DE SIMANIEM: DE VIJFTIEN STAPPEN NAAR BEVRIJDING IN DE PESACH SEDER

DE OPEN POORT

 Pesach is niet slechts de viering van een gebeurtenis in het verleden. Het is een openingspoort naar spirituele bevrijding die zich elk jaar manifesteert, in elke generatie. Deze indrukwekkende dag nodigt ons uit om onszelf te bevrijden van verslaving, elke gehechtheid aan kleingeestige passies, emoties, instincten, en negatief geloof. Het mag moeilijk lijken of zelfs onmogelijk om vrij te zijn van gewoonten zoals depressie of boosheid. Hoe kunnen wij de poort van Pesach passeren naar een staat van grotere vrijheid.

 FASEN VAN BEVRIJDING

 De techniek van spirituele bevrijding reveleert drie noodzakelijke fasen: “hachna’ah, onderwerping, overgeven”, “havdalah, separatie”, en ten slotte “hamtaka, zoet maken, verzachten”. Om te worden bevrijd, moeten we ons eerst bewust worden van onze slavernij en zijn bitterheid proeven, zodat we ons kunnen ‘overgeven’ aan de roep van bevrijding. Ten tweede moeten we ‘separeren’ en onszelf losmaken van wat het dan ook is dat ons verstrikt. De derde fase is een herintegratie van ons verleden, waar we de bitterheid zoet maken en verzachten en alle negativiteit veranderen in heiligheid. Hoe verhouden deze drie fasen zich tot de Pesach Seder?

 ONDERWERPING

 De fase van “onderwerping” begint in feite al voor de Seder, met bedikas chametz, het zoeken naar gist en rijsmiddelen. “Chametz”, wat rijzing veroorzaakt, symboliseert arrogantie, ego, de bron van verslaving.

Behalve dat het woord bedika zoeken betekent, kan het ook gezien worden vanuit het stamwoord boka, ‘doordringen’. We moeten trachten de arrogantie uit elk onderdeel en alle hoeken van ons leven te verbannen, door erkenning van en rekening te houden met de wijze waarop we afhankelijk worden van negatieve toestanden van zijn of waarneming. Op deze manier staan we het Licht van Bevrijding toe om de duisternis van chametz te doordringen. Wanneer de letter Chet chametz binnendringt, wordt het een letter Hei, Hei en Chet zijn gelijkvormige letters, alleen in de Hei hangt het linkerbeen in de lucht en de letters van chametz kunnen dan opnieuw gerangschikt worden tot ‘matzah’, verwijzend naar het ongerezen brood van nederigheid. Voordat we echter het niveau van matzah kunnen bereiken, moeten we afstand doen en onze chametz vernietigen. We eten geen matzah totdat we zijn begonnen met het proces van de Seder zelf.

 VAN SEPARATIE NAAR VERZACHTING

 De Seder begint met de fase van “separatie” en verplaatst ons in de fase van “verzachting”. Dit proces van verwezenlijkingen van vrijheid, bestaat uit vijftien stappen, corresponderend met de bekende simaniem of gedeelten van de Seder, de simaniem worden toegeschreven aan Rashi (Machzor Vitri 65). Het getal vijftien wordt gerepresenteerd door de letters Joed en Hei, die een Naam van G’D vormen. Net zoals G’D ons in het verleden uit Egypte heeft geleid, zo zal G’D ons door de vijftien fasen van de Seder brengen, naar een nieuw niveau van vrijheid.

 1)    Kadeish

 Kadeish betekent ‘heilig, transcendent of afgezonderd’. De handeling van het doen van Kiddoesh over wijn, markeert de separatie tussen werelds bewustzijn van doordeweekse dagen en het transcendente bewustzijn van Jom Tov. We initiëren onze reis door onszelf te separeren en te verwijderen van onze comfortabele spirituele stagnatie.  

 2)    Urchatz       

 Als we eenmaal transcendentie  geproefd hebben, kunnen we onszelf reinigen. We wassen nu onze handen, echter we doen dit zonder een bracha te zeggen. De traditionele reden voor deze wassing is dat we op het punt staan om een groente te eten gedoopt in zout water (Pesachiem. 115a) Maar in de huidige tijd zijn we niet zorgvuldig genoeg zoals mensen waren in de oude tijd om onze handen te wassen voor het eten van groenten gedoopt in zout water. Bovendien zijn we gewend om een zegen uit te spreken wanneer we onze handen wassen voor het eten van brood gevolgd door Kiddoesh, dus dit handen wassen wekt onze nieuwsgierigheid op. Waarom is dit handen wassen anders?

 

 

  1. 1.    Een reden is om de kinderen simpel op te roepen om aan de Seder  te vragen ‘waarom’ (Chak Jakkov. 463:28).
  2. 2.    Een tweede reden is dat dit een herinnering is aan de era van de Heilige Tempel, toen we op deze manier onze handen wasten.
  3. 3.    Een derde reden is dat we reeds het gedrag van vrije personen beginnen te manifesteren. Het wassen van de handen op deze wijze is van gedrag van koningen die, in tegenstelling tot slaven, de vrije tijd hebben zich grondig te reinigen.
  4. 4.    Op een dieper niveau zelfs, is het wassen zonder een zegening niet een volledig positieve handeling. We zijn nog steeds bezig ons te ontdoen van subtiele sporen van negativiteit. We kunnen geen zegening uitspreken omdat het nog steeds een pijnlijke ervaring is, onze bitterheid heeft zich nog niet verzacht.      

 Uchatz heeft de zelfde letters als rotzeach, ‘moordenaar’. Als we wassen brengen we de nog aanwezige negativiteit die aan onze handen kleeft om.

 3)    Karpas

 Als we tweemaal een bittere groente dopen in zoutwater, worden we tweemaal bewust van ons verdriet over onze slavernij. Het zoutwater is als de tranen die we uitstorten als we als we doorgaan met het tonen van spijt, bevrijden we de negativiteit die onze ziel heeft beperkt. Opnieuw, we zeggen niet een speciale over deze mitzwa, want we zijn nog niet in staat deze  deze fase te zien als een ‘zegen’, maar als iets wat we afdwingen te doen.

 4)    Yachatz

 Als we de matzah breken, realiseren we ons hoe breekbaar we zijn geworden. We verstoppen een van de gebroken stukken die de afikoman zal zijn, de ‘ woestijn’. De traditionele reden voor het verstoppen van het afikoman is omdat het een herinnering is aan het pesachoffer, dat zorgvuldig moest worden bewaarden behoed. Spiritueel verbergen we de breekbare delen van onszelf en bewaren en behoeden ze tot de tijd wanneer we ze uiteindelijk kunnen verzachten en kunnen her integreren.

 De matzah die we breken is de middelste, de tweede van de drie matzot, die gescheiden door kleedjes, op elkaar liggen en die corresponderen met de spirituele eigenschap van gevoera. Bewust worden van onze breekbare delen en nog niet reagerend, maar deze stukken bewaren voor een latere her integratie, is een handeling van gevoera, van intense sterkte en zelfbeheersing.

 5)    Magied

 Slaven hebben geen stem, zij durven zich niet uit te spreken over hun staat van ballingschap, noch over hun verlangen naar bevrijding. We bereiken nu het niveau van vrijheid waar we in staat zijn om te spreken. Wanneer we onze dromen van vrijheid kunnen verwoorden, die diep innerlijk begraven liggen, kunnen we beginnen ze te begrijpen en beginnen ze te verwerkelijken.

 In Egypte was de kracht van het spreken in verbanning (Zohar II, 25b). Pharao betekent ‘peh ra’ ‘de negatieve mond’, destructieve spraak. Tijdens de stap van magied, transformeren we ‘peh ra’ in ‘peh-sach, de ‘mond die positieve woorden spreekt’. Dit is de ware “vrijheid van spreken”: de innerlijke vrijheid hebben om de goedheid van het leven uit te drukken. Gedurende deze fase van magied, proclameren we de waarheid van onze innerlijke vrijheid en de fase van “verzachting” begint.

 6)    Rachtzah

 Op dit punt zijn we gestegen tot een staat van bewustzijn waar we in staat zijn om onze handen te wassen met een zegen. Het woord rachtzah komt van het Arameese/Talmoedische woord rachitz, ‘vertrouwen, zoals “Bei ana rachitz,” ‘Op Hem vertrouw ik.’ Nu dat we onze dromen en intenties van vrij zijn hebben uitgesproken, kunnen we werkelijk vertrouwen ervaren. We hebben vertrouwen in vrijheid. We kunnen het continuerende proces van bevrijding vertrouwen. We zijn niet langer slechts bezig met het negatieve weg te wassen, zoals we voorafgaand hebben gedaan, maar eerder ervaren we onze eigen innerlijke puurheid als vaak vanzelfsprekend  beschouwde zegen te leven.

