PESACH 5762 / 28 MAART 2002

SHABBAT CHOL HAMO’EED – 30 MAART 2002

ARTIKEL 1

HET VOORWOORD VAN DE LUBAVITCHER HAGGADA

Voorjaar roept de geest op van een frisse bries, blauwe hemel en versterkende zonneschijn. De grond is ontdooid, bloemen ontluiken, bomen staan in bloei, vernieuwing weerklinkt door de wereld.

Dit patroon reikt tot in de menselijke sfeer. Voorjaar is een tijd van herleving, wanneer nieuw leven en vitaliteit bloeien. Ontspannen en met natuurlijke vreugde openen wij onszelf voor nieuwe ervaringen.

Pesach is chag ha’aviv, het feest van het voorjaar, een tijd waarin beide, individuelen en volk als geheel, gevoelens van vernieuwing ervaren. En inderdaad impliceert de naam Pesach, "sprong, verspringen ", wat betekent een sprong vooruit naar een nieuw referentiekader.

Pesach herdenkt de uittocht van Egypte. Maar de Joodse feesten zijn meer dan alleen maar het herdenken van historie, zij brengen historie tot leven. Door de viering van het feest, wordt de zelfde spirituele kracht die het feest voortbracht, opnieuw benadrukt en gereflecteerd in de besloten wereld van onze zielen.

In spirituele zin heeft iedereen van ons zijn eigen Egypte. Mitzrajiem, het Hebreeuwse woord voor Egypte, is gerelateerd aan het Hebreeuwse woord Meitzariem, ( begrenzing, limitatie). Op Pesach laten we de krachten achter ons welke onze geest begrenst en beginnen een nieuwe fase van G’ddelijke dienst.

EEN STIMULERENDE EMOTIE

De vijftiende Niesan, de datum van de uittocht, blijft voor eeuwig de symbolische begintijd van onze vrijheid, de tijd waarin we potentiële vernieuwing verkrijgen zoals boven is beschreven.

Ondanks echter, dat dit potentieel is verleend, kunnen wij dit gevoel niet uiten op bevel en louter de begindatum zal het noodzakelijke niet oproepen om het te ervaren.

Wat zal de gevoelens van vernieuwing inspireren? Een gecreëerde vastgestelde orde, specifiek voor dit doel. Dit is de intentie van de mitzwot die zijn opgelegd om Pesach in acht te nemen : onze huizen ontdoen van chameets ( brood en andere rijsmiddelen ), het eten van matsa en het verhaal vertellen van de uittocht.

Deze mitzwot creëren een effect dat leidt naar het uiten van de bovengenoemde gevoelens.

Dit is het doel van de Seideravond. Het woord Seider betekend "orde"; het is een volgorde van voorlezingen en handelingen met de intentie om te sturen naar een spirituele ervaring.

De Haggada leid ons door deze vastgestelde ervaringen. Het is een klassieke tekst; de hoofdlijnen zijn opgenomen in de Mishna ( Mondelinge Thora ) ( Pesachiem, hfst. 10 ).Door de eeuwen heen is het door alle vier types van zonen waaruit ons volk bestaat gekoesterd.

Als gevolg van de omzwervingen van het Joodse volk van land naar land, onderging de Haggada enige veranderingen. De tekst en de basis uitvoeringen bleven echter behouden zonder substantiële veranderingen, alleen zijn er kleine verschillen met de huidige tekst en de gequoteerde tekst in de Mishna en praktisch geen verandering met de tekst die werd gebruikt door de Geonim van de begin-Talmoedische era. Maar in elke generatie hebben gemeenschappen commentaar en gewoonten toegevoegd die een unieke karakteristiek verleenden zonder de standaard tekst te niet te doen. De spirituele aspiraties van elke Joodse gemeenschap werd vaak gereflecteerd door het inzicht welke zijn leiders deelden in verband met Pesach.

EEN DROOM WORDT PRAKTISCHE WERKELIJKHEID.

Er is geen chassied die er niet van droomt om aan de Sedertafel te zitten van zijn Rebbe. Het doel van het commentaar tot deze Haggada is om een hoogst mogelijke ervaring dichterbij te brengen door de inzichten te delen van de Baal Shem Tov, De Maggid van Mezeritch en de zeven Lubavitcher Rebbes, en hun te presenteren als " Levend Thora" waarheden waaraan een persoon zich kan relateren en richten. Daar het uitdrukkelijke oogmerk van deze tekst is om de leerstellingen van de Lubavitcher Rebbes over te brengen, mogen bepaalde gedeelten van dit commentaar alleen toegankelijke zijn voor diegenen die ervaring hebben in hun stijl en gedachtengang.

Desalniettemin, sinds aanreiken en overbrengen een fundamenteel onderdeel is van de Lubavitcher levensstijl, moet de moeite genomen worden voor meer toegankelijkheid naar diegene toe die niet zo eigen zijn met de manier van denken. Een gevarieerde presentatie van ideeën van de toepassingen en een overbrenging in termen dat het niet lezenswaardig beperkt is.

BRONNEN EN GEBRUIKEN

De tekst van de Lubavicher Haggada is oorspronkelijk samengesteld door de Alte Rebbe, Rabbi Shneur Zalman van Liadi, als onderdeel van zijn Siddoer ( de geordende gebeden voor het hele jaar ), gepubliceerd in 1803.Zijn doel was om de Kabbalistische leerstellingen van Rabbi Isaak Luria, Ha Ari Zal met de Talmoedische en Halachische bronnen ten aanzien van gebeden samen te voegen, met de intentie om een foutloze linguïstische tekst voort te brengen, nauwgezet vasthoudend aan de Hebreeuwse grammatica en zinsbouw.

Tezamen met de tekst voegde Rabbi Shneur Zalman bepaalde instructies toe. Deze waren toegevoegd en in bepaalde gevallen geamendeerd door de Rebbe om de heersende Lubavitcher gebruiken weer te geven. Deze instructies werden voor het eerst gepubliceerd in zijn editie van de Haggada, Haggada Shel Pesach im Likkoetei Taámim U’Minhagiem ( De Haggada van Pesach met een verzameling van verklaringen en gebruiken.

Vele van deze gebruiken of gewoontes zijn minhag beis harav, de huishoudelijke gewoontes van Rebbe. Er waren tijden dat zulke gewoontes exclusief waren voor de Rebbes en niet de intentie hadden te worden gevolgd door anderen, B.v. ( het nemen van een zilver presenteerblad voor matzot ), in vele gevallen echter werden de gewoonten van de Rebbes de gewoonten van de chassidiem.

Ter onderscheiding van deze aard gebruiken refereren wij hen met de term " de heersende Lubavitcher gewoonte ".

VAN VERLOSSING NAAR VERLOSSING

De Profeet belooft ( Micha 7:15 ), "Zoals in de dagen van jullie uittocht van het land Egypte, zal Ik wonderen laten zien [aan het volk]". Wat de vraag is, ( Zohar lll, 176a ) aangezien de Joden Egypte in een één dag verlieten, waarom gebruikt de Profeet het woord "dagen"? Het is verklaard dat de uittocht van Egypte een kanaal heeft geopend niet alleen voor de verlossing van Egypte, maar voor alle volgende verlossingen die het Joodse volk zal ondervinden, meegerekend de uiteindelijke verlossing geleid door Mashiach. De gehele periode voorafgaand aan de komst van Mashiach wordt dus gerefereerd als "de dagen van jullie uittocht van het land Egypte." In deze context IS DE SEIDER NIET ALLEEN HERBELEVEN VAN DE UITTOCHT VAN EGYPTE, MAAR EEN VOORPROEF OP DE KOMST VAN HET KOMEN VAN MASHIACH.

Dit gegeven is verbonden met de inhoud van deze Haggada. In een befaamde brief, ( Ben Poras Yosef / Keser Shem Tov ) verhaalt de Baal Shem Tov dat hij een visioen had van Mashiach, en hem vroeg, "Wanneer komt u ?" Mashiach antwoordde, "Wanneer de onuitputtelijke bron van je leer wijd verspreid zal zijn."

De leer van de Baal Shem Tov werd overgedragen en versterkt door de Maggid van Mezeritch en zijn studenten en in het bijzonder, door het uniek innerlijke inzicht van Rav Shneur Zalman van Liadi en de aansluitende Rebbes van Lubavitch-Chabad. Deze anthologie van hun inzichten vormen samen de verspreiding van de Baal Shem Tov’s gedachten en bespoedigen de komst van MASHIACH.

ARTIKEL 2

DE VIJFDE ZOON

De handelingen van de Seider en het voorlezen van de Haggada is in wezen, en in het bijzonder, altijd gericht op kinderen, " En je moet je zoon op die dag vertellen en zeggen" ( Exodus, 13,8 ). Veel van onze gebruiken aan de Seidertafel waren met de duidelijke intentie om de aandacht van het kind op te wekken. En de verschillende wijze van educatie die nodig zijn voor verschillende karakters zoals die zijn beschreven in de passages van de Haggada over de vier types van zonen, de wijze, de slechte, de simpele en de gene die niet weet te vragen. Maar er is een vijfde zoon, een veel meer problematischer zoon. Er is een zeer goede reden waarom hij niet expliciet genoemd wordt in de Haggada. Want hij is de afwezige zoon.

Hoewel de "vier zonen"verschillend reageren ten aanzien van de Seider, hebben zij een ding gemeen. Zij zijn aanwezig. Zelfs de zogenaamde "slechte" zoon is daar en neemt actief deel, anders denkend, maar geïnteresseerd en begaan in het joodse leven om hem heen. Dit rechtvaardigt de hoop dat hij eens tot een "wijs" besef zal komen en dat alle Joodse kinderen de Seider consciëntieus en geëngageerd zullen bijwonen.

Jammer genoeg is er in onze tijd een ander Joods kind, het kind dat opvalt door afwezigheid, die totaal geen interesse heeft in Thora en Mitswot, die zelfs geen enkele notie heeft van de Seider en de mirakelen die het verhaalt.

Dit is een ernstige uitdaging die onze gehele aandacht zou moeten vergen lang vóór Pesach en de Seideravond, want geen enkel Joods kind zou opgegeven en vergeten moeten worden. We moeten al het mogelijke doen om een verloren kind te redden en het terug brengen naar de Seidertafel.

Om deze situatie voor te zijn, moeten wij de oorzaak weten.

Deze zaak heeft te maken met een mis opvatting of verkeerde analyse van het begrip moderne tijd en mondainiteit. Zichzelf een minderheid vindend en de daar uit voortkomende maatschappelijke problemen, hebben sommigen ouders het idee, welke zij overbrengen naar hun kinderen, dat assimilatie de oplossing is. Maar in hun poging om de Joodse wijze van leven te verlaten, creëren zij in hun zelf een spiritueel conflict. Zij waren er van overtuigd om hun kinderen te sparen voor spanningen van onderlinge verdeeldheid; om hun desertie van het Joods erfgoed te rationaliseren overtuigen zij zich zelf en hun kinderen dat het leven van Thora en Mitswot niet meer past in deze tijd van Globalisatie.

Door deze houding hopen de ouders hun kinderen te verzekeren van een pluralistisch en materialistisch modern leven. Maar wat voor soort leven zal het zijn, als de ziel is opgeofferd voor de materiele voordelen van deze wereld?

En wat zij dachten te zijn een "vlucht naar de vrijheid" blijkt later, bij nader analyse, een vlucht te zijn naar slaafse imitatie.

Het feest van Pesach en de verlossing die het herdenkt, zijn tijdige herinneringen dat Joods overleven niet ligt in het imiteren van de niet – Joodse omgeving, maar in de getrouwheid van onze traditie en onze religieuze roeping.

Onze voorvaderen in Egypte waren een kleine minderheid en zij leefden onder zeer moeilijke omstandigheden. Maar, zoals de Rabbijnen ons zeggen, zij hielden vast aan hun identiteit als joden, en hielden hun uniekheid in stand, en bewaarden hun traditie zonder verontrusting of schaamte. Dit was wat hen deed overleven en hun vrijheid verzekerden van alle vormen van fysieke en spirituele tirannie…

Er is geen plaats voor hopeloosheid in een Joods leven en geen enkele Jood zal ooit worden opgegeven als zijnde een hopeloos geval.

Door begaanheid en naastenliefde( Ahavat Jisrael ) kan zelfs een "verloren " generatie terug worden gebracht naar de liefde van G’D ( Ahavat HaShem) en liefde voor Thora ( Ahavat HaThora ); niet alleen behorend tot de gemeenschap van de "vier zonen"maar voor allen tijden thuis zijn in de rangen van de "wijze"zoon…

Moge het samenkomen van deze "verloren stammen van Israël" aan de Seidertafel, de ware en complete verlossing van ons volk bespoedigen en alle andere volkeren van deze schepping, door de snelle komst van Mashiach in onze dagen.

GOED JOM-TOV,  CHAG PESACH  SAMEACH .

POERIEM 5762 – 2002

Er is iets vreemds aan de naam Poerim. Ten eerste, het is een Perzische naam ( betekenent “Loten” de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen tegen de Joden ). En ten tweede, refereert het eerder aan het gevaar waarmee de Joden geconfronteerd werden, dan naar hun eventuele redding. Bovendien is de Megilla, het boek Ester, uniek onder de boeken van Tenach door op geen enkele manier de naam van G’D te noemen. Al dit suggereert dat Poerim een symbool is van “versluiering” of “verhulling” van het gezicht van G’D. De naam “Ester” zelf gerelateerd aan het Hebreeuwse woord “Ik zal verhullen” wat voorkomt in Devariem waar G’D zegt “Ik zal Mijn gezicht zeker verhullen.” En toch is Poeriem een viering van een mirakel, een openbaring van Goddelijke voorzienigheid. De verhandeling, met het oplossen van deze ogenschijnlijke contradictie, onderzoekt het idee van een mirakel en hetzij een natuurlijke of een onnatuurlijke gebeurtenis. De onderliggende vraag van het modern denken in het bijzonder is ; betekent de verdwijning van de bovennatuurlijke openbaring dat het tijdperk van mirakels voorbij is?

Lees verder

DE MITSWA VAN CHANOEKA

De speciale mitswa van Chanoeka is het ontsteken van licht. Op welke wijze wordt licht gemaakt? Door een fysiek object zoals b.v. olie of een andere brandstof te nemen en het te verhitten totdat het zijn fysieke karakter verliest en daardoor zijn omgeving verlicht. Het ontsteken van licht op Chanoeka is afgeleid van het ontsteken van licht in het Heiligdom ( de Tempel ). De lichten in het Heiligdom werden elke avond ontstoken, maar in de tijd waarin het wonder van Chanoeka plaatsvond, kon geen pure olie gevonden worden.

De Almachtige verrichtte toen een wonder “en een kruikje pure olie verzegeld met de zegel van de Koheen Gadol ( Hoge Priester )” werd gevonden. De olie in het kruikje was nauwelijks genoeg voor èèn dag, maar het brandde wonderbaarlijk acht dagen.

Om dit wonder te herdenken ontsteken wij licht op alle acht dagen van Chanoeka.

Echter, ondanks dat het ontsteken van licht op Chanoeka rechtstreeks is afgeleid van het gebeuren in het Heiligdom, zijn er tussen hen een paar wezenlijke verschillen.

( a ) De lichten in het Heiligdom waren altijd van hetzelfde aantal. Daarentegen voegen we op Chanoeka elke avond een nieuw licht toe.

( b ) De lichten in het Heiligdom werden uitdrukkelijk overdag verlicht, dus bij daglicht. Het ontsteken van het Chanoekalicht echter na zonsondergang.

( c ) De Lichten van het Heiligdom waren binnenshuis. De lichten van Chanoeka daarentegen moeten verplicht geplaatst worden aan de buitendeur van iemands huis, dus buitenshuis. ( Shabbat 21b )

( d ) De Mitswot van de lichten in de Mishkan ( Tabernakel ) en het Heiligdom werden in acht genomen in een tijd dat Israël geen materiele nood kende. Vooral gedurende de periode van de Mishkan in de wildernis hadden de Joden alles wat zij benodigden.: voor voedsel had men het manna uit de hemel; water had men van de Bron van Miriam; zelfs hun kleding groeide met hen en was altijd schoon. ( zie Rashi op Deuteronomium 8:4 )

Later, in de dagen van Koning Salomon toen het heiligdom was gebouwd en de menorah daar werd aangestoken, was er opnieuw een periode van vreedzame existentie: niemand waagde oorlog te voeren tegen Israël: anderen betaalden schatting en er was een staat van “dat elke persoon veilig en wel thuis was.” ( Koningen 1 5:5 ) [ Juda en Israël woonden in vrede samen]

Bovendien, als er een spirituele staat van rust en vrede heerst en geen mondaine zorg, is er een totale devotie van Thora en Mitswot.

Daarentegen echter zijn de lichten van Chanoeka gerelateerd aan een tijd toen het land onder hellenistische overheersing stond en de Joodse weerstand minimaal, er was geen pure olie, zelfs niet voor èèn enkele nacht.

AL DEZE OGENSCHIJNLIJKE VERSCHILLEN ZIJN ONDERLING MET ELKAAR VERBONDEN.

Een tijd van materiele voorspoed is ook een tijd van spirituele voorspoed zoals bovenstaand is uiteengezet. Want als een Jood in staat is zal hij met open hand genereus bijdragen aan spirituele zaken. In zo’n tijd is oorlog en mesirat nefesh ( zelf opoffering ) niet nodig. De lichten kunnen evenveel in aantal zijn, want als alles normaal is, is geen noodzaak voor aanvullende activiteiten.

Evenzo is er geen noodzakelijke inspanning nodig om de ” Straat” te verlichten: de “straat”, dat is, de “buitenwereld” is niet “donker”. Toen de menorah brandde in het heiligdom was de straat eveneens verlicht.

In een moeilijke periode echter, een oorlogsperiode, niet alleen tegen de heidense Hellenisten maar ook tegen Joodse Hellenisten die zich niet bekommerden om het Heiligdom en hun eigen onafhankelijkheid en zochten naar assimilatie onder de Hellenisten, ja, daar was de noodzaak voor mesirat nefesh. Onder deze moeilijke omstandigheden gaf de Almachtige de mitswa van de Chanoekalichten. Het is in zo’n tijd niet genoeg voor iemand om alleen zijn eigen huis te verlichten, want buiten heerst duisternis, die de straten doordringt en mogelijk ook het huis. Daarom moet men zich uiterst inspannen om de straat te verlichten: de Chanoeka-kandelaar moet aangestoken worden als het donker is, en specifiek bij de deur, om het buiten te verlichten.

Het heeft geen enkel effect om de kandelaar aan te steken op de tafel waaraan we eten en werken en vervolgens de deur te openen zodat het licht mogelijk naar buiten schijnt. Men moet het licht ontsteken bij de deur, dat is iemands inspanning om de straat te verlichten.

Bovendien is het licht van de vorige avond niet voldoende. Men mag zich niet tevreden stellen met het feit terug te vallen naar een lager niveau, of vast te houden aan het niveau van de vorige dag. Er moet een voortdurend progressieve trap zijn, altijd hoger en hoger.

In het kort samengevat: Men moet niet wankelen voor de duisternis buiten, ongeacht haar indringendheid. Men moet de straat verlichten met mesirat nefesh, dagelijks het licht aanvullen en doen toenemen tot dat er een pure en zuivere voorraad olie zal zijn.

Chag sameach Chanoeka.

SJEMIENIE ATSERET – SIMCHAT THORA

DEZE NIEUWSBRIEF IS DE TWEEDE VAN EEN REEKS VAN 2 X 15 PAGINA’S. ONZE SUGGESTIE IS DEZE UIT TE PRINTEN EN SAMEN TE VOEGEN ALS EEN KLEIN STUDIE BOEKJE EN EVENTUEEL AAN TE VULLEN MET VORIGE EN NIEUW MATERIAAL UIT ONZE NIEUWBRIEVEN, OMDAT HET ZEER WAARDEVOLLE INFORMATIE BEVAT VOOR HET HELE JAAR.

