PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden    Exodus.27:20 – 30:10

Puur Goud op Zijn Voorhoofd

Wanneer Joden met choetzpah kijken naar de voorhoofdsplaat van de Hoge Priester, breken hun harten en onderzoeken zij hun daden.

Zohar Vayakhel 218

“En je zult een Tzitz [voorhoofdsplaquette] maken van puur goud en daarin graveren, (zoals men zegels graveert): ‘Gewijd aan G’D’ “. (Exodus. 28:36)

Kom en Zie, er wordt gezegd dat al degenen zonder schaamte, geen aandeel hebben in de Komende Wereld. Als de schaamtelozen in Israël, kijken naar de plaat, breken hun harten en zullen zij hun daden onderzoeken. Aangezien de plaat verzoening voor onbeschaamdheid bracht, omdat het is gebaseerd op een letter en ieder die er naar keek schaamde zich voor wat hij had gedaan.

 De letters van de mysterieuze Heilige Naam, die waren ingegraveerd op de plaat, schenen met schitterend licht. Ieder die keek naar de uitstraling van de letters, overviel een panische angst en een brekend hart. 

 De Tzitz werkt meer op de werking van schamen dan het teweeg brengen van een schuldgevoel. Het bewerkstelligt een publieke weerspiegeling van iemands handelen waardoor men zich schaamde voor wat zij deden. We zouden meer gevoel van schaamte moeten ontwikkelen. Want het schuldig voelen maakt ons terughoudend maar schaamte houdt ons gericht op de toekomst en dichter tot de Meester, in de woorden van de Zohar.

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing         Exodus. 25:1 – 27:19

Eenheid Door Thora

De Tafelen van het Verbond illustreren Onze Connectie Met Het G’ddelijke

 Likoeté Sichot, vol. 6, p. 156.

Het hoogste niveau van bewustzijn van het G’ddelijke, is de totale eenheid met G’D en wordt belichaamd in de innerlijke kamer van de Tabernakel/Tempel en de Ark van het Verbond, zoals wordt besproken in Thoralezing van deze week.

De Ark behuisde de Tafelen van het Verbond, waarop de Tien Geboden waren ingegraveerd, die de gehele Thora omvatten. Een Thora rol werd toegevoegd, liggend op een plank, die uitstak over de gehele zijde van Ark. Dit leert ons dat iemand deze hoogte van intense eenheid met G’D alleen kan bereiken door Thorastudie. Meer specifiek uitgedrukt, het is de studie van de innerlijke dimensie van de Thora: Kabbala en Chassidoet, die iemand in staat stelt om dit niveau van bewustzijn te bereiken.

Het aspect van eenheid van de Thora wordt aangeduid door de twee Ingegraveerde Tafelen. Wanneer woorden worden geschreven op iets, bijvoorbeeld perkament, zijn de inkt en het perkament toch twee gescheiden entiteiten; de inkt kan worden afgeschrapt. In een gravering daarentegen, is een intense intrinsieke eenheid: het woord en het medium zijn een en dezelfde.

 Om deze reden wordt de innerlijke dimensie van de Thora “de Boom van het Leven” genoemd (“leven” betekent onderdompelen in het bewustzijn van G’D); (zie intro. Biuré HaZohar), terwijl de algemeen toegankelijke kant van de Thora, als het wordt bestudeerd puur voor egocentrische belangen, een elixer kan worden voor dood, (Yoma 72b) “dood” betekent onderdompeling in het bewustzijn van het eigen ik.

Dit is verder aangeduid door het feit dat de Tafelen konden worden gelezen aan beiden zijden; zij hadden geen “achterkant”. (zie Tanya, Koentres Acharon 161a) In de beeldspraak van Kabbala, beduidt de achterkant van een entiteit, het open staan voor aanval of een blootgesteld worden aan afbrokkeling, val of ondergang.

Eenmaal geëngageerd in studie van de innerlijke dimensie van Thora, kan de rest van de Thora ook worden doordrongen van eenwording met G’D. Dit wordt eveneens aangeduid door de aanwezigheid van de Thora Rol (die het toegankelijke aspect van de Thora aangeeft) in de binnenste kamer, het Heilige der Heilige, Kodéch Kodéshiem.

De Ark bevatte zowel de eerste als het tweede paar Tafelen. De eerste tafelen representeren de Jood in zijn pure oorspronkelijke staat aan de Sinai, voor het begaan van de zonde van het Gouden Kalf.

Het tweede paar Tafelen, die gegeven werden op Jom Kippoer nadat de Joden werden vergeven voor hun zonde, representeert de afgedwaalde Jood die terugkeert naar de Ark van de Thora. Er is ook een derde Jood, die de zuiverheid van de eerste Tafelen mist, die niet voldoende is teruggekeerd op de weg van de Thora om de tweede tabletten te verdienen. Hij wordt vertegenwoordigd in de Ark, in de gebroken delen van de eerste tafelen. Zelfs wanneer we worden gebroken en versplinterd zijn we waardig voor een plaats in de Ark.

