PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak         Genesis. 25:19 – 28:9

 

 

TWEE ZIELEN

 

 Er zijn verschillende niveaus in de dienst aan G’D. Er is een niveau waar het Licht van Heiligheid de duisternis verdrijft, zoals valt op te maken uit de welbekende uitspraak: “een geringe hoeveelheid Licht verdrijft grote hoeveelheid duisternis” (Tanya, Hf. 12) en er is een hoger niveau waar iemand duisternis op zichzelf transformeert in Licht.

 

De Zohar stelt, “De tijd van gebed is de tijd van strijd!” Dit betekent dat er gedurende de tijd van gebed een spiritueel gevecht plaatsvindt tussen de Kwade Inclinatie -wat de duisternis in de mens is- en de Goede Inclinatie -wat Licht is-. De Kwade Inclinatie wordt “duisternis” genoemd, omdat die drang en verlangen enkel en alleen voor fysiek genoegen is.

 

De Kwade Inclinatie wordt essentieel gekarakteriseerd door emotionele eigenschappen als liefde, vrees, hoogmoed, etc. Het heeft evenzo het vermogen van intellect, maar dat intellect is alleen gericht op materiele zaken, door het beramen van allerlei manieren om de fysieke genoegens die zij wenst te verwerven en door het vinden van vele manieren om zichzelf te rechtvaardigen. Soms ziet de persoon in dat hij fout is, maar niettemin vindt hij uiteenlopende redeneringen, zelfs als ze onjuist zijn. Toch gebruikt hij deze onjuiste redenen als basis on zijn verlangens te verkrijgen. Aangezien zijn gedrag gelijk is aan dierlijk gedrag, wordt het intellect van de Kwade Inclinatie de “Dierlijke Ziel” genoemd.

 

De primaire essentie van de Kwade Inclinatie is dat het een “vermogen van begeerte bezit”. Deze wil en begeerte van de Kwade Inclinatie is van uitzonderlijke sterkte, zoals blijkt uit het beroemde gezegde in Soekka 53b, “Hoe meer men zijn animistische verlangens bevredigt, hoe hongerige en wellustiger hij wordt.” Het zelfde is van toepassing op de Kwade Inclinatie: hoe meer men zich overgeeft aan zijn begeerten, des te krachtvoller en vuriger het “vermogen van verlangen” wordt, totdat het uiteindelijk eindigt in het afschuwelijke, G’D verhoede. Dit wordt geïllustreerd door de Rebelse Zoon die rebelleert tegen zijn ouders (Deuteronomium.21:1), wiens gedrag gestaag degenereert door graduele fasen van grofheid. Vandaar dat de Kwade Inclinatie- de Dierlijke Ziel- “duisternis” wordt genoemd. Anderzijds, wordt de Goede Inclinatie, samen met zijn intellect, de G’ddelijke Ziel, “Licht” genoemd, omdat het Licht fuseert in de duisternis van de Kwade Inclinatie en de Dierlijke Ziel. 

 

Deze taak van de Goede Inclinatie en de G’ddelijke Ziel om de duisternis van de Kwade Inclinatie en het Dierlijke te illumineren, wordt een “gevecht” genoemd, aangezien beide, de Dierlijke ziel en de G’ddelijke Ziel, hun beste vermogens aanwenden, ieder probeert zijn opponent te overwinnen. Het verlangen voor controle over zijn enorme tegenstander is zo groot dat alle middelen waardevol worden beschouwd om deze overwinning te behalen.  Wij vinden dat terug in het zegevieren in de strijd, wanneer een koning zijn meest kostbare schatten die zijn verzameld en bewaard, voor vele generaties zal gebruiken en besteden als beide partijen vastberaden strijden om zelfs- indien nodig- te sterven. Deze analogie kan ook worden toegepast op de spirituele strijd tussen de innerlijke krachten van goed en kwaad, ieder gebruikt zijn hoogste capaciteiten om te winnen.

 

De tijd en plaats van deze spirituele worsteling is gedurende het gebed. Dan sterken de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel zichzelf met hun maximale krachten, elk probeert elkaar te overwinnen. Zoals is geschreven over Jacob en Esau in Genesis, 25:23, “ …. en het ene volk zal proberen te prevaleren boven de andere”, verwijzend naar de twee natiën die stammen van Jacob en Esau. In diepe zin, relevant voor de G’ddelijke Dienst van elke Jood, refererend aan respectievelijk het spirituele en het fysieke van deze wereld. Esau, de zoon van Jitschak, wordt “een man van het veld” genoemd (Genesis. 25:27), want zijn interesse lag alleen in het aardse en de wereldse aangelegenheden.  Zijn totale verlangens waren alleen voor fysieke genoegens en voor dit doel handelde hij valselijk en bedrieglijk. Hij had het grootste respect voor zijn vader Jitschak, dat wil zeggen, als hij hem voedsel serveerde, kleedde hij zich in zijn beste kleren, dus vervullend de mitzwa van het eren van iemands vader, maar tegelijker tijd bedroog hij hem ook als het moest.  

 

Jacob echter representeerde het spirituele, als zodanig wordt hij een “ingetogen iemand” genoemd (ibid.), iemand die niet in staat was, noch het verlangen had om anderen voor de gek te houden. Jacobs enige interesse betrof spirituele aangelegen; al zijn gedachten waren gefocust hoe zichzelf op een hoger plan te brengen en te verbeteren, zoals de Talmoed leert, dat een persoon goedhartig moet zijn tegenover andere en toegewijd aan G’D (Kiddoeshin 40a). Zijn hele genoegen was de studie van Thora; hij wordt beschreven als “een tentbewoner” (ibid),  het bestuderen van de Thora, die werd onderwezen in de studiehuis van Sem en Ever.

 

In termen van het dienst doen van een Jood aan G’D, corresponderen Jacob en Esau respectievelijk aan de twee zielen in elke Jood, de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel. Beide zielen wensen de persoon te domineren en bestrijden elkaar. Dit is de betekenis van “ …. en het ene volk zal proberen te prevaleren boven de andere”. Wanneer twee mensen vechten, geeft het eigenlijke gevecht elk een bepaalde hoeveelheid moed en sterkte.

 

 

 

Het zelfde is van toepassing ten aanzien van de spirituele strijd tussen de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel welke plaatsvindt gedurende de tijd van het gebed. Daarom worden tijdens het gebed twee tegenovergestelden emoties geopenbaard in een persoon, een stamt van de G’ddelijke Ziel en de andere van de Dierlijke Ziel. We zien dat tijdens het gebed uiteenlopende vreemde gedachten in iemands brein binnendringen, zodat hij zelfs vergeet dat hij staat in de aanwezigheid van G’D.  Terwijl wanneer iemand wordt beziggehouden met zakelijk aangelegenheden of andere wereldse zaken, zoals eten en drinken, dan dringen geen andere gedachten zijn geest binnen.

