PESACH

AHAVAT JISRAËL

EIGENBELANG OF GEMEENSCHAPPELIJKBELANG

Het onderwerp van deze sicha van de Rebbe, Rabbi Menachem M. Scheerson, bediscussieert de verantwoordelijkheid van elke Jood voor het fysieke en spirituele welzijn van anderen, zowel individueel als gemeenschappelijk. Het paradigma, het supreme voorbeeld van actieve verantwoordelijkheid en ware leiderschap, is onze grote leider Mozes, door het volgen van G’D’s directieven in het leiden van het Joodse Volk van slavernij naar vrijheid en in het dienst doen aan G’D.

“GA NAAR JULLIE VERANTWOORDELIJKHEDEN”

De Thora vertelt ons dat, toen in G’D’s opdracht Mozes en Aaron tegen de farao kwamen vragen om het Joodse Volk vrij te laten, “de Koning van Egypte hen antwoordde, ‘Mozes en Aaron, waarom verstoren jullie de natie? Ga naar jullie verantwoordelijkheden!’”

Bij de term ” jullie verantwoordelijkheden! ” bedoelde de Farao, hun persoonlijke inspanningen, niet het zwoegen en slaven van het Joodse Volk in het algemeen. Dit geeft aan dat de gehele stam Levie, de stam van Mozes en Aaron, was vrijgesteld van slavenarbeid die aan de rest van het Joodse Volk verplicht was opgelegd.

Nachmanides verklaart “dat het voor elke natie gebruikelijk was om Wijzen te hebben die anderen onderwezen in hun [inheemse] leerstellingen.” Ad loc.

Aan de stam van Levie was deze bijzondere status gegeven, en vrijstelling van werk omdat zij dienden als de “Wijzen en Oudsten” van het Joodse Volk. Toen de farao tegen Mozes en Aaron zei: “Ga naar jullie verantwoordelijkheden!,” bedoelde hij, naar hun rol als leraren van het Joodse Volk. De woorden van de farao impliceerden ook het argument dat Mozes en Aaron tevreden moesten zijn met hun eigen persoonlijke vrijheid en niet het volk moesten aanmoedigen om de wetten van het land te overtreden en te stoppen met hun werk. Het feit dat Mozes en Aaron te allen tijde vrij waren om het Joodse Volk te onderwijzen in de Thoratraditie, zou genoeg moeten zijn om hen tevreden te stellen.

De Zohar verklaart dat “de wijsheid van Egypte alle andere naties overtreft ( in die periode ).” Bovendien was de Farao zelf, een groot geleerde. ( Zohar Chadash II 52b )

Er ligt dus een belangrijke betekenis in de woorden van de farao. En inderdaad vertellen onze Wijzen ons dat de slavernij van Egypte zo zwaar was dat het “onmogelijk was voor een slaaf om te vluchten uit Egypte.” ( Mechilta, Exodus 18:11 )

Aangezien, volgens het Hemelse decreet, de tijdsduur van de verbanning in Egypte voor een periode van vierhonderd jaar zou zijn,( Genesis 15:13 ) dienden waarschijnlijk deze zware omstandigheden in Egypte als bestemming en volbrenging van dit decreet. Met als gevolg dat de Farao argumenteerde dat er geen enkele poging ten aanzien van de tijdslengte van de G’ddelijke verkondiging zou moeten worden gedaan. De slavernij was zo bepaald en moest continueren; Mozes en Aaron moesten zich bezighouden met aan hun toevertrouwde Thorastudie en onderwijzen.

DE ARGUMENTATIE VAN EEN VIJAND

Ondanks het feit dat dit een redelijk standpunt lijkt te zijn, moeten wij niettemin bewust zijn dat dit een argument van de Farao is, onze vijand. Had men zijn woorden geaccepteerd, dan was de mogelijkheid van vrijheid en verlossing van Egypte compleet verloren gegaan.

Want, zoals de grote mystieke leraar de Arizal het stelt, het was nodig dat de verlossing van het Joodse Volk in grote haast plaatsvond. Waren zij langer gebleven, zelfs maar voor een korte tijd, zouden zij totaal geabsorbeerd zijn geworden door het kwaad in Egypte en de mogelijkheid van vrijheid hebben verloren.

Ondanks dat de argumenten van de Farao logische lijken, zijn zij niet overweegbaar voor het Joodse Volk, met zijn mogelijkheid om de beperkingen van het menselijk intellect en de natuurlijke orde van dingen te boven te gaan. Ondanks het aanvankelijke decreet van slavernij voor vierhonderd jaar, besloot G’D de gang van de historische gebeurtenissen te versnellen door een verspringing teweeg te brengen om de verbanning te beëindigen. De bittere ervaring van slavernij, bij G’ddelijk decreet, eindigde sneller dan de Farao had aangenomen.

Deze gebeurtenis in onze historie heeft diepgaande implicaties voor elk persoon. Geen enkele Jood zou moet zwichten voor de veronderstelling dat iemand alleen maar bezorgd moet zijn voor zijn eigen welzijn en zekerheid en mag denken ” Ik heb mijn eigen ziel gered”. Noch moet hij zich overgeven aan het aannemelijk maken dat lesgeven van tijd tot tijd van Thora, de adequate betrokkenheid is met de spirituele noden van anderen. Waarom zou hij zich moeten bekommeren over de omvang van inachtneming van mitswa’s van andere Joden? Waarom zou hij proberen vast testellen of een Jood toegewijd is aan het dienen van G’D ofwel onderdanig is aan de autoriteit van een kwade Farao? Dit was namelijk de werkelijke argumentatie van de Egyptische Farao, welke radicaal door Mozes en Aaron werd verworpen.

HET UITBREKEN VAN EEN BRAND

We moeten de situatie vergelijken met het uitbreken van een brand in een huis. Niemand haalt het in zijn hoofd om te denken of hij hier wel of niet in betrokken zou willen worden. Ieder normaal mens zou proberen zo snel mogelijk te handelen in de vereiste hulpverlening om mensenlevens te redden. Als dit van toepassing is op fysieke veiligstelling, dan is het des te meer relevant dat beide, het fysieke en het spiritueel, veilig worden gesteld. Snelheid is essentieel, levens moeten gered worden.

Er is een diepzinnige schakel die alle Joden verbindt. Betreffende de aard van deze verwantschap, relayeert de zesde Lubavitcher Rebbe, Rabbi Josef Jitzchak, in naam van de Baal Shem Tov: De verplichting van liefde voor een mede- Jood is niet alleen relevant voor familieleden, vrienden en bekenden, maar strekt zich zelfs uit naar een Jood waar ook ter wereld, op een van wijze “zoals je je zelf lief hebt.” Juist zoals eigenliefde geen grenzen kent, zo moet een Jood onbegrensd betrokken zijn met zijn mede-Jood.

Rabbi Josef Jitzchak zei, dat het de fervente wens van de Mezritcher Maggid was dat hij een Sefer Thora zou willen kussen met het zelfde intense gevoel en liefde die zijn leraar, Rabbi Israel Baal Shem Tov, had voor zijn mede-Jood. Alhoewel de mitswa van Ahavat Jisraël [liefde voor een mede-Jood] een zware verplichting oplegt aan elke Jood, is ons niettegenstaande gezegd dat ” G’D Zijn schepping niet zal overbelasten.” ( Avodah Zara 3a )

Dus kunnen we er zeker van zijn dat G’D ons heeft begiftigd met de spirituele capaciteit om deze verantwoordelijkheid uit te voeren.

Maar het is noodzakelijk dat we zeer snel handelen, zelfs zonder enig uitstel. Juist zoals het in Egypte het geval was, blijft het Joodse Volk in verbanning, of verdient zij verlossing.

De verplichting van liefde en verantwoording voor iedere Jood heeft zeer diepgaande gevolgen, zelfs voor iemand wiens primaire bezigheid Thorastudie is, inbegrepen jesjiewastudenten en toegewijde leraren en geleerden. Men mag niet zelfingenomen zijn over persoonlijk prestatie en bekwaamheid, ten koste van anderen door onachtzaamheid. Aangezien alle Joden komah sheleimah zijn, één collectieve ziel, is een tekortschieting van een andere Jood, een vlek op de identiteit van de Thorageleerde. Zelfs een eminent persoon is geëffectueerd door tekortkomingen van personen die van een lager niveau zijn.

De Thora verklaart, ” Jullie staat vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D: jullie aanvoerders, jullie stamhoofden, jullie oudsten en jullie rechtsbeambten, alle mannen van Jisraël, jullie kinderen, jullie vrouwen, de vreemdeling bij jou die zich in je legerkamp bev
indt, zowel houthakker als waterschepper.” ( Deuteronomium 29,9-10 )

We moeten zeer bewust zijn van het feit dat we gezamenlijk voortdurend in de aanwezigheid van G’D staan.

De “houthakker en waterschepper” kunnen niet enkel en uitsluitend voor hun mogelijke tekortkomingen verantwoordelijk worden gesteld. Integendeel, de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de “hoofden der stammen.”

Hun argument, dat hun eigen zelfverbetering hun meest primaire belang is, is totaal onaanvaardbaar in Hemelse ogen.

