PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt     Deuteronomium. 26:1 – 29:8

 

 

Werken met de realiteit

 

 

Via het Land Israël zelf, verbinden we meer direct met G’D.

 

 

En wanneer je dan in het Land dat G’D, je G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen,

 

De uitdrukking “En wanneer je dan…..” is een van vreugde. (Midrash Berehiet Rabba 42)

 

Het begrip van “komen in het land” verwijst naar de neerdaling van de ziel in het lichaam. Deze neerdaling is nogal drastisch, in de zin dat de ziel haar spirituele verblijfplaats verlaat en zichzelf terug vindt in een uitdagende overweldigende omgeving van regelementen en wetten die G’ddelijkheid verhuld.Nochtans is deze neerdaling uiteindelijk een vreugdevolle gebeurtenis, een “die G’D”, je G’D, je geeft, omdat het ware doel van de neerdaling het omhooggaan, het oprijzen brengt. (Likoeté Sichot, vol. 9, p. 357)

 

 moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen die je binnen brengt van het Land dat G’D, je G’D, je geeft en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.  (Deuteronomium. 26:1-2)

 

 Het woord voor “land”, Hebreeuws “eretz”, is verwant aan het woord voor “wil”, Hebreeuws “radzon”  dienaangaande zet de Baal Shem Tov dit vers uiteen als volgt:

 

 “Wanneer je in het Land gekomen bent….” Wanneer je er in slaagt om je wil op een lijn te brengen met de wil van G’D…

 

 “…dat G’D je geeft als erfgoed”: dit is een G’ddelijke gift, een ingeboren bevoegdheid, gegeven door G’D aan iedere Jood…

 

 “…in bezit genomen zult hebben” is jouw missie, als een opdracht om dit te integreren in je dagelijkse leven, zodat jouw wil wordt vervangen door G’D’s Wil, niet om je te scheiden van de realiteit, maar veeleer om te werken binnen de werkelijkheid om het te rectificeren.

 

 “….moet je van het eerste van alle vruchten…. en die in een mand doen….”: Met andere woorden, je moet garanderen dat je verhoogt bewustzijn  (in Kabbalistische terminologie: (“Licht”) wordt gekleed in de gepaste wijze van expressie: (“vat”).

 

 “….dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen…”: Wees gewaar dat als je reist van plaats naar plaats, je dit niet doet op eigen kracht maar het veeleer de G’ddelijke Voorzienigheid is die je bewegingen arrangeertomdat waar G’ddelijke Voorzienigheid je heen leidt je G’ddelijk bewustzijn verspreidt.

 

 De connectie tussen geïntegreerde G’ddelijke inspiratie in het dagelijks leven en gewaar zijn dat onze voetstappen worden geleid door G’D is die van  waarlijk onze G’ddelijke inspiratie hebben geïntegreerde in ons het dagelijks leven.  Waar we  dan ook gaan, zullen we noodzakelijker wijs ( ipso facto) bewustzijn van G’D verspreiden.

 

In de terminologie van Kabbala: het feit dat ons wordt opgedragen om de gekozen vruchten van de gekozen plaatsen in het Heilige Land te brengen verwijzen naar G’D’s wens dat we het hoogst gekozen Licht kenbaar maken in de vaten. Maar het hoogste Licht is oneindig en kan niet worden bevat (met andere woorden, worden uitgedrukt) in vaten. Hoe is dit dan mogelijk? Alleen door het vermogen op te roepen van G’D’s essentie, welke de definitie  van “eindig en “oneindig” overtreft en waar alles mogelijk is.

 

Dit wordt aangegeven in de frase “….  en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.”

Alleen G’D’s essentie heeft de mogelijkheid van ware vrije keuze, alleen G’D Zelf kan zo iets doen.

SHABBAT SHALOM  

 

PARASHAT KI TEETSÉE

Wanneer je uitstrekt        Deuteronomium. 21:10 – 25:19

 

De sfeer van wat is geoorloofd.

 

 Verschillende categorieën van oorlog

 

 “Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt, Havayah; jullie Elokiem, ze je in handen zal hebben gegeven en je er krijgsgevangenen bij gemaakt hebt……

 

 Rashi verklaart dat dit vers spreekt van een Milchemet Reshoet, een oorlog die niet verplicht is als gevolg van een direct G’ddelijk bevel, echter toelaatbaar is om te worden gestreden.

 

 Existentie is verdeeld in drie domeinen: 1) een plaats van heiligheid 2) een plaats van onzuiverheid 3) een plaats van Reshoet  (wat is geoorloofd).

 

 In de plaats van heiligheid is geen behoefte voor het maken van herstel en verbetering. Een plaats van onzuiverheid daarentegen kan niet worden gezuiverd. Het is bijvoorbeeld verkeerd om aan een persoon te zeggen dat hij voedsel eet, dat niet geoorloofd is te eten in het belang van de Hemel. Men is verplicht om zichzelf te distantiëren van verboden items.

 

 Reshoet representeert noch een plaats van heiligheid noch een plaats van onzuiverheid. Het is de sfeer van het aardse wiens oorsprong de Kelipat Noga is, het bestaan tussen deze twee sferen. Men heeft de vrije keuze om dingen te gebruiken die op het moment neutraal zijn. Hoe men verkiest deze spirituele neutrale objecten te gebruiken, zal de onmiddellijk plaats hetzij in de sfeer van heiligheid of in de sfeer onzuiverheid bepalen, afhangend van de intentie van de persoon (Peri Chacham, Baal Sulam).

 

 Voorbeelden hiervan uit het dagelijks leven zijn: de kost verdienen (door een beroep); naar de dokter gaan voor genezing en ander alledaagse activiteiten die deel uitmaken van het algemeen functioneren van de samenleving. Zij zijn niet opgenomen in de opgesomde mitswot. De sfeer van het geoorloofde houdt in al het natuurlijke die een persoon gebruikt gedurende zijn leven. Deze activiteiten zijn in de sfeer van het toegestane, dat wil zeggen, zij bevatten noch mitzwa evenmin zonde, ofschoon het mogelijk is om ook deze sfeer te heiligen.

 

 Het bovenstaand vers verenigt schijnbaar twee tegenstrijdige Namen van G’D: Havayah, representerend de openbaring van heiligheid, en Elokiem representerend Zijn restrictie die de existentie van natuur- gescheiden van Heiligheid- toestaat. Het woord Ha’teva, betekent, “de natuur”, numeriek gelijk aan Elokiem. Volgens de Heilige Ari, geeft Gematria de “achterkant” of het externe aspect van een woord weer, de zijde van verhulling, aangezien zijn relatie tot andere woorden alleen door middel van een mathematisch verband mogelijk is, terwijl het woord zelf het innerlijke niveau representeert, de zijde van openbaring.

 

 Door persoonlijk succes toe te schrijven aan de Almachtige en niet aan eigen vermogen, dus wanneer natuur (Elokiem) wordt toegeschreven aan G’D, de Schepper (Havayah), openbaart  men daardoor de innerlijke natuur en verenigt men de twee G’ddelijke Namen, Havayah en Elokiem. Het resultaat is dat men de plaats van Heiligheid heeft uitgebreid en zelfs zijn domein heeft vergroot binnen de sfeer van het toelaatbare. Maar als, G’D verhoede, men het tegenovergestelde doet, en al zijn succes toeschrijft aan zijn eigen vermogens “het vermogen van zijn eigen macht”, breidt men daardoor de plaats van onzuiverheid uit, die dan zelfs in de plaats van Reshoet zal heersen.

