PARASHAT WA’ ERÁ

Ik ben verschenen     Exodus. 6:2 – 9:35

 Twee Namen voor Twee Broeders

 

Aaron en Mozes representeren elk een uniek aspect van heiligheid

 

Or HaThora, p. 145, p. 226 ff; Likoetei Sichot, vol. 16, pp. 67-68 & vol. 31, pp. 44-45; Meorei Or, s.v. kotel; Sha’ar HaYichud veHaEmunah 82a.

 

Aaron en Mozes……….Mozes en Aaron.” (Exodus. 6:26, Rashi)

 

Kabbala leert dat Mozes en Aaron de twee G’ddelijke Namen, respectievelijk Havayah en Elokiem personifiëren. De Naam Havayah geeft G’D’s Transcendentie aan, terwijl de Naam Elokiem Zijn immanentie  binnen de Schepping aangeeft. De duiding naar deze twee Namen in deze volgorde refereert aan het ervaren van de eenwording van deze twee Namen, met andere woorden: aan het bewustzijn van G’D’s Transcendentie dat Zijn immanent karakter informeert.

 

Er zijn twee wijzen waarop wij dit bewustzijn kunnen ervaren: als een gift van G’D of als een resultaat van onze eigen inspanningen. De eerstgenoemde ervaring is meer transcendent, maar de laatstgenoemde doordringt ons bewustzijn grondiger en permanent. Beiden zijn noodzakelijk en zouden deel uitmaken van het ”Geven van de Thora”.

 

De frase “Aaron en Mozes” [verwijzend naar de volgorde van geboorte] duidt op de wijze hoe G’D dit bewustzijn aan ons verleent: afdalend “op een natuurlijke wijze”. De frase  “Mozes en Aaron” [verwijst naar hun spirituele aard) duidend op de bestendigheid van G’ddelijk bewustzijn als we het verkrijgen als  resultaat van onze eigen inspanningen.

 

“Mozes maakte een teken op de muur waar de zon een schaduw had geworpen” (Rashi op 9:18: Aanschouw, Ik zal morgen om deze tijd een zo’n  zware hagel doen neerkomen als er nog nooit in Egypte geweest is vanaf zijn ontstaan tot nu toe.)

 

Het unieke  van deze  plaag van hagel was de mengeling van G’ddelijke barmhartigheid en oordeel.  Allegorisch uitgelegd  verwijst de zon  naar de Naam Havayah en de muur naar de Naam Elokiem.  Deze plaag werd  teweeggebracht door de eenwording van G’D’s eigenschap van barmhartigheid en streng oordeel, die worden gekenmerkt door deze twee Namen. Op een vergelijkbare manier, is er in deze plaag -ofschoon dit in het bijzonder een strenge plaag was- een samengaan te zien van,  zoals aangegeven in de voorafgaande grove waarschuwing, van strengheid en van barmhartigheid, omdat  de waarschuwing barmhartige instructies bevatte om het te voorkomen.  In dit verband kan ook worden gezien: de hagel  bevatte water en vuur, dat correleert met de G’ddelijke eigenschappen van barmhartigheid en streng oordeel.

 

En tot slot, de Naam Havayah gaat tijd te boven, terwijl de Naam Elokiem G’D’s aanwezigheid vastlegt in de natuur, inclusief tijd.  Voor zover deze plaag, net als alle plagen, de Naam Havayah manifesteerde,  geeft  het aan dat het de eenwording van de twee Namen Havayah en Elokiem belichaamd vanwege het feit dat het vooruit werd getimed.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT SHEMÓT

Namen            Exodus. 1:1 – 6:1

 

Exodus: Geboorte van de Ziel

 

 Egypte wordt vergeleken met een baarmoeder waaruit de collectieve Joodse Ziel voortkomt op de weg naar volwassenheid.

 

Deze parasha begint met de woorden: “En dit zijn de namen van de zonen van Israël komend naar Egypte, met Jacob waren ze gekomen, ieder met zijn huisgezin.” (Exodus. 1:1)

Voor zover er zeventig facetten zijn aan de Thora en één daarvan ‘aanduiding’ is [in het Hebreeuws “remez” genoemd], zullen we dit vers op deze manier uitleggen. De afdaling van de Israëlieten in Egypte duidt op het embryo nog in de baarmoeder van de moeder, in een bepaalde netelige omstandigheid, een tussen fase.

 

Het Hebreeuwse woord voor “Egypte”, “Mitzrajiem” betekent letterlijk, “netelige omstandigheden” of “beperking”, “omheining”. Het is daarom een allegorie voor de beperking van de ziel als het zijn inheemse milieu in de Hemel verlaat en afdaalt in de beperkingen van het fysieke en genoodzaakt en verplicht is om de realiteit te ervaren binnen de parameters van tijd en ruimte.     

 

 De frase “in een netelige tussen fase” is geparafraseerd naar Klaagliederen. 1:3.

 

 Met deze associatie kunnen we de frase “En dit zijn de namen van de zonen van Israël” interpreteren als verwijzing naar de vermogens van de ziel, want juist zoals het lichaam 248 beendelen spier/pezen en 365 zenuwen bezit, zo ook bevat de ziel deze aantallen als de vermogens van de ziel “die kwam naar Egypte”.

 

Als we “Israël” als referentie aan de ziel zelf nemen, zijn de “zonen van Israël” de extensies van de ziel namelijk deintellectuele en emotieve vermogens. De ziel, of althans dat deel dat wordt bekleed in het lichaam, wordt ontvangen als zijnde perfect “op maat gemaakt” voor het lichaam.

 

 “……met Jacob” refereert aan het feit dat ze het kind binnengaan wanneer het kind nog in de baarmoeder is, “met Jacob”, die de Yetzer Tov is {de goede inclinatie].

 

 Er wordt elders verklaard (Sanhedrin. 91b) dat het kind alleen met de Kwade Inclinatie wordt geboren en dat de Goede Inclinatie aanvankelijk alleen bij het begin van besnijdenis (of geboorte, in geval van een meisje) binnengaat en volledig bij de bar-(of bat) mitzwa. Maar zoals Rabbi Eliezer Nannes (zaliger gedachtenis) stelt, de G’ddelijke ziel, samen met de Goede Inclinatie is inderdaad aanwezig bij geboorte, maar wordt pas geleidelijk aan gemanifesteerd als het kind wordt opgevoed in de wegen van Thora, culminerend bij de bar/bat mitzwa.

