PARASHAT EMOR

Zeg             Leviticus. 21:1 – 24:23

VERTROUWEN OP DE THORA

 

 De Zohar leert dat de opdracht van het tellen van de Omer als een opstijging is in de Hogere Werelden.

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Raya Mehemna, Zohar III:97 a-b.

 

 Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijke rustdag, van de dag dat jullie de Omer, bestemd voor de zijdelingse bewegingen gebracht hebben; zeven volle weken moeten het zijn. Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen……” (Leviticus. 23:15-16)

 

 Dit is de opdracht om de Omer te tellen, volgens de Geleerden. (Soekka 58). De esoterische diepgang is als volgt : Alhoewel de Israëlieten zichzelf zuiverden door het Pesachoffer te brengen, dus door het verlaten van de spirituele sfeer van onzuiverheid, waren zij desalniettemin niet op een gepast niveau van perfectie en reinheid.

 

 Zij waren niettemin toch in staat om het Pesachlam te offeren omdat de verlichting die voortvloeit  uit de Sefirot, omvattend de drie hogere Sefirot van het hoger bewustzijn (Chochma, Bina, Da’at), niet afhangt van de verdienste van de Israëlieten, maar een voortvloeisel is van G’D’s goedheid (Ramaz).

 

 Dit is ook de reden dat we het Hallelgebed, na de eerste dag van Pesach, niet compleet reciteren (in Israël) , omdat het Joodse Volk nog niet het gepaste niveau van perfectie hadden bereikt.

 

 Deze periode van zeven weken van reiniging is vergelijkbaar met de zeven pure dagen van een vrouw na de menstruatie. Wanneer eenmaal haar cyclus is  geëindigd, begint zij zeven dagen te tellen.

 

 Zo deden ook  de Israëlieten toen ze Egypte verlieten, zij verlieten hun staat van spirituele onreinheid. Zij vierden Pesach, participerend  in het voedsel van hun Vader (zie Sifri Zoeta, Nasso 57), en van dat moment af telden zij de dagen tot aan de vrouw [het Joodse Volk] haar Echtgenoot [G’D] kon naderen. Dit zijn de vijftig dagen [tot de dag na de voltooiing van de zeven weken van het tellen van de Omer] van zuivering die iemand in staat stelt om de Komende Wereld binnen te gaan [verwijzend naar het niveau van Bina] en de Thora te ontvangen en het mogelijk maakt de vrouw tot haar Echtgenoot te komen.

 

 Aangezien het masculiene dagen betreft [de wereld van de zeven Sefirot van Zeir Anpin] is deze telling opgelegd aan mannen alleen (zie Magen Avraham, Orach Chaim siman 489). Om deze reden moet men de telling staande doen, omdat aangelegenheden die te maken hebben met de Lagere Wereld zittend gedaan moeten worden.

 

[Bijvoorbeeld, het Shema Israël wordt zittend gereciteerd, aangezien het refereert aan de Wereld van de Troon (Beriya) de vrouwelijke wereld, want de predominante Sefira in Beriya is Bina, terwijl het Staande Gebed (Shemoné Esré) is gerelateerd aan de hogere wereld, Atziloet, waar Chochma de predominante Sefira is.]

 

Dit is de diepe esoterische betekenis tussen de verschillende delen van gebed die staande en die zittend worden gezegd.

 

Deze vijftig dagen bevatten negenenveertig dagen als facetten van Thora, maar de vijftigste dag is het geheim van de Thora zelf. Als je je nu afvraagt waarom deze vijftig niet negenenveertig zijn want zeven weken van zeven dagen is gelijk aan 49, is het antwoord: wat was verborgen in deze 49 wordt geopenbaard, zoals de Koning die de kamer van koningin binnengaat en daar verblijft.

 

De essentie van de Thora, hier vergeleken met de Koning Zelf, werd voor altijd gegeven aan de koningin, het Joodse Volk.

 

SHABBAT SHALOM 

 

 

 

PARASHOT ACHARÉ MOT – KEDOSHIEM

 Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 -20:27

 

 

Een diepere kijk op afgoderij

 

Door onwaarheid te zien door de ogen van Thora, kunnen we deze overwinnen.

 

 

Sefer HaMa’amarim 5743, p. 85-7


 

 

Wendt je niet tot de afgoden en maak geen gegoten beelden voor jullie zelf, Ik ben de Eeuwige jullie G’D.

 

 

Dit vers is de grondslag voor de wet die verbied te staren naar afgodsbeelden of het bestuderen van hun rituelen. De Thora verbiedt ons om te verdiepen in de beleving van afgoderij, zelfs als we niet de intentie hebben om afgoden te dienen. Dit is om ons verre te houden van de aantrekkelijkheid van afgodische praktijken want het contact schendt de heiligheid omdat enigszins zowel sensueel als intellectueel een verlamming wordt veroorzaakt ten aanzien van heiligheid.

 

Een uitzondering op deze regel is de studie van afgoderij in de context van Thorastudie. Om gepast de overtreding van afgoderij te voorkomen, moeten we noodzakelijk vertrouwd gemaakt worden met de exacte typen, aspecten en vormen van afgoderij die de Thora verbiedt. Eén van de grotere traktaten van de Talmoed heet “Avoda Zara” (Letterlijke betekenis, “dienst aan de andere zijde”) en bespreekt, onder andere, de rituelen van verschillende klassieke vormen van afgoderij.

Dus in de context van Thorastudie is het ons niet alleen toegestaan om verschillende vormen van afgoderij te bestuderen, we moeten.

 

Spiritueel wordt van ons verlangd om de wetten van verboden zaken (waarvan afgoderij slechts een voorbeeld is) te bestuderen omdat we alleen door direct contact de toegestane elementen van de fysieke wereld kunnen verheffen.

 

 

[Het Hebreeuwse woord voor “toegestaan” (“moetar”) kan ook “vrijmaken” betekenen; toegestane dingen zijn “vrij” om te worden verheven door menselijke inspanning. Naar deze elementen wordt in Kabbala verwezen als afstammend van de “doorschijnende schil” (Kelipa nogah), dat betekent dat zij neutrale energieën zijn die, in de sfeer van heiligheid of in haar tegenovergestelde sfeer gehaald kunnen worden. De mens verheft deze krachten door ze voor heilige doelen te gebruiken. Afgoderij echter behoort tot de realiteitssfeer die verboden is (in het Hebreeuws, “asoer”, letterlijk, “vastgebonden”). Aan deze verboden realiteitselementen wordt in Kabbala gerefereerd als afgeleid van de “onzuivere schillen” (Kelipot hatemei’ot), dat betekent dat ze intrinsiek kwaad zijn en dat we ze niet kunnen verheffen.

