PARASHAT PINCHAS

   

 Pinchas          Numeri. 25:10 – 30:1

 

 

Fases van relatie

 

Joods mystiek leert dan onze verhouding met G’D bestaat uit rationele-, super-rationele- en intrinsieke niveaus.

 

Likoeté Sichot, vol. 28, p. 176-181

 

 

 

 Aan bovengenoemden moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen. De talrijke moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelde. Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

 

Het Land Israël werd verdeeld op drie verschillende wijzen:

 

(1)  volgens populatie, dat wil zeggen, hoe groter de stam, hoe groter het ontvangen deel.

(2)  door loting (waar G’D’s hand aan het werk was) en

(3)  door erfenis.

 

Met andere woorden, de verbinding van het Joodse Volk met het Land Israël existeert vanuit drie verschillende opzichten:

 

1)    rationaliteit, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

2)    door G’ddelijk decreet en

3)    door erfelijkheid.

 

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos als het centrale kader, decor, waarin zich het proces, van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, zou worden ontvouwd. Het Joodse Volk is eveneens, op de zelfde manier, de natie die G’D koos om de centrale spelers te zijn in dit plan. Om die reden moet de verhouding die moet worden gevestigd, tussen het gekozen volk en het gekozen land de vestiging tussen G’D en Zijn gekozen volk reflecteren.

 

In terminologie van Kabbala vindt de rationele, contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken, beperkt”  binnen het limiet van logica en natuur. Met ander woorden: Zijn immanente creatieve “Licht” (mamalé kol almien). De vrije keuze van de verhouding vindt plaats op een niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is gedefinieerd door de limitaties van de gecreëerde realiteit, maar nog steeds creatieve G’ddelijkheid is, met andere woorden, contextueel gerelateerd aan de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almien). De erfelijke verhouding vindt plaats op een niveau van G’D’s essentie, die compleet boven de context van Schepping uitgaat.       

 

         

De verhouding tussen G’D  en het Joodse Volk is eveneens drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtend liturgie:  “Gelukkig zijn wij: hoe goed is ons aandeel, hoe aangenaam ons lot, en hoe mooi is onze erfenis.”

 

“Aandeel” refereert aan de contractuele relatie tussen G’D en Israël. We hebben het dienen van G’D op ons genomen op verschillende wijzen en Hij heeft beloofd ons te belonen voor onze dienst. Het deel dat wij ontvangen van G’D is evenredig aan de inspanning die we aanwenden om het te verkrijgen. Op een dieper niveau refereert “aandeel” aan het feit dat de Joodse G’ddelijke ziel “een waarlijk deel van G’D Boven is”, zoals de Tanya zegt, net zoals een kind mag gezien worden als extensie van zijn ouders. Deze intrinsieke verhouding tussen G’D en het Joodse Volk bindt hen op een onafscheidelijk samen.

 

Lot” refereert aan de over-rationele verhouding die isgesmeed met ons door ons te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keuze was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s zijde; Hij was niet gedwongen door enige logische consideratie om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop een lot valt niet vooraf bepaald is door enige externe factoren. Deze over-rationele relatie is niet alleen dieper dan de contractuele dienst als relatie beloning, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouders-kind verhouding, aangezien het G’D ook “dwingt” bij wijze van spreken, tot een relatie met Israël. Behalve dit, koos G’D  Israël ook vrijwillig vanuit Zijn eigen over-rationele wil.

 

Erfenis, refereert aan de wederzijdse identiteit tussen G’D en Israël. Volgens Joods recht, neemt de erfgenaam de juridische status van de ouders over en neemt daardoor automatisch het eigendomsrecht over de bezittingen van de ouders.  Hij verkrijgt het niet door verdienste noch verkozen de ouders om hem te legateren; in essentie wordt hij zijn ouders. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D koos; zij en G’D, bij wijze van spreken, zijn één en de zelfde.

 

Voordat de Thora werd gegeven, was de verhouding tussen G’D en het Joodse Volk enkel en alleen op een contractuele, kind-ouder niveau. Dienst aan G’D was gelimiteerd; een individu kon G’D dienen en kon G’ddelijke openbaring teweegbrengen naar mate zijn natuurlijke talenten en eigenschappen het toestonden. Tegelijkertijd toonde G’D het Joodse Volk bijzondere aandacht en zorg wegens de G’ddelijke ziel die zij verkregen vanwege de periode van Abraham.

 

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keuze verhouding tussen G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt bepaalde G’D de toon in de relatie, wat betekent dat zelfs de dienst-beloning wederkerigheid niet langer beperkt werd door onze eindige capaciteiten; de Thora en zijn mitzwot stelt ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te verwerven ver boven onze natuurlijke vermogens uit.

 

Echter in de Messiaanse Verlossing zal de erfelijke relatie het voornaamste worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten in een nieuwe co-existentie met het bewustzijn van onze Schepper, als onze unieke persoonlijkheden zullen schijnen en paradoxaal existeren in G’D’s absolute realiteit.

 

Dus, aangezien het Land Israël bedoeld was te zijn, zoals we hebben gezegd, de microkosmos van verstandelijk proces van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, was het noodzakelijk, voor de verhouding tussen het Land Israël en het Joodse Volk, te worden gevestigd op drie niveaus: rationeel, super-rationeel en intrinsiek. Op deze manier is ons binnengaan en de bezit name ervan voorbode van de uiteindelijke verlossing, waarin onze intrinsieke en essentiële identiteit met G’D, het meest relevant bewustzijn van realiteit wordt.

 

SHABBAT SHALOM         

 

 

 

 

       

 

PARASHAT BALÁK

Balak                   Numeri. 22:2 – 25:9

 

De profetie van Bil’am

 

 Shené Loechot Habrit, Rabbi Isaiah Horowitz

 

 Kabbala leert dat zelfs de negatieve krachten instrumenten zijn van het G’ddelijk Plan.