SHABBAT SHALOM                 

PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsvoorschriften         Exodus. 21:1 – 24:18

 Een Uitvloeisel en Een Continuering Van de Openbaring Op De Sinaï

Dat aanvangt met het vers: ”En dit zijn de rechtsvoorschriften,” ( ex 21:1)

Door te zeggen: “Dit complementeert het voorafgaande,” geven onze Geleerden impliciet aan dat de mishpatiem( rechtsvoorschriften) waren gegeven op de Berg Sinai als een vervolg en een uitvloeisel van de Tien Geboden. De Tien Geboden representeren een verbinding van mitzwot van beide uitersten van het spirituele spectrum. De eerste mitzwot drukken de diepste concepten van G’ddelijke eenheid uit, terwijl de laatstgenoemde zoals “ Moord niet” en “Steel niet”, (Exodus. 20:13) de basis zijn voor ( rechterlijke) uitspraken die zelfs kunnen worden begrepen door onontwikkelde stervelingen. Deze verbinding beklemtoont dat door de juiste inachtneming van “Moord niet” en “Steel niet”, het bewustzijn ontstaat dat zij ook G’D’s opdrachten zijn, met andere woorden, deze opdrachten hebben een G’ddelijke status immers zij werden gedicteerd door de Zelfde die verklaarde “Ik ben G’D, jullie G’D.” (Exodus. 20:2). Als zodanig moeten zij niet in acht worden genomen omdat zij zinvol zijn, maar ook omdat zij waren gegeven door G’D.  

 Dit wordt benadrukt door de eerste interpretatie van lifnéhem,(voor hen: ex 21:1) dat vertrouwen verbiedt in niet joodse rechtbanken, zelfs wanneer hun beslissingen overeenstemmen met een uitspraak van een gerechtshof gebaseerd op Thora.  Want hun beslissingen zijn niet geassocieerd met de openbaring van “Ik ben G’D, jullie G’D.” De uitspraken van niet joodse rechtbanken zijn niet gebaseerd op Thora, met andere woorden, op het G’ddelijk Recht. Om die reden is het aan ons verboden om ze elders na te streven, want elk facet en dimensie van het leven van een jood moet worden geleid door Thora.

Bovenstaande relateert aan de Alter Rebbe’s interpretatie van lifnéhem ( voor hen) als een verwijzing naar de innerlijke dimensie van de ziel. Dit houdt in: de intentie van studie en het in praktijk brengen van mishpatiem moet gemotiveerd worden niet alleen door het intellect van een sterfelijke, maar eerder door de innerlijke diepte van de ziel, dat is door studie en het in praktijk brengen van choekiem.

 De mitzwot ( voorschriften of geboden) van de Thora zijn verdeeld in drie categorieën: choekiem,édoet en mishpatiem. Deze drie categorieën reflecteren de verschillende maten van een afzonderlijke mitzwa ( gebod) en kan worden doorgrond door onze rede en logica. 

 Van de miztwot beschreven als choekiem kan de grondgedachte niet worden begrepen door de rede. Ze worden in acht genomen omdat G’D het wil. Ze zijn, zoals de Midrash Bamidbar Rabbah, Choekat, 19:8. aangeeft, “statuten die IK heb bepaald, decreten die Ik heb uitgevaardigd”, om nageleefd te worden ondanks het feit dat iemand ze niet begrijpt.

 Édoet daarentegen zijn mitzwot  die rationeel kan worden opgevat. Had de Thora deze “voor hen” niet opgelegd, dan zouden we deze voorschriften niet kunnen voorstellen op basis van ons eigen logica. Vanwege de gegeven opdrachten van Thora, kunnen we ze rationeel begrijpen.

 Mishpatiem representeren de categorie van mitzwot die zelfs door gezond verstand of redeneren kunnen worden bedacht en geaccepteerd maar ze moeten wel worden uitgevoerd.  Zo zeggen onze geleerden in Eruvin 100b, “ de Hemel verhoede, als de Thora niet was gegeven, zouden we bescheidenheid hebben kunnen leren van een kat en het verbod om te stelen van een mier.” Zonder de Thorageboden, zou ons eigen verstand dit type van mitzwa accepteren.    

 Dus rijst de vraag: Waarom is ten aanzien van mishpatiem met al zijn interpretaties dat de Thora het concept van lifnéhem ( voor hen) vermeld? Waarom zijn deze lessen nauwer geassocieerd met mishpatiem dan met édoet en choekiem?

 Een verklaring kan worden gegeven op basis van de eerste interpretatie van lifnéhem

 Want alleen ten aanzien van mishpatiem is het mogelijk voor niet joodse rechters om uitspraak te doen op dezelfde manier als Joden. Ten aanzien van édoet, en zeker ten aanzien van choekiem, is er noodzaak om van tevoren te waarschuwen niet joodse rechters te benaderen, want het is voorde hand liggend dat deze mensen geen begrip hebben voor de aspecten van G’ddelijke openbaring. Hun uitspraken hebben geen connectie met de onderwerpen die boven het menselijke intellect uitreiken. Maar aangezien mishpatiem zaken betreffen die vallen binnen het bereik van het menselijk verstand, is het mogelijk dat niet joden zullen bepalen op de wijze van de Thora voorschriften. Daarom is het nodig te zeggen dat een Jood al zijn meningsverschillen aan een Joodse gerecht moet voorleggen.