 

Daar waar hij spreekt of luistert naar zinloos gepraat, vergeet hij ogenblikkelijk zijn financiële zorgen; maar echter gedurende de periode van gebed, dringen rare en vreemde gedachten zijn brein binnen. We vinden echter ook paragraven of verzen die hij zegt met innerlijke warmte en een vitaliteit die zijn hele wezen doordringt tijdens het gebed ondanks dat iemand niet constant denkt aan de betekenis van het gebed, dus dan niet bedachtzaam en geconcentreerd is. Deze tegenovergestelde disposities komen voort van de G’ddelijke Ziel en de Dierlijke Ziel. De Dierlijke Ziel veroorzaakt het ontstaan van allerlei soorten van vreemde en ongepaste gedachten in iemands brein, die hem afhouden van gebed, terwijl de G’ddelijke Ziel hem inspireert met energie, levenskracht die zich uitdrukt in een onverhoedse hartverscheurende kreet van berouw. Deze uitbarsting stamt van zuivere oprechtheid en compleet vertrouwen dat “hij er van zal worden verlost”.

 

En door de individuele verlossing van elke Jood, die wordt bereikt door middel van het overwinnen van goed en kwaad in hem zelf, zal dit de volledige Verlossing brengen voor ons volk. Dan zullen we allen getuigen zijn van de vervulling van de profetie door onze rechtschapen Mashiach.

 

SHABBAT SHALOM

 

    

 

 

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara   Genesis. 23:1 – 25:18

 De spelonk en de letter

 

De spelonk Machpala in Hebron  is een integraal deel van de eenwording van G’D’s Naam.

 

Likoeté Sichot, vol. 1, p. 34-36, vol. 20, p. 91-99

 

 “Verleen mij de spelonk Machpala………laat hij mij die geven voor de volle pond, als een eigen begraafplaats, als bezit, in uw midden.” (Genesis, 23:9)

 

In Kabbala refereert het woord “Machpala” aan de letter die twee keer voorkomt in G’D’s Naam. (Zohar I, 129a) De relatie tussen G’D’s Naam, de bron van leven en de begraafplaats van onze Patriarchen en Matriarchen is als volgt: De reden dat de ziel in het lichaam wordt gezonden is om zijn unieke taak te volbrengen om G’ddelijk bewustzijn in deze wereld te verspreiden. Wanneer het zijn taak heeft beëindigd, keert het terug naar “huis”, naar zijn oorsprong in G’D. Deze terugkeer gebeurt stap voor stap telkens wanneer we onze verhouding met G’D vernieuwen, waarbij in de tussen gelegen tijd een toenemende bewustwording van G’D wordt vergaard.De beweegreden om onze verhouding met G’D te vernieuwen hangt af van ons verlangen om onze status te herstellen met Hem na een val of een periode van vervreemding of hangt af van een verlangen om onze verhouding met Hem te intensifiëren.

 

In het eerste type van terugkeer, is de heroriëntering op ons gedrag (aangeduid door de tweede, of “lagere” van G’D’s Naam) met onze emotionele betrokkenheid (aangeduid door de letter vav) en wordt daarom de “lagere” terugkeer genoemd. In het tweede type van terugkeer, is de heroriëntering op onze mentaliteit (aangeduid door de eerste, of “hogere”, ) met onze pure G’ddelijke inspiratie en inzicht (aangeduid door de letter joed); het wordt daarom de “hogere” terugkeer genoemd.

 

[Noteer dat: In het Hebreeuws deze aanduiding in werkelijkheid is dat het woord voor “terugkeer” (“teshoeva”) kan worden gelezen als “keer terug (in het Hebreeuws, ‘tashoev’ de hé.”] Dus het proces van terugkeren, die de hoeksteen vormt van onze verhouding met G’D gedurende ons leven, wordt aangeduid door de twee letters  in G’D Naam.  De twee letters worden aangeduid door het woord “Machpala” (hé Machpala, letterlijke betekenis, “dubbele hé”).

 

De definitieve terugkeer gebeurt niet, zoals we zeiden, voordat de ziel zijn taak in deze wereld heeft beëindigd en het lichaam heeft verlaten. Dus de begraafplaats van Machpala geeft aan de voltooiing van het proces van terugkeer. Dit is de verbinding tussen de twee letters van G’D’s Naam en de begraafplaats van onze Patriarchen en Matriarchen.

 

 VOOR DE VOLLE WAARDE

 

Ondanks de herhaalde pogingen van de zonen van Cheth en Efron om Avraham het land dathij benodigde gratis te geven, stond Avraham er op om er voor te betalen. Sterker nog, hij weigerde zelfs een gereduceerde prijs, maar drong aan op een betaling van de volle waarde. Dit, ondanks het feit dat hij een legale claim had op het gehele land zelfs zonder een overeenkomst met de inwoners.

 

We vinden een vergelijkbaar fenomeen, zoals Rashi benadrukt, in de discussie tussen David en Aravna. (Zie Samuel, 24:1, Kronieken, 21:24.) Aravna was koning van de Jebusiten en heerser van Jeruzalem. Toen David Jeruzalem veroverde, bekeerde Aravna zich tot het Jodendom. David werd getoond door een engel dat Aravna’s graanschuur de verheven plek was waarop de Heilige Tempel moest gebouwd worden. Toen Aravna dit hoorde, was hij graag bereid zijn graanschuur te schenken aan David. Ondanks het feit dat het stond op veroverd land en met de toestemming van de eigenaar, stond David er op om Aravna de volle waarde van de graanschuur te betalen.  

 

In de Midrash wordt  bevestigd (Bereshiet Rabba, 79:7) dat er drie plaatsen zijn in het Land van Israël waar onbetwistbaar het eigendomsrechtvanhet Joodse Volk is gevestigd: de Spelonk van Machpala in Hebron, de Tempelberg in Jeruzalem en Josefs graftombe in Shechem, in volle waarde, zonder enige schijn van meningsverschil.

 

Waarom stond Abraham er op om voor de spelonk te betalen, in plaats van het te ontvangen als een gift? Door dit geval te vergelijken met de aankoop van David, zinspeelt Rashi op het antwoord. David zei tot Aravna dat hij het land weigert te accepteren als een gift “want ik wil niets nemen dat wat van jou is om G’D,offers te brengen op land wat gratis is verkregen.” Wanneer iemand een gift accepteert, blijft er altijd iets van een verbinding bestaan tussen de gever en de ontvanger. Zowel Abraham als David wilde elke verbinding tussen het land en de vorige eigenaren verbreken, zodat de heiligheid van deze unieke plaatsen puur en onbevlekt zouden blijven.

