PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

We moeten altijd uitgaan van de stelling, dat heel Israël wordt gezien als nèfèsh echad, één ziel, één levenskracht. Israël als geheel wordt aangehaald met de titel adam. Als geheugensteuntje voor dit feit dienen Ja’akov’s familieleden, zesenzestig in aantal, welke verhuisden van het land Kana’an naar Egypte in Genesis 46,26 en waar zij verwezen worden als nefesh, ziel, of persoon, in het enkelvoud. Juist zoals een lichaam 248 ledematen en organen heeft, bestaat het nationale Joodse lichaam, adam, eveneens uit een groot aantal delen.
De Zohar verwijst naar deze delen als sheeivà degoeva, spaanders of splinters van een lichaam.
Er zijn uiteraard importantieverschillen tussen de diverse delen van een regulier lichaam. Dit geldt eveneens in de beschrijving van de lichaamsdelen die de Joodse Natie vormen. Er is een hart, een oog, een hand, etc. Echter, juist zoals alle delen verenigt een heel lichaam vormen, vormen alle delen van de Joodse Natie een unit. De unit, gecreëerd door deze verschillende delen, verenigt en vormt vervolgens in zich, de markawa, voertuig, de spirituele tegenhanger van de terrestrische mens in de Celestische Regionen.
Deze celestische adam is verstandelijk waarneembaar als zittend op de troon welke één van de 248 spirituele ledematen en organen is dat de basis vormt van 248 positieve geboden, welke, indien uitgevoerd door de terrestrische mens, zijn ware bron van leven is “oeshmartem èt-choekotai we’èt- mishpatai asher ja’asèotaam ha’adam wachai bahem ani hashem” “Houden jullie je aan Mijn wetten en aan Mijn rechtsvoorschriften; de mens die deze nakomt zal er door leven”. (Leviticus 18,5)
Met als resultaat dat een persoon die zich separeert van de gemeenschap en een lifestyle nastreeft die niet acceptabel is aan 18,5, zich afzondert van het leven. Als een ledemaat zich losmaakt van zijn lichaam, zal hij sterven.
Dit is de betekenis van het opleggen van een chèrem, een ban, of excommunicatie. Z’n persoon is op weg naar chormah, vernietiging. (Deuteronomium 1,44)
Daarom is de numerieke waarde van het woord chèrem, 248. Israël’s essentiële voordeel over de andere volkeren is, dat het een samengesteld geheel vormt, een unit. Onze wijzen hebben dit duidelijk onderstreept toen zij het Shabbat Mincha, middaggebed, hebben samengesteld waarin zij benadrukken dat juist zoals G’D uniek is in Zijn één zijn, ook Israël uniek is in het zijn van één enkel unit als een volk.
Net zoals is gezegd van de Onuitsprekelijke Naam “G’D is ÉÉN en Zijn Naam is ÉÉN,” (Zacharia. 14,9) zo zijn Ja’akov en de twaalf stammen de parallel van de twaalf combinaties waarop de Onuitsprekelijke vierletter Naam van G’D kan worden geschreven. En de Zohar opparashat Wajeetsée verklaart: De verhouding tussen ‘Ja’akov en de twaalf stammen’ en ‘Josèf en de twaalf stammen’ is respectievelijk analoog aan de verhouding tussen “hashem èchad, G’D is ÉÉN” en “weshemo èchad, Zijn Naam is ÉÉN”.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond   Genesis. 32:4 – 36:43


 

Kwaad zit gehurkt aan de deur

Iemands inclinatie jegens kwaad, zowel als die jegens goed, brengt iemand dichterbij G’D.

Zohar, p. 165b

En Jacob zond afgezanten voor zich uit naar zijn broer Esau, naar de rode velden van het Se’ier, het gebied van Edom.

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers:

Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen. (Psalm. 91:11)

Dit vers werd uitgelegd door de collega’s met de betekenis dat op het moment wanneer iemand in deze wereld komt de “Yetzer Hara” al op hem wacht.

De “Kwade Inclinatie” is de kenmerkende vertaling van de “Yetzer HaraDe stam van het woord “yetzer” is “teweegbrengen” en refereert aan hoe iemands dierlijke drang probeert te voldoen aan behoeften op welk moment dan ook. Vanaf de geboorte verlaat deYetzer Hara iemand niet.

