Parashat Ki Tiessá

Wanneer je opneemt (Exodus 30:11 – 34:35)

RABBI JIZCHAK LURIA

VAN DE GESCHRIFTEN VAN DE ARI

Een van de onderwerpen waar over gesproken wordt in de Parasha van deze week, gaat over de preparatie van de speciale olie die werd gebruikt in het Tabernakel en de Tempel voor het zalven van de Tempelvoorwerpen en de priesters. De ingrediënten voor dit mengsel waren “uitgelezen specerijen en kruiden: vijfhonderd shekel (een bepaald gewicht) uitgedropen myrrhehars, geurige kaneel, de helft daarvan, tweehonderd vijftig en specerijriet tweehonderd vijftig en kassia, vijfhonderd volgens de shekel van het Heiligdom, ook nog een hien olijfolie. (Exodus. 30:23,24) De hoeveelheid myrrhe en kaneel die werd gebruikt in de vermenging waren uit het zelfde gewicht van vijfhonderd, maar de kaneel moest worden uitgewogen op dat moment van de helft, van het gewicht van tweehonderd vijftig.

De mystieke betekenis van de zalvingolie is als volgt: Zoals we weten werd er vijfhonderd shekel pure myrrhe gebruikt, en het werd op dat moment gewogen. Vijfhonderd shekel geurige kaneel werd eveneens gebruikt, maar werd gewogen per tweehonderd vijftig shekel, zoals de tekst zegt. Echter alleen van kassia werd tweehonderd vijftig shekel gebruikt.

De reden voor dit alles is, dat alle specerijen manifestaties zijn van de G’ddelijk naam Elo-hiem, en zoals we behoren te weten, er zijn drie [taalgebruiken van] Elo-hiem: soms geeft het de sefira van bina aan, in andere gelegenheden de sefira van gevoera, en in weer andere momenten de sefira van malchoet.

De Bijbel gebruikt vele namen voor G’D. Dit is omdat elke naam een verwijzing is naar G’D als Hij zichzelf manifesteert door een specifieke eigenschap. Deze eigenschappen worden in Kabbala Sefirot genoemd; elke sefira is geassocieerd met een specifieke naam van G’D.

In het algemeen kan de naam Elo-hiem naast de naam Havayah worden geplaatst en wordt beschouwd als een structuur door welke Havayah wordt weergegeven. Zodoende is er geschreven: “Want zoals de zon en zijn schild, zijn Havayah [en] Elo-hiem”. (Psalm 84:12) In elk van de drie gevallen die hier worden genoemd, handelt de sefira met welke naam Elo-hiem wordt geïdentificeerd, als een secondair, en verkrijgt aanvulling van en naar andere sefira. Bina is de tweede sefira van het intellect, welke ontwikkelt en focust, de intense maar kortstondig flits van inzicht, welke chochma is, de eerste sefira van het intellect. Alhoewel het een zelfstandig vermogen is van de ziel, handelt het volgens het materiaal waar het in wordt voorzien door chochma.

Idem, gevoera is de tweede sefira van de emoties, welke de intensiteit van de eerste sefira van de emotie, chesed, limiteert. Hier opnieuw, gevoera is een zelfstandig vermogen, maar zijn functie is om te reageren op het handelen van chesed.

Uiteindelijk is malchoet het voertuig door welke de emoties tezamen zichzelf uitdrukken. Dus ondanks dat het ook een zelfstandig vermogen is van de ziel, dient het om de inhoudelijkheid van de emoties die het verkrijgt, uit te drukken. We zien dus dat in elke toestand deze sefirot fungeren en handelen als dragers, of filters voor anderen, meer “bijdragende sefirot”, en deze gemeenschappelijkheid is de basis voor het geassocieerd zijn met de naam Elo-hiem.

SHABBAT SHALOM

POERIEM-LOTENFEEST

DE KRACHT VAN MORDECHAI EN ESTER KOMT VOORT UIT HUN GELIJKWAARDIGE WAARDEN

 “Maar dit alles heeft voor mij geen waarde [letterlijk, ‘gelijke, weerga], iedere keer als ik die Jood Mordechai daar in die poort die poort zie zitten.” (Ester. 5:13)

 In het bovenstaande vers uit de kwaadaardige Haman zijn frustratie over de weigering van de rechtvaardige Mordechai, leider van de Joodse Natie, om voor hem te buigen. In een eerste lezing van het vers, lijkt “dit alles” te refereren aan zijn rijkdom, zonen en de recente verleende eer aan hem [Haman]. Aangezien al deze feiten reeds expliciet zijn genoemd, lijkt de uitspraak overbodig. De afwijking op de eerste lezing van “dit alles” krijgt betekenis door de esoterische blootlegging van de onderliggende rivaliteit tussen goed en kwaad die wordt uitgelegd in de Rol van Ester door de grote 17e eeuwse Kabbalist, Rabbi Shimon van Ostropole.

Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de woorden “dit alles” [in het Hebreeuws. “kol zé”] overbodig zijn, en zou het voldoende zijn geweest om te schrijven “Het is niet waardig aan mij hoe dan ook”, verwijzend naar al de prestige van [Haman] ten aanzien van het Licht [ en zijn ergernis veroorzaakt door standvastige rechtschapenheid] van Mordechai de Jood. 