 

 Het vers continueert “…komend, in plaats van “die kwam” [in de verleden tijd], omdat G’D “de geest van de mens in hem vormt” (Zacharia.12:2), zoals wordt verklaard in de Zohar II:94b, wat betekent dat hoe meer een persoon spiritueel volwassen wordt, des te meer zijn ziel binnenkomt en zich in hem manifesteert.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT SHEMÓT

 

 

B:H

 

 Namen            Exodus. 1:1 – 6:1

 

Exodus: Geboorte van de Ziel

 

Egypte wordt vergeleken met een baarmoeder waaruit de collectieve Joodse Ziel voortkomt op de weg naar volwassenheid.

 

 Deze parasha begint met de woorden: “En dit zijn de namen van de zonen van Israël komend naar Egypte, met Jacob waren ze gekomen, ieder met zijn huisgezin.” (Exodus. 1:1)

 

 Voor zover er zeventig facetten zijn aan de Thora en één daarvan ‘aanduiding’ is [in het Hebreeuws “remez” genoemd], zullen we dit vers op deze manier uitleggen. De afdaling van de Israëlieten in Egypte duidt op het embryo nog in de baarmoeder van de moeder, in een bepaalde netelige omstandigheid, een tussen fase.

 

Het Hebreeuwse woord voor “Egypte”, “Mitzrajiem” betekent letterlijk, “netelige omstandigheden” of “beperking”, “omheining”. Het is daarom een allegorie voor de beperking van de ziel als het zijn inheemse milieu in de Hemel verlaat en afdaalt in de beperkingen van het fysieke en genoodzaakt en verplicht is om de realiteit te ervaren binnen de parameters van tijd en ruimte.     

 

 De frase “in een netelige tussen fase” is geparafraseerd naar Klaagliederen. 1:3.

 

Met deze associatie kunnen we de frase “En dit zijn de namen van de zonen van Israël” interpreteren als verwijzing naar de vermogens van de ziel, want juist zoals het lichaam 248 beendelen spier/pezen en 365 zenuwen bezit, zo ook bevat de ziel deze aantallen als de vermogens van de ziel “die kwam naar Egypte”.

 

Als we “Israël” als referentie aan de ziel zelf nemen, zijn de “zonen van Israël” de extensies van de ziel namelijk deintellectuele en emotieve vermogens. De ziel, of althans dat deel dat wordt bekleed in het lichaam, wordt ontvangen als zijnde perfect “op maat gemaakt” voor het lichaam.

 

 “……met Jacob” refereert aan het feit dat ze het kind binnengaan wanneer het kind nog in de baarmoeder is, “met Jacob”, die de Yetzer Tov is {de goede inclinatie].

 

Er wordt elders verklaard (Sanhedrin. 91b) dat het kind alleen met de Kwade Inclinatie wordt geboren en dat de Goede Inclinatie aanvankelijk alleen bij het begin van besnijdenis (of geboorte, in geval van een meisje) binnengaat en volledig bij de bar-(of bat) mitzwa. Maar zoals Rabbi Eliezer Nannes (zaliger gedachtenis) stelt, de G’ddelijke ziel, samen met de Goede Inclinatie is inderdaad aanwezig bij geboorte, maar wordt pas geleidelijk aan gemanifesteerd als het kind wordt opgevoed in de wegen van Thora, culminerend bij de bar/bat mitzwa.

 

Het vers continueert “…komend, in plaats van “die kwam” [in de verleden tijd], omdat G’D “de geest van de mens in hem vormt” (Zacharia.12:2), zoals wordt verklaard in de Zohar II:94b, wat betekent dat hoe meer een persoon spiritueel volwassen wordt, des te meer zijn ziel binnenkomt en zich in hem manifesteert.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJECHI

En hij leefde   Genesis. 47:28 – 50:26

 Levend Gebalsemd?

 

Dertig dagen voor de dood, wordt iemands Tzalem/beeld van hem verwijderd en zijn schaduw verschijnt niet langer.

 

Zohar Wajechi 217.

 

Toen Israëls tijd om te sterven naderbij kwam, ontbood hij zijn zoon Josef en zei hem; “Als ik enige genegenheid bij je mag aantreffen, leg dan je hand onder mijn heup en bewijs mij een ware liefdesdienst: begraaf me toch niet in Egypte.” (Genesis. 47:29)

 

Rabbi Jossi zegt: Wanneer de tijd nadert voor iemand, wordt het dertig dagen verkondigd in de wereld. Zelfs de vogels in de hemel verkondigen het en als hij/zij rechtschapen is, wordt het verkondigt voor dertig dagen onder de rechtvaardigen in de Tuin van Eden.

 

We hebben geleerd dat al deze dertig dagen, de ziel elke nacht opstijgt om te kijken naar zijn plaats in die wereld, maar de persoon weet het niet, is noch bekommerd, noch heeft hij/ zij de controle over de ziel tijdens deze dertig dagen zoals voorheen, zoals staat geschreven in Prediker. 8:8 “Niemand heeft macht over de ziel om de ziel te behouden. Niemand heeft macht over de dag waarop hij sterft, geen mens ontvlucht het slagveld van de dood.

 

Rabbi Jehoeda zegt: Aan het begin van de dertig dagen is iemands schaduw verduisterd en de verschijning wordt niet op de grond waargenomen.

 

BeRahamin LeHayyim:

 

De Ohr HaChaim citeert de Heilige Zohar in verband met het “hemelse krant” verhaal anticiperend op de aardse dood van een individu. Er zijn spirituele tekenen die fysieke oorzaken vooruit zeggen. Nu dat Jacobs profetische inzichten terugkeerden, wist hij dat zijn tijd Beneden snel over was.

 

Maar wacht eens even! Rabbi Jitzchak zegt dat Jacob nooit stierf! (Taanit 5b), Rabbi Nachman repliceert, “Hoe is het mogelijk dat Jacob niet stierf? De Thora zegt de mensen hem loofden, hem balsemden en hem begroeven.” Rabbi Jitzchak antwoord door het vers te citeren die Jacob vergelijkt met zijn kinderen: juist zoals zijn kinderen leven, zo ook moet hij levend zijn.