Het Waterscheppersfeest

“Jullie zullen water scheppen met blijdschap uit de bronnen van hulp” (Jesjajahoe 12,3).

“Wie de Simchat Beet Hasjo’eewa niet heeft beleefd, heeft in zijn leven nooit echte vreugde gezien” (Tractaat Soeka 51 a).

Het gieten van water op het altaar

In het Beet Hamikdasj werd op alle zeven dagen van het feest water gegoten op het altaar. Dit is een wet die gegeven is aan Mosjee op de berg Sinai. Het water werd gegoten samen met de wijn van het tamied-offer van de ochtend.

Hoe gebeurde dit?

Een gouden flacon met een inhoud van 3 log (ruim 1 liter) werd gevuld met water van de Sjieloach (een bron viakbij de Tempelberg).

Bij de waterpoort gekomen (een van de poorten van het voorhof van de tempel), blies men op de sjofar “tekie’a-teroe’a-tekie’a”. De drager van de flacon liep naar boven over de loopplank van het altaar, draaide zich naar links en goot het water in een schaal die zich daar bevond. Er stonden twee zilveren schalen, de schaal aan de westelijke kant bevatte water, de andere aan de oosteiijke kant bevatte wijn voor de offers. ledere schaal had een afsluiting met een kleine opening erin, de waterschaal had een kleinere opening dan de wijnschaal, zodat het water en de wijn geiijktijdig op zouden zijn. Hij goot vanuit de zuidwestelijke hoek van do bovenste helft van het altaar waarna do vloeistoffen naar de onderkant van het altaar stroomden (Rambam, Hilchot Temiediem en Moesafiem 10, 6:7).

Na afloop van de eerste dag Soekot gingen de Kohaniem en de Lewie’iem naar beneden, naar de ezrat nasjiem, om voorbereidingen voor de Simchat Beet Hasjo’eewa to treffen. Er bevonden zich daar vier gouden kandelaars met daarop gouden schalen. Vier jonge Kohaniem beklommen elk een ladder die voor iedere kandelaar stond. Ze hielden kruiken met olie vast van elk 120 log die ze in elke schaal leeggoten.

De versleten broeken en riemen van de Kohaniem werden tot fakkels gemaakt waarmee aangestoken word. Elk voorhof in Jeroesjalajiem word verlicht door het licht van do Beet Hasjo’eewa.

Vrome mannen dansten met brandende fakkels in de hand. Ze brachten liederen en lofzangen ten gehore. Do Lewie’iem stonden met lieren, harpen, bekkens, trompetten on talloze muziekinstrumenten op de vijftien treden die de ezrat Jisra’eel met de ezrat nasjiem (overeenkomstig do vijftien Sjieree Hama’alot in Tehilliem) verbonden en zongen liederen. Twee Kohaniem met trompetten in hun hand stonden bij de grote poort tussen de ezrat Jisra’eel en de ezrat nasjiem. Na aankondiging van de tempelomroeper bliezen ze “tekie’a-teroe’a-tekie’a”. Bij het bereiken van de tiende trede en de ezrat nasjiem bliezen ze telkens “tekie’a-teroe’a-tekie’a”. Ze bleven blazen tot ze de poort bereikten die uitkwam bij het oosten. Daar draaiden zij zich om naar het westen en zeiden:

“Onze voorvaders die hier waren, hadden hun rug naar het heiligdom gekeerd en bogen naar het oosten, naar de zon. Maar onze ogen zijn gericht naar G’d” (Tractaat Soeka 5, 2:4).

Er wordt verteld dat wanneer Rabbi Sjimon ben Gamliel Simchat Beet Hasjo’eewa vierde, hij met acht fakkels jongleerde die elkaar niet raakten. Wanneer hij op de grond ging liggen, drukte hij zijn duimen op do grond, kuste do vloer en stond weer rechtop, zonder dat een ander deel van zijn lichaam (behalve duimen en voeten) de grond raakte. Niemand anders was in staat dit te doen. Dit wordt kida genoemd (Tractaat Soeka 53a).

Beet Hasjo’eewa (letteriijk: het huis van het scheppen) is de naam van de plaats waar het waterscheppen word gevierd (Rarnbam).

Waarom is dit feest genoemd naar het waterscheppen en niet naar het gieten, de eigenlijke mitswa? De reden is dat er Roeach Hakodesj “geschept” wordt van het feest, want de sjechiena rust daar waar vreugde is, zoals er staat geschreven: “Toen de muzikant speelde, rustte de hand van G’d op hem” (Melachiem 11 3,15).

De profeet Jona ben Amietai was een van de pelgrims die voor de feesten naar Jeroesjalajiem kwam. Er wordt verteld dat als hij naar binnen ging bij de Simchat Beet Hasjo’eewa, de Roeach Hakodesj op hem rustte. Dit toont aan dat Roeach Hakodesj alleen rust in een blij hart.

Liederen die gezongen werden bij de Simchat Beet Hasjo’eewa.

De vromen en rechtvaardigen zongen: “Gelukkig is onze jeugd, die onze ouderdom niet beschaamd maakt”.

Degenen die tesjoewa hadden gedaan, zongen:

“Gelukkig is onze ouderdom, die verzoening bracht voor onze jeugd”.

Beide groepen zongen:

“Gelukkig is degene die niet zondigt, laat de zondaar spijt hebben en hij zal vergiffenis krijgen”.

Er wordt gezegd dat wanneer Hiliel Hazakeen (do Oude) Simchat Beet Hasjo’eewa vierde, hij het volgende zei:

“Als lk (G’d) hier ben, is iedereen hier. Als lk niet hier ben, wie is dan hier? Mijn voeten leiden mij naar de plaats waar ik van houd. Als jij naar Mijn huis komt, zal lk (G’d) naar jouw huis komen, zoals er staat geschreven.: “Overal waar Mijn naam genoemd zal worden, zal lk komen en jou zegenen” (Sjemot 20, 21).

Nadat de Lewie’iem het zingen beeindigd hadden, gingen ze vol blijdschap on vreugde naar huis. Bij het afscheid zeiden ze tegen elkaar:

G’d zal je zegenen vanuit Tsion en je zult het goede van Jeroesjalajiem alle dagen van je leven zien. Je zult de kinderen van jouw kinderen en vrede over lsrael zien” (Tehilliem 128, 5:6) (Tractaat Soeka).

Jehosjoe’a ben Chananja zei: “Toen we de Simchat Beet Hasjo’eewa vierden, hebben we niet geslapen” (Ze rustten uit, leunend op elkaars schouders).

Hoe ging dat? Op het eerste uur van de dag brachten ze het tamied-offer, dan gingen ze sjachariet dawwenen, werd het moesaf-offer gebracht, ging men moesaf dawwenen en gingen ze naar het Beet Hamidrasj (om Tora te leren). Vervolgens gingen ze eten en drinken, brachten ze het middag-tamied-offer en gingen ze mincha dawwenen. Daarna gingen ze naar de Simchat Beet Hasjo’eewa (Tractaat Soeka).

Tegenwoordig verzamelen de mensen zich op de avonden van Soekot, in de sjoels ter herinnering aan het Beet Hamikdasi, om G’d’s lof te bezingen en om de vijftien Sjieree Hama’alot te zeggen (Tehiliem 120:134). Velen brengen muziekinstrumenten mee. Door dit te vieren wordt het gebod van de Tora vervuld: “wees blij op jullie feest“.

CHOL HAMO’EED
(TUSSENDAGEN)

Dit zijn de vastgestelde feesttijden van G’d, die jullie zullen af kondigen tot bijzondere wijding (Wajikra 23, 37)

Deze pasoek gaat over Chol Hamo’eed en leert ons dat werken op CholHamo’eed verboden is (Tractaat Chagiga 18).

De periode tussen de eerste en de laatste Jom Tov dagen wordt Chol Hamo’eed genoemd. Bepaalde Soorten werk zijn toegestaan op Chol Hamo’eed, zoals op gewone werkdagen. Maar opdat de Chol Hamo’eed dagen niet worden als gewone werkdagen, hebben onze wijzen andere soorten werk verboden.

Zes soorten werk zijn toegestaan op Chol Hamo’eed.

A. Het berelden van eten voor Chol Hamo’eed en Jom Tov.B. Werk dat een verlies voorkomt.C. Niet-professionele arbeid.D. Het behartigen van gemeenschapsbelangen.

E. Werk dat gedaan wordt door een loonarbeider die geld nodig heeft om eten te kopen.

F. Werk dat nodig is voor een mitswa.

EERBIED VOOR CHOL HAMO’EED1. Op Chol Hamo’eed moet voor een feestelijke stemming gezord worden.2. Chol Hamo’eed wordt gevierd met lekkere maaltijden en het dragen van Jom Tov kleding. Op die manier wordt Chol Hamo’eed niet behandeld als gewone weekdagen. Het is een mitswa om een keer’s avonds en een keer gedurende de dag een maaltijd met brood te eten. Tevens is het een mitswa om wijn te drinken en vlees te eten.3. Het is gebruikelijk om de tafel met een tafelkleed te bedekken, net als op Jom Tov.

4. Men wenst elkaar “gut mo’eed” of “mo’adiem le simcha” (dat de feesten vreugdevol zullen zijn).

5. In lsrael en in sommige gemeenten buiten lsrael wordt er geen tefillien op Chol Hamo’eed gelegd.

“Met het geven van de feesten was het G’ds bedoeling, dat wij ons aan Hem hechten met liefde en vrees en dat wij uit Zijn volmaakte Tora leren” (Kol Bo).

HOSJA’NA RABBA

De zevende dag van Soekot wordt Hosja’na Rabba genoemd (vele hosja’na’s) vanwege de gebeden waarin het woord hosja’na (verlos ons) steeds weer terugkomt

Sommigen dragen witte kieding en steken extra kaarsen aan net als op Jom Kippoer.

Sommigen blijven de gehele nacht op om Tora te leren, de “Tikoen voor de nacht van Hosja’na Rabba” te zeggen, heel Dewariem te laajenen en Tehilliem te lezen. Sommigen voegen in sjachariet extra tehilliem toe in de p’soeke dezimra net als op Sjabbat en Jom Tov.

Na Halleel worden de banden die de loelav bij eikaar houden verwijderd, echter niet de banden die de drie soorten bij eikaar houden.

Er worden zeven (of alle aanwezige) Tora-rollen uit h et aron-hakodesj gehaald en naar de biema gebracht. De aanwezigen gaan zeven keer rond de biema met de loelawiem in hun hand. Sommigen gaan ook rond met de arawot (hosja’not). Er wordt geen werk gedaan tot na de dienst.

DE MITSWA VAN ARAWA

Hoe werd de mitswa van arawa vervuld? Er was een plaats ten zuiden van Jeroesjalajiem, die Motsa werd genoemd. Daar placht men heen te gaan om arawa-takken te verzamelen. Daarna keerde men terug en plaatste de takken tegen de zijkanten van het altaar, met de toppen boven het altaar. Er werd op de sjofar “tekie’a-teroe’a-tekie’a” geblazez

Iedere dag werd eenmaal rond het altaar gegaan, terwijl er gezegd werd: “Ana Hasjeem hosjie’a na, ana Hasjeem hatsliecha na” (Aistublieft G’d, breng toch redding, alstublieft G’d, breng toch succes). Rabbi Jehoeda zei: “Anie va’ho hosjie’a na”. En op die dag (Hosja’na Rabba) liep men zeven keer rond het altaar” (Tractaat Soeka 4, 5).

Deze mitswa (het nemen van de arawa op alle zeven dagen), die in het Beet Hamikdasj gedaan werd, is een wet die gegeven is aan Mosjee op de berg Sinai. Ter herinnering hieraan is door de profeten het gebruik ingesteld om op de zevende dag met arawot op de grond te slaan.

Alle vereisten ten aanzien van de arawa die gebruikt wordt om op de grond te slaan, zijn geiijk aan de vereisten voor de arawot van de vier soorten.

De mitswa van het slaan op de grond wordt reeds met een arawa vervuld; het is echter gebruikelijk om vijf arawot te nemen.

Het is gebruikelijk om de vijf arawot samen te binden. Bij de piejoet “Ta’anb Ernoeniem” legt men de etrog en de loelav neer en pakt men de vijf arawot vast. Vervolgens wordt het gebed over het water gezegd. Dan slaat men vijf maal met de arawot op de grond, zo hard dat er een aantal blaadjes afvalt.

Nadat ermee op de grond is geslagen, mogen de arawot niet op een plaats gelegd worden waar ze oneerbiedig behandeld zullen worden, bijvoorbeeld waar er op getrapt kan worden.

* G’d zei tegen Awraham: “Als jouw kinderen geen verzoening zullen krijgen op Rosj Hasjana, zullen zij verzoening krijgen op Jom Kippoer, en indien niet, dan op Hosja’na Rabba” (Midrasj Chazal).

Anie va’ho hosjie’a na

Hosjie’a na betekent “Alstublieft red ons”. Maar wat betekent “Anie va’ho”?

Anie is het hebreeuwse woord voor “ik”; va’ho wordt meestal geinterpreteerd als “en hij”, hoewel de bekende vorm “va’hoe” is.

lk (Jisra’eel) en Hij (G’d) hebben dezelfde problemen, zoals er staat geschreven: “lk ben met hem in ellende” (Tehilliem 91, 15) (De Ge’oniem).

“En ik ben in ballingschap” (jechezkel 1, 1) slaat op Jisra’eel. “En Hij is gebonden aan ketenen” (Jirmiejahoe 40, 1) slaat op G’d. Daarom vragen we:“Alstublieft redt de Sjechiena en Jisra’eel” (Tosafot).

Achtergronden van de voorschriften en

gebruiken van Hosja’na Rabbah

De mitswa van arawot op de zevende dag

Omdat wij op Soekot berecht worden betreffende de hoeveelheid water, zeggen we aan het eind van het feest extra gebeden voor water. De arawa (beekwilg) groeit bij het water; zonder water verdort hij en gaat dood. Daarom nemen wij arawot op de zevende dag om te laten zien dat wij net als de arawot niet zonder water kunnen ]even (Rokeach).

Het slaan op de grond met de arawot

Het slaan is een teken van vreugde, zo veroorzaken alle daden op Soekot vreugde of brengen vreugde tot uitdrukking (Lewoesj). Volgens de Midrasj symboliseren de arawot de slechte mensen. Opdat de slechten niet verloren zullen gaan, zei G’d: “Laat iedereen zich verenigen in een groep en de rechtvaardigen zullen verzoening brengen voor de slechten. Maar degenen die zich afzonderen en hun eigen groep vormen, die zullen verloren gaan” (Maharsja).

Het schudden van de vier soorten

Beweeg hen in vier richtingen naar de Bezitter van de vier windrichtingen; beweeg hen omhoog en omlaag naar de Bezitter van hemel en aarde (Traclaat Soeka).

“lk zal rond Uw altaar gaan, G’d, om U dank te brengen en om al Uw wonderen te vertellen” (Tehilliem 26,6:7).

De hakafot

In het Beet Hamikdasj was het gebruikelijk om iedere dag eenmaal rond het altaar te gaan met de loelav in de hand en zeven maal op de zevende dag (Hosia’na Rabba).

– als teken van vreugde;

als toespeling op de zeven hemelen (sjamajiem, sjemee sjamajiem, rakia’, sjechakiem, zewoel, maon, arawot); – als herinnering aan het in bezit nemen van Erets Jisra’eel, dat begon met de verovering van Jericho. Een keer per dag trokken de B’nee Jisra’eel gedurende zes dagen met de Heilige Arke om de stad. Op de zevende dag trokken zij zeven keer om de stad (Jehosjoe’a 6).

De soeka is een herinnering aan de wonderen die verricht zijn in de woestijn; de hakafot zijn een herinnering aan de wonderen bij het betreden van Erets Jisra’eel (Kol Bo).

Tegenwoordig ]open wij rond de biema waarop een Tora-rol neergelegd is (of waar iemand staat met een Tora-rol in de armen) ter herinnering aan de Beet Hamikdasj.

De biema, waar de sjelieach tsiboer staat wanneer hij voordawwent, is immers in plaats van het altaar en onze gebeden zijn in plaats van de offers.

De Tora-rol brengt verzoening voor onze zonden, zoals een offer dat zou doen, want G’d beloofde Awraham dat, wanneer het Beet Hamikdasj niet meer zou bestaan, Hij het lezen over de offers zou beschouwen alsof wij ze feitelijk geofferd hebben. Op die manier zouden dan onze zonden vergeven worden (Tractaat Megilia).

“Allerlei volken omsingelden mij; bij de naam van G’d, dat ik ze neersloeg” (Tehilliem 11 8, 1 0).

De achtergrond van de hakafot is dat G’d ons zal beschermen tegen de vijanden rondom ons, zoals er staat: “Een engelenschaar van G’d legert zich rondom hen die ontzag voor Hem hebben en redt hen” (Tehilliem 34, 8).

DE MEGILLA KOHELET

Het is de minhag ( gewoonte ) om Kohelet (Prediker) te lezen op Sjabbat Chol Hamo’eed Soekot. Kohelet wordt op Soekot gelezen omdat de volgende pasoek erin staat:

“Geef een deel aan zeven”

dit duidt de zeven dagen Soekot aan “en aan acht” dit duidt Sjemienie Atseret aan “want men weet niet wat voor slechts er op aarde zal zijn”(Kohelet 11, 2).

Men weet niet wat er beslist zal worden op Soekot wat betreft de regen.

Maar de offers van het feest zullen helpen om de slechte besluiten teniet te doen (Tractaat Eroewien, Rasjie).

* In Kohelet worden wij gewaarschuwd dat het vieren van Soekot -z’man simchateenoe, de tijd van onze biijdschap, terwille van de mitswa moet zijn:

lk prijs de vreugde” (Kohelet 8,15).
Dit heeft betrekking op de vreugde van een mitswa.

-“Over vrolijkheid zei ik: Wat bereik je ermee?” (Kohelet 2,2).
Dit heeft betrekking op vrolijkheid die niet veroorzaakt is door een mitswa (Traclaat Siabbat 30).

Want de Sjechiena rust niet temidden van droefheid, maar alleen daar waar vreugde heerst ten gevolge van een mitswa.

* “De woorden van Kohelet, zoon van’David, koning van Jeroesjalajiem” (Kohelet 1, 1).

Waarom wordt Sj’lomo Hamelech Kohelet genoemd? Omdat hij deze woorden sprak nadat hij het volk had verzameld (hikhiel), zoals er staat geschreven: “Toen verzamelde Sj’lomo het volk” (melachiem 1 8, 1; Diwree Hajamiem 5, 2). De mitswa van hakheel, het verzamelen van het volk vond plaats “na afloop van een zevenjaren cyclus op de vastgestelde tijd van het sj’mieta-jaar op (de tweede dag) Soekot” (Dewariem 31, 1 0).

Sommigen hebben de gewoonte om Kohelet te lezen van een perkamenten rol, geschreven zoals een Tora-rol en vooraf de b’rachot “al mikra megilia” en “sjehechejanoe” te zeggen. De voorlezer leest hardop en de gemeente luistert of leest zacht mee. Buiten lsrael wordt de megilia in de meeste gemeenten zonder b’rachot gelezen. In sommige plaatsen is het gebruikeiijk dat iedereen Kohelet voor zichzelf leest (zonder b’racha).

Als de eerste dag Soekot op Sjabbat valt, wordt Kohelet op de volgende Sjabbat, Sjemienie Atseret, gelezen.

DE SOEKA EN ERETS JISRA’EEL

“Zijn soeka is in Sjaleem (Jeroesjalajiem) en Zijn woonplaats in Tsion” (Tehilliem 76,3).

Het verbiijven in een soeka en het wonen in lsrael zijn twee mitswot die met het gehele lichaam gedaan worden. Men is als het ware aan alle kanten door de mitswa omgeven (Gaon van Wiina).