Om de diepte te begrijpen kijken we naar wat de Kabbalisten leren,namelijk dat Mordechai en Ester de G’ddelijke Naam, Havayah manifesteren, omdat de “kleine” numerieke waarde van “Mordechai” 13 is en dat van “Ester” 13 [met andere woorden, Mordechai en Ester] twee keer is 26, de numerieke waarde van de G’ddelijke Naam, Havayah.

 De “kleine” numerieke waarde, of “mispar katan”, is een verkleinde ( vereenvoudigde) numerieke waarde door de getallen op te tellen, zoals beneden geïllustreerd:

 De standaard numerieke waarde van “Mordechai”, wordt gespeld: mem (=40), reish (=200), dalet (=4), kaf (=20), yoed (=10) is 274.

2+7+4, de “kleine” numerieke waarde, is13.

De standaard numerieke waarde van “Ester”: wordt gespeld alef (=1), samech (=60), taf (=400), reish (=200) is 661.

 6+6+1, de “kleine” numerieke waarde, is13.

De standaard numerieke waarde van het Tetragrammaton (lettercombinatie) van de Naam Havayah: wordt gespeld yoed (=10), (=5), vav (=6), (=5) is 26.

Vanwege de overeenstemming in hun numerieke waarden, demonstreert de eenheid van Mordechai en Ester, zoals wordt geïllustreerd door hun respectievelijke “kleine” numerieke waarde (13+13=26) de kracht van het Tetragrammaton (26). Maar, zoals we zullen zien, is het niet alleen hun collectieve numerieke equivalentie tot de Naam Havayah  die significant is, maar ook de aard van hun gelijk zijn aan elkaar in waarde, waarin een diepgaande en G’ddelijke dynamiek binnen hun verwante verhouding wordt onthuld. 

 De “kleine” numerieke waarde van Haman en Zeresh [zijn vrouw] is ook 26, maar niet met de zelfde overeenkomstige aard zoals die van Mordechai en Ester. Dit omdat Haman gelijk staat aan 14 en Zeresh aan 12.

 De numerieke waarde van Haman, wordt gespeld (=5), mem (=40), noen (=50), is 95.

9+5, de “kleine” numerieke waarde, is14.

De numerieke waarde van Zeresh, wordt gespeld zayin (=7), reish (200), shin (300), 507

5+0+7, de “kleine” numerieke waarde, is 12.

De Kabbalisten leren dat als Haman en Zeresh gelijke “kleine” numerieke waarden zouden hebben, zoals dat van 13, bij Mordechai en Ester, geen aardse kracht hen zou kunnen overwinnen.

Het woord dit in “dit alles” in het bovengenoemde vers, wordt “dit” [in Hebreeuws, “zeh”), gespeld zayin (=7), (=5) en heeft de numerieke waarde van 12. En het is dit waaraan Haman refereerde toen hij zei, “Maar dit alles heeft voor mij geen waarde [letterlijk, ‘gelijke, weerga], betekenend dat al zijn tegenspoed en de uiteindelijke nederlaag een gevolg was van de “kleine” numerieke waarde van Zeres 12, het zelfde als van het Hebreeuwse woord “zeh”, of “dit”. “Dit, zeh, =12, verwijst naar zijn vrouw Zeresh: is niet gelijk aan mij, met andere woorden “Haman”, =14; is niet gelijk aan haar “kleine” numerieke waarde.

 Zoals wordt toegelicht in de klassieke teksten van Kabbala, ten aanzien van de verschillende types van spirituele eenwordingen tussen de masculiene en feminiene spirituele archetypen, is de meest “verhevene”, of “volwassene”, diegene waarin beide gelijk zijn in gestalte en een eenwording teweeg brengen bekend als “ aangezicht tot aangezicht”. Wellicht toont de binding tussen Mordechai en Ester, de meest verheven verhouding, namelijk die van gelijk respect voor elk van hun unieke rol, wat hun toestaat om te triomferen over hun tegenstanders, de krachten van chaos, ego en dominantie, als de wanverhouding geïllustreerd door Haman en Zeresh. 

“En dus zal Ik [Ester] de Koning benaderen.” (Ester. 4:16)

Rabbi Josef Gackon schrijft met betrekking tot de drie dagen van vasten van Ester, dat Ester’s drie dagen vasten de volgende Kabbalistische intentie had. Namelijk, dat drie dagen en nachten twee en zeventig uren bevat en “B’chem”, “dus”, in 4:16 numeriek tweeënzeventig ( letter en getalswaarde) correspondeert met de verheven 72 letter Naam van G’D aangeduid in de drie verzen die beginnen met, “Vayisa, “Vayavo”, “Vayet” Exodus. 14:19-20-21, die elk exact tweeënzeventig letters bevat. Het was met het vermogen van deze Naam dat G’D de Rode Zee spleet en de Israëlieten liet doortrekken en Hij hen leidde in Zijn Bescherming en zij geen vrees hadden voor de vijand.

VROLIJKE POERIEM

 

 

PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden    Exodus.27:20 – 30:10

Puur Goud op Zijn Voorhoofd

Wanneer Joden met choetzpah kijken naar de voorhoofdsplaat van de Hoge Priester, breken hun harten en onderzoeken zij hun daden.

