PARASHAT CHAYEE SARA

De jaren van Sara’s leven (Genesis. 23:1 – 25:18)

RABBI SHIMON BAR JOCHAI
ZOHAR I. P. 121b,122b

Sara’s leven was honderdzevenentwintig jaar, de jaren van Sara’s leven.” (Genesis. 23:1)

Rabbi Jose verklaart: Sara verschilde van alle andere vrouwen van de toenmalige wereld in de beschrijving van haar dood in de Thora, daar het overlijden van andere vrouwen niet zo wordt beschreven.

Rabbi Chiya betwijfelt deze stelling. Is dit werkelijk zo? Maar er staat geschreven, “Rachel stierf en werd begraven op de weg naar Efrat” (Genesis. 35:19), en er staat geschreven, “Miriam stierf hier….”(Numeri. 20:1), en er staat geschreven, “Dewora, Rebecca’s dienstmeid, stierf” Genesis. 35:8), en er staat geschreven, “Shoea’s dochter, de vrouw van Jehoeda, stierf” (Genesis. 38:12)?

Rabbi Jose antwoordde: Geen enkel van hen is geportretteerd zoals Sara ( het heengaan), zoals het vers bevestigt, “Sara’s leven was honderdzevenentwintig jaar, de jaren van Sara’s leven.”
De precieze jaren van de andere vrouwen werden niet expliciet vermeld, zoals bij Sara. Bovendien draagt, na aanleiding van hun heengaan, een parasha niet hun naam, zoals bij Sara. Hoe dan ook, dit wijst naar het mysterieuze niveau waarvan alle jaren en dagen van mensen afhangt.

Dit verwijst naar de Shechina. Na de zonde van Adam en Eva met de Boom der Kennis, was de ziel van de mensheid besmet en daalde af in het domein van kelipot. Echter, Sara in haar rechtschapenheid verhief elk aspect van haar leven boven de krachten van dood en onzuiverheid en steeg op tot het eeuwige leven [commentaar van Midash Melech], zoals de Zohar nu zal uitleggen.

Kom en zie: Toen Eva in deze wereld kwam , verbond zij zichzelf met de slang, de kracht van onzuiverheid en dood. En hij injecteerde zijn vergif van onzuiverheid in haar, wat uiteindelijke de dood ten gevolge had [geen eeuwig leven in deze wereld] voor haar en haar echtgenoot en de gehele mensheid. Maar Sara kwam in deze wereld en steeg, na haar rechtschapen leven in deze wereld op, zonder ermee in contact gekomen te zijn, zoals het vers vermeldt, ” Abram ging op van Egypte samen met zijn vrouw Sara en alles wat zij bezaten” (Genesis. 13:1)

Toen Noach in deze wereld kwam, wat werd er toen geschreven? ” Hij dronk wijn  en werd dronken en ontkleedde zich” (Genesis. 9:21) [ verzuimend om zichzelf te ontdoen van onzuiverheid]
Maar omdat Abraham en Sara het onzuivere niet omhelsden, verdiende Sara het leven in de Komende Wereld voor haar zelf , haar echtgenoot, en al haar nakomelingen… want zij klemde zich vast aan het leven, daarom waren haar jaren en dagen “in leven”. Overeenkomstig vermeldt het vers, “deze zullen zijn (jaren) het leven van Sara,” want ze continueerde boven, honderd in de hogere werelden, twintig in de hogere werelden, en zeven in de hogere werelden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

En Hij verscheen (Genesis 18:1 – 22:24)

Rebbeinoe Bachya

“Een engel van de Eeuwige riep hem vanuit de hemel toe en zei: “Awraham, Awraham.” En hij zei: “Hier ben ik.” En hij zei: “Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Godvrezend bent en dat je Mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden.” [Genesis. 22:11-12]

Het ogenschijnlijk vreemde fenomeen in deze paragraaf, dat G’D degene is die Abraham onderwerpt aan een beproeving, en die engel voorkomt dat hij daarin verder gaat, moet als volgt worden opgevat: De “engel” is niet van de categorie van “nifradiem” [spiritueel creatuur, gescheiden van het lichaam], maar van wat bekend staat als de “netiyot” [de emanaties van G’D”, een G’ddelijke stem veel dichter tot G’D’s Essentie dan “louter”engelen].

Had de engel, welke Abraham riep en hem instrueerde te stoppen, behoord tot de categorie bekend als “nifradiem”, zou Abraham hem hebben genegeerd, en zou zichzelf niet toestaan, als ondergeschikte van degene die hem in eerste instantie heeft opgedragen, om te annuleren. Bovendien, is het verreweg ondenkbaar dat een engel van de “lagere”categorie van “nifradiem” zou zijn toegestaan om tegen Abraham te zeggen, “Je hebt je zoon niet aan Mij onthouden”; hij zou gezegd hebben “van Hem”. Dit maakt duidelijk dat de stem welke de Thora beschrijft als, voortkomend uit een “engel van G’D”, van een superieur G’ddelijk niveau was.