 

Desondanks kunnen we zelfs deze “vastgebonden”, verboden aspecten van realiteit verheffen, niet door hen te beleven uit de eerste hand, maar door studie van de Thora. In de Thora vormen deze entiteiten een intrinsiek onderdeel van het G’ddelijke Plan; zij worden geen onderwerpen van studie op zich, maar zijn referenties gezien vanuit de context van hun implicaties van de G’ddelijk wijsheid en heiligheid die zij veronderstellen en waarvan zij deel uitmaken.

 

 [Met de kracht van de Thora, heeft onze indirecte reis door afgoderij en andere “verboden zones” de capaciteit om spirituele duisternis te transformeren naar licht.

 

SHABBAT SHALOM    

PARASHOT ACHARÉ MOT – KEDOSHIEM

Na de dood – Heilig   Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 -20:27

 Een diepere kijk op afgoderij

 

 Door onwaarheid te zien door de ogen van Thora, kunnen we deze overwinnen.

 

 Sefer HaMa’amarim 5743, p. 85-7


 

 “Wendt je niet tot de afgoden en maak geen gegoten beelden voor jullie zelf, Ik ben de Eeuwige jullie G’D.

 

 Dit vers is de grondslag voor de wet die verbied te staren naar afgodsbeelden of het bestuderen van hun rituelen. De Thora verbiedt ons om te verdiepen in de beleving van afgoderij, zelfs als we niet de intentie hebben om afgoden te dienen. Dit is om ons verre te houden van de aantrekkelijkheid van afgodische praktijken want het contact schendt de heiligheid omdat enigszins zowel sensueel als intellectueel een verlamming wordt veroorzaakt ten aanzien van heiligheid.

 

 Een uitzondering op deze regel is de studie van afgoderij in de context van Thorastudie. Om gepast de overtreding van afgoderij te voorkomen, moeten we noodzakelijk vertrouwd gemaakt worden met de exacte typen, aspecten en vormen van afgoderij die de Thora verbiedt. Eén van de grotere traktaten van de Talmoed heet “Avoda Zara” (Letterlijke betekenis, “dienst aan de andere zijde”) en bespreekt, onder andere, de rituelen van verschillende klassieke vormen van afgoderij.

 

Dus in de context van Thorastudie is het ons niet alleen toegestaan om verschillende vormen van afgoderij te bestuderen, we moeten.

 

 Spiritueel wordt van ons verlangd om de wetten van verboden zaken (waarvan afgoderij slechts een voorbeeld is) te bestuderen omdat we alleen door direct contact de toegestane elementen van de fysieke wereld kunnen verheffen.

 

 [Het Hebreeuwse woord voor “toegestaan” (“moetar”) kan ook “vrijmaken” betekenen; toegestane dingen zijn “vrij” om te worden verheven door menselijke inspanning. Naar deze elementen wordt in Kabbala verwezen als afstammend van de “doorschijnende schil” (Kelipa nogah), dat betekent dat zij neutrale energieën zijn die, in de sfeer van heiligheid of in haar tegenovergestelde sfeer gehaald kunnen worden. De mens verheft deze krachten door ze voor heilige doelen te gebruiken. Afgoderij echter behoort tot de realiteitssfeer die verboden is (in het Hebreeuws, “asoer”, letterlijk, “vastgebonden”). Aan deze verboden realiteitselementen wordt in Kabbala gerefereerd als afgeleid van de “onzuivere schillen” (Kelipot hatemei’ot), dat betekent dat ze intrinsiek kwaad zijn en dat we ze niet kunnen verheffen.

 

 Desondanks kunnen we zelfs deze “vastgebonden”, verboden aspecten van realiteit verheffen, niet door hen te beleven uit de eerste hand, maar door studie van de Thora. In de Thora vormen deze entiteiten een intrinsiek onderdeel van het G’ddelijke Plan; zij worden geen onderwerpen van studie op zich, maar zijn referenties gezien vanuit de context van hun implicaties van de G’ddelijk wijsheid en heiligheid die zij veronderstellen en waarvan zij deel uitmaken.

 

 [Met de kracht van de Thora, heeft onze indirecte reis door afgoderij en andere “verboden zones” de capaciteit om spirituele duisternis te transformeren naar licht.

SHABBAT SHALOM    

 

PARASHAT TAZRIA / METSORA

Zij geeft zaad / ‘Melaatse’ (Leviticus 12:1 – 13:59 / 14:1 – 15:33)

Een verhandeling vanuit de geschriften van de Ari

De wekelijkse parasha begint met drie- ogenschijnlijk- niet verwante onderwerpen. De rituele onreinheid van een vrouw, na de geboorte van een kind; het gebod om een mannelijk kind acht dagen na zijn geboorte te besnijden en de rituele onreinheid tengevolge van de omstandigheid genaamd Tsara’at. (Een term die vaak verkeerd wordt vertaald als “lepra”, maar in feite verwijst naar een unieke aandoening, die er alleen was in de tijd toen de Tempel bestond en enigszins uiterlijke overeenkomst vertoont met wat wij heden ten dage lepra noemen.)
Vanwege de volgorde van de onderwerpen, die zeer kenmerkend zijn in de Thora, wekt het naast elkaar zetten van deze onderwerpen een belangstelling voor een uitleg.  

Bovengenoemde types van rituele onreinheid, zijn puur spirituele omstandigheden en moeten niet worden verward met medische of hygiënische condities. Ofschoon spirituele onreinheid wordt teweeg gebracht door fysieke condities en fysieke repercussies hebben, is het meer een psychologische malaise dan een fysieke. De rituele onreine persoon lijdt aan typische psychologische aandoeningen die geassocieerd zijn met dood, depressie, ego, of andere condities en vormen een  antithese voor een vreugdevol optimistische karakteristiek van een gezonde spiritualiteit.
Om een actief en gezond spiritueel leven te hervatten, moet hij\ zij  “gereinigd” zijn van deze mentaliteiten. Dit is evident in de verhandelingen van de Arizal die worden ingezet in deze bespreking.

De parasha opent met (letterlijke hebreeuwse tekst): En G’D sprak tot Mozes, zeggend: “Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend: Als een vrouw moet bevallen en ze krijgt een jongen dan wordt ze zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn. En op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden.” (Leviticus. 12:1-3)
Het is de moeite waard om te onderzoeken, waarom de Thora het woord “zeggend” twee maal vermeldt in deze passage; waarom het gebod van de besnijding wordt genoemd in de context van menstruele onreinheid en dat de onreinheid plaats vindt door tsara’at. Wat hebben zij gemeen?

Bovendien, continueert de Thora: “Wanneer iemand op de huid van zijn vlees een zwelling krijgt of een uitslag of een glimmende plek, die zich daar tot een huidziekte, Tsara’at, ontwikkelt………” (ibid. 13,2)
De woorden in dit vers lijken in een verkeerde volgorde te staan, het zou moeten zijn: ”Wanneer iemand in de huid van zijn vlees de Tsara’at ziekte heeft, in de vorm van een zwelling, een uitslag, een glimmende plek…….”