 SHABBAT SHALOM   

PARASHAT JITRO

Jitro      Exodus. 18:1 – 20:23

Wij zijn allen bekeerlingen

 Het is gepast dat de parasha, waarin het “Geven van De Thora” op de Berg Sinai  wordt verhaald, is genoemd naar Jitro, de schoonvader van Mozes, een bekeerling.  Al diegenen die getuigen waren van het “Geven van de Thora” waren “bekeerlingen”. Dus, zoals aangetekend in het commentaar op Parashat Shemot, het Verbond op de Sinai werd ondersteund door drie elementen van bekering: de Besnijdenis (Rashi op Exodus.12:6),de rituele onderdompeling in het water van het Mikwe (Exodus. 19:10) en de brandoffers (Exodus. 24:5). Want voor G’D zijn we allen bekeerlingen, Geriem, “bewoners” van een land en van een wereld die niet de onze is, maar van G’D. We zijn allen hier alleen bij de gratie van G’D, volkomen afhankelijk van Zijn Goedheid en Betrokkenheid.

Dus niemand kan rechtmatig beweren dat de Thora hem toebehoort hetzij voorvaderlijk of vanwege andere waarden. Er is geen ruimte voor trots, arrogantie of exploitatie van de Thora voor werelds belang en profijt. De Thora is niet het eigendom van een exclusieve kaste. De Thora “behoort” alleen aan degenen die haar naleeft. De Thora was gegeven in de Wildernis, in niemandsland, op de laagste berg, de Sinai, het eeuwige symbool van nederigheid. Want alleen in nederigheid kunnen we de Thora “ontvangen” en accepteren, die alleen G’D toebehoort. De Thora ontvangen betekent dat de mensheid heeft te accepteren hoe de Thora is zoals zij is, de wijze zoals zij tot ons is gekomen, zonder te proberen haar te “wijzigen” volgens onze eigen ideeën en wensen. 

En als we bereid zijn de Thora te accepteren en te volgen zoals ze werkelijk is, volgens de verwezenlijking van Na’aseh Ve’nishmah, “we zullen het (eerst) doen en (dan) horen (en het begrijpen)” (Exodus.24:7), dan kunnen we gaan begrijpen hoe de Thora ons verheft boven onze slavernij van het aards gebonden zijn, met zijn vele bedrieglijke goden. Dan kunnen we de stem van verlossing horen die ons elke dag roept: “Ik ben Ha Shem, je G’D, die je uit het Land Egypte heeft gevoerd, uit het slavenhuis.” (Exodus. 20:2)

 Slavernij ten opzichte van de afgoden van de aardse wereld is schandelijk. Maar de Thora verleent de grootste mogelijke eer aan diegene die de moed hebben om deze onderworpenheid te verlaten en achter zich te laten en “uit te gaan in de wildernis” op zoek naar G’D, zoals Jitro. Volgens de overgeleverde traditie, had Jitro elke mogelijke manier van opvatting en leven in deze wereld onderzocht, elke wereldse zienswijze en “lifestyle”. Alleen toen Jitro kwam tot Ha Shem en Zijn Thora besefte hij dat hij waarheid had gevonden. “Nu weet ik dat HaShem Groot en boven alle goden is” (Exodus. 18:11). De Zohar becommentarieert: “Toen Jitro kwam en zei “Nu dat ik weet dat HaShem groot is” werd de Verheven Naam geloofd en verheven” (Zohar JItro.69). Met andere woorden, de openbaring van G’D’s Licht en macht is het grootst wanneer het juist komt uit duisternis en verborgenheid. Alleen wanneer we kwaad hebben gezien en zijn kracht beseffen kunnen we de grootheid van G’D’s  verlossende Hand begrijpen. Alleen iemand die een ware slaaf was begrijpt wat het betekent om te worden bevrijd. Dit is “de superioriteit van het licht dat komt uit de duisternis”. (Prediker. 2:13)

 Dus Jitro de bekeerling was de eer verleend de Parasha van het “Geven van de Thora”, (genoemd naar hem) te beschrijven en een bijdrage te leveren aan het hiërarchische systeem van “ hoofden van duizenden, hoofden van honderden, hoofden van vijftigen en hoofden van tientallen” waardoor de Kinderen van Israël werden bestuurd.

Jitro’s naam bevat eveneens een verwijzing naar de naam van een ander bescheiden bekeerling die grote eer werd verleend: Roet de Moabitische, die de over, overgrootmoeder was van Koning David, Melech HaMashiach.

SHABBAT SHALOM         

     

 

PARASHAT BESHALACH

En hij had laten gaan

Exodus.13:17 – 17:16

 72 ‘NAMEN’ VAN G’D

 Drie verzen van 72 letters elk, verwijzen opeenvolgend naar de G’ddelijke eigenschappen van Chesed, Gevoera en Tiferet.

 De drie achtereenvolgende verzen van Exodus 14:19-21 bevatten elk 72 letters, een ongetwijfeld raar fenomeen. De letters van deze drie verzen kunnen gerangschikt worden als 72 reeksen van 3 letters ( triplets). Maar Kabbala leert dat als we de orde van de letters in de middelste zetting omkeren, de 72 triplets 72  “Namen” van G’D worden. In het onderstaande schema worden deze namen weergegeven.

In de vertelling van de Uittocht van Egypte, beschrijven deze drie opeenvolgende verzen G’D’s zichtbare macht vlak voordat Hij de Riet zee (Rode zee) spleet, waardoor het Joodse Volk op droge grond door de zee kon lopen.