Deze “engel”, bekend onder de naam “groot engel”, manifesteert zichzelf in Exodus 14:9, als de Thora hem beschrijft als “De engel van G’D, die het kamp van Israël voorgaat” [en daarbij allerlei mirakels volbrengt]. Bij het gebruiken van de woorden “malach ha Elo-hiem” bedoelt de Thora niet “engel van G’d”, want het woord “malach” [gewoonlijk vertaald als “engel”] is niet een bezittelijk voornaamwoord, de engel is slechts een eigenschap van G’D. Het woord ”Elo-hiem” in dit vers, moet worden opgevat als, uitleg van het woord “malach”. Wanneer de Thora deze G’ddelijke voortbrenging beschrijft als “malach” betekent dit dat G’D inhoudelijke aanwezig is in deze G’ddelijk voortbrenging.

We komen iets dergelijks tegen in Exodus 23:21, waar G’D aan Mozes uitlegt dat de engel/malach, die het Joodse Volk zal begeleiden, met het allergrootste respect gerelateerd moet worden aan “Mijn naam in hem”.

Het woord is klaarblijkelijk in plaats gesteld voor de eigenschap van G’D, wat we noemen “de vrees van Izaak”, een eigenschap welke op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

Wanneer we lezen in Genesis 48:16, als Jacob voor zijn dood zegent, “ De engel die mij verloste……is in het midden van de aardse wereld,” welke een verwijzing is naar de eigenschap van “meesterschap” [“adnoet”] welke deze “engel” representeert. Hij heeft de autoriteit binnen het gehele aardse universum.

Rebbeinoe Bachya, Rabbi Bachya ben Asher [1255-1340] van Saragosa Spanje, was een uitzonderlijke leerling van Rabbi Shlomo ben Aderet ( de “Rashba”), de voornaamste leerling van Rabbi Moshe ben Nachman (de “Ramban”). Verscheidene boeken zijn geschreven op de Kabballa baserende Thoragedeelten van R. Bachya’s commentaren.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij             Genesis 12:1 – 17:27

 Rabbi Shimon bar Jochai.
Zohar, pg. 82a

De Zohar verklaart waarom de eerste zegen, in het Stille Gebed, Shemoné ‘Esré, “Geprezen U, Eeuwige, beschermer van Awraham” is. Het was Koning David, een soldaat, die streed met een fysiek schild, maar zich ook verliet op G’D’s bescherming. Waarom zeggen we dan niet “Beschermer van David”?

Rabbi Jossi opent zijn verhandeling [de uitzonderlijke natuur van Abraham uitleggend] met het citaat “U bent een beschermer voor mij,U houdt mij in ere en heft mijn hoofd op”. (Psalm 3:4) Hier zegt David, dat zelfs als de hele wereld zich tegen hem zou verenigen, om oorlog te voeren [zou hij geen vrees hebben voor een nederlaag] omdat “U bent een beschermer voor mij”. [m.a.w zij kunnen mij geen schade toebrengen.] Kom en zie. De Tekst zegt “een beschermer voor mij” dit betekenent dat David zegt tegen G’D, “Heer van het Universum, waarom is het dat mijn naam niet wordt gebruikt in het maken van een zegen in het Stille Gebed, zoals gedaan voor Abraham? Zoals is geschreven [dat G’D zei tegen Abraham], “Vrees niet Abram, Ik ben een schild voor je”(Genesis.15:1); en [om die reden] zeggen zij [in de eerste zegen van het Stille Gebed] ‘Beschermer van Abraham’.”

Abraham was het archetype van vriendelijkheid, dat voor misbruik natuurlijk vatbaar is. Aangezien hij het voorbeeld van zuivere vriendelijkheid in een gevaarlijke wereld was, beloofde GD om hem van iedereen te beschermen wie macht over hem zouden proberen te hebben. Koning David vraagt of hij eveneens in aanmerking komt voor een zegen voor beveiliging, aangezien hij ook goed bracht in de wereld, oprecht vertrouwde op GD als schild en beschermde bij vele gelegenheden.

De Heilige, Geprezen zij Hij, beantwoordde David door te zeggen, “Ik heb reeds Abraham [ met de 10 proeven, zoals in de Midrash aangegeven ] getest en hem gezuiverd [letterlijk, aangezien hij de oven overleefde waar Nimrod hem in wierp], en hij weerstond volledig [tegen zijn kwade neiging in] elke test.

Aangezien Abraham zijn kwade inclinatie geheel had overwonnen, konden de krachten,die door de Andere Zijde werden voortgebracht, geen enkele invloed over de zegen uitoefenen, die tot zijn verdienste was neergedaald.

Koning David zei tot Hem, dat als dit het geval is “Onderzoek me eveneens, GD en test me; zuiver mijn nieren en mijn hart “. (Psalm 26:2)

[Zo zond G’d hem een test door Bath Sheba] en toen hij handelde zoals hij deed, werd David herinnerd door GD met betrekking tot zijn verzoek. Vandaar dat hij zei “U heeft mijn hart getest” (Psalm.17:3); “U heeft mij ‘s nachts bezocht; U heeft mij getest en mijn gebrek gevonden; laat mijn mond geen overtreding begaan.”