Het bovenstaande wordt door de verklaring van onze geleerden begrijpelijker. Vanwege de ongehoorzaamheid van Eva aan het gebod van G’D, zou zij de periodieke bloeding en de maagdelijke bloeding ( bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer) moeten ondergaan. (Eroeviem 100b)
Zij concluderen deze dubbele bloeding vanwege de dubbele uitdrukking in het Hebreeuwse vers, “Ik zal [je lijden] dubbel verhogen.” (Genesis. 3-16)

 Oorspronkelijk was de vrouw fysiologisch geschapen zonder een menstruele cyclus en het proces van zwanger worden en het baren veroorzaakten geen bloedingen. Evenmin had zij bloedingen bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer. Deze en alle andere facetten van het leven kwamen tot realiteit als gevolg op de eerste oorspronkelijke zonde. Met andere woorden, door de onjuiste wijze van denken en de verkeerde kijk op het leven, die Adam en Eva leidden na het nemen van het verboden fruit, vonden er in de realiteit zekere fysieke veranderingen plaats, waaronder de menstruele cyclus en de maagdelijke bloeding.
Door er op de juiste wijze mee om te gaan, zou de mensheid een ideale spirituele volwassenheid ondergaan, die tenslotte zal leiden naar de uiteindelijke Verlossing. In die tijd zijn deze condities van een gevallen realiteit niet langer van toepassing, en het leven, inclusief de vrouwelijke fysiologie, zal terugkeren naar zijn Paradijselijke staat.

Met deze kennis onderzoeken we de bovengenoemde drie punten met behulp van de verhandelingen van de Arizal. Dit is de uitleg waarom er een herhaling van het woord “zeggend” in het openingsvers is.

“En G’D sprak tot Mozes, zeggend”- dit is, wat Ik te zeggen heb aangaande menstruele en maagdelijke bloeding. Als het Joodse Volk jou vraagt waarom zij onrein worden door menstruele bloeding, aangezien zij een heilig volk zijn, dan……….

“Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend.” – “Zeg hen dat het is omdat Eva overschreed wat Ik haar vertelde te doen, zij was het die het lijden van onreinheid en menstruatie bracht. Om deze reden………”

“Als een vrouw bevalt en een zoon baart, is zij voor zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn.”

Het eerste verwijst naar G’D’s aanspreken van Mozes aangaande de geboden van geborenen en de tweede is het antwoord aan het Joodse Volk voor hun potentiële vraag naar de reden van deze geboden. Zij zijn een gevolg van de overtreding van Adam en Eva op G’D’s gebod.

 Waarom het gebod van de besnijdenis geplaatst is tussen de geboden van menstruele onreinheid en tsara’at onderzoeken we nu als tweede punt met de verhandeling van de Arizal.

Het gebod om te besnijden wordt genoemd in verband met de onreinheid van menstruatie, aangezien het de besneden persoon zal weerhouden om zich te verontreinigen aan spirituele onreinheid van menstruatie. Doordat G’D ons oplegt om een mannelijke baby te besnijden wanneer hij acht dagen oud is, verzwakken wij de onreine kracht en elimineren de kwade aandrift.
De voorhuid van het mannelijk voortplantingsorgaan effectueert zijn belevenis van echtelijke relatie op twee manieren: het verhoogt in grote lijnen zijn seksuele genot en verlaagt zijn gevoeligheid voor zijn vrouw door zich van haar, in bepaalde mate, te isoleren. Door verwijdering van de voorhuid, wordt de ervaring van de echtelijke relatie voor de man een minder narcistische bevrediging en vormt een ware, meer religieuze spirituele hechte verbintenis met elkaar  waarin ook de fysieke dimensie wordt verhoogd. De wijzen van de Talmoed verklaren om die reden dat idealiter, het Joodse paar de ware vreugde ervaart in de echtelijke relatie.

Gedurende de menstruatie, is de vrouw te zelfbetrokken om een echtelijke relatie aan te gaan met die gepaste spirituele oriëntatie. De Thora verbiedt dus echtelijke relatie gedurende die periode. ( Taharat Ha Mischpacha)

Wanneer een man is besneden, bewaart hij meer controle over zijn seksuele passie. Vervolgens, indiceert de besnijdenis dat de man de dienaar van G’D is, gekenmerkt met Zijn zegel. Als zodanig zal hij zeker niet de geboden van zijn Meester overtreden.

De Thora verwijst naar de besnijdenis als een “teken”van het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. De Joodse man is dus getekend als G’D’s dienaar en dit dient om hem te herinneren dat hij verantwoordelijkheden heeft tegenover een hogere autoriteit.

Om die redenen is het gebod van de besnijdenis geplaatst tussen de geboden van menstruele onreinheid en de onreinheid die tsara’at veroorzaakt, want de besnijdenis beschermt hem van beide. Hij wil geen seksuele relaties aangaan met een menstruerende vrouw en wil ook nederig en bescheiden van geest blijven, en de arrogantie schuwen, zoals een dienaar betaamt met een zegel van zijn Meester.

Met behulp van de Arizal  onderzoeken we nu het derde punt: over de onreinheid die wordt verwekt door tsara’at.  Daarin spreekt hij van  arrogantie of een meerwaardigheidsgevoel als de wezenlijke essentie van tsara’at.  Er zijn drie types van arrogantie: een persoon is arrogant in zijn hart, maar tegenover iedereen gedraagt hij zich nederig. ( een vorm van schijnheiligheid).

Een tweede type van arrogantie is, wanneer een persoon zich superieur voelt aan diegene die is zoals hij\zij, maar niet aan diegene welke hem overtreft in wijsheid of status. Dit type van arrogantie wordt “een uitslag” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor “uitslag”, “sapachat”, betekent een verbonden toevoeging in de zin van “deel uit maken” en “verbinden”.

Het derde type van arrogantie is ernstiger [en vereist daarom een langer proces van zuivering]. Dit is de “glimmende vlek”, wat betekent, dat de persoon zich superieur voelt en ook zo handelt, zelfs tot diegenen die hem in wijsheid, status of rijkdom overtreffen. Hij\zij  handelt schaamteloos tegenover iedereen.
Daarom zinspeelt dit type van arrogantie op de sterk glimmende vlek.

G’D verafschuwt al deze vormen van arrogantie, alle drie vormen veroorzaken het lijden aan de onreinheid van Tsara’at, zelfs de eerste, welke de meest onschadelijke is van de drie, omdat het alleen innerlijk is. Daarom herhaalt de Thora de frase “in de huid van”, om te aan te geven dat hij\zij weloverwogen is getroffen met deze onreinheid, zelfs al was het niet zichtbaar voor de buitenwereld en dat hij\zij  naar behoren gestraft wordt.

De Arizal heeft met betrekking tot de volgorde van de woorden in het vers over tsara’at gesproken.  Hij eindigt in het kort met het algemene probleem van arrogantie.

