SHABBAT VISIOEN


Gebaseerd op Tiferet Shlomo van Rabbi Shlomo van Radomsk

Rabbi Shlomo van Radomsk schrijft dat “Shabbat Chazon“, de Shabbat vóór Tisha B’Av, de meest belangrijke Shabbat van het jaar is. Hij baseert zijn gedachte op het vers:

“Dan zal het Land genieten [of tevreden zijn vanwege] zijn Shabbatot.” (Leviticus. 26:34) Het vers duidt op de grootsheid van Shabbat in het algemeen en Shabbat Chazon in het bijzonder. Op Shabbat is er een uitzonderlijke eenheid tussen G’D en de Joden. Dit wekelijkse eiland van eenheid is zeer kostbaar en een bron van grote vreugde voor G’D gedurende deze lange sombere periode van verbanning van het Joodse volk.

Toen de Tempel stond, was deze eenheid duidelijk kenbaar en existeerde zelfs gedurende de week. En hoewel de kracht van unificatie groter was op Shabbat, omdat het reeds op een zeer hoog niveau was gedurende de week, was het niet een waarneembaar grotere bron van vreugde.

Nu dat de Tempel niet langer staat en we in verbanning zijn en meer verwijderd zijn van G’D, is er een begrijpelijk gebrek aan eenheid. Wanneer Shabbat komt en de Joden in staat zijn om hun relatie met G’D te vernieuwen, heeft Hij zelfs meer vreugde dan Hij had tijdens de periode dat de Tempel stond. Van duisternis naar Licht, G’D verheugt Zich uitzonderlijk in deze eenheid met Zijn Volk. Dit idee kan bijvoorbeeld vergeleken worden met een lichtflits overdag. Zelfs de sterkste lichtstraal is niets vergeleken met het licht van de zon. Alleen wanneer het zonlicht afneemt en duisternis intreedt, is de lichtstraal zichtbaar.

Nu kunnen we het vers “Dan zal het Land genieten [of tevreden zijn vanwege] zijn Shabbatot.” begrijpen. Tijdens de periode van verbanning na de destructie van de Tempel, is het Shabbat wat G’D tevreden maakt. Zijn verlangen en bron van vreugde is eenheid met het Joodse Volk en dit wordt voornamelijk gerealiseerd op Shabbat.

Hiermee hebben we een indrukwekkend inzicht in de woorden van Lecha Dodi het gedicht dat gezongen wordt op Shabbatavond: “…Rav Lach Shevet B’emek HaBacha…” “Veel te lang hebben jullie je opgehouden in de Vallei van Wenen.” Het kan ook anders gelezen worden, “Groot is de Shabbat te midden van het wenen.” Groot is de Shabbat gedurende de tijd van bittere verbanning.

Waarom? Omdat het een moment van eenheid is tussen G’D en het Joodse Volk.

Bovendien kan “de Vallei van Wenen.” begrepen worden als een verwijzing naar de drie weken tussen de 17e Tammoes en de 9e Av. Groot zijn deze Shabbatot tijdens deze drie weken verheven boven alle andere van het jaar en de Shabbat dichtst bij de 9e Av het meest van al. Naar gelang de omvang van G’D’s pijn is de grootheid van Zijn vreugde.

Het bovengenoemde kan ons ook inzicht verschaffen in het begrijpen van een Midrash van Midrash Pliah (een verzameling van extreem moeilijk te begrijpen Midrashiem) die stelt, “Nog nooit is er een feestdag geweest in Israël zoals de dag dat de Tempel is verwoest.”

Daarbij wordt deze Shabbat “Shabbat Chazon” genoemd, naar het eerste woord van het Boek van Jesaja, die de Haftora voor deze Shabbat is. “Chazon” betekent “visioen” of “ziende”. Deze Shabbat, in achtgenomen met vreugde en concentratie, maximaliseert de mogelijkheid voor eenheid met G’D. Men kan baat vinden bij deze staat van eenheid en de gelegenheid geboden worden om niet alleen een unieke en doordringend visioen van zijn persoonlijke spirituele status te zien, maar evenzo van de totaliteit van het hele Joodse Volk.

Daaraan moet het volgende worden toegevoegd, de verwoesting van de Tempel was niet alleen een nationale en fysieke destructie maar ook een persoonlijke en emotionele verwoesting. De Talmoed (Yoma 9b) verklaart dat de Eerste Tempel was verwoest omdat de Joden zich hadden gedegenereerd tot wijdverspreide overtredingen van het verbod tegen afgoderij, seksuele perversie en buitensporig bloedvergieten. Tijdens de Tweede Tempelperiode waren zij, ondanks het feit dat de natie compleet Teshoewa had gedaan over die drie primaire overtredingen, toch voordurend in onenigheid met elkaar in een eindeloze cyclus van ongefundeerde en onzinnige haat.

De Talmoed concludeert daarom dat de overtreding van zinloze haat gelijk staat aan deze drie primaire overtredingen. Daarom moet onze rouw op Tisha B’Av, rouw inhouden over het grote spirituele en persoonlijke verlies van ons hogere zelf, een verlies dat wij nog steeds proberen te herstellen tot vandaag toe.

Mag deze Shabbat Chazon ons het visioen verlenen dat ons op de weg terug leidt naar G’D. Mogen we in staat zijn om Zijn Thora te leren tot en het doen van Zijn mitzwot met liefde voor Hem en voor onze mede Joden, een liefde die geen grenzen kent, noch enige andere rechtvaardiging behoeft dan dat we één Volk zijn. Moge we spoedig de 9e Av ervaren als een ware feestdag voor ons en voor de hele wereldse mensheid, een omhoog gaan van de Vallei van Wenen tot de Berg van G’D in vreugde en vrede.

SHABBAT SHALOM

DE DRIE WEKEN

Rabbi Tzvi Elimelech van Dinov

Benei Yissaschar, Tammoez/Aw, sectie 4:5

Van de 17e van de Hebreeuwse maand Tammoez tot en met de 9e van de maand Aw, neemt de Joodse Natie traditioneel een periode van rouw in acht over een reeks gebeurtenissen die hen is overkomen gedurende deze tijd van het jaar over de generaties. Van de lasterlijke spraak van de Verkenners (in Exodus. 13,14), tot de belegering en destructie van beide Heilige Tempels in Jeruzalem, tot het begin van de Kruistochten, tot de climax van de Spaanse Inquisitie, deze drie weken karakteriseren een tijd van verschuiling van G’D’s barmhartigheid.  In de volgende leerstelling reveleert Rabbi Tzvi Elimelech van Dinov, Benei Yissaschar, enige esoterische achtergronden.

De Talmoed verklaart dat op de 15e van de maand Aw, bekend als Toe B’Aw, de ongetrouwde vrouwen van Jeruzalem uit plachten te gaan in geleende witte kleren en kringdansen in de wijngaarden.  Iedere man die geen vrouw had zou komen en een vrouw kiezen, en als zij en haar familie akkoord gingen, zouden zij worden getrouwd. De vrouw zou zeggen, Jongeman, sla je ogen op, en zie wat je koos voor je zelf. Overweeg geen schoonheid, acht familie. Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat, maar een vrouw met ontzag voor G’D, zij zal worden geprezen….” (Spreuken. 31:30)

Zij zouden zeggen, “Jongeman, sla je ogen op…” (Taanit 30) het is de moeite waard zich te concentreren op de reden waarom wij moeten weten wat de vrouw zegt gedurende deze kringdans, en waarom zij zegt “Jongeman, sla je ogen op…”, etc.,  want was niet elke ongetrouwde man daar, en niet alleen maar jonge mannen? En waarom “sla je ogen op…”?

Veel kan duidelijk worden gemaakt door wat ik heb uiteengezet ( betreffende de Drie Weken, 3:8), dat de 22 dagen van de periode van de Drie Weken [kunnen worden verdeeld in] 13 dagen in de maand Tammoez en 9 dagen in de maand Aw. Dit is vanwege de behoefte om de Dertien Eigenschappen van Barmhartigheid terug te brengen in de maand Tammoez door het gebeuren toen [van het breken van de Stenen Tafelen] en op de 9e Aw was de lasterlijke spraak [met betrekking tot het Land Israël, zie Numeri. 13:1-31, 14:1-19], waar Mozes de 9 Eigenschappen opriep (zie Numeri. 14:18). Tot aan de 22e dag van de Drie Weken [met andere woorden, zijn voltooiing], beschermen deze [barmhartige] eigenschappen het Joodse Volk, het was alleen dat zij waren verscholen tijdens deze 22 dagen [van tegenspoed], wat bekend staat als de “verborgen barmhartigheid”.

En daar [in 3:8] spraken wij ten aanzien van de aanduiding in het vers “Van de Eeuwige kwam dit [in het Hebreeuws ‘zot’…” (Psalm 118:23), dat het woord “zot” een acroniem is voor “Tikoenei Zeir Anpin en Arich Anpin, en de continuatie van het vers… dit is een wonder in onze ogen”, betekenend dat zij [Zeir Anpin en Arich Anpin], verborgen verhuld zijn in deze twee maanden, waaraan wordt gerefereerd als “ogen”, Tammoez het rechter oog en Aw het linker oog.

