PARASHAT BO

Kom                    Exodus 10:1 – 13:16

Rabbi Shimon bar Jochai “de Rashbi”, 2e eeuw na het begin van de jaartelling, was één van de belangrijkste studenten van Rabbi Akiva en auteur van de Zohar. Begraven in Meron, Israël, ten westen van Safed.

Zohar, pagina 33a

Ons begrip van oorzaak en gevolg, is beperkt door onze perceptie van tijd, m.a.w een rechte lijn met een beginpunt en een eindpunt.
Spirituele giganten zoals de Arizal, de Baal Shem Tov en Rabbi Shimon bar Jochai, konden de oorzaken van wereldse gebeurtenissen zien in de spirituele (tijdloze) sferen en hen verklaren door hen te relateren aan gebeurtenissen die in generaties eerder zouden hebben plaatsgevonden. Rabbi Shimon geeft enkele voorbeelden om dit concept beter uit te leggen.
Onthoud zeer goed, “de Andere Zijde” is niet gesepareerd van het Heilige, het is een negatieve kracht die zijn bestaan en leefvermogen verkrijgt van het Heilige en een zeer belangrijke rol speelt in het testen van een persoon en hem daardoor de vrijheid van keuze geeft.

Kom en zie. Als een klein ding wordt gegeven (smeergeld) aan de “Andere Zijde”, ter wille van eigen bescherming, zal het worden geaccepteerd.

Dit is het geheim achter “majiem achroniem”, de handeling van het wassen van de vingers aan het einde van een maaltijd. Deze activiteit volstaat om te laten zien, dat men bewust is van de krachten van de dierlijke ziel, die eet vanuit een lust. Het volledig accepteren van dit feit, houdt de “Andere Zijde” op afstand, aangezien men de realiteit van deze kracht erkent.
Deze erkenning stelt iemand in staat om het birkat hamazon, dankgebed na de maaltijd, te zeggen, zonder dat het negatieve kan binnendringen in iemands bewustzijn.

Een goed voorbeeld is het geitoffer op Rosh Chodesh, Nieuwe Maan en het geitoffer op Jom Kipoer, de Verzoendag. Zodat {de Andere Zijde} betrokken zal worden in het offeren en Israël in het samen zijn met zijn Koning, onaangeroerd laat.

Een geit, een kosher dier, eet in vergelijking met alle andere dieren, praktisch alles. Deze kritiekloze lust van eten, maakt het tot een symbool van de Andere Zijde, wiens uiteindelijke spirituele representatie, Satan wordt genoemd. Het Hebreeuwse woord “Satan” is verbonden met het woord “sitna”, wat beschuldigen en haten betekent.

Dit wijst op het feit dat de Satan een vijand is en voortdurend tracht een persoon terug te laten vallen op zijn dierlijke verlangens en driften en een verwijdering probeert te bewerkstellingen tussen de persoon en zijn heilige spirituele bron. Het algemene concept van “de Duivel” is altijd verbonden met het symbool van de geit, maar er is een zeer belangrijk verschil dat men heel goed moet beseffen:

Satan is geen gesepareerde eenheid naast G’D, alles is één, vanuit één bron; hij is eerder een loyale trouwe dienaar met een onaangename hinderlijke job.

Farao als “koning” representeert de bron van spirituele onzuiverheid en als zodanig kon alleen G’D hem bestrijden en overwinnen. Om die reden trof G’D de eerstgeborenen van de Egyptenaren zelf. Hij en niet een engel, Hij en niet een boodschapper.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WA’ERA

Ik ben verschenen    Exodus. 6:2 – 9:35

Alle wonderen uitgevoerd door G’D in Egypte, die alle bekende natuurwetten tartten, waren opgeroepen door de onuitspreekbare Vier Letternaam, het Tetragram, YOED KEY VAV KEY, die G’D symboliseert als ÈJÈ OWÈ JÈJÈ, Hij was, Hij is, Hij zal altijd zijn, de Ene, die de wereld heeft geschapen ex nihilo en die eeuwig is. De naam ELOKIEM daarentegen symboliseert natuur m.a.w. de natuurwetten. Het Hebreeuwse woord voor natuur is hatèwa en heeft dezelfde numerieke waarde als het woord ELOKIEM.