 

Voorts, het huwelijk van Izaäk en Rebecca, is een voorloper op de openbaring van de Thora, alsde algemene openbaring van G’D in de wereld, terwijl de openbaring van G’D in de Tempel en door de Profeten bijzonderheden en details waren van deze algemene openbaring. Eliézers gebed voor het potentiele huwelijkspaar was daarom sneller beantwoord dan de twee andere gebeden.

 

[In Kabbala is het huwelijk van Izaäk en Rebecca een expressie van de eenwording van twee van de vier manieren van het letter voorletter spellen van G’D’s Naam. Izaäk wordt geïdentificeerd als de Naam van G’D en letter voor letter gespeld is zijn numerieke waarde 45 is en Rebecca wordt geïdentificeerd als de Naam van G’D en letter voor letter gespeld is de numerieke waarde 52 is. Zoals wordt verklaard in Kabbala is de eenwording van deze twee varianten op G’D’s Naam de essentie van onze studie van de Thora en het uitvoeren van de Mitzwot.) 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

 

PARASHAT WAJERA

En Hij verscheen   Genesis.18:1 – 22:24

 

ABRAHAMS BESNIJDING VEROORLOOFDE HEM EEN PERMANENTE

CONNECTIE MET DE G’DDELIJKE AANWEZIGHEID.

Rabbi Chaim Ben Attar, Ohr HaChaim.

G’D verscheen aan hem [Abraham]. (Genesis. 18:1)

In het originele Hebreeuwse zinsdeel, verschijnt G’D’s Naam het laatste, letterlijk gelezen: “Verscheen aan hem G’D”.

Waarom is Abraham het onderwerp van het visioen en waarom wordt hij  genoemd voor (het woord) G’D? De normale constructie zou zijn geweest: “G’D verscheen aan hem” In de voorafgaande visioenen ontving Abraham altijd G’D als eerste (vergelijk 12:7 en 17:1). Waarom vermeldt de Thora niet de aard van dit visioen, het te behandelende onderwerp, etc.? Onze Geleerden in de Talmoed (Baba Metzia 86) zeggen dat G’D simpelweg bij Abraham op ziekenbezoek was, gezien Abraham nog steeds herstellende was van de uitwerkingen van de besnijdenis. Dit klinkt heel mooi, maar dit wordt niet in de tekst aangegeven.

 

De boodschap aan Abraham was dat G’D’s Aanwezigheid van nu af aan op hem zou rusten als een permanente basis. In Kabbalistische termen, Abraham was nu een “drager van de Shechina”. De huidige aanspreekvorm geeft aan dat G’D’s Aanwezigheid wordt gevoeld door Abraham. Had de Thora de gebruikelijke verwoording toegepast, konden we ons niet bewust worden dat G’D onderscheid maakt tussen openbaring zelf en Degene die Zichzelf openbaart.  Het is om die reden dat Abrahams toekomstige visioenen nooit meer worden ingeleid door het woord “verscheen” [“wajera”]. We zien alleen: ”G’D sprak tot Abraham”.

De term “Hij verscheen aan hem” zinspeelt ook op de letter joed  van G’D’s Naam, Die zichtbaar wordt op Abrahams vlees zoals vermeld in Tanchoema 96 en Zohar I:95: “Wanneer de heilige als verblijf is ingeprent op iemand, betekent dit dat G’D’s Aanwezigheid rust op die persoon.”

De boodschap is: nu dat Abraham was besneden, was hij in staat om een visioen van G’D in Zijn superieure Licht in zich op te nemen. Niet iedereen werd ingewijd in een profetisch visioen in de volle betekenis van het woord. Hij was in staat om de Vier Letter Naam van G’D [Havayah] in zich op te nemen. We zouden dit niet hebben begrepen als de Thora had geschreven: “En G’D verscheen aan Abraham”.   

 

SODOM EN GOMORRA BELICHAMEN DE GEVALLEN VERSIE VAN HET LICHT VAN TOHOE

 En G’D liet het regenen over Sodom en over Gomorra, zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden en de gehele vlakte ten onder met alle bewoners van de steden en de vegetatie van de grond. (Genesis. 19:24)

“Zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden”…..: Alle steden van de vlakte gingen ten onder, maar alleen Sodom en Gomorra werden vernietigd met zwavel en vuur. De steden Admah en Tzvaim werden primair bestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D, terwijl Sodom en Gomorra primair werden gestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D en de mens, G’D vernietigde Sodom en Gomorra volkomen. De wereld van Tohoe werd vernietigd zodat de wereld van Tikkoen kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

In Kabbala, belichamen Sodom en Gomorra de gevallen versie van de Lichten van Tohoe, intens en afzonderlijk denkende G’ddelijke energieën die niet konden worden begrensd en vastgehouden en niet gelijktijdig konden bestaan. Dit  afzonderlijk denken wordt gereflecteerd in het egoïsme van Sodom. Dus Sodom en Gomorra moesten geheel worden verwoest, net zoals de wereld van Tohoe was verwoest, zodat de wereld van Tikkoen, de wereld met minder intense Lichten en meer concrete vaten, kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

De ultieme ervaring is dan wanneer de oneindige lichten van Tohoe zijn opgenomen in de eindige vaten van Tikkoen. Dus wanneer Ezechiël profeteert (Ezechiël. 16:53) dat in het Messiaanse tijdperk deze steden zullen worden gerehabiliteerd, refereert hij ook aan de Lichten van Tohoe, die uiteindelijk zullen worden geïntegreerd in de vaten van Tikkoen.

Shabbat Shalom        

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij        Genesis. 12:1 – 17:27

 

HET VERKRIJGEN VAN JE WARE IK

 

Toen het Joodse Volk het Land van Israël overwon, veranderden zij daarmee de spirituele aard van het Land en zodoende werd het voor altijd het “Joodse Land”.

 

 Likoetei Sichot, vol. 2, p. 659.

 

 “G’D zei tot Awram, “Ga: uit je land, van je geboortegrond, uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je zal aanwijzen.” (Genesis. 12:1)

 

 “Ga”: Letterlijk staat in deze opdracht, “Ga naar jou”. Deze instructie aan Awram is evenzo een instructie voor elk individu: “Ga naar jou, naar jezelf, keer terug en verbind jezelf met je ware ik, met je essentie en spirituele oorsprong.