Sefer Yetzira weidt uit en beschrijft de specifieke gedeelten van het gezicht in relatie met elk van de maanden. De maanden Tammoez en Aw zijn geassocieerd met de rechter en het linker oog.

En in de huidige tijd vanwege ons negatief gedrag, wordt ten aanzien van deze twee maanden gezegd, “Mijn oog[en], mijn oog[en], brengen [schenken] water voort” (Klaagliederen. 1:16) (dat de zoute tranen de spirituele krachten van oordeel representeren, Etz Chaim). En in de Toekomst, de Hafthorot van Troost zal worden gelezen: “Hef uw ogen over u op en zie….” (Jesaja. 60:4), waarin G’D Zijn barmhartigheid zal gebieden en uitschenken over het Joodse Volk, dat zij hun blik verheffen [letterlijk hun “ogen”] en “rondkijken”, want telkens wanneer hun ogen zijn gevuld met tranen, want met zo veel tranen in de ogen is het onmogelijk om rond te kijken [met andere woorden, met wijde blik].

Dit is niet het geval wanneer de ogen mooi en helder zijn, zij kunnen periferieën [met andere woorden, in het rond zien]. En dit is wat de profeet zei, in G’D’s naam “Hef uw ogen over u op en zie….”, de “ogen” refereren aan de twee maanden, Tammoez en Aw.  ( En dit is waar de Wijzen aan refereerden toen zij Taanit 24 onderwezen, dat een mogelijke bruid, iemand die wordt erkend als hebbende mooie ogen, behoeft geen verdere waardering voor schoonheid.)

Het is al eerder onderwezen dat de Dertien Rectificaties van de Baard van Arich Anpin de aspecten van Oudere zijn [ met andere woorden, volwassen bewustzijn], terwijl de Negen Rectificaties van de Baard van Zeir Anpin de aspecten zijn  van Jongeling [of jongeman, met andere woorden, onvolwassen bewustzijn]. En wanneer het gerectificeerd wordt [met andere woorden, volwassen,  “zich verheft”, in spiritueel formaat], wordt Zeir Anpin’s Baard, de Jongeling, volwassen en wordt Dertien Rectificaties, zoals die van Arich Anpin]. Dit is de mystieke betekenis achter het vers, ” Dan zullen de ongetrouwde vrouwen zich in hun kringdans verheugen, jeugd en oudere tezamen….”(Jeremia. 31:12)

En dit is waarom de ongetrouwde vrouwen die uit plachten te gaan om te kunnen kringdansen op de 15e Aw specifiek uitriepen, “Jongeman, sla je ogen op”, en hier stop ik, want ik ben bang om meer te spreken, en ik heb vele aanwijzingen gegeven in deze leringen voor degene die wij zijn om te begrijpen en mag de Goede Naam [G’D] ons vergeven en mag het zijn dat onze monden niet iets zeggen [reveleren] wat niet Zijn Wil is.

Shawoeot

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

 

Likoetei Thora

 

Er is een passage in het Boek Spreuken waarin de Thora zelf de spreker is en zichzelf antropomorfiseert en beschrijft al te hebben geëxisteerd vóór de Creatie van het universum. Na uitspraken als “Toen G’D de hemelen vestigde, Ik was daar; toen Hij een cirkel trok over de oppervlakte van de diepten”, gaat de Thora verder met te zeggen, “Ik was met Hem als een zuigeling en Ik was elke dag Zijn vreugde, spelend voor Hem te allen tijden; spelend met de wereld, Zijn wereld en Mijn vreugde was met de zonen van de mens.” (Spreuken, 8:30-31) Deze uitspraken zijn niet alleen poëtisch, maar bevatten ook diepgaande esoterische verwijzingen naar de essentiële aard van de Thora die werd gegeven, hetgeen wij vieren op de feestdag van Shavoeot.  

 

De Thora’s beschrijving als zijnde een “zuigeling” (“amon” in het Hebreeuws) herinnert en verwijst naar Mozes vraag aan G’D nadat Mozes net heeft verteld  dat de Joden op miraculeuze wijze zullen worden voorzien van vlees in de woestijn en Mozes “zich, als het ware, beklaagt”, dat hij niet kan fungeren als een instrument van dat gebeuren: [Wie ben ik], zegt Mozes tot G’D, dat U zegt tot mij, Draag het [Joodse Volk]  aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft [in het Hebreeuws, “omen“] …. waar [haal] ik vlees vandaan?” (Numeri, 11:12-13)

 

[Zoals verklaard ergens anders in Likoetei Thora, komt Mozes’ ziel voort uit een uitermate subliem spiritueel niveau. Zijn ziel was zo verheven dat Mozes, die juist 40 dagen en nachten bovenop de Berg Sinaï had doorgebracht, in zo een krachtige staat van heiligheid verkeerde dat hij geheel werd onderhouden door spiritualiteit en geen behoefte had aan fysiek voedsel, hij voelde dat hij zich niet meer kon relateren aan zulke aardse dingen als vlees. Hij had het begrip verloren hoe hij het aan de gewone mensen verstrekt kon worden.

Op een vergelijkbare manier, had Mozes G’D duidelijk gemaakt dat hij ongeschikt was om G’D’s boodschap van verlossing over te brengen aan het Joodse Volk in Egypte omdat hij leed aan een spraakgebrek. De Chassidische leer verklaart dat Mozes’ bezorgdheid was dat zijn eigen verheven ziel niet in staat zou zijn om de kloof tussen de gewone Joden te overbruggen, zodat G’D’s boodschap niet succesvol zou worden overgebracht. G’D’s antwoord was dat Hij Mozes zou assisteren in het “overbrengen en het doen begrijpen van de boodschap”, Mozes moet zijn bijdrage leveren in het spreken tot het Joodse Volk en G’D zou ervoor zorgen dat de spirituele “kloof” werd overbrugd. Dus in plaats van met gewoon fysiek voedsel wordt Mozes geassocieerd met het Manna dat miraculeus neerdaalde van de hemel vanwege zijn verdienste (zie Taanit 9a; Zohar III 156a). Dit was spiritueel voedsel en iets waar Mozes zich aan kon relateren.]

 

Hier, de opmerking om een zuigeling te voeden duidt eerder op een diepere betekenis dan op eenvoudige literaire beeldspraak. Een pasgeboren baby is niet volledig ontwikkeld; een baby moet een heel groeiproces doormaken. In het begin is een kind bijna uitsluitend een creatuur van emotie, voelend plezier, angst, etc. maar niet in staat om te denken over of te begrijpen wat het ervaart. Zelfs zijn emoties hebben tijd nodig om zich te ontplooien en om al de nuances te ontwikkelen die zij in zich bergen. (Bijvoorbeeld, een kind ervaart niet “bitterzoet” of schrijnende gevoelens, alleen wilde vreugde en immens tekeergaan.)

 

Hoewel het waar is dat in moderne tijden vele zuigelingen geen borstvoeding meer wordt gegeven, symboliseert deze natuurlijke praktijk een zekere spirituele groei. In feite bevordert melk de ledematen van het kind, dus borstvoeding representeert en veroorzaakt de spirituele ontwikkeling en groei van de emotionele ziels eigenschappen. Tijdens de periode van verzorging rijpen de emoties van de zuigeling en ontwikkelen zich. Nochtans is het niet veel later dat het intellect van het kind zich manifesteert, dat is waarom, ofschoon het bekwaam is in het voortbrengen van geluid ( en soms zelfs heel veel) is het niet in staat om intelligent te spreken. Dit latere stadium van ontwikkeling is mystiek geassocieerd met het spenen van het kind en het begin van vast voedsel, in het bijzonder brood, zoals de Talmoed leert, “Een kind weet niet “Vader” of “Moeder” te roepen tot het de smaak van graan heeft geproefd” (Berachot 40a, in ondersteuning van de uitleg dat de Boom van Kennis, die werd geïntroduceerd als intellectueel bewustzijn aan Adam en Chava, in feite graan was).

 

Kabbalistisch gezien, spelen de voorname Joodse Feestdagen, Pesach, Shavoeot en Soekot, een rol in de creatie van de Joodse zielen. Op de zevende dag van Pesach als het ware, waren nieuwe zielen “geboren”, in de zin dat zij voortkwamen uit de verheven spirituele sfeer van Atziloet, welke onafscheidbaar is  van G’D Zelf, in de relatief “lagere”sfeer van Beriya, worden zij beschouwd als separate entiteiten. Echter deze “nieuwgeboren” zielen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Zoals ergens anders verklaard, een ziel bezit tien spirituele eigenschappen, zeven overeenkomend met de emotionele eigenschappen van een persoon en drie intellectuele eigenschappen.

