DEEL 15. HICHOT TESJOEWA (V)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 14 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder studies en Archief.

MISHNÉ THORA: TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

VIII. De bestemming van de mens wordt genoemd het leven van de Toekomende Wereld. Dit is een onlichamelijk bestaan, waarin de zielen van de rechtvaardigen genieten van de kennis van God. Ontzegging van dit leven is de zwaarst denkbare straf. Profeten en Rabbijnen hebben dit leven met verschillende namen en beelden aangeduid, maar de mens kan deze heerlijkheid pas bevatten wanneer die werkelijkheid voor hem wordt.

IX. Voor- en tegenspoed die de mens in dit leven toevallen, worden vaak als beloning of straf gezien, omdat zij de uiteindelijke afrekening beïnvloede. Een goed leven is bevorderlijk voor gehoorzaamheid en studie en die zijn voorwaarde voor een aandeel aan de Toekomende Wereld. Een slecht en ongelukkig leven vervreemdt de mens verder van God en dat draagt bij tot zijn definitieve ondergang. In die zin kan men voor- en tegenspoed loon en straf noemen. De dagen van de Messias zijn een voorproef van het uiteindelijke loon.

X. De Toekomende Wereld mag geen doel op zichzelf zijn. Men moet dienen uit liefde en niet om loon te verwerven. Het doel van de gehoorzaamheid aan de Geboden en van de kennis die de mens kan verwerven van het hogere, is om hem te voeren tot zijn meest verheven bestemming: de belangeloze liefde tot God.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.D, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk VIII

1.Het goede dat voor de rechtvaardigen is weggelegd, is het leven in de Toekomende Wereld, een leven dat de dood niet kent en een goed waaraan ieder kwaad ontbreekt. Dat is wat in de Thora geschreven staat: ‘Opdat het u goed ga en ge uw dagen zult verlengen’ (Deut. 22,7). Op grond van overlevering heeft men hierover geleerd: Opdat het u goed ga in de wereld die geheel en al goed is, en ge uw dagen zult verlengen in de wereld die geen einde kent .41 Dat is het leven van de Toekomende Wereld.

[2] Het is het loon der rechtvaardigen om deel te hebben aan deze geneugten en om in dit goede te verkeren, en het is de straf voor de zondaren dat hun dit leven niet ten deel zal vallen maar dat zij bij het sterven zullen worden uitgeroeid. En ieder die dit leven niet deelachtig wordt, is als een dode die in der eeuwigheid niet meer zal leven. Door zijn eigen boosaardigheid wordt hij uitgeroeid en gaat hij als een beest teloor. Dat is de uitroeiing (karet) waar de Thora over spreekt wanneer er geschreven staat: ‘Deze ziel zal voorzeker worden uitgeroeid (hikkaret tikkaret)’ (Num. 15, 31), en de overlevering zegt: Hikkaret in deze wereld, tikkaret in de Toekomende Wereld ‘42 dat wil zeggen dat die ziel, wanneer die zich in deze wereld van het lichaam losmaakt, geen aandeel zal krijgen aan de Toekomende Wereld en ook daar zal worden uitgeroeid.43

2.[3] De Toekomende Wereld kent geen lichamelijke aanwezigheid.’ Daar zijn alleen de onlichamelijke zielen der rechtvaardigen, evenals de engelen. En aangezien er geen lichamen zijn, is er ook geen sprake van eten of drinken, noch van enige andere zaak die het menselijke lichaam in deze wereld van node heeft. Ook kent men er niet de situaties waaraan de lichamen in deze wereld blootstaan, zoals zitten en staan, slaap, dood, verdriet, gelach en dergelijke. Aldus hebben de vroegere Wijzen het gezegd: In de Toekomende Wereld is er eten noch drinken, noch geslachtelijk verkeer, maar de rechtvaardigden zitten daar met kronen op hun hoofd en genieten van de glans der goddelijke Tegenwoordigheid.44

[4] Het is u dus al duidelijk geworden dat er van lichamen daar geen sprake kan zijn en dat daar geen eten of drinken plaats vindt. Wanneer er nu gezegd wordt dat de rechtvaardigen daar zitten, dan is dat gezegd bij wijze van toespeling op het feit dat de zielen der rechtvaardigen daar verkeren zonder moeite en inspanning te ondervinden. Evenzo wanneer zij zeiden dat zij kronen op het hoofd hebben, dan wil dat zeggen dat zij beschikken over de kennis waarvan zij’ weten dat zij terwille daarvan het leven van de Toekomende Wereld deelachtig zijn geworden. Dat is hun kroon, zoals ook Salomo spreekt van ‘De kroon waarmee zijn moeder hem kroonde’ (Hoogl. 3, 1 1). Er wordt immers gezegd: ‘Een eeuwige vreugde is op hun hoofd’ (Jes. 51, 1 1), maar vreugde is geen voorwerp dat op een hoofd kan rusten, dus is de vreugde waarvan zij hier spreken de kennis.

[5] Wat betekent dan de uitdrukking ‘genietend van de glans der goddelijke Tegenwoordigheid’? Dat is dat zij kennis en begrip hebben van de werkelijkheid van de Heilige, iets wat zij in hun duistere, lage lichamelijkheid niet wisten.

3.[6] De ziel (nefesh) waarvan hier sprake is, is niet de ziel (neshama) die nodig is voor het lichaam, maar het is de ‘vorm van de ziel’, die staat voor de kennis van de Schepper en van de onstoffelijke wezens en van de overige feiten, een kennis die zij zich naar de mate van haar vermogen heeft verworven. De zaak van deze ‘vorm’ hebben wij verklaard in het vierde hoofdstuk van de wetten van de Grondslagen van de Thora, en dat is wat hier de ziel wordt genoemd.45

[7] Dit leven wordt genoemd de ‘bundel des levens’, omdat het niet met dood gepaard gaat. De dood is immers iets dat alleen een lichaam kan overkomen, en lichamen zijn daar niet. ZO staat er geschreven: ‘Moge de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel des levens'(1 Sam. 25, 29). Dat is de grote beloning die ieder loon te boven gaat, en het hoogste goed, waar alle profeten naar verlangden.

4. Het heeft, bij wijze van vergelijking, vele namen gekregen, zoals: ‘Berg des Heeren’, ‘de plaats van Zijn heiligheid’, ‘de heilige weg’, ‘de voorhoven des Heeren’, ‘de tent des Heeren’, ‘de lieflijkheid des Heeren’, ‘het paleis des Heeren’, ‘het huis des Heeren’, ‘de poort des Heeren’. De Wijzen hebben dit goede dat de rechtvaardigen is toebereid bij wijze van vergelijking ook wel een maaltijd genoemd,46 maar meestal noemen zij het de ‘Toekomende Wereld’.

5. [8] De grootst mogelijke wraakneming bestaat hieruit dat een ziel wordt uitgeroeid en dit leven niet deelachtig wordt, zoals er geschreven staat:’Deze ziel zal voorzeker worden uitgeroeid, haar zonde is op haar’ (Num. 15, 31 ). Dit is de ondergang die de profeten bij wijze van vergelijking genoemd hebben ‘de put des verderfs’, ‘vergankelijkheid’, ‘hel’, ‘verslinder’ en voorts allerlei benamingen van vernietiging en verderf, omdat dit een vernietiging betreft waarna geen opstanding ooit meer mogelijk is en een teloorgang die nooit ongedaan kan worden gemaakt.

6.[9] Misschien schijnt dit goede u gering toe en meent ge dat het loon van de Geboden en de omstandigheden van een mens slechts werkelijk volmaakt zijn wanneer hij eet en drinkt van smakelijke gerechten, hij omgang heeft met schone vrouwen, geborduurde zijden klederen draagt, woont in tenten die met ivoor zijn versierd, en gebruik maakt van zilveren en gouden voorwerpen en dergelijke dingen meer, zoals de dwaze, oppervlakkige Arabieren zich in hun genotzuchtigheid inbeelden.47

[10] Maar de Wijzen en al degenen die kennis hebben, weten dat al deze dingen ijdel en nietig zijn en dat men daar zijn verwachtingen niet op kan bouwen. Het is alleen in onze wereld een groot goed, omdat wij lichamelijk zijn en omdat dit allemaal dingen zijn die nodig zijn voor het lichaam. De ziel heeft daarnaar slechts verlangen en begeren voor zover het de behoeften van het lichaam betreft, dat .. zijn deel opeist en in een goede toestand wil verkeren. Maar wanneer er geen lichaam meer is, vallen al deze dingen weg.

[11] Op geen enkele wijze kan men in deze wereld kennis hebben van het grote goed dat de ziel in de Toekomende Wereld te wachten staat. Want in deze wereld kennen wij slechts datgene wat goed is voor het lichaam, en daar verlangen wij naar. Maar dat andere goed is zeer groot, zo zeer dat het alleen op overdrachtelijke wijze met de goede dingen van dit leven vergeleken kan worden. Wanneer wij de, geneugten van de ziel in de Toekomende Wereld waarderen als het eten en drinken in dit leven, is dat geen waarachtige vergelijking, want het is een goed dat zich niet laat beschrijven, het is onkenbaar en onvoorstelbaar. Dat is hetgeen David zei, ‘Hoe groot is Uw goed, dat Gij verborgen houdt voor degenen die U vrezen, gewrocht voor hen die bij U schuilen’ (Ps. 31, 20).

7. Hoezeer schmachtte en verlangde David naar het leven van de Toekomende Wereld, wanneer er geschreven staat: ‘Zo ik niet had geloofd het goede des Heeren te zullen zien in het land der levenden!’ (Ps. 27, 13).

[12] Reeds de vroegere Wijzen hebben ons doen weten dat de mens niet bij machte is de geneugten van de Toekomende Wereld ten volle te vatten en dat alleen de Heilige zelf de grootheid, schoonheid en kracht daarvan kent. Alle goeds dat de profeten aan Israël hebben voorzegd, heeft slechts betrekking op lichamelijke zaken die Israël zal ervaren in de dagen van de koning Messias, in de tijd dat de heerschappij aan Israël zal zijn teruggegeven.

[13] Maar de geneugten van de Toekomende Wereld zijn onvoorstelbaar en de profeten hebben daaraan geen afbreuk willen doen door vergelijkingen te gebruiken. Dat is wat Jesaja zegt: ‘Geen oog heeft gezien, behalve Gij, o God, wat Hij doet voor degeen die op Hem wacht’ (Jes. 64, 3; vert. 4), dat wil zeggen: Het goede dat het oog van geen profeet heeft gezien, maar dat God doet voor de mens die op Hem wacht. De Wijzen hebben gezegd: Alle profeten hebben slechts geprofeteerd over de dagen van de Messias, maar de Toekomende Wereld ‘heeft geen oog gezien, behalve Gij, o God’.48

8.[14] De Wijzen hebben dit alles niet de Toekomende Wereld genoemd omdat ze nu nog niet zou bestaan, of dat eerst deze wereld te gronde zou moeten gaan voordat die wereld zou komen. Zo is het niet. De Toekomende Wereld bestaat, zoals er geschreven staat: ‘Hoe groot is Uw goed dat Gij verborgen hebt voor degenen die U vrezen’ (Ps. 31, 20). Zij hebben dit de Toekomende Wereld genoemd alleen omdat dit leven de mens toekomt na zijn leven op deze aarde. Hier zijn wij met lichaam en ziel en dit is het bestaan waarmee ieder mens begint.

Hoofdstuk IX

1. Het is ons aldus bekend gemaakt dat het loon voor het houden van de Geboden en het goede dat ons ten deel zal vallen indien we de weg des Heeren die in de Thora beschreven staat, volgen – dat dat het leven van de Toekomende Wereld is, zoals er staat geschreven: ‘Opdat het u goed ga en gij uw dagen zult verlengen’ (Deut. 22, 7). Ook weten wij dat de wraakneming op de boosaardigen die de paden der rechtvaardigheid waarvan de Thora spreekt verlaten hebben, de uitroeiing is, zoals er geschreven staat: ‘Die ziel zal voorzeker worden uitgeroeid, haar zonde is op haar’ (Num. 15, 3 j).49

[2] Maar waarom staat dan overal in de Thora geschreven: Indien gij luistert, zal u dit gebeuren, indien ge niet luistert, zal u dat overkomen, en wel in deze wereld: verzadiging of honger, oorlog of vrede, heerschappij of onderworpenheid, bewoning van het Land of ballingschap, welslagen of verlies en alle overige voorwaarden van het verbond?50

[3] Die dingen zijn altijd waar geweest en zullen alsnog uitkomen. Want wanneer wij alle Geboden van de Thora doen, zal alle goeds van dit leven ons toevallen, en wanneer wij ze overtreden, zal ons alle kwaad dat daar beschreven is overkomen. Maar toch is dat goede niet het totale loon voor [het houden van] de Geboden, noch het kwaad de volledige bestraffing waarmee de overtreding van de Geboden gewroken wordt, maar het gaat aldus voor de goede orde der dingen.51

[4] De Heilige heeft ons deze Thora gegeven, een Boom des Levens, en ieder die doet al hetgeen daarin staat geschreven en die het allemaal op de juiste manier weet, die verdient daarmee het leven van de Toekomende Wereld en wel naar de mate van zijn daden en naar de mate van zijn wijsheid. Hij heeft ons in de Thora toegezegd dat Hij alle belemmeringen om de Thora te doen, zoals ziekte, honger, oorlog, etc., van ons zal wegnemen, indien wij haar met vreugde en welgevallen doen en indien wij de wijsheid van de Thora steeds blijven overdenken. Hij zal al het goede dat ons de kracht geeft om de Thora te doen, zoals verzadiging, vrede, voldoende zilver en goud, ons doen toevallen, zodat wij niet al onze dagen bezig hoeven te zijn met de noden van het lichaam, maar vrij kunnen gaan zitten om wijsheid te leren en de Geboden uit te voeren, waarmee wij het leven van de Toekomende Wereld kunnen verdienen. Zo zegt Hij het in de Thora, nadat hij ons het goede van dit leven heeft toegezegd: ‘Gerechtigheid zal het ons zijn wanneer wij dit gebod gehoorzaam zullen doen’ (Deut. 6, 25).

