PARASHAT BALÁK

BALAK           Numeri. 22:2 – 25:9


Expressies van Kwaad


De Lubavitcher Rebbe


Likoetei Sichot vol. 23, p.166

Balak zoon van Tzippor was in die tijd Koning van Moab. Hij zond afgezanten naar Bil’am, zoon van Be’or, zeggend: Kom alstublieft en vervloek voor mij dit volk……(Numeri. 22:4-6)

 

Waarom zou een hele parasha van de Thora Balak genoemd worden? De nauwkeurige lezer zal opmerken dat de Thora negatieve bewoordingen en idiomen waar mogelijk schuwt (Bava Batra 123a;Pesachiem 3a). Bovendien gelast de Thora ons alle sporen van kwaadaardigheid en afgodenrij uit te wissen (Spreuken. 10:7; Yoma 38b) Waarom dan vereeuwigt de Joodse traditie de naam van een slechte afgodische koning, die zeer duidelijk wenst om het Joodse Volk tegen elke prijs uit te wissen en er in feite in slaagt om een honderdduizend van ons de dood in te jagen? (zie Rashi op Numeri. 25:5)

 

Bovendien schijnt de echte slechterik Bil’am te zijn, wiens vermogen om te vervloeken ongetwijfeld een echte bedreiging voor de Joden vormde. Om precies te zijn, Balak is de gene die Bil’am inhuurde, maar de handeling concentreert zich meer op Bil’am.

 

Voordat het Joodse Volk het Beloofde land kon binnentrekken en de Thora’s autorisatie kon beginnen te vervullen in de fysieke wereld, met als uiteindelijk doel het inleiden van de Messiaanse toekomst, moest er een handeling van transformatie plaatsvinden. De fundamenten moesten gelegd worden voor de transformatie  van alle realiteit, dat zou uiteindelijk het doel zijn en resulteren in het leven van het Joodse Volk in hun Land.

 

De haat en vervloekingen van de vijanden van G’D’s Volk moesten worden getransformeerd in zegeningen en niet in zomaar zegeningen, maar in de profetieën van de uiteindelijke zege van G’D’s Volk over de vijanden die trachtten hen te vervloeken. In de Messiaanse Era, zullen de niet Joodse Volkeren al hun macht gebruiken om het Joodse Volk bij te staan, in plaats van hen te bevechten, zoals is geschreven, “Koningen zullen zorgdragers worden en hun prinsessen je verzorgsters” (Jesaja. 49:23). “Vreemdelingen zullen opstaan en je schapen leiden en de zonen van de vreemde zullen je land en wijngaard bouwers worden” ( Jesaja. 61:5-6) .

 

Want de Messiaanse verlossing zal de volledige vernietiging en transformatie van kwaad aankondigen, het moet nu duidelijk zijn waarom de profetieën betreffende deze Era voortkwamen uit de mond van de afgodische Bil’am. Alleen op deze wijze kon de volle kracht van hun transformationele aard worden uitgedrukt.

 

Om dezelfde reden is deze parasha genoemd naar Balak, aangezien hij het idee belichaamt dat de Messiaanse Toekomst volledig zal worden getransformeerd van kwaad naar goed. Ten eerste, hij haatte het Joodse Volk meer dan wie dan ook( met inbegrip van Bil’am, die niet zou hebben geprobeerd de Joden te vervloeken, had Balak hem niet ingehuurd dit te doen, zie Midrash Tanchoema, Balak 2), toch was het resultaat van zijn haat dat de Joden gezegend werden met de verzekering van hun triomf. [ Volgens anderen echter (zie Rashie op Numeri. 22:1),  haatte Bil’am de Joden meer dan Balak.]

 

Vergeet niet dat de parasha met opzet genoemd is naar Balak, want hoewel de namen van de Thora gedeelten meestal worden ontleend aan de eerste woorden, wordt het woord Balak in deze parasha voorafgegaan door het woord “En hij zag”. Dus de parasha kon genoemd worden naar dit woord, net zoals, bijvoorbeeld, de Thoragedeelten Wajerá en Wa’erá genoemd naar hun eerste woorden en naar het onderwerp van deze werkwoorden [G’D, in Genesis. 18:1; Abraham, Izaak en Jacob, in Exodus. 6:3.]

 

Ten tweede, Balak was een directe voorloper van Mashiach. Koning David, de voorvader van Mashiach, was de achterkleinzoon (vierde generatie zoon) van Ruth, de Moabitische bekeerling (Roet. 4:16-21)  en Ruth was een nakomeling van Balak (Sota 47a). In feite veronderstelde Balak dat Mashiach in directe familie lijn zou zijn en hij vond dat als hij de Joden kon vervloeken, deze grootsheid onder zijn eigen volk zou blijven. De transformatie van kwaad in heiligheid was exact wat hij vreesde. (Shnei Luchot Habrit, Balak, 363b ff., aangehaald in Or HaThora, Balak, p, 902)
Het is vanwege Balak’s personificatie van kwade, alles omvattende haat tegen heiligheid en zijn uiteindelijke transformatie in heiligheid, dat de parasha naar hem is genoemd en niet naar Bil’am. Zijn haat was de katalysator die de hele episode aanspoorde.

 

Het idee dat Balak de aanstichter was, galmt na in de haftara:  “Ben je vergeten Mijn Volk wat Balak, de Koning van Moab besloot en wat Bil’am, de zoon van Beor, hem antwoordde” (Micha. 6:5)  Bil’am beantwoordde alleen de initiatieven van Balak.

