de berg op Rosh Chodesh Elloel en verbleef daar veertig dagen tot de tiende Tishri. Op de tiende Tishri bracht hij het tweede paar stenen tafelen naar beneden, welke G D had gegeven aan Israël als een teken van hernieuwde Goddelijke begunstiging en genegenheid.

Deze veertig dagen werden van toen af vast gelegd voor alle generaties, als dagen van teshoewa en vergiffenis. Hoewel teshoewa altijd wordt geaccepteerd, zijn deze specifieke dagen uitermate geschikt voor teshoewa en vergiffenis, want zij kenmerken een blijvende terugkeer van Goddelijke meegaandheid.

De periode kenmerkt zich door het reciteren van talrijke Selichot ( gebeden om vergeving ). In sommige plaatsen is het gebruikelijk om Selichot te reciteren gedurende de laatste uren van de nacht van de gehele maand Elloel, met uitzondering van Rosh Chodesh en Shabbat en sommigen beginnen vanaf de vijftiende Elloel. De Ashkanasize rite echter is om Selichot te beginnen te reciteren met de eerste dag van de week in welke Rosh HaShana valt , mits dat er vier dagen resten voor Rosh HaShana . Daarom, als Rosh HaShana valt op de tweede dag of derde dag van de week, begint de recitatie van Selichot op de eerste dag van de voorgaande week.

Beginnend met de tweede dag Rosh Chodesh Elloel tot erev Rosh HaShana worden dagelijks vier sjofartonen ( ramshoorn ) geblazen na shacharit (ochtendgebed): Tekie a, Sjewariem, Teroe a, Tekie a. Deze tonen van de sjofar zijn niet voorgeschreven door de Thora , maar vinden hun oorsprong in de joodse minhagiem (gewoonterecht).

Toen Mosje op Rosh Chodesh Elloel de berg Sinaï besteeg om voor de tweede keer de stenen tafelen te ontvangen, was het kamp vol van sjofarklanken , om duidelijk te maken aan allen Israëlieten, dat Mosje zich omhoog had begeven; zodat zij zich niet opnieuw zouden bezondigen aan afgoderij. Daarom had Israël het gebruik aangenomen om de sjofar te blazen op Rosh Chodesh Elloel en om de herhaalde oproep aan Mosje om de berg te bestijgen; Israël’s teshoewa na de zonde van het gouden kalf ; de vergiffenis die hun was verleend, en het geven van de tweede stel stenen tafelen.

De intentie om deze gebeurtenissen te herinneren is, om ons te sturen naar bekentenis van teshoewa. De sjofar word alleen geblazen na het ochtendgebed, omdat Mosje’s bestijging van de berg plaats vond vroeg in de ochtend.

De aard van de sjofarklank is, het opwekken van schroom in het hart, zoals is geschreven: “Als de sjofar wordt geblazen in de stad, zullen de mensen dan niet huiveren??” (Amos 3).

Het geluid van de sjofar proclameert : ” worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn gewekt, gaat nauwkeurig jullie daden na en keer terug naar de goede weg ” ( RamBam, Maimonides).

Op erev Rosh HaShana wordt geen sjofar geblazen , met de bedoeling een scheiding aan te brengen tussen het sjofar blazen in Elloel, welke zijn oorsprong heeft in het gewoonterecht en het sjofar blazen op Rosh HaShana welke is opgelegd en voorgeschreven door de Thora.

SELICHOT

De essentie van de Selichot gebeden is , het reciteren van de ” dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid ” welke zijn weergegeven in het vers:
EEUWIGE, EEUWIGE, een almachtige G’D, barmhartig, en genadig, lankmoedig, vol van liefde, en waarheid, die liefde blijft betonen aan duizenden geslachten, die misdaad, schuld, en zonden vergeeft, maar niet geheel en al ongestraft laat en die de misdaad der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht. ( Shemot 34 6-7 )

Evenzo wordt Widdoej ( zondebelijdenis ) gezegd tijdens selichot, omdat het eveneens een essentieel onderdeel is van de gebeden van vergiffenis.

En de Rabbijnen citeren Rabbi Jochanan die zegt: ” als het vers niet geschreven zou zijn, was het onmogelijk om het te zeggen. We leren van G D s woorden aan Mosje dat G D zich zelf als het ware omhulde met een taliet zoals een shliach tsiboer ( voorganger ) en hem leert de orde van het gebed van de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid en G D zij tot hem: “Telkens als Israël zondigt, laten zij houden aan deze orde van gebed en IK zal hun vergeven”.

De dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zijn als volgt:

1) Eeuwige: IK ben het die medelijdend is voordat de mens zondigt, hoewel IK weet dat hij uiteindelijk zal zondigen.

2) Eeuwige: En IK ben het die medelijdend is nadat de mens zondigt en spijt betuigt.

3) G’D: ook dit is een eigenschap van barmhartig zoals is gezegd : ” Mijn G D waarom heeft u mij verloochend? ” iemand kan niet zeggen tot de eigenschap van strenge gerechtigheid: “Waarom heeft u mij verloochend?”.

4) Die barmhartig is: HIJ is met barmhartigheid met de armen ; m.a.w. als je de armen en zwakken minacht, minacht je mij ook.

5) En Genadig: HIJ is genadig naar de rijken.

6) Lankmoedig: HIJ is geduldig en niet snel met het vorderen van vergelding, in de hoop dat de schuldige teshoewa doet.

7) Vol van liefde: Hij handelt met liefdevolle goedheid naar diegene die gebrek hebben aan verdienste.

8) En waarheid: Hij eert en beloont die zijn wil vervullen.

9) Die liefde blijft betonen tot in het duizendste geslacht: HIJ beschermd de liefdevolle goedheid welke een persoon doet voor HEM tot in het duizendste geslacht, zelf tot het tweeduizendste.

10) Die misdaad: verdraagzaamheid ten aanzien van overtredingen welke mensen begaan opzettelijk.

11) Schuld: HIJ draagt de ongerechtigheid die een persoon begaat in een opwelling van opstandigheid.

12) En zonden vergeeft: HIJ draagt zonden die niet moedwillig zijn begaan.

13) Maar niet geheel en al ongestraft laat: HIJ zal degenen zuiveren die teshoewa doen, maar niet degenen die verzuimen om teshoewa te doen.

De dertien Goddelijke eigenschappen worden alleen gezegd in een Minjan, een gemeenschap van tenminste tien mannen.

DEFINITIE VAN HET CONCEPT TESHOEWA

Teshoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen teshoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Teshoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept teshoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Teshoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Teshoewa betekent teruggaan naar je G’ddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die G’ddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddik, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G’D en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen teshoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G’D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G’D, kan altijd terug keren, omdat teshoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

TOE B’AV

DONDERDAGAVOND – VRIJDAG 2-3 AUGUSTUS, DE VIJFTIENDE DAG VAN DE MAAND AV, TOE B’AV 

 De vijftiende dag van Av (Toe B’Av) is een zeer gelukkige dag in de Joodse Traditie, hoewel een verborgen feestdag in de Thora kalender, bezit Toe B’Av de zelfde heiligheid als Jom Kippoer. Het markeert de dag waarop het decreet van uitsterven van generatie van de wildernis werd beëindigt en ook de jaardag van de reconciliatie van de Stammen van Israël met de Stam van Benjamin, na het incident van de Concubine van Giv’a, het verhinderde uitsterven van die stam, door de leden toe te staat om vrouwen te huwen van andere stammen.  (Richteren, 19-20, 21-19; Ta’anit 30b).

Onder Hoshea ben Ela, Koning van de Tien Stammen, werden de wegversperringen, opgezet door Yeravaam ben Nevat (Jeraboam) om pelgrimage naar de Tempel in Jeruzalem te verhinderen, verwijderd en onder de Romeinse bezetting kon de vermoorde Beitar worden begraven.

 Dus de vijftiende dag van Av is een dag van reconciliatie tussen mens en G’D en tussen mensen onderling.

 “Op deze dag gingen de dochters van Israël uit en dansten in de wijngaarden en iemand die geen vrouw had nam voor zich daar een vrouw…..” (Ta’anit 30b)

 HEDEN TEN DAGE IS HET BIJZONDER GUNSTIG GEBEDEN TE ZEGGEN VOOR HET VINDEN EN VERBINDEN MET IEMANDS ZIELVERWANTE.

 Komende Vrijdagavond- Zaterdag 3-4 Augustus, 16e Av is Shabbat Nachamoe, de Shabbat van Troost, Parashat We’etchánan, met de Haftara Jesaja, 40:1-26,

 “Troost, troost, Mijn volk……” is de eerste van de Zeven Haftarot van Vertroosting en Aanmoediging die gelezen worden tussen Tisha BeAv en Rosh HaShana. Op Zaterdag avond, na het einde van Shabbat Nachamoe, wordt de Komende Verlossing aangekondigd, het is de gewoonte voor diegene die in omgeving van Haifa, Israël wonen, om de Grot van Elija op de Berg Carmel te bezoeken.               