De nieuwgeboren ziel, net zoals een zuigeling, heeft tijd nodig voordat zijn emotionele vermogens volgroeid zijn; dit heeft in het bijzonder betrekking op de zo geheten “dierlijke ziel”, die de oorsprong is van iemands natuurlijke inclinatie. Ook deze, en niet alleen iemands spirituele tendensen, behoeven te worden ontwikkeld in instrumenten voor dienst aan G’D. Elk van de zeven emotionele eigenschappen, wanneer volwassen, is een compositie van alle zeven ( makend 49 emotionele componenten van ziel in totaal), en om deze “nuances” naar buiten te kunnen brengen, moet de ziel een periode ondergaan van spirituele “verzorging”. Dit refereert aan de 44 dagen van de Omer periode tussen de zevende dag van Pesach en de Feestdag van Shavoeot.

 

De Omer periode, de tijd in welke de Jood de dagen telt van de Exodus van Egypte tot het geven van de Thora op de Berg Sinaï, begint in de tweede nacht van Pesach en omvat 49 dagen in totaal. Deze corresponderen met de 49 emotionele eigenschappen van de ziel. Echter de eerste vijf dagen van deze telling ( met andere woorden, de vijf dagen van de telling) van de tweede tot de zevende dag van Pesach, representeren de mystieke vijf eigenschappen van goedheid ( de vijf Cheseds, de eerste vijf emotionele eigenschappen binnen de samengestelde eigenschap vanChesed, of goedheid zelf), welke de groei van de rest van de eigenschappen voortbrengt. De eerste vijf worden geïdentificeerd met de sfeer van Atziloet, overhoudend 44 die zich ontwikkelen na “geboorte”.

 

De mitzwa van het tellen van de Omer, dient de mystieke functie van verzorging van de ziel, en het ontwikkelen van hun innerlijke emotionele eigenschappen naar volwassenheid. Echter verzorging is niet een doel op zich zelf;  het leidt naar spenen en de bekwaamheid om vast voedsel  op te nemen. Dit wordt gesymboliseerd door brood en juist als “de smaak van graan” een nieuw niveau van intellectueel vermogen introduceert voor een kleuter, is het het spirituele “brood” dat de zielen na verzorging ontvangen, dat hun intellectuele eigenschappen zich uiten. Dit “brood” is de Thora zelf, die “voeding”  voor de ziel genoemd wordt (zie Talmoed Chagiga14a; Bereishiet Rabba 43:7), en waarover is geschreven, “Kom, eet Mijn brood.” (Spreuken, 9:5)

 

De feestdag van Shavoeot, toen de Thora aan het Joodse Volk werd gegeven, correspondeert dus mystiek met het “spenen” van de nieuwgeboren zielen. Dit is de reden dat ons op Shavoeot  wordt opgedragen een offer te brengen dat hoofdzakelijk bestaat uit twee broden (Leviticus. 23:17): één representeert de Geschreven Thora en de andere representeert de Mondelinge Thora (het gehele corpus Joodse Kennis, inbegrepen de Mishna en Talmoed, die de latente betekenis van de Bijbelse verzen reveleert). Dit niveau is ons door G’D verleend in antwoord op de zelf nullificatie van het Joodse volk uit eerbied voor Hem gedurende de overdenking van het Shema gebed, om die reden zegt het vers dat de twee broden gebracht moeten worden “vanuit je woningen” (in het Hebreeuws, “mimoshvateichem “), wat ook letterlijk van je “zittend” betekent, aangezien het Shema wanneer het gepast wordt gereciteerd zittend moet gebeuren.

 

“Verzorging” kan worden begrepen in de zin dat het een voorbereidende fase is leidend naar het eten van brood. Mozes, in al zijn nederigheid, voelde zich ongeschikt tot deze laatstgenoemde taak van het introduceren van “vast voedsel” van Thora aan het Joodse Volk, dat is wat hij bedoelde met het protest, “[Wie ben ik] dat U tegen mij zegt, “Draag [het Joodse Volk] aan je boezem zoals iemand die een zuigeling te eten geeft…” waar [haal] ik vlees vandaan?”

 

Men moet zich volkomen bewust zijn dat G’D absoluut transcendent en onkenbaar is. Elke relatie die wij hebben met Hem is een gift van G’D, die Hij verleent aan ons door overbrenging van de Thora: door Zich Zelf  “samen te persen” als het ware in de Thora, we zijn in staat om G’D Zelf te vatten door ons begrip van de Thora. De Thora zelf een is vat, het kanaal, dat deze G’ddelijkheid in zich draagt en doorgeeft  aan ons. Dit is waarom, ofschoon Mozes in zijn nederigheid voelde dat hij onbekwaam was in het overbrengen van G’ddelijkheid, helemaal afdalend naar ons niveau (dat van “brood”), de Thora zichzelf beschrijft als ze deze functie uitvoert, en zegt, “Ik was met Hem als een zuigeling.”

 

Het vers gaat verder met te zeggen, Ik was Zijn vreugde elke dag.”Dit verwijst naar de vreugde en het genoegen die alleen komt na intellectueel begrip. Niet alleen is de Thora een “zuigeling” die het intellectuele niveau van de ziel naar buiten brengt, het gaat zelfs verder met openbaren van diepere aspecten van Vreugde.

 

GOED JOM TOV EN SHABBAT SHALOM                    

 

      

                      

 

HET TELLEN VAN DE OMER IS NIET ALLEEN MAAR STIJGEN OF AFDALEN

Het moet een combinatie zijn van beide. Zodat, hoe hoger we kunnen gaan tengevolge van de illuminatie die we hebben ontvangen op Pesach, des te krachtiger het Licht zal zijn dat we kunnen neerhalen in de zichtbare wereldse details van ons leven. En des te meer krachtig Licht we kunnen neerhalen in de zichtbare wereldse details van ons leven, des te meer reveleren we de aanwezigheid van G’ddelijkheid in deze wereld, des te meer verheffen en verhogen we ons en het hele universum steunt op G’D. En hoe meer we onszelf kunnen verheffen, des te intenser is het licht dat we neerwaarts halen.

Uiteindelijk culmineert het hele neerhalende proces in zo een krachtig Licht, dat het de gehele wereld zal belichten en al het fysieke transformeert zodat alles wat gescheiden is van G’ddelijkheid, spiritueel wordt.

Dit wordt aangegeven in de Talmoed: “Bar Kappara zet uiteen: De werken van de rechtvaardigen zijn groter dan G’D’s creatie van Hemel en Aarde!” (Ketoewot 5a). Wat betekent “door het werk van menselijke hand”? De mens heeft de capaciteit om door de façade van materie heen te kijken, om de existentie van de Oneindige Schepper achter de Schepping te bevatten, om zich met Hem te verbinden, aan Zijn Eigenschappen vorm te geven, en een rol te spelen in Zijn Drama, en om de hele wereld aan Hem op te dragen als een offer.

Op andere plaatsen wordt hiernaar verwezen in de omvorming van het woord “Or” gespeld met de letter ayin, wat huid betekent (relaterend aan fysiekheid) en aan “Or” gespeld met een alef, wat “licht” betekent, (relaterend aan spiritualiteit).

Toen G’D de wereld creëerde, bracht dit een neergaand proces met zich mee van spiritualiteit naar “energie”(Licht) naar “materie” (Huid). Wanneer we door de façade van materie kijken naar het innerlijke niveau van spiritualiteit dat het zijn existentie geeft, verheffen we “materie” (Huid) terug naar zijn “energieoorsprong” (Licht).

Dit idee [dat wij degenen moeten zijn die als instrument dienen in het bestralen van de gehele realiteit met het licht van G’ddelijkheid] is de personificatie van Lag BaOmer, de 33e dag van de OmerTelling, ter ere van Rabbi Shimon bar Jochai, door kaarsen en vuur in de openlucht aan te steken en het leren van de Zohar. In de Zohar reveleert Rabbi Shimon de diepste esoterische begrippen van de Thora, het mysterie van transformatie van fysiekheid (“Or” met een ayin) in spiritualiteit (“Or” met een alef).

Rabbi Tzwi Elimelech van Dinov ( Bnei Yissasschar, Chodesh Iyar, Maarar 3) verklaart de Mishna in Avot 2:9, waar Rabbi Jochanan ben Zakai zijn studenten vraagt: Wat is de juiste weg [met andere woorden, de meest belangrijke weg voor iemand te bewandelen en te leven in deze wereld]? Rabbi Eliezer antwoordt, “ayin tov” [een goed oog”]; Rabbi Jehoshoea antwoord, “chaver tov” [“een goede vriend”]; Rabbi Jossi antwoordt, “shacher tov” [“een goede buur”]; Rabbi Shimon antwoordt, “ha’roeh et ha’nilad” [de bekwaamheid om de consequentie te zien van iemands handelingen]; Rabbi Elazar ben Arach antwoordt, “lev tov” [“een goed hart”]; Rabbi Jochanan ben Zakai prees hen allen, maar zei dat Rabbi Elazar ben Arach’s antwoord al de anderen inhield.

