PARASHAT WAJAKHEEL

En hij liet samenkomen   Exodus.35:1 – 38:20

 

Zohar Wajakheel 195.

Mozes riep de gehele gemeenschap van de Kinderen van Israël in vergadering bijeen en zei tegen hen: ’Dit zijn de geboden die G’D mij heeft opgedragen om ze tot uitvoering te brengen.”  

 

Kom en Zie wat staat geschreven: “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort” (Exodus. 25:2), wat inhoudt: iedereen. Dit omdat G’D het Tabernakel wilde bouwen van alle partijen: het innerlijke deel en het omhulsel.  Aangezien er een Gemengde Menigte onder hen was, werd impliciet gezegd,  “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort ” teneinde ze mede op te nemen in Israël, als het innerlijke deel. Dus iedereen werd geboden.

 

Daarnaast kwamen mensen samen op basis van hun verlangen, en de Gemengde Menigte kwam naderbij en creëerde en aanbad het Gouden Kalf en degenen onder Israël die door hen werden aangetrokken stierven tenslotte. De Gemengde Menigte bracht over Israël dood en verderf. G’D zei dat vanaf nu het bouwen van het Tabernakel alleen mag worden uitgevoerd door Israël. Onmiddellijk “verzamelde Mozes de gehele gemeenschap van de Kinderen van Israël …..” Naderhand staat geschreven: “Zondert van wat van jullie is, een gewijde gave af voor G’D “ (35:5). “ Wat van jullie” impliceert en benadrukt, in plaats als voorheen is geschreven, “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort” (Exodus. 25:2). “En Mozes verzamelde:……” Waarom verzamelde hij ze? Omdat de Gemengde Menigte onder hen was, moest Mozes Israël verzamelen en van hen scheiden.

 

BeRahamin LeHayyim:

 

De dromers onder ons helpen onze evolutie naar een meer perfecte samenleving. Mozes was een dromer. Hij die stond voor de Da’`at/ Kennis van collectief Israël droomde dat de Erev Rav/ Gemengde Menigte mede afhankelijk kon zijn in de opbouw van een Joodse Samenleving. De afgelopen Parasha met de episode van het Gouden Kalf, met de Gemengde Menigte als hoofd schuldige, vloerde deze visie. Erev Rav/ Gemengde Menigte in gematria bedraagt 474, de zelfde som als het woord  Da’`at/ Kennis, Mozes belangrijkste vermogen. Er waren twee bomen in de Tuin van Eden: de Boom van Leven en de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad. Het is beter dat we kiezen voor Leven immers te veel kennis van het Goed en Kwaad kan door dit contact helaas leiden naar dood en destructie.

SHABBAT SHALOM              

 

 

 

 

 

       

 

 

 

 

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt   Exodus.30:11 – 34:35

 

 Het zuiveren van de Spirituele Wereld

 

 Rabbi Moshe ben Nachman

 

Kabbala legt uit dat het wassen van de handen de hemelse werelden verheft.

 

“En G’D sprak tot Mozes: Je moet een koperen wasbekken met daarbij een koperen onderstel maken om je te wassen; je moet dat plaatsen tussen de tent der samenkomsten en het altaar en er water in doen.

 

En Aaron en zijn zonen moeten met het water daaruit hun handen en voeten wassen.”

Dit wassen is uit eerbied voor Hem Die uit de Hemel is, want wie de Konings Tafel nadert om te dienen, of om het voedsel van de Koning met Hem te delen en de wijn die Hij drinkt, wast zijn handen, omdat “handen zich bezighouden met allerlei dingen, ook onzuivere dingen”. Vervolgensschrijft Hij hier het wassen van de voeten voor omdat de priesters de Dienst op blote voeten uitvoerden en sommigen onzuivere en smerige voeten hadden.

 

Door middel van de Waarheid [de leringen van Kabbala], moeten deze delen van het lichaam worden gewassen omdat de extremiteiten van iemands lichaam zijn handen en voeten zijn, want wanneer de handen opgeheven zijn ze hoger dan de rest van het lichaam en de voeten zijn het laagste punt. Dit verwijst in de menselijke vorm naar de Tien Emanaties, met het hele lichaam daartussen, juist zoals expliciet wordt aangegeven Sefer Yetzira, [Het Boek van de Schepping]: “Hij maakte een verbond met hem [Abraham] tussen de tien vingers van zijn handen en de tien tenen van zijn voeten, met het uitstekende deel van de tong en met de uitgestrekte naaktheid.” Om die reden werd aan de afgezanten van de Ene in den Hoge opgelegd hun handen en voeten te wassen, deze wassing was voor belang van heiligheid. Dus Onkelos vertaalt “wassen” [Hebreeuws, “L’rochtza”] in dit vers als “heiligen” [l’kidoesh].

 

Het is op basis van het idee van dit gebod dat onze Rabbijnen het handen wassen voor het gebed hebben geïnstitutionaliseerd, omdat iemand zijn gedachten direct richt op dat wat hij gaat doen, net zoals in het opheffen van de handen door de priesters wanneer zij het Volk zegenen.

 

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT TETSAVÉ

 Je zult gebieden  Exodus. 27:20 – 30:10

 

 Kledingstukken van Verlossing

 

 De Hoge Priester kan geen enkele leemte tussen het verhevene en het aardse verdragen.

