PESACH 5770

DOORBRAAK NAAR VERLOSSING

DE LUBAVITCHER REBBE

Als we kijken naar het vers, “Zoals in de dagen van jullie Uittocht uit Egypte, zal Ik jullie wonderen tonen” (Micha. 7:15), rijzen er twee vragen. Ten eerste, dit vers is een van de weinige gevallen waarin de Uittocht uit Egypte wordt beschreven in het meervoud als “dagen” in plaats van simpel als “dag”, zoals is geschreven in het vers, “Zodat jullie je zult herinneren de dag van jullie Uittocht”. Waarom is dit vers in het meervoud in plaats van enkelvoud?

De tweede vraag handelt over de vergelijking tussen de mirakels van de Uittocht uit Egypte in relatie tot de mirakels die zullen plaats vinden in de Uiteindelijke Verlossing. De mirakelen van de Uiteindelijke Verlossing worden vergeleken met de wonderen die het Joodse Volk zag toen zij uit Egypte kwamen, echter na de Uiteindelijke Verlossing zal er geen verbanning meer zijn, aangevend dat deze Verlossing op een hoger niveau is en meer volkomen zal zijn. De wonderen van het tijdperk van Mashiach zullen de wonderen van de Egyptische Uittocht overtreffen met een omvang waardoor, zoals sommige van de geleerden hebben gezegd, we ons in deze era niet langer de Egyptische Uittocht zullen herinneren.

Een andere mening is,  dat de Egyptische Uittocht in onze herinnering blijft omdat het deel uitmaakt van de Toekomstige Verlossing en dat het de eerste stap was in het proces van het brengen van de Verlossing. We zullen ons bovendien de eerste Uittocht herinneren, omdat de wonderen van de Uiteindelijke Verlossing vergelijkbaar zijn met de wonderen die we gezien hebben in Egypte. Het Joodse Volk was getuige van grote mirakels toen zij Egypte verlieten, maar de mirakels van de Toekomstige Verlossing zullen zich voordoen zoals die van de Egyptische Verlossing.

Wat is de spirituele oorsprong voor dit onderscheid? Toen het Joodse Volk in Egypte was, moesten zij worden verheven van de 49e poort van onreinheid (uit 50). Als we de Omer hebben geteld, verheffen we de 50 Poorten van Bina. Dit wordt aangetoond door het feit dat de Egyptische Uittocht 50 keer wordt vermeld in de Thora. De Egyptische Uittocht representeert de 50 Poorten van Bina als zij worden neergehaald door de sefira van Malchoet. De Toekomstige Verlossing zal eveneens de 50 Poorten van Bina representeren, maar deze zullen worden neergehaald door Keter die verder dan de sefirot zijn en eindigt in Atik die hoger is dan Keter. Dit is niet het externe aspect van Atik, maar de pnimiyoet, het diepste deel van het niveau dat boven alle niveau is. Dit zal resulteren in een grotere revelatie van G’D in de Era van Verlossing.

De revelatie van G’D gedurende de Egyptische Uittocht was groot, maar beperkt, aangezien het gekleed was in Malchoet. In de Era van Mashiach, zullen er geen kledingstukken zijn die de G’ddelijk Revelatie bedekken.

We keren terug naar de vraag waarom we ons in de Era van Mashiach de Uittocht van Egypte moeten herinneren, als de wonderen en de revelatie van G’D dan zoveel groter zullen zijn. De zesde Chabad Rebbe (de Frierdiger) heeft gezegd dat de Egyptische Uittocht zal worden herinnerd omdat het een soort kanaal vormt voor alle toekomstige verlossingen inclusief de Uiteindelijke Verlossing. De Egyptische Uittocht was uitzonderlijk omdat het een noodzakelijke voorbereiding was voor het geven van de Thora. Voordat de Thora was gegeven, kon niets in de wereld worden verheven naar de hogere werelden en niets kon deze niveaus betrekken in het afdalen in de wereld van actie. De mogelijkheid om de wereld te purificeren, te verheffen was een belangrijke stap naar de Uiteindelijke Verlossing, wanneer de wereld zijn Schepper zal erkennen en een verblijfplaats wordt voor het Oneindige Licht, Geprezen zij Hij.

Het antwoord op de eerste vraag, waarom in het vers, “Zoals in de dagen van jullie Uittocht uit Egypte, zal Ik jullie wonderen tonen”, “dagen” in het meervoud betekent dat alle dagen, van de Egyptische Uittocht tot aan de Toekomstige Verlossing, deel uitmaken van een proces van Egypte komen. Elke dag moet iemand nadenken over het idee dat hij uit Egypte verlaat. De Eerste Rebbe van Chabad identificeert het Lezen van het Shema als de geschikte tijd om onze persoonlijke uittocht te ervaren. De reden dat we tzitzit vermelden in het Avond Gebed, een moment dat niet is verbonden met het doen van deze mitzwa, is de passage die verhaalt van de Uittocht uit Egypte.

Elke dag laten we meer en meer beperkingen achter ons, totdat we het punt bereiken waar we alle limitaties zullen doorbreken in de Uiteindelijke Verlossing. Mashiach stamt af van Koning David, die op zijn beurt afstamt van Peretz, wat klinkt als het woord “poretz”, wat doorbreken van alle limieten betekent. Elke morgen voor het gebed is er een fysieke verbanning die ons het gevoel geeft beperkt te zijn binnen de grenzen van ons lichaam.

Het vers, “We komen van de man die roeach in zijn neusvleugels heeft. Vanwaar wordt hij waardig geacht?” Beschrijft de gelimiteerde spiritualiteit wanneer we ontwaken en de ziel alleen in de neusvleugels is. Gedurende het gebed, verspreidt de ziel zich door het lichaam, totaal de fysiekheid onderwerpend en de dierlijke ziel er toe brengend “amen” te zeggen tegen haar wil; dit is de enige weg om complete dienst aan G’D te bereiken. Zoals Koning David het formuleert, “Mijn hart is leeg in mij,” betogend dat iemand de linkerkant van zijn hart moet overwinnen voordat hij kan zeggen “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden….” in het Shema, en de liefde voor G’D te verklaren met beide zielen, de dierlijke en de G’ddelijke.  Idem, kwaad en het wezen van onreinheid zullen in de Era van Mashiach worden overwonnen en vervolgens getransformeerd naar het goede.

Waarom is het nodig dat we dit overwinnen? Waarom transformeren we niet simpelweg de onzuiverheid, in plaats van het eerst te overwinnen? Deze onderwerping heeft als voordeel, zoals de Alte Rebbe schrijft in de Tanja, dat iemand een ware dienaar van G’D is als hij voordurend in gevecht is met zijn natuur en het onderwerpen ervan. Het is een gevecht dat G’D’s Licht in de wereld brengt.