De Yetzer Hara staat voortdurend klaar om iemand te verstrikken in het verkeerd doen van dingen en gaat er vervolgens toe over om hem aan te klagen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers, “Zonde [in het Hebreeuws, Chatat] zit gehurkt aan de deur op de loer, klaar om toe te slaan. (Genesis. 4:7) Wat is dat het gehurkt zitten, wacht om toe te slaan, zodra een persoon uit zijn moeder tevoorschijn komt in deze wereld? Het is de Yetzer Hara. Koning David refereert eveneens aan de Yetzer Hara als “Chatat” als hij zegt, “En mijn zonden [Chatatizijn altijd vóór mij”(Psalm 51:5). DeYetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, elk moment, om een persoon in de ogen van G’D in een slecht daglicht te plaatsen en vanaf het moment dat hij geboren is hij verlaat een persoon niet.

De Yetzer Tov [de Goede inclinatie] komt in een mannelijk persoon wanneer hij de leeftijd van dertien heeft bereikt [en bij meisjes in de leeftijd van 12], dit is de leeftijd waarop een persoon in staat is om zichzelf te purificeren en zich te verbinden met zijn spirituele oorsprong door het doen van mitzwot. Op die leeftijd wanneer een persoon verplicht is om mitzwot uit te voeren, komt de Yetzer Tov om hem te assisteren en de inclinaties verenigen zich met de persoon, de Yetzer Tov aan zijn rechter zijde en de Yetzer Hara aan zijn linker zijde. Deze twee inclinaties zijn in wezen engelen, pure spirituele krachten, en zijn belast met het beschermen van de persoon tegen alles wat hem schade zou kunnen berokkenen. Zij verlaten de persoon nooit. Als de persoon besluit om zichzelf te purificeren en terug te keren naar zijn spirituele oorsprong, onderwerpt de Yetzer Harazich aan de Yetzer Tov en de inclinatie om goed te doen heerst over de inclinatie die slecht doet. Beide verenigen zich door wederzijdse goedkeuring, om de persoon te behoeden voor het doen van kwaad overal waar hij gaat. Om die reden zegt het vers, “Hij zal Zijn engelen aan jou ter beschikking stellen, om op je te passen overal waar je zult gaan”. De engelen refereren aan de twee inclinaties en wanneer een persoon beslist om zijnYetzer Tov te versterken over zijn kwade inclinatie, dan zal de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil zeggen, “Amen”.

 

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok Genesis 28:10 – 32:3

“Ot hajom gadol lo-ét hé’aseef hamiknè hashkoe hatzon oelchoe rè’oe”, “De dag is nog zo lang,het is toch nog geen tijd dat de kudden bijeen gedreven worden.” (Genesis. 29,7)
Toen Ja’akov de herders vermaande dat hun werkdag nog niet ten einde was, betoogde hij dat het in het belang van iedereen is om anderen aan plichten te laten herinneren, wanneer zij tekort schieten.

De Zohar in parashat Wa’etchanán (Sullam editie pagina 62), becommentarieert Ja’akov’s uitspraak, dat de dag nog zo lang is, dat als Israël teshoewa, zou doen, haar verbanning niet langer dan een dag zou voortduren, en dat het zou terugkeren naar het Heilige Land. Dit is gebaseerd op Klaagliederen 1,13: “Hij plaatste mij in verlatenheid en liet mij de hele dag in misère.” Als Israël faalt om tot inkeer te komen, zegt G’D: “de dag heeft een lange tijd te gaan , het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen” [Een dag in het perspectief van G’D is duizend jaar]. Echter, er is een remedie voor Israël namelijk, “ga en geef de kudde te drinken,” m.a.w. laat de mensen Thora leren, drink de waters van Thora, dan kun je gaan naar de plaats waar je rust vindt, naar het Land Israël, je nalatenschap. Een alternatieve mening interpreteert het vers als een referentie naar de dag van beroering, de dag waarop de Tempel werd verwoest en Israël gedwongen was om in verbanning te gaan. Wegens Israëls imperfectie, heeft die dag een lange weg te gaan, m.a.w. “de dag is nog steeds lang” het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen. Aangezien het aan hen zelf te wijten was dat de dag lang duurde, is de remedie, het leren van Thora, zoals de eerste visie in deze Zohar. Aangaande laatstgenoemde visie, antwoordde Israël op deze oproep met de passage van de herders Genesis 29,8, “lo noechal ad asher jé’asfoe kol-ha’adriem wegalloe et-haèwen méal pie habeèr”, “Dat kunnen wij niet voordat alle emanaties bijeen zijn, dan kan men pas de steen (verbanningdecreet) van de bronopening wentelen”; “op die dag wordt de bron, m.a.w. de toegang tot de kennis van Thora, toegankelijk en de kudde kan van water worden voorzien.”
De samengebundelde krachten van de emanaties rollen de zware steen weg, het wrede decreet van de mond van de bron, m.a.w. de laagste van de emanaties malchoet, zodat de Thora in de be’èr, bron, in staat zal zijn om ons gedurende de rest van de verbanning te ondersteunen en onze kudde (Volk) van water te voorzien (ondersteund door Thora). Aan het einde van deze lange “dag,” zal G’D ons terug leiden naar Erets Jisraël, het Land Israël. Als Bilam spreekt over de “be achariet hajamiem”, “einde der dagen” waarin Israëls vergelding wordt beschreven op Moab (Numeri. 24,14), refereert hij aan de periode gedurende welke Israël heeft geleden in verbanning en aan het eind waar G’D die naties zal vergelden die zich tegenover Israël hebben misdragen tijdens die verbanning. De “dag” waarover Ja’akov spreekt tegen de herders is een verwijzing naar deze “be achariet hajamiem”, “einde der dagen.” Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9