Volgens de Zohar representeert deze naam een kaw, een lijn, een uitgezette lijn, wetten volgens een bepaalde orde, m.a.w. justitie. De karakteristieken van alle levende creaturen werden bepaald door G’D, door oproeping van Zijn eigenschap ELOKIEM.
In de woorden van de Ari Zal ( Rabbi Jitschak Luria) : “Nadat G’D het ‘hareshimoe‘,” conceptuele ruimte of plaats” voor een universum had gecreëerd, creëerde Hij alles wat die “plaats” zou gaan vullen. Dit werd bereikt door middel van kaw, zoiets als een pijplijn. Het licht dat G’D creëerde drong de “plaats”binnen, die was voorbestemd voor het universum en verspreidde zich door kaw.
Het feit dat de onuitsprekelijke vier letternaam een “hogere” eigenschap is dan die van ELOKIEM, wordt gedocumenteerd in Exodus 18,11, toen Jitro, de schoonvader van Mozes, de superioriteit erkende van deze eigenschap van G’D, boven alle anderen: “kie gadol YOED KEY VAV KEY mikol ha ELOKIEM“, “Nu weet ik dat de Eeuwige groter is”.

Alle andere eigenschappen (namen) van G’D zijn ontleend aan de onuitsprekelijke vier letternaam.
Het was deze naam en wat het impliceert die G’D aanwendde toen Hij bovennatuurlijke wonderen liet voortkomen in Egypte. Telkens wanneer Mozes verscheen voor Farao, trad hij op als boodschapper van die bepaalde eigenschap.
Farao’s reactie in Exodus 5,2, was dat hij absoluut nooit had gehoord van een Godheid met z’n eigenschap “mie YOED KEY VAV KEY ashèr èshma bekolò“, “Wie is de Eeuwige, naar wiens stem ik zou moeten luisteren”?
Daarentegen had Farao geen problemen in het accepteren van G’D in Zijn eigenschap als ELOKIEM, zoals we weten van Genesis 41,38.

De Zohar becommentarieert al eerder Genesis 41,16 waar Joséf zegt: “ELOKIEM ja’anè et shalom par’o” “G’D zal wel antwoorden wat in het welzijn van Farao is”.
Rabbi Abba zegt: “Zie de slechtheid van Farao die beweerd nooit te hebben gehoord van G’D. Hij was uitermate slim en profiteerde van het feit dat Mozes zichzelf niet had aangediend als boodschapper van ELOKIEM, die hij niet had kunnen ontkennen, maar als een boodschapper van YOED KEY VAV KEY.
Hij vond het onbegrijpelijk dat Mozes niet kwam in dezelfde naam van G’D zoals de G’D van Joséf, welke voor hem herkenbaar was. Bovendien kon hij zich niet verenigen met zo’n inhoudelijke naam van G’D.
Wanneer de Thora schrijft: Exodus 9,12 “wajechazeek YOED KEY VAV KEY et – lev par’o” “Maar de Eeuwige sterkte Farao in zijn voornemens”…, dit betekent, dat door het gebruik van de naam, Farao’s hart werd gesterkt in zijn slechte voornemens.
Dit is de reden dat Mozes nimmer een andere naam van G’D aanhief in de confrontatie met Farao. Zover de Zohar.

Wanneer we de benadering volgen van de Zohar, komen we tot realisatie dat G’D nimmer interfereerde in de besluitvorming van Farao. De oorzaak van zijn halsstarrigheid was, G’D,’s zeggen “ani YOED KEY VAV KEY” ,” Ik ben de Eeuwige.” Wanneer G’D eerder in Genesis 7,3 tot Mozes zegt: , “Ik zal het gemoed van Farao verharden”, betekent dit impliciet: ” Mijn openbaring aan hem dat Ik YOED KEY VAV KEY de Eeuwige ben, zal zijn hart verharden”.

Toen de magiërs beseften dat de plaag van kiniem, zandvlooien, niet het resultaat was van de superieure magie van Mozes en Aaron (Exodus 8,15), beperkten zij hun erkenning van dat gegeven tot ELOKIEM, daarmee sloten zij YOED KEY VAV KEY uit.
Farao had de betekenis van ELOKIEM geleerd van Joséf; hij erkende deze godheid als superieur in vergelijking met andere godheden, maar zijn erkenning ging niet zo ver dat zo’n godheid zou kunnen heersen over zijn opvatting van de natuurwetten.
Farao begreep dat de existentie van het koninkrijk van ELOKIEM, welk waarschijnlijk groter was dan zijn eigen of van anderen, niet zou interfereren in de aangelegenheden van andere koninkrijken.
Er zijn vele koninkrijken in deze wereld die met elkaar co-existeren, ofschoon de ene machtiger is dan de ander.
Het is evenzeer mogelijk dat Farao G’D erkende als Heerser van het Universum, maar dit hield niet in dat G’D dit Universum had geschapen, maar eerder dat Hij Zelf deel uitmaakte van dit Universum. Andere filosofen stellen G’D voor als niet separeerbaar van deze wereld, zoals het licht van de zon.
Farao was zeer geërgerd en kwaad toen Mozes uitlegde dat er een andere, toegevoegde, hogere dimensie was van G’D. De reactie van Farao was dat hij de werklast van zijn Joodse slaven verhoogde, zoals we lezen in Exodus 5,9.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMOT

Namen                   Exodus. 1:1 – 6:1

SOMS WORDT G’DDELIJKE WIJSHEID ALLEEN GEREVELEERD AAN ZEER UNIEKE ZIELEN.

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR SHEMOT 5:Rabbi Chiya zat tegenover Rabbi Shimon. Hij zei tegen hem, waarom telt de Thora in het begin 12 zonen van Jacob, en naderhand waren zij zeventig, zoals is geschreven, “Al de zielen van het huis van Jacob die naar Egypte kwamen waren zeventig” (Genesis. 46:27) En wat is de reden dat zij met zeventig waren en niet meer? Hij zij tot hem: Het correspondeert met zeventig naties in de wereld. Zij waren één natie gelijk aan hen allen. En hij zei ook tegen hem: Laat ons het beschouwen als de sleutel die illumineert. De takken verreizen in hun vastgestelde orde, die voort komen uit de twaalf gravures en knoeten die hen omringen in hun reizen tegen de vier richtingen van de wereld.

Dit is wat er is geschreven: “Toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, stelde Hij voor de volkeren gebieden vast, naar het getal van Israëls kinderen” (Deuteronomium. 32:8) Dit is wat er is geschreven: “Als de vier winden van de hemelen heb Ik jullie wijd verspreid (Zacharia. 2:10), om te laten zien dat zij existeren voor het belang van de kinderen van Israël. Het zegt niet, In de vier, maar eerder, Als de vier”, omdat het onmogelijk voor de wereld is om te existeren zonder de winden, zo is het ook onmogelijk voor de wereld om te existeren zonder Israël.

BeRahamim LeHayyim:

“Tijd voor plezier met getallen.” We hebben de 12 zonen van Jacob/Israël, die parallel zijn aan de 12 permutaties van de G’ddelijke vierletter Naam, en de 12 diagonale lijnen in een kubus en de twaalf maanden. Dan hebben we de 70 Nefesh/zielen die afdaalden naar Egypte, om de 70 ministers van de naties tegen te gaan, en 70 is de gematria van Sod/ verborgene, en representeert de inhoudende sefirot van de lagere 7sefirot (Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet). Deze 12 en 7×10 dragen de werelden, zowel de  fysieke als de spirituele. En op dit Aardse vlak hebben we de 4 Roechot/ windrichtingen, relaterend aan de 4 letters van de Naam en corresponderend met de 4 Sefirot van Chesed/zuid, Gevoera/ noord, Tiferet/oost, en Yesod/ west.

Al deze 4 relateren aan de grote letter Dalet in het woord Echad in het Shema Israël gebed. Inderdaad, alle bovenstaande getallen zijn in deze frase van 6 woorden. Want Israël is volgens in het bovenstaande van de Zohar, één natie gelijk aan allen.

Nu komt dit niet goed overeen met de post moderne sensitiviteit en sensibiliteit, want het riekt naar schijnbare arrogantie en “uitverkorenheid”. Hoe snel zijn we vergeten dat te zijn uitverkoren niet noodzakelijkerwijs betekent beter te zijn! Eerder is het misschien de rol van Israël het brengen vanuit de 12 diagonalen, de 70 naties en de richtingen, om G’D’s Licht en Eenheid aan allen te reflecteren. We zijn de kleinste onder de volkeren, maar nog steeds het middelpunt van zo veel aandacht en energie. Wat alleen maar onze officiële verantwoordelijkheid vergroot.

Wanneer we het woord Echad zeggen, zijn we aan het mediteren over de Alef om aan te geven Aloefo Shel Olam, de Leider van het Universum, G’D; op de letter Chet van Echad hebben we in gedachten de 7 firmamenten van De Hemel (daar is onze 7) plus de wereld beneden, 7+1= 8, de gematria van de letter Chet en de laatste letter Dalet van Echad, zoals boven is aangehaald, op de vier windrichtingen.