 

Maar hoe zal Rabbi Jitzchak respons zijn op het feit dat de Thora Jacobs begrafenis beschrijft?!

 

 

 

De Kli Yakar (Genesis. 47:29) verklaart dat Rabbi Jitzchak’s uitspraak is gebaseerd op het principe dat “Tzadikiem zelfs al zijn ze dood levend worden genoemd, en de slechten worden dood genoemd zelfs als ze nog leven”. (Zie ook Genesis. 18a-b), Hoewel Jacob was overleden, werd hij door de Talmoed beschouwd nog steeds te leven omdat hij een Tzadik was. 

 

De Talmoed refereert nadrukkelijk naar Jacob, niet naar Avraham of Izaak, omdat hij een Tzadik was en al zijn kinderen waren evenzeer Tzadikiem (in tegenstelling tot Abraham en Izaak, die elk een zoon had die geen Tzadik  was). Dit is de intentie van Rashi in Genesis. 18:19, waar hij zegt dat iemand die sterft en een kind achterlaat die een Tzadik  was wordt beschouwd als levend. Aangezien kinderen worden beschouwd als een continuering van hun vader zolang zij leven, wordt hun vader evenzeer als in leven beschouwd. Als echter iemands kind verdorven is, wordt zijn vader niet beschouwd als nog in leven omdat “verdorvenen dood worden genoemd zelfs als ze nog leven.”

 

Inderdaad ontleent Rabbi Jitzchak zijn leerstelling van het vers die Jacob vergelijkt met zijn kinderen. Jacob wordt levend beschouwd omdat hij verder leeft door zijn kinderen; wij de Kinderen van Israël zijn allen Tzadikiem, zoals Jesaja zegt: “Je volk telt enkel nog rechtvaardigen, zij zullen het land voorgoed bezitten, de spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, waarin Ik luister.” (Jesaja. 60:21)

 

Jacobs fysieke lichaam stierf, volgens het vers in de Thora en werd gepreserveerd/gemummificeerd door de Egyptenaren en begraven in het Land Israël: “Josef gaf de hem ondergeschikte geneesheren bevel zijn vader te balsemen. En de geneesheren balsemden Israël.” (Genesis. 50:1-15) Desalniettemin, hij, net zoals Koning David leven zeker voort altijd in ons, zijn nakomelingen, het Volk Israël.  Chai Chai VeKayam!!!

 

Shabbat Shalom     

 

PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde   Genesis. 44:18 – 47:27

Koningen komen samen.

 Juda en Josef tot het einde der dagen.

 Rabbi Avraham Brandwein

 en Juda naderde hem [Josef].” (genesis. 44:19)

 Rashi zegt dat Juda met harde woorden tegen hem [Josef] sprak en dat Juda afging op oorlog.  Dit vers, citeert de Midrash: “Want zie, de koningen [Josef en Juda] kwamen tezamen.” (Psalmen. 48:5)

 De diepere betekenis is als volgt: Josef de tzadik correspondeert met de sefira van Yesod. Deze sefira staat in de Middenlijn bestaande uit Keter, Da’at, Tiferet en Yesod.

 De Middenlijn ontvangt het Licht als de zijkanten zijn verenigd en zich vermengen. Het is onmogelijk een gepaste emanatie te ontvangen van de sefira van Chesed alleen en evenzo is het onmogelijk om het Licht van Gevoera alleen te ontvangen: zij hebben een intermediair nodig die hen vermengt en harmoniseert; dan zal al het Licht zich in de sefira van Yesod zich verbinden.

 Dus de emanatie komt van de Middenlijn, evenals de “pijpleiding” [in het Hebreeuws, “tzinor”]. De “pijpleiding” is een gecorrigeerde Wil, gelimiteerd aan het ontvangstvermogen van de ontvanger om zodoende te kunnen emaneren. De tzadik is de Yesod van de wereld zoals het vers zegt, “En Josef was de Verschaffer voor alle volkeren.”

  De grondslag of basis [Yesod] wordt “al” genoemd [Hebreeuws, ‘Kol’ ], want het omvat hen allen, zoals het vers in Kronieken I. 29 zegt, “Aan U, G’D, is de nobelheid [Chesed] en sterkte [Gevoera] en schoonheid [Tiferet] en eeuwigheid [Netzach] en pracht en glorie [Hod],  voor al [met andere woorden, Yesod] dat in de Hemel is……” Want van daar komt de emanatie in een herstelde gecorrigeerde en gezuiverde vorm, al, naar de “pijpleiding” van Malchoet,- de sefira  corresponderend met Juda, het vat, de houder, die de emanatie ontvangt. 

 De andere broers corresponderen met de andere sefirot. Toen Josef tegen hen zei, “En de ene is niet hier,” doelde hij op, “Ik ben niet is staat te openbaren en te emaneren aan jullie, zo lang als jullie niet zijn verenigd want binnen jullie is geen eenheid’. Om die reden zijn alle handelingen van Josef, zoals de gevangenneming van Simon, het verbergen van de kelk enz., bedoeld om de broers naar een niveau te brengen van harmonische eenheid en onbaatzuchtigheid. Dus toen Juda zei, “in mij mijn Meester Joseph” – dat we zijn gekomen om te doden [u] of gedood worden [door u], was het alleen om te demonstreren dat de broers inderdaad harmonische eenheid en onbaatzuchtigheid hadden bereikt en dat Josef in de gelegenheid stond om te worden geopenbaard.

 Het is in onze dienstbaarheid dat we onze vaten nabij moeten brengen zodat ze geprepareerd zijn om de emanatie ontvangen.

Vanuit een dieper inzicht is het wenselijk om het verschil tussen Jozef en Juda als volgt te verklaren: Josef is de oorsprong van de Mashiach de zoon van Josef [Mashiach Ben Josef], en Juda stamt van Mashiach de zoon van David [Mashiach Ben David].