En de engel van G’D, die het kamp van Israël voor was gegaan, trok nu weg van daar en ging achter hen aan en de wolkzuil vertrok van voorop van hen en stond nu achter hen. Dus de wolkzuil kwam tussen het kamp van Egypte en het kamp van Israël, maakte daar bewolking en duisternis [bij de Egyptenaren, maar gaf licht in de nacht [bij de Israëlieten], zodat de één niet bij de andere kon komen, heel de nacht. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en G’D dreef de zee terug met een sterke aanhoudende oostenwind de hele nacht, waardoor Hij in de zee een droge land strook liet ontstaan, dus het water was gescheiden.” (Exodus. 14:19-21 )

Een naam is een middel of een duiding waarmee iemand bekend wordt aan anderen.

In het Hebreeuws bevatten deze drie verzen elk 72 letters. In de Zohar  II:51b wordt aangegeven dat deze drie verzen opeenvolgend refereren aan de G’ddelijke eigenschappen van Chessed, Gevoera en Tiferet. De harmonieuze vermenging van deze drie emotieve grondeigenschappen vormen de basis van het referentie kader van hoe G’D relateert aan de wereld. Zij vormen samen een compositie van G’D’s Naam, aangezien een naam een middel is of een duiding waarmee iemand bekend wordt aan anderen, met andere woorden, het manifesteert zijn eigenschappen.

Het feit dat elk vers 72 letters bevat betekent dat zij op één lijn liggen, en 72 triplets van letters vormen. In deze configuratie stelt de Zohar, dat het eerste vers wordt geschreven in de juiste volgorde, aangezien het G’D’s liefdevolle barmhartigheid representeert, of een directe openbaring van G’D’s goedheid. Het tweede vers wordt geschreven in omgekeerde volgorde, van de laatste letter naar de eerste, aangezien het G’D’s strengheid representeert, wat een indirecte openbaring is van Zijn goedheid.

Hoewel Tiferet een mengeling is van Chessed en Gevoera, is het derde vers niet geschreven in half juist en half in omgekeerde orde, zoals men zou verwachten. Dit heeft twee redenen: (1) in Tiferet domineert Chessed over Gevoera, en (2) als een ideale mengeling van Chessed en Gevoera, is Tiferet een directe openbaring van G’D’s goedheid en glorie, in plaats van een indirecte.

 SHABBAT SHALOM    

PARASHAT BO

Kom                    Exodus. 10:1 – 13:16

 Kabbala en de Kalender

Rabbi Jitzchak Luria

In deze Thoralezing van de week sprak G’D tot Mozes:

 “Deze maanvernieuwing geeft voor jullie de aanvang van de maanden van het jaar aan. De eerste van de maanden van het jaar zal zij voor jullie zijn” (Exodus. 12:2)

 Aangezien deze mededeling twee weken voor de Uittocht gebeurde (Ibid. 12:6), stelt dit vers dat de maand van de Uittocht, Nissan, moet worden geteld als de eerste van de twaalf maanden. Dus dit vers vestigt de basis van de Joodse Kalender:

“[G’D] liet [Mozes] de nieuwe maan zien en zei, Wanneer je de maanvernieuwing ziet, zoals nu, beschouw die dag als de eerste van de maand.∫” (Rashi op Exodus. 12:2)

Voorts, moet Nissan altijd vallen in het voorjaar. (Rashi op Deuteronomium. 16:1)

Aangezien de Joodse kalender is gebaseerd op maanmaanden,(daarom heeft elke maand een aantal van 30 dagen) is het noodzakelijk een schrikkelmaand in te voeren wanneer het maandjaar geen gelijke tred houdt met het zonnejaar[1].

Weet dat alle maanden manifestaties zijn van Malchoet, met andere woorden, Noekva van Zeir Anpin. Er zijn twee aspecten ten aanzien van deze relatie: de eerste is de wijze waarop Malchoet innerlijk relateert aan de maanden en de tweede is de wijze uit hoofde van de relatie met de mannelijke Partzoef, Zeir Anpin.

De Joodse Kalender is, zoals we al zeiden, een maankalender en de maan is één van de fysieke manifestaties van het vrouwelijke principe, Noekva van Zeir Anpin. De maan reflecteert het licht van de zon, net zoals Noekva haar inspiraties ontvangt van Zeir Anpin. Doorgaans wordt Zeir Anpin geassocieerd met de drie dimensies van ruimte [de zes Sefirot waaruit het is opgebouwd, correspondeert met het begrip van de zes richtingen] en Noekva wordt geassocieerd met het begrip tijd.

De verhouding tussen Malchoet en de maanden vangt aan met de maand van Nissan. Weet nu, dat alle maanden “Rosh Chodesh” worden genoemd “hoofd maanden”, omdat ze allen op een bepaalde wijze een begin zijn.

SHABBAT SHALOM        

[1] In het Jodendom hanteert men de maankalender. Een ‘synodische’ maand duurt ca. 29,5 dagen waarbij de ene maand 29 en de andere maand weer 30 dagen duurt. Omdat er 12 joodse maanden zijn komt men hierdoor uit op 354 dagen oftewel men loopt 11 dagen achter op de zonnekalender met 365 dagen.