 

 “De Borstplaat mag niet los komen van de Éfod. “(Exodus. 28:28)

 

 De Éfod hing van de Hoge Priesters rug neerwaarts tot zijn hielen, terwijl de Borstplaat rustte tegenover zijn hart, aan de voorkant. Daar waar de “rug” het externe, het uitwendige en aardse representeert, zoals je ook bij desinteresse voor iemand de rug toekeert, iets achterlaat; beduidt “de voorkant” het innerlijke en verhevene (zoals de gedachten en gevoelens worden uitgedrukt op iemands gezicht). (Zie Tanya, Hf. 22:3.)

Het Feit dat de Borstplaat niet mag worden gescheiden van de Éfod betekent dat de Hoge Priester geen enkele leemte tussen het verhevene en het aardse kan verdragen, het interne en het externe. Wat waarheidsgetrouw is in zijn idealistische en bezielde hart moet zich zelfs kenbaar maken in zijn alledaagse routine en gewoonten.

 

In ’de Borstplaats voor bijzondere beslissingen’ moet je de Oeriem en Thoeriem aanbrengen. (Exodus. 28:30)

 

 In onze G’ddelijke ziel, de Oeriem, die licht en vuur aangegeven, is een briljant besef van Zijn Oorsprong en een vurig verlangen om er in op te gaan. De Thoeriem, die volkomenheid en grondigheid aangeven (Joma. 73a), is de hartgrondige oprechtheid en diepgaande devotie om de mitzwot te vervullen.

 

Deze toewijding compenseert de Oeriem ervaring en trekt het neerwaarts vanuit zijn extase om het te betrekken op het aardse en het tot het G’ddelijke te verheffen. Dus de Oeriem en Thoeriem geven de dynamiek van “gaan en terug te keren”, met andere woorden, radzo veshov.

 

Onder de vijf vitale elementen (zoals de ark) die de Eerste Tempel bezat, maar de Tweede Tempel niet, waren de Oerim en Thoemiem. In werkelijkheid waren zij aanwezig, maar niet actief (Joma. 21b)

 

De Tweede Tempel verschafte een voelbaar G’ddelijk bewustzijn aan diegene die haar betraden, juist zoals de Eerste Tempel deed, echter anders dan de Eerste  Tempel, was de Tweede Tempel niet in staat  om dat bewustzijn wijd uit te stralen, om het aardse en alledaagse te beïnvloeden.

 

Op dezelfde wijze, bleef de Borstplaat intact ook gedurende de Tweede Tempel periode, maar niet het vermogen om “bijzondere beslissingen” te verlenen aan de gehele mensheid door Oerim en Thoemiem.

 

 Dit mankement existeert ook in de hedendaagse spirituele Borstplaat: als metafoor voor de algehele conditie van verbanning. Het woord voor “Borstplaat” in het Hebreeuws “choshen” deelt de zelfde numerieke waarde als het woord voor “slang”, in het Hebreeuws, “nachash”, Sefer Sha’ar Hamitzwot en Ta’amé Hamitzwot, van Chaim Vital, citeert Rabbénoe Efraim [van de Tosafot]; De primordiale slang, die zonde en verwarring in de wereld bracht en Mashiach, die doel en helderheid zal uitstralen, zijn natuurlijk tegenovergestelde uitersten. Doch dat is de paradox van de Verbanning: De G’ddelijke perceptie, goedheid en perfectie van de Messiaanse era en realiteit zijn impliciet de verbanning,hoewel in tact is alleen de pretentieuze slangenhuid van de verbanning  duidelijk zichtbaar. De twee uitersten existeren binnen de zelfde realiteit.

 

 Dit is onze uitdaging in de verbanning: het in eer herstellen van de Oerim en Thoemiem van de kosmische Borstplaat, het impliciet “ontcijferen” van het concept van de Messiaanse perceptie, van goedheid en perfectie binnen de realiteit, zodat het de onthulde rol kan aannemen.

 

SHABBAT SHALOM               

 

 

 

 

 

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing   Exodus. 25:1 – 27:19

 

 BERACHAMIEM LECHAYYIEM

 

Teroema = Thora-Mem  (40), 40 dagen voor persoonlijke transformatie, 40 dagen om een ​​nieuwe innerlijke Thora te ontvangen: hoe om te gaan met een aspect van het leven dat moet worden bijgesteld om een innerlijk  evenwicht te bereiken.  Iedereen die dieet houdt, of een training regime op nahoudt, of stopt met roken etc. kan ongetwijfeld resultaten en veranderingen zien na 40 dagen. De 40 dagen is te relateren aan onze leringen in Limnot Yameinoe: Wie kent 40? De letter Men is het getal 40 voor transformatie: 40 nachten en dagen van de Maboel, vloed; 40 dagen tot aan Matan, het Geven van de Thora; 40 jaar in de Midbar, woestijn; 40 se’ah, maatstelsels in een kosher Mikveh,  voor de onderdompeling in een ritueel bad; 40 jaren tot Bina, gerelateerd aan Imma, moeder. Er is een innerlijke groei van kennis door de 40,Mem. En deze kennis helpt ons om G’D beter te dienen,  om een offer te geven, een Teroema van ons zelf in het verlangen dichter bij te zijn, voor meer G’ddelijkheid op onze wegen. “Om een ​​vriend te verwerven”, G’D, vermeldt in  de bovenstaande Zohar,: “ soms hebben we de hulp nodig van onze Vriend”.   Aarzel niet om hulp te zoeken in je 40-dagen-project van bovenaf. Een beetje hulp heeft een lange weg te gaan van Boven naar Beneden.