We hebben reeds eerder uitgelegd dat de esoterische dimensie van ma’aser, tienden, kenbaar wordt gemaakt door de drie dimensies van de letter joet welke ontplooit in drie giften aan het Joodse Volk, met andere woorden, Thora, Erets JisraëlOlam Haba. Het concept Thora kan worden samen gevat door de letter joet, met andere woorden, De Tien Geboden, welke symbool staan voor alle 613 geboden van de Thora. Het totaal aantal letters in de Tien Geboden is 613 (de letter joet heeft een numerieke waarde van 10). De Tien Geboden zijn heilig.

De tweede gift is Erets Jisraël; de Mishna Keliem 1,6 beschrijft tien successievelijke fasen van heiligheid, van heilige gebieden, Erets Jisraël, als zodanig is de bodem van de lijst van deze heilige gebieden.
De volgende, de hogere graad van heiligheid, is gegrondvest in ommuurde steden (daterend uit de tijd toen Jozua het Land veroverde) binnen Erets Jisraël, gevolgd door plaatsen binnen de ommuring van Jeruzalem, gevolgd door de Tempelberg enzovoorts, tot aan het Heilige der Heilige, in het Heiligdom, De Heilige Tempel.

De derde gift aan het Joodse Volk is de gift van Olam Haba, de Komende Wereld, welke we naar weten was gecreëerd met de letter joet in tegenstelling tot de huidige wereld, welke was gecreëerd met de letter .
De Erets Jisraël in onze wereld moet gezien worden als “tegenovergesteld” aan hetzelfde gebied in een “hogere” wereld aangehaald, door Jesaja, 60,21: “Uw volk (Israël) is rechtvaardig; het zal een eeuwig land erven.”
Dit “eeuwig” land is een esoterische dimensie van de tien directieven waarmee G’D het universum creëerde. We weten dat een enkel directief de nucleus was van alle andere directieven, juist zoals de eerste van de Tien Geboden de nucleus is voor alle anderen geboden. Het kan daarom worden omschreven als het Kodesh Kodoshiem, het Heilige der Heilige. Al deze giften zijn direct gerelateerd aan de patriarchen.
De gift van Erets Jisraël begon werkelijkheid te worden toen Izaak werd verboden om het land te verlaten, zelfs tijdens een periode van hongersnood en G’D legde uit dat dit was omdat dit land was gegeven aan hem en zijn nakomelingen. (Genesis. 26, 2-3)


SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara (Genesis 23:1 – 25:18)

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéén volgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adams origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam zich niet negatief gedragen, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Maar omdat hij zich negatief had gedragen, werd hij verdreven uit de Tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijde, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in Gan Eeden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar Gan Eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Chava daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Chava gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar Gan Eden. Adam had in Gan Eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéén volgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, Patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de Matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, Matriarchen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Chava, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM

OPGEDRAGEN TEN NAGEDACHTENIS VAN LEVI BEN JEHOEDA.

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij             Genesis 12:1 – 17:27

 

Rabbi Shimon bar Jochai.
Zohar, pg. 82a

De Zohar verklaart waarom de eerste zegen, in het Stille Gebed, Shemoné ‘Esré, “Geprezen U, Eeuwige, beschermer van Awraham” is. Het was Koning David, een soldaat, die streed met een fysiek schild, maar zich ook verliet op G’D’s bescherming. Waarom zeggen we dan niet “Beschermer van David”?