 

 De innerlijke betekenis van het bovenstaande vers  “Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt…..”, wanneer je zelfs de sfeer van Heiligheid uitbreidt tot in de gebied van het toegestane, (en zoals Rashi verklaart: dit vers refereert aan een oorlog van Reshoet), “Havayah, jullie Elokiem, zal ze in je handen geven….. “Wanneer je zult zegevieren, zal je de twee Namen Havayah en Elokiem verenigen. Dit vers in het bijzonder gebruikt de woorden “in je handen”, aangezien de handen van een mens hun vrije keuze symboliseren.

 

SHABBAT SHALOM 

 

 

 

 

 

DE MAAND ELLOEL

MET DE KONING IN HET VELD

Wanneer de Koning het veld betreedt, wordt ons bewustzijn verhoogd.

 

 In Koning Salomons tekst Hooglied, beschrijft hijwelbespraakt een veelheid van relaties die worden weergegeven in een diepe passage. Het vers “Ik ben van mijn Geliefde en mijn geliefde is van mij” (Hooglied. 6:3), is een directe verwijzing naar de maand Elloel, want in het originele Hebreeuws, “Ani Ledodi V,dodi Li “, dienen de begin letters van elk woord als een acroniem voor deze maand. Elloel gaat vooraf aan de maand Tishré, het begin van het Joodse Jaar, beginnend met de feestdag van Rosh HaShana en bereikt het hoogte punt in het feest van Hoshana Rabba. Het is gedurende de maand Elloel dat we ons proberen te focussen op het afgelopen jaar, overdenkend onze daden en we vragen verzoening voor fouten en onze handelingen en we overdenken verandering voor het nieuwe komende jaar. Daarom, zoals we zullen zien, is deze uitspraak niet alleen tussen twee geliefden maar, nog belangrijker, het vertegenwoordigt onze relatie met onze Schepper.

 

De eerste Lubavitcher Rebbe, de Alte Rebbe, zet dit vers uiteen in zijn werk, Likoeté Thora. Hij leert dat het uit twee delen bestaat, elk representeert een apart aspect van onze relatie met G’D. Het eerste deel, Ik ben van mijn Geliefde…..” zinspeelt op de dienst van joden tijdens Elul. Joden roepen in smeekbede uit naar G’D in wat Kabbala noemt “een opwekking van Beneden”; de tweede component van het vers, “….en mijn geliefde is van mij”, zinspeelt op G’D’s activiteit waarin een G’ddelijke revelatie neerdaalt van Boven. Het begint op Rosh HaShana en voert door de Tien Dagen Berouw, tot aan het zijn hoogtepunt bereikt op Jom Kippoer.

 

 De maand Elloel wordt als een uitermate gunstige tijd beschouwd voor verzoening en om te werken aan ons zelf. Dit is niet alleen omdat we aan een nieuw jaar beginnen, maar omdat gedurende deze maand G’D feitelijk ons in staat stelt te vragen voor Zijn vergevensgezindheid. Hij inspireert ons van Boven, want gedurende de maan Elloel stralen Zijn Dertien Eigenschappen van Barmhartigheid voluit. Deze opwekking van Boven op zijn beurt brengt bewustwording en ontwaken van Beneden teweeg.

 

 De Alter Rebbe gebruikt een parabel om dit concept te illustreren: Een Koning keert terug naar zijn stad na een lange tijd van afwezigheid. De inwoners van de hoofdstad stromen hem tegemoet in het veld voor de stad om hem te begroeten. Als de Koning dit veld betreedt vind een nieuw fenomeen plaats. Het veld maakt iedereen gelijkwaardig, voor de eerste keer wordt iedereen in staat gesteld en toegestaan om Hem, de Koning te begroeten. Alle scheidingen, die Hem gewoonlijk  afhouden  van de populatie zijn te niet gedaan.  De Koning op zijn beurt ontvangt hoffelijk iedereen. Dit fenomeen vindt niet plaats buiten het veld. Want binnen de hoofdstad en zeker binnen het paleis, kan slechts een selecte groep hoogwaardigheidsbekleders Hem benaderen.

 

 De Alter Rebbe verklaart verder dat door heel de maand Elloel de joden uitgaan naar de spirituele velden, om het Licht van G’D’s gelaat te ontmoeten. De uitstraling van de Dertien Eigenschappen van Barmhartigheid is opgenomen in het vers “De Eeuwige zal u Zijn stralend gelaat toewenden en u genadig zijn.” (Numeri.6:25). Deze opwekking van Boven spreidt G’D’s goedgunstig ontvangst ten toon, met een aangename gelaatsuitdrukking, van elke Jood afzonderlijk. Bovendien, is het de meest gunstige tijd voor iemand om G’D te naderen met zijn of haar persoonlijke verzoeken.

 

Elloel’s acroniem, “Ik ben van mijn Geliefde en mijn geliefde is van mij”  illustreert dit concept. De eerste letter ervan, alef, staat voor “Ik” (Hebreeuws, “ani”), het Joodse Volk. De tweede letter, lamed, representeert, “mijn Geliefde” (Hebreeuws, ledodi”), G’D. De structuur van dit vers omvat het uiten van iemands liefde voor de andere door de uitdrukking van het gelaat. Het idee is dat het hart van de gever diep in het hart dringt van de ontvanger en omgekeerd. Dit is een wederzijdse relatie van deze liefde. Ieder weerspiegelt het hart van de ander.

 

 Hoe kunnen we worden als het hart van G’D? Dit wordt bereikt door Joodse eenwording. En wie verenigt ons? Wanneer de Koning het veld betreedt, worden alle Joden gelijk aan elkaar. Daarom leren we doormiddel van dit voorbeeld dat wanneer de Koning (G’D’) het veld betreedt, we voor Hem gelijk worden en daardoor worden verenigd tot één geheel. Onze eenwording veroorzaakt dat Zijn liefde wordt verhoogd en we worden als Zijn hart. Dit voorbeeld illustreert dus de G’ddelijke dienst van de maand Elloel met onze opwekking van Zijn liefde van Beneden, terwijl Hij in ons Zijn liefde van Boven schenkt.

 

Het is niet toevallig dat de Alter Rebbe voor deze parabel een veld koos. De Rebbe onderscheid een veld van andere plaatsen, zoals een woestijn of een stad. In het boek Jeremia zegt Jeremia over woestijnen, “….Je volgde Mij door de woestijn, dat land waar niet gezaaid wordt,(Jeremia.2:1) en “In een woestijnland, in een land van dorren en de schaduw van dood in een land waar niemand doorheen trekt en waar niemand zich vestigt. (Jeremia. 2:6)

 

In tegenstelling tot de eigenschappen van een woestijn, kan een veld worden gecultiveerd; het is een plaats waar dingen kunnen groeien, ontwikkelen en gedijen. Dus een veld is meer spiritueel en fysiek verheven dan een woestijn. Echter waarom koos de Alter Rebbe het voorbeeld van een veld in plaats van een stad? Steden symboliseren wetten en regelementen reeds binnen het domein van het Heilige, want een stad is omgeven door een omwalling, die de huizen scheidt van de buitenwereld.   