Dit lost men op door een schrikkelmaand in te voegen. De naam van de schrikkelmaand is tweede adar of kortweg adar 2.  Deze indeling begint zodoende in het voorjaar:

  1. nisan      valt in maart/april
  2. ijar-           valt in april/ mei
  3. siwan      valt in mei/ juni
  4. tammoez  valt in juni /juli
  5. Av             valt in juli/ aug.
  6. eloel         valt in aug/ sept.
  7. tisjri         valt in sept/okt.
  8. chesjwan  valt in okt/nov.
  9. kislev     valt in nov./dec
  10. tewet       valt in dec/jan
  11. sjevat       valt in jan/feb
  12. adar          valt in feb/mrt
  13. 13   adar 2       valt in mrt/ april in schrikkeljaren

PARASHAT WA’ERÁ

Ik ben verschenen      Exodus. 6:2 – 9:35

Exodus: Weten Is Verlaten

Ware Verlossing Is Een Uittocht Van Een Beperkt Bewustzijn.

Rabbi Shimon bar Jochai

Deze vertaling is van “Raya MeHemna”, in één van de sub teksten van de Zohar p. 25a, waar Rebbe Shimon de innerlijke betekenis leert van de mitzwot zoals aan hem is geopenbaard. De oprechte meditatieve intentie van iemand bij het uitvoeren van een mitzwa, heeft een enorme esoterische waarde. Het doel van het leren van deze onthullingen is om de heilige Shechina te ondersteunen en te verfraaien in haar verbanning. Dit brengt de eindverlossing dichterbij en de uiteindelijke openbaring dat G’D één is. De analyse is van één van de 13 interpretatieregels van de Thora: “Uit de algemene hoofdregel ontstaat een afzonderlijke bijzondere regel”       

 “Ik zal jullie als volk voor Mij nemen en Ik zal G’D voor jullie zijn, en jullie zullen weten dat Ik het ben, de Eeuwige, jullie G’D, die jullie uit de onderdrukking van Egypte wegvoert.” (Exodus. 6:7)

 Deze opdracht, weten dat Ik het ben, de Eeuwige, jullie G’D, is de eerste van alle opdrachten.

 De kennis van G’D in dit vers bestaat uit twee categorieën. De eerste betreft het algemene begrip dat er maar één G’ddelijke macht is die de wereld leidt. De tweede betreft de bewustwording, het besef en begrip, dat deze Supervisie en Invloed zich manifesteert tot in de kleinste afzonderlijke eenheden van deze wereld.

 Het begin van elke mitzwa is kennen van G’D in Zijn algemeenheid. Wat is deze algemeenheid? Het is het weten dat er een heersende macht is boven, die de Meester van de wereld is. Hij creëerde alle werelden, Arziloet, Beriya, Yetzira en Asiya, de hemelen en de aarde en al hun krachten. Deze kennis van Hem omvat in het algemeen zes aspecten:

 

  • Het erkennen, aannemen van deze realiteit.
  • Een heersende macht die alle krachten van het universum leidt.
  • Boven al het logisch denken uitstijgt.
  • Meester van alle werelden, Die hen niet overlaat aan secondaire controlerende krachten maar werkt in alle werelden.
  • Schepper van alle werelden, ex nihilo: vanuit het niets tot iets.
  • Het aannemen dat deze krachten in de Schepping werken en niet op een of andere manier zichzelf ondersteunen of op zichzelf staan en existeren.

 Deze zes punten vormen de aanvang van een waar begrip van G’D in het algemeen.

 Het doel van al deze kennis en begrip ligt in het bijzondere, Hem leren kennen in intieme afzonderlijke details.

 Dit is de inhoudelijke innerlijke essentie van het G’ddelijke Aanwezige in elke specifieke Sefirot door middel van Zijn delegeren van Zijn macht in de werelden en de verborgenheden van de Schepping.

Het algemene en het specifieke in het bijzonder zijn het begin [Atziloet] en het eind [Asiya], het geheim van het mannelijke en het vrouwelijke [positieve en negatieve] in de rol van een eenheid. Zo zien we dat een persoon in deze wereld begaan is met het algemene en het bijzondere [om te komen tot het besef van G’D]. In deze wereld bestaat een persoon uit het algemene en bijzondere [Algemeen existeert hij\ zij als een fysiek lichaam]. Hij heeft de mens gemaakt uit de grond der aarde en blies adem in onze neusvleugels als de ziel van leven.

Het Hebreeuwse woord voor “mens” is “adam”; het woord voor “aarde” is “adama”; het woord voor “adem” is “neshima”; het woord voor “ziel” is “neshama”. De handeling van ademen geeft leven aan het lichaam, dat de ziel in zich draagt, afkomstig uit de oorspronkelijke adem van G’D in de eerste mens. In het Hebreeuws hebben de woorden voor “mens” en “ziel” duidelijk betrekking op deze begrippen. Dit is een van de redenen waarom het Hebreeuws de Heilige Tong of Heilige Spraak wordt genoemd, omdat de letters en woorden G’ddelijke verborgen kennis weergeven.

Dit is de reden voor het begin van alles: het weten dat er een supervisor en rechter is in deze wereld en dat Hij de meester van alle werelden is.

Toen het Volk van Israël Egypte verliet kenden zij G’D niet.

 De diepste ballingschap is het niet weten van de existentie van G’D, in het algemeen of in het bijzonder. Egypte was de essentie van alle ballingschappen en dit gebrek aan kennis van G’D was het donkerste aspect van de verbanning. Daarom herinneren we ons constant aan het verlaten van Egypte, omdat dat de essentie is van de worsteling in ons eigen leven, de duisternis te verlaten en G’D te kennen.