 

 Bil’am, die bereid was te komen om te vervloeken, was gedwongen om te zegenen; de engel die behagen schept in onheil werd gedwongen in te stemmen met zegeningen; de aanklager werd een pleitbezorger.

 

 Er was een kosmische noodzaak voor Bil’am om een instrument van God te worden. Hij was per slot van rekening de profeet van de niet joden en een spiritueel leider van de toenmalige beschavingen. Wanneer onze Wijzen het vers “En nooit stond er meer een profeet in Israël op als Mozes…” noemden (Deuteronomium. 34:10), zeiden zij dat omdat onder de andere volkeren niet iemand opstond in vergelijk tot Mozes. Ze hadden niet de intentie om Mozes te vergelijken met Bil’am o.a. ten aanzien van heiligheid, karaktereigenschappen en de verhouding tot G’D.

 

 De Zohar, Balak, p. 193b, is zeer expliciet in het beschrijven van Bil’am’s lage karakter, door het geven van veel voorbeelden van zijn optreden om eer te verschaffen met grote inzichten en daarbij degene die hem beschouwen als een grote ziener te misleiden. Enkele citaten van de passage van de Zohar: “Deze slechte man eigende zich veel trots en verwaandheid toe door te beweren alles te weten. Door dit te doen, misleidde hij de mensen in het geloof dat hij een zeer hoog niveau had bereikt. Hij accentueerde elke kleine verrichting die hij deed. Alles wat hij zei had betrekking op het domein van de krachten van onzuiverheid. Hij sprak de waarheid, letterlijk gesproken, want iedereen die naar hem luisterde kreeg de impressie dat hij de meest opmerkelijke en vooraanstaand profeet van de wereld was.  Wanneer hij zichzelf beschrijft als “ingewijde in de woorden van G’D, gewaar van de kennis van de Opperwezen”, vormde zich de impressie dat hij sprak over G’D in de Hemel. In feite was hij alleen gewaar van de woorden van “god” die in tegenstelling staan met de woorden van “G’D”.

 

 Hij communiceerde met de krachten van onzuiverheid, krachten die door de volkeren worden beschouwd als godheden.  Als hij sprak gewaar te zijn van de Hemelse Kennis, kreeg de luisteraar de indruk dat Bil’am beweerde een ingewijde te zijn van G’D’s bereik van kennis, terwijl hij in feite alleen een ingewijde was van de “hoogste” vorm van onzuiverheid, die G’D toestond, om te heersen als deel van de natuurlijke orde. Bil’am, was technische gesproken juist, omdat hij toegang had tot een macht die in zijn gebied werd beschouwd als het hoogst aanwezig. Echter de luisteraar wist niet dat deze macht op geen enkele wijze een onafhankelijke autoriteit had. Deze macht was slechts een instrument van G’D.

 

 SHABBAT SHALOM    

 

 

PARASHAT CHOEKAT

 

 De inzetting     Numeri. 19:1 – 22:1

 

 Likoetei Sichot, vol.4, p. 1058: Het overwinnen van de onzuiverheid van de dood.

 

 Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

 

 “De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron zeggend: ‘Dit is de inzetting (Choekat-statuut) van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de Kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode vaars brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

 

Jullie moet die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men moet haar slachten in zijn bijzijn. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed en spat iets van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

 

Men verbrandt de vaars voor zijn ogen;  men moet de huid samen met het vlees en het bloed en de mest verbranden.” (Numeri. 19:1-5)

 

 Om de grootste vorm van onzuiverheid te kunnen overwinnen, moeten we de logica te boven gaan.

 

Dit gedeelte van de Thoralezing met betrekking tot de wetten van de as van de Rode Vaars bevat de zinsnede: “. Dit is de inzetting van de Thora”. (Numeri. 19:1)

 

Alle variaties van onzuiverheid in de Thora en de corresponderende purificerende riten kunnen worden begrepen in termen van de relatieve nabijheid van de dood. Ongetwijfeld en niettegenstaande, is de meest fundamentele vorm van verontreiniging, de absolute volkomen verschijning van dood zelfaan het menselijk lichaam.

 

Dood is de antithese van heiligheid, want G’D is de herkomst, de bron en de vitaliteit van het leven. Daarom brengtelk contact met de dood of een potentiele dood die rituele onzuiverheid teweeg, weert iemand van het binnengaan van het Tabernakel of later, de Tempel. Het weert iemand van de sfeer van heiligheid.

 

Door confrontatie met de realiteit van de dood, worden we blootgesteld aan de besmettelijke invloed van de wet van entropie: de natuurlijke realiteit dat alles onderhevig is aan verval en sterfelijk is. De wet geeft richting aan vergetelheid en de zinloosheid van het leven, aan een ontaarding van al wat leven is.

 

Dit depressieve wereldbeeld is compleet het tegenovergestelde van onze G’ddelijke opdracht, die impliciet aangeeft dat er een doel is in het leven en verzekerd dat het vervullen van deze opdracht mogelijk is.

 

 Om opnieuw toegang te herwinnen in het rijk van het zuivere leven, moet iemand een purificatie proces ondergaan, die dient om zijn depressie (echt of in potentie aanwezig) te genezen en om zo iemand opnieuw terug te brengen naar het doel, het enthousiasme en vitaliteit van heiligheid voor het leven.

 

 Omdat de onzuiverheid van de dood de bron is van alle andere onzuiverheden, is de purificatie rite de meest extreme en de meest mysterieuze in de hele Thora. Zoals we al zeiden, dat de wetten van de natuur inderdaad uitmaken dat vroeg of laten alles en iedereen onderhevig is aan dood is deze wet te weerstaan in het tarten van de logica en daarom is de rite van purificatie van de dood van een niveau van existentie die logica te boven gaat; het is een “statuut”, een schijnbare eigenmachtige expressie van G’D’s Wil, verstoken van rationeel logisch begrip en zelfs strijdig met logica in het geheel.