Zoals eerder is genoemd, werpt arrogantie een grove smet op iemands persoonlijkheid, zo zelfs dat G’D het haat. Vandaar dat er is geschreven, “De Eeuwige regeert, Hij is gekleed in hoogmoed.” (Psalm 93:1) m.a.w  G’D omhult Zich met het kledingstuk van arrogantie en hoogmoed in het regeren van de wereld, om zijn schepselen schrik aan te jagen, maar ontdoet zich er direct weer van. Om aan te geven hoe afschuwelijk dit is. Waarop onze wijzen verklaren: “Telkens wanneer er in de Bijbel G’D’s grootheid wordt aangehaald, wordt onmiddellijk Zijn nederigheid genoemd.” (Meggilla 32a)

Met de boven gegeven uitleg kunnen we de aangehaalde verzen beter begrijpen.

Rabbi Jitschak Luria […Ashkenazie ben Shlomo] ( 5294 – 5331 = 1534 – 1572 ) Jaartijd van overlijden: 5e Av. Begraven op het oude kerkhof van Tzfat.
Gewoonlijk bekend als de Ari, Ook Rabbenoe HaAri HaKadosh [de heilige Ari] of Arizal [de Ari in gezegende herinnering].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

ACHTSTE   LEVITICUS. 9:1 – 11:47

 DE UNIEKHEID VAN DE ACHTSTE DAG

 De Kli Yakar, Rabbi Slomo Ephraim van Luntshits, 1550-1619, verklaart dat de frase in Wajikra. 9:1, “Op de achtste dag”, een verbinding impliceert met de voorafgaande zeven dagen van miluim, ter voorbereiding op de uiteindelijke oprichting van het Heiligdom, zoals is geschreven in, ibid, 8:33, : “ Jullie inauguratie zal zeven dagen duren”.  Tijdens deze zeven dagen werd het altaar ingewijd.

 De achtste dag daarentegen dient een ander doel, deze was voor de opdracht en inwijding van Aharon en zijn zonen. Waarom kreeg deze dag dan een naam die een continuatie impliceert van de vorige zeven?

 De Kli Yakar verklaart dat de intentie was, met de naam de uniekheid van de dag te doen uitkomen, “G’D zal zich aan jullie reveleren”. De achtste dag is gekenmerkt door een unieke  eigenschap van heiligheid, en zoals de Kli Yakar continueert:” Het cijfer zeven refereert altijd aan deze wereld, terwijl het cijfer acht refereert aan heiligheid.”

 Dit wordt weergegeven in het feit dat de mitzwa van de besnijdenis het verbod van verboden werk op Shabbat overschrijdt. De besnijdenis wordt geassocieerd met het cijfer acht en Shabbat met het cijfer zeven en “het spirituele gaat het fysieke vooraf”.

 TWEE NIVEAUS VAN HEILIGHEID

 De uitdrukking dat “zeven refereert aan deze wereld”, moet niet strikt in de letterlijke zin worden opgevat, want de zevende dag is eveneens heilig. Aangezien Shabbat een van de zeven dagen van de schepping is, deelt het een verbinding met de wereld. Het cijfer acht daarentegen gaat boven de schepping uit en is “gereserveerd voor Hem, gezegend zij Hij”. In vergelijking hiermee wordt zelfs Shabbat als werelds beschouwd.

 Een voorbeeld: Er zijn twee niveaus van Shabbat: Een niveau is geassocieerd met de zeven dagen van de Schepping. In verhouding tot de vorige zes dagen is deze heilig. Desondanks is haar heiligheid binnen de natuurlijke orde en wordt daarom naar beneden gebracht door de G’ddelijke dienst van het Joodse Volk, aan wie is opgedragen om “Shabbat te maken en te houden en te heiligen”.

 Een andere dimensie van Shabbat is haar rol als een microkosmos van de Era van Verlossing, die wordt beschreven als “de dag van volledige Shabbat en rust voor eeuwigheid.” Zoals eerder aangehaald, dit niveau kan niet worden neergehaald door onze G’ddelijke dienst, maar vereist G’ddelijk initiatief.

 In deze context citeren onze Wijzen in Shabbat 10b: G’D zeggende: “Ik heb een prachtig geschenk in Mijn schatkamer. Het is Shabbat genaamd”.

Want dit hoger niveau van de Shabbat, is een geschenk van Boven, een geschenk is niet een verworvenheid, maar afhankelijk van de schenkers vrijgevigheid. (Want wanneer een geschenk is gegeven als gevolg van iemands inspanning, is het iets dat is verworven).     

 DE OMER TELLING.

Parshat Shemini wordt meestal gelezen direct na Pesach, even na de aanvang van de zeven weken periode van de Omer telling. Wat is het verband tussen die twee? De Thora zegt over de Omer, “Je zult vijftig dagen tellen” (Leviticus 23:16). Maar in feite tellen we maar negen en veertig dagen. Waarom? In de zeven weken ontdoen we ons stap voor stap van de negen en veertig “poorten van onreinheid” en gaan door negen en veertig “poorten van inzicht”. De vijftigste, het ultieme niveau van inzicht, is boven ons. Pas wanneer we deze negen en veertig inspanningen hebben geleverd, kan het vijftigste tot ons komen als een gift van G`D. De zeven weken van de Omer zijn als de zeven dagen van inwijding. Zij vertegenwoordigt de spirituele verwerkelijking van de mens. De vijftigste dag van de Omer is als de achtste dag van het Heiligdom: het is de openbaring die van buitenaf bij ons binnendringt, het antwoord van G`D op ons streven. De vijftigste dag is Shawoeot, de dag dat de Thora geopenbaard werd op de Berg Sinai.

 SHABBAT SHALOM

DE LAATSTE DAGEN VAN PESACH

FEESTMAAL VAN MASHIE’ACH

Een van de meest belangrijke elementen van Pesach, de viering van de vrijheid van het Joodse Volk, is, dat het dient als een voorbereiding voor de uiteindelijke en eeuwige verlossing door onze rechtschapen Mashie’ach [Mashiach, Messias]. (Haggada shel Pesach, Likkutei Taamin)

Zoals het vers bevestigt: “Ik zal wonderen openbaren [in de periode van de uiteindelijke verlossing] zoals in de periode van jullie uittocht van Egypte.” (Micha 7:15) In feite maakt de uittocht van Egypte alle aansluitende verlossingen, inclusief de uiteindelijke, mogelijk. (zie Sefer HaMaamariem 5708, p.164.)