 

….onze uitdaging is om de aardse dimensie van onze ziel te verbinden …met zijn transcendente oorsprong.

 

Slechts een klein deel van de ziel komt in het lichaam en brengt het tot leven. Het oorspronkelijke grotere deel van de ziel, blijft Boven en overtreft de beperkingen van de fysieke wereld en ervaart G’ddelijkheid als een helderende en natuurlijke realiteit zoals we dat met materie ondervinden. Gedurende ons verblijf in deze wereld, is onze uitdaging om de aardse dimensie van onze ziel te verbinden (vanwege diens fysieke perceptie is het blind voor G’ddelijkheid) met zijn transcendente oorsprong. “Des te meer we ons verbinden met onze oorsprong, des te meer zullen we ook in staat zijn om G’ddelijkheid te zien.” Dus de Thora vertelt ons:

 

Ga naar jezelf”: keer terug naar je innerlijke binnenste, door te gaan,

 

 “Uit je land”: dat wil zeggen, door uit te reiken boven je aardse verlangens,

 

Van je geboortegrond”: door het overwinnen van je stoffelijke gewoonten en neigingen, en

 

“Uit het huis van je vader”:door boven de intellectuele beperkingen van je dierlijke ziel uit te reiken (omdat het intellect de vader is van de ideeën en eventuele emoties voortbrengt).

 

Alleen nadat wij succesvol de beperkingen van de lichamelijke dierlijke ziel overkomen kunnen we verder gaan met de volgende taak, die van het overstijgen van zelfs de neigingen van de G’ddelijke ziel, zijn eigen Radzon (land, Chochma (geboortegrond), en Bina (vaders huis) om een niveau te bereiken dat boven alle redenering gaat, “het Land dat Ik je zal aanwijzen, een plaats waar de ziel niet slechts en alleen G’ddelijkheid begrijpt, maar werkelijk ziet.

 

SHABBAT SHALOM          

 

PARASHAT NOACH

Noach          Genesis 6:9 – 11:

Rabbi Shimon bar Jochai.

 

Zohar P. 64b.

 

In de onderstaande vertaling, verklaart de Zohar, waarom de naam van G’D, gespeld joed hé vav hé (verwijzend naar “Havayah”) wordt uitgesproken op een niet relevante manier ten aanzien van de behorende spelling. De naam wordt uitgesproken als “Ado-nai”, wat “Heer” betekent, wat zelfs nog geeneens een toespeling is tot de betekenis van de spelling. Een andere naam, Elo-hiem, wordt eveneens gebruikt om het G’ddelijke te beschrijven, in het aspect als schepper. Onze tekst onderzoekt de achterliggende betekenis in het gebruik van deze naam, en wat het betekent in ons dagelijks leven.

 

Om welke reden wordt op een bepaalde plaats geschreven, “En Havayah [welke een naam is die refereert aan het G’ddelijke aspect van barmhartigheid] liet zwavel en vuur regenen over Sodom en Gamora” (Genesis. 19:24)? Waar ligt het verschil tussen dit, en het verhaal van de Watervloed, waar telkens de naam Elo-hiem wordt gebruikt en niet de naam G’D?

 

De enige uitzondering met betrekking tot dit is wanneer de tekst gaat over de redding van Noach en zijn familie, zoals “Havajah zei tegen Noach: ‘ Ga, jij met heel je huisgezin in de ark’” (Genesis. 7:1), of “Havayah sloot hem beschermend in.” (Genesis. 7:16)

 

We hebben echter geleerd dat op elke plaats waar “en Havayah” wordt gezegd, het een verwijzing is naar Hem en Zijn Gerechtshof.

 

De intentie is om aan te geven dat Zeir Anpin, het hogere barmhartige aspect van G’D, zich heeft verbonden met Malchoed. Juist zoals een koninkrijk wordt geregeerd bij wet, resulteert de verbinding van Zeir Anpin met Malchoet, in het tot uitvoer brengen van een justitieel oordeel.

 

Waar de naam Elo-hiem op zichzelf wordt gebruikt, verwijst het naar het aspect van oordeel. Toen Sodom werd verwoest, was het oordeel niet de gehele wereld. Met als gevolg dat de naam Havajah [de naam] werd betrokken in het ten uitvoer brengen van het justitieel oordeel [om de zekerheid aan te geven van een gelimiteerde destructie]. Dit was niet het geval met de Watervloed. Daar werd de gehele Wereld verwoest met al zijn levende creaturen.

 

Nu, denk niet, dat [omdat] Noach en allen met hem, waren gered, oordeel en barmhartigheid zich met elkaar hadden vermengd. Hij was uit het zicht gehouden [voor de destructieve machten en daarom gered]. Vanwege de krachten van oordeel, was alles in de wereld verwoest. Vandaar zien we, dat waar de woorden “en Havayah” worden gebruikt, het mogelijk is om uitgesloten te worden [zoals bij Lot] en gered te worden [omdat er een differentiatie is gemaakt tussen de slechten en degenen die het verdienen om gered te worden].
Overal waar de naam Elo-hiem wordt gebruikt, dienen mensen zichzelf te verbergen en blijven beschermd in een afgesloten plaats [als een bunker!]. Omdat Hij [het aspect van oordeel] alles vernietigt [geen verschil maakt tussen rechtvaardigen en slechten]. Dit is de reden dat de naam Elo-hiem specifiek is gebruikt in direct verband met de Watervloed.

 

SHABBAT SHALOM

SJEMINIE ATSERET – SIMCHAT THORA, PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SJEMINIE ATSERET – SLOTFEEST, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

 

Soekot en Simchat Thora staan bekend als ‘De tijd van onze vreugde’. Een periode die overstroomt  van zuiver geluk, dat we met emmers kunnen opvangen. Van uit deze optiek dienen deze feestdagen als een natuurlijke beëindiging van de reeks die begon met de Hoge Feestdagen. Op Rosh Hashana en Jom Kippoer delen en verbinden wij de essentie van onze ziel met G’D. Op Soekot en Simchat Thora, komt de vreugde, die deze verbintenis innerlijk voortbrengt, tot uiting.

 

‘Waarom ben je zo overweldigend uitbundig?’, vroeg de geleerde aan de eenvoudige man. Het is Simchat Thora, de dag van vreugde om de Thora.

 

Aangezien jij niet geleerd bent, wat is jou connectie tot de Thora en waarom is het voor jou vandaag een reden om vreugdevol te zijn?

 

‘Wanneer de dochter van je broer trouwt neem je dan niet deel aan de feestvreugde?’ vroeg de eenvoudige man.