 7-8) Motzi-Matzah

Nu spreken we de zegening van hamotzie en eten we de matzah. We zijn bereidwillig om ons deze heilige nederige onderworpen bescheidenheid eigen te maken of zoals de Zohar het uitdrukt, het “brood van vertrouwen”; het “ helende brood” (Zohar II, 41a,2: 183b). Matzah is volmaakt simpel brood, zoals de simpelheid van puur vertrouwen. We zijn helemaal klaar om heling en volkomenheid te ervaren.

 9)  Maror

Na het eten van het “brood van vertrouwen”, kunnen we terugkeren en de bitterheid van het verleden verzachten. We nemen maror, een bitter kruid en dippen dat in zoete, verzachtende charoses. Onze bitterheid heeft nu een enigszins zoete smaak, zodat we ons realiseren dat het de negativiteit van het verleden is die ons voorwaarts heeft gestimuleerd tot diep verlangen naar vrijheid. We begrijpen de positieve waarde van onze bittere ervaring en spreken er een zegen over uit.

 Het woord maror heeft de zelfde numerieke waarde, 446, als maves, ‘dood’ (Shar Hakavonot. Inyon Pesach. Deruch 6) Ofschoon we niet kunnen ontkennen dat we bij wijze van spreken dood hebben ervaren, zijn we dankbaar voor de verlossing die deze ervaring ons nu brengt en zien hoe we nog veel meer in ons leven kunnen bereiken. Nu hebben we vertrouwen in de toekomst en zelfs in het G’ddelijk Licht dat scheen in de duisternis van ons verleden.

 10)  Korech

 Op dit moment plaatsen we de ‘bitterheid van de verbanning’ in een sandwich, tussen de stukken van het ‘brood van vertrouwen’, ‘het brood van vrijheid’. We verenigen pijn en vrijheid.

 Maror representeert de yetzer hara, de inclinatie in het menselijk hart om terug te keren naar negativiteit. We plaatsen dit binnen de context van de matzah, vertegenwoordigend onze G’ddelijke dienst. Nu kunnen we dienen en tot leven komen ‘bechol levavcha’, met al onze ‘harten’ of inclinaties. We verheffen zelf de destructieve inclinatie, integreren het om te dienen in onze transcendentie en uiteindelijke bevrijding. Dood, ego en slavernij zijn nu verzacht en geabsorbeerd in een context van heiligheid.

 11)  Shoelchan Orech

 Nu is de tafel gereed. We zijn spiritueel gereed om onze maaltijd te eten, deel te hebben aan fysieke en spirituele genoegens, want alles is geïllumineerd.

 12)  Tzafoen

 Nu kunnen we het afikoman terugbrengen en eigen maken, de fragmentarische delen van ons die tzafoeni waren, ‘verstopt en verborgen’ op een eerder moment. Gewoonlijk vindt een kind het afikoman en brengt het ons (Meiri Pesachiem 109a). We winnen onze innerlijke onschuld van het kind zijn terug en zien de wereld met vreugdevolle puurheid en verwondering.

 13)  Beirach

 Yichoed gemaakt hebbend, eenmaking met elke dimensie van ons verleden, zien we nu dat alles in ons leven een bracha was, een zegen. We zegenen, we zien zegeningen en vragen dat we zelf ook een bron van zegen mogen worden.

 14)  Hallel

 Het woord Hallel betekent zowel ‘prijzen’ als ‘schijnen’. Als we dit extatisch prijzen zingen, schijnen we en reveleren we het Licht dat verborgen was in duisternis. Dit is de briljante duisternis, de nacht die helderder schijnt dan de dag.

 15)  Nirtzah

 Te slotte, alles is nirtzah, ‘geaccepteerd’, we zijn aangekomen. Alles is gedaan, alles is gezegd. Dit is een statische situatie, juister uitgedrukt, een staat van puur zijn.

 Een staat van pure stilte van woorden in de wereld van perfecte eenheid, G’ddelijke Eenheid, het uiteindelijke niveau van spirituele bevrijding.

 De volgende negenenveertig dagen van het “tellen van de Omer” heeft het vermogen om ons te helpen deze vrijheid compleet vorm te geven, deze geweldige verzachting van alle realiteit.

 CHAG SAMEACH PESACH     

 

 

    

  

   

 

 

 

                     

PARASHAT TSAV

SHABBAT HAGADOL

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

 

OPGAAN IN ROOK

 

Zohar, pp. 26

Het Thoragedeelte van deze week begint met de instructie om een In Vlammen Opgaand Offer te brengen. Dit offer maakt slechte en verdorven gedachten goed en wordt beschouwd als de meest uitgelezen van alle offergaven. De naam van het In Vlammen Opgaand Offer impliceert opstijgen en is dus zowel verbonden met het gedachte idee welke opkomt en het meest uitgelezen, omdat de tikoen van de intellectuele faculteiten zo belangrijk is.

 

“En de Eeuwige sprak tot Mozes: ‘Draag Aharon en zijn zonen het volgende op: Dit is de Thora (instructie) van het In Vlammen Opgaand offer.’” (Leviticus. 6:1)

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling [op dit vers] en citeert daarbij het vers “Uw gerechtigheid is als de machtige bergen; Uw uitspraken zijn van grote diepte O Heer, U bewaart mens en beest.” (Psalm. 36:7) We hebben reeds eerder over dit vers geleerd en het [op een ander wijze verklaard dan nu] kom en zie; dit In Vlammen Opgaand offer stijgt op [in de spirituele werelden] en verbindt het Joodse Volk boven.

 

Als algemene regel heeft de sefira van malchoet drie namen in de Zohar. Wanneer zij in verbanning is, ver verwijderd van haar hechte spirituele bron boven in Zeir Anpin, wordt zij de Shechina genoemd. Wanneer zij hecht is verbonden met Zeir Anpin “ontvangt” (in het Hebreeuws “konesset”) zij de spiritualiteit boven en heeft een naam die deze verheven status meer weergeeft, Knesset Jisraël ( vertaald boven als “het Joodse Volk”).

Het vrouwelijke “zij” wordt altijd gebruikt om het feit weer te geven dat zij een voertuig is voor het ontvangen van de G’ddelijke inwerking. Naar haar wordt ook verwezen als zijnde “de Maan”, omdat de maan het licht van de zon op de zelfde manier weergeeft, malchoet ontvangt en geeft het G’ddelijk “licht” (energie) weer van de spirituele bron boven.

Zij hecht zich aan hem [Zeir Anpin], en samen gaan zij op naar de Komende Wereld.

 

De Intellectuele sefira van bina is bekend als de “Komende Wereld”. Er wordt verwezen naar het vrouwelijke omdat zij zowel ontvangt van beneden door handelingen in deze wereld gedaan met spirituele intentie als van boven van de sefirot van keter en chochma. Bina is verbonden met begrijpen en planning. Plannen zijn altijd een blauwdruk voor handelingen in de toekomst en waar begrip voorbij onze fysieke grenzen welke onze waarneming van het oneindige licht hinderen is eveneens in de toekomst, Vandaar de term “Komende Wereld”.

Zij zijn alle blij verbonden tot een eenheid.

 

De sefira van bina is ook de bron van vreugde. Dit is de vreugde van zekerheid na opheldering van alle twijfels, de vreugde van verbinding met de G’ddelijke wijsheid. Deze vreugde is op zijn beurt een vat voor het ontvangen van “Mochin deGadloet” hogere bewustzijn, van de partzoefiem van Abba en Imma. In hedendaagse terminologie noemen we dit verlichting.

 

Omdat zij hoger en hoger gaan wordt naar hen verwezen als “Dit is de Thora”. Dit is het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke samen, De Geschreven en Mondelinge Thora stijgen op in liefde.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRA

En Hij riep            Leviticus.  1:1 – 5:26

 

 BETREFFENDE HET BRENGEN VAN OFFERS WORDTALLEEN G’D’S NAAM, HET TETRAGRAMMATON, GEBRUIKT

 

RABBI MOSHE BEN NACHMAN

 

Kabbala leert dat er een verborgen geheim ligt opgesloten in de offergave. Onze Rabbijnen hebben gezegd, in Sifre, en aan het einde van Traktaat Menachot: “Shimon ben Azai zegt, ‘Kom en zie wat is geschreven in het gedeelte van het brengen van offers: Er staat niet dat het verwijzt naar ‘ E-L, noch naar Elokecha (hun G’D), noch naar ‘Elokiem’, noch naar ‘Sha-dai’, noch naar Tze- waot,’ maar alleen naar de Naam Havayah, om een tegenstander [met andere woorden, iemand die gelooft in pluraliteit] niet de gelegenheid te geven een reden te vinden om te attaqueren.”