[5] Ook dit heeft Hij ons in de Thora laten weten: Indien wij de Thora uit eigen beweging verlaten en we ons met vergankelijke ijdelheden gaan bezighouden – zoals er geschreven staat: ‘Toen Jessurun vet werd, schopte hij’ (Deut. 32, 15) – dan zal de waarachtige Rechter al het goede van deze wereld, dat hen in staat stelde te schoppen, van deze trouwelozen wegnemen en over hen doen komen al het kwaad dat hen zal verhinderen de Toekomende Wereld te verwerven, zodat zij in hun boosaardigheid zullen omkomen. Dat is wat in de Thora geschreven staat: ‘Omdat gij de Heer, uw God, niet hebt gediend (vanwege al uw overvloed) …. zult gij uw vijanden dienen, die de Heer over u zal zenden…’ (Deut. 28, 47-48).

[6] Wij zien dus dat we deze zegeningen en vervloekingen op de volgende wijze moeten uitleggen: Indien gij de Heer in vreugde dient en u aan Zijn wegen houdt, doet Hij u de uitwerking van deze zegeningen toevallen en houdt Hij de vervloekingen verre, zodat gij vrij zult zijn om u te verdiepen in de wijsheid van de Thora en u daarmee kunt bezighouden, zodat gij het leven van de Toekomende Wereld kunt verdienen. Dan zal het u goed gaan in de Wereld die een en al goed is, en zult gij uw dagen verlengen in de Wereld die geen einde heeft. De uitkomst is dan dat gij u twee werelden hebt verworven, een goed leven in deze wereld en een toegang tot het leven in de Toekomende Wereld. Want wie zich heden geen wijsheid en goede daden verwerft, heeft niets waarmee hij het nog kan verdienen, want er staat geschreven: ‘Er is daad noch overleg, kennis noch wijsheid in het dodenrijk’ (Pred. 9, 10).

[7] Maar indien gij de Heer verlaat en verkeerd gaat handelen met eten, drinken en hoererij en dergelijke dingen meer, brengt Hij al deze vervloekingen over u en neemt Hij alle zegen van u weg, zodat uw dagen ten einde zullen gaan in verwarring en angst. Uw hart is niet vrij en uw lichaam is niet in staat om de Geboden te doen, met het gevolg dat het leven van de Toekomende Wereld u ontgaat en gij twee werelden verliest. Want zolang de mens in dit leven geplaagd wordt door ziekte, oorlog en honger, kan hij zich niet druk maken om de wijsheid en de Geboden waarmee hij het leven van de Toekomende Wereld kan verdienen.

2.[8] Om deze reden heeft heel Israël, zijn profeten en zijn Wijzen, altijd verlangd naar de dagen van de koning Messias, wanneer zij rust zullen krijgen van een heerschappij die hun niet de gelegenheid geeft om zich naar behoren met de Thora en de Geboden bezig te houden. Dan zullen zij ontspanning ervaren en toenemen in wijsheid, zodat hun het leven van de Toekomende Wereld ten deel zal vallen.

[9] In die dagen zullen namelijk kennis en wijsheid toenemen, zoals er geschreven staat: ‘Want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heeren’ (Jes. 11, 9), en: ‘En men zal zijn naaste en zijn broeder niet meer hoeven leren’ (Jer. 31, 33; vert. 34), en: ‘En Ik zal het stenen hart uit uw lichaam wegnemen’ (Ezech. 36, 26). Want die koning, die zal opstaan uit het nageslacht van David, zal een grotere wijsheid bezitten dan Salomo en hij zal een groot profeet zijn, bijna zoals Mozes. En daarom zal hij heel het volk onderwijzen en hen de weg des Heeren leren en alle volkeren zullen naar hem komen luisteren, zoals er geschreven staat: ‘En het zal geschieden in het laatst der dagen dat de berg van het huis van de Heer gevestigd zal zijn boven de andere bergen’ (Jes. 2, 2).

[10] Maar het uiteindelijke loon en het laatste goed dat geen onderbreking of vermindering zal kennen, is het leven in de Toekomende Wereld. De dagen van de Messias daarentegen zullen in deze wereld zijn wanneer alles nog gewoon is, afgezien van het feit dat Israël opnieuw de heerschappij zal hebben. Want de vroegere Wijzen hebben reeds gezegd: Het enige verschil tussen deze wereld en de dagen van de Messias is de dienstbaarheid [van Israël] aan de volkeren.52

Hoofdstuk X

1.Laat geen mens denken: Zie ik doe de Geboden van de Thora en houdt mij bezig met de, wijsheid daarvan om de zegeningen die daarin vermeld staan te ontvangen of om het leven van de Toekomende Wereld deelachtig te worden, en ik houd mij verre van de overtredingen waarvoor de Thora waarschuwt, om de vervloekingen die daarin staan te ontgaan of om niet verstoken te blijven van het leven van de Toekomende Wereld.

[2] Het is onjuist om de Heer op deze wijze te dienen. Want wie op deze wijze dient, dient uit vrees en dat is niet in overeenstemming met de waardigheid van profeten en Wijzen. Op deze manier dienen alleen de onwetenden, de vrouwen en de kinderen die men onderricht in de dienst uit vreze, totdat hun kennis toeneemt en zij gaan dienen uit liefde.

2.[3] Hij die dient uit liefde, verdiept zich in de Thora en de Geboden en bewandelt de paden der wijsheid, niet terwille van enig ding ter wereld of vanwege vrees voor het kwaad of om het goede te beërven, maar hij doet de waarheid enkel en alleen omdat het de waarheid is, en terwille daarvan zal het goede uiteindelijk vanzelf komen.

[4] Deze houding is buitengewoon prijzenswaardig en een die niet iedere wijze ten deel valt. Het is de houding van onze vader Abraham, die door de Heilige ‘mijn vriend’ genoemd werd (Jes. 41, 8), omdat hij Hem slechts uit liefde diende, en het is ook de houding die de Heilige ons door middel van Mozes geboden heeft, zoals er geschreven staat: ‘En gij zult de Heer uw God liefhebben’ (Deut. 6, 5). En zolang men de Heer met de juiste liefde liefheeft, doet men als vanzelf ook alle Geboden uit liefde.

3.[5] Wat is de juiste liefde? Dat is wanneer men de Heer met een grote, zeer sterke liefde liefheeft, zozeer dat de ziel in liefde aan de Heer gebonden is en men zich daarin geheel verliest. Het is alsof men ziek van liefde is voor een vrouw en geen gedachte vrij heeft dan voor de liefde tot haar aan wie men voor altijd zijn hart verloren heeft, bij liggen en bij staan, bij eten en bij drinken. Nog sterker is in het hart van hen die Hem liefhebben de liefde tot God, in Wie zij zich geheel en al verliezen, zoals ons ook geboden is: ‘(Gij zult de Heer uw God liefhebben) met geheel uw hart en met heel uw ziel’ (Deut. 6, 5), en dat is ook hetgeen Salomo bij wijze van vergelijking zei: ‘Want ik ben ziek van liefde’ (Hoogl. 2, 5). Het hele Hooglied is overigens een gelijkenis over dit onderwerp.

4. [6] De vroegere Wijzen hebben gezegd: Men zou kunnen denken: Welaan, laat ik de Thora leren om rijk te worden, om Rabbi genoemd te worden, om het loon van het leven in de Toekomende Wereld te ontvangen! Maar de Schrift zegt: ‘… zodat gij de Heer liefhebt, (Deut. 11, 13): al hetgeen gij doet, zult ge dus alleen doen uit liefde.53

[7] Bovendien hebben de Wijzen gezegd: ‘(Welgelukzalig de mens) die ten zeerste welgevallen heeft aan Zijn Geboden’ (Ps. 1 1 2, l): aan Zijn Geboden, dus niet aan het loon van Zijn Geboden.54 En zo plachten de grootsten onder de Wijzen het hun verstandigste en wijste leerlingen speciaal55 in te prenten: Weest geen dienaren die de meester dienen om het goede te ontvangen; maar weest dienaren die de meester dienen zonder iets te ontvangen,56 maar die, alleen omdat Hij de Meester is, het passend vinden om Hem te dienen. Kortom: Dient uit liefde.

5.[8] leder die zich met de Thora bezighoudt om daarvoor loon te ontvangen of om te voorkomen dat hij gestraft wordt, die doet dat niet terwille van de Thora zelf.57 Ieder die zich daarmee bezighoudt niet uit vrees, niet om loon te ontvangen, maar alleen uit liefde voor de Heer van heel de aarde die het bevolen heeft, zie deze houdt zich met de Thora bezig terwille van haar zelf. De Wijzen zeiden: De mens dient zich altijd bezig te houden met de Thora, zelfs indien hij dat niet terwille van de Thora zelf doet. Want al doet hij het terwille van iets anders, het brengt hem ertoe dit terwille van de Thora te doen.58

[9] Wanneer men dan ook kinderen of vrouwen of onwetenden in het algemeen onderwijst, dan leert men hen het dienen uit vrees of om er loon voor te ontvangen, net zolang tot hun begrip toeneemt en hun wijsheid zich steeds meer verdiept. Dan begint men hun langzaam aan dit geheim te onthullen en hen rustig aan deze zaak te gewennen, totdat zij er begrip voor krijgen en weten dat men Hem uit liefde dient.

6.[10] Het is een welbekende en duidelijke zaak, dat de liefde tot de Heilige zich pas in het mensenhart nestelt, wanneer hij er geheel en al in opgaat, zoals het hoort, en al het andere, wat ter wereld het ook zij, achter zich laat, zoals Hij bevolen heeft: ‘Met heel uw hart en met heel uw ziel’ (Deut. 6, 5), en wel door de kennis waarmee men Hem kent. Want uit de kennis ontstaat de liefde; als die weinig is, weinig, als die veel is, veel.

[11] Daarom moet de mens zich er speciaal op richten zich de wijsheid en het inzicht te verwerven die hem in staat stellen zijn Schepper te leren kennen, in de mate waarin de mens begrip en inzicht vergund is, zoals wij bij de wetten van de Grondslagen van de Thora hebben uiteengezet.59

Noten:

41. Kiddushin 39b; Chullin 142a.

42. Sanhedrin 64b; 90b; Shavuot 13a.

43. In de halacha is karet gewoonlijk het gevolg van de straffende hand van God, die een onverwachte dood brengt als straf op overtredingen waar een menselijke rechter niet over kan oordelen. Maimonides, gesteund door de letterlijke tekst van de geciteerde passages, gaat hier iets verder en vat karet op als het verloren gaan van de, in principe onsterfelijke, ziel. Zie ook boven 1, 2 [7].

44. Vgl. Berachot 13a.

45. In Hilchot Jesode ha-Thora IV, 8-9 heeft Maimonides zijn geloof in de onsterfelijkheid van de ziel gegoten in de vorm van de aristotelische voorstelling, dat al het bestaande is samengesteld uit materie en vorm. Om te kunnen leven heeft het menselijke lichaam een ziel nodig. Deze ziel vergaat met het lichaam, maar heeft wel een mogelijkheid tot onsterfelijkheid in zich. Onsterfelijkheid komt haar toe in de mate waarin zij haar abstractie, haar ‘vorm’ gerealiseerd heeft. Dat gebeurt wanneer de mens kennis verwerft van hogere, abstracts dingen, van de hemelsferen, de separate intelligenties, de engelen en, voor zover dat voor het menselijke verstand te vatten is, van God zelf. Zie ook Inleiding, pp. 22, 38-39.

46. Zie bv. Bava Batra 75a: Rava zei uit naam van rabbi Jochanan: In de toekomst zal de Heilige voor de rechtvaardigen een maaltijd maken van het vlees van de Leviathan.

47. Maimonides doelt hier ongetwijfeld op islamitische paradijsvoorstellingen.

48. Berachot 34b.

49. Zie boven VIII, 1 en 5.

50. Zie bv. Deut. 28.

51. Deze zin kan zowel op het voorafgaande als op het volgende slaan. De gangbare edities lezen hier hechra’ kol ha-devarim: deze dingen geven uiteindelijk de doorslag. Qafih leest op grond van de handschriften hessea’ ha-devarim: letterlijk: de voortgang, beweging der dingen, en verklaart het in de zin als boven is vertaald. Hij vermeldt met instemming een Iezing hetzea’ ha-devarim: een voorstel voor deze dingen. Indien dit laatste juist is zou men de zin ook kunnen opvatten als: Het volgende is een voorstel om deze stand van zaken te verklaren.

52. Berachot 34b; Shabbat 63a; 1 1 1 b; Sanhedrin 99a. Uitvoeriger zet Maimonides zijn nuchtere opvattingen over de dagen van de Messias uiteen in de twee laatste hoofdstukken van de Mishne Thora, Hilchot Melachim XI en XII.

53. Vgl. Sifre, Ekev, par. 48 (p. 113); Nedarim 62a.

54. Avoda Zara 19a.

55. De uitdrukking be-jichud is ambivalent. Waarschijnlijk is het Maimonides’ bedoeling aan te duiden dat deze hoogste vorm van dienst aan God alleen werd besproken met diegenen die daar ontvankelijk voor waren en er geen verkeerde ideeën uit af zouden leiden.