David vraagt, “Ik vroeg U, onderzoek mij G’D en stel mij op de proef, en U testte mijn hart. Ik zei zuiver mijn nieren [om te zien of mijn raad goed was – aangezien zij de zetel van raad zijn], en U testte ze. Maar U stelde mij in gebreke. Anders gezegd, U vond me niet waardig. Ach, wat ik had gevraagd te gebeuren, had niet mijn mond mogen ontsnappen.”

Met al dat [omdat David zijn schuld erkende en berouw toonde], vergaf G’D hem, en om die reden eindigen wij een zegen met de woorden “Schild van David” [in de zegen na het lezen van deHaftara (Profetenlezing) op Shabbat]. Vanwege dit alles begreep Koning David dat G’D ook een waar schild was voor de sefira vanmalchoet, David zei in de boven aangehaalde quotatie, “En U, G’D, bent een schild voor mij; mijn glorie, en Degene die mijn hoofd opheft”, [dit betekenent] “Natuurlijk is deze sefira[malchoet] mijn eer en de ware kroon welke ik op mijn hoofd draag”.

Omdat de sefira van malchoet direct onder de sefirot van jesod entiferet is, in het diagram van de Boom van het Leven, worden alle zegeningen van de hogere sefirot direct er naar gekanaliseerd, via het middenpad. Dit houdt deze zegeningen uit de greep van de externe krachten en beschermt hen. Ook moet opgemerkt worden dat de kleur,die geassocieerd is met de sefira van malchoet, blauw is. Vandaar de Ster van David op de Israëlische vlag, welke een representatie is van zijn schild, met als kleur, blauw.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NOACH

Noach          Genesis 6:9 – 11:

Rabbi Shimon bar Jochai.

Zohar P. 64b.

In de onderstaande vertaling, verklaart de Zohar, waarom de naam van G’D, gespeld joed hé vav hé (verwijzend naar “Havayah”) wordt uitgesproken op een niet relevante manier ten aanzien van de behorende spelling. De naam wordt uitgesproken als “Ado-nai”, wat “Heer” betekent, wat zelfs nog geeneens een toespeling is tot de betekenis van de spelling. Een andere naam, Elo-hiem, wordt eveneens gebruikt om het G’ddelijke te beschrijven, in het aspect als schepper. Onze tekst onderzoekt de achterliggende betekenis in het gebruik van deze naam, en wat het betekent in ons dagelijks leven.

Om welke reden wordt op een bepaalde plaats geschreven, “En Havayah [welke een naam is die refereert aan het G’ddelijke aspect van barmhartigheid] liet zwavel en vuur regenen over Sodom en Gamora” (Genesis. 19:24)? Waar ligt het verschil tussen dit, en het verhaal van de Watervloed, waar telkens de naam Elo-hiem wordt gebruikt en niet de naam G’D?

De enige uitzondering met betrekking tot dit is wanneer de tekst gaat over de redding van Noach en zijn familie, zoals “Havajah zei tegen Noach: ‘ Ga, jij met heel je huisgezin in de ark’” (Genesis. 7:1), of “Havayah sloot hem beschermend in.” (Genesis. 7:16)

We hebben echter geleerd dat op elke plaats waar “en Havayah” wordt gezegd, het een verwijzing is naar Hem en Zijn Gerechtshof.

De intentie is om aan te geven dat Zeir Anpin, het hogere barmhartige aspect van G’D, zich heeft verbonden met Malchoed. Juist zoals een koninkrijk wordt geregeerd bij wet, resulteert de verbinding van Zeir Anpin met Malchoet, in het tot uitvoer brengen van een justitieel oordeel.

Waar de naam Elo-hiem op zichzelf wordt gebruikt, verwijst het naar het aspect van oordeel. Toen Sodom werd verwoest, was het oordeel niet de gehele wereld. Met als gevolg dat de naam Havajah [de naam] werd betrokken in het ten uitvoer brengen van het justitieel oordeel [om de zekerheid aan te geven van een gelimiteerde destructie]. Dit was niet het geval met de Watervloed. Daar werd de gehele Wereld verwoest met al zijn levende creaturen.