DE DRIE WEKEN

Rabbi Tzvi Elimelech van Dinov

Benei Yissaschar, Tammoez/Aw, sectie 4:5

Van de 17e van de Hebreeuwse maand Tammoez tot en met de 9e van de maand Aw, neemt de Joodse Natie traditioneel een periode van rouw in acht over een reeks gebeurtenissen die hen is overkomen gedurende deze tijd van het jaar over de generaties. Van de lasterlijke spraak van de Verkenners (in Exodus. 13,14), tot de belegering en destructie van beide Heilige Tempels in Jeruzalem, tot het begin van de Kruistochten, tot de climax van de Spaanse Inquisitie, deze drie weken karakteriseren een tijd van verschuiling van G’D’s barmhartigheid.  In de volgende leerstelling reveleert Rabbi Tzvi Elimelech van Dinov, Benei Yissaschar, enige esoterische achtergronden.

De Talmoed verklaart dat op de 15e van de maand Aw, bekend als Toe B’Aw, de ongetrouwde vrouwen van Jeruzalem uit plachten te gaan in geleende witte kleren en kringdansen in de wijngaarden.  Iedere man die geen vrouw had zou komen en een vrouw kiezen, en als zij en haar familie akkoord gingen, zouden zij worden getrouwd. De vrouw zou zeggen, Jongeman, sla je ogen op, en zie wat je koos voor je zelf. Overweeg geen schoonheid, acht familie. Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat, maar een vrouw met ontzag voor G’D, zij zal worden geprezen….” (Spreuken. 31:30)

Zij zouden zeggen, “Jongeman, sla je ogen op…” (Taanit 30) het is de moeite waard zich te concentreren op de reden waarom wij moeten weten wat de vrouw zegt gedurende deze kringdans, en waarom zij zegt “Jongeman, sla je ogen op…”, etc.,  want was niet elke ongetrouwde man daar, en niet alleen maar jonge mannen? En waarom “sla je ogen op…”?

Veel kan duidelijk worden gemaakt door wat ik heb uiteengezet ( betreffende de Drie Weken, 3:8), dat de 22 dagen van de periode van de Drie Weken [kunnen worden verdeeld in] 13 dagen in de maand Tammoez en 9 dagen in de maand Aw. Dit is vanwege de behoefte om de Dertien Eigenschappen van Barmhartigheid terug te brengen in de maand Tammoez door het gebeuren toen [van het breken van de Stenen Tafelen] en op de 9e Aw was de lasterlijke spraak [met betrekking tot het Land Israël, zie Numeri. 13:1-31, 14:1-19], waar Mozes de 9 Eigenschappen opriep (zie Numeri. 14:18). Tot aan de 22e dag van de Drie Weken [met andere woorden, zijn voltooiing], beschermen deze [barmhartige] eigenschappen het Joodse Volk, het was alleen dat zij waren verscholen tijdens deze 22 dagen [van tegenspoed], wat bekend staat als de “verborgen barmhartigheid”.

En daar [in 3:8] spraken wij ten aanzien van de aanduiding in het vers “Van de Eeuwige kwam dit [in het Hebreeuws ‘zot’…” (Psalm 118:23), dat het woord “zot” een acroniem is voor “Tikoenei Zeir Anpin en Arich Anpin, en de continuatie van het vers… dit is een wonder in onze ogen”, betekenend dat zij [Zeir Anpin en Arich Anpin], verborgen verhuld zijn in deze twee maanden, waaraan wordt gerefereerd als “ogen”, Tammoez het rechter oog en Aw het linker oog.

Sefer Yetzira weidt uit en beschrijft de specifieke gedeelten van het gezicht in relatie met elk van de maanden. De maanden Tammoez en Aw zijn geassocieerd met de rechter en het linker oog.

En in de huidige tijd vanwege ons negatief gedrag, wordt ten aanzien van deze twee maanden gezegd, “Mijn oog[en], mijn oog[en], brengen [schenken] water voort” (Klaagliederen. 1:16) (dat de zoute tranen de spirituele krachten van oordeel representeren, Etz Chaim). En in de Toekomst, de Hafthorot van Troost zal worden gelezen: “Hef uw ogen over u op en zie….” (Jesaja. 60:4), waarin G’D Zijn barmhartigheid zal gebieden en uitschenken over het Joodse Volk, dat zij hun blik verheffen [letterlijk hun “ogen”] en “rondkijken”, want telkens wanneer hun ogen zijn gevuld met tranen, want met zo veel tranen in de ogen is het onmogelijk om rond te kijken [met andere woorden, met wijde blik].