 Toen Mozes kwam om hen, het Joodse Volk, te verlossen, was dit het eerste gebod dat hij hen leerde zoals staat geschreven: “En jullie zullen weten dat Ik het ben, de Eeuwige, jullie G’D, die jullie uit de onderdrukking van Egypte wegvoert [in de tegenwoordige tijd!].” (Exodus. 6:7)

 Het woord voor Egypte in het Hebreeuws “Mitzrajiem” is verwant aan het woord “maytzariem”, dat betekent “beperking of begrenzing”. Het eerste gebod in het verlaten van beperkingen en begrenzingen is het erkennen en inzien van het G’ddelijke.

Zonder dit gebod, zou Israël niet hebben geloofd in al de wonderen en machtige daden die voor hen werden gedaan in Egypte. Vanwege het begrijpen in het algemeen, werden tekenen en wonderen gedaan voor hen in het bijzonder.

 Vanuit  bovenstaande uitleg kan een persoon concluderen dat hij moet begrijpen en vertrouwen op Hem die ingrijpt in de geschiedenis en de geschiedenis beheerst, om de wonderen in relatie tot verlossing van ballingschap, te verkrijgen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMOT

Namen                  Exodus.1:1 – 6:1

De Geboorte Van De Ziel

Rabbi Jitzchak Luria

Sefer Halikoetiem

Egypte staat symbool voor de baarmoeder die de collectieve Joodse Ziel voortbrengt op het pad naar volwassen groei.

Deze parasha  begint met de woorden:

En dit zijn de namen van de zonen van Israël komend naar Egypte, met Jacob, iedere man kwam en zijn huisgezin. (Exodus. 1:1)

 Aangezien er zeventig facetten zijn ten aanzien van de Thora, een van deze woordelijke aanwijzingen heet in het Hebreeuws “remez”, zullen we dit vers op die wijze uiteenzetten. De afdaling van de Israëlieten naar Egypte verwijst naar de embryonale staat van de ziel in bepaalde omstandigheden in de moederschoot.    

Net zoals een lichaam vele botten en spieren en zenuwen heeft zo zijn overeenkomstig het aantal,de vermogens van de ziel verdeeld.

Het Hebreeuwse woord voor “Egypte”, “Mitzrayim”, betekent letterlijk “moeilijke omstandigheden” of “ begrenzing”, of “omheining”. Het is daarom een allegorie voor de beperking van de ziel als het zijn natuurlijke hemelse milieu verlaat en neerdaalt in de beperkingen van het fysieke, waar het een gedwongen realiteit ervaart binnen de parameter van tijd en ruimte.

 Met deze informatie kunnen wij de zin “En dit zijn de namen van de zonen van Israël” interpreteren als verwijzing naar de vermogens van de ziel, want juist zoals het lichaam botten en spieren en zenuwen heeft, heeft de ziel deze wezenlijke vermogens in de vorm van “komend naar Egypte”.

 Als we “Israël ” nemen om te refereren aan de ziel zelf, zijn de “zonen van Israël” de verlengingen van de ziel, haar intellectuele en emotionele vermogens. De ziel, of althans dat deel ervan dat wordt gekleed in het lichaam, wordt ontvangen als zijnde perfect aangepast aan het lichaam.

“……met Jacob verwijst naar het feit dat zij het kind binnengaan [intellectuele en emotionele vermogens], wanneer het kind zich nog in de baarmoeder bevindt, “met Jacob”, die de Yetzer Tov, de goede inclinatie.

Ergens anders wordt verklaard (Sanhedrin 91b) dat het kind wordt geboren alleen met de Kwade Inclinatie en de Goede Inclinatie wordt toegevoegd bij de aanvang van de besnijding (of bij geboorte, in het geval van een meisje) en komt volledig tot ontplooiing komt bij bar (of bat) mizwah.

Het vers gaat verder “…..”komend”, in plaats van “die kwam”, [in de verleden tijd], omdat G’D “de ziel vormt in de mens” (Zachariah 12:2), zoals is uitgelegd in de Zohar (II:94b), dat betekent dat indien iemand meer en meer spiritueel volwassen wordt, des te meer zijn ziel zichtbaar wordt in hem.

De zielsvermogens doen hun intrede beetje bij beetje. Dit is de betekenis van het vers, “Hij vormt de menselijke ziel in hem”, implicerend dat hoe meer het embryo ontwikkelt en groeit, des te meer de ziel binnen kan komen. Ons vers zegt daarom “komend naar Egypte” [in de tegenwoordige tijd, daarmee geeft het aan het proces van voortdurend binnen gaan, want de zielsvermogens doen hun intrede beetje bij beetje. Daarna bij de geboorte, wanneer [het embryo] een persoon is geworden, met andere woorden, een volledig ontwikkeld lichaam, kan de Thora refereren aan “iedere man en zijn huis”, verwijzend naar het lichaam dat een “huis” is geworden voor de ziel.

Het volgende woord, “kwam” geeft aan dat bij geboorte alle zielsvermogens geheel in het lichaam zijn binnengetreden.

SHABBAT SHALOM      

 

 

 

 

 

 

PARASHAT WAJECHÍ

En hij leefde     Genesis 47:28 – 50:26

Jacob representeert het gehele Joodse Volk, dat op zichzelf vele inhoudelijke aspecten heeft.