Rabbi Jossi opent zijn verhandeling [de uitzonderlijke natuur van Abraham uitleggend] met het citaat “U bent een beschermer voor mij,U houdt mij in ere en heft mijn hoofd op”. (Psalm 3:4) Hier zegt David, dat zelfs als de hele wereld zich tegen hem zou verenigen, om oorlog te voeren [zou hij geen vrees hebben voor een nederlaag] omdat “U bent een beschermer voor mij”. [m.a.w zij kunnen mij geen schade toebrengen.] Kom en zie. De Tekst zegt “een beschermer voor mij” dit betekenent dat David zegt tegen G’D, “Heer van het Universum, waarom is het dat mijn naam niet wordt gebruikt in het maken van een zegen in het Stille Gebed, zoals gedaan voor Abraham? Zoals is geschreven [dat G’D zei tegen Abraham], “Vrees niet Abram, Ik ben een schild voor je”(Genesis.15:1); en [om die reden] zeggen zij [in de eerste zegen van het Stille Gebed] ‘Beschermer van Abraham’.”

Abraham was het archetype van vriendelijkheid, dat voor misbruik natuurlijk vatbaar is. Aangezien hij het voorbeeld van zuivere vriendelijkheid in een gevaarlijke wereld was, beloofde GD om hem van iedereen te beschermen wie macht over hem zouden proberen te hebben. Koning David vraagt of hij eveneens in aanmerking komt voor een zegen voor beveiliging, aangezien hij ook goed bracht in de wereld, oprecht vertrouwde op GD als schild en beschermde bij vele gelegenheden.

De Heilige, Geprezen zij Hij, beantwoordde David door te zeggen, “Ik heb reeds Abraham [ met de 10 proeven, zoals in de Midrash aangegeven ] getest en hem gezuiverd [letterlijk, aangezien hij de oven overleefde waar Nimrod hem in wierp], en hij weerstond volledig [tegen zijn kwade neiging in] elke test.

Aangezien Abraham zijn kwade inclinatie geheel had overwonnen, konden de krachten,die door de Andere Zijde werden voortgebracht, geen enkele invloed over de zegen uitoefenen, die tot zijn verdienste was neergedaald.

Koning David zei tot Hem, dat als dit het geval is “Onderzoek me eveneens, GD en test me; zuiver mijn nieren en mijn hart “. (Psalm 26:2)

[Zo zond G’d hem een test door Bath Sheba] en toen hij handelde zoals hij deed, werd David herinnerd door GD met betrekking tot zijn verzoek. Vandaar dat hij zei “U heeft mijn hart getest” (Psalm.17:3); “U heeft mij ‘s nachts bezocht; U heeft mij getest en mijn gebrek gevonden; laat mijn mond geen overtreding begaan.”

David vraagt, “Ik vroeg U, onderzoek mij G’D en stel mij op de proef, en U testte mijn hart. Ik zei zuiver mijn nieren [om te zien of mijn raad goed was – aangezien zij de zetel van raad zijn], en U testte ze. Maar U stelde mij in gebreke. Anders gezegd, U vond me niet waardig. Ach, wat ik had gevraagd te gebeuren, had niet mijn mond mogen ontsnappen.”

Met al dat [omdat David zijn schuld erkende en berouw toonde], vergaf G’D hem, en om die reden eindigen wij een zegen met de woorden “Schild van David” [in de zegen na het lezen van deHaftara (Profetenlezing) op Shabbat]. Vanwege dit alles begreep Koning David dat G’D ook een waar schild was voor de sefira vanmalchoet, David zei in de boven aangehaalde quotatie, “En U, G’D, bent een schild voor mij; mijn glorie, en Degene die mijn hoofd opheft”, [dit betekenent] “Natuurlijk is deze sefira[malchoet] mijn eer en de ware kroon welke ik op mijn hoofd draag”.

Omdat de sefira van malchoet direct onder de sefirot van jesod entiferet is, in het diagram van de Boom van het Leven, worden alle zegeningen van de hogere sefirot direct er naar gekanaliseerd, via het middenpad. Dit houdt deze zegeningen uit de greep van de externe krachten en beschermt hen. Ook moet opgemerkt worden dat de kleur,die geassocieerd is met de sefira van malchoet, blauw is. Vandaar de Ster van David op de Israëlische vlag, welke een representatie is van zijn schild, met als kleur, blauw.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT NOACH

Noach (Genesis. 6:9 – 11:32)

 

RABBI JITZCHAK LURIA


De geschriften van de Ari

Toen Noach, na de vloed, uit de ark kwam dicteerde G’D aan hem de zeven Noachidische geboden. Inhoudend, het verbod om het vlees van een levend dier af te stropen, wat het algemeen onnodig pijnlijden van dieren aangeeft. Ten aanzien van het doden van dieren wordt in de Zohar, 11:68b aangehaald, dat geen enkel creatuur doelloos is geschapen.

Het is [daarom] verboden om dieren doelloos te doden.