 

Dan de laatste regel van het gedeelte van de parasha van verleden week:

 

Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de Berg”.

 

 In de spirituele sfeer waarnaar Mozes opsteeg, terwijl hij op de Berg was, is tijd zo compact dat een dag daar gelijk is aan een jaar in onze wereld. Mozes was met G’D voor de equivalentie van veertig jaar.

 

Volgens de wijzen, is veertig jaar de tijd die nodig is voor een student om volledig leringen van zijn meester te absorberen.

 

 Om die reden moest Mozes veertig dagen op de Berg blijven.

 

 EEN TABERNAKEL VOOR ELKE JOOD

 

Het maakt niet uit wat de achtergrond van een persoon is, iedereen kan zich relateren aan het tabernakel.

 

 Likoeté Sichot, vol. 6, p. 153-6

 

 “Zij zullen Mij een heiligdom maken ….” (Exodus. 25:8)

 

Volgens Rashi, gebood G’D het Joodse Volk om het Tabernakel te bouwen, tijdens het verblijf van Mozes in de derde periode van veertig dagen, met andere woorden, tussen de 1e van de maand Elloel en Jom Kippoer, de 10e van de maand Tishré. Mozes bracht deze instructie over aan het Volk toen hij van de Berg naar beneden kwam op Jom Kippoer en het Volk deed iets meer dan twee maanden over de bouw van de structuur en zijn inrichting,  de totale bouw van de Tabernakel eindigde op de 25e van de maand Kislev.

 

 In feite zijn er drie meningen aangaande de instructie om het Tabernakel te bouwen wanneer ze was opgelegd en wanneer het was gebouwd:

 

 

 

·      Volgens één opinie in de Zohar (II:224a), vonden beiden, de instructie en de constructie plaats onmiddellijk bij het Geven van de Thora, met andere woorden vóór de zonde van het Gouden Kalf. (vandaar dat de Joden alleen hun goudenoorringen voor het Gouden Kalf doneerden, want dat was alles wat zij nog over hadden. Zij hadden al de rest van hun goud weggeven voor de constructie van het Tabernakel.)

 

 

 

·      Volgens de Midrash Tanchoema, Teroema 8, vond de constructie plaats ná de zonde van het Gouden Kalf, op Jom Kippoer. Door de Joden te gebieden om Hem een verblijfplaats te bouwen, betoogde G’D dat Hij de zonde van het Gouden Kalf had vergeven.

 

 

 

·      Volgens een tweede opinie in de Zohar (II:195a), hoorde Mozes G’D’s instructie voor de zonde van het Gouden Kalf, maar bracht deze pas over aan het Joodse Volk ná Jom Kippoer.

 

 Op fysiek vlak, kan slechts één van deze meningen correct zijn. Maar op een dieper niveau, identificeren deze drie meningen de drie typen van mensen waarnaar G’D verlangt om Zijn Tabernakel te bouwen, om deze wereld tot een G’ddelijke verblijfplaats te maken. De oneindige Tabernakel moet een product zijn van al deze drie groepen, hoewel elk denkt vrijgesteld te zijn.

 

 1.  De heilige mysticus: Volgens de eerste mening, is de instructie opgedragen aan Joden die rechtschapen, puur en zuiver waren, na hun wedergeboorte bij de Sinaï te hebben meegemaakt. Een dergelijke Jood kan of zou onwillig zijn om zijn handen te bevuilen aan goud en zilver. Hij wordt aangesproken door de eerste mening: “Ondanks al je heiligheid, ben je nog steeds menselijk en fysiek. Je bent niet vrijgesteld van het vervullen van G’D’s doelstelling vanwege het feit van een ziel in het lichaam om lichamelijkheid te heiligen en de fysieke wereld te transformeren tot G’D’s verblijfplaats. Bovendien, heilig zoals je bent, onderhoud je nog steeds op zin minst een minimale relatie met lichamelijkheid: je moet eten, slapen, enz. Indien je weigert je te verbinden met het doel de wereld te veranderen in heiligheid, zal die kleineongezuiverdeverbinding die je hebt om de wereld, je uiteindelijk verstrikken.

 

 2. De “terugkeerder”: Volgens de tweede mening, richt G’D zich tot Joden die hebben gezondigd en berouw hebben, die het Kalf hebben vereerd en nu terugkeren. Een dergelijke Jood is het er mee eens dat een heilig persoon zich bezig houdt met het heiligen van zijn fysieke betrokkenheid in de wereld,  opdat zij hem niet in zijn materiële oriëntatie verstrikt. Hij, de berouwvolle echter, is immuun voor dit gevaar. Hij was aanwezig bij de handeling, hij heeft het gedaan en weet nu beter; hij is onaantastbaar. De tweede mening is aan hem gericht: “De instructie om het Tabernakel te bouwen was gegeven op Jom Kippoer, de Dag van Verzoening, nadat de Joden waren teruggekeerd op het juiste pad en vergiffenis is verleend. Het weten dat je kunt terugkeren is niet compleet voordat je Mij een Tabernakel hebt gebouwd. Het is niet genoeg om afstand te doen van de verlokkingen van materialisme; jij, in het bijzonder, moet de materiele wereld transformeren tot G’D’s verblijfplaats.”