Dit is niet het geval wanneer de ogen mooi en helder zijn, zij kunnen periferieën [met andere woorden, in het rond zien]. En dit is wat de profeet zei, in G’D’s naam “Hef uw ogen over u op en zie….”, de “ogen” refereren aan de twee maanden, Tammoez en Aw.  ( En dit is waar de Wijzen aan refereerden toen zij Taanit 24 onderwezen, dat een mogelijke bruid, iemand die wordt erkend als hebbende mooie ogen, behoeft geen verdere waardering voor schoonheid.)

Het is al eerder onderwezen dat de Dertien Rectificaties van de Baard van Arich Anpin de aspecten van Oudere zijn [ met andere woorden, volwassen bewustzijn], terwijl de Negen Rectificaties van de Baard van Zeir Anpin de aspecten zijn  van Jongeling [of jongeman, met andere woorden, onvolwassen bewustzijn]. En wanneer het gerectificeerd wordt [met andere woorden, volwassen,  “zich verheft”, in spiritueel formaat], wordt Zeir Anpin’s Baard, de Jongeling, volwassen en wordt Dertien Rectificaties, zoals die van Arich Anpin]. Dit is de mystieke betekenis achter het vers, ” Dan zullen de ongetrouwde vrouwen zich in hun kringdans verheugen, jeugd en oudere tezamen….”(Jeremia. 31:12)

En dit is waarom de ongetrouwde vrouwen die uit plachten te gaan om te kunnen kringdansen op de 15e Aw specifiek uitriepen, “Jongeman, sla je ogen op”, en hier stop ik, want ik ben bang om meer te spreken, en ik heb vele aanwijzingen gegeven in deze leringen voor degene die wij zijn om te begrijpen en mag de Goede Naam [G’D] ons vergeven en mag het zijn dat onze monden niet iets zeggen [reveleren] wat niet Zijn Wil is.

SHAWOE’OT – WEKENFEEST

MOZES TAAK WAS, DE JOODSE ZIELEN TE VERBINDEN MET HUN ESSENTIE

 

 VERLANGEN EN ESSENTIE

 

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

 

Likoetei Thora

 

Ik ben de Eeuwige, je G’D, die je uit het Land Egypte heeft uitgevoerd, uit het slavenhuis.” (Exodus. 20:2)

Er zijn twee niveaus van verlangen: één dat voorafgaat aan het intellect en er boven uitreikt en een ander dat ondergeschikt is aan het intellect en er een gevolg van is.

Lagere Verlangen

Wanneer iemand gebruik maakt van de drie vermogens van zijn brein om te mediteren over de indrukwekkendheid van de G’ddelijke realiteit, komt hij tot de erkenning van G’D in zijn hart en een verlangen om aan Hem te hechten. Het menselijke doel is om te contempleren over G’D’s grootheid.

Alhoewel er is gezegd dat “geen gedachte Hem kan bevatten”, is dat alleen waar met betrekking tot G’D’s essentie. Iemand kan echter wel G’D’s uitstralende Licht  vatten. Inderdaad is het menselijke doel om te contempleren over G’D’s grootheid, dat Hij een oneindig aantal hemelse en lagere werelden heeft gecreëerd, dat Hij die in stand houdt en elk moment opnieuw uit het niets creëert.

Deze meditatie varieert overeenkomstig de persoon. Maar ieder persoon kan zijn capaciteit gebruiken voor meditatie om zijn verstand te ontwikkelen, zijn hart en ziel te ontbranden, om zijn ziel aan G’D te binden en om zich aan Hem te hechten, alles volgens de diepzinnigheid van zijn intellect, zijn wijsheid en toewijding.

Deze meditatie leidt naar een verlangen om datgene te doen wat je dichter bij G’D brengt en te mijden dat wat het tegenovergestelde bereikt. Dit niveau van verlangen is ondergeschikt aan het intellect, betekenend dat het vanuit de meditatie van het brein voortkomt en zal variëren in intensiteit naar de mate van meditatie.