Wanneer we geheel bewust en doordrongen zijn van onze “komah sheleimah,” één verenigde spirituele identiteit, zal ons dat motiveren om dienovereenkomstig te handelen, en van allen “één [perfecte] eenheid te maakt.”

We zullen dan de verdienste verwerkelijken “van het doen van UW ( G’D’s) Wil met heel het hart.”

In die tijd zal er de vervulling zijn van de Messiaanse openbaring van G’ddelijkheid: “op die dag is de Eeuwige EEN en ZIJN NAAM is EEN.” ( Zecharia 14,9 )

Likkutei Sichot, Vol. 16, pp. 29-32

Chag Sameach ve Shabbat Shalom Chol Hamoëd  Pesach 

POERIEM – HET BOEK ESTER

Het boek Ester behoort tot de laatste boeken van Tenach. Onder Tenach verstaan we de Hebreeuwse Bijbel. Het is een kunstmatig gevormd woord, dat uit de beginletters van Thora, Newie'iem en Ketoewiem bestaat. Thora zijn de vijf boeken Mozes, ook wel Pentateuch genaamd. Newie'iem zijn de Profeten en Ketoewiem de Geschriften. Het boek Ester wordt in het hebreeuws de megillat Ester genoemd. Megilla = rol, status constructus megillat = rol van. In Tenach kennen we vijf rollen, de zg. chameesj megillot. Wanneer we over de megilla spreken, bedoelen we de megillat Ester.

Alleen op de rol van Ester rust de verplichting de tekst van de rol te Iezen. Voor de overige rollen bestaat dit voorschrift niet. Ester wordt in de synagoge met Poeriem (Lotenfeest) gelezen. Feest en inhoud van de rol zijn één. Ook hierin verschilt deze megilla van de anderen, want alhoewel ook deze rollen een maal per jaar in de synagoge worden gelezen, heeft de inhoud van de rol geen betrekking op de feestdag waarop hij wordt gelezen.

Men leest: Sjier hasjieriem (Hooglied) op Pesach (Pasen), Ruth op Sjawoe'ot (Wekenfeest), Eecha (Klaagliederen) op Tisja be'Aw (Verwoesting van de Tempel) en Kohelet (Prediker) op Soekkot (Loofhuttenfeest) .

Het boek Ester is pas in de eindfase van de afsluiting van de kanon hierin opgenomen.In ongeveer 100 na het begin van de jaartelling hebben de geleerden van Jamnia een definitieve beslissing genomen.

Alhoewel voor de geleerden van Talmoed en Midrasj de historiciteit van het boek boven iedere twijfel verheven moet zijn geweest, hebben ongetwijfeld een aantal negatieve factoren een rol gespeeld, waardoor opname in de kanon op fel verzet van bepaalde groeperingen is gestuit. Dat er tenslotte na opname een hele massechta (tractaat) in de Misjna aan de megilla is gewijd, kan alleen vanuit dit verzet verklaard worden.

In het Talmoed-tractaat Megilla 7-a is de discussie gaande over het al dan niet verontreinigd worden van de handen door de megillat Ester. Aanvankelijk wordt Ester beschouwd als niet verontreinigend.

In de Misjna wordt in het tractaat Megilla (hoofdstuk Mo'ed) nauwkeurig voorgeschreven hoe en wanneer de megillat Ester moet worden gelezen.

De lezing vindt in de synagoge plaats op de avond van de 14e Adar. Voor ommuurde steden zoals Jeruzalem op de 15e Adar (Poeriem Sjoe 'an). De volgende ochtend vindt de Iezing voor de tweede maal plaats.

De kinderen hebben de gewoonte om tijdens het voorlezen, telkens als de naam van Haman wordt genoemd, met een ratel lawaai te maken, het zogenaamde Haman kloppen. De melodie waarop de voorlezing plaats vindt, is traditioneel bepaald en verschilt van gemeenschap tot gemeenschap. Wanneer in hoofdstuk 9,7-10 de namen van de tien zonen van Haman worden opgesomd, die aan de galg moeten hangen, gebeurt dit in een, ononderbroken adem, omdat ze samen werden opgehangen.

De dag, voorafgaand aan de lezing van de megilla Is avonds, is een vastendag – Taaniet Ester. Dit is in overeenstemming met het voorschrift, dat in megillat Ester . 4, 16 staat. In de megillat Ester staan nog een aantal voorschriften, die kenmerkend zijn voor het Poeriemfeest: het sturen van goede gaven aan vrienden en bekenden

-misjloach manot (E. 9, 19) en het geven van geschenken aan de armen-matanot le'ewjoniem (E. 9, 22). De misjloach manot zijn meestal lekkernij en vruchten. De geschenken aan de armen vinden tegenwoordig uitdrukking in een bijdrage aan een goed doel.

Het einde van Poeriem wordt met een feestelijke maaltijd gevierd, waarbij het voorschrift geldt zoveel te drinken, dat je het verschil tussen de vervloekte Haman en de gezegende Mordechai met meer weet (adlojada). In Israël wordt met Poeriem een optocht van verklede kinderen door de straten gehouden.

Alhoewel het Poeriemverhaal niet in Israel speelt en Ester met een niet-joodse koning trouwde, is het Poeriemfeest niet alleen erg populair geworden, maar ook belangrijk. De grote wijsgeer Maimonides heeft gezegd, dat als de herinnering aan ons lijden zou worden uitgewist, Poeriem toch zou blijven bestaan en als alle feestdagen worden afgeschaft, zullen de Poeriemdagen blijven bestaan (Hilchot Megilla 2, Halacha 18).

Vanaf de 17e eeuw heeft men schitterende illustraties gemaakt bij de megillat Ester. De oudste versierde megillot stammen ult Italië.

De naam Poeriem stelt ons voor een probleem. Het woord 'poer' komt alleen in Ester voor en het zou van het akkadische puru afgeleid kunnen zijn. De meest voor de hand liggende verklaring is, dat het lot betekent. Men wierp het lot om na te gaan wat voor een bepaalde gebeurtenis de meest geschikte dag was. De nederlandse vertaling is dan ook Lotenfeest.

Hier volgt de diepere Chassidische verhandeling met betrekking tot de naam Poeriem die wij publiceerden op onze website in 2002, voor al diegenen die zich het afgelopen jaar op onze nieuwsbrief hebben geabonneerd.

EEN VROLIJK EN GOED POERIEM

POERIEM 5763 – 2003

HET BOEK ESTER

Het boek Ester behoort tot de laatste boeken van Tenach. Onder Tenach verstaan we de Hebreeuwse Bijbel. Het is een kunstmatig gevormd woord, dat uit de beginletters van Thora, Newie’iem en Ketoewiem bestaat. Thora zijn de vijf boeken Mozes, ook wel Pentateuch genaamd. Newie’iem zijn de Profeten en Ketoewiem de Geschriften. Het boek Ester wordt in het hebreeuws de megillat Ester genoemd. Megilla = rol, status constructus megillat = rol van. In Tenach kennen we vijf rollen, de zg. chameesj megillot. Wanneer we over de megilla spreken, bedoelen we de megillat Ester.

Alleen op de rol van Ester rust de verplichting de tekst van de rol te Iezen. Voor de overige rollen bestaat dit voorschrift niet. Ester wordt in de synagoge met Poeriem (Lotenfeest) gelezen. Feest en inhoud van de rol zijn één. Ook hierin verschilt deze megilla van de anderen, want alhoewel ook deze rollen een maal per jaar in de synagoge worden gelezen, heeft de inhoud van de rol geen betrekking op de feestdag waarop hij wordt gelezen.

Men leest: Sjier hasjieriem (Hooglied) op Pesach (Pasen), Ruth op Sjawoe’ot (Wekenfeest), Eecha (Klaagliederen) op Tisja be’Aw (Verwoesting van de Tempel) en Kohelet (Prediker) op Soekkot (Loofhuttenfeest) .

Het boek Ester is pas in de eindfase van de afsluiting van de kanon hierin opgenomen.In ongeveer 100 na het begin van de jaartelling hebben de geleerden van Jamnia een definitieve beslissing genomen.

Alhoewel voor de geleerden van Talmoed en Midrasj de historiciteit van het boek boven iedere twijfel verheven moet zijn geweest, hebben ongetwijfeld een aantal negatieve factoren een rol gespeeld, waardoor opname in de kanon op fel verzet van bepaalde groeperingen is gestuit. Dat er tenslotte na opname een hele massechta (tractaat) in de Misjna aan de megilla is gewijd, kan alleen vanuit dit verzet verklaard worden.

In het Talmoed-tractaat Megilla 7-a is de discussie gaande over het al dan niet verontreinigd worden van de handen door de megillat Ester. Aanvankelijk wordt Ester beschouwd als niet verontreinigend.

In de Misjna wordt in het tractaat Megilla (hoofdstuk Mo’ed) nauwkeurig voorgeschreven hoe en wanneer de megillat Ester moet worden gelezen.

De lezing vindt in de synagoge plaats op de avond van de 14e Adar. Voor ommuurde steden zoals Jeruzalem op de 15e Adar (Poeriem Sjoe ‘an). De volgende ochtend vindt de Iezing voor de tweede maal plaats.