 

 3. De zondaar: Volgens de derde mening, geldt G’D’s instructie zelfs voor zondaars, voor aanbidders van afgodsbeelden. Er is geen vermelding dat G’D het bouwen van de Tabernakel had ingetrokken, nadat de Joden hadden gezondigd of hen her instrueerde het Tabernakel te bouwen na dat zij werden vergeven. Een dergelijke Jood denkt dat het gebod niet voor hem is -om het Tabernakel te bouwen moet je in perfectie zijn-dus tot dan, moet hij weg blijven. Hij wordt aangesproken door de derde mening: ondanks het feit dat de instructie werd gegeven vóór de zonde, werd de instructie niet nietig verklaard.  G’D’s Tabernakel moet worden gebouwd door elke Jood, zelfs degenen die afgod-aanbidders zijn.

 

 SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT MISHPATIEM

 

 Rechtsregels               Exodus. 21:1 – 24:18

 

Plaats de last op mij

 

De Thora moedigt een gezond lichaam aan om een gezonde ziel te verkrijgen

 

Wanneer je de ezel onder zijn last ziet bezwijken van iemand die je haat, dan moet je je ervan weerhouden het aan hem over te laten; afladen, samen met hem!

 

De Baal Shem Tov interpreteert dit vers als volgt:

 

Wanneer je de ezel ziet: Als je nauwkeurig onderzoekt en kijkt naar de ezel: het fysieke lichaam [aangezien “ezel” (Hebreeuws “chamor”, ook kan worden gelezen als “materie” (Hebreeuws.”chomer”)] van iemand die je haat: zal je zien dat het niet gemakkelijk is om zich te verplaatsen onder de last van Thora en mitzwot die G’D je heeft opgelegd. Dan moet je je ervan weerhouden het aan hem over te laten. Kun je je voorstellen afzijdig te blijven in het helpen je lichaam te wennen aan haar taak? Heb je de intentie om de weerstand van het lichaam te breken door te vasten en te straffen, met andere woorden, te verzwakken? Nee! Dit is niet de weg van Thora, je moet je lichaam helpen, afladen, samen met hem!”: je moet je lichaam sterken zowel fysiek als spiritueel en ervoor zorgen dat het ook deelneemt aan de G’ddelijke dienst.

Het lichaam ziet de Thora en zijn mitzwot als een last, ondanks het feit dat het duidelijk haar last is, met andere woorden, het is bestemd voor het lichaam  voor het eigen spirituele en fysieke voordeel; niettegenstaande rebelleert het lichaam. Voor de meesten van ons is de stem van het lichaam luider dan die van de ziel, daardoor wordt het bekijken van de Thora als een drukkende last ondervonden. Dit echter betekent des te meer, dat we nog niet de Thora en de manier van leven in ons bewustzijn hebben geïntegreerd. Alleen wanneer iemand realiseert dat Thora en mitzwot die hij/zij moet vervullen waarlijk de absolute bron van het leven zelf is, kan hopen op werkelijk succesvol en comfortabel te zijn met deze taak.

 

De Baal Shem Tov was niet de eerste die leerde dat de Thora nadrukkelijk het belang van de zorg voor de gezondheid beklemtoont.(zie Maimonides, Mishna Thora, Dé’ot 4:1)  In de loop der jaren kwamen mensen tot het inzicht dat het lichaam alleen zijn belangrijkheid behoudt zolang de persoon er nooit negatief mee omgaat. Als iemand had gezondigd met zijn lichaam, voelde hij, dat het gepast was om het lichaam te “breken” door het te onderwerpen aan willekeurig lijden, als een vorm van penitentie. De Baal Shem’s Tov innovatie was dat zelfs als het lichaam had gezondigd, lichaam en ziel beiden beter af waren als zij werden aangewend voor spirituele harmonie, voor heilige doeleinden, in plaats van beiden tegen elkaar op te zetten.

SHABBAT SHALOM  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PARASHAT JITRO

B:H

 

 

 

 Jitro             Exodus. 18:1 – 20:23

 

 Het Oneindige toegankelijk maken

 

Door te buigen voor Jitro, verhief Mozes de natuurlijke wijsheid tot de sfeer van het G’ddelijke.

 

 Ma’amarei Admor Hazaken. Parshiot, vol.1, p.300; Sefer HaMa’amarim 5647, p. 72ff; BeSha’ah SheHikdimu 5672, vol. 2, pp 861-862; Sefer HaMa’amarim Melukat, vol. 3, blz. 58 ev.

 

En Mozes ging naar buiten om zijn schoonvader te begroeten en wierp zich voor hem neer en kuste hem…..(Exodus. 18:7)

 

Mozes personifieerde G’ddelijke Wijsheid, terwijl Jitro daartegen natuurlijke, wereldse wijsheid belichaamde. Door neer te buigen voor Jitro, verhief Mozes de natuurlijke wijsheid en werd het in de sfeer van G’ddelijke Wijsheid geaccepteerd. Dit was een noodzakelijke voorwaarde voor het Geven van de Thora.