 

‘Natuurlijk,’ antwoordde de geleerde, onzeker over de intentie van de eenvoudige man. Nou, om dezelfde reden vier ik deze dag zo uitbundig feest, antwoordde de eenvoudige man. Alle Joden zijn broers van elkaar. Als het vandaag een feestdag is voor geleerden, is het evenzo een feestdag voor mij.

 

In feite is het zo, dat de reden van onze viering van Simchat Thora veel dieper gaat dan de connectie met de Thora die behaald is door studie.

 

Op Simchat Thora vieren wij onze connectie met de essentie van de Thora, een niveau dat het bevattingsvermogen geheel te boven gaat.

 

Om die reden wordt de viering gehouden met gesloten, dicht gebonden Thora.

 

Op Simchat Thora vieren we uitbundig feest omdat we Joden zijn en als Joden delen we de verbintenis  met de essentie van de Thora, een verbintenis die ons innerlijke verbindt met de essentie van G’D.

 

Op dit niveau zijn de eenvoudige man en de geleerde gelijk, want de ziel is een deel van G’D Zelf, zo oneindig en ongebonden als G’D. Dit geldt voor ons allen. Elke Jood heeft een ziel welke in essentie een G’ddelijke vonk is en dank zij deze vonk delen wij een connectie met de essentie van de Thora.

 

Zoals de Zohar verklaart: ‘Israël, de Thora, en de Heilige, Hij zij geprezen, zijn één.’

 

Om die reden vieren de eenvoudige man en de geleerde gelijkwaardig, want de ene is niet méér joods dan de andere.

 

In bepaalde mate is de viering van de eenvoudige zelfs groter, want zijn intellect zit hem niet in de weg, tot zijn connectie met zijn Joodse essentie.

 

Met de uitstroom van vreugde op Simchat Thora, zetten wij onze koers uit in het nieuwe jaar. Met het verkrijgen van herstel met ons innerlijke wezen op de Hoge Feestdagen en de viering van deze connectie met G’D op Soekot en Simchat Thora, prepareren en verhogen wij de sfeer van ons dagelijks functioneren in het komende jaar.

 

 CHAG SEMÉACH, GOED JOM TOV

 

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BERESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA 
Op de feestdag van Sheminie Atseret – Simchat Thora (donderdag 26 en vrijdag 27 september), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (donderdag 26 september) in Israel, lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, als het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 28 september is.

 

PARASHAT WEZOT HABERACHA        En dit is de zegen

 

 

Deuteronomium. 33:1 – 34:12

 

Rabbi Shimon bar Jochai.

 

Het verwelkomen van gasten in de Soeka.

 

Zohar, Emor bladzijde 103b.

 

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat WeZot HaBeracha.

 

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soeka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend Chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

 

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van Chesed tot Malchoet]. Gelijk is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

 

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; ChesedGevoeraTiferet, NetzachHod en Yesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

 

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soeka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, refererend aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soeka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezicht uitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen: “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soeka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

 

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

 

PARASHAT BEREESHIET         In het begin                Genesis. 1:1 – 6:8

 

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR, p. 23a

 

In de onderstaande vertaling bespreekt Rebbe Shimon de vraag waarom G’D de kwade inclinatie in een persoon heeft gecreëerd. Als iemand geen aanmoediging in zich heeft tot kwaad, zouden er geen kwaadaardige handelingen worden gepleegd die correctie verlangden door berouw en gecorrigeerd gedrag.

 

Rebbe Shimon zegt dat als dit zo was [dat G’D wist dat de mensheid zich zou kunnen laten leiden bij hun kwade inclinatie] waarom is dit alles?

 

Waarom creëerde Hij de wereld?

 

Rebbe Shimon zei tot zijn vrienden, dat als G’D niet de goede en de kwade inclinaties had gecreëerd in een persoon [die zijn zoals licht en duisternis in het universum] een persoon ook niet was gecreëerd met de mogelijkheid om beloning en straf te ontvangen. In plaats daarvan werd de mens gecreëerd met beide inclinaties, en omdat is er geschreven: “Zie, vandaag leg Ik je voor het leven en dood en goed en kwade”( Deuteronomium. 30:15). [Deze “optie” reflecteert iemands vermogen om vrije keuzen te maken.]

 

Zij zeiden tot hem dat zijn uitleg uitstekend is, maar was het niet beter dat de kwade inclinatie in zijn geheel niet was geschapen? Dan zou een persoon niet zondigen en de negatieve effecten in de spirituele werelden zouden niet meer plaatsvinden.

 

Vervolgens worden straf en beloning overbodig.

 

Hij antwoordde hen dat ten aanzien van regels van oordeel, het gepaster is dat de mens werd geschapen op deze manier [vrijheid van keuze en straf en beloning].  De Thora is gecreëerd voor de mensheid en bevat geschreven teksten van straf voor de slechten en beloning voor de rechtvaardigen. Er was geen behoefte voor beloning en straf dan alleen voor de gecreëerde mens. Chaotische anarchie is niet gecreëerd, eerder een geordende staat met controle over de inclinatie [om goed of kwaad te doen].

 

Aldus wordt de mens een partner van G’D die licht en duisternis creëerde. In het kiezen van goed, creëert de mens licht; in het kiezen van kwaad creëert hij duisternis.  Dit verklaart waarom het eerste licht was gecreëerd op de eerste dag van de Schepping, vóór de zon en de sterren. Dat licht heet “goed” en is hier equivalent aan het licht dat wordt opgewekt door een handeling van barmhartigheid.

 

Zij zeiden tot hem dat wat zij nu hoorden, zij nooit tevoren hadden gehoord. Het is zeker dat G’D geen dingen creëert waar geen behoefte aan is.

 

Niet alleen dat, maar de Thora van de geschapen wereld is de kleding van de Shechina.

 

Dit omdat de persoon die kiest voor licht ( door het leren van Thora en het doen van goede daden) de G’ddelijke Aanwezigheid kleedt en verfraait in de laagste wereld met prachtige kleding, en haar in een passende staat brengt om zich te verenigen met haar G’ddelijke bron. 

 

Als de mens niet was geschapen [na de Thora], zou de Shechina zonder kleding zijn, als een bedelaar [in lompen gehuld]. Daarom, als iemand, als het ware, kwaad doet, ontkleedt hij de Shechina,  wat een effect heeft op hem en op deze wereld.

 

Bovendien, allen die de opdrachten van de Thora uitvoeren, kleden de Shechina in haar gewaad.