Hogere Verlangen

Er is echter een hoger niveau van verlangen, één dat geheel uitstijgt boven het type dat is geboren uit het intellect. Dit verlangen stamt uit een staat van niet zijn, met andere woorden, zijn waarneming, zijn perceptie (en dat van alle creaturen), maar vanuit het gezicht van de G’ddelijke Essentie en Zijn Oneindigheid en Verhevenheid. Hier kunnen we zeggen dat geen gedachte op geen enkele wijze Hem kan bevatten. Hij is boven de categorie van het absolute weten. De termen G’ddelijke immanentie en G’ddelijke transcendentie (in het Hebreeuws, “memalei” en “sovev”) zijn alleen van betekenis in de context van G’ddelijke radiatie. Maar Hij Zelf is boven deze categorieën. De ziel is dus in beweging gebracht om te ontsnappen aan zijn omhulsel met een verlangen en hunkering om zichzelf te vleien aan de boezem van haar Vader, de G’ddelijke Essentie voor Wie alles niets is.

De Ziels Essentie

De mens is gecreëerd naar het beeld van G’D. De essentie van de ziel, die stamt van G’D’s essentie, daalt niet volledig neer in het lichaam en dierlijke ziel. Alleen een klein gedeelte bereikt en dringt binnen het bewustzijn van het intellect en emoties. De zielskern is ver boven de categorie van het menselijke intellect. Het blijft verenigd met zijn Bron de Levende G’D in een eeuwig verbond. Het heeft maar één verlangen en dat is tot haar Vader in de Hemel alleen, voor altijd, onveranderlijk, in een staat van onbaatzuchtigheid en nullificatie tot Hem.

De ziel ervaart alleen veranderingen in de lagere aspecten van de ziel, die in het menselijk bewustzijn. Maar de zielsessentie hangt boven, “omgeeft”, en overstijgt de persoon (zoals de G’ddelijke essentie in relatie tot de wereld).

Op Shavoe’ot, door het geven van de Thora, werd dit niveau van de ziel gereveleerd op een zeer krachtige wijze, binnen het menselijke bewustzijn, met andere woorden, dat alle zielen die stonden aan de Sinai na elke uiting van één van de Uitspraken door G’D wegvlogen als het ware, betekenend dat zij werden uitgetild boven de schaal van het in intellect en werden omwikkeld en omgeven met het G’ddelijke.

Het bovenstaande begrip wordt weergegeven in de eerste uitspraak aan de Sinai, “Ik ben Havayah je G’D die je uit het land Egypte (in het Hebreeuws “Mitzrajiem) heeft uitgevoerd (Exodus. 20:2).

“Ik….”: de naamloze “Ik”: de G’ddelijke essentie die boven elke beschrijving is.

….ben Havayah je G’D”: de G’ddelijke vonk die in je zetelt, de essentie van de ziel, die boven het menselijke bewustzijn blijft.

“…..die je heeft uitgevoerd uit het land Egypte”: al de werelden en niveaus die beneden dit niveau van de zielsessentie zijn, worden dienovereenkomstig Egypte genoemd  (“Mitzrajiem” in het Hebreeuws betekenend “limitaties”). Alle andere staten van wisselwerking met het G’ddelijke zijn beperkt tot bepaalde domeinen en grenzen.

Wanneer dit niveau van de ziel wordt gereveleerd, vervullen we het Mishna dictum:

“Nullificeer je verlangen voor Zijn verlangen” (Avot 4:2). Je staat het hogere verlangen toe, de essentie van de ziel, je ware zijn te illumineren zodat jouw wil G’D’s Wil is…

Laat ons eerst een vergelijkbaar dictum verklaren: “Maak je verlangen zoals Zijn verlangen”. Dit dictum refereert aan een persoon wiens verlangen buiten de G’ddelijke sfeer is, maar die door meditatie op G’D’s grootheid, zijn wil wijzigt om te conformeren aan de G’ddelijke Wil. Dit is het lagere verlangen zoals boven besproken.

“Nullificeer je verlangen voor Zijn verlangen”, daarentegen betekent, dat je geen verlangen hebt buiten G’ddelijkheid. Je staat het hogere verlangen toe, de essentie van de ziel, je ware zijn te illumineren, zodat jouw wil G’D’s Wil is.

Elevatie

G’D beveelt Mozes om het lagere zielsverlangen te nemen, dat is voortgekomen uit het zielsintellect en dat gekleed in menselijk bewustzijn en het bindt en het verheft tot grotere hoogten, naar zijn bron en oorsprong: de zielsessentie die boven verblijft in alles overtreffende superieure staat.

Mozes taak was om het “hoofd van de mens, de bron van het lagere verlangen, te verenigen met de essentie van de ziel, een niveau waarop de essentie van G’D volledig wordt gereveleerd.

GOED JOM TOV