 

Het woord “Balak” betekent in het Hebreeuws “opgehouden” of “dood” (Jesaja. 24:1)

Allegorisch dan, beschrijft Parashat Balak een dodende spirituele staat waarin een Joodse identiteit op zijn laagste punt is.

 

Inderdaad gebeurt het soms dat juist wanneer we een groot doel hebben verwezenlijkt in ons leven, we net op het punt zijn om ons “beloofde land” binnen te trekken, dat onze inspiraties worden bevangen door het gevoel van waardeloosheid en neerslachtigheid, ons het gevoel geven van niet opgewassen zijn tegen de taak. Een oprechte zelfschatting laat ons bewust zijn van onze tekortkomingen en zwakten. Hoe kunnen we veronderstellen te voldoen aan de oproep van grootsheid wanneer we zo grondig verdorven en de acute eigenschappen missen die nodig zijn om de uitdaging te zien? We voelen ons “afgesneden”ons leven lijkt op een vloek.

 

In dergelijke tijden, moeten we ons herinneren dat Balak een voorvader van Mashiach is: dat als we onze verbinding met ons uiteindelijke doel vernieuwen, we de vervloeker in ons kunnen transformeren in een bron van zegeningen. We kunnen onze innerlijke vijand en neiging om onze opdracht te vervloeken, omzetten in een zegen door G’D’s droom tot de onze te maken. Elk van ons bezit een messiaanse vonk, een potentieelvermogen om een rol te spelen in de verlossing van deze wereld. Concentratie op onze innerlijke messiaanse noodzaak, stelt ons in staat om boven onszelf uit te reiken en onze ware innerlijke grootsheid te realiseren.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

 

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting       Numeri. 19:1 – 22:1


Op het juiste spoor blijven


Rabbi Shimon bar Jochai


Zohar, p. 283b

[En Hij deed meer goed voor hen, in de zin dat] drie heilige bloedverwanten te midden van hen. Wie waren zij? Zij waren Mozes, Aaron, en Miriam. Het was hun verdienste dat G’D Israël geschenken gaf vanuit de spirituele sferen [het Manna, de Wolken van Glorie en de Bron van Miriam, die hen voedde en voorbereidde zowel fysiek als spiritueel en hen in staat stelde om de Thora te absorberen]. De Wolken van Glorie vertrokken niet zolang Aaron leefde. Dit is zoals is uiteengezet, omdat Aaron de rechter arm [representerend Chesed] van Israël was. Het wordt ook aangegeven door het vers “Toen de Kana’aniet, de koning van ‘Arad’, die in de Negev, het zuiderland, woonde, had vernomen dat Israël in aantocht was langs de weg van Atariem, voerde hij oorlog met Israël.(Numeri.21:1)

 

Rashi zegt dat Arad hoorde dat Aaron was overleden en dat de beschermende Wolken van Glorie waren verdwenen. Hij hoorde ook dat zij door Atariem moesten komen, de eenvoudige Aramese vertaling van  “plaatsen”. Dit verwijst duidelijk naar het feit dat zij begonnen te dwalen omdat  zij de precieze begeleiding misten van de wolken.

 

Zij dwaalden zoals iemand zonder een voorarm, die zichzelf overal waar mogelijk moet ondersteunen [om vallen te voorkomen]. [Omdat zij doelloos waren], bevocht hij Israël en maakte onder hen gevangenen. Dit omdat zij werden achtergelaten zonder hun rechter arm [Aaron].

***********************************************************

Rabbi Jitzchak Luria

 

De Geschriften van de Arizal

De Thoralezing van deze week opent met de mitzwa van de rode koe (vaars),”in het Hebreeuws, “Parah”. De as van de rode koe werd gebruikt om iemand te zuiveren van de onreinheid van dood. “Dood” is een spirituele afname van de ene staat van G’ddelijk bewustzijn naar een lagere (of gebrek aan) G’ddelijk bewustzijn. Dus de mitzwa van de rode koe bevat in zich de esoterische verklaring van kwaad en de purificatie van bezoedeling van kwaad, dood, met andere woorden, verlies van G’ddelijk bewustzijn.

“De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron, ‘Dit is de choekat (G’ddelijk decreet) van de Thora, die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

Jullie moeten die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed ervan en spat met dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

Men verbrandt de koe voor zijn ogen; men moet de huid, het vlees en het bloed ervan samen met de mest ervan verbranden. (Numeri. 19:1-5)

Weet dat de vijf vormen van de sluitletters aangeven de vijf staten van Gevoera. Hun gecombineerde numerieke waarde is 280, en wanneer we 5 toevoegen voor de letterts zelf, hebben we [285, de numerieke waarde van] “rode koe”.

Vijf letters van het Hebreeuwse alfabet hebben verschillende vormen die zij aannemen aan het eind van een woord. Omdat deze sluitvormen een pauze te kennen geven in de stroom van het lezen, beduiden zij de vijf staten van strengheid (Gevoera), of beheersing. De vijf letters met hun numerieke waarden zijn:

 

Mem (40), noen (50), tzadik (90), (80), chaf (20). Rode koe (vaars),”in het Hebreeuws, “Parah”, pé, résh, hé = 80+200+5= 285. De rode koe moest rood zijn, omdat het is neergehaald van Bina.