Nu, denk niet, dat [omdat] Noach en allen met hem, waren gered, oordeel en barmhartigheid zich met elkaar hadden vermengd. Hij was uit het zicht gehouden [voor de destructieve machten en daarom gered]. Vanwege de krachten van oordeel, was alles in de wereld verwoest. Vandaar zien we, dat waar de woorden “en Havayah” worden gebruikt, het mogelijk is om uitgesloten te worden [zoals bij Lot] en gered te worden [omdat er een differentiatie is gemaakt tussen de slechten en degenen die het verdienen om gered te worden].
Overal waar de naam Elo-hiem wordt gebruikt, dienen mensen zichzelf te verbergen en blijven beschermd in een afgesloten plaats [als een bunker!]. Omdat Hij [het aspect van oordeel] alles vernietigt [geen verschil maakt tussen rechtvaardigen en slechten]. Dit is de reden dat de naam Elo-hiem specifiek is gebruikt in direct verband met de Watervloed.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEREESHIET

In het begin

Genesis. 1:1 – 6:8

Rabbi Jitzchak Luria

Zichtbaar vanuit het niet Zichtbare

Etz Chaim, geschriften van de Ari, Sha’ar Rishon, Droesh Igoeliem V’Yosher, Anat Beth.

Weet dat vóór enig uitvloeisel was voortgekomen of enig geschapene werd gecreëerd, was er een enkel [compleet en perfect], hemels [verheven, transcendentaal] Licht dat de hele existentie vulde. Er was geen lege “plaats”, of lege ruimte. De hele realiteit was gevuld met OR EIN SOF [Licht Zonder Einde, of eenvoudig, Oneindig Licht]. Er was geen categorie van “begin” en geen categorie van “eind”. Alles was één, verenigd, simpel, ongedifferentieerd, alomtegenwoordig en homogeen Oneindig Licht, “Or Ein Sof” genoemd.

Wanneer het oprees in Zijn Wil om werelden en uitvloeisels te laten voortkomen, om tot licht te brengen, met andere woorden, de perfectie van Zijn handelingen, Zijn Namen en Zijn eigenschappen kenbaar te maken, wat het eigenlijke doel van her Scheppen van alle universums is, trok en beperkte Hij Zijn Oneindige Essentie weg van het middelpunt van Zijn, dat is van het absolute middelpunt van Zijn Licht [om een “plaats” te creëren waarbinnen een systeem van differentiële dimensies of werelden kunnen voortkomen en tot stand kunnen worden gebracht]. Aangezien oneindigheid uiteraard geen middelpunt heeft, wordt dit alleen gezegd vanuit het gezichtspunt van de “ruimte” die op het punt staat te worden gecreëerd. Hij beperkte dus dat Licht, distantieerde het naar het uiterste, rond dit middelpunt, achterlatend een vrije ruimte hol en leeg…

En Ziedaar, na deze beperking, die resulteerde in de schepping van een “vrijgekomen ruimte” een holle leegte in het midden van het Oneindige licht van Ein Sof, was er een “plaats” voor alles wat voort kan worden gebracht, [Atziloet] creëerde [Beriya], vormde [Yetzira], en completeerde [Asiya]. Hij trok voort een enkele rechte Straal van Zijn Oneindig Omgevend Licht [en verlengde het neerwaarts] in de vrijgekomen ruimte. Deze Straal daalde in fases neer in de vrijgekomen ruimte. Het hoogste uiteinde van deze Straal raakte en kwam voort van het Oneindige licht van de Ein Sof [ dat de Ruimte omgaf] en strekte zich neerwaarts [in de vrijgekomen ruimte richting middelpunt] maar niet helemaal tot de bodem [zodat het niet het ineen storten van de vrijgekomen ruimte veroorzaakt, met als gevolg dat het zich opnieuw verenigt met G’D’s Oneindig licht]. Het was door deze Straal [dienend als een kanaal] dat het Licht van de Ein Sof neerwaarts werd getrokken en beneden werd uitgespreid. In deze vrijgekomen ruimte, emaneerde, creëerde en vormde en completeerde Hij vervolgens alle werelden. Door deze Straal, welke diende als een beperkt kanaal, spreidde het uitvloeiende Hemelse Licht van de Ein Sof voort en vloeide neerwaarts in de universums die waren gevestigd binnen die Lege Ruimte.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJÉLEECH

SHABBAT SHOEVA
En hij ging            Deuteronomium.  31:1 – 31:30

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar. p. 285b

Antwoorden met Amen

Rabbi Jehoeda interpreteert het vers “…. want degenen die Mij eren zal Ik eren en degenen die Mij verachten zal weinig geacht worden” (Samuel I, 2:30). Een persoon die niet weet de Naam van zijn Schepper te eren, weet niet de juiste gedachten te hebben bij het zeggen van “Amen” en zal weinig geacht worden. Dit is zoals we hebben geleerd dat iemand die met “Amen” antwoordt, groter is dan degene die de zegen uitspreekt. [Als iemand een zegen hoort behoort hij te antwoorden met “Amen: ]

De gepaste intentie in het zeggen van “Amen” is om de oneindig barmhartige Naam Havayah te verenigen met het aspect van Malchoet – Ado-nai, zoals we hebben uitgelegd in Parashat Shoftiem . De gene die de zegening uitspreekt gebruikt de Naam Ado-nai, terwijl de persoon die antwoord me “Amen” het oneindige aspect van de Schepper één maakt met het aspect van Malchoet. Dus de persoon die antwoordt met “Amen” verenigt dus twee Namen van G’D, in tegenstelling tot de ene Naam die de persoon gebruikt bij het uitspreken van de zegen. Dit fenomeen wordt aangetoond door het woord “Amen” dat de numerieke waarde heeft van 91, de zelfde numerieke waarde als dat van de G’ddelijke Namen Havayah en Ado-nai samen.