Bnei Yissasschar verklaart waarom “lev tov” een goed hart zo belangrijk is. Hij vermeldt dat de numerieke waarde van “Lev”  (“hart”) 32 is, terwijl dat van “Tov” (“goed”) 17 is. Hij benadrukt de diepe leerstelling van de Zohar op het vierde vers in de Thora,  “G’D zag dat het Licht (Or) goed (Tov) was, en G’D maakte een scheiding tussen het Licht en de duisternis” (Genesis. 1:4), dat “Tov” een codewoord is voor “Or“, met andere woorden, de “Or HaGanoez“, het Oneindige Verhulde Licht verborgen in de Thora.

Hij merkt op dat de eerste keer dat het woord “Tov” wordt aangehaald in dit vierde vers, volgt na exact 32 woorden (het is het 33e woord van de Thora).

Hij continueert met te verklaren dat de 49 dagen van de Omer ordelijk zijn verdeeld in 32 opbouwende dagen naar Lag BaOmer, en 17 dagen van Lag BaOmer. De betekenis van “Lev Tov” in termen van de Omer, zegt hij, is de zuivering van het menselijk hart, met andere woorden, de purificatie van de menselijke persoonlijkheid, de karaktertrekken die ons gegeven zijn toen we geboren werden.

Dit is wat exact gebeurde toen we vertrokken uit Egypte op Pesach. We tellen 49 dagen om ons hart te zuiveren zodat we de Thora aan de Berg Sinaï konden ontvangen “als één man met één hart” (Rashi, Exodus. 19:2)

Het zelfde is elk jaar waar. We tellen 49 dagen (met andere woorden, we doen het eigen maken van purificatie en zuivering van ons hart), teneinde de Thora te kunnen ontvangen op Shavoe’ot. Dit is vooral vanaf Lag BaOmer. Lag BaOmer is de overgang naar de laatste 17 (=”Tov” “goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven.

De verdeling van 49 in 32 en 17 is absoluut niet willekeurig. Met uitzondering van de eerste week van Pesach zelf, staan de eerste 32 dagen van de Omer bekend als zeer moeilijk. Alleen met de gedenkdag van het overlijden van Rabbi Shimon, worden de dingen meer ontspannen en worden meer en meer vreugdevol als we ons verder bewegen door de 17 interveniërende “goede” dagen dichter naar ons doel: de revelatie van het Licht van de Ein Sof al neerdalend in Malchoet van Malchoet op Shavoeot.

Eigenlijk is hier sprake van een paradox.

Veronderstel dat je naar de top van een extreme hoogte klimt. Je doel is de top, maar wanneer je die nadert gebeurt er iets. Het zicht van de top wordt voor je ogen verborgen! Op een vreemde manier verlies je het eigenlijke zicht van het doel als je nadert. Bovendien wordt het terrein ruwer en het klimmen moeilijker. Daarbij wordt de lucht extreem ijl, zodat het moeilijker en moeilijker wordt om te ademen. Je bent gedwongen om vaker te stoppen. Zelfs voelt het aan alsof de zwaartekracht sterker wordt. Met als resultaat, dat je langzamer vooruit komt. Om deze obstakels te kunnen neutraliseren, moet je je zelf geestelijk opkrikken met de gedachte dat je dichterbij bent dan ooit. Kijk hoe ver je gekomen bent! Het is nu niet het moment om op te geven!

Weggaan van Egypte en zich omhoog bewegen naar de Berg Sinaï is als het beklimmen van deze berg. Op een zeker punt is de oorspronkelijke drijvende kracht van het licht dat scheen niet genoeg. Een of andere inspiratie is nodig, niet van het voorbijgaande, maar van het toekomstige. En toch als je vordert, de berg omhoog, wordt het gaandeweg ruwer. Als het niet vanwege het licht was aan de top van de berg neerwaarts schijnend in onze zielen, ons verheffend, ons naar Zich toetrekkend, zouden we geen kans maken het te halen.

Laten we wel wezen, we kunnen niet meer doen wat we kunnen doen. We zijn gelimiteerd. Zonder bovennatuurlijke assistentie van Boven, kunnen wij nooit en te nimmer ons doel bereiken. Natuurlijk is het belangrijk dat we alles doen wat we kunnen doen, want menselijke inspanning is essentieel, maar voorbij een bepaald punt zijn onze handelingen ineffectief.

Waarom moet dat zo zijn? Omdat als we echt serieus zijn aangaande onze purificatie en verheffing, is wellicht de meest belangrijke en essentiële bijdrage van onze kant bescheidenheid. Natuurlijk moeten we het werk doen, maar op een zeker punt moet het ons duidelijk worden dat ons vermogen om alles te doen een gift van G’D is

Als we ons deze belangrijke karakteristiek, deze belangrijke les eigen maken, dan worden ineens de obstakels niet zo groot. We beginnen te acclimatiseren in deze ijle hoogten en realiseren ons dat wij niet werkelijk geleefd hebben tot dit moment. De blijdschap is overweldigend. De vreugde is bedwelmend. We geraken dichterbij! Nu, na 49 dagen, wanneer G’D Zijn Oneindig Licht neerwaarts schijnt in ons, is het totaal verschillend. Niet omdat voor ons of Hem, maar omdat, in Zijn Perfecte Wijsheid en uit Zijn Oneindige liefde voor ons, Hij ons een ervaring van de perfecte vereniging en verbinding geeft van Hem en ons, het werken van Hem door ons, van ons weten dat het absoluut Hem is. We hadden 49 dagen nodig om te begrijpen, maar het was het waard.

Elk jaar is Lag BaOmer de overgang in de laatste 17 (=”Tov”, “Goed”) dagen van de Omer omdat op die dag het Verborgen Licht van de Thora, die Rabbi Shimon bar Jochai slechts gedeeltelijk reveleerde in de Zohar, neerwaarts begint te schijnen in ons leven. Deze illuminatie is zelfs krachtvoller als we het Eind der Historische Tijden naderen en beseffen. Teneinde de krachten van diversiteit te overwinnen die zal trachten te voorkomen dat wij aankomen aan de uiteindelijke Sinaï, die staat aan het einde van onze reis door de wildernis van de historie, schijnt het Verborgen Licht neerwaarts in onze zielen sterker en sterker. G’D verheft ons opwaarts naar Hem. We moeten het ons enkel realiseren, in het bijzonder op dat cruciale ogenblik wanneer sommige van onze grootse tzadikiem heen zijn gegaan. Als zij zich Boven verzamelen om zich te verbinden met alle groten van het verleden, om samen de laatste Verlossing te bewerkstelligen, moeten wij ook ontwaken uit de droom van Deze Wereldse bewustzijn en tot het einde volhouden om het doel waarvoor we in deze tijd zijn geboren te vervullen.

Dus nogmaals, de essentie van de Omerperiode is het werk dat we moeten doen om ons het Licht van de Ein Sof eigen te maken, dat we voor een ogenblik hebben ervaren op Pesach, om onszelf te zuiveren van Beneden gedurende de 49 interveniërende dagen tussen Pesach en Shavoeot.  Dan, op de 50e dag, een dag die boven het tellen uitgaat, boven onze capaciteit om zelf te bereiken, schijnt het Licht opnieuw neerwaarts in al zijn volledigheid. Voor dit moment echter willen wij de vaten voorbereiden om het correct te ontvangen.

Lag BaOmer Sameach

SEVEN DAYS YOU SHALL NOT EAT CHAMETZ

A lesson on Passover – by Seree Cohen.

The Torah says don’t eat chametz, eat matzah. What could this possibly have to do  with Cohanim?  (1)

Passover is around the corner and it’s a good time to take a quick look at some of the things we do during this holiday, and especially on the first evening, known as Leyl haSeder, the night when the Seder (order) is conducted along with reading the Haggadah (from the root for ‘relating, telling’ – Ex.13:8 vehigadta ).

For this brief study, we first need to read Shemot (Exodus) chapters 12 & 13.  Further in this article, I’ve summarized the verses most relevant to this discussion, but it is important that both chapters are read fully.

Those of you who have participated in the courses will have learned that there is a difference between an absolute commandment and a conditional one.  We saw this with Adam and Chava, who were told not to eat of a certain tree lest they die – in other words, they should not eat of it, but if they do, they will not be punished.  Rather, they will set in motion a process called ‘death’ which encompasses a range of experiences that cannot coexist with living in Eden.   In the verses of Ex.12-13, we can also see two aspects of the same commandment: you shall eat matzah (unleavened bread); and, you shall not have any chametz (leavening) in your possession (and therefore, of course, you shall not eat it) for 7 days.