Zohar Vayakhel 218

“En je zult een Tzitz [voorhoofdsplaquette] maken van puur goud en daarin graveren, (zoals men zegels graveert): ‘Gewijd aan G’D’ “. (Exodus. 28:36)

Kom en Zie, er wordt gezegd dat al degenen zonder schaamte, geen aandeel hebben in de Komende Wereld. Als de schaamtelozen in Israël, kijken naar de plaat, breken hun harten en zullen zij hun daden onderzoeken. Aangezien de plaat verzoening voor onbeschaamdheid bracht, omdat het is gebaseerd op een letter en ieder die er naar keek schaamde zich voor wat hij had gedaan.

 De letters van de mysterieuze Heilige Naam, die waren ingegraveerd op de plaat, schenen met schitterend licht. Ieder die keek naar de uitstraling van de letters, overviel een panische angst en een brekend hart. 

 De Tzitz werkt meer op de werking van schamen dan het teweeg brengen van een schuldgevoel. Het bewerkstelligt een publieke weerspiegeling van iemands handelen waardoor men zich schaamde voor wat zij deden. We zouden meer gevoel van schaamte moeten ontwikkelen. Want het schuldig voelen maakt ons terughoudend maar schaamte houdt ons gericht op de toekomst en dichter tot de Meester, in de woorden van de Zohar.

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing         Exodus. 25:1 – 27:19

Eenheid Door Thora

De Tafelen van het Verbond illustreren Onze Connectie Met Het G’ddelijke

 Likoeté Sichot, vol. 6, p. 156.

Het hoogste niveau van bewustzijn van het G’ddelijke, is de totale eenheid met G’D en wordt belichaamd in de innerlijke kamer van de Tabernakel/Tempel en de Ark van het Verbond, zoals wordt besproken in Thoralezing van deze week.

De Ark behuisde de Tafelen van het Verbond, waarop de Tien Geboden waren ingegraveerd, die de gehele Thora omvatten. Een Thora rol werd toegevoegd, liggend op een plank, die uitstak over de gehele zijde van Ark. Dit leert ons dat iemand deze hoogte van intense eenheid met G’D alleen kan bereiken door Thorastudie. Meer specifiek uitgedrukt, het is de studie van de innerlijke dimensie van de Thora: Kabbala en Chassidoet, die iemand in staat stelt om dit niveau van bewustzijn te bereiken.

Het aspect van eenheid van de Thora wordt aangeduid door de twee Ingegraveerde Tafelen. Wanneer woorden worden geschreven op iets, bijvoorbeeld perkament, zijn de inkt en het perkament toch twee gescheiden entiteiten; de inkt kan worden afgeschrapt. In een gravering daarentegen, is een intense intrinsieke eenheid: het woord en het medium zijn een en dezelfde.

 Om deze reden wordt de innerlijke dimensie van de Thora “de Boom van het Leven” genoemd (“leven” betekent onderdompelen in het bewustzijn van G’D); (zie intro. Biuré HaZohar), terwijl de algemeen toegankelijke kant van de Thora, als het wordt bestudeerd puur voor egocentrische belangen, een elixer kan worden voor dood, (Yoma 72b) “dood” betekent onderdompeling in het bewustzijn van het eigen ik.

Dit is verder aangeduid door het feit dat de Tafelen konden worden gelezen aan beiden zijden; zij hadden geen “achterkant”. (zie Tanya, Koentres Acharon 161a) In de beeldspraak van Kabbala, beduidt de achterkant van een entiteit, het open staan voor aanval of een blootgesteld worden aan afbrokkeling, val of ondergang.

Eenmaal geëngageerd in studie van de innerlijke dimensie van Thora, kan de rest van de Thora ook worden doordrongen van eenwording met G’D. Dit wordt eveneens aangeduid door de aanwezigheid van de Thora Rol (die het toegankelijke aspect van de Thora aangeeft) in de binnenste kamer, het Heilige der Heilige, Kodéch Kodéshiem.

De Ark bevatte zowel de eerste als het tweede paar Tafelen. De eerste tafelen representeren de Jood in zijn pure oorspronkelijke staat aan de Sinai, voor het begaan van de zonde van het Gouden Kalf.

Het tweede paar Tafelen, die gegeven werden op Jom Kippoer nadat de Joden werden vergeven voor hun zonde, representeert de afgedwaalde Jood die terugkeert naar de Ark van de Thora. Er is ook een derde Jood, die de zuiverheid van de eerste Tafelen mist, die niet voldoende is teruggekeerd op de weg van de Thora om de tweede tabletten te verdienen. Hij wordt vertegenwoordigd in de Ark, in de gebroken delen van de eerste tafelen. Zelfs wanneer we worden gebroken en versplinterd zijn we waardig voor een plaats in de Ark.