Misschien is deze bovenstaande meditatie, die wordt beschouwd als eenvoudige meditatie, door Joods recht vereist bij het reciteren van het woord Echad, de manier waarop een Jood zichzelf heeft te gedragen. We moeten de Alef, de Ene, de Leider, altijd voor ons houden, het middelpunt van al onze gedachten, woorden en daden. Dan moeten we Hemel en Aarde verenigen, gerepresenteerd door de letter Dalet, zoals boven. Dat betekent bewust proberen om enige hemelse samenhang neer te halen in deze wereld, met andere woorden, te verspreiden in de 4 aardse richtingen. Dit is de rol van Israël, zonder wie, G’D verhoede, de wereld niet kan existeren.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJECHÍ

En hij leefde (Genesis 47:28 – 50:26)

Zohar, blz. 212b

Rebbe Shimon Bar Jochai legt, in de onderstaande vertaling uit, hoe een persoon de G’ddelijke aanwezigheid ertoe brengt om in hem te verblijven en wat het ertoe brengt om te vertrekken.

Kom en zie. “En toen hij de wagens zag, die Joséf gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest [roe’ach] van hun vader Ja’akov weer op [vatechi].” (Genisis. 45,27)

Het schijnt alsof zijn geest in eerste instantie dood was en zodoende niet een andere geest kon ontvangen.

Het woord “vatechi” in ons citaat, betekent, terugkomen, herleven of voortbestaan. Rebbe Shimon stelt nu, hoe iets, dat opgehouden heeft te bestaan, weer tot leven kan komen. Roe’ach is één van de drie niveaus van de ziel, die uit een opgaande spirituele orde bestaat vanNefeshRoe’ach en NeshamaNefesh is de bruisende levenskracht die via het bloed door het lichaam stroomt, het lichaam stimuleert en in staat stelt om te functioneren. Roe’ach is de levenskracht die een voertuig is voor de Neshama, analoog aan de wijze waarop het lichaam een voertuig is voor het manifesteren van de Nefesh. De andere geest die door de Roe’ach kan worden afgestemd voor ontvangst, is deNeshama / ziel en de Shechina of G’ddelijke Geest.

Dit is omdat de hogere geest niet verblijft in een leeg verblijf.

De hogere geest hier refereert aan de Shechina die niet verblijft of rust op een persoon die geen Neshama heeft. Daarom, zodra Ja’akov het nieuws hoorde dat Joséf leefde, moet hij zijn Neshama terug hebben verdiend, implicerend dat onmiddellijk ook zijn Roe’ach weer opleefde.

Rabbi Jossi zegt dat de Shechina op geen enkele plaats verblijft die niet compleet is, of in een plaats met een smet, of in een plaats die droef is.

Rabbi Jossi gaat nu uitleggen waarom de Shechina tot dit punt niet verbleef op Ja’akov. Een persoon die niet deze drie spirituele niveaus heeft verworven, heeft nog niet het werk gecompleteerd wat een vereiste is voor verbetering van iemands Sefirot, en de emotionele en intellectuele niveaus die zij impliceren. Wat inhoudt dat zijn spirituele opmaak een smet heeft. Zijn wandaden weerhouden zijn spirituele completering, een reden dat hij niet waardig is een verblijf te zijn voor de Shechina. Droefheid is ook een reden omdat het een positief gebod is om G’D te dienen in vreugde. Een staat van droefheid weerhoudt een iemands vermogen om G’D op de juiste wijze te dienen.

Integendeel, de Shechina verblijft in een plaats die af is, een vreugdevolle plaats.

Een plaats die klaar is om een verblijfplaats te worden voor deShechina is een persoon die eerlijke vreugde heeft in het uitvoeren van de mitswot, geboden.
De herkomst van vreugde is de sefira van bina, welke zowel is verbonden met het hart als met het verstand. Vreugde kan daarom in een persoon doordringen en dienen als een verstandelijk geestelijk raamwerk die de persoon in zijn geheel beïnvloedt, net zoals het hart het hele lichaam beïnvloedt.
Een vreugdevol persoon is verenigd in lichaam en geest en kan daarom een drager, een voertuig zijn voor de manifestatie van een hogere eenheid, de Shechina. Dit is niet mogelijk in een droevig persoon.

