PARASHAT TSAV

Verterend Vuur van Liefdevolle Goedheid

De Zohar leert dat de oordelende krachten op het altaar worden verbrand

Zohar, parashat Tsav. P. 27a

Rabbi Acha opent zijn verhandeling met het vers:

Een vuur moet aanhoudend op het altaar blijven branden, het mag niet uitgaan; en de priester moet er hout aan toevoegen, iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Wat is de reden dat er altijd vuur moet blijven branden op het altaar en waarom moet het elke ochtend worden aangewakkerd [wanneer de Sefira van Chesed heerst]? En waarom wordt aan de priester opgedragen het vuur te maken?

Brandend vuur in welke plaats dan ook representeert streng oordeel. De priester is van de rechterkant [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed], die ver verwijderd is van streng oordeel, [de linkerzijde van de Boom]. Vuur is verbonden met boos worden, woede [zoals het woord vurig in de negatieve zin uitdrukt.] Een priester is nooit betrokken bij streng oordeel, en toch moet hij hier] streng oordeel teweeg brengen, [met andere woorden, verterend vuur], om in de wereld op telaaien, zoals staat geschreven:…. de priester moet er hout aan toevoegen iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Het antwoord is, zoals we hebben geleerd, dat een persoon die tot negatief gedrag komt voor zijn Meester, zijn eigen gebeente in vlam zet met het vuur van zijn kwade inclinatie, met andere woorden, hij doet zichzelf schade aan. De kwade inclinatie is geworteld in de onzuivere zielsspiritualiteit, die wordt opgeroepen in iemand wanneer hij zich negatief gedraagt.

Want bijvoorbeeld, volgens onze Geleerden, zichzelf toestaan om kwaad, woedend te worden, staat gelijk aan afgoderij. Iemand die woedend is verteerd zijn vurige boosheid tot aan het punt waar hij compleet gevoel van realiteit verliest.

Soms is het bekend en herkenbaar welk type van offer wordt vereist om te worden gebracht, in welk opzicht het hersteld.

Een persoon moet offer brengen overeenkomstig aan zijn negatief gedrag. Net zoals een onzuivere zielsspiritualiteit verblijft in een persoon, zo moet hij dus nu laten opgaan in de vlammen van het Altaar.

De onzuivere zielsspiritualiteit, hetzij van de persoon zelf of van hemelse oorsprong vanwaar het kwam, laat zichzelf niet opgaan of verwijderd zichzelf niet, behalve in de vlammen van het Altaar. De vlamman verteren de onzuivere zielsspiritualiteit en allerlei vormen van kwaad in de wereld, omdat het een vuur is dat vuur verteert. Als de priester dienst doet aan het Altaar [die komt van de zijde van Chesed], moet hij in gedachten hebben een vuur te prepareren die allerlei vormen van kwaad in de wereld verteerd.

De reden nu dat het vuur van het Altaar niet uit mag gaan is, dat zijn vermogen en kracht niet zal worden verzwakt omdat het altijd in staat moet zijn het vermogen van die ander kwade kracht te breken en te verdrijven uit deze wereld. Vandaar de frase: “…….het mag niet uitgaan”.

Dit representeert de voortdurende bewuste strijd en inspanning in het herkennen van het heilige en zuivere, de vlam van bewustzijn brandend houden, zelfs in de meest duistere momenten.

De priester had de taak van het instellen en het in stand houden van het vuur op het Altaar en het oplaaien in de vroege ochtend elke dag, omdat dit de specifieke tijd is wanneer zijn zijde [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed] heerst en omhoog stijgt in de wereld. Dit is gedaan om de wereld te verzachten (letterlijk “aangenaam zal ruiken, zoals een offer op het Altaar) zodat en het streng oordeel zal worden onderworpen en niet zal ontwaken in de wereld.

En dit is wat we hebben geleerd, dat er een vuur is dat vuur eet. Het hogere vuur eet het “andere”vuur. Het vuur van het Altaar consumeert het “andere”vuur. Dus dit vuur mag nooit en te nimmer worden geblust en het is juist de priester [van de zijde van Chesed] die het dagelijks moet leiden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRA

En Hij riep       Leviticus. 1:1 – 5:26

De Kabbala Van Zout

Sefer Hasichot

….En laat bij je meel-offers het zout, het symbool van je verbond met G’D, niet ontbreken, bij al je offers moet je zout brengen.