 

                                     

Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

 

 Betreffende de essentie van de rite van de rode vaars zei Koning Solomon, zaliger in gedachtenis, “Ik zei: ‘Ik zal wijs worden,” maar het was ver van mij verwijderd” (Prediker. 7:23).  Waarop onze Wijzen in Bamidbar Rabba. 19:3 nader verklaren: “Koning Solomon was de wijste van alle mensen, maar zelfs hij kon niet begrijpen dat, in de rite van de rode vaars, de persoon die de purificatie uitvoerde zelf verontreinigd raakt.

 

 Probeer te realiseren dat het volgende het fundamentele begrip is van de rite van de rode vaars:  namelijk dat Malchoet ontvangt van de achterzijde van de Heilige Namen en niet van de voorzijde.

 

 Aangezien de rite van de rode vaars een staat van realiteit illustreert waarin de G’ddelijke Naam zijn “gezicht” niet laat zien, maar eerder zijn “achterzijde”, ervaren we onszelf in deze context als zijnde verwijderd, of “ver” van G’D’s aanwezigheid. Dit is de reden dat Koning Solomon zijn onvermogen beschrijft; om de werking van de rode vaars rite te doorgronden met “ver” van wijsheid.

 

 Daarom moet de rode vaars rood zijn, om een staat van streng oordeel aan te geven [waar Malchoet onderhevig aan is].

 

 Rood is de kleur van Gevoera, strengheid, striktheid. Iemand die is verontreinigd door contact met de dood, is in een staat van een extreem gelimiteerd G’ddelijk bewustzijn.

 

De grimmige confrontatie met de realiteit van de dood draagt het zaad in zich van miserabele depressie, geboren uit een nihilistische, fatalistische heidense of absurde houding ten aanzien van leven. De persoon moet daarom zichzelf “purificeren” van deze verontreiniging.

 

 SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT KÓRACH

Kórach                Numeri.  16:1 – 18:32

 Waarlijk leven is alleen mogelijk door verbonden te zijn met G’D door Thora en Mitzwot 

 

Leven in de Diepten

 

De Lubavitcher Rebbe, Likoetei Sichot, vol. 2, p.329.

 

“Zij zonken levend in de diepten” (Numeri. 16:33)

 

Waarlijk “leven” is alleen mogelijk door verbonden te zijn met G’D door het leren van Thora en het uitvoeren van Zijn opdrachten. Om die reden wordt de Thora “de Thora van Leven” genoemd.

 

Niettemin, haalt het leren van Thora en het uitvoeren van de geboden om egoïstische redenen, de inherent verheffende vitaliteit neerwaarts in de diepten van de alledaagse werkelijkheid (en in het aardse bestaan​​ dubbel?). Wanneer de focus wordt verlegd van G’D boven naar het individu beneden, daalt de Thora van Leven in de diepten.

 

Ofschoon Korach en zijn schare eminente Thorageleerden waren, Joden die in acht werden genomen, verdoemden hun zelfgerichtheid hen samen met de geleerdheid en vroomheid tot neerwaartse dood. Evenzo is het mogelijk voor een persoon om “in de diepten” te zijn, in een staat van spirituele decadentie waarin men zich nog steeds niet bewust is van de  onware situatie waarin men “leeft”. Echter er is een verborgen zegen in deze ogenschijnlijke verloren staat van leven. Als iemand waar leven ervaart, kan hij het verbeteren.

 

Dit is de reden waarom de zonen niet stierven. Omdat zij in een allegorisch staat van “leven” waren, dat wil zeggen, open van geest, genoeg om te veranderen en berouw te tonen. Zij bleven letterlijk ook in leven en keerden in feite laten terug in de gemeenschap.

 

RABBI SHIMON bar JOCHAI
ZOHAR. P 187a

 

Korach’s benadering in het scheppen van onenigheid, puur in het belang van zijn eigen politieke agenda, staat geheel in tegenstelling tot hoe wij moeten handelen.

 

Rebbe Elazar stond in de aanwezigheid van zijn vader Rebbe Shimon en vroeg hem uitleg over het vers: “Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet van elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.” (Geschriften. 9:9)

 

Dit vers schijnt een persoon te adviseren om van de fysieke genoegens van zijn leven te genieten zo goed als hij kan! 

 

Hij antwoordt: Kom en zie. Dit vers bevat een mysterie. Een persoon moet altijd “leven” insluiten [de intellectuele Sefirot van Chochma en Bina] met de positie [Malchoet, verwijst eveneens naar de “vrouw”]. Het één kan zich niet verplaatsen zonder de andere. Dit is te vergelijken met de beslissingen en gedachten van een persoon, die ook van belang zijn in de spirituele sfeer Zeir Anpin, Malchoet, om de Hogere Wil te actualiseren.

 

Men zal de eigenschap van de nacht mede insluiten met de eigenschap van de dag en de eigenschap van de nacht binnen dat van de dag.

 

“Dag” is het licht van Zeir Anpin, met andere woorden, de emoties, zoals barmhartigheid (Chesed). Er zal constant gehamerd moeten worden op het besef: dat  waar een gebrek aan liefde is, er een gemis is aan bewustzijn, met andere woorden er heerst  “duisternis”.