 

Nu weet ik dat G’D groter is dan alle goden…..(Ibid. 18:11)

 

Jitro had de werking van de Schepping onderzocht van boven naar beneden en bezat deskundige kennis van alle spirituele en wetenschappelijke overlevering van zijn generatie. Door te verklaren dat al deze kennis uiteindelijk leidt naar de acceptatie van G’D’s Wijsheid, maakte Jitro de weg vrij voor het Geven van de Thora.

 

Naast het ontkrachten van de misvatting dat de Schepping een wirwar is van uiteenlopende en tegenwerkende krachten, die wedijveren voor onze loyaliteit aan de ene kant en proberen ons te controleren aan de andere kant stelt Jitro’s bekendmaking ons ook in kennis van het gegeven dat het Geven van de Thora veel diepgaander is. Het doel van de openbaring op de Berg Sinaї was niet alleen om de wereld van G’D’s Wil te informeren, dit was grotendeels al gebeurd, sinds de schepping was er altijd al een kring van personen die de leer en instructie van G’D, als Thora, bestudeerde.De openbaring op de Berg Sinaї was eerder bedoeld om G’D’s essentie toegankelijk en bereikbaarder voor de hele wereld te maken door de Thora. G’D’s essentie overtreft zowel het oneindige als eindige.

 

Jitro laat zien dat seculiere kennis uiteindelijk resulteert in obscurantisme,(bewust onwetend houden van kennis) distorsie (verdraaiing van de kennis), desinformatie, of in idolatrie( afgoderij). Jitro openbaarde de essentiële superioriteit van de Thora door te verklaren en stelling te nemen dat alle wereldse wijsheid, eindig en “seculiere” duisternis is tenzij het wordt gezien wordt als een deel van G’D’s Wijsheid. Hij liet zien hoe de Thora, als een venster naar G’D’s essentie, de gehele realiteit omvat en het middel is waardoor alle realiteit kan worden opgenomen in G’ddelijkheid en kan worden gevormd om G’ddelijkheid uit te drukken. Dit is hoe G’D Zelf kan worden gebracht in alle aspecten van het leven, opdat deze wereld waarlijk tot Zijn verblijfplaats wordt gemaakt.           

 

 Het zien van de Geluiden

 

Zohar II, p. 93b.    

 

 G’D verheugde Zich bij het Geven van De Thora zelfs meer dan toen de wereld werd geschapen.

 

 “Heel het Volk zag de geluiden….zij zagen en huiverden. (Exodus. 20:15)

 

 Deze Tien Geboden van de Thora bevatten alle geboden van de Thora en alle aangelegenheden van Boven en Beneden, inclusief de Tien uitdrukkingen waardoor de wereld werd geschapen. (Pirké Awot. 5:1)

 

 Alle Geboden zijn in wezen afgeleid van deze tien. Dit wordt ook aangegeven door de numerieke waarde van het woord “Thora”, 611, plus de eerste twee van de Tien Geboden die we hoorden van G’D Zelf, vormend de totale som van 613, het aantal geboden en verboden in de Thora, (Makkot 24a) Bovendien, het totale aantal letters dat de Tien Geboden vormt is 620, dat is de som van de 613 Bijbelse geboden plus de zeven Rabbijnse geboden. (Megaleh Amoekot, Ranav Ofaniem Ofan 197)

 

 De Midrash (Bereshiett Rabba 1:1) legt uit dat als een architect een blueprint gebruikt om een paleis te bouwen, zo ook gebruikte G’D de Thora om de werelden te scheppen. “G’D keek in de Thora en creëerde de werelden ervan.” (Zohar II 161a) Dienovereenkomstig, is de hele Schepping  daarin opgenomen.

 

 Deze Tien geboden werden ingegraveerd in tafelen van steen en al de diepliggende niveaus van kennis die ze bevat werd geopenbaard aan de Israëlieten die stonden aan de voet van de Berg Sinaї. Zij zagen dit alles met hun eigen ogen gebeuren en hun harten waren in staat om te gluren in de wijsheid die hen verlichtte. Deze wijsheid beïnvloedde hun emoties evenzeer.

 

Op dat moment werd geen enkel niveau en mysterie van zowel Boven als beneden voor hen onthouden, want zij zagen de schitterende pracht van hun Meesters glorie van aangezicht tot aangezicht. Dit was sinds de schepping van de wereld nog nooit eerder gebeurd. Want de Heilige, Geprezen zij Hij, was geopenbaard in Zijn glorie op de Berg Sinaї. Misschien wil je als argument aanleveren dat het wel eerder was gebeurd omdat we leerden [in Machilta, Beshalach, nav. het vers “Dit is onze G’D en we zullen Hem vereren”] dat een dienstmeid dat aan de Splijting van de Zee zag en dat heeft zelfs de Profeet Ezechiël niet gezien  en dus zou dit gelijk staan aan het niveau van openbaring die de Israëlieten hebben ervaren toen zij aan de Berg Sinai stonden. Dat is niet zo, want de dag dat zij aan de Berg Sinaї stonden had hun spirituele onzuiverheid hen verlaten en zelf hun fysieke lichamen werden zo gezuiverd dat zij gelijk werden aan de materiele elementen van de engelen. Bovendien straalden hun zielen als de helderheid van de hemelen toen zij het ​​licht ontvingen.  