De wijzen verklaren: “Alles wat de Eeuwige, geprezen zij Hij, creëert, creëert Hij alleen voor Zijn eer, zoals staat geschreven, Alles wat genoemd wordt in Mijn naam en voor Mijn eer, creëerde Ik, Ik vormde het, Ik maakte het Zelf.” (Avot 6:11; Jesaja 43:7)

We zullen nu zien hoe de Arizal deze verklaring uiterst persoonlijk concludeerde, en ten opzichte hiervan dat zich gedroeg met uiterste piëteit.

Mijn leraar [de Arizal] was uiterst voorzichtig om geen enkel insect te doden, zelfs niet de kleinste en de onaanzienlijkste zoals, vlooien, luizen en dergelijke, zelfs niet als zij hem beten.

We weten wat de Wijzen zeggen, commentariërend op het vers, “Zijn vijanden zullen ook vrede sluiten met hem” (Spreuken 16:7), sommigen zeggen dat dit verwijst naar de hond, anderen zeggen dat dit verwijst naar de slang, en nog anderen zeggen dat dit refereert aan de vlo. Jeruzalem Talmoed, Teroema)

Deze gedachte is het antwoord van Rabbi Elazar aan Rabbi Chizkiya opgenomen in de Zohar ( II:68), waar de mythische betekenis van het vers “Zal de slang bijten zonder gefluister (Prediker 10:11) wordt verklaard.  

Rabbi Elazar en Rabbi Chizkiya wandelden samen en passeerden een slang. Rabbi Chizkiya was van plan de slang te doden, maar Rabbi Elazar zei hem dit niet te doen. Toen Rabbi Chizkiya protesteerde, met het argument dat het een gevaarlijk dier was, citeerde Rabbi Elazar het bovenstaande vers, en interpreteerde het met de betekenis, dat een slang alleen iemand bijt als G’D hem influistert dit te doen.
G’D creëerde slangen om bepaalde mensen te doden om daardoor hen te verhinderen en te weerhouden dat zij kwaad doen. Om zeker te zijn dat wij schepsels niet onnodig doden. Maar zich onthouden van het doden van dieren die een dreigende houding aannemen t.a.v. menselijk leven ( of gevaarlijke ziekten kunnen overbrengen) is strijdig met de Joodse wetgeving en het is te betwijfelen of enig Thora autoriteit dit zou toestaan. Inderdaad is het toegestaan gevaarlijke slangen te doden op Shabbat, wanneer dat normaal gesproken is verboden.

We mogen aannemen dat de Arizal zich geen zorgen hoefde te maken om het in leven of niet in leven te laten van slangen, omdat hij niet bang hoefde te zijn te worden gebeten om hem beletten te zondigen.
Anderzijds zien we dat hij werd gebeten door insecten en ongedierte. De vraag is hoe de Arizal zich kon onthouden van het doden van slangen en dergelijke en hen toestond een gevaar te zijn voor anderen. Misschien bedoelde de Arizal alleen dat we geen slangen moeten doden in hun natuurlijk wilde leefomstandigheden, maar alleen als zij dicht bevolkte menselijke gebieden in gevaar brengen (of als het mogelijk is hen terug te plaatsen in hun natuurlijke omgeving).

Maar dit alles is enkel gissing. Het kan net zo goed mogelijk zijn dat de Arizal het voorkomen van het doden van creaturen in zijn geheel bepleit, zelfs ten koste van een menselijk leven.

SHABBAT SHALOM

 

SJEMINIE ATSERET, SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

De Lubavitcher Rebbe

 Het hoofdconcept van Simchat Thora is simcha, of vreugde, zoals de naam van het feest al aanduidt. Het is van deze uitzonderlijke dag dat wij al ons geluk voor het hele jaar verkrijgen.

Alhoewel het waar is dat alle feestdagen, tot een bepaalde hoogte, geassocieerd zijn met simcha, in het bijzonder Soekkot, welke “de tijd van vreugde” wordt genoemd, brengt Simchat Thora een groter aspect van simcha dan alle andere feestdagen en is het het hoogtepunt van de simcha  van Soekkot.

 

Wat is de bron van de vreugde op Simchat Thora, en wat zet het apart van het geluk dat we ervaren van andere feestdagen? In de Zohar, parashat Pinchas, wordt gezegd dat het gebruikelijk is dat Simchat Thora een dag is van vreugde en geluk.

Dit maakt Simchat Thora anders dan de dagen van Soekkot, welke de eigenschap beschrijven van vreugde omdat zij geassocieerd zijn met de graanoogst, daar de verheven stemming van Simchat Thora een verwijzen is naar “gebruik”, omdat het komt van een plaats verder dan natuur en oogst.