De kinderen hebben de gewoonte om tijdens het voorlezen, telkens als de naam van Haman wordt genoemd, met een ratel lawaai te maken, het zogenaamde Haman kloppen. De melodie waarop de voorlezing plaats vindt, is traditioneel bepaald en verschilt van gemeenschap tot gemeenschap. Wanneer in hoofdstuk 9,7-10 de namen van de tien zonen van Haman worden opgesomd, die aan de galg moeten hangen, gebeurt dit in een, ononderbroken adem, omdat ze samen werden opgehangen.

De dag, voorafgaand aan de lezing van de megilla Is avonds, is een vastendag – Taaniet Ester. Dit is in overeenstemming met het voorschrift, dat in megillat Ester . 4, 16 staat. In de megillat Ester staan nog een aantal voorschriften, die kenmerkend zijn voor het Poeriemfeest: het sturen van goede gaven aan vrienden en bekenden-misjloach manot (E. 9, 19) en het geven van geschenken aan de armen-matanot le’ewjoniem (E. 9, 22). De misjloach manot zijn meestal lekkernij en vruchten. De geschenken aan de armen vinden tegenwoordig uitdrukking in een bijdrage aan een goed doel.

Het einde van Poeriem wordt met een feestelijke maaltijd gevierd, waarbij het voorschrift geldt zoveel te drinken, dat je het verschil tussen de vervloekte Haman en de gezegende Mordechai met meer weet (adlojada). In Israël wordt met Poeriem een optocht van verklede kinderen door de straten gehouden.

Alhoewel het Poeriemverhaal niet in Israel speelt en Ester met een niet-joodse koning trouwde, is het Poeriemfeest niet alleen erg populair geworden, maar ook belangrijk. De grote wijsgeer Maimonides heeft gezegd, dat als de herinnering aan ons lijden zou worden uitgewist, Poeriem toch zou blijven bestaan en als alle feestdagen worden afgeschaft, zullen de Poeriemdagen blijven bestaan (Hilchot Megilla 2, Halacha 18).

Vanaf de 17e eeuw heeft men schitterende illustraties gemaakt bij de megillat Ester. De oudste versierde megillot stammen ult Italië.

De naam Poeriem stelt ons voor een probleem. Het woord ‘poer’ komt alleen in Ester voor en het zou van het akkadische puru afgeleid kunnen zijn. De meest voor de hand liggende verklaring is, dat het lot betekent. Men wierp het lot om na te gaan wat voor een bepaalde gebeurtenis de meest geschikte dag was. De nederlandse vertaling is dan ook Lotenfeest.

Hier volgt de diepere Chassidische verhandeling met betrekking tot de naam Poeriem die wij publiceerden op onze website in 2002, voor al diegenen die zich het afgelopen jaar op onze nieuwsbrief hebben geabonneerd.

EEN VROLIJK EN GOED POERIEM

POERIEM

Er is iets vreemds aan de naam Poerim. Ten eerste, het is een Perzische naam (betekenend "Loten" de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen tegen de Joden). En ten tweede, refereert het eerder aan het gevaar waarmee de Joden geconfronteerd werden, dan naar hun eventuele redding. Bovendien is de Megilla, het boek Ester, uniek onder de boeken van Tenach door op geen enkele manier de naam van G’D te noemen. Al dit suggereert dat Poerim een symbool is van "versluiering" of "verhulling" van het gezicht van G’D. De naam "Ester" zelf gerelateerd aan het Hebreeuwse woord "Ik zal verhullen" wat voorkomt in Devariem waar G’D zegt "Ik zal Mijn gezicht zeker verhullen." En toch is Poeriem een viering van een mirakel, een openbaring van G’ddelijke voorzienigheid. De verhandeling, met het oplossen van deze ogenschijnlijke contradictie, onderzoekt het idee van een mirakel en hetzij een natuurlijke of een onnatuurlijke gebeurtenis. De onderliggende vraag van het modern denken in het bijzonder is ; betekent de verdwijning van de bovennatuurlijke openbaring dat het tijdperk van mirakels voorbij is?

1. POERIEM EN HET HEDEN

"Als iemand de Megilla leest in de verkeerde volgorde (letterlijk, van achter naar voren), heeft hij zijn verplichting niet vervuld." (Mishna Megilla, beg. Hfst.2)

De Baal Shem Tov (gequoteerd in Divrei Shalom, Parashat Bo ) legt uit dat dit refereert aan een persoon die de Megilla leest maar gelooft dat wat het verhaal zegt alleen een gebeurtenis van het verleden is ( dat wordt bedoeld met van achter naar voren, als een retrospectieve beschrijving ) en dat het mirakel van Poeriem niet het heden verdraagt.

Zo een persoon heeft zijn verplichting niet vervuld, want het doel van het lezen van de Megilla is, hoe een Jood moet leren zich te gedragen in het heden.

Als dit van toepassing zou zijn op elk vers van de Megilla en de Megilla als geheel, richt het zich niettemin toch meer tot het vers welk verklaart hoe het Poeriemfeest zijn naam heeft verworven.

Want een naam voor iets is een essentieel teken van zijn karakter.

En de innerlijke betekenis van het lezen het vers, welk ons verteld van Poeriem alsof het zich alleen richt op het verleden, mist zijn eeuwig zijnde boodschap aan Israël en de Jood.

2. DE NAAM VAN POERIEM

Het vers ( Ester 9, 26 ) zegt: Daarom noemen zij de dagen Poeriem ( loten )de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen om de Joden te vernietigen.

Het woord "Poer" is geen Hebreeuws maar Perzisch (Ibn Ezra op Ester 3, 7). Dus de Tenach, wanneer zij het aanhaalt, vertaalt in het Hebreeuws: "Poer: dat is, de Goral (lot
)". (Ester 9, 24) Waarom dan wordt het feest genoemd bij de Perzische naam, Poeriem, in plaats van de Hebreeuwse equivalent, Goralot? Alle andere feesten, inclusief Chanoeka ( de andere die geïnstitueerd door Rabbijnen) hebben Hebreeuwse namen.

Er is nog een ander enigma. De andere feesten herinneren aan mirakels van verlossing en noemen de feiten bij hun namen. Poeriem, in plaats dat het genoemd wordt naar de verlossing van Haman’s decreet, is daarentegen genoemd naar het gevaar zelf. De loterij waarbij Haman de dag vaststelde met de intentie "om hen te verteren en te vernietigen," G’D verbiedt.

3. DE NAAM VAN G’D

Een ander bijzonder kenmerk in de Megilla, het boek van Ester is, dat de naam van G’D er niet in wordt genoemd. Alle andere boeken van Tenach bevatten vele malen de naam van G’D. Deze zeer opmerkelijke omissie is suggestief voor een extreme verhulling.

Iedere Jood, zelfs wanneer hij spreekt over seculaire aangelegenheden zou als een vertrouwd iets de "de naam van G’D op zijn lippen " moeten hebben. Zeker wanneer hij schrijft, ook over seculaire zaken, is het een universeel gebruik (en een Joods gebruik als deel van de Thora) met de afgekorte letters van de woorden "Met G’D’s zegen," "Met Hemelse hulp", of zoiets dergelijks te beginnen (zie geheel bovenaan ). Het is daarom zeer opmerkelijk dat de naam van G’D in èèn van de boeken van de Tenach geheel verstoken is.

4. VERHULLING EN OPENBARING

Zoals reeds boven is aangehaald is de diepere betekenis van iets een aanduiding voor zijn naam. De naam Ester suggereert de verhulling die we aantreffen in de Megilla. "Ester" komt van de zelfde stam als "Hester", (verbergen). En inderdaad zinspeelt het op een dubbele verberging, aangegeven in de Thora? In het vers (Devariem 31, 18) Ik zal verbergen, ja verbergen Mijn gezicht. " Maar zo is ook openbaring impliciet in de naam Megilla Ester, want Megilla betekent "openbaring".

(Thora Or, 119a, citerend Pri Etz Chayim)

Zoals we in de titel van het boek twee contradicties kunnen onderscheiden, verhulling (Ester) en openbaring ( Megilla ), kunnen we dat ook in het feest zelf. Aan de ene kant ligt het idee van verhulling achter de naam van Poeriem, een Perzisch woord, en een met de link naar het decreet tegen de Joden. En van de andere kant is het een feest

welke in zijn wijze van viering alle andere te boven gaat en zelfs zover dat men dronken moet worden tot aan "men niet meer het verschil kan onderscheiden tussen "Gezegend zij Mordechai en "Vervloekt zij Haman" ( Megilla 7b ), een viering zonder limiet.

5. DE HANDELINGEN VAN ESTER EN MORDECHAI

Om deze ogenschijnlijke contradicties te begrijpen moet men een zeer speciaal karakter in acht nemen.