De situatie is gelijk aan die van een koning die al zijn kostbaarheden verdeelt onder zijn soldaten zodat zij in een oorlog kunnen strijden. In vredestijd zouden deze kostbaarheden nooit worden aangeraakt of veel minder vrij worden besteed. Deze oorlog is het gevecht met de dierlijke ziel en de overwinning brengt kostbaarheden van G’ddelijke Revelatie. Dit is een andere reden waarom de Egyptische Uittocht zal worden herinnerd in de Era van Mashiach; de dagelijkse strijd tegen de dierlijke ziel is ons individueel onttrekken aan Egypte wat ten slotte zal leiden naar de Uiteindelijke Verlossing.

Chag Semeach

KONINGIN ESTHER FYSIEKE SCHOONHEID WAS EEN MANIFESTATIE VAN HAAR SPIRITUELE STATUS.

RABBI SHIMON BAR JOCHAI.

ZOHAR 169b.

Rebbe Shimon spreekt in deze passage met een ziel van de spirituele Tuin van Eden (Paradijs).

Rebbe Shimon zegt: Ik weet zeker dat daar [in de lagere Tuin van Eden] jullie gekleed gaan in de glorie van een lichaam dat puur en heilig is.

Dat lichaam van zielen is een lichaam van licht dat gemaakt is van het spirituele licht, dat is opgewekt door het verrichten van mitzwot in de fysieke wereld.

Was er ooit iets gelijk aan deze kleding in de fysieke wereld? Dat een persoon in deze wereld in het zelfde lichaam verschijnt zoals jij verschijnt in de spirituele werelden.

Rebbe Shimon wil weten of er mensen waren in de fysieke wereld die zo rechtvaardig waren dat hun lichamen een extensie was van hun zuivere spiritualiteit.

Hij antwoordde hem: “Twee jonge mensen, die gekleed waren te midden van ons stelden deze vraag aan het Hoofd van de Academie, nadat zij spijt ondervonden ten opzichte van een zonde, die ongeschikt is voor de openbaarheid. Dit is wat zij vroegen aan het Academie Hoofd, en hij antwoordden hen: Dat er wel degelijk zo een gebeuren was in de fysieke wereld. Van waar leren we dat? Van het vers: “ En het gebeurde op de derde dag[van haar vasten] dat Esther zich koninklijk (letterlijk “malchoet”) kleedde en in het binnenhof van het koninklijke paleis stond, tegenover de residentie van de Koning…..”(Esther 5:1). Dit betekent dat zij zich kleedde in het evenbeeld van de spirituele wereld, omdat het woord “koninklijk” verwijst naar de geest van heiligheid.

De [sefira] van malchoet, koninklijk, is van de hemelse sferen en [ondanks het feit dat het in de fysieke sfeer is] houdt het in zich, de atmosfeer van de hogere spirituele sfeer.

Na drie dagen van vasten en gebed, had Koningin Esther haar fysieke lichaam tot zo’n extensie gezuiverd en gepurificeerd, dat zij waardig was om de spirituele kleding te ontvangen, zelfs in deze fysieke realiteit.
Haar schoonheid moet een wonderbaarlijke aanschouwing geweest zijn, en verklaart waarom zij gunst vond in de ogen van Koning Achaswerus.

En toen Esther tegenover Koning Achaswerus stond en deze haar verschijning van spirituele licht zag, was haar voorkomen als een engel van G’D. Toen [hij haar zag], verliet zijn ziel hem voor een moment.

Eveneens zo was het met Mordechai, zoals is geschreven, “En Mordechai verwijderde zich van de aanwezigheid van de Koning in koninklijke kleren” ( Esther 8:15 ).
Dit was letterlijk de kleding, of externe verschijning van de sefira van malchoet
[van Zeir Anpin], het evenbeeld of gezicht van die hogere wereld.
Daarom is er geschreven dat “de angst voor Mordechai had hun bevangen” (ibid. 9:3).
Zij waren bang voor Mordechai wegens het angstaanjagende van zijn spirituele verschijning, en niet voor Achaswerus.

Goed Poeriem.

POERIEM

Er is iets vreemds aan de naam Poerim. Ten eerste, het is een Perzische naam ( betekenent “Loten” de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen tegen de Joden ). En ten tweede, refereert het eerder aan het gevaar waarmee de Joden geconfronteerd werden, dan naar hun eventuele redding. Bovendien is de Megilla, het boek Ester, uniek onder de boeken van Tenach door op geen enkele manier de naam van G’D te noemen. Al dit suggereert dat Poerim een symbool is van “versluiering” of “verhulling” van het gezicht van G’D. De naam “Ester” zelf gerelateerd aan het Hebreeuwse woord “Ik zal verhullen” wat voorkomt in Devariem waar G’D zegt “Ik zal Mijn gezicht zeker verhullen.” En toch is Poeriem een viering van een mirakel, een openbaring van Goddelijke voorzienigheid. De verhandeling, met het oplossen van deze ogenschijnlijke contradictie, onderzoekt het idee van een mirakel en hetzij een natuurlijke of een onnatuurlijke gebeurtenis. De onderliggende vraag van het modern denken in het bijzonder is ; betekent de verdwijning van de bovennatuurlijke openbaring dat het tijdperk van mirakels voorbij is?

POERIEM EN HET HEDEN

“Als iemand de Megilla leest in de verkeerde volgorde ( letterlijk, van achter naar voren ), heeft hij zijn verplichting niet vervuld.”( Mishna Megilla, beg. Hfst.2 )

De Baal Shem Tov (gequoteerd in Divrei Shalom, Parashat Bo ) legt uit dat dit refereert aan een persoon die de Megilla leest maar gelooft dat wat het verhaal zegt alleen een gebeurtenis van het verleden is ( dat wordt bedoeld met van achter naar voren, als een retrospectieve beschrijving ) en dat het mirakel van Poeriem niet het heden verdraagt.

Zo een persoon heeft zijn verplichting niet vervuld, want het doel van het lezen van de Magills is, hoe een Jood moet leren zich te gedragen in het heden.

Als dit van toepassing zou zijn op elk vers van de Megilla en de Megilla als geheel, richt het zich niettemin toch meer tot het vers welk verklaart hoe het Poeriemfeest zijn naam heeft verworven.

Want een naam voor iets is een essentieel teken van zijn karakter.

En de innerlijke betekenis van het lezen het vers, welk ons verteld van Poeriem alsof het zich alleen richt op het verleden, mist zijn eeuwig zijnde boodschap aan Israël en de Jood.

DE NAAM VAN POERIEM

Het vers ( Ester 9, 26 ) zegt: Daarom noemen zij de dagen Poeriem ( loten )de loting die besliste wanneer Haman zijn decreet zou uitvaardigen om de Joden te vernietigen.