 

Bovendien zou iemand misschien zeggen dat de simcha van Simchat Thora is afgeleid van het lezen van de Thora. Echter, de vreugde die het leren van Thora geeft is eveneens natuurlijk, eerder dan een gewoonte, zoals het vers zegt, “De opdrachten van G’D zijn puur, en verblijden het hart. (Psalm. 19:9)

 

Misschien komt de blijdschap van Simchat Thora van het dansen? Dansen is de G’ddelijke dienst van het accepteren van Hemels Koningschap.

Dansen verhoogt de vreugde, maar het is niet de ware grond van de simcha. Vergelijkbaar met de manier waarvan de spraak komt met het intellect en het hart, en, op het zelfde moment emoties en begrip toevoegt. Hoe dan ook, niemand zou zeggen dat de bron van emotie en begrip komt van de spraak zelf. Insgelijks, simcha inspireert tot dansen en het dansen verhoogt de simcha, maar het dansen is niet de oorsprong van de vreugde.

 

Het centrale punt van de dienst op Simchat Thora is de hakafot, wanneer we zeven keer rondlopen met de Thora, er is gezegd dat de simcha op dat moment zo groot is dat zelfs de voeten zich verheugen. Als het concept van Simchat Thora zo nauw verbonden is met dansen, waarom lezen we dan nog van de Thora?

Het antwoord ligt in het feit dat, op Simchat Thora, het Joodse Volk een hoger aspect van de Thora neer haalt vanuit de Thora zelf, een vreugde die de Thora kroont van het aspect van keter.

 

Op de feestdag van Simchat Thora (21 oktober, buiten Israël), of de samengevoegde feestdag Shemini Atseret Simcha Thora ( 20 oktober in Israël) lezen wij het afsluitende gedeelte van de Thora Wezot HaBeracha. Wanneer dit is voltooid, begint de lezer onmiddellijk met het lezen van het eerste gedeelte van de eerste parasha van de Thora, Bereeshiet, dus het einde verbinden naar een nieuw begin. Het volledige gedeelte van Parashat  Bereeshiet wordt gelezen op de Shabbat die volgt op Simchat Thora, wat betekent Shabbat 22 oktober.

 

GOED JOM TOV, SHABBAT SHALOM

 

 

              

PARASHOT WEZOT HABERACHA- BEREESHIET

En dit is de zegen, Deuteronomium. 33:1 – 34:12, In het begin, Genesis. 1:1 – 6:8

 

 

Rabbi Shimon bar Jochai.

 

Het verwelkomen van gasten van de Soekka.

 

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat Zot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soekka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van chesed tot malchoed]. Gelijk de manier het is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; chesed, gevoera, tiferet, netzach, hod, en jesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soekka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, referent aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soekka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezichtuitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soekka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van Bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

Goed Jom Tov

 

In het begin Genesis. 1:1 – 6:8

 

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar 1, 30b, 31b

 

1:3 WE JOMER ELOKIEM JEHIE OR WAHIE OR – G’D zei, “ER ZIJ LICHT” EN ER WAS LICHT.
Telkens wanneer het woord wahie (”er was”) voorkomt, verwijst dat naar deze wereld en de Komende Wereld. Jehie Or -”Er zij licht”in deze Wereld; Wahie Or – “Er was licht”. Was – omdat het nadien was verhuld, zoals is verklaard, om te worden geopenbaard in de Komende Wereld.
Rabbi Jose zei: Dit licht was compleet verhuld en zal alleen geopenbaard worden aan de rechtvaardigen in de Komende Wereld, zoals het vers zegt: ” Een licht is uitgespreid over de rechtvaardigen” (Psalmen 97:11). Rabbi Jehoeda zei: Zou het totaal verhuld zijn, had de wereld niet continu kunnen existeren, zelfs niet voor een moment. Echter, het is verhuld en zodanig kiemend voor zaad welke planten voortbrengt en op zijn beurt meer zaad en meer planten. Op deze wijze wordt de wereld gecontinueerd.

Zohar Chadash,Bereshiet 8a

Er gaat geen dag voorbij zonder dat iets van dit licht uitstraalt naar de wereld zodat hij continu kan existeren. En zo voedt de Heilige, geprezen zij Hij, de wereld. In elke plaats waar ‘s nachts Thora geleerd wordt, komt een straaltje neer van dat licht op diegenen die Thora studeren.