 

Dit wordt bedoeld met de woorden “Geniet van het leven [haal neer de overvloed van Zeir Anpin] met de vrouw die je bemint [Malchoet].” [hierdoor breng je eenheid in de wereld.] En wat is de reden om dit te doen? Het is omdat zij [Malchoet] je plaats, je positie is in het leven en leven kan alleen in die positie verblijven. “En in je werk, het werk dat je verricht onder de zon, is zoals het werk dat genoemd wordt in het vers: “Ken Hem in alles wat je doet, dan zal Hij voor jou een weg banen.” (Spreuken. 3:6)

 

De Ramak verklaart dat dit vers een instructie is om alles te heiligen wat we doen in het leven, met de intentie om spirituele eenheid tot stand te brengen.
Dus als iemand een huis bouwt zal hij zeggen, dit huis is zoals de Shechina en ik bouw dit huis met de intentie om de Shechina te verfraaien met mitzwot, met andere woorden, het ontvangen van gasten en het hebben van kinderen. Dit is alsof de hogere spirituele mens één is geworden met de Shechina.  Idem, wanneer iemand sieraden of mooie kleding koopt voor zijn vrouw, zal zijn intentie het decoreren van de Shechina moeten zijn. Wanneer iemand op deze wijze handelt, heeft dit een meditatieve bedoeling en maakt G’D deel uit van zijn/ haar leven; hij/ zij zal de Goddelijke voorzienigheid zien in alles wat hem omgeeft.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij   Numeri. 13:1 – 15:41

 Verbinden Met Het Land

 

 Het essentiële verschil tussen de supervisie en leiding door G’D in de woestijn en de supervisie en leiding door G’D in het Land van Israël.

 

 In deze parasha wordt aan Mozes gezegd om twaalf verkenners te zenden, Prinsen van Israël [van iedere stam een Prins] om het Land van Israël te verkennen voordat de Israëlieten het binnengaan. De verkenners keerden terug en gaven allen een negatief verslag, uitgezonderd Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh die stelden dat de Kinderen van Israël zonder meer in staat waren om binnen te trekken en het te verwerven.

 

 We moeten de aard van de negatieve houding van de verkenners begrijpen, want ze waren geen eenvoudige mannen maar zeer belangrijke leidinggevende persoonlijkheden nl: “de hoofden van de Kinderen van Israël.” Om het beter te kunnen begrijpen, moeten we ons realiseren dat er een essentieel verschil is tussen de supervisie en leiding door G’D in de woestijn en tussen Zijn supervisie en leiding in het Land van Israël. In de woestijn, was de supervisie en leiding vanuit de Hemel. Het brood, manna, kwam neer van de Hemel, zuiver en puur, zonder de noodzaak om het te verfijnen. De wolk ( als fysieke goddelijke aanwezigheid) beschermde het Volk Israël en hield het in stand ook door de reiniging van hun kleding en zij dronken het water van Miriams bron. Deze generatie wordt de Generatie van het Begrijpen [Da’at] genoemd en het doen van de mitzwot  werd voornamelijk religieus spiritueel uitgevoerd.

 

 Dit was niet het geval in het Land Israël. De supervisie en leiding door G’D is dan  ogenschijnlijk volgens de Natuur en niet volgens een visuele supervisie vanuit de Hemel. Zodra ze daar zijn aangekomen moest het brood en eten verkregen worden door arbeid op het land omdat het vallen van Manna was gestopt. Het doen van de mitzwot in het Land van Israël geschiedt door het fysieke ploegen en planten en oogsten, in het bijzonder de mitzwot met betrekking tot het Land : Shemitah [het zevende jaar in een cyclus waar het land niet wordt bewerkt en Tienden] 

 

 Na het “Breken van de Vaten” vallen de Heilige Vonken tot in de materiële fysieke sferen. We verheffen hen tot Heiligheid door mitzwot en hun zegeningen. Een ander bijzonder effect is dat wanneer iemand het goede zuivert van het kwade en het goede verheft tot Heiligheid, de persoon zelf daarbij ook wordt gezuiverd. De betekenis van het essentiële verschil van de supervisie en leiding van G’d in het land Israël moet nu zo worden  begrepen: men is zelf verantwoordelijk voor de realiteit en moet daar zelf praktische verantwoording voor dragen.

 

 Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh waren van zielen verbonden met het land Israël. Ten aanzien van Efraïm is geschreven dat zijn vader, Josef, hem bij de geboorte zo noemde vanwege de uitspraak, “Elokiem heeft mij vruchtbaar gemaakt [Hebreeuws, ‘Hifrani’] in het land van mijn kwelling.” Alle heilzame groei en in het bijzonder vruchtbaarheid wordt verkregen wanneer men inspanning aanwendt om iets te zuiveren en juist niet van wat al was voorbereid. De vorm van dienst in het Land van Israël is Thora en Mitzwot.

 

 Over Caleb schrijft de Arizal dat hij een reïncarnatie was van Eliezer, Abrahams dienaar, die uit Kanaän kwam; om die rede was Caleb ook verbonden met het Land van Kanaän, dat het Land van Israël werd.

 

 Daarom zeiden Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh dat het een Land is dat “overvloeit van melk en honing”.

 

 Melk representeert Chessed en Honing representeert Gevoera, in tegenstelling tot Manna, wat “als korianderzaad, zuiver wit” was en representeert  alleen Chessed, dus zonder dienst en inspanning van verfijning.

 

 De rest van de verspieders prefereerde de Hemelse supervisie en leiding zoals die was in de woestijn, zodat ze continu Thora konden leren zonder materiële fysieke zorgen. Zij begrepen niet dat het bestaan in de woestijn aanzet was voor de uiteindelijke dienst van  verhoging van materie en het fysieke  tot Heiligheid door vervulling van de Mitzwot in het Land van Israël. 

 

SHABBAT SHALOM         

 

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt Numeri. 8:1 – 12:16

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Het geheim van de lamp

 

Zohar, p. 151a

 

De parasha van deze week begint met de voorschriften over het aansteken van de zevenarmige kandelaar [Menora] door Aaron in de tabernakel in de woestijn. De beschrijving van de Menora evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken, werden al eerder benoemd en behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave.