Het woord “Poer” is geen Hebreeuws maar Perzisch ( Ibn Ezra op Ester 3, 7 . Dus de Tenach, wanneer zij het aanhaalt, vertaalt in het Hebreeuws: “Poer: dat is, de Goral (lot)”. ( Ester 9, 24 ) Waarom dan wordt het feest genoemd bij de Perzische naam, Poeriem, in plaats van de Hebreeuwse equivalent, Goralot? Alle andere feesten, inclusief Chanoeka ( de andere die geïnstitueerd door Rabbijnen ) hebben Hebreeuwse namen.

Er is nog een ander enigma. De andere feesten herinneren aan mirakels van verlossing en noemen de feiten bij hun namen. Poeriem, in plaats dat het genoemd wordt naar de verlossing van Haman’s decreet, is daarentegen genoemd naar het gevaar zelf. De loterij waarbij Haman de dag vaststelde met de intentie “om hen te verteren en te vernietigen,” G’D verbiedt.

DE NAAM VAN G’D

Een ander bijzonder kenmerk in de Megilla, het boek van Ester is, dat de naam van G’D er niet in wordt genoemd. Alle andere boeken van Tenach bevatten vele malen de naam van G’D. Deze zeer opmerkelijke omissie is suggestief voor een extreme verhulling.

Iedere Jood, zelfs wanneer hij spreekt over seculaire aangelegenheden zou als een vertrouwd iets de “de naam van G’D op zijn lippen ” moeten hebben. Zeker wanneer hij schrijft, ook over seculaire zaken, is het een universeel gebruik ( en een Joods gebruik als deel van de Thora ) met de afgekorte letters van de woorden “Met G’D’s zegen,” “Met Hemelse hulp”, of zoiets dergelijks te beginnen ( zie geheel bovenaan ). Het is daarom zeer opmerkelijk dat de naam van G’D in èèn van de boeken van de Tenach geheel verstoken is.

VERHULLING EN OPENBARING

Zoals reeds boven is aangehaald is de diepere betekenis van iets een aanduiding voor zijn naam. De naam Ester suggereert de verhulling die we aantreffen in de Megilla. “Ester” komt van de zelfde stam als “Hester”, (verbergen). En inderdaad zinspeelt het op een dubbele verberging, aangegeven in de Thora? In het vers ( Devariem 31, 18 ) Ik zal verbergen, ja verbergen Mijn gezicht. ” Maar zo is ook openbaring impliciet in de naam Megilla Ester, want Megilla betekent “openbaring”.( Thora Or, 119a, citerend Pri Etz Chayim )

Zoals we in de titel van het boek twee contradicties kunnen onderscheiden, verhulling ( Ester ) en openbaring ( Megilla ), kunnen we dat ook in het feest zelf. Aan de ene kant ligt het idee van verhulling achter de naam van Poeriem, een Perzisch woord, en een met de link naar het decreet tegen de Joden. En van de andere kant is het een feest welke in zijn wijze van viering alle andere te boven gaat en zelfs zover dat men dronken moet worden tot aan “men niet meer het verschil kan onderscheiden tussen “Gezegend zij Mordechai en “Vervloekt zij Haman” ( Megilla 7b ), een viering zonder limiet.

DE HANDELINGEN VAN ESTER EN MORDECHAI

Om deze ogenschijnlijke contradicties te begrijpen moet men een zeer speciaal karakter in acht nemen.

In de tijd van Haman’s decreet, had het Joodse volk hooggeëerde vertegenwoordigers aan het koninklijke hof. Mordechai was gewoon te “zitten aan de poort van de Koning”,( Ester 2,19 ) en onze geleerden vertellen ons, “en werd geconsulteerd door Achasferos om advies”. ( Megilla, 13a ) Bovendien had hij het leven van de Koning gered. ( Ester 2, 21:23 ) Ester was koningin en vond “gunst en genegenheid in zijn aanblik “, ( Ibid 2,17 ) Vanuit dit gezichtspunt, toen de Joden hoorden van het decreet, zou men veronderstellen dat zij als allereerste gebruik zouden maken van deze vertegenwoordigers om te proberen invloed uit te oefenen op Achasferos om het teniet te doen. Maar we zien in de Megilla dat Mordechai’s eerste handeling was dat hij “zichzelf hulde in zak en as en naar het midden van de stad ging”( Ibid 4,1 ). Hij bekeerde zich tot berouw, en verzocht bij de overige Joden dit eveneens te doen. ( Ibid 4,3 ) Daarnaar pas zond hij Ester “naar de Koning om bij hem voor haar volk te smeken en te pleiten.”( Ibid 4,8 )

Ester gedroeg zich op de zelfde wijze. Toen het nodig werd voor haar om naar de Koning te gaan, verzocht zij Mordechai als eerste “Ga en verzamel alle Joden ……en zij zullen voor mij vasten , noch eten noch drinken voor drie dagen en nachten.” ( Ibid 4, 18 ) Ester voegde hier aan toe, mijzelf inbegrepen: “Ik zal eveneens vasten.”

Het schijnt voor haar essentieel om gunst te vinden in de ogen van Achasferos. Haar binnenkomen in het hof van de Koning was “niet volgens de wet.” ( Ibid 4,18 ) Het houdt een dodelijk risico in:” iedereen…die zal komen in het binnenhof van De Koning en niet is geroepen, zal ter dood staan door wet,” ( Ibid 4, 11 ) Ester kon niet geheel zeken zijn van koninklijke gunst : ” Ik ben niet ontboden….de laatste dertig dagen”.( Ibid 4,11 ) Als dat zo is, hoe komt zij te overwegen om drie achtereenvolgende dagen te vasten, een handeling die normaal zou resulteren in het afnemen van haar schoonheid?

OORZAAK EN WERKING

De reden is dat Mordechai en Ester absoluut zeker waren dat Haman’s decreet niet een historisch accident was, maar een falend gevolg binnen het Joodse volk. (Ram Bam, Hilchot Taaniot 1,2-3.) Aangezien men niet geheel een effect ( decreet ) kan verwijderen zonder de oorzaak te vernietigen, daarom was hun eerste handeling het bijeen roepen van het Joodse volk voor berouw en vasten. Het was niet een ongedefinieerde oproep: het articuleerde naar een specifieke zonde die moest worden gerectificeerd.

De Midrash ( Jalkoet Shimoni, Ester,begin hfst.5 ) becommentarieert Ester’s woorden “en zij zullen vasten voor mij en noch eten en drinken,”met “jullie vasten omdat jullie aten en dronken aan het feest van Achasferos.”