Alternatief, [de extra hé, waarvan de numerieke waarde de vijf is, noodzakelijk om gelijk te zijn aan de numerieke waarde van “rode koe”, en aangevend dat de vijf staten van Gevoera] afdalen naar Bina, waaraan wordt gerefereerd door de eerste letter [van de Naam Havayah] of afdaalt naar Malchoet, waaraan wordt gerefereerd door de tweede letter [van de Naam Havayah] . Daarom wordt de rode koe “parah” genoemd, met andere woorden, de koe [“par”] van de hé.

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT KORÁCH

Korach (Numeri 16:1 – 18:32)

De Thora wordt “or” “licht”genoemd, omdat het licht brengt. Ook wordt het “ésh” “vuur” genoemd. Men kan zich aan haar warmen wanneer men afstand behoudt, maar kan zich branden als men te dichtbij komt, zo is het ook met het “esoterische” van de Thora.
Als iemand de Tempel te dichtbij komt, verder en boven de positie in het leven gaat, waar hij recht op heeft, maakt men zich kwetsbaar en verwondbaar en kan men in het ernstigste geval, zelfs sterven, hij aanschouwt wat hij in feite niet kan aanschouwen. We hebben dit uitvoerig beschreven en uitgelegd in verband met de dood van de twee zonen van Aaron, Nadav en Avihoe, waar zij de aanwezigheid van de Eeuwige te dichtbij kwamen. (Leviticus 16:1)
De Thora koos niet de verwoording bahakriwam, wat zou betekenen, “toen zij een offer brachten.” De uitdrukking die de Thora gebruikte, geeft aan dat deze zonen een gebied betraden die hun positie in het leven ver te boven ging. Met als gevolg, dat zij stierven.
Enigszins het zelfde gebeurde met de tweehonderd en vijftig mensen toen zij G,D wilden aanschouwen, (volgens Sefer Briet Menoecha) zie Numeri 16, vers17-18 en 35; Numeri 17, vers 1 t/m 5.
Men kan hier van leren dat men niet moet pogen om een positie van een groter en hoger persoon in te nemen tijdens de aanwezigheid van die persoonlijkheid. Men zal niet in staat zijn om die houding te handhaven.
Bedenk dat het Joodse Volk het aantal van zeshonderd duizend vormt, bovendien zeggen de kabbalisten dat zij, de zeshonderd duizend zielen, hun oorsprong hebben in de zeshonderd duizend letters van de Thora. De spiritualiteit van de Thora bestaat uit de zielen van Israël, dus is het toepasselijk dat de generatie die de Thora ontvangt uit zeshonderd duizend zielen bestaat.
Alle successievelijke generaties en hun zielen moeten gezien worden als “vertakkingen” van deze zeshonderd duizend zielen.
Dit roept de voor de hand liggende vraag op, waar de zielen van de Levieten hun oorsprong hebben, aangezien het aantal zeshonderd duizend reeds was bereikt, toen de andere stammen waren geteld. Was de stam Levi niet de uitverkorene? Waar zijn hun zielen uit voortgekomen?

Bedenk dat de eerste van de dertien interpretatieregels (zie Talmoedisch Denken, Rabbijn Mr Drs. R. Evers, de methodologie van de Talmoed en de dertien interpretatieregels van Rabbi Jisjmaëel) die gebruikt worden voor exegese van de Thora, het principe zijn van klal oefrathet algemene en het bijzondere m.a.w de algemene term bevat niet alles, het bijzondere beperkt de betekenis van de algemene term, die eraan voorafgaat
In onze dagelijkse recitaties van deze dertien interpretatieregels is deze gerangschikt als nummer vier.
Het is een algemeen gedachtegoed dat deze dertien interpretatieregels niet zijn samengesteld door het menselijk intellect, maar dat zij grondregels zijn waardoor G’D te werk gaat, zowel voor ons op visueel gebied, als in domeinen die compleet verborgen zijn voor ons. Onze geleerden, die de aspecten van ma’asé beréshiet, de scheppingdaden bediscussieerden, hebben reeds gezegd, met betrekking tot het fysieke universum, dat elk minuscuul detail dat uiteindelijk zal worden onthuld, reeds deel uitmaakte van de dingen die geschapen waren op de eerste dag. Bij het voortgaan van de schepping werden deze pratiem, details, onthuld en werden dag na dag functioneel toepasselijk. Rashi heeft dit uitvoerig verklaard in zijn commentaren op Genesis 1:14 en 1:24.
Filosofen noemen deze eerste fysieke existentie hiyoeli, de grondstof van de wereld. Alle andere elementen zijn daaruit voortgekomen.
Enigszins parallel gebeurde dit in de Celestische Regionen. De oorspronkelijke oorzaak en beweegreden, m.a.w de gedachte van G’D om het universum te creëren, is wat we noemen kalal, omvatten, geheel, een potentieel geheel waarin alles in kon existeren. Alle andere gedachten en plannen van G’D zijn in vergelijking Pratiem, “details”.
Dit concept wordt geheel weergegeven in het feit dat het aantal Levieten bij telling exact twee en twintigduizend bedroeg. Als zodanig waren zij de kalal ten aanzien van de zeshonderd duizend Israëlieten. De Israëlieten zijn de pratiem van de kalal, de Levieten.