 

 

 

Zohar I, p.46a

1:5 VAJIKRA ELOKIEM LA’OR JOM WELACHOSHEG KARA LAILAI WAJEHIE-EREV WAJEHIE-BOKER JOM ECHAD G’D NOEMDE HET LICHT “DAG” EN DE DUISTERNIS NOEMDE HIJ “NACHT”; EN HET WERD AVOND EN HET WERD OCHTEND: ÉÉN DAG.
In het volgende gedeelte legt de Zohar uit dat het geheim van de G’ddelijke voorzienigheid, wat fundamenteel is in het Joods denken, in dit vers ligt opgesloten. Wanneer wij niet rationele gebeurtenissen ervaren, moeten wij bedenken dat niets zonder reden plaats vindt, niets is zomaar. G’D overziet elk detail van de schepping. ( zie R.Chaim Vital, Or HaChama )
Rabbi Jehoeda leert: Waarom verklaart de Thora na elke scheppingsdag, “Het werd avond en het werd ochtend?” Om ons te informeren dat er geen nacht is zonder dag en geen dag zonder nacht. Alleen als combinatie zijn zij één. Het is echter niet gepast om hen als een gesepareerde entiteit te zien. Daar duisternis en nacht in het algemeen verwijzen naar barheid en kwaad, verwijzen licht en dag naar barmhartigheid en goedheid, zoals al eerder is uitgelegd. Rabbi Jehoeda leert dat men daarom niet moet concluderen dat er twee Godheden zijn.
Rabbi Jose legt uit dat het licht dat was voortgebracht op de eerste dag, alle andere dagen van de schepping heeft begeleid; Van daar dat “Het werd avond en het werd ochtend” bij elke gebeurtenis is geschreven.
Rabbi Shimon bar Jochai legt uit dat de eerste dag alle andere dagen vergezelt en dat de eerste dag alle andere dagen beheerst, om ons te laten zien dat er geen verscheidenheid bestaat in de Heilige, geprezen zij Hij (Bereshiet Rabba 3:8;Rashi, Bereshiet 1:4)

SHABBAT SHALOM

 

 

DE KABBALA VAN SOEKOT

Wanneer wij Zijn heilige mitzwot uitvoeren, brengen we G’D’s verlangen in de openbaarheid. Doch aan de onderliggende grondslagen van G’ddelijk verordineerde handelingen ligt de verborgen Heilige G’ddelijke Gedachte. Onze gedachten worden alleen herkenbaar door spraak of handelingen. Zoals het beneden is, zo is het boven. De Gedachten van G’D zijn verborgen voor onze waarneming. Zij kunnen alleen worden herkend en begrepen wanneer Hij dit wenst. In mitzwot zelf, in de exacte woorden en de letters die woorden vormen, zijn heilige aanwijzingen verborgen, over wat er omgaat in G’D’s gedachten en waarom Hij ons oplegt deze mitzwot uit te voeren, specifiek in deze periode, de precieze mitzwot van Soekot (Loofhuttenfeest).

 

De details van de mysteries van Soekot vullen vele bladzijden in de geschriften van de Kabbalisten. Specifieke details tarten de vertaling vanwege de vele complicaties in het verklaren van de diepgaande Kabbalistische spirituele concepten. Nederlands en andere talen ontberen eenvoudig de juiste woorden die gebruikt kunnen worden om behoorlijk de esoterie van de Thora over te brengen.

 

De mysteries van het Soekotfeest kunnen worden gevonden in het woord Soeka zelf. Gespeld met de vier Hebreeuwse letters, net zoals de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ, bergt het woord Soeka in feite de Heilige Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ in zich. De numerieke waarde van het woord Soeka (Samech, Vav, Kav, Hé) is 91. 91 is een heilig getal in Kabbala. De twee letters Kav en Vav in Soeka zijn numeriek gelijk aan 26. Dit is de numerieke waarde van  JOED-HÉ-VAV-HÉ waar deze Naam binnen het woord wordt verborgen. Wanneer 26 wordt afgetrokken van 91 blijft 65 over, een ander belangrijk kabbalistisch getal. 65 is de numerieke waarde van de heilige Naam Adonai. Dus samen bestaat het woord Soekot uit twee heilige Namen. Doch deze twee Namen zijn veel meer dan heilige woorden. Deze twee Namen delen een bijzondere en heilige verwantschap.

 

Adonai is de Naam die we aanwenden om G’D aan te spreken. JOED-HÉ-VAV-HÉ is de Naam zoals het is geschreven. JOED-HÉ-VAV-HÉ is in gedachten, Adonai is in spraak. Hierin ligt het mysterie. De heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ geeft het verborgen latente potentieel intrinsiek weer, terwijl de Naam Adonai een aspect van dat potentieel weergeeft. Wanneer gecombineerd, geven JOED-HÉ-VAV-HÉ en Adonai daarom de vereniging van het G’ddelijk potentieel en de manifestatie van dat potentieel weer.