Zij wendde zich toen tot Achasferos met het verzoek om annulatie van het decreet, omdat dat G’D er naar verlangt de mens te zegenen “door alles wat je doet ” op een natuurlijke wijze. Het gaan naar Achasferos was een wijze ( en niet meer dan dat ) om een Goddelijke voorzienigheid mogelijk te maken via de natuurlijke kanalen. De ware reden van de verlossing lag niet in de beslissing van de Koning, in vasten en berouw van de Joden. Dus ondanks dat Mordechai en Ester natuurlijke betekenissen gebruikten, lag de nadruk van hun bezorgdheid in de onderliggende spirituele oorzaken.

NATUURLIJKE EN BOVENNATUURLIJKE ZEGENINGEN

De achterliggende moraal is duidelijk. In een periode van tegenspoed zijn er, die geloven dat de eerste en cruciale stap om te proberen de situatie bestrijden, op een natuurlijke wijze moet zijn. De Megilla leert het tegengestelde : dat de beginhandeling van iemand moet zijn het versterken van de band met G’D, door leren het van Thora en het in acht nemen van de Mitswot. Alleen dan pas moet men zoeken naar fysieke kanalen door welk de verlossing kan vloeien. Als men op deze wijze handelt, zal iemands verlossing bovennatuurlijk zijn, in welk natuurlijke uiterlijk manifestatie dan ook.

Dit geldt voor beide, de individueel en de gemeenschap. De Jood is overtuigd van het besef dat hij is verbonden met G’D en dat G’D niet gebonden is aan de natuurlijke grenzen, zelfs als Hij Zijn zegeningen zend in de vorm van natuurlijke gebeurtenissen. De Mens moet dit kanaal voorbereiden “door alles wat je doet. ” Maar aangezien dit niet meer dan een kanaal is, moet zijn voornaamste streven van voorbereiding, om de Goddelijke zegen te ontvangen, zijn, het leren en het vervullen van de Thora.

De inspanning door de natuurlijke betekenis is analogisch aan het uitschrijven van een cheque, die geen enkele waarde heeft als hij niet is gedekt door geld op de bank De spirituele handelingen is het “geld.”

Mogelijkerwijs denkt men dat dit alleen van toepassing was op de periode van tijd dat G’D’s aanwezigheid zich manifesteerde: m.a.w. nu dat het Joodse volk in verbanning is ( de Babylonische ), in een staat van extreme duisternis, in plaats van openbaring, zou men wellicht denken dat G’D zijn voorzienigheid zou hebben toevertrouwd aan het domein van de natuurwetten.

Poeriem weerlegt deze twijfel.

Want het mirakel van Poeriem vond plaats toen de Joden in verbanning waren, “verstrooid onder de volkeren” ( Ester 3,8 ). Evenmin beëindigde het achteraf de verbanning. Maar de verlossing kwam, niet door natuurlijke oorzaken, maar doordat de Joden drie dagen vasten.

Dit verklaard waarom Poerim in zijn Perzische naam verhulling suggereert, genoemd na verwezenlijking van het decreet van Haman en in de Megilla te zijn verstoken van G’D’s naam. Het is het thuis brengen van de waarheid dat de Jood niet is gebonden aan de natuurlijke wetten, niet alleen in zijn spirituele leven en niet in zijn omgang met zijn mede Joden, maar zelfs ook in zijn relatie met de seculaire wereld: Wanneer hij is gedwongen een andere taal te spreken, wanneer decreten uitgevaardigd zijn tegen hem, wanneer hij bang is om G’D’s te schrijven, in zaken dat het ontwijdend is. ( Shoelchan Aroech, Orach Chaim, hfst.156. In de diepste verhulling, vindt men openbaring. In de Naam Megilla Ester, naast Ester ( verhulling ) is Megilla ( openbaring ) In de loting ( Poeriem ) vindt men het symbool van het onvoorstelbare, het bovennatuurlijke. Wanneer G’D zegt, “Ik zal verhullen, ja Ik zal Mijn gezicht verhullen,” zegt Hij ” Ondanks dat mijn gezicht is verborgen, kan je de “Ik” bereiken, Ik als Ik ben boven alle namen”. ( Likkoetei Thora Pinchas, 80b ) En zoals de laatste verlossing kracht geeft voor de volgende verlossing, zo zal vanuit Poeriem de Messiaanse tijd vloeien,

Wanneer verhulling zal worden gekeerd door openbaring, en “nacht zal schitteren als de dag” ( Psalmen 139, 12. ).

KABBALISTISCHE MEDITATIE OP CHANOEKA LAAT ZIEN DAT VERLOSSING AFHANKELIJK IS VAN BEWUSTZIJN.

Rabbi Jitzchak Luria

In de volgende meditatie, introduceert de Ari aan ons de mystieke methode hoe wij, in de verdienste van Chanoeka, sublieme heiligheid neerhalen naar de lagere sferen die zelden verbonden is met dergelijk verheven goddelijk licht. Rebbe Nachman van Breslov leert dat de feestdag van Chanoeka, waarvan de naam is geworteld in het Hebreeuwse woord “chinoech”, “educatie” of “wennen”, ons stuurt in onze voortdurende worsteling met de krachten die proberen om ons van G’D te distantiëren, die van de macht van onzuivere verbeelding, of in het Hebreeuws “m’damei”, door onze imaginatieve vermogens te purificeren, zijn we in staat om de primaire kracht achter al onze negatieve karaktereigenschappen en illusies te breken. (Likoetei Halachot Chanoeka 1:1)

Het woord “m’damei”, waarvan de numerieke waarde (89) gelijk is aan het woord “Chanoeka”, is geworteld in de letters dalet en mem, die het Hebreeuwse woord “bloed” vormen. Bloed representeert onder andere, de negatieve krachten van oordeel, onze missie is om het verzachten. Via de 44 (de numerieke waarde van dalet, 4, en mem, 40) lichtjes die we aansteken gedurende Chanoeka (inclusief de shammes) en het opwekkende bewustzijn die zij belichamen, worden de klipot voor ons genullificeerd. [Dit is ook gerelateerd aan de traditie van verhoogd geven van liefdadigheid (“geld”) gedurende Chanoeka, want het Aramese woord voor geld is “Dami” die de zelfde stam letters deelt met “m’damei”]. Zoals wij zo duidelijk in onze tijd getuigen, dat alles lijkt te staan tussen onze huidige situatie en de complete verlossing is onze vastberadenheid en duidelijkheid van onze nationale wil. In het licht van deze inzichten, is Chanoeka, waarin we onze verlossing vieren van vreemde mogendheden die proberen ons te verleiden om onze G’D en Zijn Thora in de steek te laten, een bijzonder gunstig moment voor meditatie, vooral op het licht van de kaarsjes of olie lampjes van de Chanoeka Menora.