 Er zijn twee benaderingen die de voortuitgang en ontwikkeling van de mens stimuleren. Eén wordt “de weg van lijden” genoemd, als gevolg waarvan een persoon niet op dezelfde plaats in de fysieke wereld blijft en begrijpelijkerwijs ook niet in de spirituele sferen. Aangezien iemand zoekt naar genoegen als gevolg van het lijden. Hij/ zij  verandert de plaats of handelingen opdat in de nieuwe plaats meer genoegen zal zijn.

Zoals een kracht individuelen stimuleert, is dat ook in het algemeen met een samenleving. Elke verandering binnen een natie komt vanwege een zoektocht naar een nieuwe situatie waarin er minder lijden zal zijn.

 De tweede kracht is “de weg van Thora” een kracht die op een positieve wijze stimuleert en motiveert voor verandering en voortgang. Dit is de weg van begrijpen, waarin het verstand aanvaardt omwille van een positieve ontwikkeling, zonder voorafgaand lijden.

De Mashiach de zoon van Josef die de oorlogen van het Joodse Volk symboliseert de eerste weg, aangezien hij ook het aspect van de “os” is, symboliserend Gevoera. De Mashiach de zoon van David, die van Juda komt, symboliseert de weg van de Thora, zoals geschreven in het Thora gedeelte, “En Juda werd vooruit gezonden naar Goshen [in Egypte]” om een Huis van Studie vestigen.

Praktisch, in daad, werken beide “wegen” tezamen. Maar uiteindelijk, wanneer verlossing komt, zal er enkel de positieve wijze zijn: de weg van Thora.  Om die reden besluit de Haftara van deze week “En Mijn dienaar David zal Koning over hen zijn voor eeuwig.”

Moge we dit spoedig ervaren !

Shabbat Shalom     

 

 

CHANOEKA – SHABBAT CHANOEKA PARASHAT MIKEETS.

CHANOEKA

 

 WIE KENT HET CIJFER ACHT

 

 HET CIJFER ‘ACHT’ ROEPT ONS OP OM WONDEREN TE ZIEN IN DE NATUURLIJKE ORDE.

 

Het openlijke wonder van Chanoeka, het branden van het licht van de Menorah gedurende acht dagen, was niet toevallig, maar van intrinsieke betekenis.  De Thora informeert ons dat G’D de wereld had geschapen in zes dagen en dat Hij ophield met werken op de zevende dag, de Shabbat. Van het cijfer zes kan worden gezegd dat het de natuurlijke wereld representeert, die was geschapen in een tijd van zes dagen met zijn zes ruimtelijke richtingen, oost-west, noord-zuid, boven-beneden. Het cijfer zeven representeert G’D’s immanentie, de verhullende aanwezigheid van het G’ddelijke in het hart en middelpunt van deze wereld. Met andere woorden, zeven is de absolute ziel van zes, geheel doordringend, het doordringt met transcendente heiligheid en verheft naar perfectie. Het volgende cijfer, acht, representeert G’D’s transcendentie boven en in deze wereld. Zoals alle wonderen gebeurde Chanoeka vanuit het niveau van “acht”, dat wat boven de natuurlijke orde is. Echter het laatste wonder zijnde van zijn soort tot aan de komst van Mashiach, moest Chanoeka “acht” belichamen op een unieke bijzondere manier. Het moest “acht” uitademen.

 

In het Hebreeuws heeft het woord shemona (acht) exact de zelfde letters als hashemen (de olie), neshama (ziel) en mishna (overbrengend leer). Zoals is opgetekend in de Talmoed, betraden de Syrische Grieken de Tempel en bezoedelden al de rituele olie. Deze olie representeert het diepste niveau van de Joodse ziel. Het vertegenwoordigt het vermogen van de jood om te ontwaken uit de diepste slaap van verbanning, en om tot leven te komen zelfs [en misschien speciaal) onder de meest moeilijke omstandigheden. Alleen één kruikje pure olie werd gevonden, verzegeld met de zegel van de Kohen Gadol (Hoge Priester), de heiligste Jood, die het niveau van “acht” belichaamd krachtens en op grond van de acht speciale kledingstukken die hij droeg wanneer hij dienst deed in de Tempel.

 

De siddoer informeert ons dat het Mattityahoe de Chashmonai was en zijn zonen, die de Joden opriepen om de Thora te verdedigen en te vechten tegen de Grieken. De naam Chashmonai heeft twee componenten, de letter chet, de achtste letter van het alef-bet, gevolgd door het woord voor olie, shemen. Dus de Cha-shemonai familie belichaamt het vermogen van Acht. Acht gebaart ons om de limitaties van tijd en ruimte te boven te gaan.

 

Acht gebaart ons om de limitaties van tijd en ruimte te boven te gaan, om door de wereld te zien die G’ddelijkheid verhult en onze zielen dreigt te overspoelen met materie. “Acht” roept ons op om wonderen te zien in de natuurlijke orde, in vertwijfelde momenten van ons individuele en collectieve leven, in het verborgen pad van G’ddelijke Voorzienigheid die ons leidt.

 

 “Acht” kan ons oproepen van onze collectieve slaap. Door ons te herinneren aan de tijd wanneer G’D inderdaad openlijk “interfereerde” in de “natuurlijke” orde van de geschiedenis, het versnelt onze verwachting van de openbaring van G’D’s verlossing die we verwachten in onze tijd.

 

CHAK SAMEACH CHANOEKA

 

PARASHAT MIKEETS        Aan het einde   Genesis.41:1 – 44:17

 

G’D zal een antwoord geven, G’D weet de interpretatie van dromen en informeert bepaalde uitzonderlijke mensen over die interpretatie.

Jozef antwoordde Farao, zeggende: ”Niet ik, [maar] G’D zal een antwoord geven [dat] vrede aan Farao  [zal brengen].” (Genesis. 41:16)

 

Zohar I, p. 195

 

Kom en zie: Een persoon zal nooit zijn mond openen om kwaad te spreken, want hij weet niet wie zijn woord ontvangt en wanneer iemand het niet weet, kan hij struikelen. Wanneer de rechtvaardigen hun mond openen, doen zij dit vreedzaam. Toen Josef zich richtte tot Farao, zei hij eerst, “Elokiem zal Farao een antwoord geven in vrede.” Rabbi Jehoeda zegt: We hebben geleerd dat de Heilige, geprezen zij Hij, zorgt voor de vrede van het koninkrijk, zoals staat geschreven: en Hij gaf hen een taak, aan de kinderen van Yisrael en aan farao, de Koning van Egypte.”   