 

Zoals we eerder hebben uitgelegd m.b.t de opdrachten over het dragen van de kledingstukken van Tzitziet en tefillien. Zoals staat geschreven: “Het is haar enige bedekking [een verwijzing naar de taliet]. Het is een kledingstuk voor zijn huid [een verwijzing naar Tefillien die gemaakt zijn van leer].

 

“In wat zal hij s ’nachts slapen?” duidt op de verbanning van de Shechina, zoals we hebben uitgelegd. [Zie Tikoenei Zohar, Tikoen 69]

 

En zo is het met alle schepselen en dingen in de wereld.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

SOEKOT – LOOFHUTTENFEEST

DAKBEDEKKING VOOR BEWUSTZIJN

Kabbala leert dat het dak van de soekka G’ddelijk bewustzijn kanaliseert.

 

 

Rabbi Jitzchak Luria, opgetekend door Rabbi Chaim Vital.

 

 

Van de mitzwot verbonden met de feestdagen van Soekkot, is wellicht de meest opmerkelijke de eigenlijke structuur van de soekka (hut) waarin we het hele feest verblijven en waar het feest zijn naam aan ontleent. Terwijl de expliciete reden voor het bouwen van de soekka is om de miraculeuze Uittocht van Egypte te herinneren en aan G’D’s bescherming toen we de Sinai woestijn doortrokken, verklaart de Ari dat, wanneer men op de juiste wijze de soekka construeert, het als een model dient van de spirituele werelden en als een kanaal voor verbredend bewustzijn, kanaliserend de G’ddelijke liefdadigheid en welwillendheid in de Lagere Sferen. 

 

Eén van de hoofdbestanddelen welke nodig is voor een geldige soekka is de “schach”, het dak van de soekka, gemaakt van organisch natuurlijke materialen rustend op de wanden. Chassidische literatuur leert dat zowel het woord “soekka”, als het woord “schach”, verwijst naar de frase “waarnemen” [‘soché’] met G’ddelijke inspiratie, zoals gebruikt om onze matriarch Sarah te beschrijven, ook wel bekend als “Isca” (van dezelfde wortel letters).

 

De Ari leert dat deze connectie tussen schach en G’ddelijke inspiratie, als een profetie of in elk geval een niveau van uitgebreid bewustzijn is. In feite dient schach van een soekka die kosher is, in het bijzonder als een medium door welke we Hemelse wijsheid en begrip absorberen. Kabbala geeft niet alleen modellen van spirituele realiteiten aan in de Hemelse Werelden, maar ook hoe wij een actieve rol spelen in hun manifestaties in Deze Wereld. In de soekka functioneren wij in de rol van de Partzoefiem van Zé’ir Anpin en Noekva, gelijkend op onvolwassen zonen en dochters (of kuikens in een nest) en de schach functioneert als een interface (intermediair) met de Partzoef van Imma, de voedende “moeder”; evenals “onze moeder” Sarah, hangend boven haar jongen in haar nest, wijsheid en begrip schenkend en de zorg om hen volwassen te maken en zelfs hen een glimp te geven van het Universum van haar verheven perspectief.

GOED JOM TOV           

 

JOM KIPPOER – GROTE VERZOENDAG 5774

Wanneer de Hoge Priester met zijn lippen de letters van de Naam  begon te formuleren, “slikte” hij onmiddellijk de letters weer in.

 

Rebbeinoe Bachya ben Asher

 

Want op die zal hij (de Hoge Priester) verzoening voor jullie verkrijgen om jullie te louteren.”(Leviticus. 16:30)

 

Dit vers is een belofte voor Joden gedurende de generaties van de Dag van Verzoening welke een specifieke uitzonderlijke dag is voor vergiffenis en kwijtscheiding. Wanneer de Hoge Priester zijn confessie, belijdenis reciteerde op Jom Kippoer, reciteerde hij dit vers is zijn gebed.

 

De Naam van G’D waaraan in dit vers wordt gerefereerd is de Naam bestaande uit 42 letters. Sommige van onze Geleerden menen dat Aaron de Naam Havayah gedurende dit gebed gebruikte en niet de 42 letterige Naam op Jom Kippoer. Rabbi Saadyah Gaon behoort tot die groep van Geleerden. Wij menen dat de eerste opinie, dat de 42 letterige Naam van G’D  werd gebruikt door de Hoge Priester waarschijnlijk de correcte is.

 

Dit is de reden waarom in onze liturgie van Jom Kippoer de formulering staat: “Toen de mensen buiten de Tempel de Hoge Priester de Heilige Naam hoorden uitspreken…..wierpen zij zich ter aarde en proclameerden G’D’s Majesteit door het uiten van de woorden die we dagelijks gebruiken na de eerste frase van het Shema Jisrael gebed, met de andere woorden: “Geprezen de Naam van Zijn Koninklijke Majesteit, voor alle eeuwigheid”. Toen de auteur dit onderdeel van de liturgie schreef “in heiligheid en zuiverheid” meende hij dat het volk de Naam Havayah niet moest uitspreken zoals de Hoge Priester deed. Hij meende dat de gedachten van de mensen die van verering, respect en diepe eerbied waren vervuld heilig waren zonder dat ze de Naam Havayah  hadden horen uitspreken 

 

Dit is ook de mening van de Kabbalisten toen zij zeiden dat “de Namen van G’D  eigenlijk niet geuit zijn in heiligheid, maar in het denken erover, door de heilige gedachten. Vanwege het denkbeeld dat de lucht die tijdens het uitspreken van de woorden wordt uitgeademd, de heiligheid van die Naam zal verontreinigen. Als dat zou gebeuren zou de Heilige Naam van G’D worden ontheiligd. Dit is waarom De Hoge Priester wanneer hij de letters van de Naam Havayah  begint te formuleren met zijn lippen, hij ze onmiddellijk weer “inslikte”, om niet toe te staan dat het volledige woord “zou ontsnappen” in de lucht om hem heen.

Goed Jom Tov

 

ROSH HASHANA 5774 – PARASHAT HA’AZINOE

DE DIEPERE REDEN VOOR HET BLAZEN VAN DE SHOFAR

 

 Voordat we dieper ingaan op enkele mystieke esoterische aspecten van het blazen van de shofar op Rosh HaShana, moeten we begrijpen waarom we de shofar blazen. Als de Thora spreekt van Rosh HaShana, de eerste dag van de Zevende Maand, zegt het eenvoudig: “Dit zal voor jou een ‘dag van teroe’ah’ zijn. De geleerden van de Talmoed (Rosh HaShana. 33b) begrijpen en maken hieruit met zekerheid op dat het een dag van blazen van de Shofar moet zijn en een andere Talmoedische passage zegt, we blazen de Shofar simpelweg omdat “Rachmana amar teko,” ‘de Barmhartige het zegt’. Het vereist geen te begrijpen reden voor het doen van mitzwot, want zij vinden hun oorsprong in de absolute eenvoud van G’D’s Eenheid.