 

Omgekeerd, bevinden woestijnen zich buiten de stadsgrenzen. Zij representeren doeleinden die ver verwijderd zijn van een kader van G’ddelijkheid. Velden daartegen symboliseren een intermediaire staat. Hoewel zij ook buiten de steden liggen, wordt voedsel daar gecultiveerd en gezuiverd voor menselijke consumptie. Dientengevolge worden ook zij verheven in het rijk van G’ddelijkheid: de stad.

 

Velden symboliseren de mensheid: raison d’etre: menselijke dienst aan het G’ddelijke om wereldse doeleinden te zuiveren, te louteren en hun opstijging in de sfeer van het heilige te beïnvloeden. Om deze reden werden alle Tempeloffers “voedsel” genoemd, zoals het vers in Numeri. 28:2 informeert, “Mijn offer, het brood van Mijn offers, Mijn spijs voor Mijn vuur.” Offeren, zuiveren en het verheffen van het bezielde en onbezielde.   

 

EEN KABBALISTISCHE MEDITATIE DOOR DE ARI VOOR DE MAAND ELLOEL

Op Rosh Chodesh Elloel, in het jaar 5331 [1571 A.D.], vertelde mijn leraar [de Arizal], in gezegende nagedachtenis, me, dat ik [Rabbi Chaim Vital] moet vasten op de twee opeen volgende dagen na Rosh Chodesh Elloel zelf en dat, daardoor, ik een zeker verhoogd niveau van bewustzijn zou bereiken. De intentie die iemand moet hebben aangaande dit vasten is dat gedurende de  maand van Elloel, de dertien bronnen van de Dertien Rectificaties van de Baard [Tikoené Dikna] geopend zijn en zij worden geopenbaard en stralen naar Beneden uit in de Makief van de hersenen [mochien] van de partzoefiem van Abba en Imma.  Zoals we uitvoerig en helder hebben uiteengezet in het begin van de “Idra [Zoeta]” in de Zohar, parashat HaAzinoe: dat van buiten de hersenen van Abba en Imma, hun licht uitbreekt en schijnt [buiten], in de verborgenheid van het “omringende licht” [Or Makief]; het is daar dat de Dertien Rectificaties van de [G’ddelijk Hemels] Baard van Atik Yomin worden geopenbaard.

 

 Allereerst moet iemand in algemene zin, in gedachte hebben dat de hele maand van Elloel de verborgenheid van de Naam Sag is [het Tetragrammaton, letter voor letter schrijven, gelijk aan de numerieke waarde van 63] en de Naam Kasa [Eh-yeh, letter voor letter gespeld met joeds, gelijk aan de numerieke waarde van 161; koef = 100, samech =60, alef =1].

 

 De Naam Sag (63) wordt als volgt letter voor letter gespeld: joed (10) vav (6) dalet (4), (5) joed (10), vav (6) alef (1) vav (6), (5) joed (10).

 

 De Naam Eh-yeh bekend onder de numerieke waarde 161, of “Kasa”, wordt letter voor letter gespeld als volgt: alef (1) Lamed (30) pé (80), hé (5) joed (10), joed (10) vav (6) dalet (4), hé (5) joed (10).

 

Rabbi Nachman van Breslev leert aangaande deze meditatie, dat gepast berouw de bruisende vitaliteit van beide verborgen Namen vereist: “heen en weer” (Ezekiel 1:14) “Heen”, betreft een voorwaartse beweging en is geassocieerd met “Kasa” (koef=100, samech=60, alef=1; dit is gerelateerd aan het vers “Wanneer ik opstijg naar [hebreeuws, “asak’, met de zelfde letters als “Kasa”] hemelen, bent U daar (Psalm 139:8). “Weer” wordt geassocieerd met Sag, gerelateerd aan het Hebreeuwse woord voor “teruggaan” of “verwijderen”, zoals in het vers “Zet niet terug zetten of verwijder [Hebreeuws, “tasag”] de baken die uw vaderen gemaakt hebben” (Spreuken 22:8); besef dat zelfs na een spirituele val, iemand bereid moet zijn terug te komen op het juiste spoor komen van de heilige dienst aan G’D. (Likoeté Moharan 6:7)

 

Op deze twee bovengenoemde Namen wordt gezinspeeld in de naam van de maand “Elloel” [gespeld alef, lamed, vav, lamed]: de [eerste] twee letters, alef, lamed zijn gerelateerd aan de drie joeds en één alef van de Naam Sag, zoals bekend is.  Het is van deze letters dat de Naam E-L emaneert, zoals wordt genoemd in de Zohar, parashat Pinchas.  

 

De [laatste] twee letters, vav, lamed, zijn gerelateerd aan de E-L die emaneert van de drie joeds en één alef van de Naam kasa. De drie joeds [van deze Naam] relateert aan de [laatste] lamed [van het woord “Elloel”], en de alef [van Kasa] is vervangen door de letter vav, omdat deze alef is verborgen in deze letter vav [van de meditatie] als zodanig: vav, alef, vav.

 

 Joed = 10, dus drie joeds evenaren 30, de numerieke waarde van de letter lamed.

 

Het is om die reden dat deze maand “Elloel” wordt genoemd, omdat de hele maand iemand moet mediteren op deze twee G’ddelijke Namen. Gezien dat deze twee Namen (Sag, 63 en Kasa,161) als uitkomst geven de numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “pad/weg” [“derech” = 224], wat de diepe esoterische betekenis is van het vers “…..Wie voorziet een weg door de zee en een pad door machtige wateren” (Jesaja 43:16), want het Hebreeuwse woord voor “door de zee” [b’yam = 52] is gerelateerd aan de Naam Ban [Havayah letter voor letter gespeld is gelijk aan 52]. En [ de mystieke betekenisvolle van het vers in Jesaja is dat] de twee bovengenoemde Namen [Sag en Kasa], die gelijk zijn aan het Hebreeuwse woord voor “pad/weg” in de Naam Ban straalt, welke gelijk is aan het Hebreeuwse woord voor “weg door de zee”.

 

 Hier zijn we getuige van het fenomeen van hemelse bewustzijn, gerepresenteerd door de Namen Sag en  Kasa, beide gewoonlijk geassocieerd met de Sefira van Bina en de Partzoef van Imma, reikend naar de lagere sferen, met andere woorden, Malchoet, gerepresenteerd door de Naam Ban.

En het is deze weg die zich open stelt voor de hele maand Elloel.    

 

 

 

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters Deuteronomium. 16:18 – 21:

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar, parashat Shoftiem p. 275a

 

Parashat Shoftiem handelt over het instellen van rechtbanken en de status van getuigen. Het Hebreeuwse woord voor “getuigenis, bewijs”, “eidoet”, zijn de zelfde letters waarmee het woord “da’at wordt gespeld, wat “intelligentie” of “weten” betekent, in relatie met “getuigen”. Het verschil tussen de Thoracode ten aanzien van bewijs en alle andere “moderne” rechtssystemen is, dat een persoon geen getuigenis kan afleggen tegen zichzelf. Een zaak is alleen bewezen door een verklaring van twee getuigen, buiten de verdachte. Bovendien moeten deze getuigen elkaar hebben gezien. Hoeveel misère zou deze eenvoudige regel bespaard hebben, als het de basis zou zijn geweest van andere rechtssystemen!!

 

In de Zoharvertaling van deze week, legt Raya Mehemna, de ziel van de “Trouwe Herder”, Mozes, de implicaties van dit alles uit, in spirituele bewoordingen.