Rahmiel Hayyim, Pardes HaBahir.

Ons wordt gezegd dat als de Wijzen bidden op een vloeiende wijze, dan wisten zij dat hun gebed werd ontvangen. Wanneer we zijn verbonden, vloeit de stroom van woorden moeiteloos zoals water gaat door een pijp. Wanneer we worden afgeleid, zijn we  in een staat van disconnectie en kan er geïnterrumpeerd worden met tussenpozen.

Misschien is het G’D wel die de woorden in onze mond legt, wellicht op een wijze zoals in het Boek Deuteronomium, waarin de Shechina sprak door Mozes en het aan iemands eigen individueel niveau is om het te kunnen overbrengen.

 

Eén van de dingen die moet nagegaan worden voor een mogelijke tzaddiek is wat uit haar of zijn mond komt. Alles moet goed zijn, zonder enige ruwheid of bitterheid en er moet een schitterende glans zijn op zijn of haar gezicht wanneer zij spreken. Zij Zien en Horen waarlijk geen kwaad en Spreken geen kwaad. De rechtvaardige familie in de traditie van Josef HaTzaddiek heeft G’Ds Spraak als een tweede natuur, nooit moraliserend, nooit exclusief, nooit verdeeldheid zaaiend, altijd hartelijk.

Mag het zijn dat we onze door G’D gegeven eigenschap van spraak alleen gebruiken voor het goede en alleen voor G’D’s glorie.

 

SHABBAT SHALOM – SAMEACH CHANOEKA     

 

 

 

   

 

 

 

 

 

PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich           Genesis. 37:1 – 40:23

 

 

Dromen van Vrede

 

 

 

Rabbi Yitzchak Luria

 

 

 

De broers van Josef dachten dat Josef het afval van het sediment was, dat wil zeggen, dat de klipa [schil] die niet geaccepteerd werd van Abraham en Izaak, toen Ishmael en Esau hen verliet, nog steeds niet afdoende was gepurificeerd.

 

 

 

De broers van Josef wisten dat, zowel in het geval van Abraham als van Izaak, er twee zonen waren, één die waardig was om het bewustzijn van G’D in de wereld te bestendigen en de andere die te egocentrisch was om dit te doen. Voorts wisten zij  dat in beide gevallen de onwaardige zoon moest worden weg gestuurd, met andere woorden, op een of andere manier moest worden verwijderd of afgescheiden van de familie zodat de zuiverheid van het ideaal niet verontreinigd zou worden door een verderfelijke egocentrische uitdager. Zij meenden dat Josef de belichaming was van de onzuiverheden van Jacob.

 

Evenzo, maar anders gezegd, ervoeren zij Josef als een ongeschikte mededinger in hun generatie. Het oorspronkelijke licht was grotendeels gezuiverd van zijn verontreiniging door de afwijzing van Ismaël en toen dit licht werd doorgegeven aan Izaak, bevatte het enigszins ondergeschikte onzuiverheden die moesten worden (en werden) geëlimineerd door de afwijzing van Esau. Josef meenden zij, was de belichaming van de onzuiverheid van Jacob die op de zelfde manier moest worden afgewezen. Zij beschouwden het daarom als hun heilige plicht om, in het belang van het voortbestaan van de G’ddelijke boodschap toevertrouwd aan Abraham en zijn nakomelingen, Josef van het toneel te verwijderen.

 

Dit was met name omdat ze vonden dat Josef de sefira van Yesod bevlekte, het omleiden naar het linker kanaal, G’D verhoede, door hen te belasteren tegenover hun vader, is de antithese van de vrede.

 

 

 

Zoals verteld in het verhaal, ” bracht Josef kwaad verslag aan hun vader.” (Genesis. 37:2). Rashi merkt op, “Hij vertelde zijn vader dat ze vlees aten, gescheurd uit een levend dier, dat zij de spot dreven met de zonen van de dienstmaagden (Bilha en Zilpa), en hen slaven noemden en dat hij hen verdacht van ongeoorloofde seksuele relaties.

 

Vrede is geassocieerd met de Sefira van Yesod

 

 

 

In het idioom van onze Wijzen, wordt vrede genoemd als de ultieme container voor het omvatten van zegen. Dit is duidelijk omdat bitterheid de verspilling van elke zegen zal veroorzaken. Dus is vrede geassocieerd met de sefira van Yesod, want Yesod is de houder waardoor de G’ddelijke weldadigheid uitvloeit in Malchoet. De geestelijke voorloper van het Joodse Volk. Door hen te belasteren tegenover hun vader, ondermijnde Josef  elke kans op vrede in de familie en saboteerde daarmee de kansen voor het stromen van G’D’s zegen in hen.

 

Yesod is ook het principe van de tong en laster bevlekt het.

 

 

 

In Sefer Jetzirah wordt vermeld dat er twee verbonden zijn, dat van de tong en dat van het seksuele orgaan. Beide organen zijn instrumenten waarmee een persoon zich articuleert in de buitenwereld.

 

Zij zijn beide zeer krachtig, want zowel het gesproken woord als de seksuele energie bezitten de macht om te bouwen of te vernietigen. Zowel, ongelimiteerde spraak als ongelimiteerde seksualiteit, kunnen een ravage aanrichten in iemands leven en het leven van degenen die hij ontmoet. Omgekeerd,  goed geleide spraak en seksualiteit kunnen een persoon verheffen naar verhogere niveaus van spiritueel bewustzijn en inspireert al degenen met wie hij in contact komt. Hoewel dus Yesod in het algemeen wordt geassocieerd met het seksuele orgaan, is het ook, om dezelfde reden geassocieerd met het orgaan van spraak, de tong. Onjuiste of kwade spraak besmet de Sefira van Yesod.

 

 

 

[In feite echter], zijn er vele verklaarders van de Thora die zeggen dat [broers van Josef] vlees aten gescheurd uit het lichaam van een levend dier en aandacht hadden voor de dochters van het land [de twee overtredingen]. Dit alles is verbonden met Yesod.