Ter verduidelijking: de eerste dagen van Pesach hebben het meest betrekking op de uittocht van Egypte zelf, terwijl de laatste dagen meer verbonden zijn met de toekomstige verlossing. (Sefer HaSichot 5700, p.72) Dit is eveneens te zien in de Haftarot [Profetenlezingen na de Thoralezing gedurende de twee laatste dagen. (Sjoelchan Aroech Admoer HaZakein, Orach Chayiem 480:5,6) De Haftara van de zevende dag Pesach is het lied van David, (Megilla 31a; Toer en Sjoelchan Aroech) aangezien die dag (en ook de achtste dag van Pesach) een verbinding is naar Mashie’ach, een nakomeling van David. En in het bijzonder ten aanzien van de Haftara op de laatste dag, welke direct spreekt over de komende Verlossing. Gedurende deze twee laatste dagen van Pesach, benadrukt Acharon Shel Pesach de laatste dag, het meest de uiteindelijke verlossing. De Haftara spreekt openlijk en uitgebreid over de komende verlossing en over de persoonlijkheid van Mashie’ach zelf, de houding van de wereld en de verzameling van Joden. (Jesaja 11: 1-3, 6-9, 11-12)

De relatie tussen Acharon Shel Pesach en de komende Verlossing werd zelfs door de Baal ShemTov naar een hoger niveau gebracht door het instellen van een speciaal derde en laatste Acharon Shel Pesach maal, genaamd “het feestmaal van Mashie’ach” omdat “deze dag is geïllumineerd door een lichtstraal van Mashie’ach.

Wat is er bijzonder aan om zoiets als de zeer verheven toekomstige Verlossing te viering met nog een extra fysieke maaltijd? Het vieren van de komende Verlossing op zo’n manier verlicht de persoon niet alleen door geest en woord (bereikt door het zeggen van de Haftara), maar evenzo zijn fysieke lichaam.

Dus dit concept is geassimileerd in het eigenlijke lichaam van de persoon zelf. Bovendien, gedenken en vieren door een maaltijd verwijst naar de heiligheid die de gehele wereld zal doordringen wanneer Mashie’ach komt. Want in die tijd “Zal zich de Glorie van de Eeuwige openbaren en al wat vlees is zal gewaar worden…….” (Jesaja 40,5)

Dit doordringen van het materiële door het spirituele wordt het best bereikt door heiliging van voedsel. Want een Jood eet zelfs een gewone maaltijd met de intentie om heiligheid in deze wereld te brengen en des te meer met betrekking tot een maaltijd op een heilige dag! Dus zeker de speciale, eenmaal per jaar, Acharon Shel Pesach“Het feestmaal van Mashie’ach” die ons in staat stelt ons te realiseren hoe al het fysieke zal worden doordrenkt met heiligheid in de tijd van de Verlossing.

Het effect van dit speciale gebeuren is natuurlijk niet beperkt tot de dag van Acharon Shel Pesach zelf, integendeel, het idee is dat het de Jood door het hele jaar moet effectueren, zodat alles wat hij doet in relatie tot de mondaine wereld doordrongen zal worden met heiligheid en spiritualiteit, net zoals de spiritualiteit die de wereld zal doordringen bij de komst van Mashie’ach.

De lering van Acharon Shel Pesach echter is niet gelimiteerd aan iemands verhouding tot de fysieke wereld; het relateert tevens ook naar het spirituele innerlijk van elke Jood. Want het niveau van Mashie’ach is naar de essentie van elke Jood ziel. Acharon Shel Pesach stelt elke Jood in staat om deze essentie het hele jaar door te openbaren, daarbij dient hij G’D met elk element van zijn wezen.

Chag Sameach

PESACH 5773

DOORBRAAK NAAR VERLOSSING

 IN DE UITEINDELIJKE VERLOSSING, ZULLEN DE WONDEREN VAN EGYPTE OVERKOMEN ALS KINDERSPEL.

 SEFER MA’AMARIM, ADAR-SIVAN, P.147

 Wanneer we kijken naar het vers, “Zoals in de dagen van jullie uittocht van Egypte, zal Ik jullie wonderen laten zien” (Micha. 7:15) rijzen twee vragen op.

De eerste: Waarom wordt in dit vers de meervoudsvorm gebruikt dan de meer logische enkelvoudsvorm?

Dit vers is een van de weinige, waarin de uittocht van Egypte wordt beschreven in het meervoud, in de hoedanigheid van “dagen” dan simpel “dag”, zoals geschreven in het vers, “Zodat jullie zullen herinneren de dag van jullie uittocht”.

De tweede: waarom wordt er gesproken van wonderen als in de dagen van de uittocht? Dit vers gedeelte betreft de vergelijking tussen de wonderen van de uittocht van Egypte met de wonderen die zullen plaats vinden in de Uiteindelijke Verlossing. De wonderen van de Uiteindelijke Verlossing worden vergeleken met de wonderen die het Joodse Volk zag toen zij uit Egypte kwamen. Na de verlossing uit Egypte zal er geen verbanning meer zijn, daarmee wordt aangegeven dat deze verlossing op een hoger niveau is en meer compleet. De wonderen van dit tijdperk ( deze era) zullen de wonderen van de Egyptische verlossing dusdanig overtreffen dat sommige Geleerden hebben gezegd dat de Egyptische verlossing in de Era van Mashiach niet langer zal worden vermeld.

 Een andere mening is dat we de herinnering aan de Egyptische verlossing zullen continueren, aangezien het deel uitmaakt van de Komende Verlossing omdat de Egyptische verlossing de eerste stap in het proces was in het brengen van Verlossing. We zullen de eerste verlossing vermelden omdat de wonderen van de Uiteindelijke Verlossing worden vergeleken met de wonderen die men zag toen men uit Egypte kwam.  Het Joodse Volk was getuige van grote wonderen toen zij Egypte verlieten en de wonderen van de Komende Verlossing zijn te vergelijken met de wonderen van de verlossing uit Egypte.

 Voor het begrijpen van wat er wordt bedoeld met “vergelijken” geldt de volgende spirituele bron als uitleg: Toen het Joodse Volk in Egypte was moesten zij worden verheven vanuit de 49e poort van onzuiverheid (vanuit 50). Als we de Omer tellen, verheffen en bestijgen we de 50 Poorten van Bina.

Dit wordt aangetoond door het feit dat de Egyptische verlossing 50 keer wordt aangehaald in de Thora. De Egyptische verlossing representeert de 50 Poorten van Bina als zij worden neergehaald door de sefira van Malchoet. De Komende Verlossing zal ook de 50 Poorten van Bina representeren, maar deze worden neergehaald door Keter die boven de Sefirot is en tot uiting komt in Antik, die hoger is dan Keter. Dit is niet het externe aspect van Antik, maar de pnimiyoet, het diepste deel van het niveau wat boven alle niveaus is. Dit zal resulteren in een grotere openbaring van G’D in de Verlossing.

 De openbaring van G’D gedurende de Egyptische uittocht was groot maar beperkt, aangezien het was gekleed in Malchoet. In de Era van Mashiach zal er geen verhulling van G’ddelijk Openbaring zijn.