 

Voor geen enkel vergrijp en voor geen enkele zonde, welke zonde men ook begaan heeft, kan ÉÉN enkele getuige tegen iemand optreden; op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen zal de zaak komen vast te staan..” (Deuteronomium. 19:15)

 

Deze mitzwa, om een getuigenis af te leggen voor een rechtbank, is gebaseerd op het principe dat een persoon geen (materiele of andere) schade zal toebrengen aan zijn broeder, in het falen van het geven van bewijs voor zijn eigen voordeel. Bovendien is er geen geldelijk bewijs bij minder dan twee getuigen. Zoals staat geschreven: “Door de mond van twee getuigen zal een zaak worden bevestigd.”

 

Een getuigenis van één enkele getuige zal een zaak niet bevestigen. Om die reden vragen de Leraren van de Mishna zich af: {aangaande bewijs tegen een persoon in de spirituele wereld} “Wie zal het bewijs leveren tegen een persoon {voor heimelijk gedane zonden in privé}?” {En zij hebben geleerd, dat eveneens: “De muren van zijn huis, getuigen zullen zijn}, en niet zijn familieleden.”

 

In eenvoudige bewoordingen leert dit, dat de ware test voor iemands gedrag is, hoe hij zich thuis gedraagt. Dit is al eerder uitgelegd op een dieper niveau door middel van zijn eigen fysieke wezen, dat bestaat uit 248 ledematen. Twee getuigen zijn hiervoor nodig, omdat als een persoon denkt om te zondigen, maar dit niet doet, de muren van zijn huis dit zullen weten, maar zijn ledematen zullen niet in staat zijn om te getuigen, daar hij in feite niets heeft gedaan. Maar aan de ander kant, als hij onopzettelijk handelt, zullen zijn ledematen getuigen, maar niet de muren. Dus, hier zien we dat de muren werkelijk oren hebben!

 

Wat zijn “de muren van zijn huis”? Deze zijn de muren van zijn hart. Ten aanzien van dit staat er geschreven “Toen keerde Hezkia zijn gezicht naar de muur en bad tot G’D.” (Jesaja. 38:2)

 

De rechtvaardige Koning van Juda, vernemend dat het Assyrische leger Jeruzalem had omsingeld, reageerde enkel en alleen door gebed en hen werd op een miraculeuze wijze de overwinning verleend, toen een plaag tijdens de nacht het enorme vijandelijk leger wegvaagde.

 

En de Rabbijnen hebben geleerd dat Hezkia heeft gebeden van de muren van zijn hart.

 

Het hart heeft twee hartkamers. Één ontvangt het bloed van alle 248 en één zendt geoxideerd bloed naar hen. Er is een muur tussen deze twee delen en het was naar deze muur dat hij zich wendde om zijn ledematen te testen en om te zien of zij hadden gezondigd.

 

Zijn familieleden” zijn de 248 ledematen van iemand.

 

Het lichaam van iemand wordt zijn “huis” genoemd, omdat het zijn heilige ziel huisvest en de individuele ledematen zijn “de leden van zijn huishouding”. De beslissende factor welk deel van het lichaam een ledemaat is wordt bepaald door het feit dat het een bot bevat.

 

En het is uitgelegd door de Leraren van de Mishna dat een slecht persoon zijn zonden op zijn botten heeft ingegraveert.

 

Het Hebreeuwse woord voor botten is “atzamot”. Wat zeer hecht is gerelateerd aan het woord “atzmoet” en essentie betekent. Wanneer een zonde komt vanuit het diepste van iemands persoonlijkheid, dan is het alsof het is ingegraveerd in zijn essentie. Het is deze essentie, het bot van de zaak, welke het bewijs tegen hem zal leveren. De witte botten komen van de sefra van chochma, en zonde verduistert het licht van wijsheid. Deze uitwerking op de botten komt klaarblijkelijk naar voren als een gerechtelijk bewijs ten aanzien van een persoon die terecht staat voor een spiritueel gerechtshof!

 

En zo is het ook met een rechtvaardig persoon, zijn verdiensten zijn ingegraveerd op zijn botten.

 

Aangezien zijn handelingen waren verbonden met hogere wijsheid, zal het op het wit van zijn botten worden ingegraveerd als helder licht.

 

Om die reden zegt Koning David: “Al mijn beenderen zullen zeggen, wie is aan U gelijk O G’D!” (Psalm. 35:10) Om de zelfde reden is eveneens geschreven: “En wie geeft bewijs tegen een persoon? De muren van zijn huis.”(Ta’aniet 11a)

 

De muren van zijn huis zijn zijn botten, aangezien zij de voornaamste steun (ruggengraat, heup, enz.) zijn van zijn lichaam.

 

De botten zijn opgezet door het de hersenen [chochma] dat is water, en het is daarom Koning David de toespeling maakte: “Die in het water de balken ( in het Hebreeuws, “hamikore” ) van Zijn kamers plaatst.” “Hamikore” heeft als stamwoord “kir” wat “muur” betekent.

 

Dus het brein representeert de sefira van chochma en is vervaardigd van water en vormt de muur en het gewelf van het lichaam, m.a.w de botten.

 

En waarom zijn de [verdiensten van de rechtvaardigen] ingegraveerd op de botten, in plaats van op spieren of huid? Omdat beenderen wit zijn, en het schrijven met zwarte inkt het best herkend wordt op een witte achtergrond. Dit is zoals de Thora, [welke zijn oorsprong heeft in chochma en daarom] wit [perkament] als innerlijk ondergrond heeft en uiterlijk onderscheidt door zwart [inkt]. Zwart en wit zijn zoals duisternis en licht. Duisternis geeft ook de handelingen weer van de kwaden, en ten aanzien van hen wordt gezegd: “Zelfs dan, zou ook duisternis U niet te duister zijn en zou de nacht gaan lichten als de dag, ware het duister als het licht. (Psalm. 139:12)

 

En bovendien: Het lichaam zal in de toekomstige tijd opstaan [opstanding der doden].

 

Deze zijn de droge beenderen in het visioen van Ezechiël. Het visioen leert ons dat de essentiële opstanding der doden begint met de beenderen, over welke vlees, spieren, zenuw en huid zal groeien. Het verleden van een persoon is daarom te zien op de botten, aangezien dat invloed zal hebben op zijn verrijzenis.

 

Als hij waardig is, zal het lichaam verrijzen van zijn beenderen, en indien niet waardig, zal het niet verrijzen [van het graf] en niet herleven.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT RE’ÉE

Zie           Deuteronomium. 11:26 – 16:17

 

 De Kabbala van Liefdadigheid

 

 Rabbi Jitzchak Luria

 

Likoetei Thora, Sha’ar HaMitzwot, en Ta’amei HaMitzwot

 

 Aan Liefdadigheid doen maakt vrede tussen de van elkaar vervreemde letters van de naam van G’D Naam.

 

 In deze parasha wordt ons verteld:

 

 “Wanneer er bij jou een behoeftige is, een van je broeders, binnen een van je poorten, in het Land dat de Eeuwige, je G’D, je geeft, onderdruk dan niet het medegevoel bij je zelf en houd je hand niet krampachtig dicht voor die behoeftige broeder, maar open wijd je hand voor hem en geef hem gul voldoende voor wat hem ontbreekt.  (Deuteronomium. 15:7-8)

 

 De esoterische significantie van liefdadigheid [in het Hebreeuws, “tzedaka”] is als volgt:

 

 Tzedaka wordt gespeld, tzadik-dalet-koef-hé.   (  צדקה )

 

 De joed in de letter tzadik( צדיק)- de eerste letter van Tzedaka צ/ץ  staat in de tegenover gestelde richting van de joed  van de noen van de tzadik, ( deze opmerking verwijst naar de opbouw van de letter, zie de linker helft van de letter tsadik als een noen ן/נ en het rechter korte stukje als de joed י) dit geeft aan dat Ze’ir Anpin en  Noekva rug tegen rug staan.