Daarom verbleef de Shechina niet op Ja’akov gedurende de jaren dat hij droevig was. Dat waren de jaren dat Joséf was gescheiden van zijn vader.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde                                Genesis. 44:18 – 47:27

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, P. 210b

Het volgend gedeelte van de Zohar verklaart het geheim van de “Merkawa”, letterlijk “voertuig of rijtuig”. Het voertuig, beschreven in Ezekiël’s profetisch visioen (Ezekiël hoofdstuk 1), is het voertuig voor G’ddelijk openbaring in de wereld van Yetzira, de volgende wereld voorbij de spirituele dimensie van onze fysieke wereld, de wereld van Asiya.
Meditatie over verscheidene aspecten van de Merkawa was voor een belangrijke stroming in Joods mysticisme een centraal punt. De Zohar verklaart hier dat Josef zijn Merkawa inspande om een hoger niveau van G’ddelijke openbaring te bereiken. De verklaring draait rond het begrijpen van het woord “Chaya” (letterlijk “ongetemd dier”, meervoud “Chayot”) wat in de Zohar “animerende kracht” betekent.
“Josef spande zijn wagen in en trok Israël, zijn vader, naar Goosen tegemoet.” (Genesis. 46:29)
Rabbi begon zijn uiteenzetting met het citeren van het vers. “En boven de hoofden van de Chaya was een gelijkenis van een uitgestrekte oppervlakte, zoals glinsterend ijs, angstwekkend, deze oppervlakte strekte zich hoog boven hun hoofden uit.” (Ezekiël. 1:22).
Dit vers is alreeds eerder uiteengezet [als verwijzing naar een animerende kracht, Chayot, in de wereld van Yetzira].
Maar kom en zie [hoe de term “Chaya” wordt gebruikt in verschillende contexten, in dit vers en in de volgende verzen, zodat er een Chaya boven Chaya is, een hiërarchie van niveaus.
[Het hoogste niveau is] is “Heilige Chaya”, boven de hoofden van de Chayot. En daar een hogere vorm van “Chaya” [met andere woorden, hoger dan de Chayot, maar lager dan de Heilige Chaya] welke boven elke andere Chaya staan en hen allen controleert, zodat wanneer deze Chaya verlichting geeft aan hen allen, zij vervolgens opwaarts reizen, en één aan de ander [ levenskracht] doorgeeft en zodoende de ander controleert.
Overeenkomstig, er zijn drie niveaus van Chaya: “Heilige Chaya “, welke is chochma; “Chaya” (Bina) welke boven Chayot is en de Chayot controleert, en “Chayot”, de levenskracht die Zeir Anpin animeert en op elkaar inwerken. (Mikdash Melech)
Als nu al deze aspecten van de Merkawa zijn geplaatst in hun gepaste orde, wat geeft het dan weer? “En boven de expansie die zich boven hun hoofden uitstrekte zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens.” (Ezekiël. 1:26)
Ergens anders in de Zohar wordt verklaard dat de troon de wereld van Beriya is. (Pardes, Archai)

Wij stellen dus vast dat de troon van waardevolle stenen staat op vier poten. [Dit zijn de vier Sefirot, Keter, chochma, Bina, Da’at] (Mikdash Melech)
En dat op die troon de gelijkenis van een mens is. [De openbaring van G’ddelijkheid in de wereld Atziloet]
Wanneer al deze niveaus in de persoon zelf zijn gerectificeerd, zodat al de niveaus een Merkawa, [een voertuig] voor G’ddelijkheid zijn, staat er geschreven, “”Josef spande zijn wagen in en trok Israël, zijn vader, naar Goosen tegemoet.”
Met andere woorden, wanneer de verschillende niveau van de ziel van een persoon, Nefesh (corresponderend aan het woord Asiya), Roeach (corresponderend aan Yetzira), Neshama (corresponderend Beriya) zich hebben gerectificeerd en op de juiste wijze zijn geplaatst (ingespannen), is hij in staat om te klimmen naar het niveau van Chaya (Atziloet) en te communiceren met de G’ddelijke Aanwezigheid, zoals is geopenbaard in Zeir Anpin van Atziloet, refererend aan het vers als “zijn vader, Israël, en het visioen van de Merkawa als “de gelijkenis van een mens”.
Dit is wat Josef had bereikt toen “hij zijn voertuig inspande”.
SHABBAT SHALOM

PARASHAT MIKEETS, SHABBAT CHANOEKA

Aan het einde   Genesis. 41:1 – 44:17

DROMEN EN VERBANNINGEN

Net zoals dromen, zijn onze levens vaak een onsamenhangende en verwarrende mengeling van goed en kwaad. (zie Genesis. 41:25-26)

Likoetei Sichot, vol.1, p.85-87, vol.15, p.345-347

Vanwege de dromen van Jozef en de Farao werd het Joodse Volk tot de eerste verbanning in Egypte geleid: want vanwege zijn dromen werd Jozef verkocht als een slaaf in Egypte en vanwege Farao’s dromen werd Jozef gekroond tot onderkoning in Egypte, uiteindelijk resulteerde het in de eerste Egyptische ballingschap, de voorloper van al onze ballingschappen.