* De mitswa van soeka demonstreert G’d’s glorie en de hasjgacha pratiet die Hij ons in het verieden getoond heeft:

“U, G’d, bent voor, hen verschenen op de meest duldeiijke wijze en Uw wolk staat . boven hen en U gaat in een wolkzuil overdag voor hen uit en in een vuurzuil ’s nachts” (Bemidbar 14, 14).

* De mitswa van het wonen in Erets Jisra’eel toont G’d’s glorie en Zijn hasjgacha pratiet in de toekomst. “Want met eigen ogen zien zij het dat G’d naar Tsion terugkeert G’d zal voor juille uitgaan…” (Jesjaiahoe 52, 8:12).

SJEMIENIE ATSERET EN SIMCHAT TORA

“Op de achtste dag moet het een feesteiijke slotbijeenkomstvoor julliezijn, geen enkele arbeid mogen jullie doen”(Bemidbar29,35).

Sjemienie Atseret is een op zichzelf staand feest dat direct op Soekot volgt.

Sjemienie (achtste):
– omdat het op de achtste dag vanaf het begin van Soekot valt.

Atseret:
– omdat wij verhinderd zijn (atsar) werk te verrichten
omdat G’d ons graag nog een dag langer vast wil houden (atsar),
– zoals een koning die zijn kinderen uitnodigt om zeven dagen bij hem te eten. Als het moment van afscheid aanbreekt, vraagt hij hen: “Blijven jullie aisjeblieft nog een dag. Het is zo moeliijk voor mij om van jullie afscheid te nemen” (Midrasj Rabba).

Voorschriften voor Sjemienie Atseret

1. Bij het aansteken van de kaarsen en de kiddoesj op de avond van het feest zegt men ook de b’racha “Sjehechejanoe”.

2. In EretsJisra’eel wordt op SjemienieAtseret niet in de soeka gegeten. Buiten lsrael varieren de plaatselijke gewoonten.Degenen die op Sjemienie Atseret wel in de soeka eten, zeggen niet de b’racha “lees-jeew basoeka” en slapen niet in de soeka.

3. In het moesafgebed op Sjemienie Atseret zeggen we tefillat Hagesjem, het gebed voor regen en we beginnen in de sjemone esree “masjiew haroe’ach oe’moried hagasjem” (Die de wind laat waaien en de regen laat neerkomen) toe te voegen.

4. Op Sjemienie Atseret (in Erets Jisrael op de laatste dag van Soekot) is het de gewoonte om tegen de avond in de soeka nog iets te eten. Daarna kust men de muren en neemt afscheid van de soeka met de woorden: “Moge het Uw wil zijn dat, zoals ik de verdienste heb gehad in deze soeka te zitten, ik ook de verdienste zal hebben om te zitten in de soeka die gemaakt is van de huid van de Liviatan

De chachamiem hebben gezegd: Op Soekot worden wij berecht betreffende de hoeveelheid water.

Waarom beginnen wij dan pas op Sjemienie Atseret voor regen te dawwenen en niet op de eerste dag Soekot?

Het antwoord luidt dat regen op Soekot geen zegen is, want door regen kunnen wij niet in de soeka zitten (de mitswa van soeka vervalt als het regent). Als het op Soekot regent, is het te vergelijken met een bediende die de wijn van zijn baas wil aanlengen waarna deze het water in het gezicht van de bediende gooit (Tractaat Soeka).

SIMCHAT TORA

Simchat Tora wordt zo genoemd vanwege onze grote vreugde (simcha) over het beeindigen van de jaarlijkse cyclus van het lezen van de Tora en over het opnieuw beginnen van die cyclus op die dag.

In Erets Jisra’eel wordt Simchat Tora op Sjemienie Atseret gevierd. Buiten Erets Jisra’eel duurt Sjemienie Atseret, zoals alle jamiem to-wiem, twee dagen. Simchat Tora valt dan op de tweede dag.

De vreugde van G’d en het Joodse volk

Een koning maakte eens een feest. Alle dagen van het feest was zijn zoon druk bezig met het ontvangen van de gasten. Nadat de zeven dagen ten einde waren, zei de koning tegen zijn zoon

“Laten wij -jij en ik- nu eens een dag samen feest vieren. lk zal het je niet erg lastig maken. Je hoeft alleen een kip en een pond vlees te verzorgen. Zo ook is het joodse volk op Soekot druk bezig met het zorgen voor de offers van de volkeren van de wereld, want de zeventig ossen die het joodse volk op Soekot brengt, worden geofferd voor de zeventig volkeren van de wereld. Als de zeven dagen van Soekot voorbij zijn, zegt G’d tegen het Joodse volk: “Nu zullen alleen jullie en lk samen feest vieren. lk zal het jullie niet lastig maken, breng alleen een os en een ram”. Zoals er staat geschreven: “Dit is de dag die G’d gemaakt heeft, laat ons hierop verheugd en blij zijn” (Tehilliem 1 1 8, 24).

(Jalkoet Sjim’onie)

Gebruiken van Simchat Tora.

1. Op Simchat Tora wordt de jaarlijkse cyclus van het lezen van de Tora bedindigd en opnieuw begonnen.

2. Na het dawwenen van zowel ma’ariew als sjachariet worden alle Tora-rollen uit de Aron Hakodesj gehaald en wordt er zeven keer mee rond de biema gegaan (hakafot). Alle hakafot worden begeleid met zang en dans.

3. Sommige gemeenten maken tevens hakafot op sjemienie atseret.

4. In sommige sjoels wordt op de avond van Simchat Tora uit de Tora gelaajend.

5. Bij sjachariet wordt de afdeling “Wezot Hab’racha” gelezen en in sommige gemeenten worden alle mannen en jongens, ook kleine kinderen, opgeroepen zodat iedereen een b’racha kan zeggen over de Tora. In dat geval moet deze afdeling meerdere malen geiezen worden.

Een volwassene wordt tegelijk opgeroepen met alle kleine kinderen die nog niet zelf de b’rachot unnen zeggen.

Er wordt een tailiet boven hun hoofd gehouden, en de volwassene zegt samen met de kinderen de b’rachot.

6. Degene die bij het lezen van het laatste deel van de Tora wordt opgeroepen wordt chatan Tora genoemd. De chatan Beresjiet is degene die bij het lezen van het eerste deel van de Tora (Beresjiet) wordt opgeroepen. We lezen van Beresjiet tot en met “waj’choeloe” uit een tweede Sefer Tora.

Wij beginnen direct opnieuw bij Beresjiet, omdat de Tora ons zo dierbaar is. De Tora is niet als een oude wet waar niemand aandacht aan schenkt, maar als iets nieuws waar iedereen snel bij wil zijn (Sifree).

7. Na het laajenen van het eerste gedeelte van Beresjiet wordt het tora-gedeeite over de offers van de dag gelaajend-uit een derde Sefer Tora.

8. Op Simchat Tora is men blij en wordt een feestmaaltijd gemaakt ter ere van het beeindigen van het lezen van de Tora. De chatan Tora en de chatan Beresjiet nodigen de gemeenteleden uit voor een kiddoesj.

9. Gebruiken die ingesteld zijn ter ere van Simchat Tora mogen niet veronachtzaamd worden. Als men geen feest viert op Simchat Tora, betekent dit een belediging van de Tora (Bikoeree Ja’akov).

“En David danste voor G’d met al zijn kracht” (Simoe’eel 11 6,14).

Men mag niet zeggen dat het onwaardig is en oneerbiedig ten opzichte van de Tora om in het openbaar te dansen. Deze fout maakte Michal, de dochter van koning Sja’oel, toen zij koning David hierover terecht wees (Sjmoe’eel 11 6,16 en 20).

(Rabbenoe Hai Gaon)

Het hoogste geesteiijke niveau wordt bereikt als iemand met al zijn kracht bij is met een mitswa (Ariezal).

De Gaon van Wilna danste met al zijn kracht voor de Tora-rollen (Misjna B’roera).

“Wees blij op je feest, jij, jouw zoon en jouw dochter, jouw slaaf en jouw slavin, de Lewiet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen ie poorten wonen” (Dewariem 16,14).

G’d heeft gezegd: “Jouw gezin heeft vier leden; je zoon en je
dochter, je slaaf en je slavin. Mijn gezin heeft er ook vier : De Lewiet, de proseliet, de wees en de weduwe”. Als je de leden van Mijn gezin samen met die van jou feest laat vieren, zal het goed zijn. Maar indien niet, dan zal het feest niet doorgaan (P’sikta Chad’ta).

Er staat geschreven:“…… een verzameling zal het zijn voor jullie” (Bemidbar 29,35), terwijl op een andere plaats staat geschreven: “…… een verzameling voor G’d, jullie G’d” (Dewariem 16,8).

Hoe kan dat? Verdeel de dag, een helft om te eten en te drinken en de andere heift voor het Beet Hamidrasj om te leren (Tractaat P’sachiem 68).

“Verheug jullie en wees biij op Simchat Tora” (Uit de gebeden van Simchat Tora)

Het beeindigen van het lezen van de Tora

Waarom wordt de jaarlijkse cyclus van het lezen van de Tora in sjoel op Simchat Tora beeindigd en niet op Sjawoe’ot, de dag waarop de Tora is gegeven?

1. Het einde van de chagiem, de climax van onze vreugde, vindt zodoende plaats op het moment van onze blijdschap voor de Tora.

2. Net zoals we ons op Sjawoe’ot, dat Atseret wordt genoemd, met de Tora verheugen, zo verheugen wij ons ook met de Tora op Simchat Tora, dat tevens Atseret wordt genoemd.

3. Op die manier vindt het lezen van de parasja “Kie Tawo”, dat terechtwijzingen en vloeken bevat, aan het eind van het jaar plaats. Zo worden de woorden vervuld: “Laat het oude jaar met zijn vloeken eindigen en laat een nieuw jaar met zegeningen beginnen”.

SOEKOT

DEZE NIEUWSBRIEF IS EEN EERSTE VAN EEN REEKS VAN 3 X 15 PAGINA’S, ONZE SUGGESTIE IS DEZE UIT TE PRINTEN EN SAMEN TE VOEGEN ALS EEN KLEIN STUDIE BOEKJE EN EVENTUEEL AAN TE VULLEN MET VORIGE EN NIEUW MATERIAAL UIT ONZE NIEUWBRIEVEN, OMDAT HET ZEER WAARDEVOLLE INFORMATIE BEVAT VOOR HET HELE JAAR.

SOEKOT – HET LOOFHUTTENFEEST

HET FEEST VAN HET INZAMELEN (BINNENHALEN VAN DE OOGST)

"Zeven dagen moet je het Loofhuttenfeest vieren bij het binnenhalen van de opbrengst van je dorsvloer en van je perskuip"(Dewariem 16,13).

Als jij je graan, wijn en olie verzamelt en jullie huizen zijn rijk gevuld, vier dan het Soekotfeest zodat je zult denken aan G’d, die jullie in de woestijn in soekot heeft laten wonen.

"Gedenk dan de gehele weg die de Eeuwige, je G’d je deze afgelopen veertig jaren in de woestijn heeft laten gaan (…) Hij legde je ontberingen op door je honger te laten lijden en gaf je het manna te eten dat jij niet kende en dat ook je voorouders niet gekend hebben, om je duidelijk te maken dat de mens niet alleen door brood in leven kan biijven, maar dat door alles wat op bevel van de Eeuwige ontstaat, de mens kan biijven ]even" (Dewariem 8,2:3). Mosjee Rabbenoe waarschuwt het joodse volk dat het in tijden van weivaart G’d niet moet vergeten en dat het niet hooghartig mag worden door te denken "mijn eigen kracht en sterkte van mijn hand hebben mij deze rijkdom verschaft" (naar Dewariem 8,17).

Daarom heeft G’d het Soekotfeest juist gedurende het oogstseizoen ingesteld. Hij heeft ons bevolen onze huizen te verlaten en in loofhutten te gaan wonen, zodat we niet trots worden door deze welvaart.(Rasjbam op Wajikra23, 43)

"Zeven dagen moeten julle in hutten wonen; alle ingezetenen in Jisra’eel moeten in hutten wonen, opdat jullie toekomstige geslachten het zullen weten, dat lk de Kinderen van Jisra’eel in hutten (soekot) heb laten wonen, toen lk hen uit het land Egypte heb gevoerd, lk, de Eeuwige jullie G’d" (Wajikra 23,42:43).

"Dat Ik de kinderen van Jisra’eel in soekot heb laten wonen." Rabbi Eliezer zegt: "Met Soekot worden de zeven G’ddelijke wolken bedoeld die de B’nee Jisra’eel in de woestijn omringden" (Tractaat soeka 11b)

Zes wolken omringden de B’nee Jisral eel en de zevende wolk ging voor hen uit. De wolken waren een openbaring van G’d en een manifestatie van Zijn voorzienigheid, zoals er staat geschreven: "Dat U, Eeuwige, te midden van dit volk vertoeft en ook dat U, Eeuwige, hen op de meest duidelijke wijze verschenen bent en dat Uw wolk boven hen staat en dat U in een wolkzuil overdag voor hen uitgaat en in een vuurzuil ’s nachts" (Bamidbar 14,14).

Als herinnering aan de zeven G’ddelijke wolken vieren wij Soekot gedurende zeven dagen in de zevende maand (gerekend vanaf Niesan, toen de uittocht uit Egypte plaatsvond.

"Dat lk de kinderen van Jisra’eel in soekot heb laten wonen." Rabbi Akiwa zegt: "Dit waren echte hutjes die de B’nee Jisra’eel in de woestijn hadden gemaakt" (Tractaat soeka 11 b).

De soeka is een herinnering voor alle toekomstige generaties aan de wonderen die in de woestijn zijn gebeurd. Veertig jaar lang zwierf een volk -mannen, vrouwen en kinderen- in een dorre en verlaten woestijn waarin mensen gewoonlijk niet kunnen overleven. Het Joodse volk overleefde dankzij wonderen die voortdurend plaatsvonden, zoals het manna, de kwartels, de waterbron en kleding die nooit versleet. Ter bescherming tegen de koude winter bouwden ze soekot (Kad Ha’Kemach)

Toen de B’nee Jisra’eel de steden van de Emorieten en van het land Kena’an belegerden, woonden zij ook in soekot, zoals gebruikelijk bij de belegering van een stad. Zie bijvoorbeeld Sjmoe’eel 2- 11,11: "De Arke, Jisra’eel en Jehoeda woonden in soekot". Ter herinnering is het ons geboden in soekot to wonen, zodat de latere generaties zullen weten dat wij niet onafgebroken vanaf de tijd van onze voorvaderen, Awraham, Jitschak en Ja’akov in Erets Jisra’eel gewoond hebben. Maar G’d heeft ons uit Egypte gevoerd en ons Erets Jisra’eel gegeven (Rokeach).

 

WAAROM IS DE MITSWA VAN SOEKA IN TISJRIE EN NIET IN NIESAN?

"Ik liet de B’nee Jisra’eel in soekot wonen toen ik hen uit Egypte voerde."

Maar de B’nee Jisra’eel werden toch in Niesan uit Egypte gevoerd? En op de eerste dag van de Uittocht reisden zij van Ra’amses naar Soekot (Sjemot 12,37) waar de G’ddeiijke wolken op hen neerdaalden.

Waarom is het ons dan geboden om in Tisjrie een soeka te bouwen en niet in Niesan?

De maand Niesan is het begin van het warme jaargetijde; dan is het normaal het huis te verlaten en in een tent of een hutje to verbiijven. Maar Tisjrie is het begin van het koude jaargetijde; een tijd waarin de mensen bij voorkeur binnen biijven. Juist dan verlaten de joden hun huizen om in soekot te gaan wonen. Iedereen ziet en beseft dan dat we alleen daarom in soekot wonen omdat G’d ons dat bevolen heeft: …….. opdat jullie latere generaties zullen weten dat lk de B’nee Jisra’eel in soekot heb laten wonen" (Toer).

Toen de B’nee Jisra’eel het gouden kalf hadden gemaakt, verlieten de G’ddeiijke Wolken hen. Op Jom Kippoer vergaf G’d hun de zonde van het gouden kalf en Mosjee Rabbenoe daalde van de berg Sinai af met het tweede paar stenen tafelen. De volgende dag, 11 Tisjrie, "verzamelde Mosjee de gehele gemeente van de B’nee Jisra’eel" (Sjemot 35, 1) en gebood hen om het Misjkan (tabernakel) te bouwen. "Zij brachten gaven (voor de bouw van het Misjkan) in de morgen, in de morgen" (Sjemot 36, 3).

Er staat in deze pasoek (zin) twee maal "in de morgen", dit verwijst naar twee ochtenden nl. 12 Tisjrie en 13 Tisjrie. Op 14 Tisjrie namen de bouwers de gaven aan en op 15 Tisjrie begon de bouw van het Misjkan en keerden de G’ddeiijke Wolken terug. Wij vieren Soekot op 15 Tisjrie om de G’ddeiijke Wolken te gedenken die op die dag terugkeerden en de B’nee Jisra’eel vergezelden totdat zij Erets Jisra’eel betraden (Gaon van Wiina).

* Waarom bouwen wij de soeka na jom Kippoer? Op Rosj Hasjana berecht G’d iedereen en op Jom Kippoer bezegelt Hij het oordeel. Voor het geval dat de B’nee Jisra’eel zouden zijn veroordeeld tot ballingschap, maken zij soekot en verbannen zichzelf uit de huizen naar de soekot zodat G’d het beschouwt alsof ze verbannen zijn.

 

HET WONEN IN DE SOEKA

‘in soekot zullen jullie wonen zeven dagen" (Wajikra 23, 42)

1. De Tora gebiedt ons gedurende zeven dagen, van 15 tot 21 Tisjrie, in de soeka te wonen. Bij het zitten in de soeka moet men in gedachten hebben dat men dit doet, omdat in de Tora staat:……. dat lk de B’nee Jisra’eel in soekot heb laten wonen toen lk hen uit Egypte voerde" (Wajikra 23, 43)

2. "Wonen in de soeka" betekent: in de soeka eten, drinken, slapen, leren en converseren net als thuis gedurende het jaar. Dit geldt voor alle zeven dagen van Soekot, dag en nacht. Gedurende Soekot moet de soeka de hoofdwoning zijn en het huis een tijdelijke woning. Vrienden en familieleden die op bezoek komen, worden in de soeka ontvangen.

3. De soeka is heilig, daarom leert men veel Tora in de soeka. Tevens past men er extra op zijn woorden en vermijdt zaken, zoals roddelen en spotten. De soeka worden kranten en dergeiijke niet gelezen.

4. Op de eerste avond van Soekot is het eten van brood in de soeka een even grote verplichting als het eten van matsa op de eerste avond van Pesach. Men moet dan minstens de maat van een oiijf (ca. 30 gram) brood eten.

5. Het gebruiken van de hoofdmaaltijd en slapen (zelfs een dutje) zijn alleen in de soeka toegestaan.

6. Wie de mitswot extra goed wil doen, nuttigt zelfs geen fruit of drinken, tussen de maaltijden door, buiten de soeka.

7. Bij elke hoofdmaaltijd zegt men de b’racha "leesjeew basoeka". Als men de soeka niet heeft verlaten, hoeft niet nogmaals "leesjeew basoe-ka" gezegd te worden. Sommigen hebben de gewoonte om ook "lees-jeew basoeka" te zeggen als zij in de soeka gaan zitten zonder te eten.

8. Een jongen heeft vanaf zijn zesde levensjaar de mitswa om in de soeka te zitten.

9. Als bij het zitten of slapen in de soeka ongemak ondervonden wordt (bijv. door regen of muggen) en deze ongemakken in huis niet bestaan, is men ervan vrijgesteld.

10. Vrouwen vervullen een mitswa door het zitten in de soeka, zij zijn hier echter niet toe verplicht.

11. Als er geen soeka in de buurt is, mogen reizigers buiten de soeka eten.

 

GEZEGDEN VAN ONZE WIJZEN OVER DE SOEKA

De heiligheid van de soeka

"Het feest van Soekot voor G’d" (Wajikra 23, 34).