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij                                            Numeri. 13:1 – 15:41

 

Het bespioneren van de sefirot


Likutei Thorah 3:51c; Sefer HaMa’amarim Melukat, vol. 2, pp./ 311-314

“Je moet één man van elke stam van zijn voorvaderen sturen” (Numeri. 13:2)

Mozes wist dat het niet noodzakelijk was om het Land te verkennen. Echter van de andere kant gezien, wist Mozes ook, dat ondanks G’D’s belofte van bovennatuurlijke assistentie, het de juiste benadering was om het Beloofde land, op een natuurlijke wijze binnen te trekken , want er is nooit enige garantie dat mirakels zullen plaatsvinden. Door ons zelf maximaal op een natuurlijke wijze voor te bereiden, maken we de weg vrij voor G’D om onze inspanningen te zegeningen op een miraculeuze wijze en zelfs deze G’ddelijke begunstiging teweeg te brengen. In deze context keurde Mozes het uitzenden van verkenners goed om te zien hoe het Land op een natuurlijke wijze kon worden veroverd.

 

Bovendien wist Mozes, dat G’D van ons verlangt dat wij onze G’ddelijke opdracht  verwerkelijken met ons eigen verstandelijke vermogen, niet alleen uit puur geloof.  Wanneer we de bijzonderheden begrijpen van wat G’D dat wij doen, doen we het met groter enthousiasme en betrokkenheid. Hij dacht daarom dat het juister was mannen te zenden om te rapporteren over de aard van het Land en te onderzoeken hoe het te veroveren, op deze wijze, zou het Volk enthousiaster worden over het binnentrekken en er zekerder van zijn  dat het kon worden veroverd.

 

Om die reden liet G’D de uiteindelijke beslissing om al dan niet verkenners te sturen aan Mozes over.

 

Door dit te doen werd de hele onderneming een uitdrukking van eigen initiatief, in plaats van uitsluitend te vertrouwen op G’D’s instructies.

 

De beoordelingsfout van de verkenners in deze zin bestond hieruit dat zij verder gingen dan de reikwijdte van hun opdracht en de verkeerde conclusies trokken. Zij waren in wezen niet uit op bedrog, Mozes had hen gevraagd om te zien hoe het Land op een natuurlijke wijze kon worden veroverd en zij vonden dat dit niet kon. Maar zij hadden zich goed moeten realiseren en herinneren dat  Mozes hen alleen had gevraagd hoe het Land kon worden veroverd, en niet of.

 

De les voor ons is dat zelfs wanneer we ons eigen verstand gebruiken, we niet moeten vergeten dat we dit doen omdat G’D dit van ons verlangt, dat wij dit doen namens Hem.

 

Het vers zegt dat Mozes mannen er op uit moet sturen. Het veroveren van het Land van Kana’an en transformeren in het Land van Israël, betekent allegorisch, het veroveren van het lichaam en de dierlijke ziel, ze heiligen en transformeren tot geweide entiteiten.

 

De verkenningsopdracht hier besproken, is de eerste operatie van dergelijke aard vastgelegd in de Schrift. De opdracht van de verkenners door Joshoea gezonden is de derde. (Deze verkenningsopdracht wordt gelezen als Haftora [Profetenlezing] na deze parasha. Er zijn twee wezenlijke verschillen  tussen de twee opdrachten. Ten eerste, terwijl Joshoea’s opdracht was gedicteerd door G’D, was Mozes’ opdracht overgelaten aan Mozes’ wijsheid.  Ten tweede, Mozes’ verkenners onderzochten het hele Land, terwijl die van Joshoea specifiek waren gezonden naar Jericho. Deze verschillen reflecteren de spirituele verscheidenheid inherent aan de opdrachten.

 

De zeven volkeren die het Land van Kana’an bewoonden verwijzen naar en belichamen de zeven fundamentele emoties. G’D commandeert ons niet om onze zeven fundamentele emoties te “onderzoeken”en te veroveren, omdat een doorsnee persoon niet in staat is om volledige controle te hebben over zijn zeven emoties en ze te transformeren, met andere woorden, zijn innerlijke zelf. Zo een onderneming kan alleen worden bereikt door iemand wiens G’ddelijk bewustzijn  op een niveau van Mozes is, een Tzadiek.

 

De doorsnee persoon heeft alleen complete controle over zijn buitenste zelf, met andere woorden zijn ziels uitdrukkingen, handelingen, woorden en gedachten. Dit vermogen tot expressie wordt gesymboliseerd door de stad Jericho. Jericho betekent “geur” en een geur is een extern aspect van iemands zijn, het benadrukt zijn gedrag, denken, woorden en daden, die extern zijn in tegenstelling tot zijn emoties. De uitdrukkingsvormen van de ziel zijn haar “kledingstukken”: we kunnen onze vormen van denken, praten en handelen veranderen, net zoals we onze kleding verwisselen. Joshoea’s  opdracht, het “onderzoeken van Jericho”, is van toepassing op ons allen, aangezien iedereen kan onderzoeken en heersen over zijn “Jericho”. Dus G’D beval direct Joshoea om verkenners te zenden naar Jericho.

 

De uitleg van Mozes’ opdracht is relevant voor de rest van ons, wij moeten ook trachten om Mozes niveau van G’ddelijk bewustzijn te bereiken. Hoe meer we mediteren op de futiliteit van het materialisme en de ontzagwekkendheid van G’D, des te meer ontwikkelen we extatische liefde voor G’D en antipathie voor alles dat tegen G’ddelijkheid is. Voor zover we hierin slagen, kunnen we onze zeven emoties ook onderzoeken en veroveren.