56. Avot I, 3 in iets afwijkende bewoording.

57. De talmudische term is Thora lishmah: belangeloze Thorastudie.

58. Pesachim 50b.

59. Hilchot Jesode ha-Thora IV en XII.

DEEL 14. HICHOT TESJOEWA (IV)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 13 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder Studies en Archief.

MISHNÉ THORA: TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

VI. Bijbel passages waarin, als straf op zeer zware zonden, de toe gang tot boete en berouw schijnt te worden versperd, betreffen bijzondere gevallen van zware of collectieve schuld. Aankondigingen van onheil over een volk laten de individuele verantwoordelijkheid en keuzevrijheid onverlet.

VII. Deze vrijheid bewijst hoe belangrijk Teshoeva is. Het is het kardinale punt van de verhouding tot God en de medemens en is voorwaarde voor de verlossing in het laatst der dagen. Zonder boetvaardigheid bereikt geen mens zijn eigenlijke bestemming.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk VI

1. In de Thora en in de woorden der profeten zijn echter veel passages die dit principe schijnen te weerspreken en waar de meeste mensen

over struikelen. Op grond daarvan komt men wel tot de gedachte, dat het de Heilige is die over de mens beslist of hij goed of kwaad zal doen, en dat ’s mensen gezindheid hem niet vrij laat om hem de kant op te laten gaan die hij wil. Maar ik zal u een belangrijk principe uitleggen, dat u de verklaring van al deze verzen zal verschaffen.

[2] Wanneer één mens zondigt, of wanneer de mensen van een land zondigen, en de zondaar bedrijft die zonde geheel uit eigen wil, zoals wij hebben uiteengezet, dan dient hij gestraft te worden. En de Heilige weet hoe te straffen.

Er zijn zonden die op de meest rechtvaardige wijze bestraft worden in deze wereld, aan iemands lichaam, zijn goederen of aan zijn kleine kinderen; want kleine kinderen die nog geen kennis hebben en zelf nog niet toe zijn aan de Geboden, gelden als bezit; er staat immers geschreven: ‘(Niet zullen vaders ter wille van hun zonen ter dood gebracht worden, noch zonen ter wille van hun vaders,) een mens zal wegens zijn eigen zonden ter dood gebracht worden’ (Deut. 24, 16), dus: pas wanneer hij een mens geworden is.34

[3] Daarnaast zijn er zonden waarvan het het rechtvaardigst is dat ze zowel in deze als in de Toekomende Wereld bestraft worden.

2. Wat tot nu toe is gezegd geldt alleen zolang men geen boete heeft gedaan. Maar indien men boete doet, is de boetedoening als het ware een scherm tegen de straf.35 En zoals de mens bewust en uit vrije wil zondigt, zo doet hij ook bewust en uit vrije wil boete.

3.[4] Het is mogelijk dat een mens zo’n zware zonde begaat of zoveel zondigt, dat de rechtvaardige Rechter tot het oordeel geraakt dat de straf over dergelijke welbewust en opzettelijk begane zonden moet zijn dat de weg tot boete en berouw wordt versperd. Hem wordt niet toegestaan om vrijelijk van zijn kwaad terug te keren, opdat hij sterve en te gronde gaat door de zonden die hij heeft begaan. Dat is wat de Heilige door middel van de profeet Jesaja heeft gezegd: ‘Maak het hart van dit volk vet (maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven … ), zodat het zich niet bekere en genezen worde’ (Jes. 6,10). Zo staat er ook: ‘Maar zij bespotten de boden Gods, verachtten Zijn woorden en hoonden Zijn profeten, totdat de toorn van de Heer zich zozeer verhief tegen Zijn volk dat er geen genezing meer was'(11 Kron. 36, 16), dat wil zeggen: Zij zondigden vrijwillig en waren steeds opstandig, zodat ze schuldig werden aan het feit dat hun de boetedoenig – dat is de genezing – onthouden werd.

[5] Daarom staat er in de Thora geschreven: ‘En Ik zal het hart van Farao verharden’ (Ex. 4, 21; 14, 4).

Omdat hij uit eigen beweging begon te zondigen en kwaad berokkende aan Israël, dat in zijn land woonde, was het gerechtvaardigd hem de boetedoening te onthouden, zodat hij gestraft zou worden. Daarom verhardde de Heilige zijn hart.

[6] En waarom werd Mozes tot hem gezonden en werd hem gezegd dat hij het volk moest laten gaan en dat hij boete moest doen, terwijl de Heilige hem al had laten weten dat hij het volk niet zou laten gaan, zoals er geschreven staat: ‘Maar gij en uw dienaren, (lk weet dat gij nog niet vreest voor de Heer God)’ (Ex. 9, 30)? ‘Doch hierom laat Ik u bestaan (om u mijn kracht te tonen, opdat men Mijn naam verkondigt op de hele aarde)’ (Ex. 9, 16), om de wereldbewoners te laten weten dat de zondaar, wanneer de Heilige hem van boetedoening uitsluit, niet tot inkeer kan komen maar zal sterven in het kwaad dat hij uit eigen beweging begon te doen.

[7] Zo was ook Sichon er zelf schuldig aan dat hij van boetedoening over de wandaden die hij had begaan, werd uitgesloten, zoals er geschreven staat: ‘Want de Heer uw God verstokte zijn geest en stijfde zijn hart’ (Deut. 2, 30). Evenzo sloot Hij de Kanaänieten uit van boetedoening voor hun gruweldaden, zodat ze met Israël oorlog gingen voeren, zoals er geschreven staat: ‘Want vanwege de Heer geschiedde het dat hun hart werd verhard tot de oorlog met Israël, om hen met de ban te slaan’ (Jozua 11, 20). En die Israëlieten die zeer opstandig waren in de dagen van Elia werden uitgesloten van boetedoening wegens hun grote opstandigheid, want er staat geschreven: ‘En Gij hebt hun hart terugwaarts gewend’ (I Kon. 18, 37), dat wil zeggen: Gij hebt hen van boetedoening uitgesloten.36

[8] De conclusie is dat God niet over de Farao besloten heeft, dat hij Israël kwaad zou doen, noch over Sichon, dat hij in zijn land zou zondigen, noch over de Kanaänieten om gruwelijk te handelen, maar allen hebben uit zichzelf gezondigd en zijn er zelf schuldig aan geworden dat de boetedoening hen werd onthouden.

4.[9] Hier gaat het over wanneer de profeten en de rechtvaardigen in hun gebeden God vragen om hen te helpen op de weg der waarheid, zoals David zegt: ‘Leer mij, o Heer, Uw weg’ (Ps. 86, 1 1), dat wil zeggen: Laten mijn zonden mij niet afhouden van de weg der waarheid, want daaruit ken ik Uw wegen en de eenheid van Uw naam. Evenzo zegt hij: Een gewillige geest moge mij schragen’ (Ps. 51, 14), dat wil zeggen: Moge Gij mijn ziel toelaten te doen wat Gij verlangt, en laten mijn zonden er niet de oorzaak van zijn dat mij de boetedoening wordt onthouden, maar laat ik vrijheid van handelen hebben, zodat ik kan terugkeren en de weg der waarheid moge kennen en begrijpen. En op deze wijze verstaan wij alle vergelijkbare schriftverzen.

5.[10] Maar wat is het dan wat David zegt: ‘Goed en oprecht is de Heer. Daarom onderwijst Hij zondaren de weg, Hij voert de deemoedigen in het recht en leert de deemoedigen Zijn weg’ (Ps. 25, 89)? Dat gaat erover dat Hij hun profeten heeft gezonden, die hun de wegen van de Heer hebben doen kennen en hen tot inkeer brachten. Ook zegt dit vers dat Hij hun het vermogen heeft gegeven om te leren en te begrijpen. Want dat is een trek in iedere mens, dat hij,’ zolang hij zich laat meevoeren op de wegen der wijsheid en rechtvaardigheid, naar deze eigenschappen verlangt en ze najaagt. Dat is wat de Wijzen zeiden: Wie komt om zich te reinigen, hij wordt geholpen;37 dat wil zeggen: Hij merkt dat hij daarin geholpen wordt. [11] Maar staat er niet reeds in de Thora geschreven: ‘En zij [de nakomelingen van Abram] zullen hen [de Egyptenaren] dienen en die zullen hen onderdrukken’ (Gen. 15, 13), dus dat Hij over Israël besloten heeft dat ze afgoderij zullen bedrijven? Waarom worden zij dan gestraft? Omdat niet over een individuele persoon besloten is dat hij overspelig zal zijn, maar dat van ieder van deze overspeligen die afgoderij bedrijven geldt dat hij, indien hij het niet zelf gewild had, het niet bedreven zou hebben. De Schepper heeft niets meer gedaan dan aangekondigd hoe het toegaat in de wereld. Waarmee kan men dit vergelijken? Het is alsof gezegd wordt: Dit volk zal zowel rechtvaardigen als zondaars kennen. Op grond daarvan kan een zondaar niet zeggen, dat reeds over hem besloten is dat hij een zondaar zal zijn wanneer de Heilige Mozes slechts heeft aangekondigd dat er zondaars in Israël zullen zijn, zoals er ook geschreven staat: ‘Want een arme zal te midden van het land niet ontbreken’ (Deut. 15, 1 1).

[12] Dat geldt ook van de Egyptenaren. leder van deze kwaadwillige onderdrukkers had, indien hij geen kwaad had gewild, daartoe de vrijheid gehad. Want er wordt niet over een bepaalde mens beslist, er wordt hem [Abram] slechts te kennen gegeven, dat zijn nageslacht uiteindelijk tot slaaf gemaakt zal worden in een land dat niet van hen is. En reeds heb ik gezegd,38 dat de mens niet bij machte is te weten hoe de Heilige de dingen die in de toekomst te gebeuren staan, weet.

Hoofdstuk VII

1. Aangezien dan ieder mens de vrijheid gegeven is, zoals ik heb uiteengezet, laat hij dan pogen tot inkeer te komen en zijn zonden van zijn handen af te schudden, opdat hem, wanneer hij als boeteling sterft, het leven van de Toekomende Wereld ten deel zal vallen.

2. Een mens moet er altijd van uit gaan dat hij spoedig zal sterven, opdat hij niet, wanneer zijn uur gekomen is, bemerkt dat hij’ in zondige staat verkeert. Daarom moet hij steeds onmiddellijk van zijn zonden terugkeren en niet zeggen: Wanneer ik oud ben, zal ik tot inkeer komen. Want wellicht sterft hij voordat hij oud zal zijn. Dat is wat Salomo in zijn wijsheid heeft gezegd: ‘Laten ten allen tijde uw klederen wit zijn’ (Pred. 9, 8).

3. Zeg niet dat er alleen ommekeer is van overtredingen die metterdaad worden begaan, zoals hoererij, roof of diefstal. Evenzeer als de mens daarvan terug moet komen, zo moet hij ook zijn slechte eigenschappen onderkennen en daarvan terugkomen, zoals toorn, nijd, naijver, wedijver en spotternij, het najagen van geld en eer en het najagen van voedsel, enzovoort. Van dit alles moet men berouwvol tot inkeer komen en deze zonden zijn zelfs zwaarder dan die in daden worden begaan. Want zolang de mens daarin verzonken is, is het moeilijk om ervan los te komen. Zo zegt de Schrift: ‘Laat de zondaar zijn weg verlaten, maar een kwaadwillig mens zijn overleggingen’ (Jes. 55, 7).

4. Laat een boetvaardig mens niet denken dat hij ver beneden het niveau van de rechtvaardige staat vanwege het feit dat hij overtredingen en zonden heeft begaan. Zo is het niet, want voor het aangezicht van de Schepper is hij even geliefd en bemind, alsof hij nooit gezondigd had. Zijn loon is zelfs groter, want hoewel hij de smaak van de zonde heeft geproefd, heeft hij die de rug toegekeerd en zijn neiging onderdrukt. De Wijzen zeiden: Op de plaats waar de boetelingen staan, kunnen zelfs de volmaakte rechtvaardigen niet staan;39 dat wil zeggen: Hun niveau is hoger dan dat van hen die nooit hebben gezondigd, omdat zij hun neigingen veel sterker moeten onderdrukken.

5. Alle profeten hebben opgeroepen tot boete en berouw en het is alleen door berouw dat Israël kan worden verlost. Reeds de Thora heeft verzekerd dat Israël uiteindelijk tot inkeer zal komen aan het eind van de ballingschap en dan onmiddellijk verlost zal worden, want er staat geschreven: ‘En het zal geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen komen…. en gij zult terugkeren tot de Heer uw God…. dat de Heer God een keer zal brengen in uw lot…’ (Deut. 30, 1-3). 6. Groot is de boetedoening, want zij brengt de mens dichtbij Gods tegenwoordigheid, want er staat geschreven: ‘Keer om, Israël, tot de Heer uw God’ (Hosea 14, 2), en: ‘Maar gij keerdet u niet tot Mij om, zegt de Heer’ (Amos 4, 6), en: ‘Indien gij omkeert, o Israël, zegt de Heer, zult gij u tot Mij omkeren’ (Jer. 4, 1), dat wil zeggen: Indien gij omkeert in boete en berouw, dan zult gij Mij aankleven.