De mystieke meditaties die iemand moet hebben voor het aansteken van de [Chanoeka] lichtjes gaat primair om een hemelse en volledig mystieke eenwording genaamd Ner [Hebreeuws voor “kaars”]. Kortom, er zijn drie primaire aspecten van de unificatie Zeir Anpin en Noekva: Havayah [verenigd] met Eh – yeh (die een numerieke waarde heeft van 47), Havayah met Elo – hiem ( gelijk aan 112), en Havayah met Ado – nai (gelijk aan 91). Soms wordt één aspect verenigt, soms twee en soms alle drie, waarin het bovenstaande wordt helemaal verenigd wordt en [dan] Noekva “Ner heet “, [waarvan de numerieke waarde 250 is], gelijk aan het totaal van de zes bovengenoemde G’ddelijke Namen.

Havayah = 26
Eh-yeh
= 21
Havayah
= 26
Elo-him
= 86
Havayah
= 26
Ado-nai
= 65

Plus 6, voor elke naam, de kolel,
= “Ner” (250), gespeld
noen (50), reish (200)

In de eerste zegen [“……Die ons heeft opgedragen het Chanoekalicht aan te steken”] wordt op alle drie [bovenstaande unificaties] gezinspeeld [in het woord “kaars”].

In de tweede zegen [“……..Die wonderen verricht….”], de tweede unificatie waar op gezinspeld wordt.

En in de derde zegen [“……Die ons leven heeft gegeven….”] de laagste van alle waarop gezinspeeld wordt.

De opdracht om het mirakel van Chanoeka bekend te maken vereist dat we onze menora aansteken op een plaats die zichtbaar is voor voorbijgangers en op een tijdstip niet te laat, zodat zich niemand meer op straat bevindt om het te zien. De boven genoemde termen geven aan, dat de kracht van Chanoeka zo groot is, dat gedurende de feestdag, de meest verheven hemelse niveaus van heiligheid (gerepresenteerd door de bovengenoemde unificaties van de G’ddelijke namen), zelfs toegankelijk zijn in de laagste sferen. Deze minder verheven domeinen worden gerepresenteerd door de term “marktplaats” (in het Hebreeuws, “shoek”, gerelateerd aan het woord voor “dij”, geassocieerd met de sefira van Hod. De achtste sefira van boven), een plaats die gekarakteriseerd wordt door verspreiding, disharmonie en gevoeligheid voor Externe Krachten. Chanoeka laat ons zien dat vonken van heiligheid overal zijn en biedt ons de mogelijkheid om deze vonken te verlossen, om zelfs heilig licht te laten schijnen in de sferen van duisternis.

CHAG OERIEM SAMÉACH – GELUKKIGE FEESTDAGEN VAN LICHT

CHANOEKA

HET CIJFER “ACHT” ROEPT ONS OP OM WONDEREN TE ZIEN IN DE NATUURLIJKE ORDE.

WIE KENT ACHT?

Dat het openlijke wonder van Chanoeka, het licht van de Menora, aanhield voor acht dagen, was geen toeval, maar wezenlijk. De Thora informeert ons dat G’d de wereld creëerde in zes dagen en ophield met werken op de zevende dag, de Shabbat. Het cijfer zes representeert zo gezegd de natuurlijke wereld die was gecreëerd in tijdslimiet van zes dagen met zijn zes ruimtelijke richtingen (oost – west, noord – zuid, boven – onder). Het cijfer zeven representeert G’D’s immanentie, de verhulde aanwezigheid van G’ddelijkheid in het hart en binnenste van deze wereld. Met andere woorden, zeven is de absolute ziel van zes en laat het doordringen met (transcendente heiligheid) en verheft het naar zijn perfectie. Het volgende cijfer, acht, representeert G’D’s transcendentie boven en verder dan deze wereld. Zoals alle wonderen, vond Chanoeka plaats op het niveau van “acht”, hetgeen boven de natuurlijke structuur uitreikt. Echter zijnde het laatste wonder van dien aard tot de komst van Mashiach, moest Chanoeka op een unieke zeer speciale wijze “acht” benadrukken. Het moest “acht” uitademen.

In het Hebreeuws heeft het woord shemona (acht) exact de zelfde letters als hashemen (de olie), neshama (ziel) en mishna (overgedragen leer). Zoals vastgelegd in de Talmoed, hadden de Syrische Grieken bij het binnendringen van de Tempel al de olie bezoedeld. Deze olie representeert het diepste niveau van de Joodse ziel. Het representeert het Joodse potentieel om te ontwaken vanuit de diepste sluimer van verbanning, en tot leven te komen zelfs (en misschien in het bijzonder) onder de meest moeilijke omstandigheden. Alleen één kruikje pure olie werd gevonden, verzegeld met de zegel van de Koheen Gadol ( Hoge Priester), de heiligste Jood die het niveau van “acht” personifieert krachtens de acht speciale kledingstukken die hij droeg wanneer hij dienst deed in de Tempel.

De siddoer (gebedenboek) informeert ons dat het Mattitjahoe de Chashmonai en zijn zonen waren die de Joden hergroepeerden om de Thora te verdedigen en tegen de Grieken te vechten. De naam Chashmonai heeft twee componenten, de letter chet de achtste letter van het alef – bet, gevolgd door het woord voor olie, shemen. Dus de Cha – shemanai familie belichaamt de kracht van Acht.

“Acht” maakt ons duidelijk om de beklemming tijd en ruimte te boven te gaan, om te zien door een wereld die G’ddelijk verbergt en onze zielen overspoelt en bedreigt met materie. “Acht” roept ons op om mirakels te zien in de natuurlijke orde, in verwarrende gebeurtenissen van ons individuele en collectieve leven, in het verborgen pad van G’ddelijke Voorzienigheid dat ons leidt.

“Acht” kan ons doen ontwaken uit onze collectieve sluimering. Door ons te laten herinneren aan de tijd toen G’D inderdaad openlijk “interfereerde” om de natuurlijke loop van de geschiedenis te veranderen, het versterkt ons verlangen naar de revelatie van G’D’s verlossing die wij verwachten in onze tijd.

CHAG SAMEACH

SIMCHAT THORA – VREUGDE DER WET

Het hoofdconcept van Simchat Thora is simcha, of vreugde, zoals de naam van het feest al aanduidt. Het is van deze uitzonderlijke dag dat wij al ons geluk voor het hele jaar verkrijgen.

Alhoewel het waar is dat alle feestdagen, tot een bepaalde hoogte, geassocieerd zijn met simcha, in het bijzonder Soekkot, welke “de tijd van vreugde” wordt genoemd, brengt Simchat Thora een groter aspect van simcha dan alle andere feestdagen en is het het hoogtepunt van de simcha van Soekkot.