Let us look briefly at the main points of Ex.12:

v.3 – on the 10th day of the month, every household shall set aside a lamb

v.5 – it shall be young and free of blemish (it may also be a goat)

v.6 – it shall be kept aside for the next 4 days (that is, ‘dedicated’)

v.8 – the flesh shall be roasted on the night of the 14th, eaten with unleavened bread

v.9 – the whole animal must be completely roasted

v.10 – whatever is not eaten must be thoroughly burned through: nothing shall remain of it in a useful state

v.11 – it shall be eaten hastily, with the people of Israel in a state of readiness: with your shoes on your feet, etc.

v.14 – this day shall be a memorial…forever

v.15 – from the first day (of this dedicated week) all leaven must be out of the home, and whoever eats leaven during the coming 7 days will be cut off from Israel.

v.19 – repeats the fact that no leaven can be found in Israel’s habitations

v.21 – Moses conveys the command to all heads of families to kill the Passover lamb and eat it within the family group

v.29 – At midnight G-d smites all Egypt’s firstborn, both human and beast.

v.41 – (At midnight), G-d brings out the whole of His host

Ch.13:2 – Every first born of Israel (and of beast) is sanctified to G-d

First we must clarify the following:  as we see from the verses in these chapters and particularly, the summarized verses, we are commanded to eat matzah up until midnight of the first day of the festival (remembering that ‘day’ in the Jewish calendar commences at sundown) [Ex.12:29, 41].  However, it is further commanded that it is forbidden to eat any form of chametz for a full seven days.  Other than the first evening, there is no positive commandment to eat matzah, but there is a commandment concerning what NOT to eat.  We could say that the default is: only matzah on the first night, and NO chametz for the whole 7 days.

At this point, it is worth taking a brief glimpse at the significance of the two different blessings made on eating the matzah.  During the seder itself, the blessing is: Blessed are You, G-d, our Lord, King of the Universe, on eating the matzah [al achilat matzah]. During the rest of the festival, the blessing is the same as that for bread:  Blessed are You, G-d, our Lord, King of the Universe, who draws bread out from the earth [hamotzi lechem min ha’aretz].

By setting these specific blessing, the Sages have clearly indicated the two different aspects involved in eating matzah:  for most of the festival, eating matzah represents the equivalent of eating everyday bread, and thus the blessing pronounced is the same as that for bread; in other words, the blessing we make indicates the default of NOT eating chametz.  But during the Seder conducted on the first night, the blessing clearly corresponds to the positive commandment to eat matzah [Ex.12:8]. We can now also understand, very easily, why this commandment to eat matzah is limited to being completed by midnight [v.29, 49].

But there is an additional explanation of why we MUST eat matzah by midnight of the first day, and MUST NOT eat chametz for a full week.  The sages explain that for this week, the whole people of Israel are like Cohanim (Cohen – priest; plural – Cohanim) in G-d’s eyes; and that when G-d told Moses he would redeem the Hebrews, as they were still known, he was in fact redeeming B’ni, B’chori – my son, my firstborn.  We can see how this is alluded to by drawing on the laws relating to the Cohen and comparing them with some of the actions we take during the seder service.

Somewhat later in the Torah, we learn that the Israelites were divided into 3 main groups: Cohen (priests), Levi (Levites; Leviim) and Israel (everyone else).  All those considered ‘Israel’ received a portion of land; only the Cohanim and Leviim did not.  The tribe of Levi and particularly, the Cohanim from within that tribe, were considered ‘firstborn’ to G-d and thus, wholly dedicated to G-d’s service. While the focus of life for ‘Israel’ was generally the physical and material, the focus for the Leviim and Cohanim was the spiritual.  The connection between the two spheres, Cohen-Levi  and Israel, came about through the services centered around the altar.  The Israelites would bring their sacrifices and offerings, and the Cohanim and Leviim would carry out the required preparations, and receive a part of these sacrifices, then return the rest to the person or family who had brought the offering (2). Every action made by a Cohen during his shift that involved touching something moist or intended for holy purposes (the offerings and sacrifices) required that a Levi would first pour water over the Cohen’s hands to purify them, though no blessing was made.  In addition, one of the strictest laws concerning priestly service was that absolutely no leaven was allowed ever to touch the altar; nor was any iron allowed to touch it.

We can now take a closer look at some of the interesting actions universally undertaken by Jews celebrating the seder service.  These actions, while often called ‘customs’ or ’traditions’, actually contain far deeper meaning and raise Jews who keep them to a very high spiritual level:

We note that immediately after the blessing over the wine, we wash our hands and then eat ‘karpas’ (variously, lettuce, parsley or some other leafy vegetable) but we do not recite a blessing over washing the hands in the manner that we normally do before we sit down to a full meal that includes bread.  In fact, one attendee of the seder service brings a bowl of water to each of the others at the table; hands are washed and no blessing is recited. This follows the actions of the Cohen’s service at the altar; the Cohen’s hands are washed by the Levi.

Among the symbolic items on the seder plate there is usually a piece of meat with bone, roasted completely while still maintaining an edible state, representing  the Passover sacrifice [Ex.12:9-10].  When we refer to it during the reading of the Haggada, we usually point to it or touch it with our finger but must not touch it with our cutlery or utensils: this is in accordance with the command that no metal object may touch the altar or anything on it.

The Hebrews and later, the Israelites, are commanded to take a Passover sacrifice and eat it in their family group.  This is the only sacrifice of which the Cohanim did NOT receive a portion.  Instead, it is used in entirety by the family.

Let us look for a moment at a slightly earlier situation, appearing in Ex.1:9:   [v.8 – Now there arose a new king over Egypt who did not know Joseph].  V.9 – And he said to his people, ‘Behold, the nation-of-the-children-of-Israel are too numerous and too mighty for us.

This is the one and only time ever when the Hebrews are called am-bnei-yisrael or, as I have tried to indicate in the translation, nation-of-the-children-of-Israel. We know that up until this point, the persons who came to Goshen, an area adjacent to Egypt proper, were Jacob and his extended family.  Yet generations later, in Ex.1: 8-9, a new Pharaoh prophetically calls this people, who have proliferated despite their hardship, the ‘nation of the children of Israel’ – a strange term that encompasses the transition from a loose populace to a unified group, before they themselves realize they are about to become a nation.

Additionally, we eat a ‘sandwich’ comprised of two pieces of matzah around lettuce or karpas, which is noted specifically in the Haggadah as ‘according to Hillel’ and called “Korech”.  Hillel the Elder has in fact adopted this act straight from the Cohanim and integrated it into the seder: the Cohanim would eat matzah with their regular meals during their shifts.  In this way, they ensured that no chametz could come into contact with the altar.  Simply stated, we eat the Korech, emulating the actions of the Cohanim during priestly service.

Finally, immediately following the Torah’s detailing of the Passover sacrifice and how the Hebrews must prepare themselves [Ex.12] we find, in Ex.13:2 what seems to be a strangely inserted reference to ‘dedicated firstborns’.  Yet its position here beautifully sums up the state of the Hebrews as they flee Egypt and transform into a nation.

We are now well positioned to understand that all differentiations between Jews are eliminated on the Seder night.  We are all equally considered dedicated  like  ‘cohanim’ to G-d, who redeemed His goy kadosh (3), His holy people, who are like first-borns, like priests.  On this night, 14th of the first month of the year of months, it was as though the Hebrews were like newborns, about to be reconnected with G-d in a unique form that culminated in multiple miracles and finally, the giving of the Torah.  Therefore, on this night, up until midnight, we are commanded to eat matzah in memory of the hastiness of our exit from Egypt, and in recollection of the fact that in G-d’s eyes, we were all as first-borns and thus dedicated to Him, as the Levites and Cohanim are dedicated forever.  For one full week, sheva yamim, we remain in this state of dedication, and therefore may not eat any chametz whatsoever.  At the end of the sheva yamim, this state of firstborn, dedication, or priesthood, is ‘redeemed’ and we return – shav – to our normal status, of Cohen, Levi, and Israel, and can then return to eating chametz.

May we enjoy a wonderful Pessach.

*  *  *  *  *

(1)  In the name of my teacher, Rabbi Y.(M) Kujawsky.

(2)  In this way, the inverse aspects, being the spiritual wellbeing of Israel and the physical wellbeing of the Levites and Cohanim, were also closely inter-related: any change for better or worse in one group would impact to the same degree on the other group.

(3)  This specific term appears in Ex.19:6 – v’atem tih’yu li mamlechet cohanim vegoy kadosh – and you shall be unto Me a kingdom of priests, and a holy nation.  In Deuteronomy, which recapitulates the various laws that the Children of Israel must observe, Deut.16:1-8 restates the laws of Passover, and 28:9 refers to the people again as am kadosh – a holy nation.

Pesach en de Maand Niesan

De maand Niesan is begonnen. De regenachtige winter eindigt en de tekenen van het voorjaar verschijnen.

De maand Niesan is een bijzondere maand in de kalender van het Joodse volk. Pesach zelf valt in het midden van de maand, de festiviteiten van deze bijzondere maand echter, starten al aan het begin van de maand. Gebeden voor vergeving worden niet gereciteerd gedurende deze maand noch zijn herdenkingsgebeden en lofreden toegestaan.