 

Desalniettemin, is het onze primaire taak om onze vormen van uitdrukking te onderzoeken en te veroveren. Dit is in feite de sleutel tot onze uiteindelijke verovering van onze emoties (de zeven volkeren) en intellect (de bijkomende drie volkeren), juist zoals de “sleutel” van de versterkte stad, die de weg naar het Land van Israël “opent”.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt                               Numeri. 8:1 – 12:16


Rabbi Shimon bar Jochai


Het geheim van de lamp


Zohar, p. 151a

De parasha van deze week begint met de voorschriften over de zevenarmige kandelaar [Menora] die Aaron in het tabernakel in de woestijn aansteekt. De beschrijving van de Menora wordt herhaald, evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken. Deze dingen werden reeds behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave. Deze herhaling leidt naar de volgende verhandeling door de zoon van Rebbe Shimon, Rabbi Elazar.

 

Rabbi Elazar stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, beschrijvend de bewerking en het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, de vraag. Waarom wordt het herhaald op een ander tijdstip?

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar [ zoals beschreven in de parasha Bemidbar, twee weken geleden] zowel als al hun andere offergaven en nu gaat de tekst ons duidelijk maken [opnieuw] over het functioneren van de Menora, welke werd gedaan en uitgevoerd door Aaron [ dus aantonend dat het belangrijker was dan alle andere offers].

Dit omdat Boven [in de wereld van Atziloet] de Menora [die wijsheid vertegenwoordigt verlichtend de sefira van Malchoet] al de lichten op zijn armen [die de sefirot representeren] alles verlicht door de verrichtingen van Aaron.

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid is geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie toestaat om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Zijn aansteken van de Menora is een fysieke meditatieve handeling, om een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg te brengen van de hogere sefirot aan deze wereld, welke wordt gerepresenteerd door elke olie lontje afzonderlijk in elke arm van de Menora.

 

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit hebben uitgelegd.

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen, Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de vier hoofd sefirot van Chesed, Gevoera, Tifert en Malchoet weergeven.

 

Elk van deze vier hoofd sefirot zijn verbonden met elke andere in de sefirot boom, bestaande uit drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van invloedstroom en laat zien hoe zij samenkomen en onderling reageren met de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, representerend het koninkrijk van de Koning der Koningen.

 

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, allen op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

 

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. Zoals men kan zien aan het diagram van de sefirot, de eerste van de zeven “emotionele” in het ontvangen van het licht van wijsheid is Chesed. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief, en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij teleggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie/wijsheid en er over te mediteren, het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat  wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbind door het bewustzijn  van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken van op de zelfde tijd als de Menora, aangezien zij samen het neerwaarts halen  van de hogere niveaus van bewustzijn in eenheid representeren.

 

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

 

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora verder met de sefira van Chochma.

 

En het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

 

Het tabernakel, en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in fysieke realiteit, waar olie kalmeert en lawaai stopt. Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret”. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, betekenend, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot van Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

 

We hebben al eerder uitgelegd dat er twee altaren zijn. Één altaar binnen om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het binnen altaar verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

 

En iemand die kijkt en mediteert [hierop] zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

Door heel de Tenach, waar ook deze twee namen verschijnen worden zij uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

 

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in het diagram boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

 

SHABBAT SHALOM

 

SHAVOE’OT – WEKENFEEST 5771

De Talmoed stelt dat Koning David stierf op Shavoe’ot. (Jeroeshalmi, Betza. 2:4) Tevoe’or Shor en Binyan Ari’el noteren het volgende:

Er is gezegd dat De Heilige, geprezen zij Hij, de jaren van de rechtvaardigen van dag tot dag vervolledigt. Dus daaruit kan worden afgeleid dat David werd geboren op Shavoe’ot. Shavoe’ot is dus, de hiloela en geboortedag van Koning David. [hiloela, ziels hereniging met zijn oorsprong, spirituele celebratie].

De Zohar noteert dat het vers, “Ik heb te verkondigen, dat G’D tegen mij zei, ‘Jij bent Mijn zoon, Ani (Ik) heb je deze dag voortgebracht (Psalm.2:7), dit werd gezegd door David op de dag van zijn bar mitzwa, toen hij zijn veertiende jaar inging. Een heilige ziel werd in hem ingeven van het niveau van Ani tefila: letterlijk. Ik ben gebed: “Tefilla geeft aan Knesset Yisraël, letterlijk, Vergadering van Israël; in de Zohardische en Kabbalistische geschriften is dit de aanduiding van de Shechina en de Sefira van Malchoet, zoals is geschreven vaAni Tefilla [Ani is Tefilla;” Zohar III: 49b. De conclusie is gebaseerd op het  principe dat de term Ani Knesset Yisraël Shechina aanduidt, zoals wordt gesteld in de Zohar I:260b en III:276a. De ziel ingegeven aan Koning David op de dag van zijn bar mitzwa, was daarom van de Shechina.

Voor alle zekerheid, de nefesh elokiet [G’ddelijke ziel) wordt ingegeven op het moment van de besnijding, zoals wordt aangegeven door de Alte Rebbe, aan het begin van de Shoelchan Aroech. Echter dit refereert alleen aan nefesh, roeach, neshama. Daarna, na gepast naleven van iemands avodah, verdient iemand hogere niveaus en op dat moment wordt iemand ook de niveaus van Atziloet ingegeven.

Dit is de reden waarom Rabbi Shimon bar Jochai een groot verheugend feest  bereidde, zoals voor een bruiloft, op de dag van zijn zoons bar mitzwa. Toen Rabbi Shimon bar Jochai werd gevraagd naar de reden van deze wijze van viering, verklaarde hij dat het was om de bar mitzwa van zijn zoon rabbi Eleazar te markeren, aangezien dit alles wordt aangegeven in de Zohar Chadash.