 

 De Talmoed, Shabbat 146a stelt dat toen Eva at van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, de slang [symbool van primordiaal kwaad] haar infecteerde met spirituele onzuiverheid. Toen de Israëlieten de Thora ontvingen bij de Berg Sinai, werd deze spirituele onzuiverheid van hen verwijderd.

 

Dit was de situatie van de Israëlieten die zagen en staarden in de glorie van hun Meester, wat niet plaatsvond aan de Riet Zee, aangezien hun spirituele onzuiverheid hen niet had verlaten op dat tijdstip.

 

Hoewel de Talmoed (Sota 30a) stelt dat dit plaats vond toen zij het Lied van de Zee zongen bij de Riet Zee, verklaren commentaren dat dit alleen het begin was van het proces, die werd voltooid aan de Berg Sinai (zie Nitzoezé Zohar). 

 

Hoewel aan de Berg Sinai alle spirituele onzuiverheid uit hen verdween zo dat zelfs de baby’s in de baarmoeder van hun moeder de glorie zagen van hun Meester, besefte niet iedereen de zelfde diepte, elk persoon ontving wat passend voor hem was.

 

Die dag was meer vreugdevol voor de Heilige, Geprezen zij Hij, dan de dag dat Hij de werelden schiep, want de dag dat Hij de wereld creëerde had geen bestendigheid totdat de Israëlieten de Thora ontvingen, zoals het vers in Jeremia 33:25 stelt, “Maar dit zegt G’D: “Als niet voor mijn verbond [de Thora] was, zou Ik niet de grenzen van Hemel en Aarde hebben vastgesteld.” Maar toen de Israëlieten de Thora accepteerden aan de Berg Sinai, werd de wereld standvastig en de Hemelen en Wereld werden zeker en G’D’s glorie werd bekend.  Boven [bij de engelen en bij de bewoners van de hogere werelden] en Beneden, in deze Wereld.

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

PARASHAT BESHALÁCH

 En hij had laten gaan    Exodus. 13:17 – 17:16

 Aangename Absolute Rust.

 

“Iemand die de Shabbat in acht neemt is als iemand die de hele Thora naleeft.”

 

 Zohar 47a.

 

 “G’D zal voor jullie strijden en jullie hebben te zwijgen [letterlijk. En jullie zult je rustig houden]” (Exodus. 14:14)

 

 Rabbi Aba opent zijn verhandeling door te zeggen: “Wanneer je je voeten rust gunt op de Shabbat, en geen handel nastreeft op Mijn Heilige Dag” (Jesaja. 58:13)).

 

 Israël is fortuinlijk omdat G’D verlangt en wenst samen te zijn met hen, meer dan met alle andere volkeren van deze wereld. [In Egypte was Israël klein en hun deugden waren gelijk aan die van rest van de volkeren en G’D nam hen daar uit om Zijn erfenis te zijn; niet om het belang van hun goede daden] Vanwege Zijn liefde voor hen, bracht Hij hen dichter tot Hem en gaf hen de Thora en de Shabbat, om die te heiligen. Shabbat is gelijk aan de hele Thora en iemand die de Shabbat in acht neemt is als iemand die de hele Thora naleeft.

 

 “En roep de Shabbat op als een groot vreugdevol genoegen” (Ibid.58:13), een vreugde voor allen, een vreugde voor ziel en lichaam, vreugde voor degenen Boven en degene Beneden. “En roep de Shabbat op als een groot vreugdevol genoegen”; wat betekent “oproepen”? Dat men de Shabbat moet inviteren, zoals staat geschreven: “heilige verzameling (letterlijk, ‘oproeping van heiligheid’)”(Leviticus 23:4), wat uitnodiging betekent, zoals een gast uitnodigen in je huis. “En roep de Shabbat op als een groot vreugdevol genoegen” dat wil zeggen dat je Shabbat moet oproepen en inviteren als je geïnviteerde gast, met een rijk geschikte tafel, met een huis in overeenstemming zoals het moet zijn: met zeer gepast voedsel en drank dan er op andere dagen is.

En roep de Shabbat op,” terwijl het nog steeds de dag ervoor is [om de Shabbat eerder te brengen dan zonsondergang als toevoeging aan haar heiligheid]. “De heilige dag van G’D is Jom Kippoer [die we ook eerder moeten brengen dan zonsondergang als toevoeging aan haar heiligheid] en ze zijn twee in aantal, die één zijn [Beide, Shabbat en Jom Kippoer, worden Shabbat genoemd, want Jom Kippoer wordt Shabbat van de Shabbatten genoemd.

 

 Kom en Zie een woord dat uit de mond van iemand opgaat en een ontwaken Boven stimuleert, hetzij voor het goede als voor het kwade. Om het even wie verblijft in de vreugde van Shabbat, is het verboden om seculiere onderwerpen aan te sporen of te bespreken, omdat het een smet veroorzaakt op de Heilige Dag. Voor Iemand die participeert in de festiviteit van een koning is het niet toegestaan om de koning te verloochenen en zich bezig te houden met andere zaken. 