Rabbi Jitzchak Luria

Sefer HaLikoetiem

En Jacob leefde zeventien jaar in het Land Egypte.” (Genesis. 47:28)

Zoals we weten was Jacob ook bekend onder de naam, “Israël”.  Deze naam, werd de uiteindelijke naam voor het gezamenlijk bestaan van het Joodse Volk. De uitspraak: “de Kinderen van Israël” was aanvankelijk van toepassing op de directe zonen van Jacob, maar geleidelijk aan werd hiermee aangeduid “de Israëlieten”, als de hele natie en later werd de term “Israël”, zonder de “Kinderen van” gebruikelijk.

Aan Jacob wordt gerefereerd als “de gekozene van de Voorvaders”, want zijn wijze van het dienen van G’D was in bepaalde opzichten superieur aan die van Abraham en Isaac. Zo heilig als Abraham en Isaac waren in hun relatie tot G’D en ook in het dienen van G’D, bevatte elk van hen een element van onevenwichtigheid die uiteindelijk naar voren kwam als een imperfectie. Ongebreidelde liefde kan overgaan in liefde van verkeerde dingen; ongebreidelde vrees kan overgaan in vrees van de verkeerde dingen. Dit wordt aangegeven door het feit dat ofschoon Abraham Isaac voortbracht, hij ook Ishmael voortbracht en dat hoewel Isaac Jacob voortbracht, hij ook Esau voortbracht. Alleen Jacobs zonen waren allen rechtvaardig; want barmhartigheid tempert liefde en vrees en is relatief immuun voor ongepaste toewijding.

In de volgende passage analyseert de Arizal de namen van Jacob/Israël en laat hij zien hoe deze namen het geperfectioneerde G’ddelijk bewustzijn reflecteren. “Ja’akov” wordt gewoonlijk geschreven met joed, ayin, koef, bet. In zeldzame gevallen wordt een vav toegevoegd tussen de laatste twee letters om de klinker “o” aan te geven.

Te weten dat er drie aspecten zijn in relatie tot de naam van Jacob. De eerste wordt aangeduid door de naam “Ja’akov” in het Hebreeuws geschreven, zoals gebruikelijk is, zonder een vav. De tweede wordt aangeduid door de naam “ja’akov geschreven met een vav, zoals in het vers, “ En Ik zal Mijn verbond met Ja’akov herinneren” (Leviticus. 26:42). De derde wordt aangeduid door Jacobs andere naam “Israël” in het Hebreeuws, “Yisrael”.

Deze drie namen verwijzen naar de drie aspecten van de ziel, Nefesh, Roeach, en Neshama.  De Neshama wordt aangegeven door de naam Yisrael .

De Nefesh is de essentiële, leven gevende ziel, de levenskracht van het lichaam. De Roeach is het emotionele aspect van de ziel en de Neshama is het intellectuele aspect van ziel.

De Nefesh wordt aangegeven door de naam “Ja’akov”, geschreven zonder de vav. De Roeach wordt aangegeven door de naam “Ja’akov”, geschreven met de vav. De Neshama wordt aangegeven door de naam “Yisrael”.    

Zoals we al weten, worden deze drie beschouwd als één geheel.

We ervaren de werking van deze drie entiteiten normaal niet in ons bewustzijn omdat deze verdeling de wijze is waarop de ziel zichzelf in ons ontwikkelt en manifesteert.

De voorvaders worden evenzo beschouwd als één, zoals aangeven door de verklaring van onze geleerden in Bereshiet Rabba 63:3, dat Jacob Abraham werd genoemd, etc. 

De Midrash laat zien hoe de Thora verwijst naar de patriarchen en hun namen.

De drie G’ddelijke Namen, Eh-yeh, Havayah en Ado-nai, verwijzen respectievelijk naar de drie Sefirot van Keter, Tiferet en Malchoet.

Wanneer een specifieke Naam aan G’D wordt gerefereerd, betekent dit dat Hij handelt door de overeenkomstige Sefira, waarnaar die Naam verwijst, met andere woorden: de G’ddelijke Eigenschap manifesteert zich in die specifieke Sefira.

Tiferet  wordt geassocieerd met Jacob.

Tiferet is de centrale spil van de Sefirothische Boom en dienende Sefira van de zes midot -die bestaan in de gedaante van Zeir Anpin- en worden gepersonifieerd door Jacob. Het is het hart als de centrale as en spil, die reikt van het ene uiterste van de Sefirothische Boom naar de andere.

De linker en de rechter aslijn van de Sefirotische Boom strekt zich niet helemaal uit van boven naar beneden, alleen de middenas strekt zich van de top Keter, naar de bodem, Malchoet.

Abraham wordt geassocieerd met de rechter aslijn, die is gericht op Chesed en Isaac wordt geassocieerd met de linker aslijn, die is gericht op Gevoera. Dus alleen Jacob personifieert de G’ddelijke Kracht om naar alle niveaus uit te reiken, van het hoogste naar het laagste.

De esoterische betekenis van het vers is dan als volgt:  “En Jacob leefde zeventien jaar in het Land Egypte.” : Alle levenskracht en levensonderhoud van de wereld is afhankelijk van Jacob.

Het woord “Jacob leefde” wordt hier geïnterpreteerd als “en Jacob geeft levenskracht” in de betekenis van het oorzakelijke. 

En hij alleen is voorbestemd om in de wereld te blijven. Daarom is hij “Ja’akov” genoemd, gerelateerd aan het woord “hij zal volgen”, Hebreeuws, “ya’akeiv’.