 We keren terug naar de opmerking waarom we de uittocht van Egypte zullen aanhalen in de Era van Mashiach, als de wonderen en de openbaring van G’D zo veel groter zullen zijn. De Zesde Lubavitcher Rebbe, de Frierdiger, heeft gezegd dat de Egyptische uittocht zal worden vermeld omdat het een soort van kanaal creëerde voor al de toekomstige verlossingen, inclusief de Uiteindelijke Verlossing. De Egyptische uittocht was speciaal omdat het een noodzakelijke voorbereiding was voor het “Geven van de Thora”.  Vóór de tijd van het “Geven van de Thora”, kon niets in de wereld worden verheven tot de Hogere Werelden en niets wat deze niveaus inhield kon neerdalen in de wereld van Asiyah, de wereld van actie. De mogelijkheid om te zuiveren en om de wereld te verheffen was een zeer belangrijke stap in de richting van de Uiteindelijke Verlossing, wanneer de wereld zijn Schepper zal erkennen en een verblijfplaats wordt voor het Oneindige Licht: Geprezen Zij Hij.

 Het antwoord op de eerste vraag waarom in het vers “Zoals in de dagen van jullie uittocht van Egypte, zal Ik jullie wonderen laten zien”, dagen” in het meervoud is geschreven, is: dat alle dagen vanaf de Egyptische uittocht tot de Komende Verlossing, een deel van een proces van komen uit Egypte zijn.

Elke dag moet een persoon nadenken over het Idee dat hij uit Egypte komt

De Eerste Chabad Rebbe, Rabbi Schneur Zalman van Liadi (1745-1812), identificeert het Lezen van het Shema als de geschikte tijd om onze persoonlijke uittocht te ervaren. De reden dat we tzitzit  aanhalen in Ma’ariev, het Avondgebed, op een tijdstip dat niet gelieerd is met deze mitzwa, is dat de zelfde passage de uittocht van Egypte aanhaalt.

 Elke dag laten we meer en meer beperkingen achter ons, totdat we het punt bereiken waarop we alle beperkingen doorbreken in de Uiteindelijke Verlossing. Mashiach is de nakomeling van Koning David, die op zijn beurt een nakomeling is van Peretz, wat klinkt als het woord “poretz”, dat het doorbreken van beperkingen betekent.  Elke morgen, voor het davenen, gebed, is er een fysieke verbanning die ons het gevoel geeft van beperking binnen de grenzen van ons lichaam.

 Zoals het vers illustreert:  “We zijn nakomelingen van de mens die adem in zijn neusvleugels had. Voor wat wordt hij waardig geacht?” Het beschrijft de beperkte spiritualiteit bij het prille ontwaken uit de slaap wanneer de ziel alleen in de neusvleugels is. Gedurende het gebed verspreidt de ziel zich door het lichaam en beteugeld het grove fysieke en dwingt de dierlijke ziel ( het linker deel) “ amen” te zeggen tegen zijn wil in. (Ani modi lefanecha gebed) .Dit is de enige weg naar volledige dienst. Zoals Koning David zegt, “Mijn hart is leeg in mij” aantonend dat iemand het linkerdeel van zijn hart moet veroveren voordat hij kan zeggen: “Je zult houden….”  In het Shema om de liefde te verklaren voor G’D met beide zielen, de dierlijke en de G’ddelijke. Evenzo zullen kwaad en de staat van onzuiverheid worden overwonnen en worden getransformeerd naar goed in de Era van Mashiach.

 Waarom hebben we deze verovering nodig? Waarom transformeren we niet simpel de onzuiverheid in plaats van veroveren? Iemand is een ware dienaar van G’D zoals de Alte Rebbe, Rabbi Schneur Zalman schrijft in de Tanya, wanneer hij voortdurend strijd levert en zijn aard onderwerpt. Het is de strijd die G’ddelijk Licht brengt in de wereld.

 Deze “oorlog” is de strijd met de dierlijke ziel en de overwinning brengt schatten van G’ddelijke Openbaring. Dit is een andere reden waarom de Egyptische uittocht zal worden genoemd in de Era van Mashiach; het dagelijkse gevecht tegen de dierlijke ziel is onze persoonlijke uittocht van Egypte die ten slotte zal leiden naar de Uiteindelijke Verlossing.

 Goed Jom Tov en een Koshere Pesach   

 

PARASHAT TSAV

Gebied                 Leviticus. 6:1 – 8:36

 SHABBAT HAGADOL

 Vier Spirituele Gevaren

 Reshimot

 Het woord voor “dankbaarheid” in het Hebreeuws betekent ook “erkentelijkheid”

 “Wanneer men het uit dankbaarheid brengt” ……….(Leviticus. 7:12)

 Vier redenen waren vereist om een dankoffer in de Heilige Tempel te brengen.(tegenwoordig reciteert men de Gomel zegening): (zie Psalm 107).

De redenen om te danken zijn vanwege:

  • Iemand die veilig een zee oversteekt
  • Iemand die geneest van een mogelijke levensbedreigende ziekte
  • Iemand die uit gevangenschap wordt bevrijd
  • Iemand die veilig een woestijn heeft doorkruist

 In het Hebreeuws betekent het woord voor “dankbaarheid” L’hodot, ook “erkentelijkheid”. In dit verband wordt in elk van deze vier situaties een specifiek spiritueel gevaar weerspiegeld.

 

  • “De zee refereert aan Chochma, want de onmetelijke uitgestrektheid van G’ddelijke Wijsheid wordt een “zee” genoemd. De ervaring van G’ddelijk inzicht draagt het gevaar van “verdrinking” in zich in de belevenis; met als gevolg het vergeten van het verwerkingsproces in het intellect, zodat het eventueel de emoties kan beïnvloeden en vernieuwen.   
  • “Een patiënt” refereert aan Bina. De numerieke waarde van het woord voor “patiënt” חולה, is 49, verwijzend naar iemand die 49 van de 50 “poorten van begrip” beseft en daarbij smacht van liefde naar de 50e poort.
  • De ordelijke ontwikkeling en verloop van de Middot van het Intellect kan worden geblokkeerd als we ontoereikend Da’at hebben. Da’at onthult de samenhang van het intellect naar ons leven, zodat we in staat worden gesteld om een emotionele reactie te ervaren naar wat we intellectueel weten, door het kanaal ( de fysieke nauwte van de hals) dat het intellect verbindt, (het fysieke hoofd), met de emoties, ( met het fysieke hart als locatie). De “gevangene” refereert aan de Middot wanneer zij zijn vastgelopen, bij wijze van spreken, in de hals en geblokkeerd zijn om zichzelf te manifesteren in het hart. Malchoet bevat al onze eigenschappen van expressie, welke, op de juiste wijze worden geïnspireerd en andere kan inspireren. In de woorden van de Wijzen, “Woorden die vanuit het hart [van de spreker] gaan in het hart [van de luisteraar].
  • Wanneer onze eigenschappen van expressie oppervlakkig zijn, niet oorspronkelijk vanuit het hart komen, zijn zij “onvruchtbaar” en dragen geen vrucht. Een dergelijk gecastreerde expressie is symbolisch voor de onvruchtbaarheid van de woestijn.