SHABBAT SHALOM                 

PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsvoorschriften         Exodus. 21:1 – 24:18

 Een Uitvloeisel en Een Continuering Van de Openbaring Op De Sinaï

Dat aanvangt met het vers: ”En dit zijn de rechtsvoorschriften,” ( ex 21:1)

Door te zeggen: “Dit complementeert het voorafgaande,” geven onze Geleerden impliciet aan dat de mishpatiem( rechtsvoorschriften) waren gegeven op de Berg Sinai als een vervolg en een uitvloeisel van de Tien Geboden. De Tien Geboden representeren een verbinding van mitzwot van beide uitersten van het spirituele spectrum. De eerste mitzwot drukken de diepste concepten van G’ddelijke eenheid uit, terwijl de laatstgenoemde zoals “ Moord niet” en “Steel niet”, (Exodus. 20:13) de basis zijn voor ( rechterlijke) uitspraken die zelfs kunnen worden begrepen door onontwikkelde stervelingen. Deze verbinding beklemtoont dat door de juiste inachtneming van “Moord niet” en “Steel niet”, het bewustzijn ontstaat dat zij ook G’D’s opdrachten zijn, met andere woorden, deze opdrachten hebben een G’ddelijke status immers zij werden gedicteerd door de Zelfde die verklaarde “Ik ben G’D, jullie G’D.” (Exodus. 20:2). Als zodanig moeten zij niet in acht worden genomen omdat zij zinvol zijn, maar ook omdat zij waren gegeven door G’D.  

 Dit wordt benadrukt door de eerste interpretatie van lifnéhem,(voor hen: ex 21:1) dat vertrouwen verbiedt in niet joodse rechtbanken, zelfs wanneer hun beslissingen overeenstemmen met een uitspraak van een gerechtshof gebaseerd op Thora.  Want hun beslissingen zijn niet geassocieerd met de openbaring van “Ik ben G’D, jullie G’D.” De uitspraken van niet joodse rechtbanken zijn niet gebaseerd op Thora, met andere woorden, op het G’ddelijk Recht. Om die reden is het aan ons verboden om ze elders na te streven, want elk facet en dimensie van het leven van een jood moet worden geleid door Thora.

Bovenstaande relateert aan de Alter Rebbe’s interpretatie van lifnéhem ( voor hen) als een verwijzing naar de innerlijke dimensie van de ziel. Dit houdt in: de intentie van studie en het in praktijk brengen van mishpatiem moet gemotiveerd worden niet alleen door het intellect van een sterfelijke, maar eerder door de innerlijke diepte van de ziel, dat is door studie en het in praktijk brengen van choekiem.

 De mitzwot ( voorschriften of geboden) van de Thora zijn verdeeld in drie categorieën: choekiem,édoet en mishpatiem. Deze drie categorieën reflecteren de verschillende maten van een afzonderlijke mitzwa ( gebod) en kan worden doorgrond door onze rede en logica. 

 Van de miztwot beschreven als choekiem kan de grondgedachte niet worden begrepen door de rede. Ze worden in acht genomen omdat G’D het wil. Ze zijn, zoals de Midrash Bamidbar Rabbah, Choekat, 19:8. aangeeft, “statuten die IK heb bepaald, decreten die Ik heb uitgevaardigd”, om nageleefd te worden ondanks het feit dat iemand ze niet begrijpt.

 Édoet daarentegen zijn mitzwot  die rationeel kan worden opgevat. Had de Thora deze “voor hen” niet opgelegd, dan zouden we deze voorschriften niet kunnen voorstellen op basis van ons eigen logica. Vanwege de gegeven opdrachten van Thora, kunnen we ze rationeel begrijpen.

 Mishpatiem representeren de categorie van mitzwot die zelfs door gezond verstand of redeneren kunnen worden bedacht en geaccepteerd maar ze moeten wel worden uitgevoerd.  Zo zeggen onze geleerden in Eruvin 100b, “ de Hemel verhoede, als de Thora niet was gegeven, zouden we bescheidenheid hebben kunnen leren van een kat en het verbod om te stelen van een mier.” Zonder de Thorageboden, zou ons eigen verstand dit type van mitzwa accepteren.    

 Dus rijst de vraag: Waarom is ten aanzien van mishpatiem met al zijn interpretaties dat de Thora het concept van lifnéhem ( voor hen) vermeld? Waarom zijn deze lessen nauwer geassocieerd met mishpatiem dan met édoet en choekiem?

 Een verklaring kan worden gegeven op basis van de eerste interpretatie van lifnéhem

 Want alleen ten aanzien van mishpatiem is het mogelijk voor niet joodse rechters om uitspraak te doen op dezelfde manier als Joden. Ten aanzien van édoet, en zeker ten aanzien van choekiem, is er noodzaak om van tevoren te waarschuwen niet joodse rechters te benaderen, want het is voorde hand liggend dat deze mensen geen begrip hebben voor de aspecten van G’ddelijke openbaring. Hun uitspraken hebben geen connectie met de onderwerpen die boven het menselijke intellect uitreiken. Maar aangezien mishpatiem zaken betreffen die vallen binnen het bereik van het menselijk verstand, is het mogelijk dat niet joden zullen bepalen op de wijze van de Thora voorschriften. Daarom is het nodig te zeggen dat een Jood al zijn meningsverschillen aan een Joodse gerecht moet voorleggen.

 SHABBAT SHALOM   

PARASHAT JITRO

Jitro      Exodus. 18:1 – 20:23

Wij zijn allen bekeerlingen

 Het is gepast dat de parasha, waarin het “Geven van De Thora” op de Berg Sinai  wordt verhaald, is genoemd naar Jitro, de schoonvader van Mozes, een bekeerling.  Al diegenen die getuigen waren van het “Geven van de Thora” waren “bekeerlingen”. Dus, zoals aangetekend in het commentaar op Parashat Shemot, het Verbond op de Sinai werd ondersteund door drie elementen van bekering: de Besnijdenis (Rashi op Exodus.12:6),de rituele onderdompeling in het water van het Mikwe (Exodus. 19:10) en de brandoffers (Exodus. 24:5). Want voor G’D zijn we allen bekeerlingen, Geriem, “bewoners” van een land en van een wereld die niet de onze is, maar van G’D. We zijn allen hier alleen bij de gratie van G’D, volkomen afhankelijk van Zijn Goedheid en Betrokkenheid.

Dus niemand kan rechtmatig beweren dat de Thora hem toebehoort hetzij voorvaderlijk of vanwege andere waarden. Er is geen ruimte voor trots, arrogantie of exploitatie van de Thora voor werelds belang en profijt. De Thora is niet het eigendom van een exclusieve kaste. De Thora “behoort” alleen aan degenen die haar naleeft. De Thora was gegeven in de Wildernis, in niemandsland, op de laagste berg, de Sinai, het eeuwige symbool van nederigheid. Want alleen in nederigheid kunnen we de Thora “ontvangen” en accepteren, die alleen G’D toebehoort. De Thora ontvangen betekent dat de mensheid heeft te accepteren hoe de Thora is zoals zij is, de wijze zoals zij tot ons is gekomen, zonder te proberen haar te “wijzigen” volgens onze eigen ideeën en wensen. 

En als we bereid zijn de Thora te accepteren en te volgen zoals ze werkelijk is, volgens de verwezenlijking van Na’aseh Ve’nishmah, “we zullen het (eerst) doen en (dan) horen (en het begrijpen)” (Exodus.24:7), dan kunnen we gaan begrijpen hoe de Thora ons verheft boven onze slavernij van het aards gebonden zijn, met zijn vele bedrieglijke goden. Dan kunnen we de stem van verlossing horen die ons elke dag roept: “Ik ben Ha Shem, je G’D, die je uit het Land Egypte heeft gevoerd, uit het slavenhuis.” (Exodus. 20:2)

 Slavernij ten opzichte van de afgoden van de aardse wereld is schandelijk. Maar de Thora verleent de grootste mogelijke eer aan diegene die de moed hebben om deze onderworpenheid te verlaten en achter zich te laten en “uit te gaan in de wildernis” op zoek naar G’D, zoals Jitro. Volgens de overgeleverde traditie, had Jitro elke mogelijke manier van opvatting en leven in deze wereld onderzocht, elke wereldse zienswijze en “lifestyle”. Alleen toen Jitro kwam tot Ha Shem en Zijn Thora besefte hij dat hij waarheid had gevonden. “Nu weet ik dat HaShem Groot en boven alle goden is” (Exodus. 18:11). De Zohar becommentarieert: “Toen Jitro kwam en zei “Nu dat ik weet dat HaShem groot is” werd de Verheven Naam geloofd en verheven” (Zohar JItro.69). Met andere woorden, de openbaring van G’D’s Licht en macht is het grootst wanneer het juist komt uit duisternis en verborgenheid. Alleen wanneer we kwaad hebben gezien en zijn kracht beseffen kunnen we de grootheid van G’D’s  verlossende Hand begrijpen. Alleen iemand die een ware slaaf was begrijpt wat het betekent om te worden bevrijd. Dit is “de superioriteit van het licht dat komt uit de duisternis”. (Prediker. 2:13)

 Dus Jitro de bekeerling was de eer verleend de Parasha van het “Geven van de Thora”, (genoemd naar hem) te beschrijven en een bijdrage te leveren aan het hiërarchische systeem van “ hoofden van duizenden, hoofden van honderden, hoofden van vijftigen en hoofden van tientallen” waardoor de Kinderen van Israël werden bestuurd.

Jitro’s naam bevat eveneens een verwijzing naar de naam van een ander bescheiden bekeerling die grote eer werd verleend: Roet de Moabitische, die de over, overgrootmoeder was van Koning David, Melech HaMashiach.

SHABBAT SHALOM         

     

 

PARASHAT BESHALACH

En hij had laten gaan

Exodus.13:17 – 17:16

 72 ‘NAMEN’ VAN G’D

 Drie verzen van 72 letters elk, verwijzen opeenvolgend naar de G’ddelijke eigenschappen van Chesed, Gevoera en Tiferet.

 De drie achtereenvolgende verzen van Exodus 14:19-21 bevatten elk 72 letters, een ongetwijfeld raar fenomeen. De letters van deze drie verzen kunnen gerangschikt worden als 72 reeksen van 3 letters ( triplets). Maar Kabbala leert dat als we de orde van de letters in de middelste zetting omkeren, de 72 triplets 72  “Namen” van G’D worden. In het onderstaande schema worden deze namen weergegeven.

In de vertelling van de Uittocht van Egypte, beschrijven deze drie opeenvolgende verzen G’D’s zichtbare macht vlak voordat Hij de Riet zee (Rode zee) spleet, waardoor het Joodse Volk op droge grond door de zee kon lopen.