In de tijd van Haman’s decreet, had het Joodse volk hooggeëerde vertegenwoordigers aan het koninklijke hof. Mordechai was gewoon te "zitten aan de poort van de Koning", (Ester 2,19) en onze geleerden vertellen ons, "en werd geconsulteerd door Achasferos om advies". (Megilla, 13a) Bovendien had hij het leven van de Koning gered. (Ester 2, 21:23) Ester was koningin en vond "gunst en genegenheid in zijn aanblik ", (Ibid 2,17) Vanuit dit gezichtspunt, toen de Joden hoorden van het decreet, zou men veronderstellen dat zij als allereerste gebruik zouden maken van deze vertegenwoordigers om te proberen invloed uit te oefenen op Achasferos om het teniet te doen. Maar we zien in de Megilla dat Mordechai’s eerste handeling was dat hij "zichzelf hulde in zak en as en naar het midden van de stad ging" (Ibid 4,1). Hij bekeerde zich tot berouw, en verzocht bij de overige Joden dit eveneens te doen. (Ibid 4,3) Daarnaar pas zond hij Ester "naar de Koning om bij hem voor haar volk te smeken en te pleiten." (Ibid 4,8)

Ester gedroeg zich op de zelfde wijze. Toen het nodig werd voor haar om naar de Koning te gaan, verzocht zij Mordechai als eerste "Ga en verzamel alle Joden ……en zij zullen voor mij vasten , noch eten noch drinken voor drie dagen en nachten." (Ibid 4, 18) Ester voegde hier aan toe, mijzelf inbegrepen: "Ik zal eveneens vasten."

Het schijnt voor haar essentieel om gunst te vinden in de ogen van Achasferos. Haar binnenkomen in het hof van de Koning was "niet volgens de wet." (Ibid 4,18) Het houdt een dodelijk risico in:" iedereen…die zal komen in het binnenhof van De Koning en niet is geroepen, zal ter dood staan door wet," ( Ibid 4, 11) Ester kon niet geheel zeken zijn van koninklijke gunst : " Ik ben niet ontboden….de laatste dertig dagen".

(Ibid 4,11) Als dat zo is, hoe komt zij te overwegen om drie achtereenvolgende dagen te vasten, een handeling die normaal zou resulteren in het afnemen van haar schoonheid?

6. OORZAAK EN WERKING

De reden is dat Mordechai en Ester absoluut zeker waren dat Haman’s

decreet niet een historisch accident was, maar een falend gevolg binnen het Joodse volk. (Ram Bam, Hilchot Taaniot 1,2-3) Aangezien men niet geheel een effect (decreet) kan verwijderen zonder de oorzaak te vernietigen, daarom was hun eerste handeling het bijeen roepen van het Joodse volk voor berouw en vasten. Het was niet een ongedefinieerde oproep: het articuleerde naar een specifieke zonde die moest worden gerectificeerd.

De Midrash (Jalkoet Shimoni, Ester,begin hfst.5) becommentarieert Ester’s woorden "en zij zullen vasten voor mij en noch eten en drinken,"met "jullie vasten omdat jullie aten en dronken aan het feest van Achasferos."

Zij wendde zich toen tot Achasferos met het verzoek om annulatie van het decreet, omdat dat G’D er naar verlangt de mens te zegenen "door alles wat je doet " op een natuurlijke wijze. Het gaan naar Achasferos was een wijze (en niet meer dan dat) om een Goddelijke voorzienigheid mogelijk te maken via de natuurlijke kanalen. De ware reden van de verlossing lag niet in de beslissing van de Koning, in vasten en berouw van de Joden. Dus ondanks dat Mordechai en Ester natuurlijke betekenissen gebruikten, lag de nadruk van hun bezorgdheid in de onderliggende spirituele oorzaken.

7. NATUURLIJKE EN BOVENNATUURLIJKE ZEGENINGEN

De achterliggende moraal is duidelijk. In een periode van tegenspoed zijn er, die geloven dat de eerste en cruciale stap om te proberen de situatie bestrijden, op een natuurlijke wijze moet zijn. De Megilla leert het tegengestelde : dat de beginhandeling van iemand moet zijn het versterken van de band met G’D, door leren het van Thora en het in acht nemen van de Mitswot. Alleen dan pas moet men zoeken naar fysieke kanalen door welk de verlossing kan vloeien. Als men op deze wijze handelt, zal iemands verlossing bovennatuurlijk zijn, in welk natuurlijke uiterlijk manifestatie dan ook.

Dit geldt voor beide, de individueel en de gemeenschap. De Jood is overtuigd van het besef dat hij is verbonden met G’D en dat G’D niet gebonden is aan de natuurlijke grenzen, zelfs als Hij Zijn zegeningen zend in de vorm van natuurlijke gebeurtenissen. De Mens moet dit kanaal voorbereiden "door alles wat je doet. " Maar aangezien dit niet meer dan een kanaal is, moet zijn voornaamste streven van voorbereiding, om de Goddelijke zegen te ontvangen, zijn, het leren en het vervullen van de Thora.

De inspanning door de natuurlijke betekenis is analogisch aan het uitschrijven van een cheque, die geen enkele waarde heeft als hij niet is gedekt door geld op de bank De spirituele handelingen is het "geld"

Mogelijkerwijs denkt men dat dit alleen van toepassing was op de periode van tijd dat G’D’s aanwezigheid zich manifesteerde: m.a.w. nu dat het Joodse volk in verbanning
is (de Babylonische), in een staat van extreme duisternis, in plaats van openbaring, zou men wellicht denken dat G’D zijn voorzienigheid zou hebben toevertrouwd aan het domein van de natuurwetten.

Poeriem weerlegt deze twijfel. Want het mirakel van Poeriem vond plaats toen de Joden in verbanning waren, "verstrooid onder de volkeren" (Ester 3,8). Evenmin beëindigde het achteraf de verbanning. Maar de verlossing kwam, niet door natuurlijke oorzaken, maar doordat de Joden drie dagen vasten.

Dit verklaard waarom Poerim in zijn Perzische naam verhulling suggereert, genoemd na verwezenlijking van het decreet van Haman en in de Megilla te zijn verstoken van G’D’s naam. Het is het thuis brengen van de waarheid dat de Jood niet is gebonden aan de natuurlijke wetten, niet alleen in zijn spirituele leven en niet in zijn omgang met zijn mede Joden, maar zelfs ook in zijn relatie met de seculaire wereld: Wanneer hij is gedwongen een andere taal te spreken, wanneer decreten uitgevaardigd zijn tegen hem, wanneer hij bang is om G’D’s te schrijven, in zaken dat het ontwijdend is. (Shoelchan Aroech, Orach Chaim, hfst.156. In de diepste verhulling, vindt men openbaring. In de Naam Megilla Ester, naast Ester (verhulling) is Megilla (openbaring) In de loting ( Poeriem) vindt men het symbool van het onvoorstelbare, het bovennatuurlijke. Wanneer G’D zegt, "Ik zal verhullen, ja Ik zal Mijn gezicht verhullen," zegt Hij " Ondanks dat mijn gezicht is verborgen, kan je de "Ik" bereiken, Ik als Ik ben boven alle namen". (Likkoetei Thora Pinchas, 80b) En zoals de laatste verlossing kracht geeft voor de volgende verlossing, zo zal vanuit Poeriem de Messiaanse tijd vloeien,

Wanneer verhulling zal worden gekeerd door openbaring, en "nacht zal schitteren als de dag" (Psalmen 139, 12).

CHANOEKA 5763, 25 KISLEW, VRIJDAGAVOND 29 NOVEMBER 2002

“WAT IS CHANOEKA?”

De Rabbijnen leerden: “Op de vijfentwintigste dag van de maand Kislew beginnen de acht dagen van Chanoeka. Toen de Grieken de Heilige Tempel binnendrongen, ontwijdden zij de olie. Toen heersers van het Huis der Chashmoneën er in slaagden de overhand te verkrijgen en hen te verslaan, werd de Heilige Tempel onderzocht, maar er was maar één flacon met olie, voorzien van het zegel van de Hoge Priester, intact. Deze hoeveelheid was jammer genoeg maar voor één dag. Een wonder vond plaats, de hoeveelheid reikte maar voor acht dagen. Het daarop volgende jaar werden deze dagen als feestdagen ingesteld [gevierd door het reciteren van Hallél, psalmen 113 t/m 118, en lofzangen van dank]. (Shabbat, 21b)

Rashi verklaart de vraag uit de Gemara, (Gemara of Talmoed: Verzameling van verklaringen op de Mishna, de mondelinge Thora) “Wat is Chanoeka?”

De Gemara verlangt te weten, zegt Rashi, welke miraculeuze gebeurtenis verantwoordelijk was voor de feestdag. De Rabbijnen leren dat de vijfentwintigste Kislew het begin is van de acht dagen Chanoeka [zoals boven is genoemd en welke we nu uitvoerig zullen behandelen].

Alle rituele items die werden gebruikt in de Heilige Tempel, moesten eerst worden onderworpen aan een nauwkeurige inspectie om zeker te zijn dat zij geen onvolkomenheden bezaten.

De [dieren en vogels gebruikt voor] offergave’s moesten volkomen gezond zijn, zonder enige twijfel. Het hout wat werd gebruikt op het altaar moest compleet vrij zijn van wormen en verrotting. De verschillende soorten meel voor offers moesten uiterst nauwgezet worden gezeefd. De wijn die gebruikt werd in combinatie met de verschillende offers moest vrij zijn van bezinksel en de olie voor de menora moest van de hoogste en meest selecte kwaliteit zijn.

Aangaande de olie, zegt de Thora, (Exodus 27:20) dat het zach en kosis moet zijn. De Gemara verklaart,( Menachos 86b ) dat zach puur betekent en kosis geperst. Er zijn negen gradaties die uit olie gewonnen kunnen worden, waarvan alleen de drie fijnste voor de menora werden gebruikt. (Menachos 29a)

Daarvoor was olie een van de meest kostbare items in de Heilige Tempel.

Zoals bekend, mochten al deze vier items, meel, wijn, olie en gebruiksvoorwerpen niet in contact komen met ritueel onreine objecten of personen [want bij contact met het onreine zouden zij ongeschikt worden voor de Tempeldienst.] Daarom werd de geselecteerde olie voor de menora in speciale afgesloten flacons bewaard, die afzonderlijk werden voorzien van het zegel van de Hoge Priester. Vervolgens werden de flacons op een speciale plaats opgeslagen.

Toen de Grieken Jeroeshalajiem veroverden en de Heilige Tempel in beslag namen (mag het spoedig in onze dagen worden herbouwd, Amein) ontwijdden zij alle olie die zij vonden. Toen de Chashmoneën, met G’D’s hulp, de Grieken overwonnen, vonden zij van alle flacons die geprepareerd waren voor gebruik van de menora, nog maar één die voorzien was met het priesterzegel.

Tosafot verklaart, (Verzameling van verklaringen op de Talmoed van geleerden, die leefden tussen 1105 en 1250) deze éne flacon was onder de grond begraven, dat bewijst dat het niet is aangeraakt door de Grieken. De hoeveelheid olie in deze enig overgebleven flacon was maar voor een dag toereikend, maar G’D maakte het mogelijk dat de menora acht dagen kon branden, lang genoeg om nieuwe olie te produceren. Vanwege dit grote mirakel werden de acht dagen, beginnend op de vijfentwintigste dag van de maand Kislew ingesteld als feestdagen met als kenmerk, het reciteren van Hallél, psalmen 113 t/m 118, en lofzangen van dank aan G’D.

De strijd met de Grieken was [meer] spiritueel [dan fysiek]. Het was anders dan een oorlog om territorium of economische redenen, slaven ,plunderen enz. De Grieken waren uiterst beschaafd en ontwikkeld en beschouwden de Thora als een zeer hoogstaand geschrift. Zij respecteerden de hoge intellectuele capaciteit van Joden om zo’n wijsgerig gegeven te kunnen verwerken. De Grieken bewonderden zelfs vele mitswot die de Joden in acht namen. Niettemin waren zij ontzagwekkende ketters door het bestaan van G’D te ontkennen en het goddelijke en heilige van Thora en mitswot.

De Midrash legt uit: (Tachoema, Choekat 8) Een dood lichaam [rationeel] ontwijdt iets niet, evenmin doet water [logisch] zuiveren.

Echter zegt G’D, “Ik heb het zo verordend en Ik heb het ingesteld; het is je niet toegestaan om Mijn verordeningen te overtreden.”

Er is geen logische reden waarom een mikwe (ritueel bad) zou zuiveren; het is een G’ddelijke verordening, daarom mogen Joden niet op een andere manier handelen. Want de Thora is niet alleen om het hoogst intelligente [voor mensen], maar representeert G’D’s intellect en wil, welke het menselijke bevattingsvermogen te boven gaat.

SIMCHAT THORA, HET AFRONDEN VAN DE THORA

HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM OOK DE GEDETAILLEERDE UITLEG OVER SOEKOT, SHEMINIE ATZERET EN SIMCHAT THORA TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE ONDER ARCHIEF, LEZINGEN EN ARTIKELEN.

SIMCHAT THORA

HET AFRONDEN VAN DE THORA

In de volgende verhandeling bestudeert de Lubavitscher Rebbe, Rabbijn Menachem M. Sneerson de relatie tussen de Thoralezing op Simchat Thora en de feestdag op zich. Daar de laatste woorden van de Thoralezing refereren aan de ogenschijnlijk negatieve gebeurtenis van het breken van de Stenen Tafels.

De vraag is waarom de lezing van Wezot HaBeracha was gekozen voor de culminerende feestdag van de maand Tishri. Het antwoord ligt, zoals wij reeds eerder hebben gezien in de vorige lezingen, in de gunstige omstandigheid van het dienstdoen van Teshoewa.

DE GRONDGEDACHTEN VOOR DE THORALEZING OP SIMCHAT THORA

Maimonides, gebaseerd op bronnen in de Talmoed, verklaart, dat de Thoralezing van elke feestdag een thematisch verbinding vormt met deze feestdag, en dat deze procedure is bepaald door Mozes.

Vervolgens noemt Maimonides één voor één de Thoralezingen op voor de verschillende feestdagen. In de verhandeling van Soekot verklaart hij, ” Bij de afrondende dagen wordt Kol habechor gelezen en de tweede dag Wezot HaBeracha“.1 Dus het schijnt dat er een thematisch verbinding is tussen Wezot HaBeracha, de afronding van de Thora, en de tweede dag van Sheminie Atzeret ( Simchat Thora ).

Er worden verschillende redenen aan gegeven door de commentatoren: “Om het einde van alle feestdagen te verbinden met de zegen die Mozes gegeven heeft aan het Joodse volk”;2 of “Om de vreugde te doen samenkomen van het afronden van de Thora met de vreugde van de feestdag”; of “Om de zegen van Koning Solomon ( de Haftora van Sheminie Atzeret, Profetenlezing na de Thoralezing ) te verbinden met de zegen van Mozes”;3 Maar wat is dan de connectie tussen de Thoralezing van Wezot HaBeracha en de feestdag Sheminie Atzeret?

DE UITZONDERLIJKE NATIE

De Talmoed geeft aan dat de totale som van zeventig stieren, geofferd tijdens Soekot corresponderen met de zeventig naties van de wereld.4 De enkele stier gebracht op Sheminie Atzeret is echter equivalent aan het Joodse Volk, de afgezonderde natie.

Sheminie Atzeret drukt dus de uniekheid uit van het Joodse Volk, hun apart staan ten aanzien van de andere volkeren.

Kortom, zou je de connectie tussen de Thoralezing van Wezot HaBeracha en de feestdag van Sheminie Atzeret op een Midrash basis als volgt kunnen uitleggen. De Midrash, commentariërend de beginversen van Wezot HaBeracha “De Eeuwige kwam van Sinaï, etc” zegt,5 dat G’D de Thora oorspronkelijk aanbood aan de naties van Esau, Ishmaël, en inderdaad ook aan alle andere volkeren van de wereld. Zij weigerden de Thora te accepteren omdat in elk opzicht de hoge standaards van de Thora hun ongepast gedrag, die zij inherent vonden aan hun nationale identiteit, zou aantasten en beperken.6 Alleen het Joodse Volk, de “afgezonderde natie” ( wat door Sheminie Atzeret wordt uitgedrukt ), was bereid om de Thora te accepteren.

SHABBAT SHALOM EN GOED JOM TOV.

Noten:

1. Maimonides: Hilchot Tefila 13:8, etc. Zie Megila 31b.

2. Zie Ran op Megila 31b.

3. Zie Mahzor Vitri, Sectie 385.

4. Soeka 55b.

5. Sifri, Deut. 23:2.

6. Sifri en Rashi op Deut. 33:2, Zohar III 192b.

SOEKOT, LOOFHUTTENFEEST

HET IS HOOGST AAN TE BEVELEN OM OOK DE GEDETAILLEERDE UITLEG OVER SOEKOT TE BESTUDEREN OP ONZE WEBSITE ONDER ARCHIEF, LEZINGEN EN ARTIKELEN.

SOEKOT

LOOFHUTTENFEEST

G’D DIENEN MET VREUGDE

Deze verhandeling levert een origineel concept op vanuit een gedetailleerde analyse van Maimonides’ tekstuele formalisering in Mishné Thora van de mitswa van “vreugde” op Soekot in de Heilige Tempel.1

Hij geeft aan dat, in essentie, de verplichting van ” Verheugen jullie je vóór de Eeuwige, jullie G’D”2 niet een gesepareerde mitswa is, maar eerder een intensivering van de algemene verplichting van simcha, wat gerelateerd is aan alle Joodse Feestdagen, zoals is aangegeven in het vers “En je zult blij zijn op je feestdagen”.3 Inderdaad, in zijn Sefer Hamitswot, telt Maimonides de simcha van Soekot als een gesepareerde opdracht, maar brengt het onder de algemene verplichting van “En je zult je blij zijn op je feestdagen”.4

DE IDENTITEIT VAN DE FEESTVIERDERS

Maimonides schrijft5 met betrekking tot Simchat Beit Hasho’eiva, de speciale feestviering die plaatsvond in de Tempel:

Het verhogen van de feestvreugde in het onderhouden van de feestelijkheid is een mitswa op zichzelf. Dit werd niet gedaan door ongeletterden, de participanten waren eminente Joodse geleerden, hoofden van Talmoedacademiën en de Sanhedrin gerechtshof, mannen van piëteit, oudsten en rechtschapen mannen. Het waren die personen die dansten, klapten, zongen en de feestvreugde aanmoedigden in de Heilige Tempel gedurende het feest van Soekot. Echter de meerderheid van de bevolking, vrouwen en mannen kwamen om het te zien en te horen.

De bron van Maimonides’ beschrijving is de Mishna, die enkel twee groepen vermeldt: “De mannen van piëteit en mannen van rechtschapen daden die dansten voor al de verzamelden.”6

De Talmoed voegt er een derde groep aan toe, de Baalei teshoewa, personen die terugkeren naar vroomheid.7

Maimonides, in zijn uitspraken, voegt personen toe die ogenschijnlijk niet in de Mishna worden aangehaald. Daarentegen vermeldt hij niet de Baalei teshoewa, die wel expliciet in de Talmoed worden aangehaald.

Maimonides gaat vervolgens aldus verder:

De vreugde die een persoon ervaart in het doen van mitswot en in de liefde voor G’D, die de mitswot heeft opgelegd, is een diepzinnige dienst aan G’D.

Een ieder die zichzelf tot bescheidenheid en nederigheid dwingt, zijn fysiek wezen tot een licht maakt, is een onderscheiden geëerd persoon die G’D dient op het niveau van liefde.

Zo deed Koning David, die daarbij uitroept (gezien zijn hartstochtelijk dansen voor de Heilige Ark): “En ik zal mijzelf tot een licht maken vanuit een grotere hoogte, door mijzelf nederig te zien”8

Het gebod voor een “toename van vreugde” is in essentie niet een afzonderlijk gebod, maar eerder een verhoging van het algemene gebod van vreugde op Soekot. Dus het expressieve gevoel van vreugde is afhankelijk bij een persoon door het niveau van hem of haar.

Het is om die reden dat deze eminente personen een hoger spiritueel niveau hebben bereikt met het betuigen van piëteit, uitmondende in een bezield levendige manier van “dansen en klappen,” etc, terwijl de “gehele bevolking, mannen en vrouwen, hun vreugde uitdrukken door te komen kijken en luisteren.”

CHAG SAMEACH.

Noten:

1. Maimonides: Hilchot Loelav 8:12

2. Leviticus 23:40 on Sukkot

3. Deuteronomy 16:14

4. Maimonides: Sefer Hamitzvot, Positive Commands, Mitzwa 54. Zie ook Maimonides Hilchot Yom Tov 6:17.

5. Hilchot Loelav 8:14

6. Sukka 51a.

7. Sukka 53a.

8. Samuel II 6:22

DE TIEN DAGEN VAN INKEER EN JOM KIPPOER

KLEDING VAN GOUD – KLEDING VAN LINNEN

Op Jom Kippoer betreedt de Hoge Priester het Heilige der Heilige in eenvoudig wit linnen kleding, illustrerend de essentiële verhouding tussen een Jood en G’D. De kledingstukken van goud werden alleen buiten het Heilige der Heilige gedragen, representerend het gebruik van de Mens van goud ten goede en voor verbetering van de gemeenschap ten aanzien van het onderhouden van Thora en Mitswot. Echter, op Jom Kippoer zouden de Hoge Priester en elke individuele Jood moeten streven naar "puur witte kleding", "zuiver van hart en puur van geest". Dit zal de G’ddelijke barmhartigheid oproepen voor een goed en gezegend jaar.

De term Aseret Jemei Teshoewa (Tien Dagen van Inkeer) omvatten de twee dagen van Rosh Hashana en de dag van Jom Kippoer, zodat de dagen tussen Rosh Hashana en Jom Kippoer in totaal alleen zeven dagen zijn. Het feit dat alle dagen refereren naar één term, Aseret Jemei Teshoewa geeft aan dat al deze dagen eigenlijk één entiteit zijn, beginnend op Rosh Hashana en eindigend op Jom Kippoer. Het is daarom evident dat de voorbereiding van Jom Kippoer begint bij het allereerste moment van Rosh Hashana.

De unieke mitswa van Rosh HaShana is shofar; de centrale inspanning van Jom Kippoer in de dagen van de Tempel was de speciale dienst van de Koheen Gadol— de hoge priester. Gedurende het hele jaar werden de Tempelrituelen ook door andere priesters verricht, maar op Jom Kippoer verrichtte de Koheen Gadol, de speciale Tempelrituelen die aan deze heilige dag verbonden zijn, alleen.

De dienst van de Koheen Gadol op Jom Kippoer bestond uit twee delen. Tijdens de uitvoering van het eerste gedeelte droeg de Koheen Gadol kleding die ook andere materialen bevatten, welke "kleding van Goud"werden genoemd. Gedurende het andere gedeelte van de dienst droeg hij bigdei lavan– eenvoudig witte linnen kleding. Er waren afzonderlijke gedeelten in de Heilige Tempel: de Azara ( Tempelplein ), de Heichel ( het Heilige ) en het Heilige der Heiligen.

Tijdens het verrichten van de dienst in de Heichel en Azara droeg de Koheen Gadol het gewaad van goud en tijdens de dienst in het Heilige der Heiligen droeg hij de witte linnen kleding.

ELKE JOOD IS EEN KOHEEN GADOL

Toen de Tempel was verwoest, waren alleen de fysieke delen, de stenen, het goud en zilver verloren. Echter, de spirituele Tempel, in de ziel van elke Jood, bleef voortbestaan en zal eeuwig in hem verblijven als een onverwoestbare staat van eenheid. Een Jood is niet in staat om zijn innerlijk spirituele bouw te vernietigen; des te meer heeft een niet-Jood niet de macht om het te vernietigen.

Rabbi Josef Jitzchak Sneersohn, de zesde Lubavitcher Rebbe verklaart: alleen onze fysieke lichamen werden in verbanningsschap gestuurd en werden onderhevig aan externe autoriteit; onze zielen echter werden niet in verbanning gedreven, noch overgegeven aan vreemde dominantie. De spirituele Tempel, verblijvend in elke Jood, is wel onderhevig aan de dimensie van tijd — in verhouding tot de verschillende fasen van het jaar.

Wanneer Jom Kippoer nadert moet iedere Jood, de "Koheen Gadol in zijn eigen individuele Tempel, " alle Tempelrituelen op zichzelf ten uitvoer brengen en niet steunen op een ander persoon. Dit werk bestaat uit twee delen: witte kleding dragen voor dienst in het Heilige der Heiligen en gouden priesterlijke kleding dragen voor de andere rituelen.

DE SPIRITUELE BETEKENIS VAN DE KLEDING

Maimonides in zijn uitleg over de aanwending van weelderige priester kleding, inbegrepen de kleding van de Koheen Gadol op Jom Kippoer, verklaart, dat heiliging het gebruik van de meest esthetische impressie en de hoogst kwalitatieve superioriteit verlangt. Goud is hoogst bijzonder en kostbaar voor de Mens, het roept vrees en verering. Vanuit dit oogpunt, is het dragen van gouden kleding rationeel onbegrijpelijk.  Bovendien, hoe is dit concept te verenigen met het dragen van de eenvoudige witte linnen kleding in het Heilige der Heiligen?

Het Heiligen der Heiligen was van een hogere heiligheid dan de andere ruimten in de Tempel. Waarom werd er niet verlangd om daar gouden kleding te dragen?

Het onderliggende concept is, dat elk individu in zijn totaliteit G’D moet dienen vanuit zijn eigen unieke capaciteiten.

Wanneer een welvarend persoon wordt benaderd voor liefdadigheid, kan hij niet beweren dat hij zijn verantwoordelijkheid t.a.v. liefdadigheid vervult door Thorastudie en intensief gebed. Hij moet beseffen dat de dienst in de Tempel, kleding van goud benodigd.

Van de andere kant gezien moet er het bewustzijn zijn dat iemands verplichting niet kan worden vrijgesteld met "kleding van Goud", b.v door voortdurende studie aan jeshivot (Thora Academie) etc.  Kleding van wit linnen in evenzo vereist— pure spirituele bezigheden ontdaan van alle lichamelijke materie. Elke kledingstuk moet passend zijn voor de plaats van handeling. De dienst buiten het Heilige der Heiligen vereist kleding van goud.

Zoals de Midrash verklaart: niemand verdient het gebruik van goud; "het was alleen geschapen voor de Heilige Tempel". De schepping van goud primair voor gebruik in de Tempel verklaart bovendien waarom het beschikbaar is in de gehele wereld. Het moet daarom van zelfsprekend zijn voor elke Jood niet mindere bijzonderheden te gebruiken voor het primaire doel van goud—in de zin van spirituele doeleinden. Desondanks, in omsloten ruimte van het Heilige der Heiligen, in elke Joodse ziel, is goud niet bruikbaar. De Tempeldienst moet worden uitgevoerd in puur witte kleding, want hier in is iedereen gelijk.

BEGINNEND MET DE SHOFAR

We kunnen nu het doel begrijpen van De Tien Dagen van Inkeer, beginnend met de klanken van de Shofar op Rosh Hashana en eindigend met de dienst van de Koheen Gadol op Jom Kippoer.

Aan het begin van De Tien Dagen van Inkeer blazen we de Shofar. De Shofar is een hoorn van een dier en de klanken die het voortbrengt zijn niet bijzonder muzikaal; zij hebben de eenvoudige klanken van Tekia, Shevariem, Teroea. Authentiek aan een Jood die zichzelf plaatst voor G’D, verstoken van sluwheid en vernuftigheid. Zijn verbinding met G’D is gekenmerkt door een eenvoudige kreet van intense oprechtheid. Vanuit het diepste van zijn hart schreeuwt hij dat hij een kind van G’D is en dat G’D zijn Vader is en hij smeekt zijn Vader om hem een goed en zoet jaar te verlenen.

Het einde van De Tien Dagen van Inkeer wordt gekenmerkt door de dienst van de Koheen Gadol verdeelt zoals in de bovengenoemde twee delen, uitdrukkend de verplichting om G’D te dienen in kleding van goud en linnen.

Hoe dan ook, met betrekking tot het Heilige der Heiligen is hij gelijk aan alle anderen; hij draagt geen kledingstukken van goud meer eerder kleding van wit linnen, ontdaan van lichamelijke materie. Hij is volkomen bewust dat er niets was in het Heilige der Heilige, zelfs geen toonbrood, niets anders dan G’D, de Thora van de Tien Geboden de Ark en de Koheen Gadol.

VOORTDURENDE VERANDERING

De morele implicatie voor iedere Jood is als volgt: De aanvang van de spirituele dienst aan het begin van het jaar moet een eenvoudige oprechte kreet zijn naar G’D, een menselijke expressie boven alle redeneringen uit. Vervolgens moet hijzelf de dienst van de innerlijke Tempel uitvoeren—-die compleet gelijk is aan onze tijd—-gekleed in kleding van goud en linnen.

Als hij de dienst succesvol heeft verricht beheerst hij beiden, het fysieke en het spirituele, zoals de Koheen Gagol. In de tijd van de Tempel verlangde het ritueel niet het aantrekken van de gouden kleding en daarna de linnen; de hoge priester veranderde continu van het een naar het andere. Eerst de kledingstukken van goud, dan de linnen, vervolgens weer het goud, dan terug in het linnen, en dan vervolgen opnieuw in de kleding van goud——om aan te duiden dat in het leven van een Jood het materiële en spirituele niet apart en gesepareerd is, maar coëxistent.

HET INWENDIGE HEILIGDOM

Op Jom Kippoer overdenkt een Jood zichzelf en bereidt zichzelf voor op het binnengaan in zijn eigen innerlijke Heilige der Heiligen.

Wat is zijn betekenis? Het Heilige der Heiligen bevat alleen de Ark des Verbonds, met de Tafels van de Tien Geboden. De Thora, gerepresenteerd door de Tien Geboden op de tafelen, bestaat uit gegraveerde letters, intrinsiek aan het object waarop het is in gegraveerd. Idem, binnen in het Heilige der Heiligen van iedere Jood, de band van een Jood met Thora is als gehouwen letters.

Wanneer Jom Kippoer nadert en een Jood moet het Heilige der Heiligen binnengaan, vraagt hij zich zorgelijk af: " Hoe kan ik mogelijkerwijs het binnenste binnengaan wanneer ik ben verstoken van de uiterlijke tooi van Thora en goede daden?"

Het G’ddelijk antwoord hier op is, dat het binnengaan in het Heilige der Heiligen geen kleding van goud verlangt, noch ornamenten van schitterende kleuren: alleen puur witte linnen kleding is nodig, een puur en gezuiverd hart en een pure gedachte. Deze eigenschap bezit elke Jood op de dag voor Jom Kippoer na zijn onderdompeling in het Mikwe ( ritueel bad ), een onderdompeling die alle smet weg zuivert.

De Koheen Gadol, na zijn zeer lange heilige dienst, was gewoon om een kort gebed te zeggen, dat zou bewerkstelligen een goed en gezegend jaar voor hem en zijn familie, zijn stam en alle Joden over de hele wereld, zowel in materieel als in spiritueel opzicht.

Zo ook met elke Jood, wanneer hij zijn eigen persoonlijke spirituele dienst doet in het Heilige der Heiligen van zijn ziel, kan een paar woorden blijheid oproepen voor al de dagen van het jaar.

Juist zoals de Koheen Gadol bidt voor alle Joden, zo ook is het gebed van elke individuele Jood op Jom Kippoer, gekleed in witte kleding—een puur hart, en integere godsdienstige gedachten, opwekkend G’ddelijke begaanheid voor een goed en zoet jaar, zowel spiritueel als materitueel, niet alleen voor hem zelf en zijn familie, maar voor alle Joden, omdat:

"HEEL ISRAËL VERANTWOORDELIJK VOOR ELKAAR IS".

ROSH HASHANA 5763

Rosh Hashana, gehouden op de eerste en de tweede dag van het Joodse jaar ( Tishri 1 en 2 ), is uniek onder de feestdagen van het Joodse kalenderjaar. In tegenstelling tot de andere feestdagen, die een specifieke gebeurtenis in de Joodse historie en ervaring markeren, is Rosh Hashana de verjaardag van een universeel gebeuren: de schepping van de eerste man en vrouw en hun eerste handelingen naar bewustwording van de menselijke taak in G’D’s wereld.

Dus de feestdagen van Rosh Hashana benadrukken eerder het universele aspect in ons leven, dan het kenmerkende Joodse.

Op Rosh Hashana proclameren wij G’D’s koningschap over het universum en wijden we ons zelf aan de doelstelling dat elk object zal weten dat U het gevormd heeft, en dat elk creatuur zal begrijpen dat het door U is geschapen; en dat elk wezen met de adem van het leven in zijn neusvleugels zal verkondigen: G’D, de G’D van Israël, is koning, en zijn soevereiniteit heerst over alles!

De Shofar, de ramshoorn geblazen op Rosh Hashana, representeert het trompetgeschal op de kroning door het volk van hun koning.

De kreet van de shofar is ook een oproep tot inkeer. Want Rosh Hashana is evenzo de verjaardag van de eerste zonde van de mens; het is dus de eerste Tien Dagen van Inkeer die culmineert in Jom Kippoer, de Dag van verzoening.

Een andere functie van de shofar is de oproep van de Akéda, de binding van Izaak, welke op de zelfde datum plaatsvond en waar een ram Izaak’s plaats innam als offer voor G’D.

We roepen de bereidwilligheid op die Abraham had om zijn zoon te offeren en smeken dat de verdienste van zijn daad ons zal bijstaan als we voor het komende levensjaar vragen om voorspoed en gezondheid.

Want Rosh Hashana is de dag waarop alle bewoners van deze wereld aan Hem voorbijgaan als een kudde schapen, het hemelse gerecht beslist wie zal leven en wie zal sterven……wie zal worden verarmd en wie zal worden verrijkt, wie zal vallen en wie zal rijzen.

Deze thema’s komen tot uiting in de speciale gebeden van de dag,** die een gedeelte inhouden over soevereiniteit; gedeelten van herinneren en overdenken van alle creaturen over het G’ddelijke van de dag; en een gedeelte dat Shofarot heet, de verschillende aspecten van de belangrijkste Mitswa van de dag, het blazen van de Shofar. Elk gedeelte wordt gevolgd door tien tonen van de Shofar.

( Alles bij elkaar, wordt de Shofar 100 keer geblazen in de liturgische dienst van Rosh Hashana )

De Rosh Hashana gewoonten zijn, het eten van stukjes appel gedoopt in honing, symboliserend ons verlangen naar een goed en zoet jaar; elkaar wensen Leshana tova tikateiv veteichateim, Voor een goed jaar zal je worden ingeschreven en bezegeld; en het zeggen van Tashliech, een speciaal gebed bij een water ( zee, rivier, meer, etc ) een oproeping in het vers, En U zal hun zonden in de diepten van de zee werpen ( Micha 7:20 ).

**ZIE VOOR MEER GEDETAILLEERDE UITLEG: DE ESSENTIE VAN DE SCHEPPING EN DE MENS IN VERHOUDING TOT TESJOEWA (1), ROSH HASJANA, OP ONZE WEBSITE ONDER ARCHIEF, LEZINGEN EN ARTIKELEN.

DE AVODAH VAN DE MAAND ELLOEL

Rosh Chodesh ( Nieuwe Maand ) donderdag 8 augustus/30 Aw en vrijdag 9 augustus/1 Elloel   5762/2002.

De maand Elloel is de maand van barmhartigheid, in welke de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zich uitstralen. Dit is de maand van medelijden, in welke de poorten van barmhartigheid open zijn tot al diegene die verlangen om dichterbij heiligheid te komen en G D te dienen door inkeer, gebed en Thorastudie.

Dit is de laatste maand van het jaar dat eindigt, die het heden passeert naar het verleden.

Het is de maand van spiritueel zelfonderzoek en inventarisatie, waarop iemand zich bezint hoe hij het afgelopen jaar heeft doorleefd en volledig spijt betuigt over wat onwenselijk was en zich voorneemt om uiterst nauwgezet waakzaam te zijn met het in acht nemen van de mitswot ( opdrachten in de Thora ), consciëntieus studie van Thora en Tefilla ( gebed ) en zich eigen maken aan positieve karaktereigenschappen.