(Likoetei Thora [Ari-zal],Teitzei. Zie Bereishiet Raba 16:4)

De verbanning wordt vooraf gegaan door dromen omdat de realiteit van verbanning gelijk staat aan dat van een droom. Dromen bestaan uit onsamenhangende illusies waarin conflict en andere tegenstrijdige elementen naast elkaar kunnen bestaan. Evenzo is ons leven in verbanning een verwarrende mengeling van schijnbare tegenstrijdigheden in gedrag die worden veroorzaakt door de combinatie van een dierlijke egoïsme en spirituele voorrang. We bidden tot G’D met absolute devotie, en toch, in enkele minuten, bevinden we ons in een situatie waarbij we handelen in contradictie met G’D’s voorschriften. Onze handelingen komen niet overeen met onze woorden en onze woorden komen niet overeen met onze gedachten. Net zoals dromen, zijn onze levens vaak een onsamenhangende en verwarrende mengeling van goed en kwaad.

Leven in deze onwezenlijke situatie kan tot frustratie en wanhoop leiden. We kunnen denken dat we niet vooruit komen, dat we bedrieglijk zijn. We voelen, gezien al onze gebreken, dat onze verbinding met G’D niet reëel is en dat onze inspanningen om spiritualiteit naar waarde te schatten oppervlakkig en vergeefs zijn.

De Thora benadrukt daarom de relatie van dromen met ballingschap, om ons te leren dat ondanks onze inconsistente handelingen die op het moment hypocriet lijken, we niet ontmoedigd moeten worden, omdat het de aard van de “droom” is waarin we leven. We moeten proberen zo consequent mogelijk te leven met onze idealen en we moeten niet opgeven vanwege onze voorbijgaande misstappen. Want de effecten van misstappen zijn vergankelijk, zij zullen alleen intact blijven tot het moment dat we de schade repareren door berouw. Het effect van onze goede daden daarentegen, duurt eeuwig.

Farao’s droom verwoordt in het bijzonder de essentie van verbanning, de samenhang van tegenstrijdigheden: de simultane aanwezigheid van overvloed en schaarste. Overvloed en verzadiging, verwijzen naar het gevoel dicht bij God te zijn tijdens het gebed. Schaarste en hongersnood verwijzen naar bezorgdheid en ongerustheid over dagelijkse materiële aangelegenheden, dat een gebrek aan vertrouwen en nabijheid schendt  ten aanzien van G’D. Gedurende de verbanning kunnen deze tegenstrijdige gevoelens naast elkaar bestaan.

Dromen zijn irrationeel, een oppervlakkige reden daarvoor is dat gedurende de slaap het voorstellingsvermogen niet wordt gecontroleerd door rationeel denken. Gedurende  de verbanning, is ons “rationeel verstand”, ons beoordelingsvermogen en ons begrip van G’D zwak.

Een dieper liggende reden voor de irrationaliteit van dromen en voor verbanning, is dat beiden de oorsprong hebben in de overstijgende oneindigheid van G’ddelijkheid, die logica trotseert en tegenstrijdige gevoelens toestaat te bestaan. Wanneer deze Verhevenheid Zichzelf manifesteert in dromen en in verbanning, is zijn oneindigheid verborgen in een omhulling van verwarring.

Aangezien de ziel van Jozef geworteld was in G’D’s Oneindigheid, was hij in staat om de dromen te interpreteren door de oneindige verborgenheid te onthullen.

Dit is de diepere betekenis van Jozef’s interpretatie van Farao’s droom: Door te slagen in het passeren van de externe oppervlakkige contradictie van Farao’s droom, gaf Josef het Joodse Volk de kracht om te slagen in het passeren van de externe contradictie van verbanning, door de oorsprong te zien in G’ddelijke Oneindigheid. Dit werk zal worden voltooid in de messiaanse era, wanneer de Oneindigheid van G’ddelijkheid zal worden geopenbaard.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEESHE

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJISHLÁCH

Zohar pagina 165b:

wajishlách ja’akov mal’achiem levánáv el- ésav achiev arsta se’ier sedé èdom,”

“Ja’akov zond engelen voor zich uit naar zijn broer Esav, naar de rode velden van het land Se’ier.” (Genesis. 32:4)

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met vers: “Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen.” (Psalm. 91:11)
Dit vers is door de mede geleerden verklaard met de betekenis dat, wanneer een persoon in deze wereld komt, de jetzer hara al op hem wacht.