Evenals de naam van G’d verbonden is met de offers van het feest, is deze naam ook verbonden met de soeka (Tractaat soeka).

Degene die in de schaduw van de soeka zit, zit in de schaduw van het vertrouwen van G’d.

Als de B’nee Jisra’eel de huizen verlaten en de soeka binnentreden, ter ere van G’d, verdienen zij het de Sjechiena daar te begroeten. De zeven trouwe herders (Awraham, Jitschak, Ja’akov, Joseef, Mosjee, Aharon en David) dalen dan af uit de tuin van Eden en betreden de soeka als gasten (Zohar).

G’d beschermt iedereen die de mitswa van soeka vervult.

Over degene die de mitswa van soeka vervult, zegt G’d: "Hij vervulde de mitswa van soeka; lk zal hem daarom beschermen voor de toorn die vooraf gaat aan de toekomstige wereld", zoals er staat geschreven: "Want Hij zal mij verbergen in Zijn soeka op de dag van het kwaad" (Tehilliem 27, 5).

In de dagen die eens komen, zullen alle naties van de wereld zich tegen Erets Jisra’eel verzamelen en oorlog voeren tegen de joden, zoals er staat: "lk zal alle naties verzamelen tegen Jeroesjalajiem voor de strijd"(zecharia 14,2). Dan zal G’d tegen de volkeren vechten en Jisra’eel beschermen (jalkoet Sjim’onie).

G’d zei tegen Jisra’eel: lk heb jullie geboden een soeka te maken om zo voor Mij iets terug te doen voor hetgeen lk voor jullie heb gedaan, nl. "dat lk de B’nee Jisra’eel in soekot heb laten wonen". En lk zal het beschouwen alsof jullie iets voor Mij hebben gedaan en in de dagen die komen zal lk verschijnen in Mijn koningschap en zal lk jullie beschermen als in een soeka, zoals er staat geschreven:

"En er zal een soeka zijn voor schaduw overdag tegen de hitte"

(Jesjajahoe 4,6)

(Midrasj Tanchoema)

 

DE MITSWA VAN DE VIER SOORTEN

"Neemt voor jullie op de eerste dag een vrucht van de hadarboom – een etrog -, een palmtak, takken van de boom Awot-mirtetakken-, en beekwilgen en verheugen jullie je zeven dagen voor de Eeuwige, jullie G’d" (Wajikra 23,40).

De mitswa van de vier soorten houdt in dat men een etrog, een loelav, twee arawot en drie hadassiem neemt.

Het nemen van de vier soorten op de eerste dag van Soekot is een gebod uit de Tora. Op de overige dagen van Soekot is het een gebod dat door de rabbijnen is ingesteld. ledere mitswa moet op een mooie manier vervuld worden, zoals er staat geschreven: "Hij is mijn G’d en ik zal Hem verheerlijken" (sjemot 15,2).

Dit is niet de essentie van de mitswa, maar dient om de mitswa extra mooi te maken. Bij de mitswa van de vier soorten vormt deze hidoer (verfraaiing van de mitswa) echter wel een essentieel deel van de mitswa, in overeenstemming met de pasoek: " Neemt voor jullie een vrucht van de hadarboom ( Wajikra 23, 40; hadar betekent prachtig. Bij het ontbreken van sommige hidoeriem worden de vier soorten ongeschikt. Andere hidoeriem zouden a priori wel aanwezig moeten zijn; als deze echter toch ontbreken, maken zij de vier soorten niet ongeschikt.

 

HET SAMENBINDEN VAN DE DRIE SOORTEN

Men dient de loelav, de hadassiem en de arawot samen te binden.

Hoe worden ze samengebonden?

1. De voorkant van de loelav houdt men naar zich toe. De hadassiem worden rechts en de arawot links van de loelav gebonden (sommigen binden een hadas en een arawa aan de rechterkant, een hadas en een arawa aan de linkerkant en een hadas in het midden).

De drie soorten worden aan de onderkant van de loelav samengebonden zodat ze gemakkeiijk samen vastgehouden kunnen worden. Op de loelav zelf worden nog twee of drie knopen gemaakt, maar niet op de bovenste 8 of 10 cm (tefach) van de loelav.

De steel van de loelav moet een tefach hoger zijn dan de top van de hadassiem en -de arawot. De top van de hadassiem moet iets hoger zijn dan die van de arawot.

2. De drie soorten wo
rden vastgebonden voordat Jom Tov begint. Heeft men dit vergeten, dan mag het op Jom Tov samengebonden worden; dit moet dan echter met een strik gebeuren en niet met een knoop.

1. Men neemt de loelav, met de hadassiem en de arawot, in de rechterhand en de etrog – omgekeerd, dus de steel naar boven en de pitam naar onder – in de linkerhand.

Dan zegt men de b’racha: " baroech ata Hasjeem elokenoe melech ha’olam asjer kiddesjanoe bemitswotav wetsiewanoe al netielat loelav". "Geprezen, U, Eeuwige, onze G’d, Koning van de wereld die ons geheiligd heeft met Zijn geboden en ons heeft opgedragen de loelav op te nemen".

De eerste dag zegt men ook de b’racha: "baroech ata Hasjeem elokenoe melech ha’olam sjehechejanoe wekieje’manoe wehigie’anoe laz’man haze".

"Geprezen, U, Eeuwige, onze G’d, Koning van de wereld die ons het leven heeft geschonken ons in leven heeft gehouden en ons dit tijdstip heeft laten beleven". (als de eerste dag op Sjabbat valt en de mitswa van loelav dus niet vervuld kan worden, begint men op de tweede dag met de mitswa van de vier soorten en wordt dan pas de b’racha "…sjehechejanoe" gezegd). Direct na de b’racha keert men de etrog om. Men houdt beide handen bij eikaar, zodat de drie soorten en de etrog elkaar aanraken. Door op deze wijze met de vier soorten te schudden, vervult men de essentie van de mitswa.

2. Het is een mitswa om de vier soorten in de vier windrichtingen (achtereenvolgens naar voren, naar rechts, naar achteren, naar links) te bewegen en daarna naar boven en naar beneden.

3. Men heeft de mitswa niet vervuld en moet opnieuw schudden als:

a. één van de vier soorten tijdens het schudden per abuis omgekeerd werd gehouden;
b. ze zich in een voorwerp bevinden;
c. ze in een doek zijn gewikkeld;
d. men handschoenen draagt.

4. Het is een mitswa loelav te schudden tijdens "Halleel" bij de p’soekiem "Hodoe Lasjeem kie tov" en bij "Ana Hasjeem hosjie’a na".

Hiervoor staat een aanwijzing in Tenach: "Dan zullen de bomen het bos (de vier soorten) van vreugde zingen voor G’d … Hodoe Lasjeem kle tov…. en jullie zullen zeggen Hosjie’eenoe (Ana Hasjeem hosjie’a na)" (Diwree Hajamiem 16,33:35). (Awoedraham).

Waarom wordt in de b’racha alleen de loelav genoemd?

De loelav is de langste van de vier soorten. De loelav heeft vele bladeren, alle op een andere hoogte gelegen. Maar alle bladeren zijn met de steel verbonden en liggen dicht bij de steel. Dit wijst ons erop dat wij ons moeten verbinden met de Schepper van de wereld (Rabbenoe Bachjee).

Wanneer neemt men de loelav?

1. De mitswa van de loelav kan alleen overdag vervuld worden. De mitswa mag op ieder moment van de dag, van zonsopgang tot zons-ondergang (sjkie’a), gedaan worden.

2. Degenen die de mitswot extra mooi willen doen, vervullen de mitswa van loelav bij zonsopgang (neets hachama).

3. Men eet niet voordat men de mitswa van loelav heeft vervuld.

4. Op Sjabbat worden de vier soorten niet genomen; de loelav mag dan niet aangeraakt worden, de etrog echter wel.

De loelav op de eerste dag van Soekot

1. Op de eerste dag Soekot dienen de vier soorten persoonlijk eigendom te zijn om daarmee de mitswa te vervullen. Een geleend stel is dus niet geschikt.

2. Als iemand geen loelav bezit, kan hij een ander vragen om diens loelav als geschenk te geven (op voorwaarde dat hij hem weer teruggeeft).

3. Als gemeenteleden samen een stel van de vier soorten hebben gekocht, kan iedereen de mitswa met dat stel vervullen.

4. Arawot worden vaak door jongens verkocht. Maar zolang de jongens geen Bar mitswa zijn, kunnen zij geen wettelijk eigendomsrecht overdragen

Op de eerste dag kan met arawot die gekocht zijn van jongens die nog geen Bar mitswa zijn, de mitswa niet vervuld worden.

5. Na de eerste dag kan de mitswa met een geleend stel vervuld worden. Als de eerste dag Soekot op Sjabbat valt (wanneer de vier soorten niet worden gebruikt), vervallen de voorschriften van de eerste dag.

6. Een gestolen stel van de vier soorten is tijdens de zeven dagen van Soekot ongeschikt. Als de mogelijkheid bestaat dat de verkoper van arawot deze heeft gestolen, dan koopt men de arawot niet.

Wie moeten de vier soorten nemen?

1. Vrouwen zijn vrijgesteld van de mitswa van de vier soorten. Zij mogen echter, wanneer zij dat willen, de mitswa vervullen.

2. Als een jongen oud genoeg is om te leren hoe hij de loelav moet schudden, heeft zijn vader de plicht hem de mitswa van de vier soorten te leren.

Profijt van de vier soorten

1. Als de vier soorten eenmaal gebruikt zijn om de mitswa ermee te vervullen, dan mogen ze gedurende de zeven dagen van Soekot voor geen ander doeil gebruikt worden.

2. De etrog, die gebruikt wordt voor de mitswa, mag op Soekot niet gegeten worden. Zelfs niet op de laatste dag Soekot, wanneer de etrog niet meer nodig is voor het feest.

3. Het is verboden om aan de hadas die voor de mitswa gebruikt wordt, te ruiken. Het is beter ook niet aan de etrog te ruiken.

 

REDENEN VOOR DE VIER SOORTEN

De vier soorten geven vreugde

Soekot is natuurlijk een vreugdevolle tijd, het is immers het jaargetijde van de oogst van graan, vruchten en groenten.

De biijdschap over de oogst kan overmatige vreugde met zich meebrengen, waardoor men de vrees voor G’d zou kunnen vergeten. Daarom heeft G’d ons geboden het Soekotfeest juist in dit jaargetijde te vieren en de vier soorten te nemen om ons eraan te herinneren dat al het feestvieren ter wille van Hem en tot Zijn eer moet zijn (de vier soorten hebben immers betrekking op G’d, zoals eerder vermeld).

De etrog lijkt bovendien op het hart, de zetel van het begrip. Het helpt ons herinneren dat wij G’d met ons intellect moeten dienen.

De loelav lijkt op de ruggegraat, die centraal staat in ons lichaam. Het herinnert ons eraan dat wij ons gehele lichaam moeten wijden aan het dienen van G’d.

De hadassiem lijken op onze ogen. Zij herinneren ons eraan om op deze dag van vreugde niet het verkeerde pad te bewandelen, dus niet onze ogen te volgen.

De arawot lijken op onze lippen. Zij helpen ons eraan herinneren op onze woorden te letten, ook als we feest vieren (Sefer Hachinoech 324).

De vier soorten herinneren ons tevens aan de vreugde over het verlaten van de woestijn. Er groeiden daar geen vijgen, druiven of granaatappels en er was geen water om te drinken.

Om het verlaten van de woestijn te gedenken, heeft G’d ons bevolen te nemen:

  • de mooiste van de vruchten: de etrog;
  • de beste van de geurige bomen: de hadas;
  • de mooiste van de bladeren: de loelav;
  • de beste van de bomen die geen vruchten dragen: de arawa.

(Rambam)

GEZEGDEN VAN ONZE WIJZEN OVER DE VIER SOORTEN

De vier soorten hebben betrekking op G’d. "De etrog wordt in de Tora genoemd "de vrucht van de prachtige boom" Dit zinspeeit op G’d over Wie staat geschreven: "U bent gekleed met heeriijkheid en pracht" (Tehilliem 104, 1).

De loelav, de tak van een palmboom, heeft betrekking op G’d over Wie. staat geschreven: "De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom" (Tehilliem 92,13).

De hadas, mirte, zinspeelt op G’d over Wie staat geschreven: "Hij staat tussen de hadassiem" (Zecharja 1, 10)

De arawa, wilg, heeft betrekking op G’d zoals er staat geschreven: "Maak baan voor Hem die door de Hemel snelt" (Tehilliem 68,5).

De vier soorten hebben betrekking op het joodse volk.

De etrog: zoals een etrog smakelijk en geurig is, zo kennen sommige Joden Tora en doen goede daden.

De loelav: zoals de loelav (dadelpalm) smakelijk is, maar geen geur heeft, zo kennen sommige Joden Tora, maar het ontbreekt hun aan goede daden.

De hadas: zoals de hadas geurig is, maar niet smakeiijk, zo doen sommige Joden wel goede daden, maar het ontbreekt hun aan Tora.

De arawa: zoals de arawa noch smakelijk noch geurig is, zo zijn er sommige Joden die geen Tora kennen en geen goede daden doen.

G’d zegt: "Om hen te vernietigen (degenen die geen Tora kennen en geen goede daden doen) is onmogelijk. Laten zij allen samen komen in een groep; dan zal de een voor de ander verzoening brengen.En als jullie zo doen, zal lk verheven worden". (Midrasj Rabba Wajikra 11,30)

– Twee van de vier soorten, nl. de etrog en de loelav, hebben vruchten, terwiji de andere twee, de hadas en de arawa, geen vruchten hebben.

De twee soorten met vruchten hebben de twee soorten zonder vruchten nodig. En de twee zonder vruchten hebben de andere soorten, met vruchten, nodig. De vier soorten moeten samen genomen worden in een bundel. Zo zal ook het Joodse volk pas terugkeren naar haar land als de Joden een verenigde groep vormen. Zoals er staat geschreven "Hij grondvestte Zijn groep in het land" (Amos 9,6): (Jalkoet Sjim’onie).

"leder deel van mijn lichaam zal zeggen: Wie is als U, G’d!" (Tehilliem 35, 1 0). De steel van de loelav is als de ruggegraat van een mens; de bladeren van de hadas zijn als de ogen, de bladeren van de arawa als de mond en de etrog is als het hart (Tanchoema).

 

DE "LOELAV" HEEFT BETREKKING OP DE TORA

De Tora begint met de letter beet en eindigt met de letter lamed .

Newie’iem en Ketoewiem beginnen met de letter waw en eindigen met de letter lamed . Deze letters vormen het woord loelav.

"Dan (az) zullen de bomen van het bos van vreugde zingen voor G’d" (Diwree Haiamiem 16,33).

De woorden "bomen van het bos" hebben betrekking op de viersoorten. Dan (az in het Hebreeuws) wordt geschreven Alef-Zajien. De getallenwaarde van alef is een, van zajien is zeven. Het nemen van de vier soorten is immers een mitswa van de Tora:

  • een dag -de eerste dag van Sookot, overal;
  • zeven dagen -alle zeven dagen in het Beet hamikdasj (K’Iie Jakar).

EEN LES DIE DE VIER SOORTEN ONS LEREN

De diepere betekenis van de mitswa van loelav is het zich aan G’d wijden met heel ons hart en ons hele wezen.

LOELAV

Het Hebreeuwse woord loelav kan ook geiezen worden als lo-lev, "het hart is van Hem". Een aanduiding dat het hart helemaal aan G’d gewijd moet zijn.

De bladeren van de loelav zijn samengebonden; zij vormen een eenheid zonder scheiding. Zo ook moeten wij onze gedachten verzamelen en onze meningen samenbinden en richten naar G’d, zoals er staatgeschreven: "Wees volmaakt met G’d, jouw G’d" (Dewariem 18,13).

HADAS

Een geoorloofde hadas heeft groepjes van drie biaderen rondom de steel. Geen enkel blaadje bevindt zich onder of boven een ander blaadje; zij wijzen allemaal naar een richting. Zodat het hart volledig naar G’d gericht moet zijn.

ARAWA

De arawot leert dat alles in deze wereld van voorbijgaande aard is, sterfeiijk. Maar doordat G’d Zijn Tora heeft gegeven, kunnen wij ]even, zoals de arawa kan leven dankzij een waterbeek.

ETROG

De etrog ruikt aangenaam, is mooi om te zien en lekker om te eten. Hij moet gezond en gaaf zijn, zonder smet of ziekte. De etrog, die lijkt op het hart van de mens, leert ons dat wij vrij moeten zijn van onreine en slechte gedachten. Daardoor zullen we het leven in de toekomstige wereld verdienen, een wereld die smakelijk en geurig is en waarin alles zoet en piezierig is (Seder HaJom, Rabbi Mosjee ben Machier).

"Jullie zullen voor jullie nemen op de eerste dag" (Wajikra 23, 40).

"Op de eerste dag" – Gedurende de 10 dagen van inkeer tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer hebben wij berouw en schenkt G’d vergiffenis voor onze
zonden. Vanaf Jom Kippoer tot Soekot zijn we bezig met mitswot, met het bouwen van een soeka en met het kopen van een loelav en een etrog. Op de eerste dag van Soekot, nemen wij onze loelawiem en etrogiem en prijzen G’d. G’d zegt dan als het ware tegen ons: "ik heb al jullie zonden vergeven. Wij beginnen nu met een nieuwe rekening" (Jaikoet Sjim’onie).

 

EEN VERHAAL VERTELD DOOR MIJN VRIEND RABBIJN BARUCH KAPLAN, HAR NOF, JERUZALEM.

Het was vlak voor het begin van het feest van Soekot en er was geen etrog in Berdichev. Reb Levi Jitschak wachtte, en zo deden ook de andere joden in de stad, maar geen esrog, zoals gewoonlijk elk jaar, arriveerde. De Tsaddik zei tegen zijn chassidiem, ga naar het kruispunt, misschien Zullen jullie daar iemand ontmoeten die een esrog heeft.

Dit deden ze, en inderdaad ontmoeten zij een jood die op weg was naar huis met een prachtige etrog in zijn bezit. Echter, hij woonde niet Berdichev, maar in een andere stad, ver weg.

Ze brachten hem naar Reb Levi Jitschak. De Tsaddik smeekte hem om het feest in Berdichev door te brengen, waardoor hij de mogelijk zou scheppen om alle joden in de stad de mitzwa te laten vervullen.

De man weigerde, hij was op weg naar huis naar zijn familie om het feest van Soekot te vieren. Waarom zou hij zomaar van plan veranderen en hemzelf en zijn familie de vreugde ontnemen van het samen zijn op Jom-Tov?

De Tsaddik was vasthoudend en beloofde hem rijkdom en zonen, maar de reiziger bleef bij zijn standpunt. G’D zij dank had hij beide, rijkdom en kinderen. Hij had niets nodig. Uiteindelijk fluisterde de Tsaddik: als je aan mijn wens voldoet, beloof ik je dat je met mij in de "Komende Wereld"zult zijn.

Toen de man dit hoorde ging hij onmiddellijk akkoord met het verzoek van de Tsaddik. Hij zou de dagen van Soekot in Berdichev verblijven.

De Tsaddik was vol van vreugde en alle andere in Berdichev inclusief de eigenaar van de etrog die overtuigt was dat hij een goede deal had afgesloten.

Ondertussen echter had Reb Levi Jitschak een geheime opdracht uitgevaardigd. Niemand was het toegestaan om de eigenaar van de etrog toe te laten in zijn soekka. Ondanks dat niemand zijn redenen begreep. zou men gehoorzamen aan zijn uitvaardiging.

Op de eerste avond van het feest, toen de etrog eigenaar terug kwam van het avondgebed, trof hij op de tafel in zijn kamer aan, kandelaars, wijn en galles ( broden ). Hij was zeer verbaast!! Had de herbergier, een goeie Jid, niet een soeka? Hij spoedde zich naar de binnenplaats en natuurlijk was daar een soeka, gebouwd volgens de halagische regels. De Herbergier en zijn familie zaten al rond de tafel en gasten kwamen aan, maar hem lieten zij niet binnen. Nota bene, gaven zij geen enkele verklaring voor hun weigering. De ongelukkige vroeg het toen maar aan de buurman.