En de engel van G’D, die het kamp van Israël voor was gegaan, trok nu weg van daar en ging achter hen aan en de wolkzuil vertrok van voorop van hen en stond nu achter hen. Dus de wolkzuil kwam tussen het kamp van Egypte en het kamp van Israël, maakte daar bewolking en duisternis [bij de Egyptenaren, maar gaf licht in de nacht [bij de Israëlieten], zodat de één niet bij de andere kon komen, heel de nacht. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en G’D dreef de zee terug met een sterke aanhoudende oostenwind de hele nacht, waardoor Hij in de zee een droge land strook liet ontstaan, dus het water was gescheiden.” (Exodus. 14:19-21 )

Een naam is een middel of een duiding waarmee iemand bekend wordt aan anderen.

In het Hebreeuws bevatten deze drie verzen elk 72 letters. In de Zohar  II:51b wordt aangegeven dat deze drie verzen opeenvolgend refereren aan de G’ddelijke eigenschappen van Chessed, Gevoera en Tiferet. De harmonieuze vermenging van deze drie emotieve grondeigenschappen vormen de basis van het referentie kader van hoe G’D relateert aan de wereld. Zij vormen samen een compositie van G’D’s Naam, aangezien een naam een middel is of een duiding waarmee iemand bekend wordt aan anderen, met andere woorden, het manifesteert zijn eigenschappen.

Het feit dat elk vers 72 letters bevat betekent dat zij op één lijn liggen, en 72 triplets van letters vormen. In deze configuratie stelt de Zohar, dat het eerste vers wordt geschreven in de juiste volgorde, aangezien het G’D’s liefdevolle barmhartigheid representeert, of een directe openbaring van G’D’s goedheid. Het tweede vers wordt geschreven in omgekeerde volgorde, van de laatste letter naar de eerste, aangezien het G’D’s strengheid representeert, wat een indirecte openbaring is van Zijn goedheid.

Hoewel Tiferet een mengeling is van Chessed en Gevoera, is het derde vers niet geschreven in half juist en half in omgekeerde orde, zoals men zou verwachten. Dit heeft twee redenen: (1) in Tiferet domineert Chessed over Gevoera, en (2) als een ideale mengeling van Chessed en Gevoera, is Tiferet een directe openbaring van G’D’s goedheid en glorie, in plaats van een indirecte.

 SHABBAT SHALOM    

PARASHAT BO

Kom                    Exodus. 10:1 – 13:16

 Kabbala en de Kalender

Rabbi Jitzchak Luria

In deze Thoralezing van de week sprak G’D tot Mozes:

 “Deze maanvernieuwing geeft voor jullie de aanvang van de maanden van het jaar aan. De eerste van de maanden van het jaar zal zij voor jullie zijn” (Exodus. 12:2)

 Aangezien deze mededeling twee weken voor de Uittocht gebeurde (Ibid. 12:6), stelt dit vers dat de maand van de Uittocht, Nissan, moet worden geteld als de eerste van de twaalf maanden. Dus dit vers vestigt de basis van de Joodse Kalender:

“[G’D] liet [Mozes] de nieuwe maan zien en zei, Wanneer je de maanvernieuwing ziet, zoals nu, beschouw die dag als de eerste van de maand.∫” (Rashi op Exodus. 12:2)

Voorts, moet Nissan altijd vallen in het voorjaar. (Rashi op Deuteronomium. 16:1)

Aangezien de Joodse kalender is gebaseerd op maanmaanden,(daarom heeft elke maand een aantal van 30 dagen) is het noodzakelijk een schrikkelmaand in te voeren wanneer het maandjaar geen gelijke tred houdt met het zonnejaar[1].

Weet dat alle maanden manifestaties zijn van Malchoet, met andere woorden, Noekva van Zeir Anpin. Er zijn twee aspecten ten aanzien van deze relatie: de eerste is de wijze waarop Malchoet innerlijk relateert aan de maanden en de tweede is de wijze uit hoofde van de relatie met de mannelijke Partzoef, Zeir Anpin.

De Joodse Kalender is, zoals we al zeiden, een maankalender en de maan is één van de fysieke manifestaties van het vrouwelijke principe, Noekva van Zeir Anpin. De maan reflecteert het licht van de zon, net zoals Noekva haar inspiraties ontvangt van Zeir Anpin. Doorgaans wordt Zeir Anpin geassocieerd met de drie dimensies van ruimte [de zes Sefirot waaruit het is opgebouwd, correspondeert met het begrip van de zes richtingen] en Noekva wordt geassocieerd met het begrip tijd.

De verhouding tussen Malchoet en de maanden vangt aan met de maand van Nissan. Weet nu, dat alle maanden “Rosh Chodesh” worden genoemd “hoofd maanden”, omdat ze allen op een bepaalde wijze een begin zijn.

SHABBAT SHALOM        

[1] In het Jodendom hanteert men de maankalender. Een ‘synodische’ maand duurt ca. 29,5 dagen waarbij de ene maand 29 en de andere maand weer 30 dagen duurt. Omdat er 12 joodse maanden zijn komt men hierdoor uit op 354 dagen oftewel men loopt 11 dagen achter op de zonnekalender met 365 dagen.