Dit is zoals wij hebben geleerd van Rabbi Shimon bar Jochai, namelijk dat met het beantwoorden met “Amen” zegeningen neerwaarts gehaald worden van de onuitputtelijk spirituele bron naar de Koning en van daar naar de Koningin.

Dit veroorzaakt een gunstige influx, een toevloed van de verenigde werelden van Abba en Imma naar Zeir Anpin, de spirituele spiegel boven de fysieke wereld en van daar naar deze fysieke wereld.

We hebben evenzo geleerd in het esoterische boek van Rabbi Elazar de Combinaties van Letters, dat het meditatieve pad van het woord “Amen”  is gereflecteerd in de letters van het woord zelf. Dus men trekt de spirituele overvloed van de letter alev van het woord “Amen” naar de mem en van de mem naar de noen.

Alev representeert eenheid, mem representeert Imma/Bina en noen representeert Zeir Anpin.

Wanneer de zegen de noen bereikt wordt [deze spirituele influx]  er uit ontlokt en  vloeit voort in de spirituele en fysieke werelden en verspreid zich over alle werelden. Een stem komt voort en verkondigt: “Drink van het elixer van zegeningen die deze met name genoemde persoon, een dienaar van de Heilige Koning  die een uitstroom te weeg heeft gebracht.”  Wanneer Israël beneden nauwlettend luistert naar de zegen van de leider van het gebed om te kunnen antwoorden met “Amen” en naderhand met de juiste meditatie en zorgvuldig hun harten concentreren zoals wordt vereist, hoeveel poorten van zegeningen worden dan voor hen boven geopend en hoeveel zegeningen worden neergehaald naar hen beneden! Hoe groot is het goede dat alle werelden bedekt en groot is de vreugde die overal doordringt!

Wat is de beloning voor Israël die dit alles veroorzaakt? Zij verkrijgen een beloning in zowel deze fysieke wereld als in de spirituele wereld. Hun beloning in Deze Wereld is dat op het moment degenen die hen haten en hen willen breken en hen misère willen brengen en Israël hun Schepper aanroept, een stem voortkomt en in alle werelden verklaart, “Open de poorten voor de intrede van het heilige volk die hun vertrouwen behielden [in het Hebreeuws, ‘emoeniem’] (Jesaja. 26:2). Interpreteer het woord “vertrouwen” niet als emoeniem’, maar als “ameniem“, betekenend, degenen die Ämen” zeggen. Dus de opdracht om de poorten te openen is een reflectie op het feit dat Israël de poorten van zegeningen opent. Nu de poorten van gebed voor hen zijn geopend als beloning en zij bewaard zijn voor degene die hen wilde breken is dat hun beloning in Deze Wereld.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NITSAVIEM

Aangetreden Deuteronomium. 29:9 – 30:20

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, P. 18a

De heilige Ari koos dit gedeelte van de Zohar omdat hij dit passend vond voor de dagen dat wij parashat Netsaviem lezen, het werd gepubliceerd in zijn compilatie “Chok LeJisraël“.

De dag van Rosh Hashana is de dag van het pinakel van Izaak, het symbool van de sefira van gevoera. Op die dag wordt hij verheven tot hoofd van de “Voorvaderen”; de anderen zijn Abraham, welke de sefira van chesed representeert, en Jacob, tiferet [ de combinatie van strikt oordeel met goedhartigheid]. Verwijzend naar die dag en zijn verbinding met vrees, is geschreven: “De zondaars van Zion zijn bevreesd; bangheid heeft de vleiers verrast.” (Jesaja. 33:14)

De dag van Rosh Hashana  is de dag dat Izaak werd verheven en gebonden op het altaar om geslacht te worden als offer. [Omdat dit de dag is van streng oordeel, welke tot zijn hoogste niveau is verheven op die dag, wanneer iedereen de Koning in oordeel passeert.] Op die dag wordt over alle naties geoordeeld en Sara [welke de Shechina representeert] jammert in vrees wegens de hardheid van het oordeel en het geblaas van de shofar, welke tevens ook grote vrees opwekt. Gelukkig is het lot van iemand die zich weet te sturen door dit alles en zich bewaart voor de hardheid van die dag, omdat hij zich realiseert dat het ontstaan van het strenge oordeel bij zijn bron wordt gezoet.

Rabbi Abba zegt, de reden dat we dit gedeelte van de Thora lezen op deze dag, welke relateert aan het offeren van Izaak, is omdat dit de dag is waarop hij werd geofferd (gebonden op het altaar) in deze fysieke wereld en tevens ook gebonden werd in de spirituele wereld. Het was tot op die dag dat Izaak werd verheven tot de sefira van gevoera [ten gevolge van de vrees opgewekt door het gebonden zijn op het altaar als offer].