Het is een maand van vernieuwing en verlossing, optimisme en hoop. De slechte gebeurtenissen van het verleden verblijven niet meer onder ons en de Joodse blik is hoopvol voorwaarts gericht. De Thora zegt ons  ” ga voort in deze maand van lente tijd”. De Joodse kalender zelf is doelbewust aangepast (zeven schrikkelmaanden in een cyclus van 19 jaar) om Pesach altijd te laten vallen in de lentetijd van het Land Israël. Als het niet om deze dringende reden was, zou de kalender puur lunair gebleven zijn, met de feestdagen zwervend ononderbroken door het hele jaar, een feit dat blijkbaar duidelijk plaatsvindt in de pure lunaire kalender van de Moslim wereld. Voorjaar en Pesach spreken de zelfde boodschap van vernieuwing, nieuwe energie en het te voorschijn komen van nieuwe  mogelijkheden van creativiteit en verwerkelijking. De Thora en de natuur vormen een harmonisch paar, elk bedoeld om de waarden en leringen van elkaar te versterken en uit te leggen. Dit idee kan niet méér evident zijn dan in de eigenschappen en uniekheid van de maand Niesan.      

 

Dit jaar 5769, bevat de maand Niesan een uitzonderlijk natuurlijk fenomeen,  Birkat Hachama, de zegening van de zon. Deze zegening en ceremonie vindt plaats elke 28 jaar, altijd op een woensdag, dit jaar op erev Pesach, In de celestische cyclus  liggen de zon en de aanliggende planeten en manen in ons zonnestelsel elke 28 jaar ongeveer in de zelfde positie zoals zij relatief ten opzichte van elkaar stonden tijdens de Schepping. Door die ochtend een eenvoudige zegen te reciteren, osé ma’asé bereshiet, dat de Eeuwige heeft gedaan en continu doorgaat met Scheppen van ons universum, erkennen wij het feit van de Schepping en de existentie van onze Schepper. Het is een fundamentele bevestiging van Judaistisch vertrouwen in G’D en in Zijn Schepping van het universum. Dit jaar dient het als een passende introductie tot de Pesach Seder, die de zelfde avond plaatsvindt, aangezien de Seder een bijkomend kenmerk van G’D bevestigt, welke Judaïsme benadrukt, namelijk de unieke leiding door G’D van het Joodse Volk en de bijzondere rol hiervan in de menselijk existentie en geschiedenis. Dus deze maand Niesan representeert de twee elementen denken en geloof binnen het Jodendom, het universele en algemene, individuele en nationale. Het is de representatie van deze twee schijnbaar tegengestelde opvattingen van G’D’s rol in menselijke aangelegenheden die Judaïsme afbakent van andere godsdiensten. De Joodse G’D is de G’D van iedereen, van de natuur en het gehele universum, tegelijkertijd zijnde de G’D van Israël en het Joodse Volk. En dit is ook een belangrijke les van de maand Niesan voor ons. Niesan opent zich als een portaal om ons een blik te gunnen op spiritualiteit. Het staat ons toe om G’D’s hand te zien in menselijke aangelegenheden en in het bijzonder in de menselijke historie. Het geeft ons bovendien een zintuiglijke waarneming van hoe G’D gerechtigheid doet in deze wereld ten opzichte van de volkeren en ten aanzien van individuen . Soms, zoals met Pharao en de Egyptenaren, is dit oordeel openbaar, algemeen bekend en onweerlegbaar, niet te ontkennen en/of niet te interpreteren. In andere perioden en tijden is het niet geheel duidelijk en te begrijpen of nabij. Maar de Thora leert ons dat het altijd aanwezig is. In Perkei Awot lezen we dat de boodschappers van het Hemelse gerechtshof dagelijks in deze wereld verschijnen, voor wat wij mensen verschuldigd in deze wereld zijn en wat wij hebben te vergoeden aan het hemelse gerechtshof. Maar wij verheugen ons in Niesan omdat de maand voor ons, in detail, de nauwkeurigheid van G’D’s oordeelskracht  en Zijn ware gerechtigheid reveleert. Hierom staat de maand Niesan voor ons voor het bewijs van ons vertrouwen in een rechtvaardige doch ondoorgrondelijke G’D.

Misschien is het om die reden dat de Thora de maand Niesan de eerste maand van alle maanden heeft gemaakt, niet alleen chronologisch, maar ook symbolisch en educatief. Deze maand is door G’D aan ons gegeven als een gift, zoals is geschreven: “Deze maand is van jullie”.  Het is aan ons om deze fundamentele Judaistische  begrippen te leren en te erkennen. Mag het ook dit jaar een tijd van spirituele en fysieke verlossing blijken te zijn.

PESACH SAMEACH

POERIEM EN HET GEHEIM VAN WIJN

Jom shlishie, joed dalet, 14 van de maand Adar, Dinsdag 10 Maart

Gebaseerd op de leringen van de Maharal van Praag

Bij het openen van het boek van Esther, raakt men verzeilt in een feestmaal van Koninklijke proporties, dat zich uitstrekt over een periode van 180 dagen en deelnemers van 127 provincies omvat. Rijk en arm, jong en oud waren uitgenodigd voor het Koninklijke feest, de mannen bij Koning Achashwerosh en de vrouwen bij Koningin Washti.

Doch de naam voor de festiviteit is eigenaardig, “mishteh”, wat losjes als een drinkfeestje vertaald kan worden. En welke drank werd er geschonken? Wijn, alléén wijn! In een van de vele tekstverwijzingen naar wijn, noteert het Boek van Esther, “Koninklijke wijn werd geserveerd in overvloed”. (Esther. 1:7)

De Wijzen van de Talmoed stellen een vraag over deze passage: Hoe moeten wij de term “overvloed” kwalificeren? Zij antwoorden dat elke gast wijn dronk waarvan de jaargang ouder was dan hij zelf (Megilla 12a)

De Maharal van Praag, één van de meest beroemde wijsgeren en Kabbalisten in het Judaïsme, geeft ons een fascinerend inzicht in deze Rabbijnse stelling:

Waarom deden zij dit [ wijn serveren aan iedere gast van een jaargang ouder dan hij zelf]? Omdat er een essentiële overeenkomst bestaat tussen wijn en een persoon al naar gelang iemand ouder wordt, worden zijn gedachten duidelijker. Zo ook met wijn; hoe langer de wijn rijpt, des te beter die wordt. (Or Chadash)

Hoewel de Maharal’s commentaar symbolisch kan worden opgevat, wijst hij ook op een diepzinnig idee over de aard van wijn. Al het andere in de wereld degenereert met het voortschrijden van de tijd, maar wijn is uniek en wordt beter. Deze unieke kwaliteit verwijst naar G’D’s voorbestemd doel voor de hele Schepping.

De mens was nooit voorbestemd om te sterven; zoals een mooie wijn, bestemde G’D dat de mens bij het ouder worden constant zou verbeteren. Maar onze mystieke traditie verhaalt dat toen Adam en Chava aten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, dood in de wereld kwam. Het fysieke lichaam dat de vonk van het G’ddelijke in zich bergt werd voorbestemd om terug te keren naar zijn bron. Maar er is één aanwijzing die G’D achterliet om Zijn eerste verlangen te illustreren en dat is wijn. Wijn ontwikkelt een groter karakter en smaak met de jaren. In wijn zien we een verwijzing naar een mogelijkheid van ongelimiteerde groei en verbetering, die bij het begin van de Schepping bedoeld was.

Merk op dat de Maharal wijn vergelijkt met gedachten van de mens en niet met de mens zelf. Er is een aspect in het menselijk zijn dat zijn oorspronkelijke staat na de val van Gan Eden handhaaft; volgens de Maharal, is dat ons gevorderd intellect. Dit is de G’ddelijke vonk in ons allen en één van de meest unieke kenmerken die mensen onderscheid. Ons intellect heeft niet zijn oorsprong in de sfeer van het fysieke, maar eerder in de sfeer van het spirituele; daarom, als het niet was gebonden aan de beperkingen van het lichaam, zou het zich oneindig blijven ontwikkelen. Dit is waarom de gedachten van de mens, of intellect, en niet de mens zélf, wordt vergeleken met wijn, een metafoor voor oneindige evolutie.

Door een fameuze uitspraak gedaan door de Wijzen van de Talmoed met de Maharal’s interpretatie, kunnen we een ander verborgen aspect van wijn begrijpen.

“Wanneer wijn binnenkomt, worden geheimen geopenbaard.”(Eroevien. 65a)

Wijn ( In het Hebreeuws “yayin”) komt van een verborgen plaats; daarom is zijn numerieke waarde 70, die het zelfde is als van het woord “geheim” (in het Hebreeuws. “sod”). (Chidoeshei Aggada, Sanhedrien)

Voor de Maharal, die een numerieke benadering ontwikkelde in zijn studie van de Geschreven en Mondelinge Thora, bevatten cijfers bijzondere betekennissen. Een numerieke connectie tussen twee Hebreeuwse woorden is niet simpelweg een toevallige connectie, het illustreert een diep conceptuele verbintenis.
In het Maharal systeem, verandert de vermenigvuldiging van 10 niet het karakter van het cijfer, daarom refereren wij aan 70 als een grote zeven. Maar eerst moeten we het cijfer zeven begrijpen, laten we eerst praten over het cijfer zes. In de drie dimensionale fysieke wereld, heeft alles zes zijden, zoals de zijden van een kubus, het cijfer zes refereert aan de zes zijden van de fysieke existentie waarin wij leven. Zeven echter, is het centrale punt in de kubus, de verborgen plaats waar alles in de fysieke wereld zijn spirituele oorsprong heeft. Het is het punt dat eenheid en de innerlijke essentie van alles wat existeert representeert.