[7] Boetedoening brengt hen die veraf zijn, nabij. Gister nog was iemand gehaat bij de Alomtegenwoordige, verafschuwd, ver bij Hem vandaan en een gruwel [in Zijn ogen], vandaag kan hij geliefd en bemind zijn, een goede vriend. En gij bemerkt dat de Heilige met dezelfde uitdrukkingen de zondaren op een afstand houdt als waarmee hij de boetvaardigen naderbij brengt, zowel de enkeling als de gemeenschap, zoals er staat geschreven: ‘En het zal geschieden op de plaats waar hen gezegd zal worden: Gij zijt Niet-mijn-volk, dat hun gezegd zal worden: Zonen van de levende God’ (Hosea 2, 1). Ook staat er geschreven aangaande Nechonja in zijn zonde: ‘Schrijf deze man op als kinderloos, een man die in zijn dagen niet zal slagen, (want geen van zijn nakomelingen zal erin slagen te zitten op de troon van David)’ (Jer. 22, 30), ‘AI ware Chonja, de zoon van Jehojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, (toch zou ik u daarvan afrukken)’ (Jer. 22, 24). Maar toen hij tot inkeer kwam in zijn ballingschap, staat er geschreven over zijn nakomeling Zerubbabel: ‘Op die dag, spreekt de Heer der heerscharen, zal ik u nemen Zerubbabel, zoon van Shealtiël, mijn knecht, spreekt de Heer, en Ik zal u als een zegelring aan Mijn rechterhand doen’ (Haggai 2, 23; vert. 24). 7. [81 Hoe een hoog en verheven iets is het doen van boete! Gister nog was men van de Heer, de God van Israël, gescheiden, zoals er ook geschreven staat: ‘Uw zonde maakte scheiding tussen u en uw God’ (Jes. 59, 2). Men was een roepende die geen antwoord kreeg, zoals er geschreven staat: ‘Ook al vermeerdert gij het gebed, Ik luister niet’ (Jes. 1, 15). Men verrichtte de Geboden, maar dat werd openlijk gehekeld, zoals er staat: ‘Wie heeft dit uit uw hand verlangd, Mijn voorhoven plat te treden?’ (Jes. 1, 12), ‘Was er onder u maar iemand die de deuren sloot, (opdat gij niet vergeefs Mijn altaar zoudt ontsteken! … In een offer van uw hand heb Ik geen behagen)’ (Mal. 1, 10), ‘Voeg uw brandoffers bij uw slachtoffers en eet het vlees maar op’ (Jer. 7, 21).

Vandaag echter is men één met de goddelijke Tegenwoordigheid, zoals er staat geschreven: ‘Gij die de Heer uw God aankleeft’ (Deut. 4, 4). Men roept en wordt meteen verhoord, zoals er geschreven staat: ‘En het zal geschieden dat Ik u zal antwoorden nog voordat gij roept’ (Jes. 65, 24). Men doet de Geboden en neemt die rustig en met blijdschap op zich, omdat er staat: ‘Want reeds heeft God welgevallen gehad aan uw daden’ (Pred. 9, 7). Ja zelfs verlangt men ernaar ze te doen, want er staat geschreven: ‘Het offer van Juda en Jeruzalem is de Heer aangenaam geworden als in de dagen van eeuwigheid, als in de vroegere jaren’ (Mal. 3, 4).

8. [9] De weg van hen die berouw hebben is een weg van grote nederigheid en bescheidenheid. Indien dwazen hen beschimpen door [te herinneren aan] hun vroegere daden en tegen hen zeggen: Gisteren nog deed je zo-en-zo, gisteren nog zei je dat-en-dat, laten zij zich daarover dan niet opwinden, maar het aanhoren en blij zijn dat ze weten dat hierin juist hun verdienste bestaat en dat hun verdienste toeneemt en hun waardigheid stijgt, zolang ze zich schamen voor de daden die ze fout gedaan hebben en daarvoor beschimpt worden.

[10] Het is een grote zonde om tegen een boeteling te zeggen: Denk maar eens aan wat je vroeger gedaan hebt, of om zijn daden te noemen met het doel hem te schande te maken, of om vergelijkbare zaken op te sommen om hem te herinneren aan wat hij gedaan heeft. Dat alles is verboden en dat wordt ons voorgehouden in de regels over bedrieglijk taalgebruik, waarvoor de Thora ons waarschuwt wanneer er geschreven staat: ‘Gij zult elkander niet benadelen en gij zult voor uw God vrezen, Ik ben de Heer’ (Lev. 25, 17).40

Noten:

34. Deze in zijn compactheid misleidende uitspraak baseert Maimonides op een (overigens ook weer omstreden) rabbijnse interpretatie van het onderhavige vers; zie bv. Sifre, Ki Tetse, par. 280 (p. 297): ‘Een mens zal wegens zijn eigen zonden ter dood gebracht worden’: volwassenen sterven door hun eigen zonden, kleine kinderen door de zonden van hun vaders (andere Iezing: door hun eigen zonden).

35. Vgl. Avot IV, 1 1.

36. Meestal wordt dit vers op grond van de context in positieve zin opgevat, maar taalkundig gezien is Maimonides’ Iezing ook zeer wel mogelijk.

37. Joma 38b.

38. Boven V, 5.

39. Berachot 34b.

40. Vgl. ook vs. 14 en 27, 17-18, waar staat dat men de waardevermindering van goederen en land in verband met een nabij Jubeljaar moet vermelden. Het bedrieglijk taalgebruik (honajat devarim), door Maimonides behandeld onder de Regels voor Verkoop (Hilchot Mechira), wordt meestal toegepast op het maken van exorbitante winsten, maar krijgt in onze passage een betekenis uitbreiding.

DEEL 13. HICHOT TESJOEWA (III)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 12 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder studies en Archief.

MISHNÉ THORA: TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

IV. Zo zijn ook de 24 zaken die toegang tot berouw bemoeilijken, geen absolute hindernissen.

V. Want de mens is ten allen tijde vrij om voor het goede te kiezen en het kwaad na te laten, ook al lijkt dat in tegenspraak met Gods almacht en alwetendheid. Wij weten niet hoe almacht en vrije wil te verenigen zijn, maar wij weten wel dat men loon of straf op grond van eigen keuze verdient.

Lees verder

DEEL 12. HICHOT TESJOEWA (II)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 10 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

Ill. Berouw staat open voor iedereen, zelfs voor de 24 soorten zondaars die geen aandeel hebben aan de Toekomende Wereld.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Hoofdstuk III

1. Ieder mensenkind heeft zowel verdiensten als zonden op zijn naam staan. Hij wiens verdiensten in meerderheid zijn ten opzichte van zijn zonden heet een rechtvaardige (tsaddik), en hij wiens zonden in meerderheid zijn ten opzichte van zijn verdiensten heet een boosaardige (rasha’). Is het half om half dan is men een middelmatige (benoni).

[2] Dat geldt ook voor landen en staten: Daar waar de verdiensten van de inwoners talrijker zijn dan hun zonden, is het land rechtvaardig, maar indien de zonden in meerderheid zijn dan heet het kwaadaardig. En zo is het ook met de hele wereld.

2. [3] Wanneer iemands zonden talrijker zijn dan zijn goede daden, sterft hij terstond in zijn boosaardigheid, want er staat geschreven: ‘(Ik heb u geslagen zoals de vijand toeslaat..) wegens de meerderheid van uw zonden’ (Jer. 30,14-15). Ook wanneer een land overwegend slecht is, gaat het te gronde, zoals er geschreven staat: ‘Omdat het geschrei over Sodom en Gomorra groot is’ (Gen. 18, 20), en eveneens worden de mensen zonder meer te gronde gericht wanneer de zonden van de gehele wereld te talrijk zijn geworden, zoals er geschreven staat: ‘Toen God zag dat het kwaad van de mensen groot was geworden, …, (Gen. 6, 5).

[4] De afweging hiervan geschiedt niet op grond van het aantal goede of slechte daden, maar veeleer op grond van de zwaarte ervan. De ene goede daad kan opwegen tegen een aantal zonden, zoals er geschreven staat: ‘Omdat in hem iets goeds gevonden werd (… in het huis van Jerobeam)’ (1 Kon. 14, 13). Ook kan een zonde opwegen tegen een aantal goede daden, zoals er geschreven staat: ‘Eén zondaar kan veel goeds te niet doen’ (Pred. 9, 18). Dit afwegen geschiedt alleen in het weten van de God der kennis en Hij alleen weet hoe de verdiensten ten opzichte van de zonden worden afgemeten.

3. [5] Ieder die er spijt van heeft dat hij de geboden heeft gehouden en die zich afvraagt of zijn goede daden wel zin hebben gehad en bij zichzelf zegt: Wat voor nut heb ik ervan ondervonden? Misschien had ik ze even goed niet kunnen doen? Zie deze vergooit ze allemaal en hem wordt geen enkele goede daad meer toegerekend, zoals er geschreven staat: ‘De rechtvaardigheid van de rechtvaardige zal hem niet redden op de dag van zijn boosaardigheid’ (Ezech. 32, 12); dat slaat alleen op degene die twijfelt aan zijn vroegere daden. [6] Evenals de zonden van de mens worden afgewogen tegen zijn goede daden op het uur van zijn dood, zo worden ook ieder jaar opnieuw de zonden van al degenen die de wereld bewonen afgewogen tegen hun zonden op de dag van het nieuwe jaar (Rosh ha-Shana). Wie dan rechtvaardig wordt bevonden, wordt ten leven beschikt en wie een zondaar wordt bevonden, wordt ten dode beschikt. Over degene die daar tussen in zit wordt het oordeel opgeschort tot de Grote Verzoendag. Indien hij tot inkeer komt, wordt hij ten leven beschikt, indien niet, dan wordt hij ten dode beschikt.

4. [7] Alhoewel het blazen van de ramshoorn (Shofar) op Nieuwjaarsdag door de Schrift is geboden,17 bevat het nog een extra aanduiding, en wel: Waakt op, waakt op uit uw slaap gij slapenden, wordt wakker gij sluimerenden uit uw sluimering en onderzoekt uw daden, keert om in boete en berouw en gedenkt uw Schepper. Gij die de waarheid zijt vergeten door tijdelijke ijdelheden, die het hele jaar ijdel en ledig hebt gedoold, nutteloos en zonder uitredding, ziet uzelf aan; aanschouwt uw wegen en daden. Laat ieder van u zijn kwade weg verlaten en de gedachten die niet goed zijn prijsgeven.

[8] Daarom moet iedereen zichzelf het hele jaar door beschouwen als iemand die voor de helft verdienstelijk en voor de helft schuldig is, en ook de hele wereld beschouwe men als half verdienstelijk en half schuldig. Begaat men een zonde, dan slaat de weegschaal zowel in persoonlijk opzicht als ten aanzien van de wereld als geheel door naar de kant van de schuld en is men de oorzaak van verderf. Vervult men een gebod, dan slaat de weegschaal zowel in persoonlijk opzicht als ten aanzien van de hele wereld door ten goede en is men de oorzaak van heil en redding. Dat is wat er geschreven staat: ‘De rechtvaardige is de grondslag van de wereld’ (Spr. 10, 25). Hij die zich als een rechtvaardige gedraagt, houdt de wereld in evenwicht en brengt redding.

[9] Het is vanwege deze zaak dat geheel Israël gewoon is rechtvaardigheid te betrachten en veel goede daden te doen en om zich vanaf Nieuwjaar tot aan de Verzoendag nog meer bezig te houden met de Geboden dan alle andere dagen van het jaar. Zij allen hebben de gewoonte om gedurende die tien dagen ’s nachts op te staan en om in hun synagogen smeekgebeden en woorden van onderwerping te zeggen tot de dag aanbreekt.

5.[10] Op het moment dat ’s mensen zonden worden afgewogen tegen zijn verdiensten, rekent men hem een eerste zonde niet aan, en ook een tweede niet, maar wel een derde en wat er meer volgt. Wanneer zijn zonden vanaf de derde talrijker blijken te zijn dan zijn verdiensten, worden die eerste twee weer erbij getrokken en wordt hij over het geheel beoordeeld.

[11] Indien de verdiensten het overwicht op de zonden blijken te hebben, van de derde zonde af, worden ze allen één voor één vergeven: de derde geldt daarbij als eerste, want de eerste twee zijn al vergeven, en de vierde wordt de eerste wanneer de derde vergeven is, en zo door tot het einde.

[12] Wat tot nu toe gezegd is slaat op de enkeling alleen, want er staat geschreven: ‘Zie dit alles zal God twee, driemaal doen met een man’ (Job 33, 29). Maar over een gemeenschap worden de eerste drie zonden altijd opgeschort, want er staat geschreven: ‘Over drie zonden van Israël; maar over vier zal Ik het niet terughouden’ (Amos 2, 6). En wanneer het op deze wijze wordt toegerekend, wordt ook gerekend vanaf de vierde.

13] Wanneer bij het geheel van de zonden die door een middelmatig iemand zijn begaan, zich de zonde bevindt dat men nooit gebedsriemen heeft aangelegd, dan wordt men in overeenstemming met zijn zonden geoordeeld, maar men heeft wel een aandeel aan de Toekomende Wereld. Zo worden ook de zondaren die meer overtredingen hebben dan verdiensten, geoordeeld naar hun zondige daden, maar zij hebben wel een aandeel aan de Toekomende Wereld. Heel Israël heeft immers een aandeel aan de Toekomende Wereld, ook al hebben zij gezondigd, want er staat geschreven: ‘En uw volk, zij zijn allen rechtvaardigen; voor eeuwig zullen zij het land beërven’ (Jes. 60, 21). Land is hier beeldspraak en slaat op het land der levenden en dat is de Toekomende Wereld. Zo hebben ook de vrouwen en de volkeren der wereld een aandeel aan de Toekomende Wereld.