 

Elke dag is het noodzakelijk om een handeling uit te voeren om op te wekken wat opgewekt moet worden. Op Shabbat is het nodig om in jezelf het volledige spirituele bewustzijn op te wekken.

 

 BeRahamiem LeHayyiem

 

 De bovenstaande tekst uit de Zohar benadrukt de noodzaak om bedachtzaam te leven, op ieder tijdstip en om ontvankelijk te zijn voor de heilige energieën van elke minuut. Shabbat moet eenvoudig anders zijn dan de zes dagen van de week. Iemand moet dit omzetten in daden, woorden en denken. Hoe ieder individu dit specifiek doet voor zichzelf is zijn/haar zaak, als men dit maar doet naar zijn beste vermogen, dan is ons beloofd dat G’D voor je zal strijden, gedurende de week die volgt.

 

 SHABBAT SHALOM     

 

 

 

 

PARASHAT BO

Kom                       Exodus. 10:1 – 13:16

 

 

Een connectie dieper dan het natuurlijke

 

Zelfs in de toekomstige verlossing worden Joden die niet verlost willen worden, uit de verbanning genomen.

 

 

 

In de Uittocht van Egypte dwong G’D niet de Joden die niet wilden vertrekken, te gaan, maar aangezien ze er voor kozen te blijven in Egypte, verloochenden zij het doel van hun existentie, met als gevolg dat hun leven daargeen betekenis meer had en moest worden beëindigd. In tegenstelling tot de Toekomstige Verlossing van de huidige verbanning, worden zelfs die Joden die niet willen verlost worden uit de verbanning genomen.

 

De Joden van de Uittocht waren in staat te kiezen om niet te worden verlost, omdat de enige connectie tussen G’D en het Joodse Volk op dat moment een “natuurlijke” was, vergelijkbaar met de natuurlijke verhouding tussen ouder en kind. Zoals G’D tegen Mozes zei om tegen Farao te zeggen, “Mijn eerstgeboren zoon is Israël en Ik zeg u: Laat Mijn zoon gaan.” (Exodus. 4:22-23). Door de uitoefening van hun vrije keuze en door het bestrijden van de verhouding van het joodse volk tot G’D, konden deze Joden de verlossing door G’D terzijde schuiven, net zoals een kind kan rebelleren tegen zijn ouders.

 

Maar toen G’D de Thora gaf, legde Hij een verhouding met ons vast die de voorafgaande natuurlijke verhouding te boven gaat. Wanneer we vanuit onze vrije wil kiezen te doen tegen onze natuurlijke voorkeur, openbaren we daardoor onze essentie, die onze natuur  te boven gaat.  Zoals G’D ons koos uit zijn Eigen Vrije Wil en ons de Thora gaf; dat deed Hij dit niet omdat Hij was gebonden door een natuurlijke verbinding tussen Hem en ons maar omdat Zijn essentie deze natuur te boven gaat. Hij plantte ons daardoor in Zijn wezen, dieper dan we geworteld waren op grond van de natuurlijke ouder-kind verhouding.

 

Om die reden is het voor een Jood onmogelijk om zich te verzetten tegen zijn verhouding met G’D, aangezien deze verhouding een deel van zijn essentie werd. Uiteraard kan hij zich blijven verzetten tegen zijn eigen essentiële connectie met G’D, maar dit is alleen maar oppervlakkig. Vroeger of later, zal zijn diepe innerlijke essentie aan de oppervlakte komen en dus waardig worden bevonden om te worden verlost.

 

SHABBAT SHALOM   

 

 

 

 

 

PARASHAT WA’ ERÁ

Ik ben verschenen     Exodus. 6:2 – 9:35

 Twee Namen voor Twee Broeders

 

Aaron en Mozes representeren elk een uniek aspect van heiligheid

 

Or HaThora, p. 145, p. 226 ff; Likoetei Sichot, vol. 16, pp. 67-68 & vol. 31, pp. 44-45; Meorei Or, s.v. kotel; Sha’ar HaYichud veHaEmunah 82a.

 

Aaron en Mozes……….Mozes en Aaron.” (Exodus. 6:26, Rashi)

 

Kabbala leert dat Mozes en Aaron de twee G’ddelijke Namen, respectievelijk Havayah en Elokiem personifiëren. De Naam Havayah geeft G’D’s Transcendentie aan, terwijl de Naam Elokiem Zijn immanentie  binnen de Schepping aangeeft. De duiding naar deze twee Namen in deze volgorde refereert aan het ervaren van de eenwording van deze twee Namen, met andere woorden: aan het bewustzijn van G’D’s Transcendentie dat Zijn immanent karakter informeert.

 

Er zijn twee wijzen waarop wij dit bewustzijn kunnen ervaren: als een gift van G’D of als een resultaat van onze eigen inspanningen. De eerstgenoemde ervaring is meer transcendent, maar de laatstgenoemde doordringt ons bewustzijn grondiger en permanent. Beiden zijn noodzakelijk en zouden deel uitmaken van het ”Geven van de Thora”.