 

Rabbi Elazar – zoon van Rebbe Shimon- stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, de vraag. Waarom wordt het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, herhaald op een ander tijdstip?

 

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar -zoals beschreven in de parasha Bemidbar- en nu gaat de tekst over de functie van de Menora in relatie tot het aansteken door Aaron. Daarmee aangevend, dat dit belangrijker is dan alle andere offers die waren gebracht.

 

Boven [in de wereld van Atziloet] vertegenwoordigt de Menora wijsheid ( waarmee de sefira van Malchoet wordt verlicht)]; al de lichten op de armen van de Menora [die de sefirot representeren] verlichten, door de verrichtingen van Aaron.

 

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid wordt geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie instaat stelt om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Door zijn aansteken van de Menora als een fysieke meditatieve handeling, wordt een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg gebracht vanuit de hogere sefirot aan deze wereld. Dit wordt gerepresenteerd door elk olie lontje, in elke arm van de Menora.

 

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit al hebben uitgelegd.

 

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen: Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de bovenste sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet en Malchoet weergeven.

 

Iedere bovenste sefirot is verbonden met elke andere in de sefirot boom, door drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van beïnvloeding en laten zien hoe zij samenkomen en zich onderlingverhoudentot de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen, was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, daarmee representerend: het koninkrijk van de Koning der Koningen.

 

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

 

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. ( wijsheid).  Zoals men kan zien als men de Sefirot boom visualiseert, is Chesed de eerste van de zeven sefirot die het licht van wijsheid ontvangt. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij te leggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie,inwijsheid en er over te mediteren, door het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot : Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat de wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbindt door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken op de zelfde tijd als de Menora werd ontstoken, aangezien zij samen het bewustzijn in eenheid representeren om de hogere niveaus neerwaarts te halen.

 

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

 

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

 

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora met de sefira van Chochma.

 

Het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

 

Detabernakel en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in de fysieke realiteit, waar olie kalmeert.

 

Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, dat betekent, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

 

Zoals gesteld is er: Één altaar binnen, om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het altaar binnen verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

 

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

 

En iemand die kijkt en [hierop] mediteert zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

 

Door heel de Tenach, worden deze namen uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

 

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

 

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

 

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

 

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in de visualisering van de boom van Sefirot boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT NASÓ

Neem op             Numeri. 4:21 – 7:89

 

 De Zohar zegt dat het spirituele ontvangen van de Thora afhankelijk is van hoe we onze seksualiteit rectificeren. 

 Gebaseerd op Metok MiDevash

 

 Zohar, Emor. p. 96b.

 

 Rabbi Shimon zegt dat het gerstoffer gebracht door de sota [de vrouw verdacht van overspel te hebben gepleegd], verwijst naar een “offer van jaloezie, een graanoffer van herinnering, herinnerend aan ongerechtigheid”. (Numeri. 5:15) Het woord “jaloezie’ [in het Hebreeuws, “kina’ot”] in dat vers, is geschreven zonder de vav omdat de Sefira van Malchoet, die ook zo wordt genoemd, in een staat van verwaarlozing is. Haar ontbreekt de overvloedige stroom van Yesod, dit wordt geïndiceerd door de ontbrekende vav.  Het zelfde stamwoord “kina” wordt gebruikt in het voorval van Pinchas, die de prins van de stam van Simon doodde, die overspel pleegde met een Moabitische prinses. Pinchas werd gezegend met eeuwigdurend priesterschap, “….omdat hij verontwaardigd ( als de bezorgde afgunst)  [of zelotisch] was voor zijn G’D”.

 

 Jaloezie  [in het Hebreeuws, “kina’ot”] is een eigenschap van de Sefira van Yesod [de Sefira van seksualiteit] en om het even wie ontrouw is aan hetverbond van Israël wekt zelf de kracht van Yesod op die afgunst teweeg brengt aan degene zelf.  Dat wordt bedoeld  met de frase in de Talmoed (Sanhedrin. 81b) “Zeloten zullen hem straffen”.  

 

 Kom en Zie [een term van de Zohar om de esoterische betekenis aan te duiden]. Het gerst [veevoer] van de Omer [ een offergave van gerst verzameld van de velden op de tweede dag van Pesach en geleverd aan de Tempel] was wat de sota gebruikte als haar offer. Het werd geplet en gemalen onder maalstenen en ze verzamelden een isaron [een antieke maat uit de oudheid] en ziften het dertien keer in een zeef.

 

 Dertien is het aantal G’ddelijke Eigenschappen van Barmhartigheid. Door het schift en zeefproces werd de gerst gezuiverd van alle toebehoren, met andere woorden, schillen en omhulsels werden ontdaan die het fysieke en dus ookhet spirituele verontreinigen.

 

 Dit wordt bedoeld met de frase die wordt gebruikt in het gebod om de Omer te tellen, “Zeven volle weken”. (Leviticus. 23:15) 

 

 Het woord “volle” refereert aan de completering van de purificatie van de Sefira van Malchoet gedurende de periode tussen Pesach en Shavoe’ot. Gedurende deze periode,- is Malchoet gezuiverd van alle negatieve aanhechtingen en zijn alle zeven Sefirot van Zeir Anpin, die weer elk bestaat uit zeven Sefirot, geteld. Dit roept in het bewustzijn op al de 49 facetten van Malchoet  en dient als een voorbereiding op het 50e niveau, dat het spirituele ontvangen van de Thora is.  