 

Niettemin zijn we denkende wezens en we zijn gecreëerd om te trachten de zin en de bedoeling te vinden. Om die reden mogen we ook ethische, filosofische en mystieke ‘redenen’ van de mitzwot onderzoeken.

 

 KLANKREDENERING

 

 Er zijn twee reeksen van Shofar klanken die geblazen worden op Rosh HaShana. De eerste reeks wordt tekiat m’joeshav genoemd, ‘zittende stoot’, en de tweede reeks wordt ‘tekiat m’oemad’, staande stoot genoemd. We komen hier op terug om het verschil te bespreken tussen deze twee typen. Laten we eerst aantekenen dat door het blazen van de eerste reeks, die bestaat uit dertig Shofar klanken, we de mitzwa van Shofar hebben vervuld. De vraag is, waarom we verder moeten gaan met het blazen van een tweede reeks, de ‘tekiat m’oemad’? De Talmoed zegt dat de reden voor de tweede reeks is “l’arvev et hasatan”, om de Satan in verwarring te brengen. (Rosh HaShana. 16b)

 

 De grote 11e eeuw commentator, Rabbi Shlomo Yizchaki, beter bekend als Rashi schrijft, dat als de Satan ziet dat we de mitzwot eren en lief hebben, en zelfs een extra reeks van Shofar klanken op ons nemen, hij, de Satan zo verstomd is dat hij mensen niet kan hinderen bij de uitvoering van de mitzwot en hij hen niet kan aanklagen voor hun misstappen.

 

Rashi’s kleinkinderen, de auteurs van Tosefot, schrijven dat de tweede reeks is geassocieerd met “de klank van de Grote Shofar”. De Grote Shofar, volgens de profetie, is een mystieke klank die het begin van de kosmische Verlossing zal aankondigen. Als deze tijd komt “zal de dood worden verzwolgen”, deverdeeldheid en hetkwaad en ook de Satan zelf, zal verdwijnen.  Om die reden, als de Satan onze tweede reeks van de Shofar tonen hoort, op Rosh HaShana, wordt hij geagiteerd en kan zich niet richten op zijn taak om te verhinderen.

 

De letterlijke betekenis van teroe’ah, ‘blazen van de Shofar’ is “het breken”, van het woord re’oe’a, ‘gebroken’, wat etymologisch het maken van gebroken tonen, klanken suggereert en klanken die obstakels breekt. Doch ten aanzien van de Grote Shofar van de Toekomstige Verlossing, zegt de Thora “Op die dag zal de Grote Shofar taka zijn,” verwijzend naar de ononderbroken, langdurende klank, genoemd tekiah. Dit is een klank van sterkte en vertrouwen in plaats van die van gebrokenheid. “Takiah komt van het woord teka, wat ook fysieke intimiteit of copulatie betekent (Yevamot 54a). Daarom is het een toon die “verzamelt” en verenigt.

 

De Shofar werd soms geblazen om mensen waakzaam te maken voor een komende veldslag. Deze klank bezielt vrees, het doorbreekt de alledaagse menselijk staat van denken. Dit kan een van de redenen zijn dat de Rambam zegt dat de Shofar het besef van teshoeva oproept. De klank doordringt het ego als het ware en brengt de innerlijke antagonist tot beven en instorting. 

 

ZITTEND EN STAAND

De tonen van de eerste reeks worden “zittende stoot” genoemd omdat het ons technisch is toegestaan om te zitten tijdens het luisteren van de toonklanken. Allegorisch echter kunnen de toonklanken betekenen dat de toonklanken zelf zitten. Wanneer een persoon zit, is de rechte lijn van de stand van zijn lichaam “gebroken” in hoeken. Een deel van de lijn strekt zich dan uit horizontaal, ‘brekende’ de ruimte rond de lijn en breidt zich uit in die ruimte. Dit is een illustratie van hoe de klanktonen van de eerste reeks zich uitbreiden in de innerlijke ruimte van het ego en de innerlijke Satan breekt.

 

De klanktonen van de tweede reeks zijn “staande stoot”, omdat we staan in het Amidah Gebed wanneer zij worden geblazen. Als iemand staat breidt hij niet langer uit in horizontale ruimte als in een zittende stand, maar maakt de lijn van het lichaam recht, brengend daarbij de ruimte rondom hem dichterbij en verheft zijn energie opwaarts. Dit brengt de Satan in de war, want nadat hij is “gebroken” en weggezonden, wordt hij plotseling ‘ingesloten’ en ‘verheven’.

 

 RECITATIES

 

Eerste Reeks

Voordat we de eerste Shofar reeks blazen, reciteren we specifiek gekozen Psalmverzen die ons voorbereiden om te mediteren op het geluid van de Shofar. In de eerste keuze, Psalm 47, komt de Naam Elokiem zeven keer voor. Elokiem representeert G’ddelijke constrictie: als de beperking of verhulling van het onbeperkte. Door zeven keer deze Naam te reciteren, beginnen we met het doorbreken van de zeven sluiers die Realiteit verhullen. Dan reciteren we het vers Tehilliem (Psalm), 118:4, “Van een ruimte van constrictie roep ik Ha Shem; HIJ antwoordt mij vanuit een ruimte van uitgebreidheid.”  Nogmaals, we richten ons op het te boven komen van de twee tegenstrijdige energieën, bewegend van een staat van innerlijke constrictie naar een staat van uitgebreidheid. Daarna reciteren we zes verzen. De eerste letters van deze verzen vormen een acrostichon, een naamdicht, “kra satan,”scheur de Satan aan flarden”. Ten slotte herhalen we een vers van Psalm 47: “Ala Elokiem b’teroeah,” ‘Elokiem is verheven met een teroeah’.

 

Wanneer de Shofar is geblazen, zal de Naam Elokiem zelf worden verheven naar een meer expansief niveau, waar alle spirituele opposities worden opgelost.

Het woord shofar zelf impliceert constrictie en het blazen van de shofar symboliseert het opblazen van alle constricties. Shofar wordt gespeld met een Shin, Vav, Pé en Résh. Numerieke waarde, Shin 300, Vav-Pé 86 en Résh 200. Al deze drie nummers zijn intrinsiek, op een ingewikkelde wijze verbonden met de Naam Elokiem.

Zes en tachtig is de numerieke waarde van de letters die de Naam Elokiem spellen.

Alef-1. Lamed-30. Hé-5. Joed-10. Mem-40 =86.