 

Misschien dat men zou kunnen zeggen dat G’D verlegen zit om voedsel, daarom zegt de Schrift, “Had Ik honger, Ik zou het niet zeggen,; want de Schepping in volledigheid is Mijn.” (Psalm. 50:12)

 

De Naam Havayah wordt gebruikt om radicalen niet de gelegenheid te geven om te rebelleren.

 

We vinden eveneens aan het begin van Thorat Kohaniem: “Rabbi Josie zegt: Overal waar het brengen van een offer wordt vermeld door de Schrift, wordt de naam Havayah gebruikt, om radicalen niet de gelegenheid te geven om te rebelleren” [door pluralistische aanduidingen te vinden tegen het principe van Eenheid]. Dit zijn de woorden van de Rabbijnen van gezegende nagedachtenis.

Het is dus een feit dat in een Thoragedeelte waar het brengen van offers wordt opgedragen, de G’ddelijke namen E-L of Elo-hiem niet worden gebruikt. Maar we vinden, ergens anders in de Schrift verzen als: “het brood van ‘Elo-heihem’ [hun G’D], offeren zij”; “ geven aan Elo-hiem het dankoffer” (Psalm. 50:14) enzovoort. Echter slachten ten behoeve van het brengen van een offer moet worden gedaan in de Naam van Havayah alleen, betekenend dat degene die het offer slacht geen intentie mag hebben tot iets anders in de wereld dan Havayah alleen. Dit is wat de Wijzen bedoelen wanneer zijn stellen: “De Schrift heeft verordend dat al deze Diensten moeten worden gewijd aan de Naam Havayah.

 

SHABBAT SHALOM            

PARASHOT WAJAKHEEL – PEKOEDE

En hij liet samenkomen, Exodus. 35:1 – 38:20 – De berekeningen, Exodus. 38:21 – 40:38

Wanneer G’D Alleen Werkt.

Zohar Shemot 89b.

Kom en Zie: in het vers, “Zes dagen kun je werken en al je werk doen, maar de zevende dag is een Shabbat voor de Eeuwige, je G’D” (Exodus. 20:9), de woorden “al je werk” geven aan dat in de zes dagen die men werkt [het Hebreeuwse woord voor werk en ook voor dienaar is “eved “ en dat is ook de naam waarmee de Engel Metatron wordt aangesproken. Dit is een aanduiding dat de dagen van werk worden geregeerd door een lager spiritueel niveau, een Engel, in plaats van direct door G’D zoals op Shabbat, wat is “voor de Eeuwige, je G’D”, en niet gerelateerd aan de dienaar van werk (Metatron), en daarom hebben degenen die Thora studeren hun echtelijke eenwording in de tijd waarin mensen niet werken [betekenend op Shabbat wanneer het verboden is voor mensen om te werken], wanneer G’D alleen werkt. En wat is G’D’s werk? Verenigen met de Matron [de Shechina], om [nieuwe] zielen voort te brengen in de wereld.

Daarom heiligen onze collega’s zichzelf in deze nacht [Vrijdagnacht] in de Heiligheid van hun Meester en richten hun binnenste en brengen het goede   voort en heilige kinderen die zich niet afkeren van Thora, noch naar rechts noch naar links, kinderen van de Koning en de Matron  [de Shechina]. Over hen is geschreven: “Kinderen zijn jullie van de Eeuwige, jullie G’D (Deuteronomium. 14:1). Ongetwijfeld van “de Eeuwige, jullie G’D,” want zij worden “Zijn kinderen” genoemd, de kinderen van de Koning en de Matron [wiens zielen neerkomen vanuit de eenwording van Zeir Anpin en Noekva in Atziloet].

Degenen die Thora studeren kennen dit geheim en hechten zich er aan; daarom worden zij “de kinderen van G’D” genoemd.

Berachamiem LeChayyiem:

We zijn allen kinderen van G’D, want Hij is deelgenoot met onze ouders om ons  voort te brengen, om te creëren [zoals de Talmoed omschrijft]: van onze vader krijgen we witte beenderen, van onze moeder krijgen we rood bloed, van G’D onze spiritualiteit.

 

Wat we van het bovenstaande leren is hoe belangrijk heilige primaire voornemens zijn voor het creëren van het karakter van een kind zeker met betrekking tot de dagen van de week. Het is zinvol dat iets op een heilige wijze op onze Heilige dag van Shabbat wordt gecreëerd, zijn spirituele oorsprong ook moet hebben in de hoogste plaats. Dat betekent niet, G’D verhoede, dat een conceptie op een doordeweekse dag problematisch hoeft te zijn, vooral wanneer die tot stand is gebracht met de gepaste intenties. Maar het betaamt ons om stil te staan bij de bijzondere krachten van Shabbat, en ook onze opvattingen af te stemmen op deze krachten om ze te kunnen ontvangen, wanneer we een echtelijke relatie aangaan.

SHABBAT SHALOM       

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

DE NAAM POERIEM

DE EENVOUDIGE BETEKENIS VAN DE NAAM POERIEM

 Wanneer we een bepaald doel aanleiding of omstandigheid een naam willen geven, proberen we om in zo weinig mogelijk woorden een beschrijving te geven die de functie en het nut van dit doel deze aanleiding of omstandigheid kenbaar maken. Om de volle sterkte en omvang goed te kunnen bevatten, moeten we de spirituele betekenis van deze feestdag ontvouwen, door de naam Poeriem te analyseren. Wat betekent het woord Poeriem? Poeriem is het Perzisch,  meer precies, Akkadische woord voor loterij. Het was Haman die doormiddel van het laten werpen van het lot de datum wilde vaststellen voor het ten uitvoer brengen van zijn boosaardig plan, en als zodanig, “noemden zij deze dag Poeriem, vanwege de naam poer, lot.” (Ester. 9:26) Maar waarom een feestdag, een festiviteit noemen naar een woord dat ons impliciet herinnert aan een plot dat ons kwaad berokkent.

 

MORDECHAI VERSUS HAMAN

 

Laat ons dieper doordringen tot de kern van de zaak. Twee van de hoofd figuren van het verhaal zijn  Mordechai en Haman. Het verhaal van Poeriem opent met het bepalen van de hoofdpersoon tegen de boosdoener Haman, een personifieert goedheid en kedoesha, heiligheid, de andere al het negatieve en klipa, valse energie. Elk streeft er naar om het dia metraal tegenovergestelde te bereiken: de een wil destructie, de andere verlossing; de een wil schadelijk kwaad aanrichten en vernietiging, de andere wil leven en redding.

 

De vraag is waar de kracht van destructie vandaan komt? Is het niet zo dat de gehele Schepping een manifestatie van het G’ddelijke is, van waar en hoe verkrijgt iemand toegang tot zulk afschuwelijke krachten? Hoewel we de vrijheid hebben om te kiezen zoals we willen, blijft de vraag: wat is de oorsprong van die keuze? Welk aspect binnen de wisselwerking van Schepper en Schepping laat ruimte om vrij te kunnen kiezen, te kiezen, als dat zo uitkomt voor persoonlijke destructie of de destructie van anderen?

 

HET INNERLIJKE LICHT EN HET TRANSCENDENTE

 

Om dit gegeven enigszins te kunnen doorgronden, moeten we de verhouding tussen Schepper/Schepping contempleren.

 

Als macro wordt weergeven in micro, kan een parallel worden getrokken tussen Mens en Schepping als geheel; juist zoals onze zielen ons transcendente spiritueel doordringt en tegelijkertijd ons dagelijkse existentie overtreft, zo ook is het ten aanzien van het Licht van de Schepper, die verheft, draagt en de Schepping bezielt. Er is een or makief, een omgevend Licht en er is een or penimi, gemeten en intern Licht. Het een is de energie gemanifesteerd als immanent en alles doordringend, de tastbare G’ddelijke aanwezigheid, het andere is een G’ddelijke transcendente energie die we waarnemen in alle details van de Schepping. Aan deze twee wordt gerefereerd als or memale kol almien, energie die de Schepping vult, en or sovev kol almien, de energie die het hoge omringt en omvat, een Licht dat niet kan worden vastgehouden of volledig kan worden opgenomen.