Hij trof elke familie aan in de soeka, genietend van het feest. Hij smeekte hen om hem te binnen laten en mee te kunnen genieten, maar iedereen weigerde. Uiteindelijk kwam het er uit dat Reb Levi zelf de order had gegeven dat het hem niet was toegestaan in welke soeka dan ook te mogen verblijven.

Hij rende zeer opgewonden naar de Tsaddik " Wat is dit? Wat is mijn zonde? Wat heb ik gdaan?"

De Tsaddik antwoordde hem kalm: Als je mij de "Belofte" teruggeeft die ik jou gaf over het zijn met mij " In De Komende Wereld " zal ik de herbergier opdracht geven je toe te laten in zijn soeka. De gast was met stomheid geslagen en wist geen woord uit te brengen. Wat moest hij doen?

Aan de ene kant had hij een belofte dat hij samen met de Tsaddik zou zijn in de "Komende Wereld" Aan de andere kant, had hij de gelegenheid om de miswa te vervullen en in de soeka te zitten. Uiteindelijk besloot hij voor de mitswa van het zitten in de soeka te kiezen, ten nadele van "De Komende Wereld". Hoe kan een jood zoals hij zelf, een jid die elk jaar van zijn leven de mitswa vervulde van het zitten in de soeka, het nu niet doen?

En hoe kan het, terwijl de meeste joden wereldwijd in hun soeka zitten dat hij er van uitgesloten is.

Daarom gaf de man de belofte die de Tsaddik hem gegeven had terug. Hij schudde zelfs de hand van de Rav toen deze vroeg om de deal af te afsluiten. Onmiddellijk daarna spoedde hij zicht naar de soeka om zijn avondmaal te nuttigen, zoals de regel het verlangd.

Toen het feest voorbij was, zond Reb Levi Jitschak zijn shammas naar de esrog eigenaar met de boodschap, dat hij bij hem moest komen. "Nu" zei de Tsaddik " geef ik je de originele belofte die ik aan jou deed terug. Ik wil namelijk dat je heel goed realiseert, dat ik niet wilde dat je "De Komende Wereld " verdiende als gevolg van een zakelijktransactie. Ik wou je het verwerven van je verdiensten laten gaan door je eigen goede daden. Dat is waarom ik de uitvaardiging deed om je te testen t.a.z. van de mitswa. Nu nadat je de test hebt doorstaan en dat je in staat was je zelf zo op te offering voor de mitswa van de soeka, nu heb je, je plaats verkregen met mij in de "Komende Wereld".

 

DE EERSTE AVOND VAN SOEKOT

Bij het aansteken van de kaarsen zegt men de b’racha:

"baroech ata Hasjeem elokenoe melech ha’olam asjer kiddesjanoe bemitswotav wetsiewanoe lehadliek neer sjel Jom Tov".

"Geprezen, U, Eeuwige, onze G’d, Koning van de wereld die ons geheiligd heeft met Zijn geboden en ons het aansteken van het Jom Tov-licht heeft opgedragen".

Als de eerste avond op Sjabbat valt, steekt men de kaarsen vlak voor Sjabbat aan en zegt men:

"… lehadliek neer sjel Sjabbat we Jom Tov" het aansteken van het Sjabbat – en Jom Tov licht … heeft opgedragen".

De Jom Tov kaarsen worden in de soeka aangestoken. Maar als de soeka erg klein is, als het er tocht of als er brandgevaar is, worden de kaarsen binnenshuis aangestoken, zeker voor Siabbat wanneer het verplaatsen van de kaarsen verboden is.

Met nacht maakt men kiddoesj van Jom Tov over een beker wijn (op Sjabbat: kiddoesj van Sjabbat en Jom Tov). De kiddoesjbeker moet minstens de maat hebben van een rewie’iet (1 50 mi volgens de Chazon lesj en 86 mi volgens Rabenoe Na’ee). Een ezelsbruggetje hiervoor is: de getallenwaarde van de letters van het woord kos (beker) is 86 en van kos hagoen (geschikte beker) is 150. Na de kiddoesj worden de volgende b’rachot gezegd:

"baroech ata Hasjeem elokenoe melech ha’olam asjer kiddesjanoe be
mitswotav
wetsiewanoe leesjew basoeka"

"Geprezen, U, Eeuwige, onze G’d, Koning van de wereld die ons geheiligd heeft met zijn geboden en ons heeft opgedragen in de soeka te wonen"en "baroech ata Hasjeem elokenoe melech ha’olam sjehechejanoe wekieje’manoe wehigie’anoe laz’man haze".

"Geprezen, U, Eeuwige, onze G’d, Koning van de wereld die ons het leven heeft geschonken, ons in leven heeft gehouden en ons dit tijdstip heeft laten beleven".

De b’racha sjehechejanoe is van toepassing op drie zaken:

  1. de Jom Tov;
  2. het bouwen van de soeka;
  3. de mitswa van het zitten in de soeka.

Degene die kiddoesj uitspreekt, drinkt zelf het grootste deel van de wijn en geeft een beetje wijn aan de anderen die aan tafel zitten. Dan wast men de handen voor de maaltijd. Als de kraan ver van de soeka is, moet er water naar de soeka gebracht worden voor het kiddoesj maken om direct na kiddoesj de handen te kunnen wassen en zodoende geen range onderbreking te maken tussen de kiddoesj en de maaltijd.

Na het handen wassen zegt men de b’racha "…hamotsie". Men zegt de b’racha over "lechem misjne" (twee hele broden) voor zichzelf en voor alle anderen die aan tafel zitten en geen eigen "lechem misjne" hebben. ledereen moet minstens een "kezajiet" (als een oiijf, ongeveer 30 gram) binnen vier minuten eten, volgens sommigen "kebeetsa" (als een ei, ongeveer 60 gram).

Het eten van brood in de soeka op de eerste avond van Soekot is een mitswa van de Toral zoals het eten van matsa op de eerste avond van Pesach. Daarom moet er, als het regent op de eerste avond van Soekot, toch kiddoesj gemaakt worden en de minimale maat brood worden gegeten in de soeka. De b’racha van "leesjeew basoeka" wordt dan echter niet gezegd.

Na het maken van "hamotsie" wordt een Jom Tov maaltijd gegeten bestaande uit vlees, vis, wijn en andere smakelijke gerechten. Na de maaltijd zegt men "birkat hamazon" (bensjen) en wordt "ja’a16 wejawo" ingevoegd. Op Sjabbat zegt men daarvoor ook "retsee".

Buiten Erets Jisra’eel geldt a] het bovengenoemde ook voor de tweede dag Soekot.

De halachot van Jom Tov zullen worden beschreven in onze uitgave over Sjawoe’ot.

Veel mensen gaan voor Jom Tov naar Jeroesjalajiem ter herinnering aan de mitswa om naar Jeroesjalajiem te gaan in de tijd van het Beet Hamikdasj: "Drie maal per jaar moeten al je mannen voor G’d, jouw G’d, op de plaats die Hij zal uitkiezen, verschijnen" (Dewariem 16,16). Maar tegenwoordig is het absoluut verboden om de Tempelberg, Har Habajiet, te betreden. De straf voor het betreden van de plaats waar het Beet Hamikdasj stond, is kareet zoals voor het eten van chameets op Pesach en het niet vasten op Jom Kippoer.

 

SOEKOT – TIJD VAN VREUGDE

"Verheugen jullie je zeven dagen voor G’d, jullie G’d" (Wajikra 23,40).

"Wees blij op je feest, jij, je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin, de Lewiet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen je poorten wonen. Zeven dagen moet je feest vieren ter ere van G’d, jouw G’d, op de plaats die G’d zal uitkiezen. Omdat G’d, jouw G’d, je zal zegenen bij al je opbrengsten en bij al het werk dat je onderneemt, kun je volkomen blij zijn" (Dewariem 16,14:15).

De Tora noemt dus drie maal de mitswa blij te zijn op Soekot. Hoewel het op elk feest een mitswa is blij te zijn, was Soekot in het bijzonder een tijd van vreugde in de Tempel, zoals er staat geschreven: "Verheugen jullie je zeven dagen voor G’d, jullie G’d".

Hoe werd dit gedaan? Voor de eerste dag Jom Tov werden een afdeling in de Tempel ingericht, voor de vrouwen boven en voor de mannen beneden. Het feest ving aan na afloop van de eerste dag Jom Tov. Op elke dag van Chol Hamo’eed begon het feest nadat het offer (tamied) van de namiddag gebracht was. Het feest ging de gehele nacht door.

Hoe vierde men feest? Er werd muziek gemaakt met fluit, lier, harp en bekkens en daarbij werd gezongen. Zo werd er gedanst, geklapt en gesprongen, ieder naar zijn kunnen. Er werden liederen en lofzangen ten gehore gebracht. De wetten van Sjabbat en Jom Tov mochten echter niet overtreden worden t.b.v. deze festiviteiten. Het was een mitswa uitbundig feest te vieren. Het waren uitsluitend de talmiedee Chachamiem, rasjee jesjiewot, de hoofden van het Sanhedrien, de vromen, de ouderen en de tsadiekiem die gedurende hetSoekotfeest dansten, speelden en zongen. De rest van het volk, mannen en vrouwen, kwam kijken en luisteren.

Het zich verheugen in het doen van de mitswot en het liefhebben van G’d, is een heel hoog niveau van het dienen van G’d. ledereen die zich deze vreugde onthoudt, verdient het om gestraft te worden, zoals er staat geschreven: "Omdat jij G’d, jouw G’d, niet blij en weigemoed diende" (Dewariem 28, 47). ledereen die in een dergelijke situatie trots en verwaand is, is in overtreding. Sj’lomo Hamelech waarschuwde ons al: "Wees niet verwaand voor de Koning" (misilee 25, 6). Er bestaat geen grotere eer dan blij te zijn voor G’d, zoals er staat geschreven: "Koning David danste en sprong voor G’d" (Simoe’eel 11 6,16) (Rambam, Hilchot Loelav 8, 12:15).

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA (3), INLEIDING VAN JOM KIPPOER DOOR KOL-NIDRE

INLEIDING VAN JOM KIPPOER DOOR KOL-NIDRE

Wanneer iemand onder het uitspreken van een eedsformule tegenover G D of tegen over zichzelf een gelofte aflegt of een verplichting op zich neemt, moet hij die ook nakomen. Precies zoals het hem over de lippen is gekomen. ( bemidbar 30, 3; dewariem 23, 22-23 ).

Er kunnen wel eens omstandigheden zijn dat iemand niet instaat is een dergelijke belofte na te komen. Dan is er een aanduiding in de Tora dat men dan een gelofte door een bevoegde instantie nietig kan laten verklaren: Hatarat Nedariem. Een dergelijke gelofte, eed of uitdrukking tegenover zijn medemens valt daar in eerste instantie niet onder. Die kan men alleen ongedaan maken via de betreffende persoon zelf, met diens volledige instemming ( b.t. joma 7, 2 ) .Hetzelfde geldt voor verkeerde handelingen tegenover de medemens. Ook daarbij is het niet voldoende wanneer men G D vergiffenis vraagt.

Voordat wij met Kol-Nidre beginnen leggen we nog een verklaring af. Het kwam wel voor , dat mensen die een zware overtreding hadden begaan die de essentieele principes van het jodendom raakte, door een rabbinaal rechtscollege in de ban werden gedaan. Zij werden uitgesloten uit de gemeente. Maar op Jom-Kippoer mochten ook zij aan de dienst deelnemen. Dit is de betekenis van de tekst Biesjiwa sjel ma la. Dat het woord ” awarjaniem “, overtreders, op de crypte joden, de maranos, zou slaan is zeer twijfelachtig.

Deze verklaringen worden voor de aanvang van het avondgebed van Jom- Kippoer afgelegd.

BIESJIEWA SJEL MA LA

” Met de machtiging van het hemelse gerechtshof en met de machtiging van de aardse gerechtshof .

Met medeweten van de Alomtegenwoordige en met medeweten van de gemeente verklaren wij het voor geoorloofd met overtreders van de Tora te dawenen.”

Deze uitspraak is evenals het Kol-Nidre geen gebed, maar een halachisch-juridisch formulier, gebaseerd op uitspraken van gezaghebbende joodse Torageleerden. Er is een grote literatuur over het voor en het tegen en ook over de formulering van de tekst van Kol-Nidre.

Ik zal er één aanhalen, en wel over de Richter Jiftach ( omstreeks 973 v.d.g.j. ) In hoofdstuk 11 van Richteren lezen wij hoe hij zich tegen over G D verbonden had: Indien Gij de Ammonieten in mijn macht geeft, dan zal hetgeen mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik behouden van de Ammonieten terugkeer, de EEUWIGE toebehoren, en ik zal het ten brandoffer brengen (vers 31).

Hij versloeg de Ammonieten en keerde behouden weer, maar toen hij naar zijn huis te Mitspa kwam zie, zijn dochter ging hem tegemoet met tamboerijnen en reidansen (vers 34). Zij was zijn enig kind. Hij riep uit: Ach, mijn dochter, gij buigt mij diep teneer en gij zijt het, die mij in het ongeluk stort: ik heb tegenover de EEUWIGE een woord gesproken en kan niet terug (vers 35).

Zijn dochter, volgen de traditie Sjeila genaamd, probeerde haar vader te overtuigen, dat hij haar volgens de joodse wet niet als brandoffer zou mogen brengen. Zonder gevolg probeerde zij uit de Tora te bewijzen, dat slechts dieren als brandoffer acceptabel waren.

Nutteloos waren haar pogingen haar vader ervan te overtuigen, dat ook de Aartsvader Ja akow eens aan G D beloofd had Hem een-tiende van al zijn bezittingen te offeren, terwijl geen van zijn twaalf zonen als brandoffer gewijd werd.

Volgens de Torawet was Jigtachs gelofte volstrekt ongeldig. Maar de geleerden uit die tijd waren deze bepaling vergeten en besloten, dat hij zijn gelofte moest houden. Slechts één man wist nog de halacha in een dergelijk geval, de Hogepriester Pinchas. Maar Jiftach achtte het beneden zijn waardigheid als aanvoerder van de stammen van Israël om zich tot deze figuur te wenden. Ook Pinchas vond het beneden zijn waarde zich tot Jiftach te wenden en hem de halacha mee te delen, daar hij als Hogepriester, zoon van een Hogepriester, zich te hoog achtte om zo n ongeletterde al Jiftach te benaderen. (Wajikra Rabba, ed. Wilna 1887 37:4, Midrasj Tanchoema Bechoekotai 5, B.T. Ta aniet 4a e.a).

Het oude gebruik Kol Nidre is echter gehandhaafd. De wonderschone melodie en de ernst van de dag hebben daar zeker toe bijgedragen. Een zeer groot gedeelte van de gemeente is aanwezig, ieder voelt de spanning van de heilige dag. De chazzan heeft zijn plaats voor de amoed, (de lessenaar), ingenomen en twee van de aanzienlijken der gemeente staan aan zijn zijde. Deze drie vormen een rechtscollege, die in het openbaar deze verklaringen drie keer afleggen. De chazzan begint met een zachte stem: hij is huiverig voor de verantwoordelijke taak om de tolk van de gemeente te zijn. De tweede keer voelt hij zich al iets zekerder en doet het luider en de derde keer durft hij zijn stem in een fortissimo te laten horen.

KOL NIDRE

ALLE ONTHOUDINGEN EN VERPLICHTINGEN DIE WIJ TEGENOVER ONSZELF ONDER EDE OF MET EEN UITDRUKKING VAN GELIJKE STREKKING OP ONS ZOUDEN NEMEN VANAF DEZE* JOM KIPPOER TOT -BIJ LEVEN EN WEL ZIJN – DE JOM KIPPOER VAN HET VOLGEND JAAR, DAARVAN VERKLAREN WIJ REEDS NU, DAT WIJ DAAR BEROUW VAN HEBBEN. ZIJ WORDEN ALLE NIETIG VERKLAARD, ONTBONDEN, GEANNULEERD EN VAN NUL EN GENER WAARDE, ZONDER RECHTSKRACHT

OF RECHTSGROND. DEZE PERSOONLIJKE GELOFTEN ZIJN GEEN GELOFTEN. ALLE ONSZELF OPGELEGDE ONTHOUDINGEN EN ALLE VERPLICHTINGEN DIE WIJ ONSZELF HEBBEN OPGELEGD ONDER EEN OF ANDERE EEDSFORMULE, ZIJN GEEN EED.

* Sommige lezingen luiden: op ons genomen hebben vanaf de vorige Jom Kippoer tot deze Jom Kippoer of op ons zouden nemen enz.

Jom Kippoer, het sluitstuk van de ontzagwekkende dagen, zoals de Nederlandse rabbijn De Vries het uitdrukt. In de Talmoed, traktaat Joma, heet het De Dag. De dag dat de hogepriester de dienst deed en door zijn dienst reiniging en verzoening bemiddelde voor het gehele Joodse volk. Deze dienst van de hogepriester nu wordt in z’n geheel genoemd in het moesafgebed, het toegevoegde gebed op Jom Kippoer. We brengen de hele dag in de synagoge door en we vasten. De dag begint bij het vallen van de avond ervoor en gedurende 25 uur eten en drinken we niet. Er wordt absoluut niet gewerkt en er wordt geen leren schoeisel gedragen.

En zoals het woord Jom Kippoer het uitdrukt, is het een geweldige feestdag. U denkt: “Een vastendag en toch een geweldige feestdag ??” Als je Jom Kippoer letterlijk zou vertalen, zegt het een dag te zijn zoals Poeriem. Poeriem is een van de meest uitbundige feestdagen in de Joodse traditie. De traditie wil dat men zelfs dronken mag worden. Op Jom Kippoer, na Rosj Hasjana en de tien dagen van Tesjoewa, is er verzoening en verinniging met G D. Die verzoening, die verinniging, maakt Jom Kippoer tot een enorme vreugdevolle dag. Maar Tesjoewa en verzoening is alleen mogelijk door je medemens.

In het ontroerende gebed ” Oenetane Tokef zeggen wij : De mens, zijn afkomst is stof en zijn einde is stof “. Tegenover de Almachtige word de mens daar als onbetekenend voorgesteld. Deze eenvoudige, maar aangrijpende vergelijking wil ons op het hard drukken dat wij als individuen met al onze morele gebreken een massa van scherven zijn, die alleen als gemeenschap verbonden een geheel vormt en alleen als zodanig naar volmaking kan streven. Dit is de boodschap van de hoge feestdagen,Rosj Hasjana en Jom Kipoer. Deze dagen zeggen ons, dat wij alleen niets zijn, maar dat we niet alleen zijn. Wij behoren tot een gemeenschap en een gemeenschap is in staat tot waardevolle prestaties. Het jodendom heeft weinig waardering voor het individu – ook al is deze nog zo volmaakt – wanneer het zich van de gemeenschap afzondert . Een ieder van ons bepaal mee het lot van de gemeenschap en is daarvoor verantwoordelijk. Het verheven doel van de Hoge Feestdagen is, dat het individu over de enge grenzen van zijn eigen ik heen stapt, dat hij de sleur overwint en de kracht vindt om zijn dagelijks leven te hervormen. Dit is de taal van de sjofar, die ons met zijn woordeloze klanken uit onze onverschilligheid als enkeling die zijn verantwoordelijkheid als lid van de gemeenschap niet beseft, wakker schudt.

In het hoofdgebed op de Hoge Feestdagen worden in het eerste gedeelte enkele stukken uitgesproken die de almacht van G D schetsen en waarin het tijdperk bescheven wordt, waarop alle mensen de heerschappij G D s zullen erkennen Op dit gedeelte met een duidelijk universeel karakter volgen stukken die op het joodse volk betrekking hebben, stukken die aan het eind weer met de woorden ” Gij zult regeren over al Uwe werken” sluiten.

De strekking van dit hoofdgebed is de idee, dat de weg tot de Messiaanse toekomst van de verzoening der volkeren, met de gedachten en het geloof aan de enige G D, via de loutering van ons volk gaat, via onze gemeenschap, die voor alles haar opdracht te vervullen heeft.

Het volk bestaat uit enkelingen en daarom is ieder van ons zowel voor zijn eigen geestelijk welzijn als voor dat van de anderen verantwoordelijk

Tot deze permanente inspanning roepen ons de Hoge Feestdagen op, tot dit streven willen ons de gebeden in het Oenetane Tokef van deze dagen aansporen. Weliswaar is de weg van de gebroken scherf tot de grote idealen in dit gebed een lange en een moeizame, maar wat zou het leven waard zijn zonder het streven naar volmaaktheid, zonder het zich onophoudelijk inspannen om zich te verbeteren, zonder de gedachte van Tesjoewa ?

De echte Tesjoewa is het juiste bewustzijn van de plaats van de enkeling te midden van de gemeenschap. Daarom ook luiden de woorden van de profeet Hosjea die we op de Sjabbat tussen Rosj Hasjana Jom Kipoer lezen : ” Sjoewa Jisraeël ” welk woord Jisraeël zowel het joodse individu als het joodse collectief aanspreekt en welk woord de onderlinge relatie van beiden tot uitdrukking brengt.

De leerlingen van R. Jehoeda Zwi van Stretyn vroegen hem of er een mystische kracht of een tovermiddel bestond om een mens te helpen liefde voor G D te voelen. ” Ja zei hij, ” het beste hulpmiddel om tot de liefde voor G D te komen is – de liefde tot de mens ”

R. Mendel merkte graag op :” Een mens moet verdraagzaam voor anderen zijn, zelfs als zijn opvattingen verschillen van die van een ander. Moet een mens soms kwaad op zijn buurman zijn, omdat hij een ander gezicht heeft dan hij? Net zoals gezichten van elkaar verschillen, verschillen ook opvattingen.

Elk mens is verschillend, man en vrouw zijn verschillend, volkeren zijn verschillend, maar het erkennen van elkaars verscheidenheid en gelijkwaardigheid en daar tussen een harmonie aan brengen, dat is de weg naar verzoening.

Van de zeer onmenselijke en verschrikkelijke gebeurtenissen, die een onuitwisbaar stempel gedrukt hebben op deze eeuw en de gehele geschiedenis van de mensheid, leeft de generatie die getuige was, nog steeds onder ons. Het was naar aanleiding van een persoonlijke ontmoeting die ik had met de heer Simon Wiesenthal, die sprak over de ervaring die hij had met de honderden processen die gevoerd waren tegen natie-beulen en specifiek over de verhouding tussen beul-beklaagde en slachtoffer-getuige. De enorme moed van het slachtoffer om te getuigen in zo’n proces, omdat het verwerken van hun ervaringen voor velen niet mogelijk bleek. Wat zij hebben gezien en meegemaakt, die impressies, die emoties, waren zo gigantisch, dat een mens niet is geschapen om die in zich op te nemen, laat staan te verwerken. De geestelijke schade is enorm en bij het zien van zijn beul, de beklaagde, voelt hij maar één behoefte. Niet direct een doodwens, wraakgevoelens, natuurlijk wil hij wel gerechtigheid, maar in essentie, wat hij primair wil zien, is menselijkheid. En het enige medicijn om zijn leven leefbaarder te maken, is menselijkheid. Dat de beul zegt: “Ja, ik was fout, ik was een compleet verkeerd mens, hoe heb ik dat in G d s-hemelsnaam kunnen doen en laten gebeuren. Vergeef me !” Op dat moment herkent het slachtoffer getuige: menselijkheid. En de beul-beklaagde voelt zich weer mens.

En van dit alles kunnen we alleen maar leren dat we met al onze energie, ook met onze negatieve energie, die we omzetten in het goede door tesjoewa te doen, proberen een beetje mens te zijn. Zoals we in het Jiddisch zeggen, en ik denk dat veel talen het zelfde wille uiten,

ZEI EIN MENSCH, ZEI MENSCH.

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA (2), DE TIEN DAGEN VAN INKEER

DE TIEN DAGEN VAN INKEER

Lezing: Juda Groenteman, elloel 5759, september 1998-99 te Antwerpen.

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA.

De ontzagwekkende dagen, Rosh Hashana, Tien dagen van Inkeer, Jom Kippoer.

Op Rosj Hasjana hebben wij de nadrukkelijke wens dat G.d ons zegent met een goed en zoet komend jaar in gezondheid en inkomen. Door onze dienst in de tien dagen van tesjoewa hebben wij zoals de Gemara het uitdrukt : “het weldadige en overvloedige van Zijn hand”. Wat houdt dienst in ? Dienst houdt in:

Tesjoewa, Tefilla, Tsedaka.

We gaan niet alleen in op de achtergronden van deze drie woorden, maar ook op de puur taalkundige betekenis ervan.

Tesjoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen tesjoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Tesjoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept tesjoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Tesjoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Tesjoewa betekent teruggaan naar je Goddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die Goddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddiek, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G.d en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen tesjoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G.d. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G.d, kan altijd terug keren, omdat tesjoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

Tefilla, bidden ??? Bidden is in het Hebreeuws niet Tefilla, maar  bakasja en opnieuw zijn deze termen tegenstrijdig. Bakasja betekent bidden, verzoeken, verlangen in de vragende wijze. Tefilla betekent zich hechten, zich verbinden met. Met het bidden vraagt de persoon of G.d hem voorziet in zijn behoefte en gebrek. Als hij niet behoeftig is of geen verlangen voelt voor een gift van boven, dan wordt bidden, bakasja , overbodig. Maar in Tefilla: de persoon streeft er naar zich te hechten, naar hechting aan G.d, zich kleven aan G.d. Het is een beweging van iemand van beneden, reikend naar G.d. En dit is iets wat geschikt en bereikbaar is voor iedereen , op elk tijdstip. De menselijke ziel heeft een band met G.d, maar die huist ook in een lichaam. Door zijn hoofdbezigheid in deze materiële wereld, kan die band verzwakken. Daarom is het nodig die band constant te verstevigen en vernieuwen. Dat is de functie van Tefilla en het is een absolute noodzaak voor elk mens. En een mens die niet behoeftig is en het niet nodig vindt een bede te doen aan G.d, heeft evenzeer die hechting aan G.d nodig, te kleven aan de Bron van het leven.

Tsedaka, is dat liefdadigheid ??? Het Hebreeuwse woord voor liefdadigheid is niet Tsedaka, maar chesed. En opnieuw: twee woorden , twee tegenovergestelde begrippen. Chesed, liefdadigheid, houdt in dat de ontvanger geen recht heeft op de gift en de gever niet verplicht is om te geven. Hij geeft grootmoedig vanuit de goedheid van zijn hart. Zijn handeling is meer een deugdelijke goede eigenschap, dan een plicht. Tsedaka daarentegen, gerechtigheid, rechtvaardigheid, dat de donor geeft omdat het zijn plicht is.

Vooreerst: waarom is het een plicht ? Omdat alles in deze wereld uiteindelijk behoort aan G.d. De mens zijn vermogen, zijn bezittingen, is eigenlijk niet echt zijn bezit, integendeel, het is aan hem toevertrouwd. Bij G.d is een van de condities van dat vertrouwen dat hij zal geven aan diegenen die in nood zijn.

Ten tweede: een mens heeft de plicht te handelen naar de ander toe, zoals hij G.d vraagt te handelen tegenover hem. En zoals wij vragen G.d om Zijn zegen, is Hij ons niets verschuldigd en niets verplicht. Wij zijn verplicht in gerechtigheid te geven aan diegenen die ons vragen, al zijn we compleet niets aan hun verschuldigd. In die weg worden we ook beloond, maat naar maat, wij geven vrijelijk, G.d ook.

Dit zijn de drie wegen die leiden naar een jaar dat bezegeld is met al het goede, tesjoewa, terugkeer naar ons diepste innerlijke ik; Tefilla, en ons hechten en verbinden met G.d; Tsedaka, de verdeling van ons bezit in rechtvaardigheid.

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA (1), ROSH HASJANA

ROSH HASJANA
Lezing: Juda Groenteman, elloel 5759, september 1998-99 te Antwerpen.

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA.

De Ontzagwekkende Dagen, Rosj Hasjana, Tien Dagen van Inkeer, Jom Kippoer.

De naam Rosj Hasjana, wat betekent: kop of hoofd van het jaar, komt in Tenach slechts een maal voor, Esk. 40, 1. Daar betekent het niet eerste dag van het jaar, maar de tiende van de maand Tisjri,de dag waarop ter inleiding van het Joweljaar op de sjofar werd geblazen. De eerste dag van de zevende maand heet in de Tora, Wajikra 23, 24, en Bamidbar 29,1: Jom Teroe’a, Jom Zicharon Teroe’a, Dag van Bazuingeschal of Dag ter herinnering van de Sjofarklank. Deze woorden drukken hun stempel op de betekenis van de dag: Zicharon en Sjofar.

De vraag is: waarom op de eerste van de zevende maand en niet op de eerste van de eerste maand ? Op de eerste dag van Tisjri schiep G.d de eerste mens, Adam. Daarom ook correspondeert Rosj Hasjana niet met de eerste dag van de schepping, maar met de zesde dag, de dag waarop de mens werd geschapen. De mens werd allèèn geschapen, zijn schepping was niet alleen de laatste fase in de scheppingsweek, maar vormde tevens het sluitstuk en de voltooiing van de schepping. Met de schepping van de mens was het universum af. Niet alleen omdat daarna geen ander wezen meer werd geschapen en de mens als meest ontwikkeld wezen ten tonele was verschenen, maar ook, omdat het de mens is die alle andere schepsels tot hun uiteindelijke vervulling kan brengen.

De mens werd allèèn geschapen, dat betekent ook dat één enkel individu in staat is de hele schepping tot vervulling te brengen. Zoals Adam op de eerste Rosj Hasjana van de wereldgeschiedenis een beroep deed op alle schepselen in de wereld de autoriteit van G.d te erkennen. Zoals iedereen, ongeacht tijd, plaats, status, in staat en verplicht is, te streven naar het hoogste niveau van volmaaktheid voor zichzelf en de hele schepping. Dat is de taak van de mens, daarin is hij uniek. Op de essentie van die taak wil ik later terugkomen

In het Musafgebed van Rosj Hasjana – het Musafgebed is een toegevoegd gebed, het correspondeert met het musafoffer in de Tempel – zijn drie stukken ingevoegd: Malchiot, Zichronot en Sjoferot. Deze invoeging berust op een zeer oude traditie vermeld in de Talmoed, traktaat Rosj Hasjana, .

Na de zes dagen van de schepping was de mensheid gevormd om te heersen in de natuurorde van Malchiot, compleet autonoom heersend over de schepping. Maar de mens hield niet stand in zijn heerschappij en zoals we weten eindigde deze orde in een enorme catastrofe. Na de Maboel, grote vloed, toen Noach voor de derde keer een duif had uitgezonden die niet meer terugkwam – dat was overigens op de eerste Tisjri -, werd deze natuurorde verminderd en Zichronot werd toegevoegd, de G.ddelijke Voorzienigheid. Met andere woorden: interventie van G.d in Malchiot. Een nieuwe situatie ontstond: Malchiot en Zichronot, een nieuwe orde. Malchiot en Zichronot samen leiden ons naar de aartsvaders, Avraham, Jitschak en Jaakov.

Het Toragedeelte dat gelezen wordt op Rosj Hasjana vóór Moesaf, is daarom ook bewust de Akeda. De Akeda, het gebonden zijn van Jitschak op het altaar en het feit dat G.d Avraham op het laatste ogenblik weerhield om zijn enige zoon, naar wie hij zo verlangd had, te offeren. Het ram, dat in de struiken verward was geraakt met zijn horens en dat in plaats van Jitschak geofferd werd, geeft de associatie met de sjofar, de ramshoorn waarop wij blazen. De volkomen overgave zowel van Avraham als van Jitschak, om G.ds gebod te willen nakomen, moge een voorbeeld en een voorspraak voor ons zijn. Door de sjofar wordt de mens opgeschrikt en herinnerd aan de openbaring op de Sinai onder het crescendo van de sjofarklanken. De Sinai, opnieuw een toevoeging: Shoferot, openbaring. Nu was de wereld gefundeerd op drie elementen, die met elkaar een geheel vormen, Malchiot, Zichronot, Shoferot..

Wat plaats vond op de berg Sinai was een directe ingreep in de bestaande natuurlijke structuren van deze wereld, een ingreep die zijn weerga niet kende.

Ook qua historie en geschiedenis, want die werden hier gefundeerd. Zo’n 600 000 volwassen mannen met hun vrouwen, kinderen en allerlei anderen, meegekomen uit Egypte, waren getuige hoe G.d neerdaalde op de berg Sinai. Het hoogste kwam na het laagste. En G.d openbaarde zich binnen de grenzen van de natuurorde en sprak de Tien Geboden. En het volk zag de stem, donder en bliksem. Sjemot, parasja Jitro. Rabbi Akiwa verklaart: “Zij zagen wat je normaal alleen kon horen.”

De essentie van G.d was geopenbaard in hun zien terwijl Hij sprak. Met andere woorden: een intellectuele overtuiging, geen gevoelsmatige waarneming, kortom een compleet besef. Het wonder was dat God zich openbaarde binnen de grenzen van de natuurorde. Daarom was het ook zo bijzonder dat de Israelieten geen verandering voelden in hun zintuigen toen zij G.ds essentie waarnamen, ofschoon zij natuurlijk wel bevangen werden door enorme vrees.

Het gebeuren op de Sinai was een universeel gebeuren, Hij openbaarde zich niet alleen aan Israel, maar aan alle volkeren. Matan Tora is gegeven in de wildernis, Sjemot Jitro 19, omdat het neutraal gebied was, want als de Tora was gegeven in het land Israel dan konden de volkeren van de wereld zeggen: “We hebben er geen deel aan.”

In de Tora zijn aan het Joodse volk 613 mitswot opgelegd, aan de andere volkeren 7 mitswot. Waarom ? Omdat de praktische mitswot het uiteindelijke doel vormen van de Tora en dienst aan G.d. Ik zal dat proberen toe te lichten vanuit Dewariem, parasja Nitzavim, beginnend bij vers 10 tot en met vers 14:

Als je tenminste gehoor geeft aan de roep van de Eeuwige, je G.d, om je stipt te houden aan Zijn geboden en zijn wetten, hetgeen beschreven staat in dit Tora-boek – als je van ganser harte en met je hele ziel terugkeert tot de Eeuwige, je G.d.

Want dit gebod, dat ik je heden voorschrijf, is niet iets bovennatuurlijks voor je en het is niet iets dat ver verwijderd is.

Het is niet in de hemel, zodat je zou moeten zeggen: “Wie stijgt er voor ons naar de hemel, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen ?”

Ook is het niet aan de overkant van de zee, zodat je zou moeten zeggen: “Wie steekt er voor ons over naar de overkant van de zee, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen ?”

Integendeel, volkomen binnen je bereik is het gebod, zowel om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart te doen.

De roep van de Eeuwige betekent niets anders dan het dan het diepste verlangen en radson, wat inhoudt de wil van Zijn innerlijke wezen, en het gebod (vers 14) om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart te doen. Dit laatste vers bevestigt dat het binnen ieders bereik is om Tora en mitswot via de drie expressies van de ziel tot uitvoer te brengen. 1. Met je mond: refereert naar spreken. 2. Overgave van je hart: gedachten, intellect en in diepere zin bewuste emoties van liefde en vrees voor G.d. 3. Doen: refererend naar actie.

De mitswot zijn niet opgelegd om het wettige te heiligen, maar vormen de weg om deze wereld en het leven in deze wereld te heiligen. De Goddelijke ziel komt bij de geboorte vanuit de spirituele werelden – ik kom hier later op terug – in het lichaam, wat op zich al heel bijzonder is, omdat het samengaan van fysiek en geestelijk biologisch niet mogelijk is. In feite wil de ziel dan ook terug naar zijn bron, dicht bij het Goddelijke, het spirituele, maar heeft nog een taak in deze materiële wereld te vervullen.

Ik zal dit nu duidelijk maken met behulp van twee Tora-gedeelten, Sjemot Mispatiem vers 1- 6 en Bamidbar Sjelachlega Hoofdstuk 13 en 14. In beide citaten wil men zich onttrekken aan die taak. En voor we Sjemot Mispatiem citeren, moeten we wel bedenken dat parasja Mispatiem onmiddellijk wordt voorafgegaan door parasja Jithro, waarin Matan Thora plaats vond. Nu dan het citaat uit Mispatiem vers 1 – 6.

Dit zijn de rechtsvoorschriften die je hun zult voorleggen. Als je een Hebreeuwse slaaf koopt, zal hij zes jaren dienen en het zevende jaar gaat hij in vrijheid heen; niets betaalt hij. Indien hij alleen in dienst komt, gaat hij alleen weg. Wanneer hij getrouwd is, dan gaat zijn vrouw met hem heen. Indien zijn heer hem een vrouw geeft en deze hem zonen of dochters schenkt, dan blijft de vrouw met haar kinderen voor haar heer en gaat hij alleen heen. Indien de slaaf uitdrukkelijk zegt: “Ik houd van mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen, ik wil niet vrij heen gaan”, dan zal zijn heer hem voor het gerecht brengen, hem dicht bij de deur of de deurpost plaatsen en zal zijn heer zijn oor doorboren met een priem; daarna zal hij hem altijd dienen. –

– Einde citaat. –

De vraag is, hoe is dat mogelijk: een Joodse slaaf? Wanneer iemand bijvoorbeeld diefstal heeft gepleegd en daarbij zijn medemens schade heeft berokkend, fysiek en/of materieel, moet hij die schade vergoeden. Kan hij dat niet, dan moet hij arbeid verrichten als slaaf. Zijn koopsom gaat naar het slachtoffer. Als ik mij niet vergis, komt de discussie over slachtofferhulp de laatste jaren in Nederland pas goed op gang. Het dienen als slaaf mag niet langer duren dan zeven jaar.

Weigert hij omdat hij het makkelijk, aangenaam vindt geen verantwoording, keuzes, vrijheid te nemen voor zichzelf, vrouw, kind, medemens, dan doet hij zijn taak als mens te niet. Hij moet verschijnen voor het Beth Din, drie rechters die het Goddelijke Recht vertegenwoordigen. Vervolgens wordt hij bij de deurpost geplaatst, die verwijst naar de deurpost in Egypte, die besmeurd werd met het bloed van een lammetje, het Pesachoffer. Dit teken was een daad van enorme moed en verantwoording, want in Egypte werden veel dieren als goden beschouwd, er werd dus een godsschennis gepleegd voor het bewustzijn van de Egyptenaren. Maar het was ook een daad van vertrouwen in G.d als Bevrijder.

Vervolgens werd zijn oor doorboord. Wat betekent: het Joodse volk, EEN miljoen mensen, stond aan de voet van de berg Sinai, ze hoorden en zagen G.d, en accepteerden al de mitswot van de Tora en namen die in volle vrijheid op zich.

We kunnen nu ook begrijpen wat het, misschien in wat andere contekst, bijvoorbeeld in onze tijd, is een slaaf te zijn van macht, geld, carriere, drugs, seksuele lusten; zonder verantwoording, leidt dat tot fysieke en geestlijke destructie. Dit voorbeeld geeft ook aan, er zijn honderden voorbeelden, dat de Tora niet aan tijd gebonden is, tijdloos, voor elke generatie.

We gaan nu nader in op ons tweede Tora-deel: Bamidmar Sjelachlega, hoofdstuk 13 en 14. In de parasja lezen we van het verslag van de verkenners, die waren gestuurd door Mosje Rabbeinoe, om te verkennen de natuur van het Beloofde Land, Kana’an, en zijn inwonders. Toen de twaalf terugkwamen, gaven tien van hen, letterlijk vertaald, “het advies van wanhoop”. Ze braken het moreel van het Joodse volk door te suggereren, dat zij niet in staat zouden zijn het land te veroveren. De volkeren die verblijven in het land zijn woest en barbaars, Anak, reuzen. En de steden groot en on-inneembaar, kortom wij zijn niet in staat te gaan strijden tegen deze volkeren, zij zijn veel sterker dan wij. De rabbijnen in de Talmoed (sota 35 a) die deze episode uitvoerig behandelen, halen aan dat de woorden “dan wij”, in het Hebreeuws ook kunnen worden vertaald met “dan Hij”. De verkenners zeggen dan: “Zij zijn sterker dan Hij’,G.d..

Wat is de betekenis van deze opmerkelijke episode die zijn weerga en echo door de historie van het Joodse volk heeft gehad? De dag dat de verkennes verslag deden, was de negende Av, de datum van zoveel nationale rouw, onder andere de eerste en tweede Tempel werden op die datum verwoest, de inquisitie in Spanje ingesteld en de Eerste Wereldoorlog brak uit.

Hoe konden de verkenners zo snel na de miraculeuze uittocht en de splijting van de Rode Zee, Matan Tora, het manna, de bron van Mirjam, twijfelen dat G.d hen niet bijstond in de overwinning en verovering van het land? Hoe is het mogelijk als men bedenkt dat het hier, zoals in het begin van de parasja vermeld staat, “allen, vooraanstaande mannen onder de kinderen van Israel” betrof, de creme de la creme van elke stam, Tora Chacham, Torageleerden. Hoe was het mogelijk dat de moraal van het Joodse volk zo snel was gebroken? De verklaring is deze.

De verkenners waren niet echt bevangen van bangheid voor een fysieke nederlaag, ze vreesden een spirituele nederlaag. In de wildernis werd elke Israeliet voorzien door G.d in zijn benodigdheden: ze werkten niet, voor voedsel was er het brood, manna, wat neerkwam uit de hemel, er was water uit de bron van Mirjam, enzovoort. Men begreep dat bij het in bezit nemen van het land Israel er een nieuwe manier van verantwoording nodig was. Manna zal ophouden, brood zal er alleen komen door verbouwing, de voorzienende wonderen zouden worden vervangen door arbeid.. Ze waren bevreesd ten aanzien van het bewerken van het land en het levensonderhoud in het algemeen, zoals ze verhalen in vers 32: “Het land waar we doorheen getrokken zijn om te verkennen, is een land dat zijn bewoners uitteert”. Letterlijk staat er: “Het land eet op zijn inwoners”. Wat inhoudt: het land en zijn werk, zijn arbeid en het bezigzijn met het materiele slokt op, consumeert al onze energie. Hun opinie was dat het spirituele, het beste floreert in afzondering en teruggetrokkenheid, in de vredelievendheid van de wildernis, waar voedsel en verzorging komt van de hemel.

De verkenners vergissen zich compleet. De zin van het leven, volgens de Tora en mitswot is, niet de hoogte van de ziel, met andere woorden, is geen intellectuele hobby, zoals je dat in onze tijd zou vertalen, of een interessante studie, nee, het is het heiligen van deze wereld in elk facet van het dagelijks leven. Het uiteindelijk streven van Tora en mitswa is een verblijfplaats van G.d. in deze wereld te verwezenlijken, G.d. in het licht van deze wereld te brengen. Niet daarboven, maar hier. Het streven van de mitswa is het vinden van G.d in het natuurlijke en niet in het bovennatuurlijke. De wonderen waren ter ondersteuning van de Joden in de Bamidbar, de wildernis. Ze waren geen apex, geen toppunt van een spirituele ervaring. Ze waren er alleen als voorbereiding op de uiteindelijke taak, namelijk het land Israel in bezit te nemen en er een heilig land van te maken. En dat werd pas na veertig jaar weer mogelijk gemaakt door een nieuwe generatie. Het is nu volstrekt duidelijk dat de uiteindelijke taak van de mens door het doen van Tora en mitswot is: deze wereld en het leven in deze wereld te heiligen.

Ik zal nu gaan proberen uit een te zetten waarom. In de midrasj Tanchoema Nasso 7,1 verklaren onze geleerden: doel van het scheppen van deze wereld is dat G.d het diepste verlangen heeft een verblijfplaats in de lagere sferen, in deze wereld. De vier werelden in de schepping vloeien in elkaar over en zijn met elkaar verbonden door de graad of de mate van openbaring in elke afzonderlijke wereld. Hoe meer goddelijke openbaring, hoe hoger die wereld, maar ook des te spiritueler. Hoe meer tanscendentie, hoe meer goddelijkheid, hoe meer verhulling van goddelijkheid en heiligheid, des te meer materie.

De vraag is, waarom wil G.d een verblijfplaats in deze lagere wereld ? Een wereld van onverstaanbaarheid, vergetelheid, een wereld van verleiding, kwade neigingen, een wereld met allerlei driften en lusten, kortom, waarom in deze lagere wereld en niet in spiritueel hogere, geestelijke werelden ? Het antwoord ligt in het volgende voorval dat zich afspeelt voor de Tweede Wereldoorlog en wat waar gebeurd is.

Een chassidische rabbijn, een groot rav, arriveert in New York. De reden van zijn reis was, dat door het politieke klimaat in Rusland, veel van zijn volgelingen hem waren voorgegaan. Je begrijpt dat het voor hem heel erg moeilijk was de vertrouwde omgeving van de stetl te verlaten, de kleine joodse dorpen in Rusland en Polen, waar zeer intens hecht Joods leven aanwezig was, ook in voorzieningen, koosjer voedsel, synagoges, leerhuizen, kortom een heel beschermd Joods milieu. Maar zijn volgelingen hadden hem nodig, hun geestelijke leider, die hen inspireerde, die hen adviseerde, wat heel erg belangrijk is in een hechte chassidische groep. Zo hij komt aan in New York, stapt van de boot en al de chassieden zongen en dansten en omringden hem, een ongelooflijk schouwspel in dat Amerika. Men wilde de rebbe nu op weg brengen naar de wijk waar zijn chassieden zich hadden gevestigd, naar de bet hamidrash, maar de rebbe weigerde. Hij zei:

“Het eerste wat ik nu wil doen hier in Amerika, hier in New York, is naar Broadway, Manhattan.” Zijn volgelingen waren ongelooflijk verbaasd: “De rebbe naar Broadway ???” Ze probeerden hem ervan te overtuigen dat Broadway een van de laagste plaatsen van deze stad was. Wat moest de rebbe, met zo’n hoog geestelijk niveau, in Broadway ? Wel-is-waar was Broadway middelpunt van hoogstaand theater, amusement, maar ook al in die tijd van prostitutie, sexclubs, gok-holen, bars en nota bene, het was er heel gevaarlijk op de koop toe. Er waren ook allerlei soorten criminelen, kortom, geen plaats voor een rebbe ! Maar, u gelooft het niet, de rebbe hield vol, hij wou perse naar Broadway Manhattan. Er zat voor de chassieden niets anders op dan zijn wens te volgen en in de limousine, die ze speciaal hadden gehuurd om de rebbe af te halen, gingen ze naar Broadway. En toen ze bij Times Square kwamen, het middelpunt van Broadway, keek de rebbe om zich heen, zag al die dingen en zei: “Wat een kedoesje, wat een kadoesje, wat een kadoesje, ach HaKodisj Barachoe, wat een kadoesje, wat een kadoesja !” Wat een heiligheid, wat een ongelooflijke heiligheid ! Je kunt natuurlijk begrijpen dat z’n volgelingen niet wisten wat ze hoorden. Heiligheid ? In Broadway ?? “Rebbe, wat bedoelt u? Kunt u ons uitleggen wat u bedoelt met de laagste plaats in deze stad ? En wat u bedoelt met kadoesja, heiligheid ?? Alstublieft, leg het ons uit !”

En hij zei: “Ik zal het jullie uitleggen.” Hij vroeg de chauffeur te stoppen en ze stapten uit de auto en hij keek omhoog naar de gigantische wolkenkrabbers en zei :”In onze stetl, waarin alles aanwezig is voor een hecht Joods leven in een zeer beschermde omgeving, is het heel makkelijk om Tora en mitswot te doen. Maar hier, in deze plaats, een plaats van enorme economische macht, van uitspattingen, een plaats met enorme begeertes en verleidingen, om in deze plaats Tora en mitswot te doen, dat is pas heiligheid ! Als je die verleidingen kunt weerstaan, dan breng je spiritualiteit in deze supermaterie, dan breng je heiligheid in deze wereld. Je heiligt deze schepping in de hoogste vorm. Dat is de reden waarom G.d in deze wereld wil verblijven.”

En wanneer op Rosj Hasjana in de synagoge na het lezen van de Tora de sjofarklanken klinken, overdenken we dit, overdenken we de essentie van de schepping, overdenken we de taak als mens in deze wereld onder de scherpe tonen van de sjofar, die ons herinneren aan en terugbrengen naar al de essenties. Het is heel moeilijk om dit in woorden weer te geven.

En ik sluit dit Rosj Hasjana-gedeelte af met Maimonides, de grote leraar, codificator en wijsgeer, die zegt in zijn beschouwingen over en richtlijnen voor tesjoewa: “Ofschoon het blazen op de sjofar een voorschrift van de Tora is zonder verklaring waarom, is er toch een aanduiding die zegt “Worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn, gewekt. Gaat nauwkeurig jullie daden na en keert terug tot de goede weg. Denk aan Hem Die jullie geschapen heeft, jullie, die de waarheid vergeten door de tijd aan nietigheden te verspillen en de jaren in ijdele leegheid door te brengen, die geen hulp en redding brengt. Wijd je eens aan zelfbeschouwing en verbeter je levenswijze en je daden, laat ieder van jullie de slechte weg en zijn minder goede gedachten verlaten.” Hilchot Tesjoewa 3 en 4.

Volgende gedeelte: DE TIEN DAGEN VAN INKEER

ROSH HASJANA

Lezing: Juda Groenteman, elloel 5759, september 1998-99 te Antwerpen.

DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA.

 

De Ontzagwekkende Dagen, Rosj Hasjana, Tien Dagen van Inkeer, Jom Kippoer

 

De naam Rosj Hasjana, wat betekent: kop of hoofd van het jaar, komt in Tenach slechts een maal voor, Esk. 40, 1. Daar betekent het niet eerste dag van het jaar, maar de tiende van de maand Tisjri,de dag waarop ter inleiding van het Joweljaar op de sjofar werd geblazen. De eerste dag van de zevende maand heet in de Tora, Wajikra 23, 24, en Bamidbar 29,1: Jom Teroe'a, Jom Zicharon Teroe'a, Dag van Bazuingeschal of Dag ter herinnering van de Sjofarklank. Deze woorden drukken hun stempel op de betekenis van de dag: Zicharon en Sjofar.

De vraag is: waarom op de eerste van de zevende maand en niet op de eerste van de eerste maand ? Op de eerste dag van Tisjri schiep G.d de eerste mens, Adam. Daarom ook correspondeert Rosj Hasjana niet met de eerste dag van de schepping, maar met de zesde dag, de dag waarop de mens werd geschapen. De mens werd allèèn geschapen, zijn schepping was niet alleen de laatste fase in de scheppingsweek, maar vormde tevens het sluitstuk en de voltooiing van de schepping. Met de schepping van de mens was het universum af. Niet alleen omdat daarna geen ander wezen meer werd geschapen en de mens als meest ontwikkeld wezen ten tonele was verschenen, maar ook, omdat het de mens is die alle andere schepsels tot hun uiteindelijke vervulling kan brengen.

De mens werd allèèn geschapen, dat betekent ook dat één enkel individu in staat is de hele schepping tot vervulling te brengen. Zoals Adam op de eerste Rosj Hasjana van de wereldgeschiedenis een beroep deed op alle schepselen in de wereld de autoriteit van G.d te erkennen. Zoals iedereen, ongeacht tijd, plaats, status, in staat en verplicht is, te streven naar het hoogste niveau van volmaaktheid voor zichzelf en de hele schepping. Dat is de taak van de mens, daarin is hij uniek. Op de essentie van die taak wil ik later terugkomen

 

In het Musafgebed van Rosj Hasjana – het Musafgebed is een toegevoegd gebed, het correspondeert met het musafoffer in de Tempel – zijn drie stukken ingevoegd: Malchiot, Zichronot en Sjoferot. Deze invoeging berust op een zeer oude traditie vermeld in de Talmoed, traktaat Rosj Hasjana, .

Na de zes dagen van de schepping was de mensheid gevormd om te heersen in de natuurorde van Malchiot, compleet autonoom heersend over de schepping. Maar de mens hield niet stand in zijn heerschappij en zoals we weten eindigde deze orde in een enorme catastrofe. Na de Maboel, grote vloed, toen Noach voor de derde keer een duif had uitgezonden die niet meer terugkwam – dat was overigens op de eerste Tisjri -, werd deze natuurorde verminderd en Zichronot werd toegevoegd, de G.ddelijke Voorzienigheid. Met andere woorden: interventie van G.d in Malchiot. Een nieuwe situatie ontstond: Malchiot en Zichronot, een nieuwe orde. Malchiot en Zichronot samen leiden ons naar de aartsvaders, Avraham, Jitschak en Jaakov.

 

Het Toragedeelte dat gelezen wordt op Rosj Hasjana vóór Moesaf, is daarom ook bewust de Akeda. De Akeda, het gebonden zijn van Jitschak op het altaar en het feit dat G.d Avraham op het laatste ogenblik weerhield om zijn enige zoon, naar wie hij zo verlangd had, te offeren. Het ram, dat in de struiken verward was geraakt met zijn horens en dat in plaats van Jitschak geofferd werd, geeft de associatie met de sjofar, de ramshoorn waarop wij blazen. De volkomen overgave zowel van Avraham als van Jitschak, om G.ds gebod te willen nakomen, moge een voorbeeld en een voorspraak voor ons zijn. Door de sjofar wordt de mens opgeschrikt en herinnerd aan de openbaring op de Sinai onder het crescendo van de sjofarklanken. De Sinai, opnieuw een toevoeging: Shoferot, openbaring. Nu was de wereld gefundeerd op drie elementen, die met elkaar een geheel vormen, Malchiot, Zichronot, Shoferot..

Wat plaats vond op de berg Sinai was een directe ingreep in de bestaande natuurlijke structuren van deze wereld, een ingreep die zijn weerga niet kende.

Ook qua historie en geschiedenis, want die werden hier gefundeerd. Zo'n 600 000 volwassen mannen met hun vrouwen, kinderen en allerlei anderen, meegekomen uit Egypte, waren getuige hoe G.d neerdaalde op de berg Sinai. Het hoogste kwam na het laagste. En G.d openbaarde zich binnen de grenzen van de natuurorde en sprak de Tien Geboden. En het volk zag de stem, donder en bliksem. Sjemot, parasja Jitro. Rabbi Akiwa verklaart: “Zij zagen wat je normaal alleen kon horen.”

De essentie van G.d was geopenbaard in hun zien terwijl Hij sprak. Met andere woorden: een intellectuele overtuiging, geen gevoelsmatige waarneming, kortom een compleet besef. Het wonder was dat God zich openbaarde binnen de grenzen van de natuurorde. Daarom was het ook zo bijzonder dat de Israelieten geen verandering voelden in hun zintuigen toen zij G.ds essentie waarnamen, ofschoon zij natuurlijk wel bevangen werden door enorme vrees.

Het gebeuren op de Sinai was een universeel gebeuren, Hij openbaarde zich niet alleen aan Israel, maar aan alle volkeren. Matan Tora is gegeven in de wildernis, Sjemot Jitro 19, omdat het neutraal gebied was, want als de Tora was gegeven in het land Israel dan konden de volkeren van de wereld zeggen: “We hebben er geen deel aan.”

In de Tora zijn aan het Joodse volk 613 mitswot opgelegd, aan de andere volkeren 7 mitswot. Waarom ? Omdat de praktische mitswot het uiteindelijke doel vormen van de Tora en dienst aan G.d. Ik zal dat proberen toe te lichten vanuit Dewariem, parasja Nitzavim, beginnend bij vers 10 tot en met vers 14:

Als je tenminste gehoor geeft aan de roep van de Eeuwige, je G.d, om je stipt te houden aan Zijn geboden en zijn wetten, hetgeen beschreven staat in dit Tora-boek – als je van ganser harte en met je hele ziel terugkeert tot de Eeuwige, je G.d.

Want dit gebod, dat ik je heden voorschrijf, is niet iets bovennatuurlijks voor je en het is niet iets dat ver verwijderd is.

Het is niet in de hemel, zodat je zou moeten zeggen: “Wie stijgt er voor ons naar de hemel, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen ?”

Ook is het niet aan de overkant van de zee, zodat je zou moeten zeggen: “Wie steekt er voor ons over naar de overkant van de zee, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen ?”

Integendeel, volkomen binnen je bereik is het gebod, zowel om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart te doen.

 

De roep van de Eeuwige betekent niets anders dan het dan het diepste verlangen en radson, wat inhoudt de wil van Zijn innerlijke wezen, en het gebod (vers 14) om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart te doen. Dit laatste vers bevestigt dat het binnen ieders bereik is om Tora en mitswot via de drie expressies van de ziel tot uitvoer te brengen. 1. Met je mond: refereert naar spreken. 2. Overgave van je hart: gedachten, intellect en in diepere zin bewuste emoties van liefde en vrees voor G.d. 3. Doen: refererend naar actie.

De mitswot zijn niet opgelegd om het wettige te heiligen, maar vormen de weg om deze wereld en het leven in deze wereld te heiligen. De Goddelijke ziel komt bij de geboorte vanuit de spirituele werelden – ik kom hier later op terug – in het lichaam, wat op zich al heel bijzonder is, omdat het samengaan van fysiek en geestelijk biologisch niet mogelijk is. In feite wil de ziel dan ook terug naar zijn bron, dicht bij het Goddelijke, het spirituele, maar heeft nog een taak in deze materi&euml
;le wereld te vervullen.

Ik zal dit nu duidelijk maken met behulp van twee Tora-gedeelten, Sjemot Mispatiem vers 1- 6 en Bamidbar Sjelachlega Hoofdstuk 13 en 14. In beide citaten wil men zich onttrekken aan die taak. En voor we Sjemot Mispatiem citeren, moeten we wel bedenken dat parasja Mispatiem onmiddellijk wordt voorafgegaan door parasja Jithro, waarin Matan Thora plaats vond. Nu dan het citaat uit Mispatiem vers 1 – 6.

Dit zijn de rechtsvoorschriften die je hun zult voorleggen. Als je een Hebreeuwse slaaf koopt, zal hij zes jaren dienen en het zevende jaar gaat hij in vrijheid heen; niets betaalt hij.

Indien hij alleen in dienst komt, gaat hij alleen weg. Wanneer hij getrouwd is, dan gaat zijn vrouw met hem heen.

Indien zijn heer hem een vrouw geeft en deze hem zonen of dochters schenkt, dan blijft de vrouw met haar kinderen voor haar heer en gaat hij alleen heen.

Indien de slaaf uitdrukkelijk zegt: “Ik houd van mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen, ik wil niet vrij heen gaan”,

dan zal zijn heer hem voor het gerecht brengen, hem dicht bij de deur of de deurpost plaatsen en zal zijn heer zijn oor doorboren met een priem; daarna zal hij hem altijd dienen. –

– Einde citaat. –

De vraag is, hoe is dat mogelijk: een Joodse slaaf? Wanneer iemand bijvoorbeeld diefstal heeft gepleegd en daarbij zijn medemens schade heeft berokkend, fysiek en/of materieel, moet hij die schade vergoeden. Kan hij dat niet, dan moet hij arbeid verrichten als slaaf. Zijn koopsom gaat naar het slachtoffer. Als ik mij niet vergis, komt de discussie over slachtofferhulp de laatste jaren in Nederland pas goed op gang. Het dienen als slaaf mag niet langer duren dan zeven jaar.