 

 In het schrift voor het schrijven van Thorarollen, tefilllien en mezoezot, hebben de letters van het alfabet precieze vormen zoals opgelegd door de Joodse wetgeving.

 

Het systeem van de Arizal is in grond gelijk aandat van Rabbi Josef Karo (zie Shoelchan Achoech, Orach Chaim 36) met zeven uitzonderingen. Eén van deze zeven is de vorm van de letter tzadik, die wordt gevormd door het schrijven van een enigszins omgebogen noen en vervolgens een joed aan de rechterkant toegevoegd.

 

Volgens Rabbi Karo moet deze joed worden geschreven “tegenover” de noen, dat wil zeggen, in zijn normale plaatsbepaling.

 

(De meeste letters in het Hebreeuwse Alfabet lijken links “gericht” te zijn.) Volgens de Arizal echter moet de joed naar rechts “gericht” zijn.

 

 Zoals we weten is de minst positieve positie van de partzoefiem rug tegen rug, waarbij de stroom van G’ddelijke liefdadigheid ernstig is gelimiteerd. Eén van de gevolgen van deze situatie is materiele armoede in de fysieke wereld.

 

 De dalet  ד[de tweede letter van het woord “tzedaka”] geeft aan dat Noekva verarmd is, aangezien het feit dat het woord “dalet “behoeftig” betekent.

 

 Het adjectieve “dal” in het Hebreeuws betekent “behoeftig”. Bijgevolg kan dalet worden gezien als een feminiene vorm van dit woord. Aangezien Ze’ir Anpin en  Noekva rug tegen rug staan, ontvangt Noekva niet de volle stroom G’ddelijke liefdadigheid die het nodig heeft.

 

 Alhoewel de derde letter, koef ,קeen bepaald lager niveau vankoppeling of versmelting aangeeft, is de “poot” lang, aangevend dat de G’ddelijke liefdadigheid zich uitstrekt tot de sfeer van kwaad.

 

 De koef ק  wordt gevormd van een enigszins beknotte kaf ך  en een lagere zayin ז. Deze twee letters bekleden de normale weg, aangevend dat over het algemeen de koef  een mate van versmelting aanduidt,  metde lagere zayin. De “poot” van de koef, strekt zich uit tot beneden de lijn, dat geeft daarmee een stroom in de lagere sferen van realiteit te kennen en wel het kwaad.    

 

 Om dit gevolg te verfrissen [letterlijk “te parfumeren”, inhoudend: te rectificeren, of te “verzachten”, moeten we liefdadige donaties doen, waardoor de ontbrekende elementen van de eerste drie letters worden aangevuld met de letter hé, die de ware versmelting karakteriseert: dit is de esoterische significantie van de letter hé, zoals uitgelegd in de Zohar II:104a.

 

 De ה  wordt gezien als een perfect uitgebalanceerde letter, waarbij de poot zich niet uitstrekt beneden de lijn, zoals bij de koef en er een koppeling is tussen de twee delen, anders dan de dalet, waar een “wederhelft” ontbreekt om te kunnen versmelten. En zoals we zullenzien,  is de de gerectificeerde vorm van de koef en de dalet.

 

 SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

 

 

PARASHAT EKEV

Als gevolg                  Deuteronomium. 7:12 – 11:25

Men houdt eenheid in stand

 

 Van een persoon wordt verlangd om te mediteren over de esoterische betekenis van zijn/haar zegeningen.

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Zohar p. 270b.

 

Als jullie gehoor zullen geven aan deze voorschriften en ze stipt ten uitvoer zullen brengen, zal het resultaat zijn dat de Eeuwige, je G’D, tegenover jullie zich stipt zal houden aan het verbond en Zijn goedheid zal tonen, waartoe Hij zich onder ede tegenover je voorouders verplicht heeft.” (Deuteronomium. 7:12)

 

 “En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

 

 Deze instructie is om de Heilige, Geprezen Zij Hij, te zegenen voor alles dat een persoon eet of drinkt en geniet in deze fysieke wereld. Als een zegen niet wordt gezegd, dan wordt de persoon een dief genoemd met betrekking tot G’D. Hiernaar wordt ook verwezen in het vers “Hij die zijn vader of zijn moeder besteelt en zegt, dit is geen misdaad, is een vriend van de destructieve krachten.” (Spreuken 28:24) De Medegeleerden hebben dit vers eveneens elders verklaard (zie Zohar p. 35b)

 

 De reden dat hij een dief wordt genoemd is omdat de zegeningen waarbij iemand de Heilige, Geprezen Zij Hij, zegent, een spirituele stroom van overvloed teweegbrengt van de Bron van Leven naar de Heilige Naam van G’D.

 

Deze stroom ledigt de hemelse olie uit de Bron van Leven, in dat van de Naam,  en veroorzaakt een neerwaartse stoom van spirituele overvloed van dat niveau naar de complete fysieke wereld. Dit is de betekenis van het vers “En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige [hier ‘Havayah’ , je G’D [‘E-lokecha’]”.

Door niet te zegenen is de persoon als een dief, die neemt zonder iets terug te geven, want hij veroorzaakt niet een meditatieve eenheid tussen “Havayah” en “E-lokecha”.

 

 De specifieke zegen die een persoon zegt, veroorzaakt de spirituele overvloed van de hogere diepe oorsprong en brengt teweeg dat al deze hogere niveaus en hun bronnen worden gevuld en gezegend en vervolgens worden leeggemaakt over alle werelden, zodat dat alles wordt gezegend in een ononderbroken eenheid. Dit is de reden dat een persoon wordt gevraagd zijn meditatie te concentreren op de esoterische betekenis van de zegeningen, omdat oorzaak en effect zal worden gezegend als een eenheid.

 

Bovendien, degene die zegent op deze wijze is zelf gezegend en neemt zijn spirituele aandeel als eerste, vóór alle anderen in de fysieke wereld. Dit omdat de Naam van de Heilige, Geprezen Zij Hij, daardoor is gezegend en van deze Naam zegen neerdaalt op het hoofd van degene die als eerste heeft gezegend. Dit hebben we verklaard als de betekenis van het vers, “…..op iedere plaats waar Ik het goed zal vinden Mijn Naam te gedenken zal Ik tot je komen en je zegenen.” (Exodus. 20:21)

 

Omdat die zegen nu is neergedaald en rust op het hoofd van die persoon die heeft gezegend is het vanaf dat fysieke punt dat de zegen zich uitspreidt tot de hele wereld.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT WA’ETCHANÁN

En ik smeekte   Deuteronomium. 3:23 – 7:11      

 

Ons ononderbroken gesprek met G’D

 

 Wanneer iemand serieus gaat zitten om Thora te leren, leest hij niet alleen een klassieke tekst uit de oudheid, hij verkrijgt op de meest intieme wijze toegang tot G’D’s essentie.