 

De wereld van wet en orde is een realiteit van memale. In dit paradigma is alles juist gedefinieerd en passend geplaatst. Memale is de wereld van dualiteit het tweevoudige: hoog en laag, rechts en links, goed en kwaad.

 

De relatief geobserveerde ordelijke vorming van het universum, die wetenschappers toestaat te onderzoeken, is een product van memale. De energie die organismen tot hun bevordering aanspoort en meer ingewikkelde maatstaven van complexiteit en diversiteit, memale. Sovev wordt als het ware niet betrokken in de opbouw van de Schepping; toch is het sovev dat verheffing geeft aan de essentie van de Schepping. Sovev is het Schepper aspect van de G’ddelijke Schepping, maar realiteit op het niveau van sovev is nog steeds “potentieel”, niet in duidelijk beeld of vorm. Vorming en verbinding vindt plaats op memale. De een creëert wezen en de andere maakt vormen. Het is extreem moeilijk om het wezenlijke te doorgronden zonder vorm; toch in het proces van scheppen van het G’ddelijke niets, verschijnt iets, een iets dat niet geïndividualiseerd noch gespecifieerd is, een ruwe wezenlijke essentie, en alleen later in een progressief proces verkrijgt deze wezenlijke essentie zijn volle vorm.

 

BOVEN HET BINAIRE, DE OORSPRONG VAN VERBORGENHEID

 

Alle verscheidenheid en subjectieve evaluaties in de wereld van sovev totaal overtreffend is “duisternis als licht.”

 

Sprekend van het primordiale licht van sovev, zei een Chassidische leraar in Jiddisch,  “Dart voe eidelkeit iz kein kli nit, iz gerabkeit kein stira nit”, “daar waar edelheid is is geen houder,  vat, grofheid is evenmin een contradictie.” Negativisme kan existeren omdat er een niveau van licht is dat is gescheiden van elke vorm van waarneming of subjectieve definitie. In de wereld van sevev zijn geen contradicties of conflicten, omdat er geen evaluatie of interpretatie is. Alles “is” eenvoudig.

 

Uit het gezichtspunt van memale, een wereld van orde, een universum van oorzaak en gevolg, veroorzaakt rechtschapenheid goedheid en nativiteit genereert zijn soort. Haman, die het archetype van kwaad representeert, de belichaming van klipa, wist intuïtief op een diep sub of super bewust niveau dat als hij destructie wilde brengen op de Joden, hij dan een kracht moest oproepen en aanwenden die verder memale, or penimi is, boven verscheidenheid, boven goed en kwaad. Hij wist dat hij een makief, een ruimte benodigde om binnen te treden, die, klaarblijkelijk, niet is geïnteresseerd in de details van de gecreëerde realiteit.

 

 WELLEKEURIG LOT

 

Haman streefde naar makif. Vanuit deze gescheiden ruimte, waar alles enkel “ is “ en zelfs de rechtvaardige kan lijden, waar niets een deterministisch paradigma hoeft te volgen van oorzaak en onvermijdelijk gevolg. Het is een wereld waar alles gelijk is en niets  meer is dan het andere.  Het werpen van een lot getuigt van het zelfde concept. In een loterij zijn alle delen gelijk. Waarom anders een loterij en niet een bewuste beslissing? Het mechanisme van een loterij gaat voorspelbaarheid en rationaliteit te boven. Voor een lot is geworpen, kan het verschillende kanten op gaan; we kunnen klaarblijkelijk niet veronderstellen dat de een beter is in het winnen van een loterij dan een andere.

Haman trok een lot, een willekeurige handeling van het gooien van een dobbelsteen om de dag van destructie van de Joden vast te stellen. Door het werpen van het lot hoopte hij het bij het transcendente aan te haken dat “boven goed en kwaad” is. Een spirituele plaats waarvan hij veronderstelde dat alles er mogelijk is en waar geen onderscheid zou zijn tussen goed en kwaad.

 

Haman wist intuïtief dar er een supra rationeel vlak was waar goed en kwaad gelijk getrokken kon worden, een sfeer waar geen morele verbindingen bestonden en goed en kwaad gelijkelijk in staat zijn om voeding te ontvangen.

 

DE VLOEK WORDT DE BRON VAN ZEGEN

 

Inderdaad, een radicale transformatie van gebeurtenissen vondplaats. Het negatieve zelf werd de bron van zegen. De poer, het lot dat was geworpen werd de bron en de reden voor hun vreugde. De oude vormen verschrompelden, zoals het woord poer van de stam porer, verkruimeld, verschrompeld, aanduidt, en een nieuwe realiteit was geboren, zo is Poeriem, van het stamwoord proe, vruchtbaar zijn, zoals in proe oe ‘revoe, “ wees vruchtbaar en vermenigvuldig”, want de uitdrukkelijke opdracht is om te procreëren. Haman wilde het Joodse Volk uitwissen, laten ophouden te bestaan, het tegendeel gebeurde proe oe ‘revoe, zij vermenigvuldigden zich, zij namen snel in aantal toe en werden zelf sterker. Dit zette zelfs een grotere verlossing in beweging, in de vorm van de terugkeer naar Israël van velen uit de Babylonische verbanning en de herbouw van de Tweede Tempel in Jeruzalem.

 

VOORBIJ ZIJN VERDER DAN GOED EN KWAAD

 

Op het diepste niveau, ontbrak bij Haman de kennis, dat in de hoogste realiteit, die voorbij is, verder is dan makief, boven oneindigheid, Essentie “de zielen van de rechtvaardigen” verkoos boven de onrechtvaardigen. Deze verkiezing houdt niet in dat rechtvaardigen invloed hebben of het Oneindige tendens kunnen kleuren, maar eerder omdat er een “verlangen” is op deze wijze te kiezen. De G’ddelijke keuze van Licht zoals het pad van rechtvaardigheid was niet een bewust, weloverwogen overdenking, maar eerder een spontane keuze.

 

Het is een keuze die is geworteld in de Essentie van het G’ddelijke, een onafhankelijke ongedwongen staat en niet omdat de handelingen beneden zonder meer de positie boven beïnvloeden en een directe wisselwerking aanmoedigen. Waarom is er keuze, radicaal kiezen? Gewoon omdat zo is.

 

 DUALITEIT BINNEN EEN CONTEXT VAN EENHEID

 

Sovev is het Oneindige Licht, memale het eindige. Hoewel er twee manifestaties zijn van De Schepper, zijn zij beide niet het G’ddelijke zelf. De “Essentie’ wordt verwoord in termen van etzem of atzmoet, pure essentie, dat wat boven eindigheid is, maar ook boven oneindigheid, en zelf boven de definitie als de oorsprong van het Oneindige Licht. Ongetwijfeld is iedere vorm van erover spreken of conceptualiseren op zichzelf een definitie. En nochtans verkiest atzmoet het verlangen naar “ de zielen van de rechtvaardigen”. Waarom? Gewoonweg omdat Het die wenst heeft. In feite is “waarom” niet een geldige vraag. “Waarom” existeert alleen in een universum van causaliteit, separatie en dualiteit, het binaire.

 

Nu wordt het duidelijk waarom de Perzische naam van Poeriem werd gekozen en waarom een naam die ogenschijnlijk het negatieve bespreekt, de essentie van de feestdag behelst. Poeriem viert de ultieme vorm van transformatie, het gaan naar de oorsprong van makief, en in plaats van toe te staan dat het negatieve neerwaarts wordt gebracht, stelt het een positieve, leven verzekerende consequentie in werking, verkozen in een realiteit van dualiteit en de mogelijkheid van tegenovergestelden van het pad van Licht en Leven.

 

HET VIEREN VAN HET VERLEDEN IN HET HEDEN

 

Leven wordt geleefd in het eeuwige heden. Wanneer we een feestdag vieren, vieren we niet slechts gebeurtissen uit het verleden, het herinneren van dingen uit het verleden, nostalgische herdenkingen en goed voelende gedachten, eerder vieren we gebeurtenissen die zich opnieuw voordoen, nu. Dat zijn dagen, zoals de rol van Ester verklaart, die nezcariem v’naasiem, herinnerd en uitgevoerd zijn. De herinnering, de zelfde G’ddelijke Kracht die toen bestond, machtigt de mirakels nu om te existeren en zelfs in een meer effectieve vorm, aangezien “ de werking van heilige aangelegenheden zijn alleen maar toenemende” Alle feestdagen worden Jom Toviem genoemd, letterlijk, goede dagen. Op de feestdag ervaren we een extra, een toenemende mate van zegeningen, geworteld in de ultieme oorsprong van alle goedheid.