Dit lost men op door een schrikkelmaand in te voegen. De naam van de schrikkelmaand is tweede adar of kortweg adar 2.  Deze indeling begint zodoende in het voorjaar:

  1. nisan      valt in maart/april
  2. ijar-           valt in april/ mei
  3. siwan      valt in mei/ juni
  4. tammoez  valt in juni /juli
  5. Av             valt in juli/ aug.
  6. eloel         valt in aug/ sept.
  7. tisjri         valt in sept/okt.
  8. chesjwan  valt in okt/nov.
  9. kislev     valt in nov./dec
  10. tewet       valt in dec/jan
  11. sjevat       valt in jan/feb
  12. adar          valt in feb/mrt
  13. 13   adar 2       valt in mrt/ april in schrikkeljaren

PARASHAT WA’ERÁ

Ik ben verschenen      Exodus. 6:2 – 9:35

Exodus: Weten Is Verlaten

Ware Verlossing Is Een Uittocht Van Een Beperkt Bewustzijn.

Rabbi Shimon bar Jochai

Deze vertaling is van “Raya MeHemna”, in één van de sub teksten van de Zohar p. 25a, waar Rebbe Shimon de innerlijke betekenis leert van de mitzwot zoals aan hem is geopenbaard. De oprechte meditatieve intentie van iemand bij het uitvoeren van een mitzwa, heeft een enorme esoterische waarde. Het doel van het leren van deze onthullingen is om de heilige Shechina te ondersteunen en te verfraaien in haar verbanning. Dit brengt de eindverlossing dichterbij en de uiteindelijke openbaring dat G’D één is. De analyse is van één van de 13 interpretatieregels van de Thora: “Uit de algemene hoofdregel ontstaat een afzonderlijke bijzondere regel”       

 “Ik zal jullie als volk voor Mij nemen en Ik zal G’D voor jullie zijn, en jullie zullen weten dat Ik het ben, de Eeuwige, jullie G’D, die jullie uit de onderdrukking van Egypte wegvoert.” (Exodus. 6:7)

 Deze opdracht, weten dat Ik het ben, de Eeuwige, jullie G’D, is de eerste van alle opdrachten.

 De kennis van G’D in dit vers bestaat uit twee categorieën. De eerste betreft het algemene begrip dat er maar één G’ddelijke macht is die de wereld leidt. De tweede betreft de bewustwording, het besef en begrip, dat deze Supervisie en Invloed zich manifesteert tot in de kleinste afzonderlijke eenheden van deze wereld.

 Het begin van elke mitzwa is kennen van G’D in Zijn algemeenheid. Wat is deze algemeenheid? Het is het weten dat er een heersende macht is boven, die de Meester van de wereld is. Hij creëerde alle werelden, Arziloet, Beriya, Yetzira en Asiya, de hemelen en de aarde en al hun krachten. Deze kennis van Hem omvat in het algemeen zes aspecten:

 

  • Het erkennen, aannemen van deze realiteit.
  • Een heersende macht die alle krachten van het universum leidt.
  • Boven al het logisch denken uitstijgt.
  • Meester van alle werelden, Die hen niet overlaat aan secondaire controlerende krachten maar werkt in alle werelden.
  • Schepper van alle werelden, ex nihilo: vanuit het niets tot iets.
  • Het aannemen dat deze krachten in de Schepping werken en niet op een of andere manier zichzelf ondersteunen of op zichzelf staan en existeren.

 Deze zes punten vormen de aanvang van een waar begrip van G’D in het algemeen.

 Het doel van al deze kennis en begrip ligt in het bijzondere, Hem leren kennen in intieme afzonderlijke details.

 Dit is de inhoudelijke innerlijke essentie van het G’ddelijke Aanwezige in elke specifieke Sefirot door middel van Zijn delegeren van Zijn macht in de werelden en de verborgenheden van de Schepping.

Het algemene en het specifieke in het bijzonder zijn het begin [Atziloet] en het eind [Asiya], het geheim van het mannelijke en het vrouwelijke [positieve en negatieve] in de rol van een eenheid. Zo zien we dat een persoon in deze wereld begaan is met het algemene en het bijzondere [om te komen tot het besef van G’D]. In deze wereld bestaat een persoon uit het algemene en bijzondere [Algemeen existeert hij\ zij als een fysiek lichaam]. Hij heeft de mens gemaakt uit de grond der aarde en blies adem in onze neusvleugels als de ziel van leven.

Het Hebreeuwse woord voor “mens” is “adam”; het woord voor “aarde” is “adama”; het woord voor “adem” is “neshima”; het woord voor “ziel” is “neshama”. De handeling van ademen geeft leven aan het lichaam, dat de ziel in zich draagt, afkomstig uit de oorspronkelijke adem van G’D in de eerste mens. In het Hebreeuws hebben de woorden voor “mens” en “ziel” duidelijk betrekking op deze begrippen. Dit is een van de redenen waarom het Hebreeuws de Heilige Tong of Heilige Spraak wordt genoemd, omdat de letters en woorden G’ddelijke verborgen kennis weergeven.

Dit is de reden voor het begin van alles: het weten dat er een supervisor en rechter is in deze wereld en dat Hij de meester van alle werelden is.

Toen het Volk van Israël Egypte verliet kenden zij G’D niet.

 De diepste ballingschap is het niet weten van de existentie van G’D, in het algemeen of in het bijzonder. Egypte was de essentie van alle ballingschappen en dit gebrek aan kennis van G’D was het donkerste aspect van de verbanning. Daarom herinneren we ons constant aan het verlaten van Egypte, omdat dat de essentie is van de worsteling in ons eigen leven, de duisternis te verlaten en G’D te kennen.