 

 

 

Er wordt uitgelegd dat de motivatie voor het eten van vlees gescheurd uit het lichaam van een levend dier het extatische is, ook brengt dit orgastische genot, de inname van rauwe, niet – gerectificeerde (dat wil zeggen, door het niet ritueel slachten) levenskracht. Deze hoogkrachtige levensenergie neemt in geest en lichaam  extreem seksuele proporties aan en is daarom een bevlekking in Yesod.

 

Dus was het in realiteit nie Josef die Yesod bevlekte, maar zijn broers. Door verslag te doen van hun gedrag aan hun vader, was Josef in feite aan het proberen de integriteit van Yesod te waarborgen

 

. Ook bespotte zij [hun halfbroers], de zonen van de dienstmaagden en dit is duidelijk een schending van het principe van vrede. Zij noemden hen slaven hoewel zij in feite vrije mensen waren, het tegenovergestelde van slaven.

 

 

 

Als er enig element van zelfgeaardheid of egocentrisme is kan er geen vrede zijn.

 

 

 

Ook hier waren ze in feite schuldig aan datgene waarvan ze Jozef beschuldigden. Van de twaalf broers, waren Reuben, Simeon, Levi, Juda, Isaachar, en Zebulon de zonen van de eerste vrouw van Jacob, Leah, Joseph en Benjamin waren de zonen van zijn tweede vrouw, Rachel; Dan en Naftali waren de zonen van Rachel’s dienstmaagd, Bilha, en Gad en Asher waren de zonen van Lea’s dienstmaagd, Zilpa. De zes zonen van Lea hoonden de vier zonen van de dienstmaagden alszijnde slaven door geboorte, dat wil zeggen, niet waardig om  bonafide leden van de heilige familie te zijn.

 

Yesod heet “alles”, want het omvat alle emotionele attributen.

 

In het vers “Van U, O G’D, is de grootheid en de kracht en de schoonheid, en de overwinning, en de heerlijkheid, voor alles wat is in de hemelen en aarde ”

 

(Kronieken I, 29:10), de eerste vijf zelfstandige naamwoorden  zijn de eerste vijf emotionele eigenschappen (grootheid, Chesed; kracht Gevura; schoonheid Tiferet; overwinning Netzach; glorie Hod), implicerend dat de volgende frase (“…voor alles wat is in de hemelen en aarde “) correspondeert met de zesde eigenschap, Yesod. Dus dit vers geeft expliciet het concept weer dat Yesod het kanaal is waardoor al de hogere eigenschappen zich verenigen en samenvloeien  en verder neerdalen in Machoet.

 

Zij dachten dat zij zelf konden voltooien wat zou ontbreken (door Josef uit te sluiten); dat zij konden voorzien in zijn eigenschap van broederschap. Daarom zweerden zij samen tegen hem.

 

 

 

Zoals we hebben gezien, concentreerde het dispuut tussen Josef en zijn broers zich op de sefira van Yesod, het reservoir van vrede. Josef voelde dat hij de beschermer van Yesod was, dat hij op de langere termijn de vredestichter was, terwijl zijn broers voelden dat hij een obstakel was voor vrede. Zij, natuurlijk, waren abuis, vrede is alleen zinvol als het gebaseerd is op en onderworpen aan de wil van God. Zo niet, met andere woorden, als er enig element van zelforiëntatie of egocentriciteit is in de zogenaamde vrede, kan het niet ware vrede zijn en zal het vroeg of laat uiteenvallen.

 

Deze egocentriciteit zal uiteindelijk aan de oppervlakte komen en zodra dit gebeurt, zal het kleingeestige eigenbelang zwaarder wegen dan de motivatie voor vreedzaamheid. Dus ofschoon de broers correct waren in hun visie dat vrede cruciaal is voor de bestendiging van het G’ddelijke ideaal, gaven zij onterecht voorrang aan de vrede boven de meer fundamentele zaken van G’ddelijke dienst.

 

Vrede is een middel, container, reservoir, niet een eind.  Alleen wanneer het als zodanig wordt herkend kan het betekenisvol worden en daarom blijvend zijn.

 

De broers begrepen hun roeping niet. Zij zagen zichzelf als personificaties van G’ddelijke perfectie; zij waren herders, afgescheiden van de samenleving en de fysieke wereld in het algemeen.  In contrast hiermee, was Josef de gepersonifieerde Yesod, de G’ddelijke volmaaktheid als het penetreert en er uiteindelijk in slaagt te heersen  over de Egyptische samenleving, terwijl het daarnaast  trouw blijft aan zijn spirituele  integriteit.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond (Genesis 32:4 – 36:43

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P. 166b

 

De eerste woorden die Jacob aan zijn boodschappers gaf, om tot Esau te zeggen, bevatte een zeer belangrijke lering in de omgang met vijanden; maak hen bang.

 

Rabbi Jehoeda zegt: “Wat zag Jacob [wat hem deed besluiten] in het overbrengen [de boodschap] aan Esau, dat hij bij Laban heeft gewoond. Welk resultaat verwachtte hij in het zenden van z’n een boodschap aan Esau [zou het hem verzoening brengen?]. Eerder wist men in de [toenmalige] wereld, hoe onsuccesvol je kon zijn, om verschoond te blijven van de [bedrieglijke en onbetrouwbare] Laban, de Arameeër.

 

De specifieke naam “Aramee”, in het Hebreeuws “Arami” kan, na herschikking, “ramai” gespeld worden, wat “oplichter”betekent. Letterlijk betekent Laban “wit” of “puur” zodat Laban fameus was in het zich altijd voordoen van pure intenties, maar daartegen zeer sluw en bedrieglijk was met het in de val lokken van zijn slachtoffers, zelfs als zij van tevoren gewaarschuwd waren. Hij was een zeer gevaarlijk en onbetrouwbaar persoon.