6.[14] Dit zijn degenen die geen aandeel hebben aan de Toekomende Wereld, 18 maar die worden uitgeroeid, vernietigd en veroordeeld wegens de grootte van hun boosheid en zondigheid tot in alle eeuwigheden: De ketters; de apikorsim;19 zij die de Thora loochenen; zij die de opstanding der doden loochenen; die de komst van de Verlosser loochenen; de afvalligen; zij die het volk tot zonde brengen; zij die afwijken van de wegen der gemeenschap; hij die opzettelijk in het openbaar overtredingen begaat, zoals Jehojakim deed (Jer. 36); de verraders; zij die de gemeenschap vrees aanjagen met onoprechte bedoelingen;20 zij die bloed vergieten; de kwaadsprekers; en hij die het teken van zijn besnijdenis verbergt.21

7. [15] Er zijn vijf categorieën ketters: Hij die zegt dat er geen God is en dat de wereld geen Bestierder heeft; hij die niet ontkent dat er een Bestierder is, maar dat er twee zijn of meer; hij die zegt dat er één Heer is, maar dat Hij lichamelijk is en afgebeeld kan worden; ook hij die zegt dat niet Hij alleen de Eerste en de Rots van allen is; en hij die een godheid buiten Hem vereert, opdat deze voor hem een voorspraak bij de Heer der werelden kan zijn. leder van deze vijf is een ketter.

8.[16] Er zijn drie categorieën apikorsim: hij die zegt dat er in het geheel geen profetie is en dat er geen vorm van kennis is die vanwege de Schepper het hart der mensen bereikt; hij die het profeetschap van onze leermeester Mozes ontkent; en hij die zegt dat de Schepper de daden der mensen niet kent. Elk van deze drie is een apikoros.

[17] Er zijn drie die de Thora loochenen: hij die zegt dat de Thora niet vanwege de Heer is. Zelfs indien het om één vers of één woord gaat waarvan hij zegt dat Mozes het uit zichzelf heeft gezegd, dan is zo iemand een loochenaar van de Thora; ook hij die de uitleg van de Thora, de Mondelinge Leer, loochent; en hij die het gezag van hen die de Thora overdragen in twijfel trekt, zoals Zadok en Boëthius deden22 hij die zegt dat de Schepper het ene gebod voor een ander vervangen heeft en dat deze Thora is afgeschaft, hoewel ze vanwege de Heer was, zoals de Christenen en de Moslims doen. leder van deze drie is een loochenaar van de Thora.23

9.[18] Er zijn twee categorieën afvalligen: hij die afvallig wordt naar aanleiding van één overtreding en hij die afvallig wordt met betrekking tot de hele Thora. Hij die afvallig wordt op één overtreding, is iemand die zich vermeten heeft deze overtreding opzettelijk te begaan, die het algemeen bekend laat worden en het zich tot gewoonte maakt, zelfs indien het van de lichtere overtredingen is. Bijvoorbeeld iemand heeft de gewoonte aangenomen om altijd linnen en wol tegelijk te dragen24 of de rand van zijn haar te scheren.25 Hij wekt zo de indruk alsof dit gebod voor hem is afgeschaft. Zie, zo iemand is op dit punt een afvallige, omdat hij het doet om weerstand op te roepen.

Een afvallige met betrekking tot de hele Thora is bijvoorbeeld iemand die tot een van de godsdiensten der volkeren overgaat op het moment dat er een vervolging wordt afgekondigd, en deze dan blijft aanhangen, omdat hij denkt dat het hem geen gewin oplevert om bij het geplaagde en vervolgde volk Israël te behoren en dat het voor hem beter is om te horen bij degenen die de macht in handen hebben. Zo iemand is afvallig van de hele Thora.

10.[19] Wie zijn degenen die het volk tot zonde brengen? Het maakt niet uit of iemand voorgaat in een grote zonde, zoals Jerobeam, Zadok of Boëthius,26 of dat hij de toon aangeeft in een lichtere zonde, al was het slechts het afschaffen van iets dat de Thora geboden heeft, of dat hij anderen tot zonde dwingt, zoals Manasse, die net zolang Israëlieten ter dood bracht tot ze afgodendienst bedreven,27 of anderen misleidt en ze op het verkeerde spoor brengt, zoals Jezus deed.28

11.[20] Ook al begaat degene die zich afzondert van de wegen van de gemeenschap geen enkele overtreding – hij houdt zich alleen maar afzijdig van de gemeente Israëls, vervult niet de gemeenschappelijk te volbrengen geboden, bemoeit zich niet met hun problemen en doet niet mee wanneer er gevast wordt; hij gaat zijn eigen gang als een willekeurige burger die nergens bij hoort – toch heeft zo iemand geen aandeel aan de Toekomende Wereld.

[21 ] Hij die opzettelijk overtredingen begaat, zoals Jehojakim, of het nu lichte of zware zijn, die heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld. Hij wordt genoemd iemand die de Thora naar willekeur uitlegt,29 omdat hij een brutaal gezicht zet en zich schaamteloos niets aantrekt van de woorden van de Thora.

12.[22] Er zijn twee categorieën verraders: hij die zijn medemens uitlevert in de handen van niet-joden om hem te laten doden of te laten mishandelen, en hij die het geld van zijn medemens uitlevert aan niet-joden, of aan een afperser – wat op hetzelfde neer komt. Beiden hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld.

13. [23] Zij die de gemeenschap vrees aanjagen met onoprechte bedoelingen, regeren met straffe hand en worden door velen gevreesd en geschuwd. Zij hebben enkel hun eigen aanzien op het oog en niets van wat zij nastreven is gericht op de eer van God, zoals ook het geval is bij de koningen der volkeren.

14. [24] Zelfs indien al deze vierentwintig personen die wij hebben opgesomd tot het volk Israël behoren, geen van allen hebben zij een aandeel aan de Toekomende Wereld. Hoewel de Wijzen ook nog van lichtere vergrijpen dan deze gezegd hebben dat hij die daar een gewoonte van maakt geen aandeel aan de Toekomende Wereld heeft hebben zij dat slechts gezegd met het doel dat men zich daarvan verre houdt en zich ervoor in acht neemt.30

[25] Het gaat om de volgende: Hij die voor zijn medemens bijnamen gebruikt, hij die zijn medemens in het openbaar beschaamd maakt, hij die zichzelf in de lucht steekt ten koste van zijn medemens, hij die de leerlingen der Wijzen minacht, hij die de feestdagen veracht en het heilige ontwijdt.

[26] AI deze dingen hebben slechts betrekking op ieder die een van deze dingen doet zonder voor zijn dood tot inkeer te komen en die daardoor geen aandeel heeft aan de Toekomende Wereld. Maar wie terugkeert van zijn boosheid en als berouwvolle zondaar sterft, die behoort tot de Toekomende Wereld, want tegen berouw is niets bestand. Zelfs iemand die zijn hele leven een godloochenaar is geweest maar op het laatst tot inkeer komt, heeft een aandeel aan de Toekomende Wereld, want er staat geschreven: ‘Vrede, vrede voor hem die ver is en die nabij is, zegt de Heer, en Ik zal hem genezen’ (Jes. 57, 19). Alle zondaren, boosaardigen, afvalligen en anderen die boete hebben gedaan – of het nu in het openbaar was of dat ze in het verborgene tot inkeer kwamen – worden aangenomen, want er staat geschreven: ‘Keert om, weerspannige kinderen’ (Jer. 3, 22): ook al zijn ze weerspannig en slechts in het verborgene teruggekeerd en niet in het openbaar, hun boetvaardigheid wordt aanvaard.

NOTEN:

17. Zoals geïmpliceerd in Lev. 23, 24; dit alleen al is voldoende reden voor het blazen ervan.

18. De volgende paragrafen zijn uitgewerkt naar het voorbeeld van de bekende passage uit de Mishna, Sanhedrin X, 1: ‘Heel Israël heeft een aandeel aan de Toekomende Wereld, …; en dit zijn degenen die geen aandeel aan de Toekomende Wereld hebben: Hij die zegt dat er in de Thora niet over de opstanding der doden wordt gesproken, dat de Thora niet van de hemel is, en de Apikoros… 2. Drie koningen en vier gewone mensen hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld: Jerobeam, Achab en Menasse … Bileam, Doëg, Achitofel en Gehazi. 3. De generatie van de zondvloed heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld … De mensen van Sodom … De verspieders … De generatie van de woestijn… 4. De burgers van een stad die aan afgoderij doet hebben geen aandeel aan de Toekomende Wereld.’ Het was deze passage die Maimonides in zijn commentaar op de Mishna aanleiding gaf tot het formuleren van zijn beroemde Dertien Geloofsprincipes van het Jodendom. Zie ook boven, noot 2, en Inleiding, p. 36-37.

19. Een term afgeleid van de naam van de griekse wijsgeer Epicurus; een in de Rabbijnse bronnen veel gebruikte aanduiding voor iemand met ketterse opvattingen over Gods voorzienigheid.

20. Letterlijk: niet ter wille van de Hemel (shello le-shem shamajim).

21. Moshech et orlato, letterlijk: die zijn voorhuid uitrekt, namelijk om te voorkomen dat men kan zien dat hij besneden is.

22. Zadok en Boëthius waren leerlingen van Antigonos van Socho (vroeg 2de eeuw voor de jaartelling) die golden als de stichters van de richting der Sadduceeën. Dezen loochenden o.a. het gezag van de Mondelinge Leer; vgl. bv. Avot de-Rabbi Nathan A, 5.

23. De formulering van deze passage lijkt te suggereren dat er niet drie maar vier categorieën Thora loochenaars zijn. De uitleggers houden het erop dat voor Maimonides het geloof in de Mondelinge Leer en in de gezaghebbendheid van hen die de Thora overdragen een en hetzelfde is.

24. Het zgn. Sha’atnez, vgl. Lev. 19, 19; Deut. 22, 1 1.

25. Vgl. Lev. 19, 27.

<26. Zie I Kon. 12, 25-32; 14, 16; etc., en boven par. 8 (noot 22).<

27. Zie 11 Kon. 21, m.n. vs. 16., en Sanhedrin 103b.

28. De gangbare edities hebben, waarschijnlijk ten gevolge van censuur, de woorden ‘zoals Jezus’ niet. Structuur en inhoud van deze paragraaf pleiten ervoor Qafih’s Iezing te volgen. Hij citeert een passage uit Sota 47a, die in de gangbare Talmudedities ook niet voorkomt: ‘Jezus toverde, hitste op, misleidde en deed Israël zondigen’ (Haggahot ha-Talmud, Constantinopel 151 1, t.p.). Voor de context zie J. Maier, Jesus von Nazareth in der talmudischen Ueberlieferung (Darmstadt 1978), p. 1 10, spec. noot 241.

29. Megalle panim ba-Tora, vgl. bv. Avot Ill, 1 1. Maimonides volgt hier een interpretatie van deze wat problematische term die verband legt met de uitdrukking azzutpanim – brutaliteit.

30. Het is kenmerkend voor Maimonides’ harmonisatietechniek dat hij de vele andere zondaars aan wie in de Rabbijnse bronnen de toegang tot de Toekomende Wereld wordt ontzegd, op deze wijze van ondergeschikte betekenis verklaart. Dergelijke ondeugden noemt hij bijv. ook in de Regels van het Gedrag VI, 3, 8-9.

DEEL 11. HICHOT TESJOEWA (I)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1 t/m 4 en Deel 1 t/m 9 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT TESJOEWA

REGELS VAN BOETE EN BEROUW

Korte inhoud:

I. Het is ons geboden belijdenis van schuld af te leggen voor begane zonden. Boete en berouw (tesjoewa) spelen een belangrijke rol ter verkrijging van verzoening van schuld.

II. Oprechtheid van berouw impliceert de noodzaak het begane kwaad metterdaad goed te maken. Nieuwjaar en Verzoendag zijn bij uitstek tijdstippen voor inkeer.

CORRECTIE EN VERDUIDELIJKING DOOR BETH HAMIDRASH AAN DE TEKST OVER HET BEGRIP TESJOEWA

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een Tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

De Regels van Boete en Berouw ( TESJOEWA )

Hieronder valt één gebod, namelijk dat de zondaar terugkere van zijn zonde voor het aangezicht van de Heer en belijdenis doe.1 En de uitleg van dit Gebod en de geloofsprincipes 2 die ermee samenhangen zijn in deze hoofdstukken vervat.

HOOFDSTUK I

1. Indien iemand een van de Geboden van de Thora heeft overtreden, of het nu een gebod of een verbod is, hetzij met opzet of per ongeluk, dan moet hij, wanneer hij tot inkeer komt en terugkeert van zijn zonde, deze belijden tegenover God, want er staat geschreven: ‘Wanneer een man of een vrouw enige zonde begaat… dan moeten zij de zonde die zij begaan hebben belijden’ (Num. 5, 6-7); dit is de uitgesproken belijdenis van schuld. Deze belijdenis is een van de Geboden.

[2] Hoe doet men schuldbelijdenis? Men zegt: Och Here, ik heb gezondigd, ik heb kwaad gedaan, ik ben weerspannig geweest tegenover Uw aangezicht en aldus gedaan. Maar zie, ik heb spijt en ik schaam mij over mijn daden en nooit zal ik dit weer doen. Dit is de kern van de schuldbelijdenis, maar ieder die uitvoeriger en langduriger schuld belijdt, is des te meer te prijzen.

[3] Eveneens werd al, degenen die zond- en schuldoffers moesten brengen, bij hun offers voor de per ongeluk of met opzet begane zonden pas verzoening geschonken, wanneer zij eerst tot inkeer kwamen en hun schuldbelijdenis hardop uitspraken, want er staat geschreven: ‘En hij zal belijdenis doen van hetgeen hij heeft misdaan’ (Lev. 5,5).