 

 Ik hoorde eens een verhaal van een jonge jeshiva student die zijn niet joodse jeugdvriend meenam naar zijn jeshiva studiezaal. De gezichtsuitdrukking van zijn vriend was geshockeerd toen hij staarde naar de honderden jonge mannen met grote open boeken voor zich, die op vastbesloten wijzen argumenteerden en energiek zwaaiden met hun handen.

 

“Zijn ze van plan een coup te plegen tegen de regering?” vroeg zijn vriend.

 

“Nee, ze proberen te achterhalen wat er werd onderwezen bij de Berg Sinaï meer dan 3.000 jaar geleden,” antwoordde de jeshiva student.

 

 “Weten ze dat nog steeds niet na al die tijd? vroeg hij verwonderd.

 

 Het is inderdaad waar, de discussie die begon bij de Sinai is nog steeds aan de gang. In feite breidt onze dialoog zich uit met Hem over de Thora en  overschrijdt de tijd. Want één van de G’ddelijke facetten van de Thora is de oneindige diepgang, die elk van ons voorziet in de mogelijkheid om een persoonlijke relatie met G’D op te bouwen door de tekst.

 

 De Wijzen spreken vaak over diepere niveaus van betekenis die de woorden van de Thora bevat. In de volgende uitspraak wordt een gedurfde veronderstelleng gemaakt: een woord in de Thora kan zich soms voordoen als een acroniem, onthullend een diepere inbeddende laag van betekenis. De grote geleerde Rabbi Jochanan bespreekt de tekstuele bron voor dit diepgaande idee.

 

 “Vanwaar weten we dat woorden in de Thora ook acroniemen zijn?”

 

 Rabbi Jochanan antwoordt, “ Van Anochi, (Hebreeuws voor ‘Ik’, wat het eerste woord is van de Tien Geboden (Exodus. 20:1, Deuteronomium. 5:6) en staat voor ana nafshi kativat jehaviet,  “Ik zelf heb het geschreven en gegeven”. (Shabbat. 105A)

 

 Rabbi Jehoeda Lowe, de hoog gerespecteerde Kabbalist en Joods denker, beter bekend als de Maharal van Praag, behandelt deze bron in zijn klassieke werk Tiferet Yesrael  en beantwoordt twee fundamentele vragen over deze Talmoedische uitspraak. De eerste: wat is significant aan het woord anochi  als  paradigma voor dit principe? De tweede, wat is de significantie van de boodschap in het gecodeerde acroniem “Ik zelf heb het geschreven en gegeven”?

 

Het begin leert de ware identiteit van de inhoud, want de complete inhoud is gecodeerd in het begin, in potentie en nog niet geactualiseerd. (Tiferet Yesrael, Hf. 37)

 

 Om Maharal’s cryptisch inzicht te kunnen begrijpen, plaatsen we eerst het woord “anochi “ in de juiste context. Zoals boven is vermeld, is ”anochi” het eerste woord van de Tien Geboden. Maar het is meer dan dat alleen. Het is ook het eerste gesproken woord aan het Volk Israël op de Berg Sinai.  Tot aan dit punt in de geschiedenis, ervoeren slechts een klein aantal rechtschapen individuen profetie, maar nooit eerder en niet sindsdien, had G’D Zichzelf geopenbaard aan een compleet volk.Anochi “ is het punt van het eerste contact tussen G’D en Israël.

 

Op dat monumentale moment [bij het uitspreken van het woord], verklaart de Maharal dat de Thora in zijn geheel werd geopenbaard [dus is al zijn facetten en niveaus]. Echter alleen geopenbaard in potentie. Dit is analoog aan het momentvan bevruchting.  Alles wat existeert op dat moment is een klont van cellen en proteïnen; echter de gehele opmaak van dat kind is latent aanwezig.  Alleen door de tijd zal het latente potentieel geactualiseerd worden. Maar op dat initiële moment wordt het complete fysieke plan van die persoon geopenbaard.

 

Zo is het ook met de Thora. Dat initiële moment van openbaring op de Sinai bevat de gehele Thora, ook al is het nog niet tot verwezenlijking gekomen. Dit is het punt waar onze dialoog met G’D begon en tot op de dag van vandaag continueert het Joodse Volk deze bespreking met G’D door het leren van Thora.

 

 Dat is exact het punt van “anochi “: “Ik zelf heb het geschreven en gegeven”. De Maharal legt uit dat G’D zelf de Thora heeft vervaardigd en Zijn essentie erin heeft geplaatst. Wanneer iemand gaat zitten om te Thora te leren, leest hij niet een klassieke tekst uit de oudheid; hij treed binnen in G’D’s essentie in de meest menselijke intieme wijze als mogelijk. Het unieke van het leren van Thora is dat we in verhouding staan met onze Schepper, in een dialoog die geen parallel heeft in deze wereld.

 

Dit is wat we vieren op Shawoe’ot : onze relatie met G’D’s Thora maakt het ons mogelijk om dat moment van oneindige potentie bij de Berg Sinai te actualiseren en te continueren over de laatste drie duizend jaar. We markeren niet een gebeurtenis uit het verleden, maar vieren de voortdurende openbaring van Thora. Door onze betrokkenheid en innovatie treden we binnen in deze oneindige dialoog en smeden een unieke persoonlijke relatie met onze Schepper.

 

 SHABBAT SHALOM               

 

 

 

TISHA B’AV EN DE SCHOONHEID VAN HET UNIVERSUM

 G’D plaatste het voorstellingsvermogen in de mens om spirituele groei te bevorderen.

 

 

 

 Rabbi Abraham Isaac Kook

 

 

Elke dag vragen we in onze gebeden dat de Beit HaMikdash zal worden herbouwd. Waarom is dit spirituele middelpunt zo belangrijk voor ons?

 

 De Wijzen vestigen de aandacht op de woorden Da’at (kennis) en Mikdash (Tempel). Beiden worden genoemd, voor en achter de twee Namen van G’D.  (Samuel I. 2:3 en Exodus. 15:17) Wat is de samenhang tussen de plaats en betekenis van deze twee woorden?

 

 “Rabbi Elazar zegt: Wanneer iemand Da’at (kennis) heeft, is het alsof de Heilige Tempel is gebouwd in zijn dagen.” (Berachot 33a)

 

 Wat bedoelde Rabbi Elazar met ‘een persoon met Da’at ‘? En wat heeft geleerdheid te maken met het herbouwen van de Beit HaMikdash?

 

 WARE DA’AT

 

 Eerst moet we het concept van Da’at begrijpen. Da’at betekent veel meer dan alleen maar een goed verstand hebben.

 

 Het probleem van degenen met een gebrek aan Da’at is, dat zij alle aangelegenheden proberen te evalueren met behulp van het vermogen van logische redenering.  Zij slagen er niet in te zien dat het intellect een beperkt onderdeel is van de menselijke ziel, omdat ze het bewustzijn niet gebruiken voor het ontwikkelen van het voorstellingsvermogen en het bestaan van de menselijke ziel. Naast iemands intellectuele vermogen, zijn er in de mens  karaktereigenschappen, emoties, zintuigelijke gaven en de functie van voorstellingsvermogen en verbeeldingskracht.

 

 Ware Da’at is weten op welke wijze alle facetten van de ziel te gebruiken.Spirituele groei en perfectionering kunnen alleen worden bereikt met de volledigheid van de hele Thora en alle paden van oprechtheid.