Weigert hij omdat hij het makkelijk, aangenaam vindt geen verantwoording, keuzes, vrijheid te nemen voor zichzelf, vrouw, kind, medemens, dan doet hij zijn taak als mens te niet. Hij moet verschijnen voor het Beth Din, drie rechters die het Goddelijke Recht vertegenwoordigen. Vervolgens wordt hij bij de deurpost geplaatst, die verwijst naar de deurpost in Egypte, die besmeurd werd met het bloed van een lammetje, het Pesachoffer. Dit teken was een daad van enorme moed en verantwoording, want in Egypte werden veel dieren als goden beschouwd, er werd dus een godsschennis gepleegd voor het bewustzijn van de Egyptenaren. Maar het was ook een daad van vertrouwen in G.d als Bevrijder.

Vervolgens werd zijn oor doorboord. Wat betekent: het Joodse volk, EEN miljoen mensen, stond aan de voet van de berg Sinai, ze hoorden en zagen G.d, en accepteerden al de mitswot van de Tora en namen die in volle vrijheid op zich.

We kunnen nu ook begrijpen wat het, misschien in wat andere contekst, bijvoorbeeld in onze tijd, is een slaaf te zijn van macht, geld, carriere, drugs, seksuele lusten; zonder verantwoording, leidt dat tot fysieke en geestlijke destructie. Dit voorbeeld geeft ook aan, er zijn honderden voorbeelden, dat de Tora niet aan tijd gebonden is, tijdloos, voor elke generatie.

We gaan nu nader in op ons tweede Tora-deel: Bamidmar Sjelachlega, hoofdstuk 13 en 14. In de parasja lezen we van het verslag van de verkenners, die waren gestuurd door Mosje Rabbeinoe, om te verkennen de natuur van het Beloofde Land, Kana’an, en zijn inwonders. Toen de twaalf terugkwamen, gaven tien van hen, letterlijk vertaald, “het advies van wanhoop”. Ze braken het moreel van het Joodse volk door te suggereren, dat zij niet in staat zouden zijn het land te veroveren. De volkeren die verblijven in het land zijn woest en barbaars, Anak, reuzen. En de steden groot en on-inneembaar, kortom wij zijn niet in staat te gaan strijden tegen deze volkeren, zij zijn veel sterker dan wij. De rabbijnen in de Talmoed (sota 35 a) die deze episode uitvoerig behandelen, halen aan dat de woorden “dan wij”, in het Hebreeuws ook kunnen worden vertaald met “dan Hij”. De verkenners zeggen dan: “Zij zijn sterker dan Hij’,G.d..

Wat is de betekenis van deze opmerkelijke episode die zijn weerga en echo door de historie van het Joodse volk heeft gehad? De dag dat de verkennes verslag deden, was de negende Av, de datum van zoveel nationale rouw, onder andere de eerste en tweede Tempel werden op die datum verwoest, de inquisitie in Spanje ingesteld en de Eerste Wereldoorlog brak uit.

Hoe konden de verkenners zo snel na de miraculeuze uittocht en de splijting van de Rode Zee, Matan Tora, het manna, de bron van Mirjam, twijfelen dat G.d hen niet bijstond in de overwinning en verovering van het land? Hoe is het mogelijk als men bedenkt dat het hier, zoals in het begin van de parasja vermeld staat, “allen, vooraanstaande mannen onder de kinderen van Israel” betrof, de creme de la creme van elke stam, Tora Chacham, Torageleerden. Hoe was het mogelijk dat de moraal van het Joodse volk zo snel was gebroken? De verklaring is deze.

De verkenners waren niet echt bevangen van bangheid voor een fysieke nederlaag, ze vreesden een spirituele nederlaag. In de wildernis werd elke Israeliet voorzien door G.d in zijn benodigdheden: ze werkten niet, voor voedsel was er het brood, manna, wat neerkwam uit de hemel, er was water uit de bron van Mirjam, enzovoort. Men begreep dat bij het in bezit nemen van het land Israel er een nieuwe manier van verantwoording nodig was. Manna zal ophouden, brood zal er alleen komen door verbouwing, de voorzienende wonderen zouden worden vervangen door arbeid.. Ze waren bevreesd ten aanzien van het bewerken van het land en het levensonderhoud in het algemeen, zoals ze verhalen in vers 32: “Het land waar we doorheen getrokken zijn om te verkennen, is een land dat zijn bewoners uitteert”. Letterlijk staat er: “Het land eet op zijn inwoners”. Wat inhoudt: het land en zijn werk, zijn arbeid en het bezigzijn met het materiele slokt op, consumeert al onze energie. Hun opinie was dat het spirituele, het beste floreert in afzondering en teruggetrokkenheid, in de vredelievendheid van de wildernis, waar voedsel en verzorging komt van de hemel.

De verkenners vergissen zich compleet. De zin van het leven

, volgens de Tora en mitswot is, niet de hoogte van de ziel, met andere woorden, is geen intellectuele hobby, zoals je dat in onze tijd zou vertalen, of een interessante studie, nee, het is het heiligen van deze wereld in elk facet van het dagelijks leven. Het uiteindelijk streven van Tora en mitswa is een verblijfplaats van G.d. in deze wereld te verwezenlijken, G.d. in het licht van deze wereld te brengen. Niet daarboven, maar hier. Het streven van de mitswa is het vinden van G.d in het natuurlijke en niet in het bovennatuurlijke. De wonderen waren ter ondersteuning van de Joden in de Bamidbar, de wildernis. Ze waren geen apex, geen toppunt van een spirituele ervaring. Ze waren er alleen als voorbereiding op de uiteindelijke taak, namelijk het land Israel in bezit te nemen en er een heilig land van te maken. En dat werd pas na veertig jaar weer mogelijk gemaakt door een nieuwe generatie. Het is nu volstrekt duidelijk dat de uiteindelijke taak van de mens door het doen van Tora en

mitswot is: deze wereld en het leven in deze wereld te heiligen

 

.

Ik zal nu gaan proberen uit een te zetten waarom. In de midrasj Tanchoema Nasso 7,1 verklaren onze geleerden: doel van het scheppen van deze wereld is dat G.d het diepste verlangen heeft een verblijfplaats in de lagere sferen, in deze wereld. De vier werelden in de schepping vloeien in elkaar over en zijn met elkaar verbonden door de graad of de mate van openbaring in elke afzonderlijke wereld. Hoe meer goddelijke openbaring, hoe hoger die wereld, maar ook des te spiritueler. Hoe meer tanscendentie, hoe meer goddelijkheid, hoe meer verhulling van goddelijkheid en heiligheid, des te meer materie.

De vraag is, waarom wil G.d een verblijfplaats in deze lagere wereld ? Een wereld van onverstaanbaarheid, vergetelheid, een wereld van
verleiding, kwade neigingen, een wereld met allerlei driften en lusten, kortom, waarom in deze lagere wereld en niet in spiritueel hogere, geestelijke werelden ? Het antwoord ligt in het volgende voorval dat zich afspeelt voor de Tweede Wereldoorlog en wat waar gebeurd is.

Een chassidische rabbijn, een groot rav, arriveert in New York. De reden van zijn reis was, dat door het politieke klimaat in Rusland, veel van zijn volgelingen hem waren voorgegaan. Je begrijpt dat het voor hem heel erg moeilijk was de vertrouwde omgeving van de stetl te verlaten, de kleine joodse dorpen in Rusland en Polen, waar zeer intens hecht Joods leven aanwezig was, ook in voorzieningen, koosjer voedsel, synagoges, leerhuizen, kortom een heel beschermd Joods milieu. Maar zijn volgelingen hadden hem nodig, hun geestelijke leider, die hen inspireerde, die hen adviseerde, wat heel erg belangrijk is in een hechte chassidische groep. Zo hij komt aan in New York, stapt van de boot en al de chassieden zongen en dansten en omringden hem, een ongelooflijk schouwspel in dat Amerika. Men wilde de rebbe nu op weg brengen naar de wijk waar zijn chassieden zich hadden gevestigd, naar de bet hamidrash, maar de rebbe weigerde. Hij zei:

 

“Het eerste wat ik nu wil doen hier in Amerika, hier in New York, is naar Broadway, Manhattan.” Zijn volgelingen waren ongelooflijk verbaasd: “De rebbe naar Broadway ???” Ze probeerden hem ervan te overtuigen dat Broadway een van de laagste plaatsen van deze stad was. Wat moest de rebbe, met zo'n hoog geestelijk niveau, in Broadway ? Wel-is-waar was Broadway middelpunt van hoogstaand theater, amusement, maar ook al in die tijd van prostitutie, sexclubs, gok-holen, bars en nota bene, het was er heel gevaarlijk op de koop toe. Er waren ook allerlei soorten criminelen, kortom, geen plaats voor een rebbe ! Maar, u gelooft het niet, de rebbe hield vol, hij wou perse naar Broadway Manhattan. Er zat voor de chassieden niets anders op dan zijn wens te volgen en in de limousine, die ze speciaal hadden gehuurd om de rebbe af te halen, gingen ze naar Broadway. En toen ze bij Times Square kwamen, het middelpunt van Broadway, keek de rebbe om zich heen, zag al die dingen en zei: “Wat een kedoesje, wat een kadoesje, wat een kadoesje, ach HaKodisj Barachoe, wat een kadoesje, wat een kadoesja !” Wat een heiligheid, wat een ongelooflijke heiligheid ! Je kunt natuurlijk begrijpen dat z'n volgelingen niet wisten wat ze hoorden. Heiligheid ? In Broadway ?? “Rebbe, wat bedoelt u? Kunt u ons uitleggen wat u bedoelt met de laagste plaats in deze stad ? En wat u bedoelt met kadoesja, heiligheid ?? Alstublieft, leg het ons uit !”

En hij zei: “Ik zal het jullie uitleggen.” Hij vroeg de chauffeur te stoppen en ze stapten uit de auto en hij keek omhoog naar de gigantische wolkenkrabbers en zei :”In onze stetl, waarin alles aanwezig is voor een hecht Joods leven in een zeer beschermde omgeving, is het heel makkelijk om Tora en mitswot te doen. Maar hier, in deze plaats, een plaats van enorme economische macht, van uitspattingen, een plaats met enorme begeertes en verleidingen, om in deze plaats Tora en mitswot te doen, dat is pas heiligheid ! Als je die verleidingen kunt weerstaan, dan breng je spiritualiteit in deze supermaterie, dan breng je heiligheid in deze wereld. Je heiligt deze schepping in de hoogste vorm. Dat is de reden waarom G.d in deze wereld wil verblijven.”

En wanneer op Rosj Hasjana in de synagoge na het lezen van de Tora de sjofarklanken klinken, overdenken we dit, overdenken we de essentie van de schepping, overdenken we de taak als mens in deze wereld onder de scherpe tonen van de sjofar, die ons herinneren aan en terugbrengen naar al de essenties. Het is heel moeilijk om dit in woorden weer te geven.

En ik sluit dit Rosj Hasjana-gedeelte af met Maimonides, de grote leraar, codificator en wijsgeer, die zegt in zijn beschouwingen over en richtlijnen voor tesjoewa: “Ofschoon het blazen op de sjofar een voorschrift van de Tora is zonder verklaring waarom, is er toch een aanduiding die zegt “Worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn, gewekt. Gaat nauwkeurig jullie daden na en keert terug tot de goede weg. Denk aan Hem Die jullie geschapen heeft, jullie, die de waarheid vergeten door de tijd aan nietigheden te verspillen en de jaren in ijdele leegheid door te brengen, die geen hulp en redding brengt. Wijd je eens aan zelfbeschouwing en verbeter je levenswijze en je daden, laat ieder van jullie de slechte weg en zijn minder goede gedachten verlaten.” Hilchot Tesjoewa 3 en 4.

 

Volgende gedeelte: DE TIEN DAGEN VAN INKEER

LAG BA`OMER

De 33e dag van de omertelling in de periode tussen Pesach en Shavoe`ot Ijar 18. Vrijdag 11 mei.

Lag Ba`Omer herinnert ons aan gebeurtenis die de duizenden studenten van de grote geleerde Rabbi Akiva overkwam. Zij werden getroffen door een epidemie als gevolg van respectloos gedrag onder elkaar. De epidemie stopte op Lag Ba`Omer. Daarom weten wij van Lag Ba`Omer dat het bestuderen van de Heilige Thora in goede kameraadschap, liefde en respect voor elkaar moet zijn.

Lag Ba`Omer herdenkt de beëindiging van de plaag onder de studenten van Rabbi Akiva; het wordt evenzo gehouden uit bijzonder respect en waardering (vooral onder chassidiem) als jaartijd, de gedenkdag van het heengaan van Rabbi Shimon Bar Yochai, die leefde in de tijd van de Romeinse overheersing van Israël en een eminent student van Rabbi Akiva was. Hij gaf de leer van de esoterische aspecten van de Thora over aan een selecte groep studenten en was de auteur van de Zohar (Het Boek van Uitstraling).

De Zohar werd het basiswerk van Kabbala en de basis voor de filosofie en Chassidische leer in het algemeen, gefundeerd door de Baal Shem Tov (1668- 1760) evenzo als Chabad Chassidisme uiteengezet door Rabbi Schneur Zalman van Laidi (1745-1813).

PARASHAT EMOR – LEVITICUS 21:1 24:23.

ZEG

“Jullie zullen heilig zijn” – heiligheid als een bereikbaar menselijk doel staat in het centrum van het boek Leviticus en van de hele Tora. AI de rest is commentaar: de details hoe we ons zelf daartoe voorbereiden en hoe we dat uitvoeren in ons leven.

Heiligheid is het joodse antwoord op bet probleem van het menselijke bestaan. De mensheid heeft er altijd op aangestuurd om aan het fysieke leven enige metafysische betekenis toe te kennen. Men voelde aan dat, al is de mens niet op een of andere manier meer dan menselijk, hij in elk geval niet minder is dan menselijk. Vandaar de pogingen om dit tijdelijke leven te overstijgen door kunst, eros, religie en onsterfelijkheid. Het jodendom onderricht dat het de heiligheid is die deze extra dimensie in ons leven brengt. Niet door uit het leven weg te vluchten, maar eerder door er naar te streven om “heilig te zijn” in deze wereld en in dit leven.

Vele van de wetten uitgestippeld in de Tora vormen tezamen een praktisch handboek voor elke dag dat aangeeft hoe leken en priesters een leven van heiligheid kunnen leven.

Op de achtergrond van de fascinering van de dood in oude (en nieuwe) godsdiensten, en in kontrast met hen die naar tempel en priesters opkijken om gelukzaligheid in het hiernamaals te verwerven, horen we vanuit de Bijbel het volgende gebod: “De Almachtige sprak tot Mozes: spreek tot de priesters, de zonen van Aharon. Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot” (Lev. 21, 1).

Dit gebod moet gezien worden tegen de achtergrond van de opzichtige en pompeuze verering van de doden in het oude Egypte dat het volk Israël recent had verlaten. Heel het leven in het oude Egypte was gecentreerd rond de dood. Een van de grootste bekommernissen was het bouwen van een “huis van eeuwigheid”, het gra£ Wanneer de dood kwam, voltrokken de priesters, goden en godinnen een reeks rituelen, processies en betoveringen om het lichaam op zijn juiste plaats te krijgen. De dode werd begraven met kleren, eetgerei, wapens en andere persoonlijke zaken. Bij de koninklijke begrafenissen van de eerste dynastie werden slaven gedood en begraven naast hun koning om hem in de komende wereld te dienen.

Uiteraard kon niet iedereen bij zulke gelegenheden de volledige “diensten” van de priester bekostigen. Het was een voorrecht dat voorbehouden bleef aan het koningshuis en de heel rijken. Begrafenissen waren “big business” voor tempel en priester en de uitgebreide dodenindustrie welke rond hen groeide.

De Israëlitische priester houdt zich niet alleen ver van dit alles, het is hem zelfs niet toegestaan dicht bij de dode te komen. Dit onderstreept het feit dat het niet zijn werk is om te zorgen voor de doden maar veeleer om leraar te zijn en te fungeren als model van heiligheid voor de levenden. Hij wordt “verontreinigd” door het contact met de dode, een praktijk die tot op de dag van vandaag van kracht is. Een traditionele jood die een cohen is mag een begraafplaats niet betreden en ook niet binnen gaan in een huis waar zich een lijk bevindt.

Om evenwel de suggestie te vermijden dat er een inherente demonische verontreiniging zou zijn binnen het menselijke lijk, waarvan de dienaren van de Almachtige zich ver moeten houden, komt de uitzondering die het licht werpt op de regel. De priester mag (moet, volgens de interpretatie van rabbi Akiva) zorg dragen voor de begrafenis van zeven van zijn familieleden: zijn vrouw, zijn vader en moeder, zijn zoon en zijn dochter, zijn broer en zijn zuster.

Zorg dragen voor de doden en erop toezien dat hun begrafenis plaatsheeft, wordt beschouwd als een primaire menselijke verplichting. Ook de coben kan zich niet verbergen achter zijn priesterkleding om zich aan zijn verantwoordelijkheden te onttrekken ten aanzien van zijn naasthestaanden of ten aanzien van een eenzame arme (met mitsva) voor wie niemand anders de moeite neemt om hem te begraven. Niet de dood verontreinigt de priester maar het verschuiven van het gewicht van zijn verantwoordelijkheden van de levenden naar de doden. Omwille van bet respekt voor het leven op deze aarde geldt het zorgdragen voor de doden als een heel hoge prioriteit in iemands religieuze verplichtingen. De begrafenis van de doden werd in de joodse traditie niet overgelaten aan professionele begrafenisondernemers die ruw zouden kunnen worden in de uitoefening van hun werkzaamheden. Elke joodse gemeenschap had een groep van vrijwilligers die het als een eerbiedwaardige plicht aanzagen om zorg te dragen voor de doden en hun naastbestaanden. Ze waren gekend als de chevra kaddisha, de heilige gemeenschap.

Ze beschouwden de dood niet als een fascinerend verschijnsel maar veeleer als iets dat tot het leven behoort en ons allen te wachten staat.

De begrafenissen in het oude Egypte duurden niet minder dan zeventig dagen. Zeventig dagen vol met een pompeuze ceremonie. In de joodse traditle is het zo dat hoe minder tijd er verloopt tussen de dood en de begrafenis, hoe beter. Hoe simperer de zaak, hoe meer aanbevelenswaardig. Het is een oude traditie in Jerusalem om de doden snel te begraven; men mag ze niet onbegraven laten, zelfs niet gedurende de nacht. Daarom worden gedurende de nacht begrafenissen gehouden als de dood laat op de dag intreedt. Er is geen bijzondere reden om de begrafenis uit te stellen.

De rabbi heeft zoals de vroegere priester geen bijzondere religieuze funktie bij de begrafenis. Hij “leidt” de overledene niet naar ziin eeuwige rustplaats. Zijn enige religieuze verplichting is het reciteren van kaddish, wat op geen enkele wijze een gebed voor de dode is, maar een oproep tot de levenden.

Kaddish is de grote uitzondering in de joodse liturgie omdat het gebed niet tot de Almachtige gericht is, maar tot het aanwezige publiek. In het kaddish wordt verklaard dat, zelfs op het moment van pijn en verlies, gekonfronteerd met de nederlaag van de dood, het doel van het leven in deze wereld de verheerlijking en heiliging van Gods naam is -“in deze wereld die Hij geschapen heeft volgens Zijn wil”, en dat het koninkrijk van de Almachtige kan gevestigd worden “in uw leven en in uw dagen en nog tijdens het leven van het hele huis van Israel, spoedig en gauw”.

Niet in het leven hierna moet Gods grote naam verheerlijkt en geheiligd worden (“de doden kunnen de Almachtige niet prijzen”, Ps. 115; vergelijk ook ibid., 30), maar in deze wereld en in dit leven.