“Kwade Inclinatie” is de meest kenmerkende vertaling van “jetzer hara.” De stam van het woord “jetzer” is “veroorzaken, teweegbrengen “en refereert aan hoe iemands instinctieve dierlijke driften op bepaalde tijden vragen om aan zijn”behoeften” te voldoen.
De jetzer hara is voortdurend bezig een persoon te strikken om kwaad te doen en als aanklager te dienen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers: “De zonde [Hebreeuws, chatat] ligt voor de deur op de loer, klaar om aan te vallen.” (Genesis. 4:7)
Wat is het, wat loert, wat wacht, om zich te storten op een persoon die het lichaam van zijn moeder verlaat en in deze wereld komt?

Het is de Jetzer Hara, Koning David verwijst eveneens naar de Jetzer Hara als “Chatat”, als hij zegt: “En mijn zonde [Hebreeuws, chatati] me steeds voor de geest staat”. (Psalm. 51,5)
De Jetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, om een persoon ertoe te brengen verkeerde dingen te doen in de ogen van G’d en verlaat hem niet vanaf het moment dat hij geboren is.

Daarentegen komt de Jetzer Tov [Goede Inclinatie] in een mannelijk persoon, wanneer hij de leeftijd van dertien jaar heeft bereikt, bij meisjes bij twaalf, welke de leeftijd is die een persoon in staat stelt zichzelf te purifiëren en te verbinden met zijn spirituele wortels bij het uitvoeren van mitzwot.

Op die leeftijd, wanneer een persoon verplicht is om mitzwot te doen, komt de Jetzer Hara om hem te assisteren en de twee inclinaties fuseren met de persoon, de Jetzer Tov aan zijn rechterzijde en de Jetzer Hara aan zijn linkerzijde. Deze twee inclinaties zijn eigenlijk in feite engelen, puur spirituele krachten, die belast zijn met de bescherming van de persoon voor alles dat hem zou kunnen schaden. Nooit en te nimmer verlaten zij een persoon.
Wanneer hij besluit om zichzelf te purifiëren en terugkeert naar zijn spirituele wortels [teshoewa], zwicht de Jetzer Hara voor de Jetzer Tov, en de goede inclinatie heerst over de kwade. Beide verenigen zich in een wederzijdse overeenkomst om de persoon op de weg die hij gaat te behoeden om slecht te doen.

Daarom zegt het vers: “Hij geeft opdracht aan Zijn engelen, bij jou, om op je te passen en zich om je te bekommeren, waar je ook gaat. De engelen verwijzen naar de twee inclinaties en wanneer een persoon besluit om zijn goede inclinatie sterker te laten zijn dan zijn kwade inclinatie, zegt de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil in: “Amen”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok Genesis 28:10 – 32:3

“Ot hajom gadol lo-ét hé’aseef hamiknè hashkoe hatzon oelchoe rè’oe”, “De dag is nog zo lang,het is toch nog geen tijd dat de kudden bijeen gedreven worden.” (Genesis. 29,7)
Toen Ja’akov de herders vermaande dat hun werkdag nog niet ten einde was, betoogde hij dat het in het belang van iedereen is om anderen aan plichten te laten herinneren, wanneer zij tekort schieten.

De Zohar in parashat Wa’etchanán (Sullam editie pagina 62), becommentarieert Ja’akov’s uitspraak, dat de dag nog zo lang is, dat als Israël teshoewa, zou doen, haar verbanning niet langer dan een dag zou voortduren, en dat het zou terugkeren naar het Heilige Land.

Dit is gebaseerd op Klaagliederen 1,13: “Hij plaatste mij in verlatenheid en liet mij de hele dag in misère.” Als Israël faalt om tot inkeer te komen, zegt G’D: “de dag heeft een lange tijd te gaan , het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen” [Een dag in het perspectief van G’D is duizend jaar]. Echter, er is een remedie voor Israël namelijk, “ga en geef de kudde te drinken,” m.a.w. laat de mensen Thora leren, drink de waters van Thora, dan kun je gaan naar de plaats waar je rust vindt, naar het Land Israël, je nalatenschap.