 

 DE SCHOONHEID VAN HET UNIVERSUM

 

 De Geleerden gebruiken een intrigerende zegswijze om de Tempel te beschrijven: “de schoonheid van het universum”. (Zevachiem 54b) Waarom kozen zij schoonheid als een karakteristiek uitgangspunt voor de Tempel?

 

 Deze stelling is significant, want het indiceert de voornaamste functie van de Beit HaMikdash: namelijk om ons zintuigelijk gevoel van schoonheid in te laten met G’ddelijke esthetiek en om onze voorstellingsvermogens te verheffen.

 

Het voorstellingsvermogen is een zeer krachtige hulpbron die een weloverwogen impact heeft op al onze handelingen. De esthetische karaktereigenschappen van de Tempel dienen om de spirituele vooruitgang van de voorstelling te bevorderen, vanwege de zintuiglijke functie van de ziel.

 

Toen de Beit HaMikdash in Jeruzalem stond, had het een diepzinnige invloed op het voorstellingsvermogen; het projecteerde krachtvolle beelden van sublieme heiligheid en bezielde pracht. Deze heilige invloed had op zijn beurt een krachtige impact op de karaktereigenschappen en gedrag van degenen die destijds het passeren van de poorten verdiende.

 

 We kunnen twee aspecten onderscheiden met betrekking tot de invloed van de Tempel:

 

De eerste betreft termen van de eigen intrinsieke heiligheid van de Tempel en de impact van deze heiligheid op degenen die de G’ddelijke dienst in achtnemen.

 

Het tweede aspect is in termen van de ontvankelijkheid van de menselijke ziel. G’D creëerde de imaginaire vermogens zodat de ziel ontvankelijk kan zijn voor heiligheid en de pracht van de Tempel. Deze twee aspecten corresponderen met de twee Namen van G’D, geplaatst voor en achter de woorden Da’at  en Mikdash.

 

 HET VERHEFFEN VAN HET VOORSTELLINGSVERMOGEN

 

Nu kunnen we Rabbi Elazar’s stelling begrijpen. Personen die zijn gezegend met Da’at, iemand die wijs genoeg is om alle vermogens van de ziel te evalueren, inclusief zijn voorstellingsvermogen, is zoals de Beit HaMikdash herbouwd isin zijn dagen. In hun wijsheid, waren zij in staat om voor zichzelf en degenen om hen heen een kleine miniatuur van de heilige invloed van Tempel te recreëren. Zij herkenden dat hun voorstellingsvermogen was gecreëerd voor een heilig doel. Ofschoon hetvoorstellingsvermogen mag voorkomen als weinig waardevol vanuit het stand punt van de logica plaatste G’D het in de menselijke ziel voor de mogelijkheid om haar spirituele groei te bevorderen. Degenen, gekroond met Da’at zijn in staat om al hun geestvermogens te verheffen naar zuivere heiligheid.  

 

 

 

             

 

PARASHAT DEVARIEM

Woorden   Deuteronomium. 1:1 – 3:22

 

 

 

 

 KWAAD ONDER DE VOLKEREN

 

 

 

 RABBI JITZSCHAK LURIA

 

 

 

 LIKOETÉ THORA

 

 Kabbala legt uit waarom ons werd verteld om alleen 7 van de 10 kwade volkeren te elimineren.

 

 We moeten proberen te begrijpen waarom, met betrekking tot de zeven Kananitische volkeren, G’D ons opdraagt: “je zult geen enkele ziel in leven laten”; terwijl met betrekking tot Se’ir, Moab en Ammon, Hij ons uitdrukkelijk beveelt hen niet aan te vallen.

 

 In het boek Genesis belooft G’D aan Abraham het Land Kanaän, dat de  grondgebieden van tien volkeren omvat: van de Keniten, de Keniziten, de Kadmonieten, de Hittieten, de Periziten, de Refaim, de Amorieten, de Kanaaiten, de Girgashieten en de Jebusieten. (Genesis. 15:19-21)  De eerste drie zijn synoniem voor de Ammonieten, Moabieten en Edomieten.

 

 In de tijd van Mozes echter, worden alleen de laatste zeven van deze tien volkeren aangehaald, wanneer de Thora de volkeren van Kanaän opsomt die het land zullen geven aan het Joodse Volk. Dus noteren onze geleerden:  G’D gaf alleen de laatstgenoemde zeven volkeren aan de Joden  in de tijd van Mozes en we zullen het land van de andere volkeren in de toekomst erven, wanneer de Mashiach komt. (Bereshiet Rabba. 44:23) Het Joodse Volk kreeg de opdracht om deze zeven volkeren geheel te elimineren:

 

 “Echter uit de steden van die volkeren, die de Eeuwige, je G’D, je als erfgoed geeft, mag je geen enkele ziel in leven laten. In plaats daarvan moet je ze wegvagen: de Hittieten, de Amorieten, de Kanaaiten, de Periziten, de Girgashieten, de Jebusieten.” (Deuteronomium. 20:16 – 17)

 

 In de Thoralezing van deze week, geeft Mozes een overzicht van de tochten waarbij hij het Joodse leidde op weg naar de grenzen van het Land Israël. G’D zei tegen hen geen oorlog te voeren tegen de nakomelingen van Esau, die het bergland Se’ir bewoonden (Deuteronomium. 2:2:8) en geen oorlog te voeren tegen Moab (ibid.2:9) en Ammon. (ibid. 2:17-19) Daarentegen werd hun uitdrukkelijk opgedragen om te vechten met (en te veroveren) de twee Amoritische koningen, Sichon (ibid. 2:24 – 25,31) 3n Og (ibid. 3:2).

 

 De verklaring is dat de zeven volkeren de fysieke manifestaties zijn van de zeven kwaden, met andere woorden, de gebroken vaten. Dus alle heiligheid die oorspronkelijk in hen aanwezig was, bestond niet meer, het had hen verlaten.

 

 In de wereld van Tohoe, die ineen stortte, vond het breken van de vaten alleen plaats in de zeven lagere Sefirot, van Chesed tot Malchoet. Toen de vaten van deze Sefirot  braken, konden zij niets meer van het Heilige “Licht” vasthouden dat in hen aanwezig was en de gebroken vaten vielen in de lagere werelden, wordend de bron van al het egocentrische en kwaad van deze werelden. 

 

 Iets van de heiligheid bleef bestaan, echter alleen in de eerste drie Sefirot. De fysieke manifestatie van deze Sefirot waren de Keniten,  de Keniziten en de Kadmonieten.

 

 In de eerste drie Sefirot van Tohoe waren de vaten meer spiritueel dan zij waren in de lagere Sefirot omdat emoties, de zeven lagere Sefirot,  veel subjectiever zijn dan het intellect of super-intellect (de eerste drie Sefirot). 

 

Dus, ook al was er geen interactie onder de Sefirot  in de wereld van Tohoe (dit is de reden waarom de vatten braken, zoals we eerder hebben uit gelegd), was dit niet cruciaal in het geval van de eerste drie Sefirot. Hun essentiële aard was onzelfzuchtigen onverenigbaar met de andere karakters, de zeven lagere Sefirot.

 

 Aangezien de versplinterde fragmenten van de emoties (Middot) van Tohoe  zijn ingebed in onze fysieke wereld, kunnen we hen zuiveren en verheffen. Dit doen we wanneer we onze dierlijke aard zuiveren en de voltooiing van dit proces zal leiden naar de Messiaanse Tijd.  Echter het intellect en het super-intellect van Tohoe is niet gebroken en niet ingebed  in de existentiële structuur van onze orde van bestaan, zodoende kunnen we het niet zuiveren.