In de context van Shavoe’ot, de verjaardag van David zijnde, volgt hieruit dat Koning David dit vers op Shavoe’ot zei.

Koning David voegde dit vers toe aan het Boek van Tehilliem, Psalmen.

Van Koning David is gezegd in Rosh Hashana 25a. Zohar I:192b, Koning David van Israël leeft en zal voortdurend leven, en “Mijn dienaar David zal heerser zijn over hen, wat refereert aan het Messiaanse tijdperk. Onze tekst relateert zowel aan David als Mashiach. De komst van Mashiach is het hartgrondige verlangen van elke Jood. Daarom in de bovenstaande context, ligt het in het vermogen van elke Jood om dit te realiseren.

De verwerkelijking van wensen kan gerealiseerd worden door studie van Thora en het in acht nemen van mitzwot. Dit houdt ook in het praktiseren van het reciteren van Tehilliem.

De Zohar II:107a stelt dat David de “nar van de Koning” wordt genoemd, omdat hij een uitwerking heeft op de Hemelse vreugde. Deze karakteristiek van hem geldt voor alle tijden. Hij brengt het hele jaar vreugde teweeg. Maar het geldt specifiek voor de dag van zijn geboorte en hiloela.

Shavoe’ot is vervolgens een moment om met vreugde het praktiseren van het reciteren van Tehilliem te versterken. Het reciteren van Tehilliem wordt gekwalificeerd als Thorastudie net zoals reciteren van alle passages van de Schrift.

***************************************************


De Midrash zegt: toen de Almachtige de Thora gaf aan Israël, verlangde Hij de zekerheid dat zij zich aan de Thora zouden houden. De Joden antwoordden, “Onze patriarchen zullen onze zekerheid zijn,” en “Onze profeten zullen onze zekerheid zijn,” maar dit werd niet acceptabel genoeg gevonden. Toen zeiden zij, “Onze kinderen zullen onze zekerheid zijn,” en dat was acceptabel voor G’D en Hij gaf hen de Thora, van groot tot klein, dit was aan de kinderen te danken.

We refereren aan G’D als “Hij die de Thora geeft,” in de tegenwoordige tijd. Want Matan Thora is iets voortdurends, elke dag weer opnieuw. Dus elke dag moeten onze kinderen Thora leren en geleid worden volgens de Thora. Zoals al eerder is aangehaald, zoals een kind dagelijks begint met het cheider, moet dit ook worden gedaan met vreugde. Er is geen reden om bezorgd te zijn voor de toekomst, bezorgd te zijn hoe het kind eventueel in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien. Men moet zich realiseren dat door het kind Thora te laten leren men het verbindt met het “Leven van alle werelden” en dat Hij die leven verleent ook in levensonderhoud voorziet. Dus zal er zeker voldoende zijn om te voorzien in de eventuele materiële behoeften van het kind voor onderhoud: “Ik zal jullie regen in de seizoenen geven, en het land zal producten voortbrengen,” (Leviticus. 26:4) alle zegeningen die ouders wensen voor hun kinderen.

Dit alles wordt specifiek bereikt door deugdzaamheid van Thorastudie. “Wanneer jullie je levenswandel naar Mijn verordeningen richt” (Leviticus. 26:3), en aan G’D het “eerste van arisotechem (jullie deeg) offeren,” (Bemidbar. 15:20) in de zin van het lezen van dit woord als een idioom van arisah (wieg), zodat het eerste wat men doet bij het ontwaken in de morgen het reciteren van Modeh ani levanecha is, zal het kind ook worden gezegend met materieel succes. Dus wanneer het kind wordt begeleid met het leren van Thora, moet dit gedaan worden met de meest grote vreugde, in het vol bewustzijn dat dit de enige weg is voor zijn geluk, niet alleen spiritueel geluk maar ook materieel geluk.

CHAG SAMEACH

 

SHAVOE’OT – WEKENFEEST 5771

Artikel I


ZEMAN MATAN THORATENOE


De dag waarop wij herdenken dat het Joodse volk de Thora kreeg.

Zou iemand tegen je zeggen dat er wijsheid is onder de volkeren, geloof het…maar als hij tegen je zegt dat er Thora onder de volkeren is, geloof hem niet. (Eicha Rabba. 2:13) Deze stelling van onze Geleerden geeft het verschil aan tussen wijsheid en Thora.

Begrip van rationele inzichten stelt fundamentele kundigheid met axiomatische veronderstellingen en de grondregels van wetenschappelijke methoden voorop. In filosofische terminologie worden deze de principes van logica genoemd. De regels van logica en axiomatische veronderstellingen dwingen het intellect tot conclusies.

Deze regels en veronderstellingen leiden inderdaad tot conclusies, maar zijn op zichzelf niet gebaseerd op enig voorafgaand principe dat dwingt deze te adopteren. Het is afhankelijk van iemands “goede wil”, als hij het er mee eens is, als hij bereid is ze te accepteren, dan zal hij ook de rationele conclusies die erop volgen accepteren. Als iemand niet bereid is om ze te accepteren, heeft iemand de optie om de regels en veronderstellingen af te wijzen en daarom zal hij ook elke hieruit voortvloeiende conclusie afwijzen.

Dit is een manier om aan te tonen dat het intellect zelf afhankelijk is van iets dat het intellect te boven gaat. Het intellect zelf voelt aan dat zijn eigen oorsprong van origine niet het intellect is. Want de fundamentele punt ten grondslag liggend aan het hele intellect, met andere woorden, axiomatische veronderstellingen, is niet overtuigd van een zuiver rationele zienswijze. Axioma’s zijn geaccepteerd omdat zij een beroep doen op het menselijke. Daarom is hun acceptatie een handeling van vertrouwen, geloof en psychologische veronderstelling of vermoeden.

Hierin ligt het verschil tussen wijsheid en Thora. Acceptatie van wijsheid is afhankelijk van iemands goede wil. Als de rationele principes aantrekkelijk voor hem zijn, zal hij die gebruiken om gevarieerde conclusies te kunnen trekken, zelfs als deze principes hem zelf niet overtuigen. Dit is compleet niet  het geval met Thora. Want Thora, zoals de term wordt geïnterpreteerd in de Zohar III:53b, betekent hora’ah [instructie]: Thora leert de mens wat verplicht is, wat gepermitteerd is, met ander woorden, de drie categorieën van issoer [wat niet is toegestaan], reshoet [de keuzemogelijkheid] en de mitzwa [de G’ddelijk verordende opdracht en heiliging]; en Thora eis dat iemand de sfeer van reshoet converteert in een mitzwa.

De Thora maakt deze instructies onafhankelijk, ondergeschikt aan menselijke instemming. De Thora leert en verlangt dat de mens hen, ongeacht zijn eigen mening en verlangens, ze moet volgen.

Dit is vervolgens de betekenis van “wijsheid is onder de volkeren, geloof het…Thora onder de volkeren, geloof hen niet”. Het concept van Wijsheid, iets dat ondergeschikt is aan iemands goede wil en goedkeuring, existeert nog onder de volkeren. Als en wanneer zij de veronderstellingen en principes van een  redenering kunnen goedkeuren, zijn zij bereid ook de conclusies te accepteren. Het concept van Thora echter, die geaccepteerd moet worden zonder enige voorafgaande instemming, met andere woorden, ongeacht of het aantrekkelijk of interessant is voor hem of goed doet of niet, bestaat niet onder de volkeren.

GOED JOM TOV, CHAG SAMEACH

 

PARASHAT NASÓ

Neem op                   Bemidbar. 4:21 – 7:89


DE TWEEDE DAG VAN DE MAAND SIEWAN, VIER DAGEN VOOR SHAWOEOT, HET GEVEN VAN DE THORA OP DE BERG SINAÏ.

De twee parashot, Bemidbar en Nasó, handelen over de Mishkan [heiligdom] in de woestijn en de verdeling van plichten met betrekking tot het transporteren van het heiligdom van plaats naar plaats.

Dit benadrukt dat zelfs in een woestijn Joden het vermogen hebben om een plaats van heiligheid, een Mishkan voor de Shechina te vestigen, om in het algemeen onder hen te verblijven en in elk Jood afzonderlijk. [Zie Exodus 25:8, “Zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal onder verblijven”, er niet staat “Ik zal er in verblijven”, maar “in hen”, met andere woorden, in elk van Israël afzonderlijk.

Juist zoals er een fysieke woestijn is, een woestijn geregeerd door extreme klimaten en allerlei gevaren, zo ook is er een spirituele woestijn die wordt geregeerd door de meest schadelijke ideeën. Het voorlaatste kan zelfs existeren in een land dat fysiek een bloeiend paradijs is.

Onze heilige Thora leert ons dat wanneer we ons in een spirituele woestijn bevinden, we een heiligdom kunnen en moeten oprichten en vestigen. Bovendien kunnen en moeten we het voorwaarts dragen, lopen in de voetstappen, als het ware, van de Shechina, totdat we het G’ddelijke gezegende Heilige Land bereiken, met andere woorden, de ware en volledige verlossing door de rechtvaardige Mashiach.

[Toen Israël Egypte verliet, leidde de Shechina hen gedurende hun tochten in de woestijn naar het Heilige Land. Zie Exodus. 13:21].

ZOHAR NASO 122

Gelukkig is de persoon die de Thora verdient, te volgen en zich kleeft aan Zijn wegen. Wanneer een persoon de wegen van de Thora volgt, haalt hij een heilige Hemelse energie op zichzelf neer, zoals het vers zegt, “Totdat een energie op ons wordt uitgegoten vanuit het Hoge” (Jesaja. 32:15). Wanneer iemand deze wegen afdwaalt haalt hij een energie van de Andere Zijde op zichzelf neer wat de onreine zijde is. De verontreinigde zijde.

Jethro was oorspronkelijk een priester van afgoden en hij diende die zijde. Hij haalde een energie van die zijde op zich neer. Om die reden werd hij ook de Keniet genoemd, later, nadat hij zich separeerde van Kain en G’D naleefde. Al wie zich bindt aan G’D en de opdrachten van de Thora uitvoert, is als of hij de werelden draagt en ondersteunt, de wereld Boven en de Wereld Beneden.

Iedereen die de opdrachten van de Thora negeert, creëert als het ware een defect  Boven en doet schade hier Beneden, en wordt zelf gebrekkig en benadeelt het hele universum.