 Dienovereenkomstig omvatten deze vier situaties het gehele spectrum van de Sefirot, evenals de bijbehorende aspecten van de menselijke ziel. Als we overleven of herstellen van alle vier van deze gevaren, door niet te verdrinken in de zee van Chochma, door vooruitgang naar de 50e poort van begrip, door het manifesteren van de emoties vanuit ons intellect en door overbrenging van onze inspiratie aan anderen, rectificeren we de gehele volmaking van onze zielsvermogens.

 Doch, zelfs na completering van onze zelfrectificatie, moeten we  niettemin beseffen dat G’D’s Oneindigheid onze begripsmogelijkheden te boven gaat en dat daarvoor een oneindig aantal treden op de ladder van spirituele stijging blijven bestaan. 

SHABBAT SHALOM      

PARASHAT WAJIKRA

En Hij riep       Leviticus. 1:1 – 5:26

De Kabbala Van Zout

Sefer Hasichot

….En laat bij je meel-offers het zout, het symbool van je verbond met G’D, niet ontbreken, bij al je offers moet je zout brengen.

Kan flauw voedsel gegeten worden zonder zout?” (Job. 6:6) Zout verhoogt de smaak van voedsel. Ironisch genoeg is zout op zichzelf niet strelend voor de tong, toch kan het ander voedsel smakelijker maken.

De reden is als volgt: Zout kan worden gescheiden van zout water. Het is gevormd door het constante branden van de zon op het water. Water is Chessed, goedhartigheid, zout is Gevoera, strengheid. [Vandaar het scherp zijn van zout]

Het is een axioma in kabbalistisch denken dat elke fysieke substantie in essentie de neerkomende vorm is van een hogere spirituele entiteit. Dus zout “symboliseert” of “representeert” niet alleen de hemelse sfeer van Gevoera, het is Gevoera in zijn fysieke manifestatie.

Rabbi Chaim Vital schrijft in Eitz Chaim dat, wat Gevoera is op één niveau, onmiddellijk Chessed creëert voor het niveau er beneden. Dus Gevoera van Chochma wordt Chessed van Bina.

Zout op zichzelf is Gevoera, betekenend: bijtend, maar wanneer het neerdaalt naar een lager niveau [met ander woorden, wanneer het de substantie van ander voedsel binnendringt] wordt het Chessed en geeft smaak aan dat voedsel.

Zout is ook de belichaming van de oorsprong van alle strengheid en heeft daarom de capaciteit om oordelen te verzachten. Het is om deze reden dat zout altijd aanwezig moet zijn op iemands tafel, als een medicament voor tegenspoed, want, zoals bekend kan gestrengheid alleen worden verzacht door haar oorsprong. De bekende uitspraak, “Het hout voor de bijl, dat de bomen van het bos zal vellen is van het bos zelf” illustreert dit principe.

In de sfeer van Thora, is zout: Kabbala, de innerlijke dimensie van Thora.

Anders dan de wettelijke aspecten van Thora, die volledig begrepen en geproefd kunnen worden, is het aspect van Kabbala verborgen en verhuld. Het kan niet waarlijk “geproefd” worden en opgenomen worden door het menselijke verstand. Het blijft onafhankelijk [zoals zout en stremsel een functie hebben zonder eerst werkelijk het item binnen te dringen]. Er is echter een voordeel aan beide aspecten van Thora Het voordeel van het wettelijke aspect is, dat de mens in staat is om G’ddelijke wijsheid, zoals kenbaar op het fysieke vlak in de vorm van wetten van de Thora, volledig te verwerken. Dit is het niveau van Chochma, wijsheid, daar waar het menselijke verstand één kan worden met G’ddelijke wijsheid.

Kabbala, spreekt van Hemelse realiteiten, is boven Chochma. Dit is een voordeel en een nadeel. Omdat het boven Chochma is, kan het niet volledig worden geabsorbeerd door het menselijke verstand. Omgekeerd, vanwege de transcendentie is het effect op de studerende veel krachtiger.

Zonder kennis van het wettelijke, kan men zich niet de smaak van Chochma, G’D’s wijsheid eigen maken. Want het is alleen door studie van het wettelijke dat iemand waarlijk G’ddelijke wijsheid kan vasthouden en absorberen. Met Kabbala of Midrash, verwerkt men niet waarlijk de essentie van de gedachte.

Aan de andere kant, ofschoon in het bestuderen van Kabbala men alleen een uitstraling van feitelijke ideeën waarneemt, stamt niettemin deze uitstraling [licht] van de innerlijke dimensie, de ziel van Thora en heeft de capaciteit om het spirituele perspectief van de studerende te beïnvloeden.

Hier leren we uit: dat wettelijk recht van de Thora als brood en vlees is en Midrash en Kabbala als zout, die smaak aan het voedsel verleend en negativiteit neutraliseert

 Zout is conserverend. Dus G’D’s eeuwigdurend verbond met Aaron is geassocieerd met zout [“een eeuwigdurend verbond van zout”, zoals in Bemidbar 18:19]. Zoals Rashi verklaart, “G’D sloot een verbond met Aaron met iets dat “heilzaam” en constant is en wat anderen conserveert … zout, dat nooit en te nimmer bederft.

De Arizal benadrukt de verbinding tussen zout en de priesterlijke zegen: Het Hebreeuwse woord voor zout, melach, is numeriek gelijk aan 78, wat 3×26 is [3x de G’ddelijke Naam Havayah die gelijk is aan 26]. Idem, de priesterlijke zegen bevat de Naam Havayah drie maal: “Mag Havayah u zegenen…., Mag Havayah Zijn stralend gelaat laten schijnen….., Mag Havayah Zijn aangezicht op u gericht houden…..” Deze zegeningen houden de wereld in existentie en worden daarom vergeleken met zout, dat andere items ondersteunt.

Een andere karakteristiek van zout is dat het negativiteit verlaagt en vernietigt. Het heeft deze capaciteit omdat het stamt van Gevoera van heiligheid.

Dus de G’ddelijke Naam die gebruikt wordt in het vers aangaande het verbond van zout is Elo-kiem [“briet Elo-hecha”], welke de G’ddelijke Naam is die Gevoera belichaamd. Het kan daarom de negatieve vormen van strengheid veranderen en “verzachten”, omdat strengheid van oorsprong verzachtend is.

De wateren van Jericho werden daarom gezond gemaakt door zout. En wanneer negativiteit is geconserveerd of verzacht door zijn oorsprong, is de verandering inwendig en van daar uit veel krachtiger.