 

In de sfeer van de sefirot, correspondeert de Naam  JOED-HÉ-VAV-HÉ met de zes sefirot (Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod en Yesod). Samen worden deze zes Zeir Anpin genoemd, Zeir Anpin, het “Kleine of Smalle Gezicht”. Zeir Anpin is het gezicht dat ongezien is in ons universum, toch is het de oorspong van alle dingen die hier gebeuren. Dit “Gezicht” van G’D is wat gezien wordt in de Hemelen. Het “Gezicht” van Zeir Anpin is gecentraliseerd op de sefira Tiferet, die het hemelse Hart en de bron is van de heilige geschreven Thora.

 

De naam Adonai daarentegen,  refereert aan de sefira Malchoet, de heilige Shechina. De Shechina wordt ook Noekva genoemd (het feminiene), de gezellin van Zeir Anpin. Het is door de Shechina/Malchoet dat Zeir Anpin hier in ons fysieke universum wordt gemanifesteerd. De Shechina is de levenskracht die tot alle vorm aspecten leidt in het fysieke universum. De Shechina is dat aspect van G’D dat aan alles dicteert wat het verondersteld is om te zijn. De Shechina is de onderliggende kracht van de natuurwetten. De Shechina creëert natuur, door als kanaal te dienen voor Zeir Anpin. Zodanig is Noekva de spreekwoordelijke gezellin van Zeir Anpin. De twee moeten in gepaste harmonie zijn omwille van de continuïteit van het universum. Zonder het -één zijn- van Zeir Anpin en Noekva zou ons fysieke universum terugkeren naar de koude primordiale soep, de leegte zonder enig leven en bewustzijn.

 

Zeir Anpin en Noekva moeten zich in een continue staat van -één zijn- bevinden om de hemelse overvloed van G’ddelijke energie te laten vloeien in ons universum. Leven is altijd vloeiend en vibrerend, zo ook de Thora. Zoals Zeir Anpin algemene vormen bepaalt van alles wat moet zijn zo voorziet Noekva de in details. Zoals het boven is, zo is het beneden. Dit is het mysterie van de geschreven en de mondelinge Thora. Zeir Anpin manifesteert de geschreven vorm van de Thora, geëtst en gegraveerd in de heilige letters. Noekva ademt in deze letters en geeft hen hun betekenis en parameters. Zoals allen die een Thoraleven leiden weten, is het onze mondelinge Thora die vorm en inhoud geeft aan de heilige geschreven Thora.  De twee tezamen zijn als man en vrouw, onvolledig zonder elkaar. Zoals het beneden is, zo is het boven.

 

In Kabbala refereert Zeir Anpin ook aan de Heilige, Geprezen zij Hij. Noekva/ Malchoet, zoals we zeiden, refereert aan G’D’s Shechina. De vereniging van Zeir Anpin en Noekva is dus een eenwording van de zeven sefirot die de Actief/ Gevende (masculien) en de Passief/Onvangende (feminien) grondbeginselen in de Schepping verenigt.

 

 

Hiernaar  wordt ook verwezen als de eenwording van de spirituele sferen van de Hemel en de fysieke sferen van de wereld. Hier in deze wereld wordt dit gemanifesteerd in de vorm van de eenwording van de geschreven en de mondelinge Thora. Dus de eenwording van de Heilige, Geprezen zij Hij en Zijn Shechina is de gehele zin van de Schepping en de reden waarom de mensheid en in het bijzonder het Joodse Volk de verplichting werd opgelegd om de mitzwot in acht te nemen. Dit diepgaande concept wordt scherpzinnig aan ons geopenbaard in de letters die het woord Soeka spellen. Dit universele concept van harmonie en continuïteit is de onderliggende “Gedachte van G’D” waanneer Hij ons opdraagt om zeven dagen in Soekot (loofhutten) te verblijven.

 

Het soekotfeest duurt zeven dagen. Deze zeven dagen corresponderen met de Sefirotische eenwording van de zes sefirot van Zeir Anpin en de Sefira Malchoet/Noekva. Deze zeven dagen verenigen de hemelse sefirot en stralen hun invloed op ons uit. Doch zoals met vele dingen in deze fysieke wereld, moet men op de juiste plaats en op de juiste tijd zijn om datgene te ontvangen wat ontvangen kan worden.

Moge G’D ons allen zegenen om te participeren in deze heilige mitzwot en deel te laten nemen in het teweegbrengen van de heilige Hemelse eenwording.

 

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV