PARASHOT BEHÁR- BECHOEKOTAI

Op de berg – In Mijn inzettingen.                      Leviticus. 25:1 – 26:2, 26:3 – 27:34

Likoetei Sichot, vol. 7, p. 233, vol. 19, pp 137-8

Zegeningen binnenin een Vervloeking

Chasidoet leert dat de meest sublieme geschenken van tijd tot tijd worden aangereikt in een verborgen vorm.

De passage Leviticus. 26: 14:26 staan bekend als “de Waarschuwing”. G’D laat Israël er in weten wat de drastische consequenties zijn van het afwijken van de Thora. Traditioneel wordt dit gedeelte zeer snel en op lagere toon gelezen dan de rest  van de lezing. Niemand wordt opgeroepen voor dit gedeelte van de Thora. De lezer reciteert eenvoudig de zegeningen voor en na het lezen ervan, maar hij is niet “opgeroepen.”

Als kind, zou Rabbi DovBer van Lubavitch, samen met de rest van de congregatie, heel rustig geluisterd hebben naar deze wekelijkse Thoralezing voorgelezen door zijn vader Rabbi Schneur Zalman van Liadi. Echter in een bepaald jaar was zijn vader buiten de stad tijdens de Shabbat van parashat KI Tavo, een parasha die een deel van de waarschuwing mede inhoudt. Na het horen van de Waarschuwing, gelezen door de plaatsvervangende Thoralezer, was het kind zo emotioneel van streek dat zelfs een maand later zijn vader onzeker was of zijn zoon in staat zou zijn te vasten op Jom Kippoer. Het kind werd later gevraagd, “Waarom was je deze keer niet verontrust toen de waarschuwing werd gelezen”? Het kind antwoordde, “Als mijn vader het leest, worden er geen vervloekingen gehoord.”

“In waarheid zijn zij niets anders dan zegeningen”, schrijft Rabbi Schneur Zalman van Laidi over de Waarschuwing. Hij citeert de Zohar, die spreekt van een verborgen en gereveleerde realiteit. G’D, Thora en de mensheid existeren op een bewust en onbewust niveau. Op het bewuste niveau, lijken deze verzen vervloekingen te zijn. Op het onbewuste niveau, het zielsniveau, zijn deze vervloekingen werkelijk zegeningen. Zij zijn geen pijnlijke ervaringen die we moeten doorstaan voor een groter goed, donkere wolken in gekleed in zilver, zij zijn echt zegeningen. Wanneer een vrome persoonlijkheid zoals Rabbi Schneur Zalman van Liadi deze verzen leest, hoort iemand hun onbewuste betekenis, waarin ze zegeningen zijn.

De meest sublieme zegeningen worden verwoord in de meest verschrikkelijke termen. Dit is omdat telkens als een zegen wordt verleend door de Hemel, het eerst het Hemelse Hof moet passeren, waar de toekomstige ontvanger wordt beoordeeld of hij de zegening wel of niet waardig is. Wanneer de zegen zich echter “voordoet” als een vloek, “omzeilt” het de krachten van strikt oordeel, en kan het zijn weg vinden rechtstreeks naar de ontvanger. In de Talmoed [Moed Katan 9b] wordt ons verteld dat Rabbi Shimon Bar Jochai (auteur van de Zohar) zijn zoon Rabbi Elazar zond om de zegeningen van verscheidene Geleerden te ontvangen. Ze werden zo aan hem uitgereikt als of het aanhoorde als een aan schakeling van vervloekingen: “Mag het de Wil van G’D zijn dat je zaait en niet oogst…laat je huis verwoest worden ….laat je tafel in beroering worden gebracht en mag je oog geen nieuw jaar zien.” Zijn vader, uitlegger van de ziel van de Thora, reveleerde aan hem de betekenis van hun “zegeningen”, de ziel van hun woorden.

SHABBAT SHALOM

HET TELLEN VAN DE OMER IS NIET ALLEEN MAAR STIJGEN OF AFDALEN

Het moet een combinatie zijn van beide. Zodat, hoe hoger we kunnen gaan tengevolge van de illuminatie die we hebben ontvangen op Pesach, des te krachtiger het Licht zal zijn dat we kunnen neerhalen in de zichtbare wereldse details van ons leven. En des te meer krachtig Licht we kunnen neerhalen in de zichtbare wereldse details van ons leven, des te meer reveleren we de aanwezigheid van G’ddelijkheid in deze wereld, des te meer verheffen en verhogen we ons en het hele universum steunt op G’D. En hoe meer we onszelf kunnen verheffen, des te intenser is het licht dat we neerwaarts halen.

Uiteindelijk culmineert het hele neerhalende proces in zo een krachtig Licht, dat het de gehele wereld zal belichten en al het fysieke transformeert zodat alles wat gescheiden is van G’ddelijkheid, spiritueel wordt.

Dit wordt aangegeven in de Talmoed: “Bar Kappara zet uiteen: De werken van de rechtvaardigen zijn groter dan G’D’s creatie van Hemel en Aarde!” (Ketoewot 5a). Wat betekent “door het werk van menselijke hand”? De mens heeft de capaciteit om door de façade van materie heen te kijken, om de existentie van de Oneindige Schepper achter de Schepping te bevatten, om zich met Hem te verbinden, aan Zijn Eigenschappen vorm te geven, en een rol te spelen in Zijn Drama, en om de hele wereld aan Hem op te dragen als een offer.

Op andere plaatsen wordt hiernaar verwezen in de omvorming van het woord “Or” gespeld met de letter ayin, wat huid betekent (relaterend aan fysiekheid) en aan “Or” gespeld met een alef, wat “licht” betekent, (relaterend aan spiritualiteit).

Toen G’D de wereld creëerde, bracht dit een neergaand proces met zich mee van spiritualiteit naar “energie”(Licht) naar “materie” (Huid). Wanneer we door de façade van materie kijken naar het innerlijke niveau van spiritualiteit dat het zijn existentie geeft, verheffen we “materie” (Huid) terug naar zijn “energieoorsprong” (Licht).

Dit idee [dat wij degenen moeten zijn die als instrument dienen in het bestralen van de gehele realiteit met het licht van G’ddelijkheid] is de personificatie van Lag BaOmer, de 33e dag van de OmerTelling, ter ere van Rabbi Shimon bar Jochai, door kaarsen en vuur in de openlucht aan te steken en het leren van de Zohar. In de Zohar reveleert Rabbi Shimon de diepste esoterische begrippen van de Thora, het mysterie van transformatie van fysiekheid (“Or” met een ayin) in spiritualiteit (“Or” met een alef).

Rabbi Tzwi Elimelech van Dinov ( Bnei Yissasschar, Chodesh Iyar, Maarar 3) verklaart de Mishna in Avot 2:9, waar Rabbi Jochanan ben Zakai zijn studenten vraagt: Wat is de juiste weg [met andere woorden, de meest belangrijke weg voor iemand te bewandelen en te leven in deze wereld]? Rabbi Eliezer antwoordt, “ayin tov” [een goed oog”]; Rabbi Jehoshoea antwoord, “chaver tov” [“een goede vriend”]; Rabbi Jossi antwoordt, “shacher tov” [“een goede buur”]; Rabbi Shimon antwoordt, “ha’roeh et ha’nilad” [de bekwaamheid om de consequentie te zien van iemands handelingen]; Rabbi Elazar ben Arach antwoordt, “lev tov” [“een goed hart”]; Rabbi Jochanan ben Zakai prees hen allen, maar zei dat Rabbi Elazar ben Arach’s antwoord al de anderen inhield.

Bnei Yissasschar verklaart waarom “lev tov” een goed hart zo belangrijk is. Hij vermeldt dat de numerieke waarde van “Lev”  (“hart”) 32 is, terwijl dat van “Tov” (“goed”) 17 is. Hij benadrukt de diepe leerstelling van de Zohar op het vierde vers in de Thora,  “G’D zag dat het Licht (Or) goed (Tov) was, en G’D maakte een scheiding tussen het Licht en de duisternis” (Genesis. 1:4), dat “Tov” een codewoord is voor “Or”, met andere woorden, de “Or HaGanoez”, het Oneindige Verhulde Licht verborgen in de Thora.

Hij merkt op dat de eerste keer dat het woord “Tov” wordt aangehaald in dit vierde vers, volgt na exact 32 woorden (het is het 33e woord van de Thora).

Hij continueert met te verklaren dat de 49 dagen van de Omer ordelijk zijn verdeeld in 32 opbouwende dagen naar Lag BaOmer, en 17 dagen van Lag BaOmer. De betekenis van “Lev Tov” in termen van de Omer, zegt hij, is de zuivering van het menselijk hart, met andere woorden, de purificatie van de menselijke persoonlijkheid, de karaktertrekken die ons gegeven zijn toen we geboren werden.

Dit is wat exact gebeurde toen we vertrokken uit Egypte op Pesach. We tellen 49 dagen om ons hart te zuiveren zodat we de Thora aan de Berg Sinaï konden ontvangen “als één man met één hart” (Rashi, Exodus. 19:2)

Het zelfde is elk jaar waar. We tellen 49 dagen (met andere woorden, we doen het eigen maken van purificatie en zuivering van ons hart), teneinde de Thora te kunnen ontvangen op Shavoe’ot. Dit is vooral vanaf Lag BaOmer. Lag BaOmer is de overgang naar de laatste 17 (=”Tov” “goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven.

De verdeling van 49 in 32 en 17 is absoluut niet willekeurig. Met uitzondering van de eerste week van Pesach zelf, staan de eerste 32 dagen van de Omer bekend als zeer moeilijk. Alleen met de gedenkdag van het overlijden van Rabbi Shimon, worden de dingen meer ontspannen en worden meer en meer vreugdevol als we ons verder bewegen door de 17 interveniërende “goede” dagen dichter naar ons doel: de revelatie van het Licht van de Ein Sof al neerdalend in Malchoet van Malchoet op Shavoeot.

Eigenlijk is hier sprake van een paradox.

Veronderstel dat je naar de top van een extreme hoogte klimt. Je doel is de top, maar wanneer je die nadert gebeurt er iets. Het zicht van de top wordt voor je ogen verborgen! Op een vreemde manier verlies je het eigenlijke zicht van het doel als je nadert. Bovendien wordt het terrein ruwer en het klimmen moeilijker. Daarbij wordt de lucht extreem ijl, zodat het moeilijker en moeilijker wordt om te ademen. Je bent gedwongen om vaker te stoppen. Zelfs voelt het aan alsof de zwaartekracht sterker wordt. Met als resultaat, dat je langzamer vooruit komt. Om deze obstakels te kunnen neutraliseren, moet je je zelf geestelijk opkrikken met de gedachte dat je dichterbij bent dan ooit. Kijk hoe ver je gekomen bent! Het is nu niet het moment om op te geven!

Weggaan van Egypte en zich omhoog bewegen naar de Berg Sinaï is als het beklimmen van deze berg. Op een zeker punt is de oorspronkelijke drijvende kracht van het licht dat scheen niet genoeg. Een of andere inspiratie is nodig, niet van het voorbijgaande, maar van het toekomstige. En toch als je vordert, de berg omhoog, wordt het gaandeweg ruwer. Als het niet vanwege het licht was aan de top van de berg neerwaarts schijnend in onze zielen, ons verheffend, ons naar Zich toetrekkend, zouden we geen kans maken het te halen.

Laten we wel wezen, we kunnen niet meer doen wat we kunnen doen. We zijn gelimiteerd. Zonder bovennatuurlijke assistentie van Boven, kunnen wij nooit en te nimmer ons doel bereiken. Natuurlijk is het belangrijk dat we alles doen wat we kunnen doen, want menselijke inspanning is essentieel, maar voorbij een bepaald punt zijn onze handelingen ineffectief.

Waarom moet dat zo zijn? Omdat als we echt serieus zijn aangaande onze purificatie en verheffing, is wellicht de meest belangrijke en essentiële bijdrage van onze kant bescheidenheid. Natuurlijk moeten we het werk doen, maar op een zeker punt moet het ons duidelijk worden dat ons vermogen om alles te doen een gift van G’D is

Als we ons deze belangrijke karakteristiek, deze belangrijke les eigen maken, dan worden ineens de obstakels niet zo groot. We beginnen te acclimatiseren in deze ijle hoogten en realiseren ons dat wij niet werkelijk geleefd hebben tot dit moment. De blijdschap is overweldigend. De vreugde is bedwelmend. We geraken dichterbij! Nu, na 49 dagen, wanneer G’D Zijn Oneindig Licht neerwaarts schijnt in ons, is het totaal verschillend. Niet omdat voor ons of Hem, maar omdat, in Zijn Perfecte Wijsheid en uit Zijn Oneindige liefde voor ons, Hij ons een ervaring van de perfecte vereniging en verbinding geeft van Hem en ons, het werken van Hem door ons, van ons weten dat het absoluut Hem is. We hadden 49 dagen nodig om te begrijpen, maar het was het waard.

Elk jaar is Lag BaOmer de overgang in de laatste 17 (=”Tov”, “Goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai slechts gedeeltelijk reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven. Deze illuminatie is zelfs krachtvoller als we het Eind der Historische Tijden naderen en beseffen. Teneinde de krachten van diversiteit te overwinnen die zal trachten te voorkomen dat wij aankomen aan de uiteindelijke Sinaï, die staat aan het einde van onze reis door de wildernis van de historie, schijnt het Verborgen Licht neerwaarts in onze zielen sterker en sterker. G’D verheft ons opwaarts naar Hem. We moeten het ons enkel realiseren, in het bijzonder op dat cruciale ogenblik wanneer sommige van onze grootse tzadikiem heen zijn gegaan. Als zij zich Boven verzamelen om zich te verbinden met alle groten van het verleden, om samen de laatste Verlossing te bewerkstelligen, moeten wij ook ontwaken uit de droom van Deze Wereldse bewustzijn en tot het einde volhouden om het doel waarvoor we in deze tijd zijn geboren te vervullen.

Dus nogmaals, de essentie van de Omerperiode is het werk dat we moeten doen om ons het Licht van de Ein Sof eigen te maken, dat we voor een ogenblik hebben ervaren op Pesach, om onszelf te zuiveren van Beneden gedurende de 49 interveniërende dagen tussen Pesach en Shavoeot.  Dan, op de 50e dag, een dag die boven het tellen uitgaat, boven onze capaciteit om zelf te bereiken, schijnt het Licht opnieuw neerwaarts in al zijn volledigheid. Voor dit moment echter willen wij de vaten voorbereiden om het correct te ontvangen.

Lag BaOmer Sameach

PARASHAT EMÓR

Zeg           Leviticus. 21:1 – 24:23

Gebaseerd op Sichot Kodesh 5725, vol 1, p. 25; likoetei Sichot, vol 36, pp. 82-85.

Ontwikkelende G’ddelijke Dienst

Kabbala leert dat onze verbinding met het G’ddelijke voortdurend ontwikkelt

De Eeuwige sprak tot Mozes: “Wanneer een rund of een schaap of geit geboren wordt, dan blijft het zeven dagen onder de hoede van de moeder en van de achtste dag af en verder kan het als vuuroffer voor de Eeuwige aanvaarbaar zijn.” (Leviticus. 22:23)

De esoterische betekenis van de mitzwa is als volgt:

“Moeder” is de significatie van het intellect, omdat het intellect “leven geeft aan” de emoties. Wanneer het intellect de deugd van iets inziet, “geeft het leven” aan een emotie van liefde er voor, wanneer het ongewenste schadelijkheid van iets herkent “geeft het leven” aan een emotie van haat of angst er voor, enz. Het dier is de significatie van de emoties, omdat dieren geleid worden door hun instinctieve emotionele vermogens en niet door intellect. Het “dierlijke” aspect van de mens is dus zijn matrix van emoties.

Wanneer een emotie is “geboren”, moet die worden “uitgebroed”, met andere woorden, volwassen worden door het intellect. Dit is een proces van zeven “dagen”, met andere woorden, een zevenvoudig proces, één voor elk van de zeven basis emoties. Alleen nadat de emoties dus zijn volgroeid, zijn zij geschikt om te worden “geofferd aan G’D”, met andere woorden, deel worden van de psyche van een mens toegewijd aan de dienst van G’D.

Dit zijn de vastgestelde feestdagen van de Eeuwige, die jullie als een oproep tot bijzondere wijding op de hiervoor bepaalde tijd moeten afkondigen. (Leviticus. 23:4)

De drie pilgrim feesten werden vastgesteld in verbinding met de landbouw cyclus: Pesach vindt plaats wanneer de producten beginnen te rijpen, Shavoeot wanneer het graan wordt geoogst en Soekot aan het eind van het seizoen, wanneer de producten worden geoogst van de velden.

Chasidoet interpreteert deze correlatie als volgt:

G’D refereert aan het Joodse Volk als aan Zijn “producten”. (zie Jeremia. 2:3, Hosea. 2:25) Juist zoals iemand graan zaait in de hoop een grotere teruggave te oogsten, “plant” G’D zielen in de fysieke wereld om dat zij veel meer moeten bereiken dan zij kunnen in de spirituele sferen.

De wijze waarop graan groeit is eveneens een les voor mensen. Het zaad zoals wij het planten. Pas wanneer de uiterlijke bedekking van het zaad bederft en de vorm van het zaad zoals wij het kennen wordt afgescheiden en ophoudt te bestaan, kan groei beginnen. Omdat het oorspronkelijke zaad per se niet langer bestaat, is het nieuwe gewas niet meer beperkt door de limitaties van de oorspronkelijke vorm van het zaad.

Hetzelfde geldt voor de menselijke groei. Ego staat in de weg voor groei. Het is alleen wanneer het wordt overwonnen en geneutraliseerd dat de ziel zijn volle potentie kan bereiken.

Shabbat Shalom

PARASHOT ACHARÉ MOT- KEDOSHIEM

Na de dood- Heilig.  Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 – 20:27


De spirituele oorsprong van de offers van Cain en Hewel (Abel) verduidelijken de esoterische waarheid van verboden vermenging.


Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Het Thora gedeelte van deze week bevat de mitzwa betreffende het verbod op het vermengen van wol en linnen, bekend als “shaátnez

Het verbod op “shaátnez” wordt uitgelegd in de context van de esoterische dimensie van de overtreding van Cain en Hewel. In deze context wordt de mystieke essentie van wol en linnen en hun plaats in de spirituele hiërarchie ook verklaard.

Cain en Hewel waren zonen van Adam en Chava (Eva). Na de verdrijving uit de Tuin van Eden, werkte Cain als landbouwer en Hewel als herder. Cain bracht G’D een offer van zijn gewassen en Hewel een offer van zijn kudde, maar G’D accepteerde het alleen het offer Hewel. Er zijn een aantal verklaringen waarom dit zo was, maar hier richt zich de uitleg op het feit dat Cain’s offer van linnen was.

Het is bekend dat onze geleerden hebben gezegd dat als iemand zijn veld verpacht aan een ander persoon voor zeven jaren [of minder], de laatstgenoemde het niet mag zaaien met vlaszaad (Bava Metzia 109a). De reden hiervoor, verklaart de Talmoed, is dat vlas de energie van de aarde uitput en dat het zeven jaar duurt voordat het zich heeft hersteld.

Onze Wijzen noemen de vlasplant bovendien een “boom” type, omdat er is geschreven “….en verborg zich te midden van het vlasbos” (Joshoea. 2:6)

Esoterisch refereert de bovenstaande uitspraak, de energie van de aarde, aan het innerlijke vermogen van de sefira van Malchoet, zoals is geschreven, “….een offer aan G’D van de vruchten van de aarde” (Genesis. 4:3).

Een van de benamingen van Malchoet is “aarde”, aangezien Malchoet de laagste sefira is en dus het “grond” niveau is van elke wereld. Bovendien, de G’ddelijke energie van de hogere sefirot is “gezaaid” in de “grond” van Malchoet, voortbrengend en vruchtgevend in de daarop volgende wereld.

Weet dat alle vegetatie en bomen manifestaties zijn van Malchoet van Yetzira.

De vier werelden (Atziloet, Beria, Yetzira en Asiya) correleren respectievelijk met de vier “koninkrijken” van het geschapene: mens, dier, vegetatie en mineraal. Dus het vegetatieve koninkrijk is geworteld in de wereld van Yetzira. Thematisch is dit zo omdat Yetzira de wereld van emoties is, die “groeit”en “tot rijpheid” komt door deugdzaamheid van het licht van het intellect dat op hen, de emoties schijnt.

Omdat het vegetatieve koninkrijk allegorisch de wereld van Yetzira is, is de grond waarin het plantenleven groeit, allegorisch de Malchoet van Yetzira.

De energie van de aarde is de spirituele kracht die Tiferet in haar achterliet toen hij haar als eerste tot een houder, een vat maakte. (Zohar II:101b)

De Wijzen zeggen dat “een vrouw alleen een overeenkomst aangaat met iemand die haar tot een houder, een vat maakt”(Talmoed, Sanhedrin 22b), met andere woorden, met haar eerste echtgenoot die haar heeft ontmaagd en haar tot een ontvanger van zijn zaad heeft gemaakt. De wijzen zinspelen hier op een psychologische transformatie die plaats vindt in de vrouw als zij voor de eerste keer een huwelijkse relatie ervaart, die gedeeltelijk zal worden verhelderd in deze passage, waarin deze spirituele kracht wordt geïdentificeerd als Daát.

Tiferet refereert hier aan Zeir Anpin in het algemeen en Malchoet aan Noekva.

Meer gedetailleerd, het is de Naam Ban, [de Naam Havayah letter voor letter gespeld hebbend de numerieke waarde van 52], en het is in haar Yesod. Om deze reden wordt het een “boom”genoemd.

De innerlijke energie van Noekva wordt gerepresenteerd door de Naam Ban.

Cain nu, verhief de letters die gebruikt worden om deze letter voor letter gespelde Naam Ban aanwezig in Malchoet tot aan Tiferet, als “feminiene waters”. De overtreding was dat deze Naam altijd in Malchoet moet blijven om “feminiene waters” te verheffen, zodat [Malchoet] het Hemelse Licht kan ontvangen als “masculiene waters”, beide blijven in haar.

“Masculiene waters” en “feminiene waters” zijn in Kabbalistische begrippen voor respectievelijk “opwekken van Boven” en “opwekken van Beneden”. Zoals we eerder hebben gezien, verlangt het ingeboren vrouwelijk principe naar vereniging met het mannelijke principe, om de vrouwelijke drang tot concretisering van G’ddelijk bewustzijn te verbinden met de mannelijke drang in de wereld tot steeds meer abstracte en verheven niveaus van G’ddelijke bewustzijn. Zonder verjonging door het mannelijke, verliest het vrouwelijke de inspiratie en bezwijkt aan de “gravitatie” invloed van de fysieke realiteit die zij aanvankelijk streeft te overwinnen.

Doch Cain was niet enkel van plan om de “feminiene waters” te verheffen, maar eerder in zijn geheel te verwijderen van Noekva, helemaal teruggeven aan hun oorsprong in Zeir Anpin zelf.

Cain trachtte het vrouwelijke, bij wijze van spreken, te transformeren naar het mannelijke, daarbij zijn G’ddelijke missie en bestemming opgevend, als aandrijving tot concretisering van G’ddelijk bewustzijn in de wereld, en daardoor blijvend in de abstracte sfeer van Zeir Anpin, de emoties per se.

Dit is de esoterische en mystieke analogie van vlaszaad die de energie van de aarde uitput voor zeven jaren. De “energie van de aarde” is de Naam Ban, die de innerlijke G’ddelijke kracht van Malchoet is. Vlaszaad haalt alle energie uit de zeven lagere sefirot die in haar schuilt en verwijst hier naar zeven jaren.

Shabbat Shalom             

DE CONTINUÏTEIT EN DUURZAAMHEID VAN HET JOODSE VOLK HANGT AF VAN EDUCATIE

G’D zei tegen Mozes: “Zeg tegen de Priesters, de zonen van Aharon, en je zult hen zeggen……..” (Leviticus. 21:1)


[De overbodige uitdrukking “en je zult hen zeggen”dient] om de volwassen priesters te instrueren behoedzaam te zijn met de junior priesters met betrekking tot de volgende geboden. (Jevamot 114a, citaat van Rashi op het vers)

Educatie is van het opperste belang in het Judaïsme. “Zonder jonge geitjes kunnen er geen geiten zijn”, de continuïteit en duurzaamheid van het Joodse volk hangt af van educatie. Toch, verrassend genoeg  autoriseert de Thora educatie niet eerder dan in Parashat Emor, veertien parashot na het geven van de Thora (in Parashat Jitro) en zelfs dan refereert het indirect aan de noodzaak voor het hele volk om de jongeren op te voeden en te onderwijzen, door een uitdrukkelijk bevel aan de priesters.

Waarom is dit zo? Omdat het de Thora is die in educatie voorziet. Er is geen noodzaak voor het instellen van basis educatie, het wordt beschouwd als een gegeven. Het centraal staan van educatie in het Judaïsme gaat helemaal terug naar Abraham (Genesis. 18:19).

De Thora instrueert ons echter om educatie te laten “stralen”. In plaats van te volstaan met een vastgestelde elementaire standaard voor onze jeugd of tevreden gevoel met hun basis naleving van de mitzwot, spoort de Thora ons aan om hen te leren de mitzwot optimaal uit te voeren, zelfs voorbij de bedoeling van de wet, zodat zij, de mitzwot en de kinderen doen glinsteren. De geleerden verwijzen hiernaar in hun interpretatie van het vers zoals boven is aangehaald: het Hebreeuwse woord dat zij gebruiken voor “behoedzaamheid” (“lehaz’hir”) betekent ook “stralend” maken”.

De Thora leert ons over dit thema door zijn instructie aan de priesters, omdat bovenal, hun rol een hogere standaard van naleving vereist en ten tweede is het de taak van de priesters om anderen te helpen spiritueel te stijgen en dichter tot G’D te geraken (door de offerdienst). We moeten onze jeugd opvoeden, niet enkel om goed geletterd te zijn in de Thora en nauwgezet in het uitvoeren van de mitzwot, maar om deel uit te maken van “een koninkrijk van priesters en een heilige natie”, en verder te gaan dan de letter van de wet en toegewijd te zijn aan G’D.

Deze leerstof verschijnt na het grootste gedeelte van de mitzwot van de Thora, vlak voor het einde van het Boek Leviticus, het boek dat zich het meest richt op de mitzwot, om er op te wijzen en te benadrukken dat educatie allesomvattend is en dat het gebaseerd is op de fundamentele Joodse verplichting om te studeren en de inachtneming van mitzwot.

Verder is het zeer passend dat deze boodschap voorkomt in Parashat Emor, want dit Thoragedeelte bevat de mitzwa van het Tellen van de Omer en wordt jaarlijks gelezen in de periode waarin deze mitzwa wordt nageleefd. Dit omdat het Tellen van de Omer onze collectieve educatie als volk aan en doorgeeft.

De Exodus markeert de geboorte van ons volk; met het geven van de Thora vieren we onze collectieve bar mitzwa, met andere woorden, toetreding tot volwassenheid. Hier tussen ontvouwt zich de fase van educatie, waarin we gepaste attituden cultiveren door de voorbereidende uitoefening van het Tellen van de Omer. De Thora verlangt onze telling en spirituele cultivering om “compleet” te worden door omarming en verfijning van alle 49 componenten van onze emotionele infrastructuur. Inderdaad, het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt voor “tellen” (“sefira”) betekent  ook “glanzen”of “schijnen” (zie Leviticus. 23:15 en de commentaren daarop). Welke mitzwa zou meer geschikt zijn dan de Telling van de Omer om deze boodschap van optimale glansrijke cultivatie van onze kinderen over te brengen en kenbaar te maken, van het kind door de jaren heen, het kind in Joodse kennis en het kind in ons.

Afgezien van de voorbereiding voor het geven van de Thora, die zal plaatsvinden op de komende feestdag van Shavoeot, bereiden we ons door de Telling van de Omer, eveneens voor op de uiteindelijke revelatie van de diepste dimensies van de Thora in de messiaanse era. (Rashi op Hooglied. 1:2, Vajira Rabba 13:3)

Juda Groenteman

PARASHAT TAZRIA – METZORA

Zij geeft zaad – Melaatse Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33

RABBI SHIMON BAR JOCHAI


Het zuiveren van Adam


Zohar III p. 48a.

Als een mens (in het Hebreeuws, ‘adam’) in de huid van zijn vlees….[ een melaatsachtige infectie heeft] (Leviticus. 13:2)

We hebben geleerd dat mensen [in de Thora] op [vier] verschillende wijze worden verwezen naar: “adam”, “gever”, “enosh” en “ish”. (Shabbat 54b) [Al deze namen hebben dezelfde betekenis, “een mens”, maar] de meest aanzienlijke onder hen is “adam”, zoals is geschreven: “G’D schiep de mens [“adam’] naar zijn beeld”(Genesis. 1:27); “Want naar het beeld van G’D heeft Hij de mens [“adam’]  geschapen” (Genesis. 9:6). Deze versregels hanteren niet de termen ““gever”, “enosh” en “ish”. Vanuit deze verzen kunnen wij concluderen dat de titel “adam” verwijst naar een mens van G’ddelijke status.

In feite zijn deze titels coderingen voor de vier niveaus van de ziel en corresponderen zij naar de vier werelden, respectievelijk: “Adam” is het niveau van de ziel die“Chaya” wordt genoemd (aangeduid in de Zohar als “Neshama van de Neshama”), welke zich manifesteert in chochma, en correspondeert met Atziloet; “gever” is het niveau van de ziel die “Neshama”wordt genoemd, welke zich manifesteert in bina en correspondeert met Beriya; “enosh” is het niveau van de ziel die “Roeach” wordt genoemd, welke zich manifesteert in de zes emotionele eigenschappen van Zeir Anpin en correspondeert met Yetzira; ´ish”is het niveau van de ziel wat “Nefesh” wordt genoemd, welke zich manifesteert in malchoet en correspondeert met Asiya.

Adam Chaya Chochma Atzilut
Gever Neshama Bina Beryia
Enosh Ruach Zeir Anpin Yetzira
Ish Nefesh Malchut Asiya

Echter Rabbi Jehoeda zegt: Maar het staat geschreven, “Wanneer een persoon [adam] een verzoeningoffer brengt aan G’D” (Leviticus. 1:2). Schijnt dit de stelling te weerleggen dat “adam” de meest aanzienlijke titel of benaming is voor de mens, omdat, wie moet een verzoenend offer brengen? Een zondaar, en toch wordt de term “adam” gebruikt!

Hoe kan dit van toepassing zijn op een persoon die op het niveau van Chaya-chochma- Atziloet is?

Rabbi Jitzchak antwoordt: De [fysieke] wereld en de hogere en lagere werelden worden allen gedragen door de offergaven, welke een groot genoegen zijn voor de Heilige, Geprezen Zij Hij. Nu, wie is geschikt om een offergave te bieden die G’ddelijk genoegen teweeg brengt? Alleen de meest achtenswaardige persoon die “adam” genoemd wordt!

M.A.W. alleen een persoon op het hoogste niveau heeft de mogelijkheid om hemel en aarde te dragen.

Rabbi Jehoeda reageert: Maar het vers, “Als een mens in de huid van zijn vlees een lepra-infectie heeft….zal hij voor Aaron gebracht worden” (Leviticus. 13:2) en “Wanneer een mens is getroffen door een lepraplaag zal hij voor een priester worden gebracht”(ibid. 13:9) schijnt dit te weerleggen?

[Rabbi Jitzchak legt uit]: Het is juist zo een persoon wie de Heilige, Geprezen Zij Hij, wenst te zuiveren, meer dan iemand anders. Een persoon op een hoog spiritueel niveau zal niet blijven zoals hij is [zonder rectificatie]. En om die reden verklaart het vers, …”hij zal voor Aaron worden gebracht” en “hij zal voor een priester worden gebracht”. Het zegt niet, “hij zal komen of gaan”, maar eerder, “hij zal worden gebracht” [door anderen]. Want iedereen die zo een persoon ziet is verplicht om hem voor een priester te brengen, aangezien een mens van dit heilige gehalte niet kan blijven in de staat zoals hij is.

Omdat de werelden niet kunnen worden ondersteund zonder zo een persoon, is het in ieders voordeel dat zo iemand zal wordt genezen. De enige vraag die overblijft is hoe een persoon van zo’n hoog spiritueel niveau getroffen worden door melaatsheid? Commentatoren verklaren dat ofschoon zo’n persoon alles binnen zijn mogelijkheid heeft gerectificeerd, er nog altijd kleine hoeveelheden spirituele verspilling overblijf, die een boven natuurlijke infectie veroorzaken in zijn buitenste niveaus, zijn huid. In feite, vóór de infectie is bestempeld door een priester als “onzuiver”, is het een zeer hoog niveau van G’ddelijke illuminatie, ofschoon het aspect bekend is als “ferme strengheid”. Om deze rede moet hij voor de priester worden gebracht, de mens van chesed (barmhartigheid), die de mogelijkheid heeft om harde strengheid te verzachten en het om te zetten in pure goedheid. ( Rabbi Shneur Zalman van Liadi, Likoetei Thora, Tazria 22b)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

Rabbi Jitzchak Luria

Koshere Dieren en Kabbala

Geschriften van de Ari, Sefer HaLikoetim.

Koshere dieren zijn dieren die gedomesticeerd zijn (rundvee, schapen en geiten), zeven soorten wilde beesten, vier typen sprinkhanen en verschillende soorten gevogelte en vis.

De mens is in het algemeen afgeleid van Zeir Anpin, terwijl de beesten en het vee zijn afgeleid van Noekva [van Zeir AnpinI], en vis, sprinkhanen en gevogelte van Yesod van Zeir Anpin. Om die reden is de numerieke waarde van het woord voor “vis” [in het Hebreeuws, “dag”] 7, want Yesod is de zevende sefira. Bovendien “geeft Yesod aan de arme” [in het Hebreeuws, “gomel daliem”], voor de initialen van deze uitdrukking worden de zelfde letters gebruikt als voor het woord “vis”.

Yesod is feitelijk de zesde sefira van de middot, maar aangezien ze een paar vormt met Malchoet, de zevende sefira, mag het evenzeer in deze context als zevende sefira beschouwd worden. Malchoet wordt geacht “de arme”te zijn, omdat het niet een innerlijk gehalte van zichzelf bezit. Aangezien de inhoud van de voorafgaande sefirot door Yesod wordt gekanaliseerd naar Malchoet, mag van Yesod gesproken worden als of ze “geeft aan de arme”.

Met name is [vis] afgeleid van de staat van Chesed gegeven aan Yesod voor zijn eigen doel; dit is de reden waarom zij in water leven.

Bepaalde aspecten van Chesed worden alleen door Yesod gekanaliseerd, terwijl andere een deel worden van Yesod (aangezien Yesod hoofdzakelijk een sefira van overbrenging is, het reflecteert het gevend aspect van Chesed). In de beeldspraak van Kabbala, is water een metafoor voor Chesed (en daarom een manifestatie van Chesed), daar water altijd neerwaarts stroomt en de bron van het leven is.

Sprinkhanen zijn ontleent aan de staten van Gevoera [binnen Yesod] als zij opwaarts terugkeren. Dit is de esoterische betekenis van het vers: “Strek je hand over…..de sprinkhanen en zij zullen opstijgen……(Exodus. 10:12), want zij manifesteren het principe van om hoog gaan.

Om gepast over te brengen, moet Yesod zowel Gevoera als Chesed tonen, aangezien zonder ophouden en onbegrensd geven nooit effectief is. Dit element van terugtrekking of beheersing binnen Yesod is belichaamd is sprinkhanen.

De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “gevogelte” [“oaf] is gelijk aan dat van het woord “Joseph” [“Josef”]. Joseph personifieert de sefira van Yesod. Daarom vliegen vogels, want zij manifesteren ook het principe van opstijgen, zoals de staten van Gevoera keren zij terug en vliegen opwaarts.

De zeven herders van Israël (Abraham, Isaak, Jacob, Mozes, Aaron, Joseph en David, in die volgorde) corresponderen met en personifiëren de zeven emotionele sefirot van Chesed tot Malchoet. Joseph personifieert hoofdzakelijk Yesod omdat hij ten eerste, het hele koningrijk (Malchoet)  van Egypte ondersteunde en van voedsel voorzag gedurende de jaren van hongersnood, ten tweede zijn seksuele integriteit behield ( seksualiteit wordt geassocieerd met Yesod, de sefira van paring) zelfs bij onderdompeling in de verdorven cultuur van Egypte.

Aangezien vis en sprinkhanen ontleend zijn aan de sefira van Yesod waaraan wordt gerefereerd als zijnde “levend”, vereisen zij geen rituele slachting [zoals wordt gedaan bij rund en vee], maar slechts “verzameld”.

De mens, gecreëerd “in het beeld van G’D”, geeft in zijn lichaam en ziel de structuur weer die de sefirot aannemen wanneer zij een partzoef vormen. De analogie tussen de ledematen van het lichaam en de sefirot zijn als volgt:

keter schedel
chochma rechter lob van de hersenen
bina Linker lob van de hersenen
daat Achterhoofd (occipitaal)  lob van de hersenen
chesed rechter arm
gevura linker arm
tiferet torso
netzach Rechter been, rechternier, rechter testikel/eierstok
hod Linker been, linkernier, linker testikel/eierstok
yesod voortplantingsorganen
malchoet mond

Yesod correspondeert dus met het voortplantingsorgaan en Yesod van Zeir Anpin met het mannelijke voortplantingsorgaan. Nogmaals, dit is omdat de sefira van Yesod de overbrenging is tussen de ene partzoef en de volgende. Om de inhoud van de voorafgaande sefira over te brengen, moet Yesod zich volkomen concentreren op zijn doel.

We zien dit in het dagelijkse leven: iemand kan niet effectief communiceren met een ander persoon als hij is afgeleid en zijn gedachten ergens anders zijn. Fysiek kan het mannelijke voortplantingsorgaan niet het zaad overbrengen dat het in zich draagt, noch kan het vrouwelijke voortplantingsorgaan het zaad van de man ontvangen, tenzij zij volkomen op elkaar zijn geconcentreerd. Deze concentratie of gerichtheid wordt in Kabbala omschreven als “zijnde in leven”, juist zoals in Joods Recht het recht opstaande voortplantingsorgaan “leven” wordt genoemd (en in zijn slappe vorm, “dood”).

Evenzo, effectieve communicatie wordt gekarakteriseerd door levendigheid en opwinding, in tegenstelling tot een “uitdrukkingloos gezicht “ dat de luisteraar niet stimuleert. Yesod , wanneer het tenminste efficiënt handelt, wordt dan de “levendige”sefira genoemd.

Dus de dieren (vis en sprinkhanen) die afgeleid zijn van deze sefira worden geacht intrinsieke levenskracht te bezitten en behoeven daarom op geen enkele manier een ritueel proces te ondergaan om hen geschikt te maken voor Joodse consumptie. (Merk op dat de Arizal tot nu toe nog niet heeft verklaard waarom gevogelte, alhoewel afgeleid van de zelfde sefira, geen rituele slachting behoeft.

Dit is niet het geval met rundvee: zij zijn afgeleid van Noekva van Zeir Anpin en behoeven daarom rituele slachting.

Rundvee wordt beschouwd als een lager niveau van leven dan gevogelte en sprinkhanen. Opdat hun levenskracht naar behoren zal worden opgenomen, moet het een bijkomend rectificatie proces van rituele slachting ondergaan. Door dit proces is de inherente levenskracht van het dierlijk vlees veranderd en in staat om te worden geabsorbeerd in spiritualiteit zodat het geconsumeerd kan worden door een Jood.

De Arizal richt zich nu tot de discussie met betrekking tot het onderwerp van de vogels.

Nu is het zo dat de engelen voortkomen van de Yesod van Zeir Anpin van Atziloet. Deze Engelen zijn [spirituele] vogels die van dit niveau zijn afgeleid. Zoals is gezegd van [de engel] Gabriel, “en de vogel zal vliegen in de hemel” (Genesis. 1:20). In tegenstelling hiermee, zijn fysieke vogels zijn van Yesod van Zeir Anpin van [de drie lagere werelden] Beriya, Yetzira en Asiya.

Daar waar de fysieke vis en sprinkhaan voortkomen uit Yesod van Zeir Anpin van Atziloet, komt gevogelte slechts voort van de projectie van dat niveau op de lagere werelden. Het verschil tussen Atziloet en de drie daarop volgende werelden is dat het doordringende bewustzijn in de wereld van Atziloet totaal ondergedompeld is in de G’ddelijke Aanwezigheid. “Bewoners” van deze wereld kunnen zichzelf niet als onafhankelijke wezens voorstellen, maar eerder als aspecten van G’ddelijkheid. In de lagere werelden is het doordringende bewustzijn dat van zelfbehoud; de “bewoners” van deze werelden zijn zich van zichzelf bewust als onafhankelijke entiteiten, hoewel onderhevig aan G’ddelijke leiding. Dit wordt aangegeven door het feit dat vissen in het water moeten leven, dat wil zeggen, hun existentie is praktisch compleet afhankelijk  onderdompeling in de oceaan, net zoals de “bewoners”van de wereld van Atziloet totaal ondergedompeld leven in G’ddelijk bewustzijn.

Dit is de esoterische betekenis van [ de uitspraak van onze wijzen dat gevogelte] uit de modder is gecreëerd [met andere woorden, een mengsel van water en aarde] (Choelien 27b). Zeir Anpin van Beriya, die mannelijk is, existeert in de vrouwelijke wereld, want alle lagere werelden zijn massa’s van Noekva van Zeir Anpin [van Atziloet].

Elke wereld is gecreëerd uit Noekva (feminiene partner) van Zeir Anpin van de voorafgaande wereld, net zoals een fysiek kind wordt gecreëerd uit zijn ouders. En juist zoals de ouders (en in het bijzonder de moeder) het nieuw geboren kind moeten grootbrengen, is Noekva van Zeir Anpin van elke wereld afzonderlijk belast met de taak om het licht of bewustzijn, van zijn wereld in de wereld daaronder te verspreiden. Omdat alle drie lagere werelden (Beriya, Yetzira en Asiya) gemeenschappelijk als werelden het onafhankelijk bewustzijn delen, kunnen zij gezamenlijk worden gegroepeerd en worden beschouwd als te voorschijn gekomen als een groep uit de “baarmoeder”van Noekva van Zeir Anpin van Atziloet. Aangezien de drie lagere werelden dan de rol overnemen van de ontvanger vis-à-vis Atziloet, in zoverre voorbestemd dat zij zoveel mogelijk het  bewustzijn behorend bij de wereld van Atziloet absorberen, worden zij als feminien beschouwd en het masculiene relatief aan elkaar.

Terwijl water in mystieke zin refereert aan de sefira van Chesed , refereert aarde aan de sefira van Malchoet, de laagste van de tien sefirot en de allegorische “bodem” van de wereld waartoe het behoort.

Het volgt zo [dat de lagere werelden] de ontrokken staten van Chesed zijn nadat zij “ontwikkeld/verwerkt” zijn door Noekva van Zeir Anpin van Atziloet. Dit is de esoterische betekenis van het vers “En de vogels zullen zich vermeerderen op aarde” (Genesis.1:22), implicerend dat zij zijn gecreëerd uit de aarde. [Maar aangezien ook wordt aangegeven: “Laat het water wemelen van…….vogels (Ibid. 1:20), betekent het dat de vogels ook zijn gecreëerd uit het water op de aarde, met andere woorden, de staten van Chesed in Yesod van Zeir Anpin. Daarom hebben zij schubben op hun voeten als vis, aan de andere kant, vliegen zij als sprinkhanen.

Gevogelte is dus gecreëerd uit elementen van zowel Chesed als Gevoera en bezit daarom visachtige en sprinkhaanachtige karakteristieken. Omdat zij niet direct afgeleid zijn van de wereld Atziloet, maar van Atziloet als zij “ontwikkeld/verwerkt”, verminderd en afgezwakt in de lagere werelden, is rituele slachting vereist voor zij kunnen worden geconsumeerd.

SHABBAT SHALOM

PESACH 5770 Lam van Eenheid

B’Ohel Hatzadikiem

Maharal van Praag

Tijdens de plagen ondervonden de Israëlieten altijd opluchting zelfs terwijl de Egyptenaren leden. Gedurende de plaag van bloed bijvoorbeeld, als een Jood en een Egyptenaar water dronken uit de zelfde beker, was het voor de Egyptenaar bloed en voor de Jood water. Zo ging dat bij elke plaag.

Niettemin moest G’D de Israëlieten sparen voor de plaag van de dood van de eerstgeborenen. Waarom waren zij ineens wel onderhevig aan deze plaag.

De tien plagen werden Egypte toegebracht involgorde van toenemende hevigheid, van de eerste tot de laatste. De plaag van de dood van de eerstgeborenen was hiervan de meest fatale. Het essentiële fundamenteel spirituele niveau van de Israëlieten in Egypte, bleef ondanks de negatieve invloed van de Egyptische beschaving altijd in intact, zodanig zelfs dat bij aanvang van de plagen, Israël niet door hen kon worden geschaad. De plaag van de dood van de eerstgeborenen werd uitgevoerd door G’D Zelf en was zo zwaar, dat zelfs het essentiële fundamenteel spirituele niveau van de Israëlieten niet in staat was hen te beschermen. Om hen te sparen nam G’D het Joodse Volk als een persoonlijke natie. In feite maakte Hij hen een deel van Zichzelf. Daar het Joodse Volk een integraal deel van G’D was geworden, werden zij gespaard.

Daarom verworven zij het privilege om G’D te dienen en waren verplicht om het Pesach Offer te brengen. Het uitvoeren van deze dienst was een teken dat zij een unieke verhouding hadden met G’D.

De Aramese vertaling van het “Pesach” is “Chayasa” (Exodus. 12:11) wat “barmhartigheid” of “medeleven” betekent. Het laat de bijzondere relatie zien die zich heeft ontwikkeld tussen ons en G’D toen Hij ons als een volk nam en ons bewaarde voor de plaag van de dood van de eerstgeborenen. Hij had medelijden met Zijn volk en spaarde hen voor vernietiging. In die zin dat G’D uniek en enig is, Hij nam voor Zichzelf een natie die uniek en enig is, anders dan enige andere natie ter wereld. Deze karakteristiek is heden ten dage nog altijd een kenmerk van het Joodse Volk. Geen enkele poging slaagde om Joden succesvol te integreren in een andere natie, we hebben ons altijd onderscheiden, een volk apart.

De Maharal van Praag in zijn commentaar op de Haggada geeft in vele opzichten in detail weer hoe het Pesach Offer het idee van eenheid tussen het Joodse Volk en G’D weerspiegelt.

Het Pesach Offer werd in één huis gegeten en alleen door de van te voren bepaalde familieleden, één lam voor ieder huisgezin. (zie Exodus. 12:4) Iets wat eenheid aangeeft moet worden geconcentreerd in één plaats.

Het Pesach Offer moet genomen worden van een 1 jaar oud schaap of geit (zie Exodus. 12:5). Het cijfer één geeft eenheid aan.

Het Pesach Offer werd genomen van schapen of geiten, maar niet van vee. Een geit of schaap is een meer delicaat en gevoelig beest. Als het een verwonding  aan een van zijn ledematen zou hebben opgelopen, lijdt het dier onder de pijn van de verwonding. Een os of koe, vanwege zijn massa, zou niet zo beïnvloed worden door een soortgelijke wond. Het zou alleen de pijn voelen in dat specifieke ledemaat. Het Joodse Volk is te vergelijken met een schaap. Wanneer één Jood een overtreding begaat [zoals in geval van Achan, zie Joshoua 7], lijdt de hele natie. Het Joodse Volk is als het schaap, een aanwezigheid die minder fysiek is. Een entiteit die meer spiritueel is, is van nature gevoeliger.

Het Pesach Offer wordt geroosterd boven het vuur (zie Exodus 12:8,9). Koken in water veroorzaakt dat het vlees klef wordt en de stukken van elkaar separeren. Roosteren boven het vuur onttrekt de sappen en het vlees wordt hechter en steviger en stabieler, een ander indicatie van eenheid.

Het was verboden om welk bot dan ook van het Pesach Offer te breken (zie Exodus. 12:46). Opnieuw, wat heel is en niet gebroken, is een indicatie van eenheid.

Door het eten van het Pesach Offer, volgens al zijn wetten, demonstreert een Jood zijn eenheid met G’D. Dit is de eenheid die Hij investeerde in Israël en hen in dit verband het betreffende Pesach Offer opgelegde.

CHAG SAMEACH EN EEN KOSHER PESACH

PARASHAT TSAV SHABBAT HAGADOL

Draag op    Leveticus.  6:1 – 8:36

Van begin tot eind spreekt het Thoragedeelte van deze week over de verschillende offers die gebracht werden in het Tabernakel en later in de Tempel. De offers dienden verschillende doelen. Er waren dagelijkse offers om ons elke dag met G’D te verbinden, speciale offers in verband met verschillende feestdagen, dankoffers en zondeoffers, vredeoffers en eerstgeboren dieroffers. De Wijzen verklaren dat met de verwoesting van de Tempel, haar heiligheid elk Joods individu omringt. Door onze gebeden, eetgewoonten zoals voorgeschreven en pogingen G’D’s aanwezigheid in deze wereld te reveleren, herscheppen wij de energie van de Tempel en brengen wij verbinding met G’D voort, met ons en met de wereld.

Rebbe Mendel van Kosov schreef dat in de tijd van de Tempel, wanneer een persoon in zonde zou vervallen, hij een offer zou brengen en er daardoor voor worden verzoend. Heden ten dage bereiken we het zelfde door vermeerdering van tzedaka. Maar hoe geven we op Shabbat wanneer we geen geld gebruiken? We inviteren één of meerdere behoeftigen of alleenstaande personen ( elke gast is goed). De gasten eten en de huisbewoners zijn verzoend. Trouwens, in verband met de gewoonte om elke dag tzedaka te geven, geven we op vrijdagmiddag voor een tweede keer, of de middag voor een feestdag om de heilige dag ook te beslaan.

En de Eeuwige sprak tot Mozes, “ Draag [in het Hebreeuws, ‘tzav’]) Aaron en zijn zonen het volgende op, ‘Dit is de Thora voor het in vlammen opgaand offer”. (Leviticus. 6:1-2)

Rashi verklaart dat het woord “tzav” alleen wordt gebruikt in het geval waarin op snelheid wordt aangedrongen of een bijzonder enthousiasme in het uitvoeren van een mitzwa, en dat dit onmiddellijk van toepassing is, nu en voor altijd. De Lubavitcher rebbe zegt dat “tzav” zinspeelt op hoe wij verondersteld worden elk van de mitzwot te doen, betekenend dat zij energiek gedaan moeten worden, doordrenkt met vreugde en hevig verlangend om de wens van onze Schepper te vervullen. Rashi’s keuze van het woord “onmiddellijk” laat ons zien dat wanneer een mitzwa tot ons komt, we het niet moeten uitstellen, maar onmiddellijk moeten uitvoeren. Zijn gebruik van het woord “voor altijd” houdt in dat deze handeling niet eenmalig is, maar continueert tot het einde der tijden in twee dimensies; ten eerste brengt het vruchten voort, fruit van vruchten en ten tweede, de handeling van de mitzwot zelf continueert voor altijd. Parashat Tzav gaat gewoonlijk Pesach vooraf en het is gepast dat we Pesach  en het jaar dat volgt, ingaan met een gewaarwording van wat het doen van een mitzwa is.

De Shabbat voor Pesach wordt Shabbat HaGadol (“de Grote Shabbat”) genoemd, omdat onmiddellijk voor onze verlossing uit Egypte, op de 10e van de maand Niesan, elke familie het gebod kreeg opgelegd om een lam uit te kiezen voor het brengen van hun Pesachoffer vier dagen later. De Midrash zegt dat Mozes verbaasd was: “Weet U niet dat het lam een god voor hen is?” En G’D antwoordde, “Het is beter om Mij onmiddellijk te geloven”! Israël zal Egypte niet verlaten voordat zij de god van de Egyptenaren in aanwezigheid van hen hebben geslacht, om aan te tonen dat hun goden niets zijn”. En zo gebeurde het dat in dat jaar de 10e van de maand Niesan viel op Shabbat. De eerstgeborenen van de Egyptenaren verzamelden zich en vroegen de Joden wat zij aan het doen waren en de Joden antwoordden dat het lam diende als Pesachoffer voor G’D omdat Hij de eerstgeborenen van de Egyptenaren zou treffen. Dit is de betekenis van het vers in het ochtendgebed van Shabbat “de Egyptenaren te treffen met hun eerstgeborenen”. Dit is een belangrijke gebeurtenis en de 10e van de maand Niesan zou waardig geweest zijn als feestdag, ware het niet dat Miriam stierf op de zelfde datum veertig jaar later, dus in de plaats daarvan vieren we het jaarlijks op de Shabbat vóór Pesach. Zorg ervoor dat je het vermeldt aan de Shabbat tafel.

Het feitelijk basis idee van Shabbat HaGadol is dat je slechts een paar dagen hebt tot Pesach en de Seder. Al dan niet verantwoordelijk voor het schoonmaken, Seder voorbereidingen, niemand kan garanderen dat jij en diegene die verantwoordelijk zijn het meeste uit de feestdag zal halen, behalve jij zelf. De heilige Ari van Safed verzekert dat door het nakomen van de Voorschriften van Pesach we zullen worden verlost van al onze spirituele en fysieke limitaties. Dit echter zal alleen gebeuren als er voorbereidingen zijn getroffen.

Één voorbereiding (een andere reden waarom het Shabbat HaGadol wordt genoemd) is de gewoonte dat iedereen gaat luisteren naar zijn Rabbi die spreekt en uitleg geeft over de voorschriften van Pesach, één van de meest belangrijke verhandelingen van het jaar. Elke gemeenschap heeft zijn specifieke nuances, dus is het belangrijk om een locale expert te horen.

Nog een andere voorbereiding is het wijdverspreide en aanbevolen gebruik om de Haggada te lezen rond Mincha, het middaggebed op Shabbat HaGadol; dit was toen de eigenlijke verlossing begon. Het helpt ons ook de tekst voor de Seder fris en eigen in onze gedachten te hebben.

SHABBAT SHALOM

PESACH 5770

DOORBRAAK NAAR VERLOSSING

DE LUBAVITCHER REBBE

Als we kijken naar het vers, “Zoals in de dagen van jullie Uittocht uit Egypte, zal Ik jullie wonderen tonen” (Micha. 7:15), rijzen er twee vragen. Ten eerste, dit vers is een van de weinige gevallen waarin de Uittocht uit Egypte wordt beschreven in het meervoud als “dagen” in plaats van simpel als “dag”, zoals is geschreven in het vers, “Zodat jullie je zult herinneren de dag van jullie Uittocht”. Waarom is dit vers in het meervoud in plaats van enkelvoud?

De tweede vraag handelt over de vergelijking tussen de mirakels van de Uittocht uit Egypte in relatie tot de mirakels die zullen plaats vinden in de Uiteindelijke Verlossing. De mirakelen van de Uiteindelijke Verlossing worden vergeleken met de wonderen die het Joodse Volk zag toen zij uit Egypte kwamen, echter na de Uiteindelijke Verlossing zal er geen verbanning meer zijn, aangevend dat deze Verlossing op een hoger niveau is en meer volkomen zal zijn. De wonderen van het tijdperk van Mashiach zullen de wonderen van de Egyptische Uittocht overtreffen met een omvang waardoor, zoals sommige van de geleerden hebben gezegd, we ons in deze era niet langer de Egyptische Uittocht zullen herinneren.

Een andere mening is,  dat de Egyptische Uittocht in onze herinnering blijft omdat het deel uitmaakt van de Toekomstige Verlossing en dat het de eerste stap was in het proces van het brengen van de Verlossing. We zullen ons bovendien de eerste Uittocht herinneren, omdat de wonderen van de Uiteindelijke Verlossing vergelijkbaar zijn met de wonderen die we gezien hebben in Egypte. Het Joodse Volk was getuige van grote mirakels toen zij Egypte verlieten, maar de mirakels van de Toekomstige Verlossing zullen zich voordoen zoals die van de Egyptische Verlossing.

Wat is de spirituele oorsprong voor dit onderscheid? Toen het Joodse Volk in Egypte was, moesten zij worden verheven van de 49e poort van onreinheid (uit 50). Als we de Omer hebben geteld, verheffen we de 50 Poorten van Bina. Dit wordt aangetoond door het feit dat de Egyptische Uittocht 50 keer wordt vermeld in de Thora. De Egyptische Uittocht representeert de 50 Poorten van Bina als zij worden neergehaald door de sefira van Malchoet. De Toekomstige Verlossing zal eveneens de 50 Poorten van Bina representeren, maar deze zullen worden neergehaald door Keter die verder dan de sefirot zijn en eindigt in Atik die hoger is dan Keter. Dit is niet het externe aspect van Atik, maar de pnimiyoet, het diepste deel van het niveau dat boven alle niveau is. Dit zal resulteren in een grotere revelatie van G’D in de Era van Verlossing.

De revelatie van G’D gedurende de Egyptische Uittocht was groot, maar beperkt, aangezien het gekleed was in Malchoet. In de Era van Mashiach, zullen er geen kledingstukken zijn die de G’ddelijk Revelatie bedekken.

We keren terug naar de vraag waarom we ons in de Era van Mashiach de Uittocht van Egypte moeten herinneren, als de wonderen en de revelatie van G’D dan zoveel groter zullen zijn. De zesde Chabad Rebbe (de Frierdiger) heeft gezegd dat de Egyptische Uittocht zal worden herinnerd omdat het een soort kanaal vormt voor alle toekomstige verlossingen inclusief de Uiteindelijke Verlossing. De Egyptische Uittocht was uitzonderlijk omdat het een noodzakelijke voorbereiding was voor het geven van de Thora. Voordat de Thora was gegeven, kon niets in de wereld worden verheven naar de hogere werelden en niets kon deze niveaus betrekken in het afdalen in de wereld van actie. De mogelijkheid om de wereld te purificeren, te verheffen was een belangrijke stap naar de Uiteindelijke Verlossing, wanneer de wereld zijn Schepper zal erkennen en een verblijfplaats wordt voor het Oneindige Licht, Geprezen zij Hij.

Het antwoord op de eerste vraag, waarom in het vers, “Zoals in de dagen van jullie Uittocht uit Egypte, zal Ik jullie wonderen tonen”, “dagen” in het meervoud betekent dat alle dagen, van de Egyptische Uittocht tot aan de Toekomstige Verlossing, deel uitmaken van een proces van Egypte komen. Elke dag moet iemand nadenken over het idee dat hij uit Egypte verlaat. De Eerste Rebbe van Chabad identificeert het Lezen van het Shema als de geschikte tijd om onze persoonlijke uittocht te ervaren. De reden dat we tzitzit vermelden in het Avond Gebed, een moment dat niet is verbonden met het doen van deze mitzwa, is de passage die verhaalt van de Uittocht uit Egypte.

Elke dag laten we meer en meer beperkingen achter ons, totdat we het punt bereiken waar we alle limitaties zullen doorbreken in de Uiteindelijke Verlossing. Mashiach stamt af van Koning David, die op zijn beurt afstamt van Peretz, wat klinkt als het woord “poretz”, wat doorbreken van alle limieten betekent. Elke morgen voor het gebed is er een fysieke verbanning die ons het gevoel geeft beperkt te zijn binnen de grenzen van ons lichaam.

Het vers, “We komen van de man die roeach in zijn neusvleugels heeft. Vanwaar wordt hij waardig geacht?” Beschrijft de gelimiteerde spiritualiteit wanneer we ontwaken en de ziel alleen in de neusvleugels is. Gedurende het gebed, verspreidt de ziel zich door het lichaam, totaal de fysiekheid onderwerpend en de dierlijke ziel er toe brengend “amen” te zeggen tegen haar wil; dit is de enige weg om complete dienst aan G’D te bereiken. Zoals Koning David het formuleert, “Mijn hart is leeg in mij,” betogend dat iemand de linkerkant van zijn hart moet overwinnen voordat hij kan zeggen “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden….” in het Shema, en de liefde voor G’D te verklaren met beide zielen, de dierlijke en de G’ddelijke.  Idem, kwaad en het wezen van onreinheid zullen in de Era van Mashiach worden overwonnen en vervolgens getransformeerd naar het goede.

Waarom is het nodig dat we dit overwinnen? Waarom transformeren we niet simpelweg de onzuiverheid, in plaats van het eerst te overwinnen? Deze onderwerping heeft als voordeel, zoals de Alte Rebbe schrijft in de Tanja, dat iemand een ware dienaar van G’D is als hij voordurend in gevecht is met zijn natuur en het onderwerpen ervan. Het is een gevecht dat G’D’s Licht in de wereld brengt.

De situatie is gelijk aan die van een koning die al zijn kostbaarheden verdeelt onder zijn soldaten zodat zij in een oorlog kunnen strijden. In vredestijd zouden deze kostbaarheden nooit worden aangeraakt of veel minder vrij worden besteed. Deze oorlog is het gevecht met de dierlijke ziel en de overwinning brengt kostbaarheden van G’ddelijke Revelatie. Dit is een andere reden waarom de Egyptische Uittocht zal worden herinnerd in de Era van Mashiach; de dagelijkse strijd tegen de dierlijke ziel is ons individueel onttrekken aan Egypte wat ten slotte zal leiden naar de Uiteindelijke Verlossing.

Chag Semeach