Het G’ddelijke bewustzijn verpersoonlijkt door Jacob, brengt het G’ddelijk bewustzijn verpersoonlijkt door Abraham en Isaac in evenwicht. Op deze wijze is voorkomen dat de levenskracht wordt overgedragen aan de krachten van kwaad en zo kan Jacobs bewustzijn veilig afdalen naar de laagste niveaus van realiteit en hen succesvol transformeren, samen met de rest van de wereld als zijnde G’D’s huis.  

Vanwege het feit dat de oorsprong van G’ddelijk Bewustzijn zo hoog is, is het mogelijk door dit model om zo laag neer te kunnen dalen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIGASH

En hij naderde (Genesis 44:18 – 47:27)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, P. 206a

In ons commentaar op parashat wajeeshev hebben we uitgelegd dat de interpretatie van Zohar van recente Thora episoden laat zien, hoe G’D een nieuwe communicatieve “verbinding” hersteld met de fysieke wereld door de sefirot, na afstandelijk te zijn geweest, ten gevolge van het eten door Adam en Eva, van de boom der kennis. We hebben gezien hoe Abraham het aspect van de sefira van chesed, Izaak gevoera, Jacob tiferet en Josef jesod neerwaarts brachten. En we zagen ook, dat de verbinding van jasod en malchoed een “andere verhandeling” was. Nu komen we tot dit punt! Onthoud tevens dat de woorden “Kom en Zie” je inviteren om de “De boom van de Sefirot” te visualiseren en kijk hoe de tekst het uitlegt.

Kom en Zie. “Nu trad Juda op hem toe en sprak….” (Genesis. 44:18). Dit is het naderen van een wereld met een andere om zich met elkaar te verenigen, om een geheel te worden, omdat Juda een koning is en omdat Josef een koning is, zij trokken elkaar aan, de een tot de ander, en verenigden zich met de ander.

Juda was koning over de stammen. Hij was de voorvader van Koning David en de uiteindelijke Mashiach. Juda representeert de sefira van Malchoet. Josef was slechts tweede na de Koning van Egypte; hij was de pijplijn door welke alle overvloed werd verkregen en die onder zijn hand zou stromen naar Juda en het volk Israël. Josef vertegenwoordigt de sefira van Jasod. In hem, in zijn wereld, zijn alle sefirot verzameld, zijn rol is om hun abondantie door te geven aan malchoet . Hij is de bouwkundige die de ontmoeting vormt. In waarheid verlangt ieder er naar om met elkaar verenigd te worden. Juda/malchoet is de Nefesh, Josef/jasod is de Roeach en tezamen vormen zij een vehikel voor de Neshama.

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers “Want zie, koningen kwamen tezamen en trokken tezamen op” (Psalm 48:5). Dit zijn Juda en Josef, want beiden zijn koningen. Zij kwamen samen om met elkaar te discussiëren. Dit omdat Juda verantwoordelijk was voor Benjamin en beloofd had aan zijn vader om verantwoordelijk voor hem te zijn, zowel in deze Wereld als in de Toekomstige Wereld. Dit was de reden om Josef te benaderen, om te argumenteren met betrekking tot Benjamin [die Josef wilde houden als slaaf, na ontdekking van Josef’s bokaal in Benjamin’s voedselzak]. Het argument was dat hij niet zou worden verstoten in deze Wereld en in de Toekomstige Wereld [de spirituele wereld]. Dit, zoals wordt geschreven: “Ik sta borg voor hem, uit mijn hand kunt u hem opeisen en mocht ik hem niet bij u terugbrengen en vóór u plaatsen, dan zal ik tegenover u voor altijd als zondaar staan.”(Genesis. 43:9) “Voor Altijd”betekent in deze Wereld en de Toekomstige Wereld. Het is daarom dat het vers ons zegt, “Want zie, koningen kwamen tezamen en trokken tezamen op”. (Psalm 48:5) Ieder was boos op elkaar.

De woorden “zij kwamen tezamen” is de bijbelse vertaling van het Hebreeuwse woord “avroe”. Rabbi Jehoeda merkt op dat “avroe”. de zelfde stam deelt als “evra”, wat “boos worden” betekent. Dit is een hint dat hun samenkomst een achtergrond van wederzijdse kwaadheid inhield.

Zij waren beiden kwaad op elkaar wegens Benjamin. [Dat verklaart] wat [nadien] wordt geschreven [in Psalm. 48:6] “ Zij zagen het en stonden perplex, geheel in de war, ontzettende angst beving hen daar, getroffen door een krampachtige rilling als van een barende. Dit betekent dat iedereen in de greep van angst was, “zoals een barende vrouw”. Omdat zij bang waren dat Benjamin gedood zou worden of zelf te worden gedood. Vanwege de verkoop van Josef op advies van Juda, wat een groot verlies teweeg bracht bij hun vader en nu dat hij [Juda] die verantwoordelijk was voor Benjamin’s thuiskomst, niet een verlies voor hun vader zou worden [door in Egypte te blijven]. Dit alles was de reden waarom Juda, Josef nader trad.

Alhoewel elk zijn eigen weg bewandelde, wilde G’D dat zij samen kwamen. De uitkomst van hun samenkomen viel voor de angstige betrokkenen en omstanders compleet anders uit. Een verdere stap in de verlossing van de mensheid vond plaats, de vereniging van yasod met malchoet.

SHABBAT SHALOM