Nu kunnen we de uitspraak van de Maharal begrijpen dat wijn van een verscholen plaats komt. De numerieke waarde van het woord voor wijn wijst ons naar de verborgen innerlijke essentie van de Schepping. Het illustreert ook onze specifieke taak in de wereld, het brengen van de zeven, het onvatbare ideaal, in de zes, de fysieke aard van de existentie. Dit is de reden waarom wijn aanwezig is bij bijna elk belangrijk Joodse levenscyclus gebeuren, evenzeer bij elke Shabbat en Feestdag. Bij al deze belangrijke momenten, staat wijn centraal op onze tafel en herinnert aan al ons verborgen oneindig potentieel.

Aan het eind van het Boek van Esther, verkondigt Mordechai dat de 14e en de 15e van de maand Adar moeten worden gevierd als “dagen van mishteh en vreugde”. De feestelijkheden moeten, net zoals op het feest van Koning Achashwerosh en Koningin Washti, wijn inhouden. Maar anders dan het Koninklijke feest, is Poeriem niet het drinken om dronken te worden. Het punt is niet om onze zinnen te verdoven, maar eerder om ze af te stemmen op de verborgen realiteit die normaal voor onze ogen verborgen is. Door wijn te drinken op Poeriem, hebben we de mogelijkheid door de zes zijden van het fysieke heen te kijken, recht door het midden, naar de absolute essentie van ons zelf en naar de eindeloze mogelijkheden die ons omgeven. Wanneer wijn binnenkomt, worden geheimen waarlijk geopenbaard.

VROLIJK POERIEM

DE MITSWA VAN CHANOEKA

De speciale mitswa van Chanoeka is het ontsteken van licht. Op welke wijze wordt licht gemaakt? Door een fysiek object zoals bijvoorbeeld olie of een andere brandstof te nemen en het te verhitten totdat het zijn fysieke karakter verliest en daardoor zijn omgeving verlicht. Het ontsteken van licht op Chanoeka is afgeleid van het ontsteken van licht in het Heiligdom ( de Tempel ). De lichten in het Heiligdom werden elke avond ontstoken, maar in de tijd waarin het wonder van Chanoeka plaatsvond, kon geen pure olie gevonden worden.

De Almachtige verrichtte toen een wonder “en een kruikje pure olie verzegeld met de zegel van de Koheen Gadol ( Hoge Priester )” werd gevonden. De olie in het kruikje was nauwelijks genoeg voor èèn dag, maar het brandde wonderbaarlijk acht dagen.

Om dit wonder te herdenken ontsteken wij licht op alle acht dagen van Chanoeka.

Echter, ondanks dat het ontsteken van licht op Chanoeka rechtstreeks is afgeleid van het gebeuren in het Heiligdom, zijn er tussen hen een paar wezenlijke verschillen.

( a ) De lichten in het Heiligdom waren altijd van hetzelfde aantal. Daarentegen voegen we op Chanoeka elke avond een nieuw licht toe.

( b ) De lichten in het Heiligdom werden uitdrukkelijk overdag verlicht, dus bij daglicht. Het ontsteken van het Chanoekalicht echter na zonsondergang.

( c ) De Lichten van het Heiligdom waren binnenshuis. De lichten van Chanoeka daarentegen moeten verplicht geplaatst worden aan de buitendeur van iemands huis, dus buitenshuis. ( Shabbat 21b )

( d ) De Mitswot van de lichten in de Mishkan ( Tabernakel ) en het Heiligdom werden in acht genomen in een tijd dat Israël geen materiele nood kende. Vooral gedurende de periode van de Mishkan in de wildernis hadden de Joden alles wat zij benodigden.: voor voedsel had men het manna uit de hemel; water had men van de Bron van Miriam; zelfs hun kleding groeide met hen en was altijd schoon. ( zie Rashi op Deuteronomium 8:4 )

Later, in de dagen van Koning Salomon toen het heiligdom was gebouwd en de menorah daar werd aangestoken, was er opnieuw een periode van vreedzame existentie: niemand waagde oorlog te voeren tegen Israël: anderen betaalden schatting en er was een staat van “dat elke persoon veilig en wel thuis was.” ( Koningen 1 5:5 ) [ Juda en Israël woonden in vrede samen]

Bovendien, als er een spirituele staat van rust en vrede heerst en geen mondaine zorg, is er een totale devotie van Thora en Mitswot.

Daarentegen echter zijn de lichten van Chanoeka gerelateerd aan een tijd toen het land onder hellenistische overheersing stond en de Joodse weerstand minimaal, er was geen pure olie, zelfs niet voor èèn enkele nacht.

AL DEZE OGENSCHIJNLIJKE VERSCHILLEN ZIJN ONDERLING  VERBONDEN.

Een tijd van materiële voorspoed is ook een tijd van spirituele voorspoed zoals bovenstaand is uiteengezet. Want als een Jood in staat is zal hij met open hand genereus bijdragen aan spirituele zaken. In z’n tijd is oorlog en mesirat nefesh ( zelf opoffering ) niet nodig. De lichten kunnen evenveel in aantal zijn, want als alles normaal is, is geen noodzaak voor aanvullende activiteiten.

Evenzo is er geen noodzakelijke inspanning nodig om de ” Straat” te verlichten: de “straat”, dat is, de “buitenwereld” is niet “donker”. Toen de menorah brandde in het heiligdom was de straat eveneens verlicht.

In een moeilijke periode echter, een oorlogsperiode, niet alleen tegen de heidense Hellenisten maar ook tegen Joodse Hellenisten die zich niet bekommerden om het Heiligdom en hun eigen onafhankelijkheid en zochten naar assimilatie onder de Hellenisten, ja, daar was de noodzaak voor mesirat nefesh. Onder deze moeilijke omstandigheden gaf de Almachtige de mitswa van de Chanoekalichten. Het is in z’n tijd niet genoeg voor iemand om alleen zijn eigen huis te verlichten, want buiten heerst duisternis, die de straten doordringt en mogelijk ook het huis. Daarom moet men zich uiterst inspannen om de straat te verlichten: de Chanoeka-kandelaar moet aangestoken worden als het donker is, en specifiek bij de deur, om het buiten te verlichten.

Het heeft geen enkel effect om de kandelaar aan te steken op de tafel waaraan we eten en werken en vervolgens de deur te openen zodat het licht mogelijk naar buiten schijnt. Men moet het licht ontsteken bij de deur, dat is iemands inspanning om de straat te verlichten.

Bovendien is het licht van de vorige avond niet voldoende. Men mag zich niet tevreden stellen met het feit terug te vallen naar een lager niveau, of vast te houden aan het niveau van de vorige dag. Er moet een voortdurend progressieve trap zijn, altijd hoger en hoger.

In het kort samengevat: Men moet niet wankelen voor de duisternis buiten, ongeacht haar indringendheid. Men moet de straat verlichten met mesirat nefesh, dagelijks het licht aanvullen en doen toenemen tot dat er een pure en zuivere voorraad olie zal zijn.

Chag sameach Chanoeka.

SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

DE LUBAVITCHER REBBE

Het hoofdconcept van Simchat Thora is simcha, of vreugde, zoals de naam van het feest al aanduidt. Het is van deze uitzonderlijke dag dat wij al ons geluk voor het hele jaar verkrijgen.
Alhoewel het waar is dat alle feestdagen, tot een bepaalde hoogte, geassocieerd zijn met simcha, in het bijzonder Soekkot, welke “de tijd van vreugde” wordt genoemd, brengt Simchat Thora een groter aspect van simcha dan alle andere feestdagen en is het het hoogtepunt van de simcha van Soekkot.

Wat is de bron van de vreugde op Simchat Thora, en wat zet het apart van het geluk dat we ervaren van andere feestdagen? In de Zohar, parashat Pinchas, wordt gezegd dat het gebruikelijk is dat Simchat Thora een dag is van vreugde en geluk.
Dit maakt Simchat Thora anders dan de dagen van Soekkot, welke de eigenschap beschrijven van vreugde omdat zij geassocieerd zijn met de graanoogst, daar de verheven stemming van Simchat Thora een verwijzen is naar “gebruik”, omdat het komt van een plaats verder dan natuur en oogst.