 

Hij was een tovenaar in magische formules, een meester magiër. Hij was de vader van Be’or die de vader was van [de Jood hatende] Bil’am. Aldus is geschreven “Bil’am de zoon van de tovenaar Be’or.” (Jehoshoea. 13:22)
Laban was meer ervaren in magie dan wie dan ook [in zijn generatie], maar zelfs met al deze ervarenheid en kennis, kon hij Jacob geen kwaad berokkenen, al probeerde hij op verschillende wijze zijn destructie te veroorzaken, zoals staat geschreven, “Een Arameeër probeerde mijn vader te vernietigen” (Deuteronomium. 26:5)

 

Rabbi Aba zegt: “De hele [toenmalige] wereld was op de hoogte van het feit, dat Laban de leidinggevende figuur was over al diegenen die ervaren waren in magie, en wie hij dan ook wenste te vernietigen met zijn magie, kon onmogelijk aan hem ontsnappen. Alle kennis die Bil’am had vergaard, kwam van hem, en het is gezegd van Bil’am [toen Balak hem zond om Israël te vervloeken], “Want ik weet, dat wie van u een zegen ontvangt gezegend is en wie van u een vervloeking krijgt ook vervloekt is” (Numeri. 22:6).

 

De geleerden wijzen op het punt dat de grammatica van deze zin, in het Hebreeuws laat zien dat, wie hij ook zegent, reeds gezegend was. M.a.w hij kon diagnoseren of een persoon reeds gezegend was en doen alsof hij hem zou kunnen zegenen. Wanneer de zegen werd verwezenlijkt, eiste hij zijn aandeel. Echter, wanneer hij iemand vervloekte, had deze vervloeking direct effect.

 

De hele [toenmalige] wereld was bang voor Laban [en zijn tovenarij], zodat de eerste woorden die Jacob naar zond Esau waren “Ik heb gewoond bij Laban”. [Hij trachtte te zeggen] “Indien je zegt dat het alleen maar voor één maand of een jaar zou zijn, dan is dat niet het geval.” Integendeel, ik verbleef [bij hem] tot nu. Twintig jaar verbleef ik bij hem, en als je zou zeggen dat ik met lege handen terug kwam, [dat is de reden van de toevoeging] dat ik een os en ezel had [toen ik vertrok]. Deze twee zijn vertegenwoordigers van streng oordeel. Wanneer zij bijeen zijn, schaden zij de wereld.

 

Jacob hanteerde het enkelvoudige vorm van de woorden, in plaats van vee en ezels, om Esau duidelijk te maken dat de fysieke manifestatie, van de rijkelijke giften aan hem, een bewijs waren van het feit, dat hij geslaagd was om Laban te beheersen. In de Talmoed is de os een fundamenteel voorbeeld in het veroorzaken van schade en de ezel symboliseert lust en onreinheid. Wanneer de kracht van een os is gekoppeld aan de halsstarrigheid van een ezel, wordt schade berokkend aan de wereld. Deze zijn oer typische krachten en symboliseren een ongeremd, egocentrisch gedreven vermogen.

 

Het is daarom dat er staat geschreven, “Ploeg niet met rund en ezel tegelijk” (Deuteronomium. 22:10).

 

Omdat alles wat wij doen in deze wereld de spirituele domeinen beïnvloedt, het samenbrengen van deze twee krachten versterkt hun spirituele tegenhangers en is daarom verboden.

 

Esau, [na het horen van dit alles] werd angstig en begaf zich onmiddellijk op weg, om vrede te sluiten met Jacob. Esau werd dus net zo bang voor Jacob als Jacob was voor Esau.

 

Opgemerkt moet worden dat Jacob de sefira van tiferet representeert, welke twee tegenovergestelden samenbrengt en eveneens waarheid vertegenwoordigt. Jacob zei de waarheid; hij bezat dit alles. Zijn woorden echter, hadden een dubbele bedoeling. De slechte Esau, zoals Jacob voorzag, relateerde naar deze woorden vanuit zijn eigen culturele achtergrond van afgoderij en bijgeloof. De strategie werkte en Esau werd bang genoeg om voor vrede te kiezen, in plaats van oorlog.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok (Genesis. 28:10 – 32:3)

RABBI SHIMON BAR JOCHAI
ZOHAR, P. 149b

Kom en zie: Er is geschreven “En hij [Jacob] droomde, en zie, daar was een ladder neergezet op aarde, waarvan de top tot aan de hemel reikt en de engelen van Elo-hiem klimmen er op en af.” (Genesis. 28:12) Hoe kon het zijn dat de heilige Jacob, die weliswaar de perfectie van de voorvaders representeerde de alleenverdienste had dat de Heilige, geprezen zij Hij, aan hem verscheen in een droom? Bovendien bevond hij zich op de plaats van de toekomstige Tempel op de berg Moria en was G’D reeds bewust in een droom! Doch Jakob was op dit tijdstip niet gehuwd en was daarom incompleet en  onwaardig om dit spirituele niveau van profetie te  ontvangen.
De tsaddiek van de generatie, zijn vader Isaak, leefde nog steeds in die  tijd,  daarom zou het aannemelijk zijn dat de meest wezenlijke  bron van G’ddelijke openbaring toch aan  hem verschijnt.

Nu  kun je  ook zeggen dat zelfs nadat hij was getrouwd, geschreven is dat Jacob in een droom “gestreepte en gestippelde bokken zag (Genesis 31:10), maar dat was buiten Israël, welke het Heilige Land is, waar het niveau van profetie kan worden bereikt en ook op dat tijdstip Isaak actief was. Het was alleen later, toen Jacob terugkeerde naar het Heilige Land met zijn zonen, de stammen, vergezeld van Rachel en Lea en de heilige Shechina welke met hun verbleef, zoals staat geschreven “Als een blijde moeder van kinderen”(Psalm. 113:9), dat Jacob het niveau bereikte bij het zien van een visioen. Vanaf dit tijdstip is geschreven, “Elo-hiem verscheen aan Jacob” (Genesis. 35:9), en Elo-hiem zei tot Jacob: “Dit  is een nachtelijk visioen” (Genesis. 46:2). Er staat niet geschreven dat Jacob “droomde” tijdens deze periode, aangezien hij op een ander hoger spiritueel niveau was.

Kom en zie, dromen worden mogelijk gemaakt door de engel Gabriël, welke zes niveaus onder het niveau van profetie is.