 

Driehonderd is de numerieke waarde van de deze zelfde letters, tellend de volle waarde van elke letter. De letter Alef wordt gespeld Alef-1. Lamed-30. Pé-80 = 111.

 

De letter Lamed wordt gespeld Lamed-30. Mem-40. Dalet-4 =74

 

De letter Hé wordt gespeld Hé-5. Joed-10 =15

 

De letter joed wordt gespeld Joed-10. Vav-6. Dalet-4=20.

 

De letter Mem wordt gespeld Mem-40. Men-40 =80.

 

111+74+15+20+80 =300.

 

Twee Honderd is de numerieke waarde van deze vijf letters wanneer ze cumulatief wordengeteld. Alef is=1. Alef Lamed=31. Alef Lamed Hé=36. Alef Lamed Hé Joed=46. Alef Lamed Hé Joed Men=86. 1+31+36+46+86=200. Wanneer we een Shofar in onze handen nemen en blazen met de intentie van hart door de Naam Elokiem, de juiste Kavanah, een meditatieve concentratie, verstandelijk en emotioneel, dan zijn alle restricties aan stukken.  Mediterend is iets van groot belang:  Havaja Elokim

 

TWEEDE REEKS

In de tweede reeks blazen van Shofar, reciteren we het vers beginnend met de woorden “Lohibit avon b’yakov,” ‘Zie geen enkele onvolledigheid in Jacob.’ Het woord Jacob is gerelateerd aan het woord voor “hiel”. Het vers suggereert dat we ons nu niet hoeven te concentreren op of te vechten met enige belemmering waar dan ook binnen onze “hiel”, onze lagere zelf, want de negativiteit van de Satan is geneutraliseerd. We proeven nu reeds het expansieve begrip van de Toekomstige Verlossing.

 

Gedurende dit deel van liturgische dienst reciteren we ook verzen met het dringende verzoek om de G’ddelijke Realiteit “over de hele wereld te regeren,” verzen die G’D’s herinnering bevestigen aan de liefde voor ons, en verzen die beschrijven hoe G’D Zich aan ons heeft geopenbaard vooraan de Berg Sinai. Sommige verzen spreken van de Grote Shofar die de Komende Verlossing van de Mensheid zal aankondigen. Het geluid van de Grote Shofar zal ons verzamelen als we de Verbanning verlaten, ons verenigend: “…..zij zullen komen van Ashoer en van Egypte.” Al deze verzen duiden op een thema van gescheiden delen samen brengen, in plaats van verspreiding en uit elkaar vallen.

Eenwording is het geheim van “verzachten” “zoeten”.

 

 UNIFICATIE

Het woord shofar wordt gespeld Shin-Vav-Pé-Résh. We kunnen dit woord opsplitsen en het analyseren om er spirituele betekenis van af te leiden.

 

Pé en Résh (of ‘par’) hebben samen een numerieke waarde van 280. Het getal 280 is ook de som van de “mantzpach”, de vijf letters van het Hebreeuwse alfabet die van vorm veranderen wanneer ze staan aan het eind van een woord, de zogenaamde sluitletters, (Mem/40, Noen/50, Tzadik/90, Pé/80 en Chaf/20. Omdat deze vorm alleen verandert aan het einde van woorden, worden de “mantzpach”, beschouwd als ‘limiterende’ letters; dus representeren zij de vijf gevoerot, of diniem, de vijf basis krachten van constrictie als beperking en verhulling in het universum.

 

Shin en Vav samen spellen het woord shav, ‘gelijk’. Dus de ‘shav par’, de shofar, unificeert en maakt de gevoerot en hun expansieve tegenovergestelden gelijk, op zodanige wijze dat de krachten van strengheid in deze wereld worden verzacht, gezoet. Wanneer deze verzoetende werking is voltooid, zal de G’ddelijke Wil van de Barmhartige regeren over de hele wereld.

 

Moge we deze verdienste ervaren zowel innerlijk en als een externe realiteit.

 

 SHANA TOVAH  VEKETIVAH VACHATIMAH TOVAH

 

                                             —————————————————————–

 

 PARASHAT HA’AZINOE

 

Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6

 

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

 

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

 

Hoe bereiken we niveaus?

 

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen om teshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.
“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon direct beïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.
Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere
sferen, met andere woorden, deze wereld.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

 Aangetreden – En hij ging, Deuteronomium. 29:9 – 30:20, 31:1 – 31:30

 Met heel je hart en ziel.

 

 Ware inkeer impliceert inspanning naar spirituele transcendentie.

 

 “Je zult terugkeren naar G’D, je G’D…..met heel je hart en heel je ziel. (Deuteronomium. 30:2)

 

 Dus worden we opgeroepen om aan de opdracht van teshoeva (terug te keren, niet het zelfde als berouw) te voldoen, met heel ons hart en ziel. Ons wordt opgedragen om van G’D te houden, niet alleen met heel ons hart en ziel, maar met “al onze macht” (Deuteronomium. 6:5), dat een liefde impliceert die uitreikt boven onze normale krachten die gemoedstoestanden bepalen. Waarom bestaat dit verschil tussen deze twee ogenschijnlijk dezelfde opdrachten?

 

 “Liefde” is uiteraard een emotie. De Thora verlangt dat onze liefde voor G’D zich niet alleen maar beweegt op de werking van hart en ziel, maar dat de liefde zal worden teweeg gebracht vanuit de onbegrensde oorsprong van de verhouding met G’D; die voortkomt uit een meer essentiële plaats in ons G’ddelijk bewustzijn. Daaraan wordt gerefereerd met: “al onze macht”, als de sfeer waarin de diepe oorspronkelijke liefde voor G’D existeert.

 

“Terugkeren” echter is in essentie een daad die verder gaat: boven je zelf uit gaan.  Het werkendezelf van een normaal persoon is wat hem plaatst in zijn huidige toestand: die van zich te hebben verwijderd van G’D (ook wel zonde genoemd) en impliceert de noodzaak om terug te keren. Hij moet daarom dit zelf te boven gaan, overstijgen en trachten een diepere, meer essentiële laag van zijn identiteit na te streven, waar G’D meer betekent  voor hem dan de mateloosheid waaraan hij gewend was geraakt. Eenmaal gevonden moet dit transcendente bewustzijn tot zijn normatieve bewustzijn worden gemaakt.

 

Terwijl de Thora van ons verlangt om onze liefde voor G’D te vergroten van normaal tot transcedent, gelast ze ons om terug te keren naar G’D door onze transcendente relatie met Hem als een gewonete maken.

 

SHABBAT SHALOM