Zout heeft ook geneeskrachtige vermogens. Zo brengt de Tikoenei Zohar 54a naar voren dat één van de omzettingen van het woord melach: chalam, sterker maken en helen suggereert (zie Job. 39:4 en Jesaja. 38:16).

Om die reden dus bevatten de offers zout. Want in het spirituele “offer”, menselijk naderen tot G’D, de betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Zijn naderen moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Bovendien moet het transformeren en met zich meebrengen, de dierlijke ziel, niet alleen overweldigen en tot zwijgen brengen, maar een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel veroorzaken, een innerlijke verandering, met ander woorden, verzachting van strengheid door oorsprong.

De betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, omvat het menselijk naderen tot G’D. In het spirituele “offer”, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Het naderen tot G’D moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Het brengt een transformatie met zich mee van de dierlijke ziel, niet alleen door het te overweldigen of tot zwijgen te brengen maar het veroorzaakt een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel, een innerlijke verandering met andere woorden, er vindt een verzachting plaats door de oorsprong van strengheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT WAJAKHEEL – PEKOEDE

En hij liet samenkomen – De berekeningen   Exodus. 35:1 – 38:20, 38:21 – 40:38

De Tabernakel Belichaamt Zowel Het Geopenbaarde Als Het Esoterische

Dit zijn de inventarisberekeningen van de Tabernakel, de Tabernakel van het Getuigenis……(Exodus. 38:21)

Het vers verwijst naar het feit dat er twee aspecten zijn ten aanzien van de Tabernakel: Een aspect wordt “de Tabernakel” genoemd, de andere  “Tabernakel van het Getuigenis”. De twee Tabernakels refereren aan de twee niveaus van G’ddelijk Licht: een welke is geopenbaard en een die verborgen blijft.

Deze twee niveaus worden de “lagere Shechina” en de “hogere Shechina” genoemd. (In Tikoené Zohar 1b, wordt de lagere Shechina vereenzelvigd met Malchoet en de hogere Shechina met Bina.)

 De eerste Tabernakel impliceert openbaring, aangezien er wordt gesproken van  “de Tabernakel” [niet “een Tabernakel”], met andere woorden, een Tabernakel die bekend is. De tweede Tabernakel impliceert verhulling, verborgenheid, aangezien het de Tabernakel van het Getuigenis wordt genoemd en getuigenis is alleen nodig wanneer een aangelegenheid onbekend of verborgen is.

 In zijn dienst aan G’D, vormt de mens de aspecten van zijn eigen persoonlijke Tabernakel. Iemand bereikt de lagere Shechina door het vervullen van “actieve” mitzwot, zoals het aanleggen van tefillien en het geven van liefdadigheid. Iemand bereikt de hogere Shechina door het vervullen van de “passieve” mitzwot, zoals het nalaten van het eten van niet kosher voedsel of het niet werken op Shabbat.

 Want de hogere Shechina,  de Tabernakel die is verhuld, kan niet bevat worden door actieve menselijke daden. Het is boven het menselijke bereik en kan alleen toegankelijk worden door niet handelen.

 De passieve mitzwot zijn daarom geassocieerd met de joed en de, de eerste letters van de Naam Havayah, terwijl de actieve mitzwot daarentegen zijn geassocieerd met de letters vav en :

 Joed en derefereren aan de verborgen sferen, terwijl vav en refereren aan de geopenbaarde sferen (“Verborgen zaken zijn aan G’D…….terwijl geopenbaarde dingen aan ons zijn…. Tikoené Zohar 10, 25b commentaar op Deuteronomium. 29:28) joed en derefereren aan het intellect, terwijl vav en refereren aan de emoties. In relatie naar anderen toe, is het intellect verborgen. Het intellect voorziet iemand in het zijn van een verschillend individu, gescheiden van anderen. Emoties, liefde en vrees, zijn geopenbaard aan anderen. Zij veronderstellen de wezenlijke existentie van anderen.

 Met andere woorden, het is niet alleen de bepaling van een emotionele drang, zoals goedhartigheid, wat anderen vereist; de complete existentie van emoties hangt af van de existentie van anderen. Zonder anderen bestaat het concept van goedhartigheid niet. Weliswaar als er anderen zijn, kan men het verlangen ervaren om goedhartig te zijn zonder dat de andere aanwezig is. Maar als er geen anderen zijn in de wereld, zou de emotie van goedhartigheid niet bestaan. 

 Intellect echter, is een zelfbetrokken attribuut. Men benodigd niet het bestaan van andere om te denken. De meeste geleerden zijn teruggetrokken en alleenstaand van natuur.

 Hetzelfde geldt voor hemels intellect en emoties. Het Hemels intellect: joed en dezijn zelfgeoriënteerde en verborgen van de Schepping. Hemelse emoties echter hebben als doelstelling zich te openbaren aan het gecreëerde. Omdat emoties bestaan ​​voor het doel van de openbaring en verbinding met anderen, zijn zij in de sfeer van het geopenbaarde, zelfs als ze nog niet zichtbaar zijn.

 Omgekeerd, omdat het intellect zelf georiënteerd is, blijft het verborgen zelfs wanneer het technisch is geopenbaard en duidelijk is gemaakt want men openbaart nooit en te nimmer de essentie van iemands intellect aan een ander persoon, alleen een secundaire manifestatie van het intellect zelf. Het is als een bijkomstigheid (in tegenstelling tot de emoties waarvan openbaring het uiteindelijk doel is).

 Bovendien, het feit dat het intellect inherent is aan zelf oriëntatie dus boven de wisselwerking met anderen staat refereert niet alleen aan anderen die buiten de persoon staan, het verwijst ook naar de “anderen” in zichzelf.

Om werkelijk een concept te kunnen overdenken, moet iemand al zijn “andere” geestvermogens tot zwijgen brengen (zelfs het verlangen om het concept te begrijpen). Want aangezien zij “anderen” zijn in relatie tot het intellect, interfereren zij het intellectuele proces (net zoals wezenlijk “anderen” hem zouden storen). Wanneer hij eenmaal het concept beheerst, blijft zijn begrip ervan geïsoleerd en verborgen voor de rest van zijn wezen, zelfs zodanig dat zijn functioneren in tegenstelling staat tot de conclusies van zijn intellect. Het feit dat het intellect gewoonlijk emoties teweeg brengt en iemands gedrag beïnvloed is vanwege de bijkomende werking van het intellect, niet vanwege de functie van het intellect.

 Het intellect behoort tot de sfeer van verborgenheid, zelfs in verhouding met de rest van de persoon.

 Dus ” de Tabernakel “, de geopenbaarde Tabernakel, verwijst naar de dienst aan God, met betrekking tot de emoties, het hart, het rijk van het geopenbaarde. “Tabernakel der getuigenis” verwijst naar de dienst aan God, met betrekking tot het intellect, de sfeer van het verborgene.

 SHABBAT SHALOM