Wat is de bron van de vreugde op Simchat Thora, en wat zet het apart van het geluk dat we ervaren van andere feestdagen? In de Zohar, parashat Pinchas, wordt gezegd dat het  gebruikelijk is dat Simchat Thora een dag is van vreugde en geluk.

Dit maakt Simchat Thora anders dan de dagen van Soekkot, welke de eigenschap beschrijven van vreugde omdat zij geassocieerd zijn met de graanoogst, daar de verheven stemming van Simchat Thora een verwijzen is naar “gebruik”, omdat het komt van een plaats verder dan natuur en oogst.

Bovendien zou iemand misschien zeggen dat de simcha van Simchat Thora is afgeleid van het lezen van de Thora. Echter, de vreugde die het leren van Thora geeft is eveneens natuurlijk, eerder dan een gewoonte, zoals het vers zegt, “De opdrachten van G’D zijn puur, en verblijden het hart. (Psalm. 19:9)

Misschien komt de blijdschap van Simchat Thora van het dansen? Dansen is de G’ddelijke dienst van het accepteren van Hemels Koningschap.

Dansen verhoogt de vreugde, maar het is niet de ware grond van de simcha. Vergelijkbaar met de manier waarvan de spraak komt met het intellect en het hart, en, op het zelfde moment emoties en begrip toevoegt. Hoe dan ook, niemand zou zeggen dat de bron van emotie en begrip komt van de spraak zelf. Insgelijks, simcha inspireert tot dansen en het dansen verhoogt de simcha, maar het dansen is niet de oorsprong van de vreugde.

Het centrale punt van de dienst op Simchat Thora is de hakafot, wanneer we zeven keer rondlopen met de Thora, er is gezegd dat de simcha op dat moment zo groot is dat zelfs de voeten zich verheugen. Als het concept van Simchat Thora zo nauw verbonden is met dansen, waarom lezen we dan nog van de Thora?

Het antwoord ligt in het feit dat, op Simchat Thora, het Joodse Volk een hoger aspect van de Thora neer haalt vanuit de Thora zelf, een vreugde die de Thora kroont van het aspect van keter.

Op de feestdag van Simchat Thora (11 oktober, buiten Israël), of de samengevoegde feestdag Shemini Atseret Simcha Thora ( 10 oktober in Israël) lezen wij het afsluitende gedeelte van de Thora Wezot HaBeracha. Wanneer dit is voltooid, begint de lezer onmiddellijk met het lezen van het eerste gedeelte van de eerste parasha van de Thora, Bereeshiet, dus het einde verbinden naar een nieuw begin. Het volledige gedeelte van Parashat Bereeshiet wordt gelezen op de Shabbat die volgt op Simchat Thora, wat betekent Shabbat 21 oktober.

SHABBAT SHALOM- GOED JOM TOV

SOEKOT – LOOFHUTTENFEEST

RABBI JITZCHAK LURIA

 

Van de vele mitzwot verbonden aan de feestdag van Soekot, is misschien het meest opvallende de eigenlijke structuur van de Soeka (hut) in welke wij alle feestdagen verblijven en waarnaar het feest is genoemd. Hoewel de expliciete reden voor het bouwen van de Soeka is, om te herinneren aan de miraculeuze uittocht uit Egypte en G’D’s bescherming tijdens de reizen door de Sinaï woestijn, verklaart de Ari dat, op de juiste manier geconstrueerd, de Soeka dient als een model van de spirituele werelden en een kanaal voor verruimend bewustzijn, een kanaliserende G’ddelijke vrijgevigheid in de Lagere Sferen.

 Een belangrijk element voor een geldige Soeka is de “schach”, de dakbedekking, gemaakt van organische natuurlijke materialen welke rusten op de wanden. Chassidische literratuur leert dat zowel de woorden “Soeka” en “schach” verwijzen naar de uitdrukking “beseffen” [Hebreeuws, “sochei” met G’ddelijke inspiratie], welke gebruikt wordt in de beschrijving van onze matriarche Sara, ook bekend als “Isca” (van de zelfde stamletters).

 De Ari leert dat deze connectie tussen schach en G’ddelijke inspiratie, profetie of enig andere verruimend bewustzijn allesbehalve bijkomstig is.

In feite, de schach van een koshere Soeka in het bijzonder dient als een medium door welke wij hemelse wijsheid en begrip absorberen.

Kabbala reikt niet alleen voorbeelden aan van spirituele realiteiten in de celestiale werelden, maar dat ook wij een actieve rol kunnen spelen in hun manifestatie in Deze Wereld. In de Soeka functioneren wij in de rol van de partzoefiem van Zeir Anpin en Noekva, gelijk een onvolwassen zoon en dochter (of kuikens in een nest), en de schach functioneert als een interface met de partzoef van Imma, de verzorgende “moeder”, niet verschillend van “onze moeder” Sara, zwevend over haar jongen in haar nest, toekennend wijsheid en begrip, en hen de mogelijkheid geeft om tot volwassenheid te komen, en hen een glimp te laten opvangen van het universum van uit haar verheven perspectief.

 

GOED JOM TOV      

DE TIEN DAGEN VAN INKEER EN JOM KIPPOER

UIT DE DIEPTE

Door oprecht gebed kan onze spirituele identiteit volledig worden veranderd.

Jom Kippoer, één van de meest heilige dagen van het Joodse volk, complementeert de “Tien dagen van Inkeer” die beginnen op Rosh Hashana. Het vers dat de Rabbijnen gebruiken om deze dagen te beschrijven is “Zoek naar G’D zo lang Hij gevonden kan worden, roep Hem wanneer Hij nabij is”(Jesaja 55:6), geciteerd in Tractaat Rosh Hashana 18a. Zij verklaren dat G’D dicht bij elke Jood is tijdens deze dagen. Deze kennis en ingeboren gevoel helpen ieder persoon een grotere inspanning te verwezenlijken om nog dichter bij G’D te komen. Gedurende elke van de Tien Dagen groeit deze energie tot het zijn hoogte punt bereikt op Jom Kippoer en brengt ons naar het niveau van “aangezicht tot aangezicht” met G’D, een niveau van verbinding die het hele jaar aanhoudt. Dit verheven niveau is verwant aan het niveau dat Mozes bereikte op de Berg Sinaï, toen hij de tweede stel stenen tafelen van het verbond ontving.

Het was de gewoonte van de Ari, de grote kabbalist van Safed, om elk van de dagen Psalm 130 toe te voegen aan de liturgie voor het Shema en zijn zegeningen in de ochtenddienst. Deze Psalm begint met de woorden, “ Een opstijgend lied, Uit de diepten roep ik U, G’D, mijn Meester, luister naar mijn stem, mogen Uw oren aandacht hebben voor mijn smekende roep.” De eenvoudige betekenis van dit vers is dat een persoon G’D aanroept vanuit de diepten van zijn pijn en conflict. Echter de innerlijke dimensie van het vers verlangt van ons meer: “Vanuit de diepten” refereert aan het niveau van bewustzijn dat haalbaar is voor elke Jood, door onze concentratie en inspanning roepen we G’D aan vanuit ons innerlijke zijn, de diepten van onze ziel.