Wanneer werd Izaak gebonden op het altaar? In de tijd toen werd geschreven: “Ze kwamen tot aan de plaats die G’D hem gezegd had. Daar bouwde Abraham het altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Izaak en legde hem op het altaar, bovenop het hout.” (Genesis. 22:9)

Rabbi Elazar zegt dat dat de dag is dat Izaak Abraham kroonde, zoals staat geschreven: “Elo-hiem verhief Abraham” (Genesis.22:1). De betekenis van de woorden “verhief” kan afgeleid worden van de verzen: “Ik zal mijn handen opheffen naar naties, Ik zal mijn vlag zichtbaar verheffen   de volkeren” (Jesaja 49:22); eveneens, Mozes noemde een altaar, “G’D is verheven als mijn banier (standaard)”(Exodus. 17:15). Hieruit leren wij dat de sefira van chesed op die dag werd verheven en gecompileerd, omdat het Abraham was, representerend chesed , die de macht had over Izaak en hem bond op het altaar.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt            Deuteronomium. 26:1 – 29:8

 De relatie tussen Ki Tavó en Chai Elloel

Likkoetei Thora 40b-d

 De achttiende dag van de maand Elloel, of Chai Elloel, markeert de geboorte dag van zowel de Baal Shem Tov [5458, (1698)], stichter van de Chassidische Beweging als de Alte Rebbe [5505 (1745)], grondlegger van het Chabad Chassidisme. Deze dag valt of wel op of vlak voor de Shabbat waarop het Thoragedeelte van Ki Tavó wordt gelezen.

 Alle Joodse feestdagen en uitzonderlijke gebeurtenissen in de Joodse kalender worden aangeduid in de Thoralezing gedurende de week waarin ze plaatsvinden. Begrijpelijkerwijs wordt Chai Elloel, dus aangeduid in het gedeelte van Ki Tavó.

Waar in dit gedeelte vindt men de connectie met deze aanduiding?

 Ki Tavó begint met de voorschriften van Bikoeriem, de eerste vruchten die de Joden verplicht waren te staan direct “Wanneer je dan in het land dat de Eeuwige, G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen.”

 Onze Rabbijnen geven aan dat de kwalificatie “het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen”leert, dat de verplichting van Bikoeriem niet begon voordat de 14 jaren waarin Eretz Jesraël in bezit genomen werd en verdeeld onder de stammen voorbij waren.

Het vers is aangepast op die wijze om de volgende reden: De ware betekenis van “in het Land komen” is dat van komen in zijn geheel, helemaal. Dit is in overeenstemming met de uitspraak van onze Wijzen: “Een gedeeltelijke binnenkomst wordt niet beschouwd als een hele binnenkomst.” Het woord “komen “ betekent daarom “in bezit nemen en wonen”, want alleen dan werden de Joden beschouwd werkelijk het Land te zijn binnen gegaan.

Dit is de connectie tussen Ki Tavó en Chai Elloel, de geboorte data van de twee grote Chassidische stichters:

Chasidoet is uniek in zijn vermogen om geest, gedachte en hart te doen ontwaken zodat de dienst van Thora en Mitzwot is op de wijze van Ki Tavó, een complete onderdompeling met elke vezel van iemands wezen die wordt voortgebracht door spirituele dienst.

De waarde van deze wijze van dienst zal begrepen worden door het verschil uit te leggen tussen iemands intrinsieke en extrinsieke staat van zijn; intrinsiek refereert aan iemand zoals hij existeert in relatie tot zichzelf en extrinsiek zoals hij existeert naar anderen.

 In termen van spirituele dienst betekent dit het volgende: Wanneer iemand iets doet, op een intrinsieke en extrinsieke wijze, blijven hij en de idee die hij uitvoert twee verschillende entiteiten. Wanneer echter iemand handelt vanuit zijn innerlijke zelf, dan absorbeert zijn innerlijke wezen zichzelf in dat wat hij doet, want in relatie tot iemands innerlijk wezen, zijn essentie, existeert er niets behalve hijzelf. Dus wanneer iemand op deze wijze, zelfs een ogenschijnlijk extern specifiek, is de handeling verbonden en verenigd met zijn innerlijke zelf, dan zijn hij en de handeling zijn één.

 Hierin ligt het uniek van Chasidoet: Chasidoet, een deel van de “ ziel van Thora”, reveleert iemands wezenlijke levenskracht in al zijn aspecten van Thora en mitzwot en de unieke kwaliteit van deze levenskracht is totale eenwording met degene die het opwekt.

 Want de levenskracht voegt niets toe aan wat het vitaliseert, een levend lichaam bezit niet meer delen dan een dood lichaam. De levenskracht is dus niet separaat van degene die het energie geeft, het is eerder de ziel van het opwekkende lichaam, omdat elk en ieder aspect van het lichaam een levende entiteit is. De reden is dat iemands “ leven” zijn ziel is en innerlijke essentie, zoals eerder uitgelegd, dat deel uitmaakt van iemands innerlijke essentie en volledig wordt verenigd met objectief waarmee het zich verenigt. Dus het lichaam waarin de levenskracht verblijft, is er compleet van doordrongen.