Bovendien zou iemand misschien zeggen dat de simcha van Simchat Thora is afgeleid van het lezen van de Thora. Echter, de vreugde die het leren van Thora geeft is eveneens natuurlijk, eerder dan een gewoonte, zoals het vers zegt, “De opdrachten van G’D zijn puur, en verblijden het hart. (Psalm. 19:9)

Misschien komt de blijdschap van Simchat Thora van het dansen? Dansen is de G’ddelijke dienst van het accepteren van Hemels Koningschap.
Dansen verhoogt de vreugde, maar het is niet de ware grond van de simcha. Vergelijkbaar met de manier waarvan de spraak komt met het intellect en het hart, en, op het zelfde moment emoties en begrip toevoegt. Hoe dan ook, niemand zou zeggen dat de bron van emotie en begrip komt van de spraak zelf. Insgelijks, simcha inspireert tot dansen en het dansen verhoogt de simcha, maar het dansen is niet de oorsprong van de vreugde.

Het centrale punt van de dienst op Simchat Thora is de hakafot, wanneer we zeven keer rondlopen met de Thora, er is gezegd dat de simcha op dat moment zo groot is dat zelfs de voeten zich verheugen. Als het concept van Simchat Thora zo nauw verbonden is met dansen, waarom lezen we dan nog van de Thora?
Het antwoord ligt in het feit dat, op Simchat Thora, het Joodse Volk een hoger aspect van de Thora neer haalt vanuit de Thora zelf, een vreugde die de Thora kroont van het aspect van keter.

Op de feestdag van Simchat Thora (22 oktober, buiten Israël), of de samengevoegde feestdag Shemini Atseret – Simcha Thora (21 oktober in Israël) lezen wij het afsluitende gedeelte van de Thora Wezot HaBeracha. Wanneer dit is voltooid, begint de lezer onmiddellijk met het lezen van het eerste gedeelte van de eerste parasha van de Thora, Bereeshiet, dus het einde verbinden naar een nieuw begin. Het volledige gedeelte van Parashat Bereeshiet wordt gelezen op de Shabbat die volgt op Simchat Thora, wat betekent Shabbat 25 oktober.

Goed Jom Tov

DE KABBALA VAN SOEKOT

Wanneer wij Zijn heilige mitzwot uitvoeren, brengen we G’D’s verlangen in de openbaarheid. Doch aan de onderliggende grondslagen van G’ddelijk verordineerde handelingen ligt de verborgen Heilige G’ddelijke Gedachte. Onze gedachten worden alleen herkenbaar door spraak of handelingen. Zoals het beneden is, zo is het boven. De Gedachten van G’D zijn verborgen voor onze waarneming. Zij kunnen alleen worden herkend en begrepen wanneer Hij dit wenst. In mitzwot zelf, in de exacte woorden en de letters die woorden vormen, zijn heilige aanwijzingen verborgen, over wat er omgaat in G’D’s gedachten en waarom Hij ons oplegt deze mitzwot uit te voeren, specifiek in deze periode, de precieze mitzwot van Soekot (Loofhuttenfeest).

De details van de mysteries van Soekot vullen vele bladzijden in de geschriften van de Kabbalisten. Specifieke details tarten de vertaling vanwege de vele complicaties in het verklaren van de diepgaande Kabbalistische spirituele concepten. Nederlands en andere talen ontberen eenvoudig de juiste woorden die gebruikt kunnen worden om behoorlijk de esoterie van de Thora over te brengen.

De mysteries van het Soekotfeest kunnen worden gevonden in het woord Soeka zelf. Gespeld met de vier Hebreeuwse letters, net zoals de Heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ, bergt het woord Soeka in feite de Heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ in zich. De numerieke waarde van het woord Soeka (Samech, Vav, Kav, Hé) is 91. 91 is een heilig getal in Kabbala. De twee letters Kav en Vav in Soeka zijn numeriek gelijk aan 26. Dit is de numerieke waarde van JOED-HÉ-VAV-HÉ waar deze Naam binnen het woord wordt verborgen. Wanneer 26 wordt afgetrokken van 91 blijft 65 over, een ander belangrijk kabbalistisch getal. 65 is de numerieke waarde van de heilige Naam Adonai. Dus samen bestaat het woord Soekot uit twee heilige Namen. Doch deze twee Namen zijn veel meer dan heilige woorden. Deze twee Namen delen een bijzondere en heilige verwantschap.

Adonai is de Naam die we aanwenden om G’D aan te spreken. JOED-HÉ-VAV-HÉ is de Naam zoals het is geschreven. JOED-HÉ-VAV-HÉ is in gedachten, Adonai is in spraak. Hierin ligt het mysterie. De heilige Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ geeft het verborgen latente potentieel intrinsiek weer, terwijl de Naam Adonai een aspect van dat potentieel weergeeft. Wanneer gecombineerd, geven JOED-HÉ-VAV-HÉ en Adonai daarom de vereniging van het G’ddelijk potentieel en de manifestatie van dat potentieel weer.

In de sfeer van de sefirot, correspondeert de Naam JOED-HÉ-VAV-HÉ met de zes sefirot (Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod en Yesod). Samen worden deze zes Zeir Anpin genoemd, Zeir Anpin, het “Kleine of Smalle Gezicht”. Zeir Anpin is het gezicht dat ongezien is in ons universum, toch is het de oorspong van alle dingen die hier gebeuren. Dit “Gezicht” van G’D is wat gezien wordt in de Hemelen. Het “Gezicht” van Zeir Anpin is gecentraliseerd op de sefira Tiferet, die het hemelse Hart en de bron is van de heilige geschreven Thora.

De naam Adonai daarentegen, refereert aan de sefira Malchoet, de heilige Shechina. De Shechina wordt ook Noekva genoemd (het feminiene), de gezellin van Zeir Anpin. Het is door de Shechina/Malchoet dat Zeir Anpin hier in ons fysieke universum wordt gemanifesteerd. De Shechina is de levenskracht die tot alle vorm aspecten leidt in het fysieke universum. De Shechina is dat aspect van G’D dat aan alles dicteert wat het verondersteld is om te zijn. De Shechina is de onderliggende kracht van de natuurwetten. De Shechina creëert natuur, door als kanaal te dienen voor Zeir Anpin. Zodanig is Noekva de spreekwoordelijke gezellin van Zeir Anpin. De twee moeten in gepaste harmonie zijn omwille van de continuïteit van het universum. Zonder het -één zijn- van Zeir Anpin en Noekva zou ons fysieke universum terugkeren naar de koude primordiale soep, de leegte zonder enig leven en bewustzijn.

Zeir Anpin en Noekva moeten zich in een continue staat van -één zijn- bevinden om de hemelse overvloed van G’ddelijke energie te laten vloeien in ons universum. Leven is altijd vloeiend en vibrerend, zo ook de Thora. Zoals Zeir Anpin algemene vormen bepaalt van alles wat moet zijn zo voorziet Noekva de in details. Zoals het boven is, zo is het beneden. Dit is het mysterie van de geschreven en de mondelinge Thora. Zeir Anpin manifesteert de geschreven vorm van de Thora, geëtst en gegraveerd in de heilige letters. Noekva ademt in deze letters en geeft hen hun betekenis en parameters. Zoals allen die een Thoraleven leiden weten, is het onze mondelinge Thora die vorm en inhoud geeft aan de heilige geschreven Thora. De twee tezamen zijn als man en vrouw, onvolledig zonder elkaar. Zoals het beneden is, zo is het boven.

In Kabbala refereert Zeir Anpin ook aan de Heilige, Geprezen zij Hij. Noekva/ Malchoet, zoals we zeiden, refereert aan G’D’s Shechina. De vereniging van Zeir Anpin en Noekva is dus een eenwording van de zeven sefirot die de Actief/ Gevende (masculien) en de Passief/Onvangende (feminien) grondbeginselen in de Schepping verenigt.

Hiernaar wordt ook verwezen als de eenwording van de spirituele sferen van de Hemel en de fysieke sferen van de wereld. Hier in deze wereld wordt dit gemanifesteerd in de vorm van de eenwording van de geschreven en de mondelinge Thora. Dus de eenwording van de Heilige, Geprezen zij Hij en Zijn Shechina is de gehele zin van de Schepping en de reden waarom de mensheid en in het bijzonder het Joodse Volk de verplichting werd opgelegd om de mitzwot in acht te nemen. Dit diepgaande concept wordt scherpzinnig aan ons geopenbaard in de letters die het woord Soeka spellen. Dit universele concept van harmonie en continuïteit is de onderliggende “Gedachte van G’D” waanneer Hij ons opdraagt om zeven dagen in Soekot (loofhutten) te verblijven.

Het soekotfeest duurt zeven dagen. Deze zeven dagen corresponderen met de Sefirotische eenwording van de zes sefirot van Zeir Anpin en de Sefira Malchoet/Noekva. Deze zeven dagen verenigen de hemelse sefirot en stralen hun invloed op ons uit. Doch zoals met vele dingen in deze fysieke wereld, moet men op de juiste plaats en op de juiste tijd zijn om datgene te ontvangen wat ontvangen kan worden.
Moge G’D ons allen zegenen om te participeren in deze heilige mitzwot en deel te laten nemen in het teweegbrengen van de heilige Hemelse eenwording.

CHAG SAMEACH, GOED JOM TOV