Rabbi Shneur Zalman van Liadi verklaart dat het woord voor “diepten”, “ma’oekiem”, letterlijk, “vanuit de diepten” moet zijn. De Psalmist gebruikt het woord “ma’amakiem”, letterlijk van diegene die diepte maken, implicerend daad, iemand die dieper graaft in zijn ziel, voorbij alle façaden, naar een plek van innerlijke oneindige waarheid. Als je verzekerd wilt zijn dat je roep zal worden gehoord, moet het van deze plek komen. De Tien Dagen van Inkeer geven ons de mogelijkheid om de diepste diepten van ons innerlijk te bereiken.

De Baal Shem Tov wordt geciteerd toen hem werd gevraagd, “Hoe kunnen we de vrijpostigheid bezitten om te denken dat als we bidden, G’D, de orde van de natuurlijke structuur van de Schepping zal veranderen om ons verzoek in te willigen?” Hij antwoordde dat elk persoon een stroom van zegeningen krijgt uit de hemel; iemands negatieve gedrag veroorzaakt dat deze zegeningen worden gereduceerd en zelfs worden geblokkeerd. Wanneer een persoon bidt vanuit het diepste van zijn ziel, diep gravend en zichzelf open stelt, verandert er iets in de persoon zelf, het verandert hem compleet. Het Hemelse Gerecht kan dan deze blokkaden verwijderen. Het besluit dat veroorzaakte dat zegeningen werden afgesneden is niet meer van toepassing omdat door gebed die persoon zich heeft getransformeerd in iemand anders.

Laat de Tien Dagen van Inkeer niet voorbij gaan zonder gebruik te maken van deze nabijheid tot G’D.

Juda Groenteman

DE SHABBAT SHOFAR

B:H

Wanneer de feestdag van Rosh Hashana op een Shabbat viel , werd in de Beth HaMikdash (de Tempel) de shofar gehoord, maar niet in de Medina ( de synagogen steden en dorpen buiten Jeruzalem) (Rosh HaShana 29b)

Rabbi Avraham van Sloniem, de Beis Avraham, verklaart dat alle mitzwot existeren zowel in de sfeer van denken en intellect als in de sfeer van actief fysiek handelen. De intellectuele sfeer verwijst naar “Mikdash”, terwijl de actieve fysieke sfeer verwijst naar “Medina”.

We horen de shofar in een innerlijke vorm, zonder de eigenlijke shofar. De onderliggende intenties van de shofar worden alleen gerealiseerd via het innerlijke aspect. Wanneer Rosh HaShana op een Shabbat valt, is het blazen van de shofar een sublieme spirituele handeling welke moet plaatsvinden in de interne verscholenheid van iemands hart, en in de diepten van iemands ziel.

WIJ WENSEN AL ONZE VRIENDEN EN SUPPORTER SHABBAT SHALOM EN EEN KETIVA VECHATIMA TOVA, MAG DE ALMACHTIGE U EN DE UWEN INSCHRIJVEN VOOR EEN GOED EN ZOET JAAR.

ROSH HASHANA – NIEUWJAAR 5770

WAT IS EEN ZIEL?

De Thora is niet in de Hemel, het is vervulbaar in deze wereld

Een verhandeling van de Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneerson.

Sefer Hamaamariem Meloekat 2:99

“Dit is de dag (zé hajom) van het begin van UW werk, een herinnering aan de eerste dag, want het is een chok, een wet voor Israël en een mishpat, een verordening, voor Jacob…” (Liturgie van Moessaf Rosh Hashana, van de Talmoed, Rosh HaShana 27a)

Dit gebed uit de Rosh Hashana liturgie dient als prelude tot talrijke verhandelingen besprekend de innerlijke dimensie van Rosh Hashana. Het representeert het idee dat Rosh Hashana meer een viering van het scheppen van de mens is dan dat van de wereld. Wie is de mens en waarom is zijn creatie een feest waardig?

De wereld werd gecreëerd op de 25e van de maand Eloel. Het Hebreeuwse equivalent van 25 is chaf hé, wat het woord koh vormt. Koh suggereert vaagheid. Het woord , aan de andere kant, wat “dit” betekent, suggereert duidelijkheid. Bijvoorbeeld, bij het splijten van de zee was de revelatie van G’ddelijkheid zodanig dat men in staat was om te bepalen en te zeggen zé k’eli,dit is mijn G’D.” Als contrast, de verschillende revelaties door profetie (behalve die van Mozes) werden gewoonlijk verteld met het voorwoord koh amar Hashem, wat wordt vertaald als “Zo zegt G’D”, maar wordt verondersteld te betekenen “zo dit zegt G’D, betekenend, dat er niet een helder beeld is.

Dit is waarom Rosh Hashana, die de Schepping van de wereld viert, wordt gevierd op de eerste dag van de maand Tishré, die correspondeert met de zesde dag, de dag dat de mens werd gecreëerd. De reden hier voor is dat het uiteindelijke doel van de Schepping is dat de mens door zijn G’ddelijke dienst G’ddelijkheid openbaart in de wereld, een revelatie die wijst en zich richt op zé “Dit”. Deze inspanning begon op de dag dat de mens geschapen werd, Rosh Hashana.

Vandaar het gebed: “Dit is de dag (zé hajom) van het begin van UW werk, een herinnering aan de eerste dag….”

Hajom (deze dag), zegt de Zohar II, 32b, refereert aan Rosh Hashana. [Een andere voorbeeld van het woord hajom in verhouding tot Rosh Hashana   is in het vers van het Thoragedeelte dat gelezen wordt op de Shabbat voor Rosh Hashana, Deuteronomium, 29:9): “Jullie staan hajom, (vandaag) allen voor de Eeuwige, jullie G’D, vandaag verwijst naar Rosh Hashana toen de hele natie samen stond als één, “ jullie stamhoofden, jullie oudsten, zowel houthakkers als waterscheppers”. (Zie Likoetei Thora Nitzaviem [aan het begin])

Rosh Hashana wordt het begin van UW werk genoemd, hoewel het wordt gevierd op de dag corresponderend met de zesde dag van de Schepping, aangezien de Schepping van de wereld waarlijk wordt gevierd op de dag dat het doel ervan begon te worden gerealiseerd, de dag dat de mens werd gecreëerd. Het was op de dag dat de revelatie van zijn aanvang nam; vandaar zé hajom, betekenend dat elke Rosh Hashana, hajom, vieren wij de revelatie van .