 Precies zo is de uitwerking van Chasidoet op Thora en Mitzwot: Het is mogelijk voor iemand om Thora te studeren en mitzwot uit te voeren terwijl hij er toch van gesepareerd blijft. Chasidoet echter stelt iedereen in staat om het  innerlijke aspect van zijn levenskracht te reveleren, zijn heilige ziel. En in relatie tot dat niveau, de eigenschap van Ki Tavó is, elk en ieder mens waarlijk een met Thora en Mitzwot.

 SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TEETSÉE

 Geschriften van Rabbi Jizchak Luria

 Likoeté Thora en Sefer HaLikoetiem

VERLOSSINGEN VAN DE MAAND ELLOEL

 “Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt en, de Eeuwige, je G’D, ze in je macht zal hebben gegeven en je er krijgsgevangenen bij hebt gemaakt en je ziet onder de gevangenen een heel mooie vrouw, je wordt verliefd op haar en je wilt haar als vrouw hebben, breng haar dan je huis binnen. Ze moet haar hoofd kaal scheren, haar nagels laten groeien, de kleding die ze bij haar gevangenneming droeg  afleggen en dan moet ze bij jou thuis blijven zitten en een volle maand om haar vader en moeder wenen. Eerst daarna mag je bij haar komen om haar, als man te bezitten en kan ze je vrouw worden. (Deuteronomium. 21:10-13)

 Dit vers, het openingsvers van Parashat Ki Teetsée, wordt altijd gelezen aan het begin van de maand Elloel, de laatste maand van het Joodse jaar. De Arizal reveleert hoe dit vers ons een specifieke les leert over deze maand.

Aangezien de goede inclinatie niet volledig bij iemand zijn intrede doet totdat hij 13 jaar oud is, raken zijn ledematen eraan gewend om de kwade inclinatie te volgen vanaf de dag dat hij is geboren.

 De kwade inclinatie, de drang jegens het vervullen van onze fysieke noden waarmee elk van ons wordt geboren en die mentaal gericht is op ons zelf, is aanwezig van af de geboorte, in tegenstelling tot de altruïstische “goede inclinatie” die zijn intrede langzaam doet, beginnend met gepaste religieuze educatie en die tot bloei komt op de leeftijd van 13 voor jongens en 12 voor meisjes. De kwade inclinatie heeft dus een duidelijke voorsprong van 12-13 jaar., waarin iemands lichaam gewend raakt aan het volgen van zijn bevelen.

Wanneer iemand de wil heeft tot berouw, trekt hij ten strijde tegen zijn vijanden”, met andere woorden, de kwade inclinatie en de ledematen van zijn lichaam.” “…de Eeuwige, je G’D, ze in je macht zal hebben gegeven..” refereert aan de kwade inclinatie, en “je er krijgsgevangenen bij hebt gemaakt”, refereert aan de ledematen en het lichaam.

 “En je ziet onder de gevangenen een heel mooie vrouw…” refereert aan de ziel.

 De G’ddelijk ziel wordt gevangen gehouden door het lichaam, die er gewend aan is geraakt om de kwade inclinatie te volgen.

“….Ze moet haar hoofd kaal scheren.. betekent dat de ziel kwade gedachte die het in zich draagt zal verwijderen.

 Wanneer de ziel gevangen wordt gehouden door de macht van de kwade inclinatie, wordt zij “geïndoctrineerd”met vervormingen of kwade filosofieën en verwrongen gedachten over G’D, zoals pantheïsme, atheïsme, cynisme, enz.

“” Haar nagels ” betekent het weg snijden en afstand doen van overbodige genoegens.

 Nagels symboliseren externe levenskracht, omdat zij groeien maar kunnen worden geknipt zonder pijn.

De kleding die ze bij haar gevangenneming droeg…”refereert aan de “kledingstukken” voortgebracht door negatieve handelingen, gelijk aan de idiomatische uitdrukking, “verwijder de vuile kledingstukken”. (Zachriah. 3:4)  

Een “kledingstuk” is een expressievorm van de ziel. Herhaaldelijk negatieve handelingen weven een grof en vulgair “kledingstuk” waaraan de ziel gewend raakt bij het dragen. Het ongevoelig maken voor spiritualiteit leidt ertoe dat de grofheid van vulgariteit niet wordt waargenomen en wekt de indruk dat zichzelf uitdrukken op grove wijze geavanceerd  en chique is. Dus het raakt eraan gewend om te denken, te praten en te handelen op deze grove manier.

Om haar vader” refereert aan haar Hemelse Vader, de Heilige, geprezen zij Hij.