Dit is de maand van voorbereiding op het nieuwe jaar.

Elloel is de zesde maand gerekend van af de maand Niesan, welke is aan gegeven in de Thora , als de eerste maand van het joods nationaal jaar. In het algemene kalenderjaar van de joodse traditie echter, is Tisjri de eerste van alle maanden, vandaar is Elloel de laatste van de maanden.

De naam Elloel was aangenomen , zoals alle anderen, bij de repatrianten van de eerste Babylonische verbanning, zoals onze wijzen hebben verklaard:” de namen van de maanden kwamen van Babylon”. Omdat Elloel de laatste maand van het jaar is en direct voorafgaat aan Rosh Hashana ( de dag van het gerecht voor alle wereldbewoners ) is het daarom de maand van spijt en het reciteren van de traditionele gebeden voor vergeving.

Vanaf de Sinaï waren er dagen van verzoening tussen G D en Israël . Toen de Israëlieten de zonde van het gouden kalf pleegde, besteeg Mosje de berg en smeekte voor Goddelijke barmhartigheid en vergiffenis , G D was verzoenend naar hem en zei :” Hou uit twee Tafelen van steen zoals de eersten “.

Mosje besteeg de berg op Rosh Chodesh Elloel en verbleef daar veertig dagen tot de tiende Tisjri. Op de tiende Tisjri bracht hij de tweede paar stenen tafelen naar beneden, welke G D had gegeven aan Israël als een teken van hernieuwde Goddelijke begunstiging en genegenheid.

Deze veertig dagen werden van toen af vast gelegd voor alle generaties als dagen van spijt en vergiffenis. Alhoewel spijt altijd wordt geaccepteerd , zijn deze specifieke dagen uitermate geschikt voor spijt en vergiffenis, want zij kenmerken een blijvende terug kering van het begaan zijn van G’D.

De periode kenmerkt zich door het reciteren van talrijke SELICHOT ( smeekgebeden, gebeden om vergeving ). In sommige plaatsen is het gebruikelijk om Selichot te reciteren gedurende de laatste uren van de nacht van de gehele maand Elloel, met uitzondering van Rosh Chodesh en Shabbat en beginnen sommigen vanaf de vijftiende Elloel. De Ashkenazische rite echter is om Selichot te beginnen te reciteren met de eerste dag van de week in welke Rosh Hashana valt , mits dat er vier dagen resten voor Rosh Hashana . Daarom, als Rosh Hashana valt op de tweede dag of derde dag van de week, begint het reciteren van Selichot op de eerste dag van de voorgaande week.

Beginnend met de tweede dag Rosh Chodesh Elloel tot erev Rosh Hashana worden dagelijks vier sjofartonen ( ramshoorn ) geblazen na shacharit (ochtendgebed) : Tekie a, Sjewariem, Teroe a, Tekie a. Deze tonen van de sjofar zijn niet voorgeschreven door de Tora , maar vind zijn origine in de joodse minhagiem (gewoonterecht).

Toen Mosje Rabbenoe ( Mozes onze leraar ) op Rosh Chodesh Elloel de berg Sinai besteeg om voor de tweede keer de stenen tafelen te ontvangen, was het kamp vol van sjofarklanken , om duidelijk te maken aan allen Israëlieten, dat Mosje zich omhoog heeft begeven ; zodat zij zich niet opnieuw zouden bezondigen aan afgoderij. Daarom had Israël het gebruik aangenomen om de sjofar te blazen op Rosh Chodesh Elloel en om de herhaalde oproep aan Mosje om de berg te bestijgen; Israël s spijt na de zonde van het gouden kalf ; de vergiffenis die hun was verleend, en het geven van de tweede stenen tafelen.

De intentie om deze gebeurtenissen te herinneren is, om ons te sturen naar spijtbekentenis. De sjofar word alleen geblazen na het ochtendgebed, omdat Mosje s bestijging van de berg plaats vond vroeg in de ochtend.

De aard van de sjofarklank is, het opwekken van schroom in het hart, zoals is geschreven: ” Als de sjofar wordt geblazen in de stad, zullen de mensen dan niet huiveren?? ” ( Amos 3 ).

Het geluid van de sjofar proclameert : ” worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn gewekt, gaat nauwkeurig jullie daden na en keer terug naar de goede weg ” ( Maimonides’ ).

Op erev Rosh Hashana wordt geen sjofar geblazen , met de bedoeling een scheiding aan te brengen tussen het sjofar blazen in Elloel, welke zijn origine heeft in het gewoonterecht en het sjofar blazen op Rosh Hashana welke is opgelegd en voorgeschreven door de Thora .

SELICHOT

De essentie van de Selichotgebeden is het reciteren van de ” dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid welke zijn weergegeven in het vers:

EEUWIGE, EEUWIGE, een almachtige G'D, barmhartig, en genadig, lankmoedig , vol van liefde, en waarheid, die liefde blijft betonen aan duizenden geslachten, die misdaad, schuld, en zonden vergeeft, maar niet geheel en al ongestraft laat en die de misdaad der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht. ( Exodus 34 6-7 )

Evenzo wordt Widdoej ( zondenbelijdenis ) gezegd tijdens selichot, omdat het eveneens een essentieel onderdeel is van de gebeden van vergiffenis.

En de Rabbijnen citeren Rabbi Jochanan die zegt : ” als het vers niet geschreven zou zijn , was het onmogelijk om het te zeggen. We leren van G D s woorden aan Mosje dat G D zich zelf als het ware omhulde met een taliet zoals een slieách tsiboer ( voorganger ) en hem de orde leert van het gebed van de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid en G D zij tot hem:

“Telkens als Israël zondigt zullen zij zich aan deze orde van gebed houden en IK zal hun vergeven”.

De dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zijn als volgt:

1) Eeuwige: IK ben het die medelijdend is voordat de mens zondigt ,alhoewel IK weet dat hij uiteindelijk zal zondigen.

2) Eeuwige: En IK ben het die medelijdend is nadat de mens zondigt en spijt betuigt.

3) G D: ook dit is een eigenschap van barmhartig zoals is gezegd : ” Mijn G D waarom heeft u mij verloochend?? ” iemand kan niet zeggen tot de eigenschap van strenge gerechtigheid : “Waarom heeft u mij verloochend ??”.

4) Die barmhartig is: HIJ is met barmhartigheid met de armen ; m.a.w. als je de armen en zwakken minacht , minacht je mij ook.

5) En Genadig: HIJ is genadig naar de rijken.

6) Lankmoedig: HIJ is geduldig en niet snel met het vorderen van vergelding, in de hoop dat de schuldige spijt betuigd.

7) Vol van liefde: Hij handelt met liefdevolle goedheid naar diegene die gebrek hebben aan verdienste.

8) En waarheid: Hij eert en beloont die zijn wil vervullen.

9) Die liefde blijft betonen tot in het duizendste geslacht: HIJ beschermd de liefdevolle goedheid welke een persoon doet voor HEM tot in het duizendste geslacht, zelf tot het tweeduizendste.

10) Die misdaad : verdraagzaamheid ten aanzien van overtredingen welke mensen begaan opzettelijk.

11) Schuld : HIJ draagt de ongerechtigheid die een persoon begaat in een opwelling van opstandigheid.

12) En zonden vergeeft: HIJ draagt zonden die niet moedwillig zijn bega
an.

13) Maar niet geheel en al ongestraft laat: HIJ zal zuiveren diegene die spijt betuigen, maar zal niet zuiveren die verzuimen spijt te betuigen.

De dertien Goddelijke eigenschappen worden alleen gezegd in een Minjan, een gemeenschap van tenminste tien mannen.

LAG BA`OMER

De 33e dag van de omertelling in de periode tussen Pesach en Shavoe`ot Ijar 18. Dinsdag 30 April 2002

LAG BA`OMER, herinnert ons aan gebeurtenis die de duizenden studenten van de grote geleerde Rabbi Akiva overkwam.

Zij werden getroffen door een epidemie als gevolg van respectloos gedrag onder elkaar. De epidemie stopte op Lag Ba`Omer. Daarom weten wij van Lag Ba`Omer dat het bestuderen van de Heilige Thora in goede kameraadschap, liefde en respect voor elkaar moet zijn.

Lag `Ba Omer

herdenkt de beëindiging van de plaag onder de studenten van Rabbi Akiva; het wordt evenzo gehouden uit bijzonder respect en waardering (vooral onder chassidiem) als jaartijd, de gedenkdag van het heengaan van Rabbi Shimon Bar Yochai, die leefde in de tijd van de Romeinse overheersing van Israël en een eminent student van Rabbi Akiva was.

Hij gaf de leer van de esoterische aspecten van de Thora over aan een selecte groep studenten en was de auteur van de Zohar (Het Boek van Uitstraling).

De Zohar werd het basiswerk van Kabbala en de basis voor de filosofie en Chassidische leer in het algemeen, gefundeerd door de Baal Shem Tov (1668-1760) evenzo als Chabad Chassidisme uiteengezet door Rabbi Schneur Zalman van Laidi (1745-1813).