Een alternatieve mening interpreteert het vers als een referentie naar de dag van beroering, de dag waarop de Tempel werd verwoest en Israël gedwongen was om in verbanning te gaan. Wegens Israëls imperfectie, heeft die dag een lange weg te gaan, m.a.w. “de dag is nog steeds lang” het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen. Aangezien het aan hen zelf te wijten was dat de dag lang duurde, is de remedie, het leren van Thora, zoals de eerste visie in deze Zohar. Aangaande laatstgenoemde visie, antwoordde Israël op deze oproep met de passage van de herders Genesis 29,8, “lo noechal ad asher jé’asfoe kol-ha’adriem wegalloe et-haèwen méal pie habeèr”, “Dat kunnen wij niet voordat alle emanaties bijeen zijn, dan kan men pas de steen (verbanningdecreet) van de bronopening wentelen”; “op die dag wordt de bron, m.a.w. de toegang tot de kennis van Thora, toegankelijk en de kudde kan van water worden voorzien.”

De samengebundelde krachten van de emanaties rollen de zware steen weg, het wrede decreet van de mond van de bron, m.a.w. de laagste van de emanaties malchoet, zodat de Thora in de be’èr, bron, in staat zal zijn om ons gedurende de rest van de verbanning te ondersteunen en onze kudde (Volk) van water te voorzien (ondersteund door Thora). Aan het einde van deze lange “dag,” zal G’D ons terug leiden naar Erets Jisraël, het Land Israël.

Als Bilam spreekt over de “be achariet hajamiem”, “einde der dagen” waarin Israëls vergelding wordt beschreven op Moab (Numeri. 24,14), refereert hij aan de periode gedurende welke Israël heeft geleden in verbanning en aan het eind waar G’D die naties zal vergelden die zich tegenover Israël hebben misdragen tijdens die verbanning. De “dag” waarover Ja’akov spreekt tegen de herders is een verwijzing naar deze “be achariet hajamiem”, “einde der dagen.” Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9

We hebben reeds eerder uitgelegd dat de esoterische dimensie van ma’aser, tienden, kenbaar wordt gemaakt door de drie dimensies van de letter joet welke ontplooit in drie giften aan het Joodse Volk, met andere woorden, Thora, Erets JisraëlOlam Haba. Het concept Thora kan worden samen gevat door de letter joet, met andere woorden, De Tien Geboden, welke symbool staan voor alle 613 geboden van de Thora. Het totaal aantal letters in de Tien Geboden is 613 (de letter joet heeft een numerieke waarde van 10). De Tien Geboden zijn heilig.

De tweede gift is Erets Jisraël; de Mishna Keliem 1,6 beschrijft tien successievelijke fasen van heiligheid, van heilige gebieden, Erets Jisraël, als zodanig is de bodem van de lijst van deze heilige gebieden.
De volgende, de hogere graad van heiligheid, is gegrondvest in ommuurde steden (daterend uit de tijd toen Jozua het Land veroverde) binnen Erets Jisraël, gevolgd door plaatsen binnen de ommuring van Jeruzalem, gevolgd door de Tempelberg enzovoorts, tot aan het Heilige der Heilige, in het Heiligdom, De Heilige Tempel.

De derde gift aan het Joodse Volk is de gift van Olam Haba, de Komende Wereld, welke we naar weten was gecreëerd met de letter joet in tegenstelling tot de huidige wereld, welke was gecreëerd met de letter .
De Erets Jisraël in onze wereld moet gezien worden als “tegenovergesteld” aan hetzelfde gebied in een “hogere” wereld aangehaald, door Jesaja, 60,21: “Uw volk (Israël) is rechtvaardig; het zal een eeuwig land erven.”
Dit “eeuwig” land is een esoterische dimensie van de tien directieven waarmee G’D het universum creëerde. We weten dat een enkel directief de nucleus was van alle andere directieven, juist zoals de eerste van de Tien Geboden de nucleus is voor alle anderen geboden. Het kan daarom worden omschreven als het Kodesh Kodoshiem, het Heilige der Heilige. Al deze giften zijn direct gerelateerd aan de patriarchen.
De gift van Erets Jisraël begon werkelijkheid te worden toen Izaak werd verboden om het land te verlaten, zelfs tijdens een periode van hongersnood en G’D legde uit dat dit was omdat dit land was gegeven aan hem en zijn nakomelingen. (Genesis. 26, 2-3)

SHABBAT SHALOM