 

SHABBAT SHALOM      

 

 

 

Shavoe’ot

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

 

 

Likoetei Thora

 

Er is een passage in het Boek Spreuken waarin de Thora zelf de spreker is en zichzelf antropomorfiseert en beschrijft al te hebben geëxisteerd vóór de Creatie van het universum. Na uitspraken als “Toen G’D de hemelen vestigde, Ik was daar; toen Hij een cirkel trok over de oppervlakte van de diepten”, gaat de Thora verder met te zeggen, “Ik was met Hem als een zuigeling en Ik was elke dag Zijn vreugde, spelend voor Hem te allen tijden; spelend met de wereld, Zijn wereld en Mijn vreugde was met de zonen van de mens.” (Spreuken, 8:30-31) Deze uitspraken zijn niet alleen poëtisch, maar bevatten ook diepgaande esoterische verwijzingen naar de essentiële aard van de Thora die werd gegeven, hetgeen wij vieren op de feestdag van Shavoe’ot.  

 

 

De Thora’s beschrijving als zijnde een “zuigeling” (“amon” in het Hebreeuws) herinnert en verwijst naar Mozes vraag aan G’D nadat Mozes net heeft verteld  dat de Joden op miraculeuze wijze zullen worden voorzien van vlees in de woestijn en Mozes “zich, als het ware, beklaagt”, dat hij niet kan fungeren als een instrument van dat gebeuren: [Wie ben ik], zegt Mozes tot G’D, dat U zegt tot mij, Draag het [Joodse Volk]  aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft [in het Hebreeuws, “omen”] …. waar [haal] ik vlees vandaan?” (Numeri, 11:12-13)

 

 

[Zoals verklaard ergens anders in Likoetei Thora, komt Mozes’ ziel voort uit een uitermate subliem spiritueel niveau. Zijn ziel was zo verheven dat Mozes, die juist 40 dagen en nachten bovenop de Berg Sinaï had doorgebracht, in zo een krachtige staat van heiligheid verkeerde dat hij geheel werd onderhouden door spiritualiteit en geen behoefte had aan fysiek voedsel, hij voelde dat hij zich niet meer kon relateren aan zulke aardse dingen als vlees. Hij had het begrip verloren hoe hij het aan de gewone mensen verstrekt kon worden.

 

Op een vergelijkbare manier, had Mozes G’D duidelijk gemaakt dat hij ongeschikt was om G’D’s boodschap van verlossing over te brengen aan het Joodse Volk in Egypte omdat hij leed aan een spraakgebrek. De Chassidische leer verklaart dat Mozes’ bezorgdheid was dat zijn eigen verheven ziel niet in staat zou zijn om de kloof tussen de gewone Joden te overbruggen, zodat G’D’s boodschap niet succesvol zou worden overgebracht. G’D’s antwoord was dat Hij Mozes zou assisteren in het “overbrengen en het doen begrijpen van de boodschap”, Mozes moet zijn bijdrage leveren in het spreken tot het Joodse Volk en G’D zou ervoor zorgen dat de spirituele “kloof” werd overbrugd. Dus in plaats van met gewoon fysiek voedsel wordt Mozes geassocieerd met het Manna dat miraculeus neerdaalde van de hemel vanwege zijn verdienste (zie Taanit 9a; Zohar III 156a). Dit was spiritueel voedsel en iets waar Mozes zich aan kon relateren.]

 

 

Hier, de opmerking om een zuigeling te voeden duidt eerder op een diepere betekenis dan op eenvoudige literaire beeldspraak. Een pasgeboren baby is niet volledig ontwikkeld; een baby moet een heel groeiproces doormaken. In het begin is een kind bijna uitsluitend een creatuur van emotie, voelend plezier, angst, etc. maar niet in staat om te denken over of te begrijpen wat het ervaart. Zelfs zijn emoties hebben tijd nodig om zich te ontplooien en om al de nuances te ontwikkelen die zij in zich bergen. (Bijvoorbeeld, een kind ervaart niet “bitterzoet” of schrijnende gevoelens, alleen wilde vreugde en immens tekeergaan.)

 

 

Hoewel het waar is dat in moderne tijden vele zuigelingen geen borstvoeding meer wordt gegeven, symboliseert deze natuurlijke praktijk een zekere spirituele groei. In feite bevordert melk de ledematen van het kind, dus borstvoeding representeert en veroorzaakt de spirituele ontwikkeling en groei van de emotionele ziels eigenschappen. Tijdens de periode van verzorging rijpen de emoties van de zuigeling en ontwikkelen zich. Nochtans is het niet veel later dat het intellect van het kind zich manifesteert, dat is waarom, ofschoon het bekwaam is in het voortbrengen van geluid ( en soms zelfs heel veel) is het niet in staat om intelligent te spreken. Dit latere stadium van ontwikkeling is mystiek geassocieerd met het spenen van het kind en het begin van vast voedsel, in het bijzonder brood, zoals de Talmoed leert, “Een kind weet niet “Vader” of “Moeder” te roepen tot het de smaak van graan heeft geproefd” (Berachot 40a, in ondersteuning van de uitleg dat de Boom van Kennis, die werd geïntroduceerd als intellectueel bewustzijn aan Adam en Chava, in feite graan was).

 

 

Kabbalistisch gezien, spelen de voorname Joodse Feestdagen, Pesach, Shavoe’ot en Soekot, een rol in de creatie van de Joodse zielen. Op de zevende dag van Pesach als het ware, waren nieuwe zielen “geboren”, in de zin dat zij voortkwamen uit de verheven spirituele sfeer van Atziloet, welke onafscheidbaar is  van G’D Zelf, in de relatief “lagere”sfeer van Beriya, worden zij beschouwd als separate entiteiten. Echter deze “nieuwgeboren” zielen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Zoals ergens anders verklaard, een ziel bezit tien spirituele eigenschappen, zeven overeenkomend met de emotionele eigenschappen van een persoon en drie intellectuele eigenschappen.