 

MET ZEGENINGEN VOOR EEN GELUKKIG, BLIJ EN VERHEFFEND POERIEM

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt Exodus. 30:11 – 34:35

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Likoetei Thora en Sha’ar HaPesoekiem

 

Eerbetoon aan het Mannelijke en het Vrouwelijke

Na de opdrachten over bouwen van het Tabernakel, vertelt G’D het Joodse Volk dat, hoe belangrijk het construeren van het Tabernakel ook is, het niet jullie inachtneming van de Shabbat schenden moet

De Eeuwige zei tegen Mozes. Spreek jij zelf tegen de Kinderen van Israël aldus: “Maar…Mijn Shabbatdagen moeten jullie stipt houden, want dit is een teken tussen Mij en jullie voor heel jullie nageslacht, opdat men zal weten dat Ik de Eeuwige ben die jullie bijzondere wijding heeft gegeven.” (Exodus. 31: 12-13)

Betreffende de betekenis van deze verzen, moeten we eerst verklaren hoe G’D Mozes aansprak, gewoonlijk formuleert Hij Zijn opdrachten niet zoals hier staat geschreven.

De gebruikelijke bewoording is “Spreek tot de Kinderen van Israël en zeg hen….”of “Zeg tot de Kinderen van Israël ….”. Hier, zegt het vers “Spreek jij…”, benadrukkend het woord jij.

Om dit te kunnen verklaren, zullen we eerst een andere tegenstelling uiteen zetten. De eerste registratie van de Tien Geboden [het gebod om de Shabbat te houden] is verwoord als volgt: “Denk aan….”, de woorden “Zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft” zijn hier niet in de tekst geregistreerd.

De Tien Geboden zijn tweemaal opgenomen in de Thora. De eerste keer in de historische context toen zij werden gegeven aan de Berg Sinai (Exodus. 20:2-4), en de tweede keer in de context van Mozes overzicht van Exodus vlak voor hij stierf aan het eind van de veertigjarige tocht door de woestijn (Deuteronomium. 5: 6-18). Deze twee versies van de Tien Geboden zijn grotendeels gelijk, maar er zijn enkele kleine verschillen.

De twee versies van het eerste vers van het gebod om de Shabbat te houden zijn in vergelijk als volgt:

eerste versie tweede versie
Denk aan Shabbat, door haar wijding te geven Houdt de Sabbatdag, door haar wijding te geven, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft

Op vergelijkbare wijze, [ het gebod] om ouders te eren bevat niet de woorden “opdat je dagen verlengd worden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Het volgende gebod, na het gebod om de Shabbat te houden, is het gebod om ouders te eren. De twee versies van dit gebod zijn in vergelijking met elkaar als volgt:

eerste versie tweede versie
Eer je vader en moeder, opdat je dagen verlengd worden op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft Eer je vader en je moeder, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft, opdat je dagen verlengd worden en opdat het je goed zal gaan op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft

Ter verklaring: Deze twee geboden, het houden van de Shabbat en het eren van de ouders, zijn equivalent. De laatstgenoemde is het eren van iemands lichamelijke ouders, terwijl de eerstgenoemde het eren is van iemands spirituele ouders, met andere woorden, Zeir Anpin en Noekva, waar aan gerefereerd wordt als “de Shabbatot” [mv.] in de uitspaak van de Geleerden dat “als het Joodse volk twee Shabbatot zou houden zoals het moet, [zouden zij onmiddellijk worden verlost].”(Shabbat 118b)

Aangezien elke Joodse ziel voortgebracht wordt door de eenwording van Zeir Anpin en Noekva, mogen deze partzoefiem worden beschouwd als onze spirituele “ouders´”.

De uitspraak van de geleerden dat wij zouden worden verlost als we twee shabbatot zouden houden wordt gewoonlijk opgevat als twee shabbatot achter elkaar. Ergens anders echter becommentarieert de Arizal dat de esoterische betekenis van deze uitspraak is dat we twee aspecten van de Shabbat moeten houden, het vrouwelijke en het mannelijke aspect, welke de Shabbatnacht en de Shabbatdag zijn. Dus de twee Shabbatot zijn duidelijk Zeir Anpin en Noekva, en door hen “te eren” is het in acht nemen van de Shabbat in overeenstemming met zijn mystieke dynamica, we vervullen het gebod om onze “ouders”te eren op een spirituele wijze en worden verlost.

Dit is de mystieke betekenis van het vers: “Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en voor zijn vader, en zich strikt aan Mijn shabbatot houden.” (Leviticus. 19:3) [Het feit dat hier naar de Shabbat wordt verwezen in meervoud duidt op deze twee shabbatot, welke corresponderen met de vader en de moeder.

Nu zijn er twee aspecten ten aanzien van het in acht nemen van de Shabbat. Het eerste is het nauwkeurig naleven van de voorschriften van de Shabbat in al hun details, om de opdrachten te vervullen die Hij ons (mag Hij worden geprezen) heeft opgelegd en voor geen enkele andere beweegreden. Het tweede is om te rusten van werk op Shabbat opdat we genieten van het feit dat we kunnen rusten van ons werk.

U kent de verklaring van de Wijzen van [de liturgische passage,] “Laat Mozes zich verheugen in de toewijzing welke hem was gegeven”, dat Mozes vraagt aan Pharao om het Joodse Volk toe te staan één dag van de week vrij te stellen van het maken van tichelstenen omdat zij dan kracht kunnen verzamelen om meer te kunnen produceren op de andere zes dagen. Pharao ging akkoord en gaf hen de Shabbat vrij. (Shamot Rabba 1:32; Midrash Tehilliem 119)

Dit is wat de Thora bedoeld en probeert aan te geven door te zeggen, “Jij zult spreken tot de Kinderen van Israël…”; [G’D zegt tegen Mozes] “Jij [Mozes] die Pharao vroeg om hen een dag rust te geven, met andere woorden, jij zelf moet nu aan hen zeggen dat van nu af aan zij de Shabbat moeten houden niet voor hun eigen voordeel, maar eerder omdat deze Mijn Shabbatot zijn. Ik ben de Gene die hen verplicht om deze opdracht na te komen; zij zullen de Shabbat in acht nemen alleen voor Mij belang, en niet voor hun eigen belang.” Om die reden begint het vers met het woord “Maar”. Het impliceert dat zij de Shabbat zullen naleven omdat zij “Mijn Shabbat”zijn, want het is een teken….. dat men zal weten dat Ik, de Eeuwige, hen bijzondere wijding geef” en niet voor hun eigen voordeel of plezier.

Er is natuurlijk niets verkeerd aan om zich te verheugen in het naleven van G’D’s geboden, maar deze motivatie moet altijd gehouden worden in het juiste perspectief. We moeten alle geboden van G’D onvoorwaardelijk in acht nemen, als een uiting van onze onvoorwaardelijke liefde voor Hem. Zoals Rabbi Shneur Zalman van Liadi het uitdrukt; “Als G’D ons had opgedragen om gewoonweg hout te hakken [ zonder enige reden], zouden we hout hakken met het groots mogelijke enthousiasme.” Wanneer we ons eenmaal onvoorwaardelijk hebben verbonden tot het in acht nemen van de geboden, is er eveneens ruimte voor het waarderen van hun kwantificeerbare voordelen.

Zoals ik heb gezegd, de meervouds- vorm “Mijn Shabbatot” verwijst naar Zeir Anpin en Noekva. De eerste versie van de Tien geboden bevat niet de woorden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”, om dat het verwijst naar de eerste reden [voor het houden van de Shabbat], de ene dat de reden van voordeel [voor het Joodse Volk] bevat. Het is dit [aspect] waarnaar onze menselijke logica zich richt en ons [onze logica]doet besluiten dat we de Shabbat moeten naleven “opdat je rund en je ezel rust krijgen…..(Exodus. 23:12)

In de tweede versie van de Tien Geboden, vermeld de Thora de tweede reden, welke alleen is om de opdracht van de Schepper te vervullen, dit is de betekenis van de zin, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Dit verklaart waarom wij [ in de tweede versie van de Tien geboden, de opdracht voor naleven van de Shabbat begint met “Houd ” de Shabbatdag door haar wijding te geven.” De tweede [versie van de Tien geboden] is van het vrouwelijke principe, wat aangeduid wordt door het woord “houd”, zoals bekend (Zohar III: 224a)

Het Hebreeuwse woord voor “denk aan” “zachor‘ is gerelateerd aan het woord voor “mannelijk” (“zachor”). “Denk aan”, is een actief aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar de actieve afkondiging van de heiligheid van de dag, gemaakt aan haar begin (in de Kiddoesh) en bij het einde (in de Havdala). “Houden” is het passieve aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar het passieve onderbreken van werk, welke het verhoogde G’ddelijke bewustzijn opent naar de realiteit van Shabbat.