 

 In de Messiaanse Toekomst zal de heiligheid deze Sefirot compleet verlaten en zal vervolgens aan ons worden opgedragen om evenzeer van hen “geen enkele ziel in leven laten”.

 

 De elevatie en zuiverring van het intellect en super-intellect van Tohoe zal alleen plaatsvinden in de Messiaanse Toekomst, wanneer we in staat zijn om de negatieven aspecten van deze Sefirot eveneens te elimineren.

 

 SHABBAT SHALOM                        

 

PARASHOT MATÓT – MAS’ÉE

 

Stammen – Reizen         Numeri. 30:2 – 32:42, 33:1 – 36:13

 

Mozes; “Strijder voor vrede”.

 

 

Ons wordt opgedragen om oorlog te voeren tegen de krachten van onenigheid en conflict.

 

 

Wapen de mannen onder jullie voor een legereenheid. Laten die zich tegen Midjan keren om G’D’s vergelding te brengen op Midjan. Een duizend van elke stam……”(Numeri. 31:3-4)

 

 

De spirituele betekenis en het belang van deze oorlog tegen Midjan is de onderdrukking van de negatieve energie van Midjan, die conflict en onenigheid is. (Zohar. 2:68) De oorlog tegen Midjan is de rectificatie van disharmonie, met ander woorden, het brengen van vrede en harmonische eenheid.       

 

 Rabbi Schneur Zalman (likoetei Thora) verhaalt uitvoering over het feit dat onze Geleerden zeggen dat in de Eerste Tempel periode de Joden afgodenrij overspel en moord hadden bedreven. Gedurende de Tweede Tempel periode was de primaire zonde van de Joden ongegronde haat (Jeruzalem Talmoed Chagiga 1:5; Joma 9b) en om die reden was de Tempel verwoest. Doch de huidige verbanning, die voortkomt uit de tweede destructie, duurt 1700 jaar, terwijl de eerste verbanning, die kwam vanwege de zonden van veel grotere omvang, slechts 70 jaar duurde!

 

Waarom z’n voortdurende verbanning? Toen de Israëlieten Kanaän binnentrokken, werd van hun verondersteld het land te ontdoen van de zeven volkeren die daar leefden, de Kanaänieten, Hittieten, etc. (tenzij ze de zeven Noachidische wetten zouden accepteren). Maar de Israëlieten tolereerden sommigen van hen in het land en werden beïnvloed door hen. (Numeri. 33:55)

 

Deze volkeren hadden grove gruweldaden begaan, vanwege het feit dat zijn de negatieve tegenhanger van de zeven emoties, “afval” van de gevallen koningen van Tohoe. Omdat zelfs gedurende de periode van Eerste Tempel de Joden waren beïnvloed door deze krachten, duurde de eerste verbanning 70 jaar, tien jaar voor elke zeven eigenschappen.

 

In de Tweede Tempel periode echter, waren de zonden niet gerelateerd aan de zeven negatieve eigenschappen, maar ongegronde haat onderlinge. Dit was de negativiteit van Midjan, een veel subtieler kwaad en niet een van de zeven volkeren. 

 

 Dus zeggen onze geleerden in Joma 9b: “Degene van de Eerste Tempelperiode, wiens zonden werden geopenbaard, is in het einde van hun verbanning evenzeer geopenbaard.” Met andere woorden, de zonden van de Eerste Tempelperiode waren onmiskenbaar kwaad en waren makkelijk herkenbaar en te berouwen. De zonde van ongegronde haat echter, is subtieler en veel moeilijker te corrigeren, aangezien de beoefenaar zichzelf voor de gek houd door te denken dat het niet echt een zonde is.  

 

 Dus “daarin is het einde niet geopenbaard”, de tweede verbanning duurt veel langer omdat er een veel langere tijd van erkenning nodig is van het kwaad en om het te berouwen. Net zoals het langer duurt om minuscule deeltjes van een ongewenste stof te verwijderen dan grote grove elementen. De rectificatie van de zonde van ongegronde haat verlangt een langere periode omdat mensen het niet als volledig kwaad beschouwen, zij zijn veelal er van overtuigd dat hun haat gerechtvaardigd is.

 

 In werkelijkheid echter is zijn haat en disharmonie de tegenovergestelden van G’ddelijkheid en Heiligheid, welke eenheid belichamen, G’D is één. Eenheid is het fundament van de hele Thora, zoals Hillel de Oudere het uitdrukt: “Wat hatelijk voor jou is doe dat niet voor je medemens.” (Shabbat. 31a)

 

 TRANSFORMATIE

 

 In feite volbrengt deze oorlog tegen Midjan meer dan juist onderdrukking van Midjan; de energieën die voordien aanwezig waren in het domain van Midjan werden getransformeerd naar de sfeer van Heiligheid, duisternis werd veranderd tot licht.

 

 TWEE PAMALYAS

 

In een zelfde stemming zeggen onze Geleerden: Iedereen die Thora studeert voor zijn eigen bestwil brengt vrede in de Hogere “Pamalya” (klassiek  Aramees voor “heerscharen”) en de Lagere Pamalya. (Sanhedrin 99b) In de letterlijke zin refereert Hogere “Pamalya” aan de spirituele werelden, terwijl de Lagere “Pamalya” refereert aan deze laagste wereld. Maar in bredere zin bevat de hele realiteit een hogere en een lagere “Pamalya”, inclusief de menselijke realiteit. De onzelfzuchtige student van Thora brengt vrede in beide sferen in al hun verschijningsvormen. In de menselijke zin, zijn de twee niveaus het verstand en het hart. Wanneer er vrede heerst tussen hen, heerst het verstand over het hart. Immers de emoties worden geleid door het intellect.

 

 DE LERING

De oorlog tegen “Midjan” moet worden gestreden [met ons zelf]; we moeten vrede en liefde hebben [met onze medemens en omgeving.

 

 Alle Chabad Meesters hielden verhandelingen die zij zouden herhalen van tij tot tijd om de atmosfeer van de wereld te zuiveren en te louteren. Deze verhandeling bekend als Heichaltzoe werd oorspronkelijk gegeven door Rabbi Schneur Zalman in het jaar 1768, toen hij op reis was naar huis van een bezoek aan zijn leermeester Rabbi Dovber van Mezrich en was een van degen die dit vele malen zou herhalen.

 

Sindsdien herhaalde de Meesters de verhandeling over dit onderwerp bij speciale gelegenheden om gevoelens van onenigheid te onderdrukken. In 1898 gaf Rabbi Shalom Dovber, de vijfde Chabad Rebbe, de meest fameuze verzie van deze verhandeling op Simchat Thora en opnieuw op Parashat Noach ter gelegenheid van een familie bijeenkomst.

 

Moge het met G’D’s wil zijn dat er vrede zal zijn in de Lagere Pamalya en de Hogere Pamalya, zowel vrede tussen de ziel zoals die existeert in het Hoge, waaraan wordt gerefereerd als “de ziel die U in mij heeft geplaatst die puur is” en de ziel als die neerdaalt, waaraan wordt gerefereerd als “U creëerde, vormde en blies het in mij”. En ten slotte moge we de ultieme vrede hebben, die zal plaatsvinden in de Toekomstige Era.

 

SHABBAT SHALOM