 

De nieuwgeboren ziel, net zoals een zuigeling, heeft tijd nodig voordat zijn emotionele vermogens volgroeid zijn; dit heeft in het bijzonder betrekking op de zo geheten “dierlijke ziel”, die de oorsprong is van iemands natuurlijke inclinatie. Ook deze, en niet alleen iemands spirituele tendensen, behoeven te worden ontwikkeld in instrumenten voor dienst aan G’D. Elk van de zeven emotionele eigenschappen, wanneer volwassen, is een compositie van alle zeven ( makend 49 emotionele componenten van ziel in totaal), en om deze “nuances” naar buiten te kunnen brengen, moet de ziel een periode ondergaan van spirituele “verzorging”. Dit refereert aan de 44 dagen van de Omer periode tussen de zevende dag van Pesach en de Feestdag van Shavoe’ot.

 

 

De Omer periode, de tijd in welke de Jood de dagen telt van de Exodus van Egypte tot het geven van de Thora op de Berg Sinaï, begint in de tweede nacht van Pesach en omvat 49 dagen in totaal. Deze corresponderen met de 49 emotionele eigenschappen van de ziel. Echter de eerste vijf dagen van deze telling ( met andere woorden, de vijf dagen van de telling) van de tweede tot de zevende dag van Pesach, representeren de mystieke vijf eigenschappen van goedheid ( de vijf Cheseds, de eerste vijf emotionele eigenschappen binnen de samengestelde eigenschap van Chesed, of goedheid zelf), welke de groei van de rest van de eigenschappen voortbrengt. De eerste vijf worden geïdentificeerd met de sfeer van Atziloet, overhoudend 44 die zich ontwikkelen na “geboorte”.

 

 

De mitzwa van het tellen van de Omer, dient de mystieke functie van verzorging van de ziel, en het ontwikkelen van hun innerlijke emotionele eigenschappen naar volwassenheid. Echter verzorging is niet een doel op zich zelf;  het leidt naar spenen en de bekwaamheid om vast voedsel  op te nemen. Dit wordt gesymboliseerd door brood en juist als “de smaak van graan” een nieuw niveau van intellectueel vermogen introduceert voor een kleuter, is het het spirituele “brood” dat de zielen na verzorging ontvangen, dat hun intellectuele eigenschappen zich uiten. Dit “brood” is de Thora zelf, die “voeding”  voor de ziel genoemd wordt (zie Talmoed Chagiga14a; Beréshiet Rabba 43:7), en waarover is geschreven, “Kom, eet Mijn brood.” (Spreuken, 9:5)

 

 

De feestdag van Shavoe’ot, toen de Thora aan het Joodse Volk werd gegeven, correspondeert dus mystiek met het “spenen” van de nieuwgeboren zielen. Dit is de reden dat ons op Shavoe’ot  wordt opgedragen een offer te brengen dat hoofdzakelijk bestaat uit twee broden (Leviticus. 23:17): één representeert de Geschreven Thora en de andere representeert de Mondelinge Thora (het gehele corpus Joodse Kennis, inbegrepen de Mishna en Talmoed, die de latente betekenis van de Bijbelse verzen reveleert). Dit niveau is ons door G’D verleend in antwoord op de zelf nullificatie van het Joodse volk uit eerbied voor Hem gedurende de overdenking van het Shema gebed, om die reden zegt het vers dat de twee broden gebracht moeten worden “vanuit je woningen” (in het Hebreeuws, “mimoshvateichem “), wat ook letterlijk van je “zittend” betekent, aangezien het Shemawanneer het gepast wordt gereciteerd zittend moet gebeuren.

 

 

“Verzorging” kan worden begrepen in de zin dat het een voorbereidende fase is leidend naar het eten van brood. Mozes, in al zijn nederigheid, voelde zich ongeschikt tot deze laatstgenoemde taak van het introduceren van “vast voedsel” van Thora aan het Joodse Volk, dat is wat hij bedoelde met het protest, “[Wie ben ik] dat U tegen mij zegt, “Draag [het Joodse Volk] aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft…” waar [haal] ik vlees vandaan?”

 

 

Men moet zich volkomen bewust zijn dat G’D absoluut transcendent en onkenbaar is. Elke relatie die wij hebben met Hem is een gift van G’D, die Hij verleent aan ons door overbrenging van de Thora: door Zich Zelf  “samen te persen” als het ware in de Thora, we zijn in staat om G’D Zelf te vatten door ons begrip van de Thora. De Thora zelf een is vat, het kanaal, dat deze G’ddelijkheid in zich draagt en doorgeeft  aan ons. Dit is waarom, ofschoon Mozes in zijn nederigheid voelde dat hij onbekwaam was in het overbrengen van G’ddelijkheid, helemaal afdalend naar ons niveau (dat van “brood”), de Thora zichzelf beschrijft als ze deze functie uitvoert, en zegt, “Ik was met Hem als een zuigeling.”

 

 

Het vers gaat verder met te zeggen, Ik was Zijn vreugde elke dag.”Dit verwijst naar de vreugde en het genoegen die alleen komt na intellectueel begrip. Niet alleen is de Thora een “zuigeling” die het intellectuele niveau van de ziel naar buiten brengt, het gaat zelfs verder met openbaren van diepere aspecten van  vreugde.

 

 CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV

 

 

 

      

 

                      

 

 

 

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn      Numeri. 1:1 – 4:20

 

Heilige der Heilige

De kracht van barmhartigheid verzachtde negatieve strengheid van anderen.