 Toen Mozes kwam om hen, het Joodse Volk, te verlossen, was dit het eerste gebod dat hij hen leerde zoals staat geschreven: “En jullie zullen weten dat Ik het ben, de Eeuwige, jullie G’D, die jullie uit de onderdrukking van Egypte wegvoert [in de tegenwoordige tijd!].” (Exodus. 6:7)

 Het woord voor Egypte in het Hebreeuws “Mitzrajiem” is verwant aan het woord “maytzariem”, dat betekent “beperking of begrenzing”. Het eerste gebod in het verlaten van beperkingen en begrenzingen is het erkennen en inzien van het G’ddelijke.

Zonder dit gebod, zou Israël niet hebben geloofd in al de wonderen en machtige daden die voor hen werden gedaan in Egypte. Vanwege het begrijpen in het algemeen, werden tekenen en wonderen gedaan voor hen in het bijzonder.

 Vanuit  bovenstaande uitleg kan een persoon concluderen dat hij moet begrijpen en vertrouwen op Hem die ingrijpt in de geschiedenis en de geschiedenis beheerst, om de wonderen in relatie tot verlossing van ballingschap, te verkrijgen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMOT

Namen                  Exodus.1:1 – 6:1

De Geboorte Van De Ziel

Rabbi Jitzchak Luria

Sefer Halikoetiem

Egypte staat symbool voor de baarmoeder die de collectieve Joodse Ziel voortbrengt op het pad naar volwassen groei.

Deze parasha  begint met de woorden:

En dit zijn de namen van de zonen van Israël komend naar Egypte, met Jacob, iedere man kwam en zijn huisgezin. (Exodus. 1:1)

 Aangezien er zeventig facetten zijn ten aanzien van de Thora, een van deze woordelijke aanwijzingen heet in het Hebreeuws “remez”, zullen we dit vers op die wijze uiteenzetten. De afdaling van de Israëlieten naar Egypte verwijst naar de embryonale staat van de ziel in bepaalde omstandigheden in de moederschoot.    

Net zoals een lichaam vele botten en spieren en zenuwen heeft zo zijn overeenkomstig het aantal,de vermogens van de ziel verdeeld.

Het Hebreeuwse woord voor “Egypte”, “Mitzrayim”, betekent letterlijk “moeilijke omstandigheden” of “ begrenzing”, of “omheining”. Het is daarom een allegorie voor de beperking van de ziel als het zijn natuurlijke hemelse milieu verlaat en neerdaalt in de beperkingen van het fysieke, waar het een gedwongen realiteit ervaart binnen de parameter van tijd en ruimte.

 Met deze informatie kunnen wij de zin “En dit zijn de namen van de zonen van Israël” interpreteren als verwijzing naar de vermogens van de ziel, want juist zoals het lichaam botten en spieren en zenuwen heeft, heeft de ziel deze wezenlijke vermogens in de vorm van “komend naar Egypte”.

 Als we “Israël ” nemen om te refereren aan de ziel zelf, zijn de “zonen van Israël” de verlengingen van de ziel, haar intellectuele en emotionele vermogens. De ziel, of althans dat deel ervan dat wordt gekleed in het lichaam, wordt ontvangen als zijnde perfect aangepast aan het lichaam.

“……met Jacob verwijst naar het feit dat zij het kind binnengaan [intellectuele en emotionele vermogens], wanneer het kind zich nog in de baarmoeder bevindt, “met Jacob”, die de Yetzer Tov, de goede inclinatie.

Ergens anders wordt verklaard (Sanhedrin 91b) dat het kind wordt geboren alleen met de Kwade Inclinatie en de Goede Inclinatie wordt toegevoegd bij de aanvang van de besnijding (of bij geboorte, in het geval van een meisje) en komt volledig tot ontplooiing komt bij bar (of bat) mizwah.

Het vers gaat verder “…..”komend”, in plaats van “die kwam”, [in de verleden tijd], omdat G’D “de ziel vormt in de mens” (Zachariah 12:2), zoals is uitgelegd in de Zohar (II:94b), dat betekent dat indien iemand meer en meer spiritueel volwassen wordt, des te meer zijn ziel zichtbaar wordt in hem.

De zielsvermogens doen hun intrede beetje bij beetje. Dit is de betekenis van het vers, “Hij vormt de menselijke ziel in hem”, implicerend dat hoe meer het embryo ontwikkelt en groeit, des te meer de ziel binnen kan komen. Ons vers zegt daarom “komend naar Egypte” [in de tegenwoordige tijd, daarmee geeft het aan het proces van voortdurend binnen gaan, want de zielsvermogens doen hun intrede beetje bij beetje. Daarna bij de geboorte, wanneer [het embryo] een persoon is geworden, met andere woorden, een volledig ontwikkeld lichaam, kan de Thora refereren aan “iedere man en zijn huis”, verwijzend naar het lichaam dat een “huis” is geworden voor de ziel.

Het volgende woord, “kwam” geeft aan dat bij geboorte alle zielsvermogens geheel in het lichaam zijn binnengetreden.

SHABBAT SHALOM