Het Vrouwelijke principe, met andere woorden, in de tweede versie van de Tien geboden, zegt aan het Joodse Volk: “Houd de Shabbatdag, zoals Zeir Anpin, aangeduid door de woorden ‘Eeuwige, je G’D’ heeft je reeds eerder opdragen, in de eerste [versie van de Tien Geboden.”

De naam voor G’D in de zin “Eeuwige, je G’D” is de G’ddelijke naam Havayah, welke is geassocieerd met Zeir Anpin.

Er zijn ook twee redenen voor het naleven van het gebod van het eren van ouders. De eerste omdat het een opdracht is gedicteerd door menselijke logica, namelijk, dat een kind zijn vader en moeder moet eren omdat zij hem gecreëerd hebben, hem in de wereld hebben gebracht en onophoudelijk zichzelf ten behoeve van hem doen gelden. De tweede is een aanduiding naar Zijn opdracht om onze spirituele vader en moeder te eren, met andere woorden, de Heilige, geprezen zij Hij, en de Gemeenschap van Israël, dat is, “Zeir Anpin en Noekva.

De wijzen refereren op typische wijze aan G’D als “de Heilige, geprezen zij Hij”. In Kabbala is deze benaming gerelateerd aan Zeir Anpin, welke “heilig”is, met andere woorden, “afgelegen” van de wereld, met betrekking tot Noekva, welke neerdaalt in de lagere sferen, zoals we weten. De wijzen refereren dikwijls aan de G’ddelijk Aanwezigheid of Shechina, als “de Gemeenschap van Israël” (Knesset Jisraël), aangevend dat het de collectieve origine is van alle Joodese zielen, de baarmoeder vanwaar zij komen als zij neerdalen van Atziloet tot de lagere werelden.

In de eerste versie van de tien Geboden, vermeldt de Thora de eerste reden, door te zeggen, “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten [van Zeir Anpin], welke de “zes dagen van de Schepping” worden genoemd.

Deze zes “uitersten” van Zeir Anpin zijn de sefirot die metamorfoseren in dit parztoef; chesed, gevoera’tiferet, netzach, hod, en yesod. Zij worden “uitersten” genoemd, aangezien zij zijn geassocieerd met de zes richtingen van de drie dimensies van ruimte. Deze zes sefirot zijn ook geassocieerd met de zes dagen van de Schepping. De associatie met de dimensies van ruimte en de dagen van de Schepping (met ander woorden,tijd) verwijst naar dat aspect van Zeir Anpin dat het conceptuele raamwerk vormt voor deze fysieke wereld. Met andere woorden, door zich te houden aan het gebod om onze fysieke ouders te eren, verhogen wij de levenskracht welke deze wereld bereikt. Deze goddelijke liefdadigheid wordt weergegeven in deze wereld als een lang leven.

De tweede versie van de Tien Geboden refereert aan de gepaste spirituele reden voor het uitvoeren van dit gebod, welke overvloed van goddelijke liefdadigheid voortbrengt en daarom worden er twee typen van beloning vermeld. De eerste is “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten, zoals boven genoemd. Daarbij, [is er een beloning van] “opdat het je goed zal gaan”, wat verwijst naar de toevloed van hoger geestvermogen. Geestvermogen wordt aangeduid door het woord voor “goed” [in het Hebreeuws, “tov“] zoals we hebben uitgelegd in ons commentaar op de zin “die goede daden van barmhartigheid doet [chasadiem toviem]” in de eerste zegen van het Staande gebed. Dit geeft aan, dat door deze opdracht te doen om zijn spirituele motivatie, dat het bij iemand ook nog meer intellectuele volwassenheid voortbrengt. Dit is de reden waarom [in de context van deze reden] is geschreven “zoals de Eeuwige [Havaya], je G’D je gebiedt.”

Door dit gebod na te leven op een spiritueel niveau, erend Zeir Anpin en Noekva door verhoogd goddelijk bewustzijn in de wereld, worden we goedhartig beloond: we bereiken een hoger niveau van goddelijk bewustzijn en spirituele volwassenheid.

Een andere verwijzing naar bovengenoemde kan worden gevonden in het feit dat het woord “et” verwijst naar een bijkomende entiteit. De twee woorden “et” in het vers worden gewoonlijk niet vertaald in het Nederlands en dient simpel en alleen om een lijdend voorwerp aan te geven. Echter interpreteren de Wijzen vaak de aanwezigheid van “et” in het vers als een verwijzing en een indicatie naar iets buiten het expliciet lijdend voorwerp “. Hier verwijst het “et“, voorafgaand aan het woord “vader”, naar Zeir Anpin en de “et” voorafgaand aan het woord voor “moeder” naar Noekva.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVE

Je zult gebieden  Exodus. 27:20 – 30:10

 

Licht en Eenheid

 

De bitterheid van de olijf representeert de verborgenheid van G’D’s supervisie over Zijn Schepping.

 

“Je moet zelf de Kinderen van Israël bevelen dat zij jou [Mozes] zuivere geperste olijfolie voor verlichting [de Menora] brengen om het licht aan te steken en ononderbroken te laten branden.” (Exodus. 27:20)

 

De Westerse Vlam brandde de hele nacht, getuigend dat de Shechina onder Israël verbleef. De Westerse Vlam,*** de meest prominente van de zevenarmige Menora, was een Ner Tamied een Voortdurend, Eeuwig Brandende Vlam; het placht te branden van avond tot avond, de hele nacht, getuigend dat de Shechina onder Israël verblijft. De lamp moest branden op de meest zuivere olijfolie, van de eerste persing van de olijven.

 

Wat is de betekenis, het belang hiervan? De olijf is bitter, dit representeert de verborgenheid van G’D’s supervisie over Zijn Schepping. Iemand kan daarom denken dat er geen recht en oordeel is. Er zijn twee paden om dit misverstand recht te trekken.

Een wordt het Pad van lijden genoemd (de Hemel bescherme ons), waardoor moeilijkheden en pijn iemands handelingen verbeteren. De tweede is het Pad van Thora, waardoor de wegen van G’D  kunnen worden overdacht en begrepen, het zien van de G’ddelijke Goedheid en Voorzienigheid.

 

Dit ontbreken van begrip wordt gesymboliseerd door de olijf, die bitter is, maar kan worden gekneed en uitgeperst om het licht die het verbergt vrij te geven. Dit is het “pletten voor verlichting”, verwijzend naar ons vers; na het pletten, wat lijden is wat het pad van Thora voorafgaat waarna iemand tot verlichting komt. Door het kneden van de olijf wordt het licht gereveleerd, iemand verdient te zien dat al het verborgene voor het goede was. En daarom brandt het de hele nacht, want “nacht” representeert verborgenheid en duisternis, die na pletten en uitpersen tot verlichting komt.

 

Daarom is er geschreven, “zij zuivere geperste olijfolie zullen nemen voor verlichting”. Het Volk van Israël als eenheid, zal voorzien in de olie voor de meest Westerse Lamp. In de heilige boeken is geschreven dat het woord voor “ Westen”, “Ma’aravi”, komt van het woord Me’oerav, zoals in de frase, “me’oerav im habriyot” [iemand die goed omgaat met anderen).

 

Ieder persoon is belangrijk van zichzelf, ofschoon het denken en de persoonlijkheid van elk mens afzonderlijk verschillend is. Elk van de andere zes Menora vlammen buigen in zekere zin schuin naar de Westelijke Vlam, om aan te geven dat alle vlammen gelijk waren (in harmonie). Dit laat zien dat ieder persoon belangrijk is op zijn eigen manier, ofschoon het denken en de persoonlijkheid van elk mens afzonderlijk verschillend is.

 

Deze eenheid getuigt dat de Almachtige Zijn Shechina in Israël manifesteert. Inderdaad het woord Shechina is in numerieke waarde gelijk aan Safa (“taal”, in het Hebreeuws): 385. En zo is geschreven in Zephaniah: “Want dan zal Ik alle volkeren veranderen tot een duidelijke taal, opdat allen de Naam van G’D aanroepen, om Hem te dienen met een schouder.” (3:9) Zo ook de openingswoorden van deze Thoralezing, “Tetsave”, “je zult gebieden” is gerelateerd aan het Aramese woord voor “verbinding” en dus om eenwording te bewerkstelligen.