Daarom zal de Barmhartige ons verlossen van de boosaardigen van deze wereld en van de schade die zij aanrichten, aangezien vele rechtvaardigen om hen zijn gestorven, bovenop wat zij veroorzaakten Boven en Beneden.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn     Numeri. 1:1 – 5:26


Heilige Hoofd Telling


Hoger Bewustzijn Wordt Zeer Gewaardeerd Door Het Joodse Volk


De Leringen Van De Lubavitcher Rebbe, Likoeté Sichot, Vol.8, p. 231-2

De Eeuwig sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï in de Tent der Samenkomsten………neem een volkstelling [letterlijk, “verhoog de hoofden”] van heel de Gemeenschap van de Kinderen van Israël. (Bemidbar. 1:13)

“…in de woestijn Sinaï”: De dorre woestijn is een metafoor voor de overweldigende dorst naar G’ddelijkheid die we voelen en weergeven in gebed. Koning David verwoordt deze beeldspraak in het vers: Een lied van David toen hij in de Judea woestijn was: “G’D, U bent mijn G’D, ik zoek U in de ochtend, mijn ziel is dorstig naar U.” (Psalm. 63:1-2)

 

De Tent der Samenkomsten duidt op de revelatie van G’D in de Thora en de mitzwot. Een tent is een omhullende bedekking, beschutting, aanduidend de transcendente G’ddelijkheid [makief] die wij binnentreden bij het uitvoeren van mitzwot, terwijl het woord “samenkomst “ de intieme ontmoeting met het G’ddelijke [penimi] aanduidt, die wij ervaren bij het leren van Thora.

 

Dus de woestijn is een metafoor voor ons opwaarts streven naar G’ddelijkheid, terwijl de Tent der Samenkomsten verwijst naar de neerwaartse stroom van G’ddelijkheid in ons leven.

 

Onze verhouding met G’D moet deze beide tegenovergestelde en tegelijkertijd complementaire dynamische krachten belichamen, de opstijging van gebed en de neerdaling bij het leren van Thora en het doen van mitzwot. Dan kan het “onze hoofden verhogen”, ons verheffen naar de hoogste expressie van onze ziel, de revelatie van onze oorsprong. “

 

“….neem een volkstelling”: Het tellen van iets is soms een manier om de waarde ervan te laten zien. Door te tellen hoeveel we van iets bezitten, geven we weer hoeveel elke eenheid van het totaal toevoegt aan de waarde van het geheel en hoe essentieel en onmisbaar elke eenheid is in het geheel.

 

In deze volkstelling, het feit dat elke Jood als een wordt geteld, niet meer en niet minder, indiceert dat elke Jood even dierbaar is voor G’D, als individu. Elke Jood bezit deze onschatbare waarde krachtens zijn of haar unieke zielsoorsprong. Krachtens deze essentie, die de eenvoudigste Jood bezit, niet minder dan Mozes, zijn alle Joden op gelijke wijze G’D’s kinderen. Wanneer we dit herkennen, zullen we dit ook koesteren en nooit en te nimmer een Jood afwijzen of over het hoofd zien.

 

“….neem een volkstelling”, [letterlijk. “verhoog de hoofden”] : Om de verlatenheid van de spirituele woestijn te overwinnen, moeten wij altijd er boven uit reiken. Dus de eerste fundamentele aanwijzing van de Shoelchan Aroech, de Code van Joods Recht is, dat wanneer het aankomt op Joodse inachtneming, we ons niet bezorgd moeten maken over spotters . Dit houdt ook in externe spotters, diegenen die proberen ons te bespotten voor onze toewijding aan onze idealen en de interne spotters, de kwade inclinatie.

 

Ofschoon de ziel neerdaalt in een fysiek lichaam, blijft het “hoofd” van de ziel, de spirituele essentie, afstandelijk en onafhankelijk van het lichaam. Desalniettemin wordt het “hoofd” van de ziel beïnvloed door wat de rest van de ziel doet hier beneden. Door het uitvoeren van G’D’s opdrachten, de mitzwot en het vervullen van zijn missie vanuit het lichaam, verheft de ziel zijn “hoofd” in de hemelse sferen. Door de G’ddelijke oorsprong en intentie te reveleren in de materiële realiteit, bereikt de ziel een hoger besef van G’D.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

LAG BA’OMER

LAG BA`OMER

.

De 33e dag van de omertelling in de periode tussen Pesach en Shavoeot Ijar 18, zondag 22 mei

LAG BA`OMER, herinnert ons aan gebeurtenis die de duizenden studenten van de grote geleerde Rabbi Akiva overkwam.

Zij werden getroffen door een epidemie als gevolg van respectloos gedrag onder elkaar. De epidemie stopte op Lag Ba`Omer. Daarom weten wij van Lag Ba`Omer dat het bestuderen van de Heilige Thora in goede kameraadschap, liefde en respect voor elkaar moet zijn.

Lag `Ba Omer

Herdenkt de beëindiging van de plaag onder de studenten van Rabbi Akiva; het wordt evenzo gehouden uit bijzonder respect en waardering (vooral onder chassidiem) als jaartijd, de gedenkdag van het heengaan van Rabbi Shimon Bar Yochai, die leefde in de tijd van de Romeinse overheersing van Israël en een eminent student van Rabbi Akiva was.

Hij gaf de leer van de esoterische aspecten van de Thora over aan een selecte groep studenten en was de auteur van de Zohar (Het Boek van Uitstraling).

De Zohar werd het basiswerk van Kabbala en de basis voor de filosofie en Chassidische leer in het algemeen, gefundeerd door de Baal Shem Tov (1668-1760) evenzo als Chabad Chassidisme uiteengezet door Rabbi Schneur Zalman van Laidi (1745-1813).