[4] Zo wordt niemand die de dood schuldig is of die gegeseld moet worden, bij zijn dood of gelijk met de straf verzoening geschonken, tenzij hij tot inkeer is gekomen en belijdenis heeft gedaan. Iemand die zijn naaste heeft benadeeld en hem geldelijk verlies heeft toegebracht, wordt geen verzoening vergund wanneer hij slechts heeft terugbetaald wat hij schuldig is, maar pas wanneer hij belijdenis heeft gedaan en zich omkeert om nooit meer iets dergelijks te doen, zoals er geschreven staat: ‘Van alle zonden die een mens doet’ (Num. 5, 6).

2. [5] Omdat de zondebok verzoening bracht over heel Israël,3 zei de hogepriester daarover de belijdenis in naam van het volk, zoals er staat geschreven: ‘En hij zal over hem al de overtredingen van de kinderen Israëls belijden’ (Lev. 16, 21).

[6] De zondebok verzoende al de overtredingen die in de Thora staan, zowel de lichte als de zware, of men die met opzet dan wel per ongeluk begaan heeft; zowel de bewuste als de onbewuste zonden werden door de zondebok verzoend. Dat wil zeggen: wanneer men tot inkeer kwam. Maar wanneer men niet tot inkeer kwam, verzoende de bok slechts de lichte zonden.

[7] Welke zijn dan de lichte en welke de zware zonden? De zware zonden zijn die waarvoor men de doodstraf4 of de voortijdige dood5 verdient. Hoewel op een lichtzinnige of leugenachtige eed niet de straf van de voortijdige dood staat, is ook dat een van de zware zonden. Alle andere geboden en verboden waar niet de straf van de vroege dood op staat, zijn lichte zonden.

3. [8] Sinds de tijd dat de tempel niet meer bestaat en het altaar der verzoening er niet meer is, resten ons slechts boete en berouw.6 Boete en berouw doen verzoening voor alle zonden. Zelfs iemand die zijn hele leven een slecht mens is geweest maar op het laatst tot inkeer komt, wordt niet meer aan zijn zondige verleden herinnerd, want er staat geschreven: ‘De zondaar zal niet meer door zijn zondigheid ten val gebracht worden ten dage dat hij terugkeert van zijn zonde’ (Ezech. 33,12). Het is de Grote Verzoendag zelf die verzoening brengt over hen die tot inkeer komen, zoals er geschreven staat: ‘Want op die dag zal Hij verzoening over hen doen’ (Lev. 16, 30).

4. [9] Alhoewel boete en berouw voor alles verzoening brengen en de Grote Verzoendag de verzoening effectueert, zijn er overtredingen die meteen verzoend kunnen worden, naast andere die pas na enige tijd verzoend worden.

Hoe gaat dat in zijn werk?7 Iemand overtreedt een gebod waarop niet de straf van een voortijdige dood staat, en komt tot inkeer. Nog voordat hij een stap gedaan heeft, wordt het hem onmiddellijk vergeven. Over deze dingen staat geschreven: ‘Komt tot inkeer weerspannige kinderen en Ik zal uw afvalligheden genezen’ (Jer. 3, 22).

[10] Wanneer iemand echter een verbod overtreedt waarop niet de straf van een voortijdige dood en ook niet de doodstraf van het gerecht staat, en hij doet daarna boete, dan schort de boete de straf op en de Grote Verzoendag brengt pas de verzoening. Hierover staat geschreven: ‘Op die dag zal Hij verzoening over U doen’ (Lev. 16, 30). [11] Wanneer iemand een overtreding begaat met betrekking tot zaken die bestraft worden met een voortijdige dood of met de doodstraf, maar hij komt tot inkeer, dan schorten de inkeer en de Grote Verzoendag de straf op, maar pas het lijden dat hem overkomt zal de verzoening volbrengen. Nooit zal een volledige verzoening tot stand komen als hij niet door lijden wordt bezocht. Hierover staat geschreven: ‘Ik zal hun overtreding met de roede bezoeken en hun zonde met plagen’ (Ps. 89, 33).

[12] Wat tot dusver gezegd is gaat alleen op wanneer de zondaar bij zijn overtreding niet de naam van God heeft ontwijd. Want wie de Naam ontwijdt, ontvangt pas en volledige verzoening wanneer hij sterft, ook al is hij tot inkeer gekomen en heeft hij de Grote Verzoendag in boete en berouw doorgebracht en is hem allerlei lijden toegevallen. In dat geval schorten de inkeer, de Grote Verzoendag en het lijden alle drie de straf op, maar pas de dood brengt verzoening, zoals er geschreven staat: ‘De Heer der legermachten heeft Zich in mijn oren geopenbaard: Zou de zonde voor u verzoend worden, voordat gij sterft?’ (Jes. 22, 14).

HOOFDSTUK II

1. Wat is een oprecht berouw? Dat is wanneer iemand in de gelegenheid is om een zonde to begaan die hij ook al eerder heeft begaan, maar hij houdt zich in en doet het niet weer, omdat hij tot inkeer is gekomen en niet uit bangheid of omdat zijn krachten niet meer toereikend zijn.

Hoe is dat? lemand heeft bijvoorbeeld zondige omgang gehad met een vrouw. Een tijd later treft hij haar opnieuw, hij heeft haar nog steeds lief, zijn lichaam verlangt krachtig en het voorval vindt plaats in dezelfde omgeving waar hij de vorige overtreding heeft begaan. Maar hij houdt zich in en zondigt niet. Zo iemand is een oprechte boeteling. Dat is wat Salomo zei: ‘Gedenk uw Schepper in uw jongelingsjaren’ (Pred. 12, 1).

[2] Maar indien men pas in zijn ouderdom tot inkeer komt, in een tijd dat het niet meer mogelijk is te doen wat men placht te doen, zulk een inkeer is weliswaar niet voortreffelijk, maar toch nuttig en ook dan is men een boeteling. Zelfs iemand die heel zijn leven in zonde heeft geleefd maar tot inkeer komt op de dag van zijn dood, al diens zonden zijn vergeven, zoals er geschreven staat: ‘Voordat de zon verduistert’ (Pred. 12, 2), dat slaat op de dag van de dood.8 Dit houdt in dat degene die zijn Schepper gedenkt en omkeert voordat hij sterft, vergiffenis wordt geschonken.

2. [3] En wat is die omkeer? Dat is wanneer een zondaar zijn zonde achter zich laat en deze uit zijn gedachten bant en zich vast voorneemt om het niet meer te doen, zoals er geschreven staat: ‘De kwaadwillige moge zijn weg verlaten en de man van onrecht zijn gedachten’ (Jes. 55, 7). Ook moet het hem berouwen dat hij een overtreding heeft begaan, zoals er geschreven staat: ‘Want na mijn omkeer heb ik berouw gehad en nadat ik mij er bewust van ben geworden heb ik mij op de dij geslagen’ (Jer. 31, 18; vert. 19). En hij moet getuigen bij Hem die het verborgene kent dat hij nooit weer tot die zonde terug zal keren, zoals er geschreven staat: ‘En wij zullen niet meer zeggen tot het maaksel van onze handen: onze God; want slechts door U zal de wees barmhartigheid ervaren’ (Hosea 14, 4). Men moet dus met de mond schuld belijden en de dingen die men zich heeft voorgenomen metterdaad uitspreken.

3. [4] leder die met woorden belijdenis doet maar zich niet voorneemt de zonde na te laten, is gelijk iemand die zich onderdompelt voor een reiniging met een onrein gedierte in zijn hand. Zo’n reiniging heeft pas effect wanneer hij het beest van zich werpt. Zo staat er ook geschreven: ‘Wie belijdt en nalaat, ervaart barmhartigheid’ (Spr. 28,13). En men moet de zonde bij de naam noemen, zoals er geschreven staat: ‘Welaan, dit volk heeft een grote zonde begaan: zij hebben zich goden van goud gemaakt’ (Ex. 32, 31).

4. [5] Het behoort tot de wegen van boete en berouw dat de boeteling gedurig tot de Heer roept in smeking en geween en dat hij liefdadigheid beoefent naar zijn vermogen. Hij houdt zich zeer ver van de zaak waarin hij heeft gezondigd en verandert zijn naam, als het ware om te zeggen: Ik ben een ander, ik ben niet meer de man die die daden heeft verricht. Hij verandert al zijn daden ten goede en houdt zich aan de rechte weg. Hij trekt weg uit zijn woonplaats, omdat zwerven als een balling verzoening brengt voor de zonde en het een mens deemoedig maakt en zorgt dat men nederig en onderworpen is.

5. [6] Het is zeer prijzenswaardig wanneer de boeteling in het openbaar schuld belijdt en aan een ieder te kennen geeft waarin hij gezondigd heeft. Hij maakt de overtredingen die hij ten opzichte van zijn medemensen heeft begaan openbaar en zegt: Zeker, ik heb tegen Die-en-die gezondigd en zo-en-zo heb ik gedaan. Maar zie, vandaag ben ik tot inkeer gekomen en ik heb er spijt van. Ieder die zich daar te goed voor acht en zijn zonden niet prijsgeeft maar ze liever verborgen houdt, diens berouw is niet volledig, zoals er geschreven staat: ‘Wie zijn zonden bedekt zal niet slagen’ (Spr. 28, 13).

[7] Waarop slaat het gesprokene? Op de zonden die begaan zijn tegenover een medemens. Maar zonden tegen de Allerhoogste hoeft men niet wereldkundig te maken en het getuigt van botheid indien men die wel openbaar maakt. Men komt voor God tot inkeer, somt voor Zijn aangezicht zijn zonden op en belijdt daarover in het openbaar zijn schuld zonder nadere aanduiding. Het is een weldaad wanneer zo’n zonde niet openbaar wordt, want er staat geschreven: ‘Gelukzalig hij wiens overtreding vergeven is, wiens zonden zijn bedekt’ (Ps. 32, 1).

6.[8] Alhoewel boete en luidkeels berouw altijd goed zijn, is het tijdens de tien dagen tussen Nieuwjaar en Grote Verzoendag bij uitstek gepast. Dan wordt het ook onmiddellijk verhoord, zoals er geschreven staat: ‘Zoekt de Heer wanneer Hij zich laat vinden, roept Hem aan wanneer Hij nabij is’ (Jes. 55, 6). Op wie is dit van toepassing? Op de enkeling. Maar de gemeenschap wordt altijd verhoord wanneer ze oprecht en luidkeels boete doet, zoals er geschreven staat: ‘(… zo nabij) als de Heer, onze God, steeds wanneer wij tot Hem roepen’ (Dt. 4, 7).

7. [9] De Grote Verzoendag is de tijd van boete voor allen, zowel voor de enkeling als voor de gemeenschap, en het is de termijn van vergeving voor Israël. Daarom moeten allen boete doen en schuld belijden op de Grote Verzoendag. Geboden is dat men het belijden van schuld op de Grote Verzoendag de dag te voren begint, voordat men gegeten heeft, zodat men belijdenis van schuld heeft gedaan indien men zich bij de maaltijd dodelijk zou verslikken.9 En alhoewel men voor de maaltijd schuld beleden heeft, doet men het opnieuw in het avondgebed van de nacht van Grote Verzoendag en weer opnieuw bij het ochtendgebed, bij het toegevoegde gebed, bij het middag gebed en bij het avondgebed. Op welk moment valt de schuldbelijdenis? Voor de enkeling valt het na het Achttiengebed, maar de voorganger zegt het in het midden van het gebed in de vierde bede.

8. [10] De schuldbelijdenis die heel Israël pleegt te zeggen is: Maar wij hebben gezondigd…. etc.10 en dat is de kern van de schuldbelijdenis. De zonden die men op de ene Verzoendag heeft beleden, belijdt men opnieuw op de volgende Verzoendag, want er staat geschreven: ‘Want mijn overtredingen ken ik en mijn zonden staan mij altijd voor ogen’ (Ps. 51, 5).

9. [11] Door het doen van boete en [het beleven van] de Verzoendag zelf worden alleen de zonden tegenover de Allerhoogste verzoend,11 zoals het eten van verboden voedsel of het aangaan van een verboden geslachtsgemeenschap en dergelijke dingen. Maar zonden tegen de medemens, zoals het toebrengen van schade, iemand vervloeken of diefstal en dergelijke, worden pas vergeven, nadat men teruggegeven heeft wat men de naaste schuldig is en vrede met hem heeft gesloten.

[12] Ook al heeft men geld teruggegeven dat men schuldig is, toch moet men vrede sluiten en vragen of de ander het wil vergeven. Zelfs als men de naaste alleen maar met woorden heeft lastig gevallen, moet men het met hem bijleggen en er net zolang bij hem op aandringen, totdat hij het vergeeft.

[13] Wanneer deze hem niet wil vergeven, brengt men een groep van drie mannen mee die bekenden van hem zijn en die sterke druk op hem kunnen uitoefenen. Als hij zich door hen niet laat vermurwen, brengt men nog een tweede en een derde groep. Als hij dan nog niet wil, laat men het erbij zitten en ga men zijns weegs; dan is degene die niet heeft willen vergeven de zondaar. Maar als deze uw leermeester is, dan moet men wel duizend keer om vergeving komen vragen.12

10. [14] Omdat het een mens dus verboden is hardvochtig en onverzoenlijk te zijn, maar men zich gemakkelijk moet laten verbidden en zich moeilijk kwaad mag laten maken,13 daarom moet men, wanneer de zondaar om vergeving komt vragen, van harte en vol bereidwilligheid vergeving schenken. Zelfs wanneer hij leed berokkend heeft en veel heeft misdaan, dient men niet wraakgierig te zijn en geen wrok te koesteren.14 Dat is de manier van doen van het zaad Israëls met hun goede inborst. Maar de volkeren die onbesneden zijn van hart, zijn niet zo; ‘Hun gramschap wordt immer gekoesterd’ (vgl. Amos 1, 1 1). Zo staat er ook van de Gibeonieten, die niet wilden toegeven en het niet wilden bijleggen, ‘De Gibeonieten waren niet van de kinderen Israëls’ (11 Sam. 21, 2).