 

De zuivere olie die de vlammen doen branden op de Menora representeren Thorastudie. De hele Menora, haar voetstuk, armen en kelken en waren geslagen uit een stuk goud. Het voetstuk representeert degenen die Thorageleerden ondersteunen. De knopen zijn degenen die zich bezig houden met handelingen van goedheid. De bloemkelken zijn degene die Thora studeren. Elk van hen zijn geslagen uit een klomp goud zodat ieder de ander nodig heeft. Zo ook is het onmogelijk voor iemand om arrogant te zijn tegen een ander.

 

Wanneer er eenheid is, schijnt het licht van de Menora over de hele wereld.

 

***(Een mening onder de Wijzen was dat de Menora armen gepositioneerd waren van noord naar zuid, zodat de voorkant van de Menora westwaarts was gericht, naar het Heilige der Heilige en de Shechina; volgens een andere opinie was de middelste vlam van de zeven de Westerse Vlam. Andere Wijzen zeggen dat de Menora aan een oost-west as was en daarom het Ner Tamied de meest  westerse vlam was)

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

  

 

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing (Exodus 25:1 – 27:19)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar P.140b

Zoals Rabbi Aba uitlegt: De wijze waarop het Tabernakel, waar de heilige Shechina woonde, was gebouwd, simultaan aan haar verblijfplaats in de spirituele wereld van Atziloet. Het Tabernakel was als het ware een station en zodanig gebouwd om uitzendingen te kunnen ontvangen. Dit station verzamelde de sterkte van de Shechina van elke kant en van boven (de spirituele wereld) en hier beneden (de fysieke wereld). Voor de bouw van het Tabernakel door Mozes, werd de spirituele kracht van G’D niet openlijk doorgegeven naar een specifieke plaats op deze wereld. Wat als gevolg had, dat de wereld een verblijfplaats was voor de “kelipot”, spirituele krachten, ogenschijnlijk verwijderd van de heilige aanwezigheid. Door het bouwen van een plaats voor een eredienst en het loven van de Heilige Aanwezigheid op deze wereld, brak Mozes de macht van de kelipot, waardoor de G’ddelijke overvloed vrijelijk in deze wereld kon stromen. (van de RaMaK)

Aldus, de wijze waarop het Tabernakel was gebouwd, was vergelijkbaar met een fysiek lichaam. Op dezelfde manier als een persoonsbewustzijn [letterlijk “verstand”] van binnenin beïnvloed vanuit zijn omhulsel, zo ook is Heilige Spirituele Aanwezigheid gevormd met een lichaam.

Dit is het mysterie van de heilige Shechina die het Boven en het Beneden omvat, het mysterie van de Heilige Spirituele Aanwezigheid die verbonden is met de spirituele wereld en zich openbaart in de fysieke wereld. De Shechina is altijd een neerwaartse samentrekking vanuit het spirituele naar een manifestatie in het fysieke; dit is het mysterie van het Tabernakel als een “lichaam”, gebouwd om het “brein” te ontvangen binnen zijn omhulsel. Dit alles was tot stand gekomen in overeenstemming met visie van Mozes.

De heilige spirituele aanwezigheid van de Shechina werd als het ware gekleed in het lichaam van het Tabernakel. Zodat een ander geestelijk aspect aan het geheel kon worden gegeven, het licht van de naam Havayah, het “mannelijke aspect” van G’D. Alles was samen verenigd en omvatte elkaar en was gehuld met elkaar, zodat de Shechina zich verenigde met deze wereld, welke de uiterste omhulling (schil) is van de spirituele wereld. Deze aankleding representeert de neerwaartse samentrekking van het Oneindige in het eindige door een reeks van lagen zoals de huiden (rams-vellen en tachash-vellen) over het Tabernakel. (van de RaMaK)

Het omhulsel van Deze Wereld is de meest fysieke manifestatie van allen de drie omhulsels, schillen, lagen, zijn samentrekkingen van het spirituele licht, welke entiteiten creëert, gesepareerd van hun oorsprong. Deze schillen, of kelipot, zijn als schillen van een walnoot die nog groeit aan zijn boom. De uiterste, de groene schil, is niet de hardste schil [zacht en nattig], daarentegen is de schil eronder hard [als hout]; dit is als de negatieve inclinatie die heerst in een lichaam. Onder deze schil zit een andere, een fijnere, een puurdere, een membraam welke het brein bedekt [de oorsprong van de geest en bewustzijn in de mens].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT MISHPATIEM

 Rechtsvoorschriften

 

Exodus. 21:1 – 24:18

 

De Thora Wetgeving

 

Na het hoogtepunt van G’ddelijke revelatie, weergegeven in de parasha van verleden week, werpt Mishpatiem ons pardoes in de complexe diepten van de gedragsvoorschriften van de Thora. De voorschriften gereveleerd bij Mara voorafgaand aan het “ Geven van de Thora”, samen met de voorschriften die worden beschreven in Mishpatiem en al de andere voorschriften die elders zijn beschreven in de Thora, zijn alle integraal onderdeel van de universele wetgeving die werd gereveleerd aan de Sinai (zie Rashi op Leviticus. 25:1). Aangezien G’D perfecte eenheid vertegenwoordigt, werd de gehele wetgeving uitgesproken in een enkele lichtflits door de eerste Diboer, “ woord” “ Ik ben de Eeuwige, je G’D” (Exodus. 20:2). Corresponderend met de Tien Sefirot, die ten grondslag liggen aan heel de Schepping, de Tien Woorden Aseret HaDibrot, de “ Tien Geboden” constitueren de onderliggende fundamentele grondslagen van de gehele Mozaïsche Wetgeving. In zekere zin, “is al het andere commentaar”, de zes honderd dertien afzonderlijke mitzwot die deel uitmaken van de wetgeving, zijn allen impliciete details in de essentiële eenheid van G’D. Ze zijn allemaal nodig om die eenheid aan de wereld te reveleren.

 

Velen in de wereld brengen de Tien Geboden over hun lippen, maar we hoeven niet ver te zoeken om te constateren dat praktisch alle op een of andere manier door mensen in deze wereld worden overtreden. Overal binnen samenlevingen zijn criminaliteit en geweld, seksuele immoraliteit, laster, afgunst en hebzucht en jalousie wijdverbreid. Nauwelijks kent men de ware inhoudelijke betekenis van Shabbat in de wereld, een dag in de week van het compleet laten rusten van technologie en zakelijke aangelegenheden, een dag om met G’D te zijn.

 

De vele voorschriften in Mishpatiem constitueren de essentie van de Mozaïsche Wetgeving, ons lerend hoe met G’D te zijn in al onze aangelegenheden en activiteiten in deze wereld.

 

Het is toepasselijk voor het Volk dat naar de Sinai kwam vanuit de slavernij in Egypte dat de wetgeving van Parashat Mishpatiem opent met de voorschriften van slavernij. De wet van Mitzraim, Egypte, de plaats van Metzar, restrictie, beperking, was dat geen slaaf ooit vrijuit kon gaan. Maar de eerste van de gedetailleerde voorschriften van de Thora Wetgeving zegt ons dat het tegenovergestelde het geval is. De Hebreeuwse slaaf moet zes jaar werken voor zijn meester, maar het zevende jaar gaat hij vrijuit. Als hij verkiest om na zes jaar bij zijn meester te blijven, mag hij dit doen, maar alleen tot het vijftigste jaar, het Jovel jaar, “jubilee”. Tijd gaat in cyclussen. Iemand kan diep vallen, maar uiteindelijk draait de cyclus rond, en komt vooruit. De cyclische aard van tijd, impliciet weergegeven in het vierde gebod (zes dagen van werk gevolgd door Shabbat), is gereveleerd in de voorschriften van slavernij in Mishpatiem in een bevrijdende eigenschap. De dag van Shabbat, het Sabbaticaljaar en het Jubilee (na 7×7=49jaar), hebben alle het vermogen om ons van de uiteenlopende vormen van slavernij waarin men zich stort te bevrijden.