Profetie is geassocieerd met de sefirot van netzach en hod van Atziloet. Tel vanaf hod zes sefirot, yesod, malchoet, chochma, bina, chesed, om aan te komen bij gevoera in de wereld van Beriya, waarvan uit dromen voortkomen. Gabriël beperkt de uitbraak van abundantie die wordt ontvangen door de dromer, of profeet, van de Oneindige Licht.

Er is een ander model van openbaring, welke genoemd wordt “Een weerspiegeling van profetie” of “Mareh” ,  welke het zien is van een visioen in een spiegel, in het Hebreeuws, “mareh“. Deze openbaring gaat naar het niveau welke de Levenskracht is, die heerst in de nacht. Als je zegt dat dit niveau ook geassocieerd  wordt  met Gabriël, zoals Daniël zegt, “En ik hoorde een stem van een man weerklinken tussen de oevers van de rivier Oelai, en hij riep: “Gabriël, maak deze man het visioen begrijpelijk” (Daniël 8:16) dan is het correct dat Gabriël wordt geassocieerd met beide deze niveaus van dromen en visioenen, hoewel meer met een  “Mareh” omdat een visioen nog moeilijker valt te ontcijferen. Een droom is veel gemakkelijker te begrijpen en beter leesbaar, in vergelijking  met dat wat zichtbaar zou zijn in een weerspiegeling van een profetie (een “Mareh“).

Gabriël is specifiek aangesteld om het onderwerp van de reflecterende profetie uit te leggen omdat het meer verhuld is.

De namen die gebruikt worden om G’D’s optreden te beschrijven in de visioenen van “Wajerá” (Genesis. 35:9) en “Wa’erä” (Exodus. 6:3),  zijn gelijk aan het woord “Mareh“, wat “spiegel”betekent. Dus men zei dat de voorvaders een visioen zagen van El Shadai wat in feite een reflectie was van het niveau van malchoet van  Atziloet. Dit visioen omvat alle andere symbolen en vormen van de hogere werelden, maar  zoals een  spiegel, die het  voorliggende reflecteerd, maar niet het  achterliggende. 

In een visioen is de spirituele inhoud van de lagere wereld geopenbaard waardoor zijn hogere bron kan worden vastgehouden, dus kan worden begrepen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEESHE

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

Het gemeenschappelijk kenmerk van deze en de twee volgende Parashot zijn de vooringenomenheid met de relatie tussen Joséf en zijn broers.

 

Gezien het feit dat het feest van Chanoeka in de komende weken plaats vindt en gezien Koning Solomon’s zeer bekende zin in Prediker: dat er een plaats en tijd voor alles is, zullen we zien dat de timing van de verschillende feestdagen, verordent door de Rabbijnen en zelfs de vastendagen die door hen zijn opgelegd, zinspelen op de onderwerpen en handelingen van de Thoralezing gedurende die respectievelijke week van het jaar. “Adonai echat weshemo echat” de Eeuwige is EEN en Zijn Naam is EEN. Het mysterie van G’D’s Eenheid en de Eenheid van Zijn Naam, wordt in het boek Sefer Yetzirah en in alle andere Kabbalistische teksten vergeleken met de verwantschap tussen een vlam en een gloeiende houtskool. Dezelfde relatie bestaat tussen Ja’akov en Joséf, Ja’akov is de gloeiende houtskool, het vuur verbonden aan de houtskool, terwijl Joséf de vlam is. Schriftelijk bewijs voor deze gedachte wordt gevonden in Ovadiah 1,8, waar de profeet schrijft, “Het huis van Ja, akov is als vuur en het huis van Joséf als een vlam.” De letters van het woord éésh (vuur) zijn respectievelijk de eerste letters van èmet (waarheid, oprechtheid) en shalom (vrede), welke de eigenschappen zijn van respectievelijk Ja’akov en Joséf.

 

Esav echter was exact het tegenovergestelde. Hij representeerde kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Jaloersheid is precies het tegenovergestelde van oprechtheid. De eigenschap van oprechtheid is te definiëren als een bereidheid om te erkennen dat iets objectief is, zonder het te ontkennen of anders weer te geven ( zelfs als men daarbij in een slecht daglicht komt te staan). Toen de profeet Ovadiah in het aangehaalde vers beschrijft hoe het huis Esav werd als kash (stro), waren dat respectievelijk de eerste letters van kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Hoewel er een verband is tussen het aansteken van de Chanoeka menora (kandelaar) en het aansteken van de menora in de Heilige Tempel, zijn er enige wezenlijke verschillen. De menora in de Tempel werd aangestoken binnen, in het gebouw, het aantal lichtvlammetjes elke dag was constant en zij werden aangestoken gedurende de dag. Ook gedurende de tijd van Mozes en later die van Koning Solomon, toen het Joodse Volk materieel welvarend en veilig was. In tegenstelling tot nu, de huidige era, ontsteken we de Chanoeka menora bij het vallen van de avond en voegen we elke avond een nieuw vlammetje toe aan de Chanoeka menora, bovendien zijn de lichten geplaatst om de buitenwereld te verlichten. In de tijd van Chanoeka waren de Joden onder de tirannieke Syrisch – Griekse heerschappij. Het Joodse leger was klein en op spiritueel niveau en er was aanvankelijk geen zuivere olie [voor het aansteken van de menora in de Tempel] beschikbaar, zelfs niet voor één nacht.

 

Het bovenstaande impliceert dat er in tijden van materiele overvloed, spirituele taken makkelijker worden gedaan. De noodzaak voor bijzondere inspanningen en zelfopoffering zijn veel minder, dus het aansteken van een constant aantal lichtvlammen elke dag is voldoende. Echter, wanneer spirituele duisternis over de Joodse gemeenschappen valt, zoals in onze dagen, is er een andere wijze van praktiseren nodig. We steken de lichten aan bij het vallen van de duisternis en richten en sturen het licht naar de buitenwereld en verhogen constant het aantal vlammetjes, daarmee geven we uitdrukking aan het feit dat we ons niet staande kunnen houden op één constant niveau, maar moeten vooruitgaan en omhooggaan tot we het moment bereiken dat we de menora kunnen aansteken in de herbouwde Heilige Tempel.

 

SHABBAT SHALOM