11. [15] Wanneer een medemens, tegenover wie men gezondigd heeft, sterft, voordat men vergiffenis heeft kunnen vragen, brengt men tien mannen bijeen rondom zijn graf en zegt ten overstaan van hen: Ik heb gezondigd tegen de Heer de God van Israël en tegenover deze Die-en-die, want ik heb hem dat-en-dat aangedaan.15 Indien hij hem geld schuldig was, geeft hij dat aan de erfgenamen terug. Is er geen erfgenaam bekend, dan deponeert hij het bij het gerechtshof en belijdt hij zijn schuld.10

Noten:

1. Niet de omkeer in berouw is het eigenlijke bijbelse Gebod, maar de belijdenis van schuld, zoals beneden in I, 1 wordt afgeleid uit Num. 5, 6-

2. Iqqarim, ook de naam die Maimonides gaf aan de grondslagen van het joodse geloof in zijn inleidende beschouwingen in het Mishnacommentaar op Sanhedrin X; zie beneden IV, 6 e.v., en Inleiding, pp. 36-37.

3. Bij het ritueel van de Grote Verzoendag.

4. Mitat Bet Din; zie Inleiding, p. 44.

5. Karet; zie beneden VIH, 1 [2] en Inleiding, p. 44.

6. Teshuva; voor de verschillende betekenis nuances zie Inleiding, p. 35.

7. De rest van dit Hoofdstuk, over de zgn. Vier Wijzen van Verzoening (Arba’a chaluke kappara) is ontleend aan Tosefta Kippurim IV, 6-8; ioma 86a, beneden; etc.

8. Zie Shabbat 151b.

9. Zie Joma 87b.

10. In de gebedenboeken staat de schuldbelijdenis van de Grote Verzoendag steeds na het Achttiengebed. De tekst van Maimonides vertoont enige verschillen met de gangbare; zie zijn versie van de liturgie opgenomen aan het eind van Boek 11 (Ahava) van de Mishne Thora.

11. Joma VIII, 7.

12. Vgl. voor dit alles Joma 87a.

13. Vgl. Avot V, 1 1.

14. Vgl. Lev. 19, 18; en boven Regels van Gedrag VII, 7-8.

15. Joma 87a.

DEEL 10. DE’OT HICHOT (V)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6.7.8.9 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

KORTE INHOUD:

VI: Gedrag is een product van navolging en daarom moet men goed gezelschap zoeken. Het gedrag van rechtvaardigen en wijzen diene als voorbeeld, m.n. voor de omgang met de medemens en de afwikkeling van conflicten, onderling vermaan, beschaming, de houding tegenover weduwen en wezen.

VII: Kwaadspreken en wraakzucht zijn de oorzaak van veel kwaad.

‘Dit is het juiste gedrag, dat een beschaafde samenleving en de omgang van mensen onder elkaar mogelijk maakt.’

Hoofdstuk VI

1.De mens is zo geschapen dat hij in zijn eigenschappen en daden wordt beïnvloed door zijn vrienden en medemensen, en dat hij zich gedraagt overeenkomstig de gewoonten van zijn landgenoten. Daarom moet een mens zich aansluiten bij de rechtvaardigen en altijd verkeren in het gezelschap van wijze mensen, opdat hij van hun daden kan leren. Hij moet zich verre houden van zondaren die in duisternis wandelen, opdat hij van hun daden niet lere. Dat is wat Salomo zei: ‘Hij die met wijzen wandelt zal wijs worden, maar wie met dwazen verkeert wordt slecht’ (Spr. 13, 20). En er staat: ‘Welgelukzalig de man (die niet wandelt in der bozen raad, op de weg der zondaren niet staat … )’ (Ps. 1, 1).

[2] Zo is het ook wanneer men in een land leeft met slechte gewoonten en waar de inwoners niet de rechte weg bewandelen. Dan moet men naar een plaats gaan waar de mensen wel rechtvaardig zijn en ze zich wel op een goede manier gedragen. Als alle landen die men kent of waarvan men gehoord heeft, deze onjuiste weg volgen, zoals tegenwoordig, of wanneer men vanwege oorlogsdreiging of ziekte niet in staat is naar een land te gaan dat goede gebruiken kent, dan moet men zich voor hen afsluiten, zoals er geschreven staat: ‘Die zal alleen zitten en zwijgen’ (Klaagl. 3, 28). Als er slechte en zondige mensen zijn die niet toelaten dat men in hun land woont zonder zich bij hen aan te sluiten en hun slechte gewoonten te volgen, dan moet men uitwijken naar de spelonken en de doornige woestijnen en zich niet voegen naar de weg der zondaars, zoals er geschreven staat: ‘Wie geve mij in de woestijn een nachtverblijf voor reizigers’ (Jer. 9, 1; vert. 2).

2.[3] Het is een van de Geboden van de Thora dat men zich aansluit bij de Wijzen om van hun daden te leren, want er staat geschreven: ‘En Hem zult gij aanhangen’ (Deut. 10, 20). Is het dan mogelijk dat een mens de goddelijke Tegenwoordigheid aanhangt? Nee, maar de Wijzen hebben ter verduidelijking van dit Gebod gezegd: Hang de Wijzen en hun leerlingen aan.52 Daarom moet de mens zich erop’ toeleggen een dochter van een geleerde te huwen en zijn eigen dochters aan geleerden uit te huwelijken, om met geleerden te eten en te drinken, met hen zaken te doen en zich op allerlei mogelijke wijzen bij hen aan te sluiten, want er staat immers geschreven: ‘En om Hem aan te hangen’ (Deut. 11, 22), en zo hebben de Wijzen bevolen: Laat u bestuiven met het stof van hun voeten en drink hun woorden dorstig in.53

3.[4] leder mens is geboden het hele volk Israël lief te hebben als zijn eigen lichaam, want er staat geschreven: ‘En gij zult uw naaste liefhebben als u zelf’ (Lev. 19, 18). Daarom moet men hen in prijzende zin vermelden en hun geld ontzien, zoals men ook zijn eigen bezit ontziet en men op zijn eigen reputatie bedacht is. Hij die zichzelf in de lucht steekt ten koste van zijn naaste, heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld.54

4.[5] Met de liefde voor de vreemdeling die is gekomen om te schuilen onder de vleugels van de goddelijke Tegenwoordigheid, zijn twee Geboden verbonden, één omdat hij behoort tot de categorie der vrienden en één omdat hij een vreemdeling is van wie de Thora heeft gezegd: ‘De vreemdeling zult gij liefhebben’ (Deut. 10, 19). Op dezelfde wijze als Hij de liefde tot Zijn naam heeft geboden, zo heeft Hij ook de liefde tot de vreemdeling geboden, wanneer er staat geschreven: ‘En gij zult de Heer uw God liefhebben’ (Deut. 1 1, 1). En de Heilige heeft zelf de vreemdelingen lief, zoals er geschreven staat: ‘Die de vreemdeling liefheeft’ (Deut. 10, 18).

5.[6] leder die iemand uit het volk Israël in zijn hart haat, overtreedt een verbod, want er staat geschreven: ‘Gij zult uw broeder in uw hart niet haten’ (Lev. 19, 17), maar er wordt [op de overtreding van] dit verbod geen straf toegepast, omdat het niet met daden gepaard gaat. De Thora verbiedt alleen de haat die in het hart is. Maar hij die zijn naaste slaat of hem beschimpt, ook al is dat geenszins geoorloofd, overtreedt daarmee niet dit verbod om te haten.

6. [7] Wanneer de ene mens tegen de ander zondigt, mag deze hem niet gaan haten en toch blijven zwijgen, zoals er geschreven staat aangaande de zondaren: ‘En niet sprak Absalom met Amnon, ten kwade noch ten goede, want Absalom haatte Amnon’ (11 Sam. 13,22). Maar het is een Gebod voor hem om het hem te laten weten en te zeggen: Waarom heb je mij dat-en-dat aangedaan en waarom heb je tegen mij gezondigd met betrekking tot die-en-die zaak? Want er staat geschreven: ‘Gij zult uw volksgenoot zeker vermanen, zodat gij door hem geen zonde zult dragen’ (Lev. 19, 17). En als hij erop terugkomt en vraagt of hij het hem wil vergeven, dan moet men hem ook vergeven, want degene die kan vergeven mag niet wreedaardig zijn, zoals er geschreven staat: ‘En Abraham bad tot God, (zodat God Abimelech genas … )’ (Gen. 20, 17).55

7. [8] Wie zijn medemens ziet zondigen of ziet dat hij zich in iets begeeft dat niet goed is, is geboden hem ten goede te doen terugkeren en om hem te laten weten dat hij tegenover zichzelf een zonde begaat met zijn boze daden, want er staat geschreven: ‘Gij zult uw volksgenoot zeker vermanen’ (Lev. 19, 17).

[9] Wie zijn medemens vermaant, hetzij met betrekking tot iets dat zich onderling afspeelt, hetzij met betrekking tot iets tussen God en mens, moet hem onder vier ogen terechtwijzen en hem rustig en in gematigde bewoordingen toespreken. Hij moet hem laten weten dat hij het hem alleen maar voor zijn eigen bestwil zegt en om hem voor de Toekomende Wereld te behouden. Als die persoon het van hem aanneemt is het goed, maar als hij dat niet doet moet hij hem nog een tweede en een derde maal terechtwijzen. En men blijft net zolang verplicht tot vermaning, tot de zondaar begint te slaan en zegt: Ik luister niet. 56 En als men hem niet met al het mogelijke tracht tegen te houden, zal men zelf verstrikt raken in de zonden van al degenen die men had kunnen weerhouden.

8.[10] Wie begint zijn medemens terecht te wijzen, moet niet zo streng tegen hem zijn dat hij zich gaat schamen, want er staat geschreven: ‘Gij zult door hem geen zonde dragen’ (Lev. 19, 17). Zo hebben de Wijzen gezegd: Kunt gij hem zo streng terechtwijzen dat zijn gezicht ervan verschiet? Neen, er staat geschreven: ‘Gij zult door hem geen zonde dragen’.57 Daarom is het verboden een Israëliet tot schaamte te brengen, en al helemaal in het openbaar.

[11] Alhoewel degene die zijn medemens tot schaamte brengt niet gestraft wordt, is het een grote zonde. Zo hebben de Wijzen gezegd: Hij die het gezicht van zijn medemens van schaamte bleek laat worden, heeft geen aandeel aan de Toekomende Wereld.58 Daarom moet een mens hiervoor gewaarschuwd zijn, zodat hij zijn medemens niet in het openbaar beschaamd maakt, of hij nu klein is of groot, en hem niet een benaming geven waarvoor hij zich moet schamen, of iets in zijn aanwezigheid ter sprake brengen waarover hij zich schaamt.

[12] Waarover spreken wij? Over dingen die plaats vinden tussen de, mens en zijn naaste. Maar over dingen die de hemel aangaan mag men iemand wel beschaamd maken, zolang hij niet in stilte op zijn schreden is teruggekeerd. Men vertelt zijn zonde aan iedereen, beschimpt hem waar hij bij staat en vervloekt hem, tot hij zich ten goede omkeert, net zoals alle profeten met het volk van Israël deden.

9. [13] Wanneer iemand in het geval dat zijn medemens tegen hem gezondigd heeft, deze niet wil terechtwijzen en niets tegen hem wil zeggen, omdat degene die de misstap begaan heeft bijzonder onwetend of niet goed bij zinnen is, zodat hij hem in zijn hart al vergeven heeft en geen wrok tegen hem koestert en hij hem niet terechtwijst, dan is dat de eigenschap der vroomheid (chasidut). De Thora is echter heel duidelijk over de echte wrok.

10.[14] De mens is verplicht de weduwen en wezen te ontzien, omdat zij een zeer moeilijk leven hebben en hun geest temeer geslagen is, zelfs wanneer ze geld bezitten. Zelfs de weduwe van een koning en wezen van een koning vallen voor ons onder dit gebod, want er staat geschreven: ‘Geen enkele weduwe en wees zult gij verdrukken’ (Ex. 22, 21; vert. 22).

[15] Hoe dient men met hen om te gaan? Men zegt alleen maar vriendelijke dingen tegen hen en gaat met respect met hen om. Men pijnigt hun lichaam niet met werk en hun hart niet met woorden, terwijl men hun bezit nog meer ontziet dan het eigene.

[16] leder die hen boos of wrevelig maakt, hun hart verdriet doet, heerszuchtig tegen hen optreedt of hun geld verloren doet gaan, zo iemand overtreedt een goddelijk Gebod, hoeveel te meer niet degene die hen slaat of vervloekt. Ook al past men op [het overtreden van] dit gebod geen straffen toe, toch staat de straf ervoor in de Thora erbij vermeld: ‘(lndien gij dezen toch verdrukt … ), dan zal Mijn toorn ontbranden en Ik u met het zwaard doden’ (Ex. 22, (22)-23; vert. (23)-24). Hij Die door Zijn woord de wereld schiep, heeft een verbond met hen gesloten dat zij verhoord zullen worden telkenmale wanneer zij wegens gewelddaden [tot Hem] roepen, want er staat geschreven: ‘Wanneer hij tot Mij roept, zal Ik voorzeker naar zijn geroep luisteren’ (Ex. 22, 22; vert. 23).