 

Slavernij in de letterlijke zin, is nog steeds wijdverspreid in grote delen van de wereld. Daarnaast zijn er vele zogenaamd vrij “ zij zijn ook slaven” op een of andere wijze, hetzij door de omstandigheden om hen heen of door de diep in het innerlijk gewortelde blokkeringen, neigingen, behoeften en verlangens, aan wat door de media wordt gedicteerd, gewoonten, reclame uitverkoop, etc. etc.

 

De Heilige Zohar, waarin commentaar op Mishpatiem exceptioneel lang is, reveleert in detail hoe de voorschriften van slavernij in onze parasha de wetten en principes bevatten, waardoor zielen worden gereïncarneerd in deze wereld. Zielen worden verplicht om verschillende incarnaties te “dienen” om schuld af te lossen opgelopen door misdragingen en falen in voorafgaande incarnaties. Alle andere gedetailleerde geboden in de Thora bevatten evenzo diepgaande kabbalistische verwijzingen. Want de gereveleerde wetgeving van de Thora, die betrekking heeft op zaken en andere aangelegenheden in ons leven, is een en de zelfde als de wetgeving waardoor G’D het hele universum op al zijn verschillende niveaus regeert. Alles is eenheid.

 

                                 

Naast slavernij, bevat de wetgeving in Mishpatiem de basis wetten van huwelijk, moord, doodslag, ontvoering, moedwillige geweldpleging, moedwillige en niet moedwillige toegebrachte schade aan personen en bezit, diefstal, nalatigheid, leningen, rechtbank procedure, rituele en andere wetten. De wetgeving eindigt met de voorschriften van het Sabbaticaljaar, de Shabbat en jaarlijkse terugkerende feestdagen, die alle verlossing teweeg brengen in de cycli van tijd.

 

Aan het einde van de parasha lezen we: “ En de Eeuwige zei tegen Mozes: Kom naar boven naar Mij, de berg op en blijf daar, en Ik geef je dan de Stenen Tafelen met de Thora voorschriften en Mitzwot die Ik heb opgeschreven om hen te onderwijzen.” (Exodus. 24:12)

 

De Talmoed verklaart: “De Tafelen zijn de Tien Geboden. De Thora betekent de geschreven Thora, “Mikra”; De Mitzwot betekent de Mishna (Mondelinge Thora); die Ik heb geschreven, zijn de Profeten en de Heilige Geschriften (Nevi’iem en Ketoeviem). Om hen te onderwijzen, is de Gemara, (de deductieve principes van de Thora). Leerstellingen, die alle werden gegeven aan Mozes op de Berg Sinai.

 

De geschreven Thora, zoals we lezen in de wekelijkse parasha, is integraal een eenheid met de Mondelinge Thora. Dus onze Parasha van Mishpatiem bevat de fundaties van de wetten uitgebreid uiteengezet in de vier van de zes orden van de Mishna, de Mondelinge Thora. Dus in Mishpatiem treffen wij sommige van de belangrijkste voorschriften aan van de orde van Zera’iem, zaden, met andere woorden, landbouwkundige wetten, van Nashiem, huwelijkswetten en van Nezkiem, schade en eigendomsrecht, leningen, legale procedures.

 

Aan het einde van Mishpatiem lezen we: ”En Mozes trad de wolk binnen en besteeg de berg en veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes op de berg” (Exodus. 24:18). Onmiddellijk daarna, in de volgende wekelijkse parasha van Teroema, begint de Thora de vormgeving van het Heiligdom, het prototype van de Tempel, uit te leggen en hoe het werd geconstrueerd en geïnaugureerd in de wildernis. Dit neemt het laatste gedeelte van Exodus in beslag, waarna we Leviticus binnen gaan en de wereld van het brengen van offers en rituele reiniging. Het brengen van offers en het rituele reinigen zijn de onderwerpen van Kedoshiem (heilige onderdelen en voorwerpen) en Taharot (zuivering), de laatste twee orden van de Mishna.

 

Deze Shabbat, na het lezen van de Thoralezing in de synagoge, zegenen we de komende maand van Adar, een maand waarin de Mazal van Israël dominant wordt.

 

Mishenichat Adar, MarBin BeSimcha!! Wanneer Adar komt, maximaliseren we Simcha!!

 

SHABBAT SHALOM             

      

 

   

 

DRIE DIMENSIES VAN G’DDELIJKHEID

Het concept, dat de fusie van het fysieke en het spirituele mogelijk werd en toegekend werd aan het Joodse Volk, wordt aangegeven in de eerste drie woorden van de Tien Geboden: Anochi Havayah E-lohecha, “Ik ben de Eeuwige, je G’D.”

 

Deze drie Namen representeren drie niveaus in de revelatie van G’ddelijkheid. De Naam E-lohiem refereert aan het G’ddelijk vermogen, werkend in het gecreëerde bestaan. Want elk gecreëerd wezen draagt verschillende aspecten van G’ddelijk vermogen in zich, die worden weergegeven in overeenstemming met de individuele aard van dat wezen. Om deze reden wordt een meervoud vorm gebruikt voor de Naam E-lohiem. Want de Naam E-lohiem verwijst naar het feit dat elke gecreëerde entiteit met een voor hem passend aspect van G’ddelijkheid is ingegeven. Dit wordt evenzo equivalent weergegeven in de numerieke waarde van de woorden E-lohiem en hateva, “natuur”. Want dit aspect van G’ddelijkheid is ingesloten in het gecreëerde dat wordt geregeerd door de natuurlijke wetten.

 

Dit wordt ook aangegeven door het gebruik van de taalkundige bezittelijke voornaamwoord vorm in het bovengenoemde vers: E-lohecha,je G’D”.

Inderdaad is de Naam E-lohiem de enige Naam die wordt gebruikt in de bezittelijke vorm. Aangezien deze dimensie van G’ddelijkheid een proces van zelflimitatie ondergaat om passend te zijn aan de gevarieerde niveaus van het gecreëerde, kan het worden begrepen door het menselijk intellect. Dit is de intentie van de bezittelijke vorm, “je G’D”, met andere woorden, de G’ddelijkheid die je kunt vatten.

 

De Naam Havayah daarentegen, refereert aan de dimensie van G’ddelijkheid die de natuurlijke structuren te boven gaat. Dit wordt weergegeven in de interpretatie van de Naam Havayah, “verleden, heden, en toekomst als een.” Binnen de grenzen van de natuur worden verleden, heden, en toekomst gereflecteerd in verschillende tijdsvormen. De Naam Havayah echter gaat deze begrenzingen te boven, de drie smelten samen.

 

Dit is het verschil tussen de godsdienst van de Joden en de godsdienst van de vromen onder de niet Joden. De niet Joodse Volkeren zijn alleen bewust van E-lohiem, de G’ddelijkheid gekleed binnen de natuurlijke orde. Daarom zei Josef tegen Pharao: “E-lohiem zal een antwoord bepalen ten aanzien van Pharao’s voorspoed.” Dit is een dimensie van G’ddelijkheid waar Pharao zich aan kan relateren. Ten aanzien van de Naam Havayah echter verklaart Pharao: “Wie is Havayah dat ik naar Hem zou moeten luisteren?….Ik ken geen Havayah.” Hij had geen bevattingsvermogen van deze niveaus van G’ddelijkheid die de natuur te boven gaat.

 

Anochi refereert aan G’D’s essentie, zoals is gezegd: “Ik ben (Anochi) die IK ben; Ik kan niet worden aangeduid hetzij met een letter of een punt [in een letter].” Niet alleen is dit niveau boven de naam E-lohiem, die is geassocieerd met de wetten van de natuur, het is boven de Naam Havayah, die de natuur te boven gaat.

 

      

G’D is niet gelimiteerd door enige restrictie, hetzij door die van de natuur, noch door die boven de natuur. En om deze reden, kan dit niveau met het natuurlijke en bovennatuurlijk fuseren.

 

Door te zeggen “ Ik (Anochi) ben de Eeuwige (Havayah), je G’D (E-lohecha), zei G’D tegen de Joden dat door het Geven van de Thora, het grenzeloze vermogen van Anochi  fusie teweeg brengt tussen Havayah en E-lohiem (met andere woorden, tussen de niveaus van G’ddelijkheid die de natuur, intellectueel begrip en inderdaad, de gehele Schepping te boven gaan, met die niveaus die kunnen worden gevat door het menselijke verstand).

 

Dit is de reden voor koppeling van die mitzwot die kunnen worden begrepen door menselijke logica, “Moord niet” en “Steel niet” met de oneindige diepgaande mitzwot “Ik ben G’D” en “Laten er geen andere goden voor je zijn naast Mij,” die de diepste dimensie van G’D’s Eenheid communiceren.