 

De frase “Aaron en Mozes” [verwijzend naar de volgorde van geboorte] duidt op de wijze hoe G’D dit bewustzijn aan ons verleent: afdalend “op een natuurlijke wijze”. De frase  “Mozes en Aaron” [verwijst naar hun spirituele aard) duidend op de bestendigheid van G’ddelijk bewustzijn als we het verkrijgen als  resultaat van onze eigen inspanningen.

 

“Mozes maakte een teken op de muur waar de zon een schaduw had geworpen” (Rashi op 9:18: Aanschouw, Ik zal morgen om deze tijd een zo’n  zware hagel doen neerkomen als er nog nooit in Egypte geweest is vanaf zijn ontstaan tot nu toe.)

 

Het unieke  van deze  plaag van hagel was de mengeling van G’ddelijke barmhartigheid en oordeel.  Allegorisch uitgelegd  verwijst de zon  naar de Naam Havayah en de muur naar de Naam Elokiem.  Deze plaag werd  teweeggebracht door de eenwording van G’D’s eigenschap van barmhartigheid en streng oordeel, die worden gekenmerkt door deze twee Namen. Op een vergelijkbare manier, is er in deze plaag -ofschoon dit in het bijzonder een strenge plaag was- een samengaan te zien van,  zoals aangegeven in de voorafgaande grove waarschuwing, van strengheid en van barmhartigheid, omdat  de waarschuwing barmhartige instructies bevatte om het te voorkomen.  In dit verband kan ook worden gezien: de hagel  bevatte water en vuur, dat correleert met de G’ddelijke eigenschappen van barmhartigheid en streng oordeel.

 

En tot slot, de Naam Havayah gaat tijd te boven, terwijl de Naam Elokiem G’D’s aanwezigheid vastlegt in de natuur, inclusief tijd.  Voor zover deze plaag, net als alle plagen, de Naam Havayah manifesteerde,  geeft  het aan dat het de eenwording van de twee Namen Havayah en Elokiem belichaamd vanwege het feit dat het vooruit werd getimed.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT SHEMÓT

Namen            Exodus. 1:1 – 6:1

 

Exodus: Geboorte van de Ziel

 

 Egypte wordt vergeleken met een baarmoeder waaruit de collectieve Joodse Ziel voortkomt op de weg naar volwassenheid.

 

Deze parasha begint met de woorden: “En dit zijn de namen van de zonen van Israël komend naar Egypte, met Jacob waren ze gekomen, ieder met zijn huisgezin.” (Exodus. 1:1)

Voor zover er zeventig facetten zijn aan de Thora en één daarvan ‘aanduiding’ is [in het Hebreeuws “remez” genoemd], zullen we dit vers op deze manier uitleggen. De afdaling van de Israëlieten in Egypte duidt op het embryo nog in de baarmoeder van de moeder, in een bepaalde netelige omstandigheid, een tussen fase.

 

Het Hebreeuwse woord voor “Egypte”, “Mitzrajiem” betekent letterlijk, “netelige omstandigheden” of “beperking”, “omheining”. Het is daarom een allegorie voor de beperking van de ziel als het zijn inheemse milieu in de Hemel verlaat en afdaalt in de beperkingen van het fysieke en genoodzaakt en verplicht is om de realiteit te ervaren binnen de parameters van tijd en ruimte.     

 

 De frase “in een netelige tussen fase” is geparafraseerd naar Klaagliederen. 1:3.

 

 Met deze associatie kunnen we de frase “En dit zijn de namen van de zonen van Israël” interpreteren als verwijzing naar de vermogens van de ziel, want juist zoals het lichaam 248 beendelen spier/pezen en 365 zenuwen bezit, zo ook bevat de ziel deze aantallen als de vermogens van de ziel “die kwam naar Egypte”.

 

Als we “Israël” als referentie aan de ziel zelf nemen, zijn de “zonen van Israël” de extensies van de ziel namelijk deintellectuele en emotieve vermogens. De ziel, of althans dat deel dat wordt bekleed in het lichaam, wordt ontvangen als zijnde perfect “op maat gemaakt” voor het lichaam.

 

 “……met Jacob” refereert aan het feit dat ze het kind binnengaan wanneer het kind nog in de baarmoeder is, “met Jacob”, die de Yetzer Tov is {de goede inclinatie].

 

 Er wordt elders verklaard (Sanhedrin. 91b) dat het kind alleen met de Kwade Inclinatie wordt geboren en dat de Goede Inclinatie aanvankelijk alleen bij het begin van besnijdenis (of geboorte, in geval van een meisje) binnengaat en volledig bij de bar-(of bat) mitzwa. Maar zoals Rabbi Eliezer Nannes (zaliger gedachtenis) stelt, de G’ddelijke ziel, samen met de Goede Inclinatie is inderdaad aanwezig bij geboorte, maar wordt pas geleidelijk aan gemanifesteerd als het kind wordt opgevoed in de wegen van Thora, culminerend bij de bar/bat mitzwa.

 

 Het vers continueert “…komend, in plaats van “die kwam” [in de verleden tijd], omdat G’D “de geest van de mens in hem vormt” (Zacharia.12:2), zoals wordt verklaard in de Zohar II:94b, wat betekent dat hoe meer een persoon spiritueel volwassen wordt, des te meer zijn ziel binnenkomt en zich in hem manifesteert.

 

SHABBAT SHALOM