[17] Dit gaat alleen op wanneer iemand de wees ter wille van eigen voordeel onderdrukt. Maar wanneer een rabbijn hem onder druk zet om hem Thora of een ambacht te laten leren of om hem op de juiste wijze terecht te wijzen, dan is dat geoorloofd. Toch moet hij hem niet behandelen zoals hij iedereen behandelt, maar hij moet onderscheid maken en hem kalm en met groot mededogen en respect bij de hand nemen, want de Heer zal hun geding voeren. Voor de wees zonder vader geldt hetzelfde als voor de wees zonder moeder. Tot welke leeftijd gelden zij als wezen? Totdat ze geen volwassenen meer ter ondersteuning nodig hebben voor hun opvoeding en verzorging, maar al het nodige zelf kunnen verrichten, zoals alle andere volwassenen.

Hoofdstuk VII

1. Wie praatjes over zijn medemens rondstrooit, overtreedt een Gebod, want er staat geschreven: ‘Gij zult onder uw volksgenoten niet kwaadsprekend rondgaan’ (Lev. 19, 16) en alhoewel er op [de overtreding van] dit verbod geen straf wordt toegepast, is het toch een groot vergrijp, dat de dood van vele zielen in Israël heeft veroorzaakt. Daarom vervolgt het vers: ‘Gij zult niet staan op het bloed van uw naaste’. Ga maar na wat er gebeurde met de Edomiet Doëg.59

2. Wie is zo’n praatjesverkoper? Hij die dingen beweert en van de een naar de ander gaat en zegt: Die-en-die heeft dat-en-dat gezegd, dat-en-dat heb ik over je-weet-wel gehoord. Ook al spreekt hij de waarheid, zo iemand richt de wereld te gronde.

[3] Een nog veel grotere zonde valt ook onder dit gebod, en dat is de kwaadsprekerij, wanneer men dingen ten nadele van zijn medemens vertelt, ook al zijn ze waar. Maar hij die leugens vertelt wordt genoemd ‘iemand die een kwade roep over zijn naaste verspreidt’.60 Wie deze vorm van kwaadsprekerij bedrijft, gaat zitten en zegt: Dat en-dat heeft Die-en-die mij aangedaan, zus-en-zo heb ik over hem gehoord. En dan zegt hij lasterlijke dingen. Over zo iemand zegt de Schrift: ‘De Heer zal uitrukken alle gladde lippen, de tong die gewichtigheden spreekt’ (Ps. 12, 4).

3.[4] De Wijzen hebben gezegd: Voor drie overtredingen wordt de mens in deze wereld gestraft en verliest hij zijn aandeel aan de Toekomende Wereld: afgodendienst, onkuisheid en bloedvergieten; maar kwaadsprekerij overtreft deze allen.61

[5] Ook zeiden de Wijzen: leder die kwaadspreekt geldt als iemand die Gods bestaan heeft geloochend, want er staat geschreven: ‘Die zeggen: onze tong zullen wij sterk maken, onze lippen zijn met ons. Wie is heer over ons?’ (Ps. 12, 5).62

Ook zeiden de Wijzen: Kwaadsprekerij veroorzaakt de dood van drie personen: van hem die spreekt, van hem die het aanneemt en van de besprokene; maar groter gevaar loopt hij die het aanneemt dan hij die het uitspreekt.63

4.[6] Er zijn ook dingen die men insinuaties noemt.64 Hoe? Bijvoorbeeld: Wie zou gedacht hebben dat het met die-en-die zo zou aflopen! Of. Hou maar op, wat Die-en-die is overkomen en waarom, dat zal ik maar niet vertellen! En dergelijke dingen meer. Ook degene die ten goede van zijn medemens spreekt in het bijzijn van diens vijanden, die doet aan insinuaties want hij is er de oorzaak van dat zij hem te schande gaan maken. Hierover heeft Salomo gezegd: ‘Wie zijn naaste vroeg in de morgen met luide stem zegent, het wordt hem als een vervloeking aangerekend’ (Spr. 27, 14), want van goed komt dan kwaad.

[7] Ook van hem die aan kwaadsprekerij doet op luchtige, spottende wijze, alsof het niet haatdragend bedoeld is, heeft Salomo gezegd: ‘Als een dolle, die dodelijke schichten en pijlen afschiet (zo is hij die zijn naaste bedriegt) en zegt: Ik maak toch maar een grapje’ (Spr. 26, 18-19). Zo kan men ook bedriegelijk kwaadspreken, wanneer men zich van de domme houdt, alsof men niet weet dat datgene wat men zegt kwaadsprekerij is en men zich verweert met de woorden: ik wist niet dat Die-en-die zoiets gedaan heeft en dat het kwaadsprekerij zou zijn.

5.[8] Het komt op hetzelfde neer of men kwaadspreekt in aanwezigheid van het slachtoffer of dat men dingen zegt die, wanneer ze van de een naar de ander worden doorgegeven, hem schade toebrengen aan lichaam of bezit; zelfs wanneer het gesprokene hem alleen maar in het nauw brengt of bang maakt, dan is dat kwaadsprekerij.

Wanneer het in aanwezigheid van drie personen gezegd wordt, dan wordt ernaar geluisterd en dan is het een bekende zaak geworden. Indien een van deze drie het daarna verder vertelt, is het geen kwaadsprekerij meer, omdat men dan niet meer de bedoeling kan hebben een gerucht door te geven en openbaar te maken.

6. [9] AI deze personen zijn kwaadsprekers en het is verboden zelfs in hun nabijheid te wonen, laat staan om bij hen te gaan zitten en naar hun woorden te luisteren. De enige reden waarom het oordeel over onze vaderen in de woestijn werd geveld was hun kwaadsprekerij.65

7.[10] Wie wraak neemt op zijn medemens, overtreedt een verbod, want er staat geschreven: ‘Gij zult niet wreken’ (Lev. 19, 18). En ook al staat er geen straf op, het is een zeer slechte eigenschap. Het is veeleer gepast dat een mens alle dingen van de wereld aan zich voorbij laat gaan,66 want voor hen die inzicht hebben is het allemaal ijdelheid en nietigheid en niet de moeite waard om zich ervoor te wreken.

[11] Wat is wraak? Iemand zegt tegen een ander: Mag ik je houweel lenen? en die ander zegt: Die leen ik jou niet uit. Wanneer die laatste de volgende dag iets van hem moet lenen en vraagt: Mag ik je houweel lenen? en die ander zegt: Die leen ik jou niet uit, net zoals je hem aan mij niet wilde uitlenen toen ik het je vroeg, dan is dat een wraakneming. Maar wanneer hij komt lenen, geef hem grootmoedig en vergeld hem niet wat hij deed. Zo is het ook met vergelijkbare dingen. En zo zei ook David met zijn goede eigenschappen: ‘Indien ik zou vergelden die mij met kwaad betaalden!’ (Ps. 7, 5). 8. [12] Evenzo overtreedt ieder die wrok koestert tegen iemand uit het volk Israël, een goddelijk verbod, want er staat geschreven: ‘Gij zult geen wrok koesteren tegen de zonen van uw volk’ (Lev. 19, 18). Hoe is dat? Ruben zegt tegen Simon: Verhuur mij dit huis, of. leen mij deze os uit, maar Simon wil het niet. Wanneer Simon later van Ruben iets te leen of te huur moet hebben en Ruben dan zegt: Vooruit, ik geef het je te leen want ik ben niet zoals jij en zet het je niet betaald – wie zo doet, overtreedt het verbod van wrok. Veeleer moet men het uit zijn hart wissen en geen wrok koesteren, want zolang men de zaak blijft koesteren en het zich blijft herinneren, kan men tot wraakneming vervallen. Daarom is de Thora stipt op het punt van de wrok en eist ze dat men de zonde uit het hart wist en er niet meer aan denkt. Dat is het juiste gedrag, dat een beschaafde samenleving en de omgang van mensen met elkaar mogelijk maakt.

EINDE TRACTAAT HICHOT DE’OT, DE REGELS VAN HET GEDRAG.

NOTEN:

52. Sifre, Ekev par. 49 (p. 1 1 4-115) en vgl. bv. Ketubbot 1 1 1 b; Pesachim 49a.

53. Avot I, 4.

54. Zie ook Boete en Berouw Ill, 14 [25]; IV, 4.

55. Zie ook Boete en Berouw II, 9 [13], e.v.

56. Arachin 16b: ‘Hoever gaat het vermaan? Rav zegt: tot slaan; Shemuel tot vervloeking; rabbi Jochanan zegt: tot afsnauwen…’ Maimonides heeft hier gekozen voor de mening die het verst gaat.

57. Arachin 16b.

58. Avot Ill, 11 (14).

59. 1 Sam. 22: Doëg maakte de priesters van Nob bij Saul verdacht en doodde hen daarna eigenhandig.

60. Bv. Sanhedrin 1, 1 en Makkot 4b. Merk op dat Maimonides een nauwkeuriger onderscheid tussen de verschillende vormen van kwaadsprekerij maakt dan zijn bronnen.

61. Tosefta Pe’a I, 2 (in iets andere bewoordingen) en vgl. Arachin 15b en PT Pe’a I, 1; 15d, beneden.

62. Arachin 15b, bovenaan.

63. Arachin 15b, beneden; het laatste deel van deze uitspraak is niet overgeleverd. Maimonides denkt misschien bij degene die kwaadsprekerij aanneemt aan het lot van Saul, die Doëgs verhalen geloofde. Ook is mogelijk dat hij denkt aan het bericht van Ziba over Mefiboseth (][I Sam. 9), dat in de Talmud (Shabbat 56a-b) als kwaadsprekerij wordt opgevat en als de oorzaak van de scheuring van het rijk van David.

64. Avak leshon ha-ra, letterlijk: stof van kwaadsprekerij.

65. De Israëlieten die geloof hadden gehecht aan de slechte berichten van de verspieders, werd de toegang tot het beloofde land ontzegd.

66. De gangbare teksten lezen hier: ‘… dat een mens bij alle dingen ter wereld zijn eigenschappen verloochent’ (ma’avir + al middotaw).

DEEL 9. DE’OT HICHOT (IV)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6.7.8 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

KORTE INHOUD:

V: Het gedrag van de wijze moet voorbeeldig zijn wat betreft eten en drinken, sexuele omgang en lichamelijke behoeften, in zijn spreken en openbaar optreden, kleding, beheer van zijn bezit, handelstransacties.

Lees verder

DEEL 8. DE’OT HICHOT (III)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6.7 van VAN MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

KORTE INHOUD:

IV: Noodzakelijke voorwaarde hiervoor is een gezond lichaam en een leven naar strenge regels voor eten, slapen, stoelgang, dieet, lichamelijke inspanning, baden en wassen, aderlating, seksuele omgang.

Lees verder

DEEL 7. DE’OT HICHOT (II)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1.2.3.4.5.6 van MOZES MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder Studies en Archief.

TRACTAAT HICHOT DE’OT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

Korte Inhoud:

II: Verkeerd gedrag is als een ziekte die genezen moet worden. De wijze is de dokter van de ziel. Genezing verkrijgt men door zich in tegenovergestelde richting van het midden te verwijderen en het verkeerde gedrag door contrastgedrag te corrigeren. Welk gedrag is bedoeld? Zwijgen is de grootste deugd en voorwaarde voor wijsheid. Bedrog, lichtzinnigheid, etc. zijn dodelijk.

III: Extreme onthouding is niet goed. Goed is wat heilzaam is voor het lichaam, zodat de geest niet gehinderd wordt in de verwerving van de kennis van God. Het hoogste doel van ieder gedrag is constante gerichtheid op Gods wezen.

Lees verder

DEEL 6. DE’OT HICHOT (I)

Aanbevolen wordt om ook, parallel aan deze verhandeling, “De Introductie tot de Talmoed” hoofdstukken 1.2.3.4 en Deel 1+2+3+4+5 van MOZES MAIMONIDES, RABBI MOZES ben MAIMON te lezen op onze website onder Studies en Archief.

VERTALING VAN TRACTAAT DE’OT HICHOT

DE REGELS VAN HET GEDRAG

De Mishne Thora is een groot en voor het merendeel technisch werk. Het behoort tot de klassieke teksten van het Jodendom. In de standaarduitgaven wordt de tekst op iedere bladspiegel omgeven door een aantal traditionele commentaren, zoals dat ook bij de Talmud en andere belangrijke teksten gebruikelijk is. Door de tijd heen heeft de Mishne Tora nogal geleden onder de ingrepen van goed bedoelende uitgevers en drukkers, die de tekst op talloze plaatsen veranderden en aanpasten. Voor onze vertaling is daarom gebruik gemaakt van een nieuwe editie van de Israëlische geleerde Jozef Qafih, die zich voornamelijk baseerde op een aantal betrouwbare manuscripten van Jemenitische herkomst. De joden van Jemen zijn altijd toegewijde hoeders van de klassieke teksten van het Jodendom geweest en tevens grote bewonderaars van Maimonides. Vergelijking met andere betrouwbare teksten van de hand van Maimonides (waaronder een wellicht eigenhandig geschreven tekst van het Commentaar op de Mishna) toont aan dat de Jemenitische versies getrouw de bedoeling van de auteur plegen weer te geven. Qafih zelf vertaalde en annoteerde reeds het Commentaar op de Mishna en de Gids der Verdoolden in modern Hebreeuws en voorzag die van verklarende noten. Ook zijn uitgave van de Mishne Thora is voorzien van uitvoerige verklaringen, die er voornamelijk op gericht zijn Maimonides’ gebruik van de klassieke bronnen te belichten en de uitspraken van de Mishne Thora te plaatsen binnen het kader van het overige werk van Maimonides. Qafih stamt uit een familie van Jemenitische geleerden en hij baseert zich voornamelijk op traditionele joodse bronnen. Zeer groot is zijn kennis van de commentaarliteratuur op de Mishne Thora.

Lees verder