Om de voltooiing en de vooruitgang van de zesde dag te waarderen, moeten we eerst de toestand van de wereld op de eerste dag van de Schepping begrijpen.

OP de eerste dag van de Schepping werden hemel en aarde geschapen, ex nihilo. De Thora’s beschrijving van de “creaties” van de daarna komende dagen refereert in waarheid aan de revelatie van deze creaties, hun vorming en ontwikkeling en niet aan de Schepping zelf. De creatie van alles, hun wording, zij het in een ongedefinieerd staat, vond plaats op de eerste dag. (Rashi op Genesis, 1:14 en 24). Zelfs de mens was in zekere zin gecreëerd op de eerste dag, daar hij is gevormd van stof, aardse materie, dat op de eerste dag was gecreëerd.

(De spirituele wereld van Atziloet, zegt de zohar I, 32b, was ook gecreëerd op de eerste dag. Zo wordt verklaard uit het eerste vers van de Thora: In het begin, refereert aan Chochma; Elokiem refereert aan Bina: De Hemelen aan Zeir Anpin; De Aarde refereert aan Malchoet.)

Voorts schrijft de Midrash dat op de eerste dag alleen G’D in de wereld was, Hij was de enige aannemelijke realiteit. Met andere woorden, de creatie die plaats vond op de eerste dag was van een type dat de exclusiviteit van G’D’s existentie betoogt.

Bovendien, tot aan de verandering van de status van de wereld door Adam en Chava, was de hele wereld op het niveau van Gan Eden. (Likoetei Thora Korach 52c)

Toch, ondanks de superieure staat van de wereld nog voordat de mens geschapen werd, bracht de Schepping van de mens de wereld naar een hoger niveau. Want de eerste vijf dagen van de Schepping, de wereld, zelfs in zijn verheven staat, was nog steeds een wereld, verheven maar beperkt tot de parameters van de Schepping. Wat werd geïntroduceerd door de Schepping van de mens, was het licht daarboven, de revelatie van de essentie van G’D, die elke coherentie en associatie met het concept van een wereld overstijgt.

Waaruit verkrijgt de mens het vermogen om de Essentie te reveleren en  neerwaarts te halen? Vanwege de bron van zijn ziel, die de essentie van G’D is. Tot aan de zesde dag van de Schepping existeerde alleen het lichaam van de mens in deze wereld. Op de zesde dag blies G’D de ziel van het leven in zijn neusgaten. De aard van deze ziel wordt gedefinieerd in de Zohar, in zijn commentaar op het beeld van G’D “blazend” de ziel van het leven in de mens: “Hij die blaast van Zijn binnenste,” van Zijn essentie. De ziel wordt dus het kind van G’D genoemd. Een kind komt voort vanuit het diepste wezen van de vader, een plek buiten de gemanifesteerde hoedanigheid van de vader. (Dus het kind is in staat de vader te overschrijden, aangezien er vermogens zijn die existeren in de vaders essentie die nog niet in hem gemanifesteerd zijn, maar wel tot uiting kunnen komen in het kind). Zo ook vloeit de ziel voort uit de essentie van G’D, overschrijdend Zijn gemanifesteerde eigenschappen.

Dit verklaart de uitspraak van de Heilige, Geprezen zij Hij: “Mijn kinderen hebben Mij overwonnen.”

[In verband met deze aanhaling: verteld de Talmoed (Bava Metzia 59a) het volgende verhaal: Rabbi Eliezer, die faalde om de andere Wijzen te overtuigen van zijn gelijk ten opzicht een bepaalde wet, begon miraculeuze gebeurtenissen te veroorzaken om zijn gelijk te krijgen, maar de Wijzen waren niet onder de indruk. Hij liet de muren van de studie hal buigen, waarna Rabbi Jehoshua de muren hekelde en zei: “Wat is het jou gelegen dat Thorageleerden wedijveren in de halachische zaken?” De muren vielen niet om uit respect voor Rabbi Jehosjoea,  noch keerden zij terug naar hun oorspronkelijke positie uit respect voor Rabbi Eliezer. Uiteindelijk klonk er een hemelse stem (G’D) en zei dat de Halacha Rabbi Eliëzer volgt, waarna Rabbi Jehosjoea op stond en zei: “De Thora is niet in de hemel, maar in deze wereld. We besteden geen aandacht aan een hemelse stem, want U hebt geschreven in Uw Thora, “volgens de meerderheid van stemmen wordt de zaak besloten.” Rabbi Nassan ontmoette een keer Elia, de profeet en vroeg hem hoe de Heilige reageerde toen rabbijn Yehoshua sprak. Hij antwoordde: Hij lachte en zei: ‘Mijn kinderen hebben Mij overwonnen, Mijn kinderen hebben over Mij gezegevierd.

(Dit idee draagt de specifieke relevantie op Rosh Hashana. De Midrash verhaalt: Toen de celestische engelen zich verzamelden voor G’D met de vraag, wanneer is het Rosh Hashana? Antwoordde G’D hen, waarom vraag je het aan Mij? Laten jullie en Mij naar het Aardse Hof gaan [en hen vragen] Devariem Rabba, 2:14).

Dit verklaart de bekwaamheid van de ziel van de mens om een uitwerking te hebben op de revelatie van de essentie van G’D. Dat het ook in deze wereld de unificatie naar koh en zé kan reveleren is door zijn revelatie in het lichaam. Want het lichaam van de mens, dat van aarde is gecreëerd en die is gecreëerd op de eerste dag, is op het niveau van koh. Wanneer de ziel het niveau van reveleert in zijn lichaam, veroorzaakt dit op zijn beurt de revelatie van in de hele wereld.

Hoe volbrengt de ziel dit? Het antwoord wordt gevonden in het tweede gedeelte van het bovengenoemde vers: “….want het is een chok, een wet voor Israël en een mishpat, een verordening, voor Jacob…” Met andere woorden, het doel van zé hajom, de revelatie ervan wordt bereikt door de ziels studie van chok, de Thora en zijn ten uitvoer brengen van mitzwot, mishpat.

Vandaar de naam (Israël) in relatie tot Thora, omdat Israël het woord rosh, hoofd bevat, het deel van de mens dat wordt gebruikt voor Thorastudie. Yaakov (Jakob) wordt gebruikt in relatie tot de mitzwot, omdat Yaakov het woord ékev, hiel bevat, verwijzend naar de mitzwot die worden uitgevoerd met de lagere fysieke aspecten van de Schepping.

SHABBAT SHALOM EN LESHANA TOVA TIKATEVOE VETICHATEMOE, MOGEN JULLIE INGESCHREVEN EN BEZEGELD WORDEN VOOR EEN GOED JAAR