 “En haar moeder” refereert aan de collectieve ziel van Israël, gelijk aan wat is geschreven, “Na mijn terugkeer,  zal ik troosten…” (Jeremiah. 31:18)

 De berouwvolle moet zich, als deel van zijn berouw, realiseren dat zijn gepasseerde handeling G’D heeft  “gekwetst “, met andere woorden, Hem van vooruitgang van Zijn doel in de Schepping heeft afgehouden. Ook, heeft hij de “Shechina” gekwetst”, die de collectieve ziel van Israël is, door het verhinderen van het actualiseren van G’ddelijk bewustzijn in de realiteit. Spijt hebben helpt de berouwvolle zijn energieën opnieuw te richten naar het goede.

Het werkwoord “Ik zal troosten” in het vers van Jeremiah is transitief, als of het betekent, “Ik troost G’D”.

“….een volle maand wenen”, refereert aan de maand Elloel, die dagen zijn en niet jaren en de meest gunstige tijd is voor berouw in de zin van Teshoewa.

 Het idioom “dagen en niet jaren” is van de Talmoed (Shabbat. 105b) en betekent “ slechts een korte tijd”.

De passage besluit: “…..Eerst daarna mag je bij haar komen om haar, als man te bezitten en kan ze je vrouw worden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters                Deuteronomium.  16:18 – 21:9

Rabbi Chaim (ben Moshe) Ibn Atar

Stad van de Ziel

Ohr HaChaim

Wanneer je een stad nadert om er strijd tegen te voeren, stel ze dan eerst vredesvoorwaarden voor. (Deuteronomium. 20:10)

Mogelijkerwijs duidt deze paragraaf op iets dat  Rabbi Shimon bar Jochai zei in de Zohar II:62, dat G’D een aanvullende zielt zend aan een man om hem op het rechte pad te houden en om hem te beschermen tegen het doen van zonden jegens Hem. We kunnen G’D waarnemen in het zich wenden tot deze aanvullende ziel, zeggend: “Wanneer je een stad nadert…” Met andere woorden, het lichaam van de mens die je zult bewonen, welke bekend is als “stad”.

We weten van de Zohar Chadash,  Ruth, p. 97, uit het vers “er was een kleine stad met weinig inwoners” (Prediker. 9:14), de stad waarover Koning Salomon  spreekt, is een menselijk lichaam. Deze aanvullende ziel zou het  “mirakel”  zijn dat nodig is om de Joodse soldaat te beschermen wanneer hij ten strijde moet trekken, want het helpt hem in het verhinderen van zonden, welke kunnen resulteren in een gewelddadige dood tijdens de oorlog. 

[De Thora verklaart: “Wanneer je een stad nadert om er strijd tegen te voeren…”], in het Hebreeuws “aliya“, letterlijk “op haar”, wat hier “op haar verantwoording”.betekent. Het idee is dat deze ziel is bedoeld om het lichaam te beschermen tegen de slechte aard; het is in overeenstemming met het vers in Prediker 9:14 welk continueert “een machtige koning trok tegen het stadje op en omsingelde het…Een onbelangrijk uitziende wijze man redde dat stadje van de omsingeling van de grote koning, door van zijn wijsheid gebruik te maken. “(vergelijk Nedarien 32)

Betreffende de zin “…stel ze dan eerst “‘vredesvoorwaarden voor’”, betekent, dat je niet onmiddellijk de zonde te lijf moet gaan [je slechte aard] en probeert om het in een  frontale aanval te veroveren; maar eerder voorstelt de hemel te geven wat zij verdient, met als resultaat dat je slechte aard groot voordeel zal ondervinden. Ten gevolge zal de slechte inclinatie toestaan dat de mens ook een taak heeft met betrekking tot de hemel. Per slot van rekening, seculaire activiteiten zoals eten en drinken in dit leven, stellen de mens in staat om zijn spirituele taken beter uit te voeren. Als resultaat van deze schikking met de slechte inclinatie, verzekert men zichzelf, in het algemeen, van het niet verliezen van een plaats in de Komende Wereld.  

In het vers, “Als ze je [in het Hebreeuws, ‘vayehi’] vredesvoorwaarden aanvaarden, etc…..dan is heel de bevolking aan jullie onderschikt en moet voor jullie werken (Deuteronomium. 20: 11), het woord “vayehi“, zoals gewoonlijk, verwijst naar iets vreugdevol; ook hier, als iemand de slechte inclinatie benadert in een wijze zoals we zojuist hebben beschreven zodat hij de deur op een kier stelt voor positieve spirituele waarden, zal G’D op Zijn beurt deze deur wijd openstellen, met andere woorden, de 248 botten en 365 spieren waar het menselijk lichaam uit bestaat, worden allen ondergeschikt aan de ziel [in plaats van aan de slechte inclinatie]. Het lichaam zal dan de positieve geboden uitvoeren en zich onthouden van overtreding van de negatieve geboden.

De frase “….en voor jullie werken” zinspeelt op  iemands slechte inclinatie als een slaaf die vrees heeft voor zijn meester en niet  afwijkt naar links noch naar rechts.

SHABBAT SHALOM