 

Hitva’ adoeyot 5748, vol.3, p. 405-407

 

 

Wanneer ze het allerheiligste naderen, moeten Aaron en zijn Zonen komen en ieder afzonderlijk aanwijzen voor de te verrichten diensten.” (Numeri. 4:19)

 

 

De algemene toestand van “het Heilige der Heilige” representeert allegorisch de hoogste niveaus van spiritueel leven en een G’ddelijk bewustzijn. Het gebeurt vaak in ons streven naar spirituele aangelegenheden, dat we verschillende krachten van oppositie ontmoeten. Soms is dit de spot en vijandigheid van andere mensen en soms zijn het de innerlijke stemmen van vertwijfeling. De Thora leert ons hier dat het juiste respons tegenover deze uitdagingen niet is hen te bevechten, maar eerder hen te confronteren met de kracht van Aaron, de vredestichter. [zie Perké Avot.1:12]

 

 De kracht van barmhartigheid verzacht de negatieve strengheid van anderen, of elimineert het vaak helemaal en kan een antagonist veranderen in een bondgenoot als de meest mogelijke overwinning.

 

 In Kabbala personifiëren de Levieten Gevoera (ingetogenheid en strengheid), terwijl de Priesters (Aaron in het bijzonder) Chesed (liefde en goedheid) personifiëren. In de Tempeldienst inspireerden de muziek van de Levieten de aanbidders om de hoogten van heiligheid en zuiverheid te vergroten, terwijl door de offers, gebracht door de priesters, de G’ddelijke zegeningen en openbaring neerwaarts worden gehaald. Door de priesters de verantwoording over de Levieten te geven, geeft de Thora hier aan dat zowel Chesed en Gevoera nodig zijn om de facetten van spiritueel leven te  complementeren, we moeten niettemin veilig stellen dat Chesed Gevoera verzacht, zoalsliefde en vrees en goedhartigheid de directe strengheid intoomt.

 

 SHABBAT SHALOM                  

 

PARASHOT BEHÁR- BECHOEKOTAI

Op de berg – In Mijn inzettingen.                      Leviticus. 25:1 – 26:2, 26:3 – 27:34

 

Rabbi Shimon bar Jochai

VERTROUW IN G’D EN DOE GOED

Zohar, Parashat Behar, p.111a;

En als jullie zeggen, ‘Wat moeten we dan eten in het zevende jaar, we mogen toch niet zaaien noch onze oogst binnenhalen’. (Leviticus. 25:20)

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met een citaat: “Vertrouw op G’D en doe goed; zodat je zult wonen in het Land en het vertrouwen zal je hoeden.” (Psalm. 37:3) Dit vers leert dat iemand voorzichtig moet zijn om dat wat hem overkomt altijd toe te schrijven aan zijn Meester. Dit moet gelden voor zowel het goede als de slechte omstandigheden. Men moet de gebeurtenissen in zijn leven altijd verbinden met despirituele oorsprong en niet alleen met de onmiddellijke oorzaak. Menmoet met heel het hart zich verbinden  aan de oorsprong van zijn vertrouwen. Wanneer iemand één is met zijn Meester, inziet dat alles wat gebeurt in zijn leven een resultaat is van G’ddelijke Voorzienigheid, dan zal zijn hart in hem een welbehagen ondervinden. Wanneer zijn geest kalm is als resultaat van zijn kennis, kan niets hem schaden, omdat hij ziet dat alles wat gebeurt in zijn leven een leerproces en leidraad voor verdere groei is.

” Vertrouw in G’D en doe goed.” Waarnaar verwijst hier het “goed”? Zoals we geleerd hebben, wekkende goede daden die iemand doet in de fysieke wereld, de oorsprong van dat goed op in de Sefirot in de spirituele wereld. Dit is eerder uitgelegd in verband met het vers “Hoor de woorden van het verbond en doe hen”.

 

(Jeremia. 11:6) De woorden “doe hen” kunnen ook gelezen worden als “door jou”, met andere woorden, door je handelingen. Datbetekent, jij rectificeert de Sefirot, waardoor een overvloedige stroom van Licht en G’ddelijkheid wordt veroorzaakt die neerdaalt in jou. Dit is zo omdat door het geven van liefdadigheid en het doen van mitzwot en vanwege de goede daden, je een corresponderende vloed van liefdadigheid en goedheid van Boven ertoe brengt om te worden betrokken in je leven.

Weet dat, in tegenstelling tot het Nederlandse woord “liefdadigheid” wat verbindingen heeft met andere concepten, het Hebreeuwse woord “tzedaka” direct verbonden is met de woorden “tzedek”, dat betekent, “gerechtigheid” en “tzadik”, dat betekent, “rechtvaardige” en is gerelateerd aan de Sefira van Yesod, die ook “tzadik” wordt genoemd. Dus, in het Hebreeuwse concept verbindt het woord de fysieke en spirituele werelden, want de tzadik tzadaka, die een handeling is van tzedek in deze wereld geeft op zijn beurt een weldadige vloed van zijn oorsprong in Yesod (tzadik) naar Malchoet en veroorzaakt een verzachten van eenstreng oordeel.

Het is aangaande je handelingen en de daarmee verbonden spirituele vertakkingen, dat het vers zegt, “doe goed”, want de oorsprong van goed is in de Sefira van Yesod [tzadik]. Dit wordt specifiek aangegeven in het vers “Zeg van de tzadik [de rechtvaardige], dat hij goed is, want zij zullen de vruchten van hun handelingen eten.” (Jesaja.3:10) Aangezien je tzedaka geeft en mitzwot doet en goede daden, zul je met zekerheid een corresponderende vloed van de Sefira van Yesod  teweegbrengen die zal kanaliseren in Malchoet. Om die reden is er geschreven, “woon in het Land [Hebreeuws, ‘eretz’ en vertrouwen [‘emoena’] zal je hoeden.” “Eretz en “Emoena” zijn beide namen voor de Sefira van Malchoet.

SHABBAT SHALOM