Kan flauw voedsel gegeten worden zonder zout?” (Job. 6:6) Zout verhoogt de smaak van voedsel. Ironisch genoeg is zout op zichzelf niet strelend voor de tong, toch kan het ander voedsel smakelijker maken.

De reden is als volgt: Zout kan worden gescheiden van zout water. Het is gevormd door het constante branden van de zon op het water. Water is Chessed, goedhartigheid, zout is Gevoera, strengheid. [Vandaar het scherp zijn van zout]

Het is een axioma in kabbalistisch denken dat elke fysieke substantie in essentie de neerkomende vorm is van een hogere spirituele entiteit. Dus zout “symboliseert” of “representeert” niet alleen de hemelse sfeer van Gevoera, het is Gevoera in zijn fysieke manifestatie.

Rabbi Chaim Vital schrijft in Eitz Chaim dat, wat Gevoera is op één niveau, onmiddellijk Chessed creëert voor het niveau er beneden. Dus Gevoera van Chochma wordt Chessed van Bina.

Zout op zichzelf is Gevoera, betekenend: bijtend, maar wanneer het neerdaalt naar een lager niveau [met ander woorden, wanneer het de substantie van ander voedsel binnendringt] wordt het Chessed en geeft smaak aan dat voedsel.

Zout is ook de belichaming van de oorsprong van alle strengheid en heeft daarom de capaciteit om oordelen te verzachten. Het is om deze reden dat zout altijd aanwezig moet zijn op iemands tafel, als een medicament voor tegenspoed, want, zoals bekend kan gestrengheid alleen worden verzacht door haar oorsprong. De bekende uitspraak, “Het hout voor de bijl, dat de bomen van het bos zal vellen is van het bos zelf” illustreert dit principe.

In de sfeer van Thora, is zout: Kabbala, de innerlijke dimensie van Thora.

Anders dan de wettelijke aspecten van Thora, die volledig begrepen en geproefd kunnen worden, is het aspect van Kabbala verborgen en verhuld. Het kan niet waarlijk “geproefd” worden en opgenomen worden door het menselijke verstand. Het blijft onafhankelijk [zoals zout en stremsel een functie hebben zonder eerst werkelijk het item binnen te dringen]. Er is echter een voordeel aan beide aspecten van Thora Het voordeel van het wettelijke aspect is, dat de mens in staat is om G’ddelijke wijsheid, zoals kenbaar op het fysieke vlak in de vorm van wetten van de Thora, volledig te verwerken. Dit is het niveau van Chochma, wijsheid, daar waar het menselijke verstand één kan worden met G’ddelijke wijsheid.

Kabbala, spreekt van Hemelse realiteiten, is boven Chochma. Dit is een voordeel en een nadeel. Omdat het boven Chochma is, kan het niet volledig worden geabsorbeerd door het menselijke verstand. Omgekeerd, vanwege de transcendentie is het effect op de studerende veel krachtiger.

Zonder kennis van het wettelijke, kan men zich niet de smaak van Chochma, G’D’s wijsheid eigen maken. Want het is alleen door studie van het wettelijke dat iemand waarlijk G’ddelijke wijsheid kan vasthouden en absorberen. Met Kabbala of Midrash, verwerkt men niet waarlijk de essentie van de gedachte.

Aan de andere kant, ofschoon in het bestuderen van Kabbala men alleen een uitstraling van feitelijke ideeën waarneemt, stamt niettemin deze uitstraling [licht] van de innerlijke dimensie, de ziel van Thora en heeft de capaciteit om het spirituele perspectief van de studerende te beïnvloeden.

Hier leren we uit: dat wettelijk recht van de Thora als brood en vlees is en Midrash en Kabbala als zout, die smaak aan het voedsel verleend en negativiteit neutraliseert

 Zout is conserverend. Dus G’D’s eeuwigdurend verbond met Aaron is geassocieerd met zout [“een eeuwigdurend verbond van zout”, zoals in Bemidbar 18:19]. Zoals Rashi verklaart, “G’D sloot een verbond met Aaron met iets dat “heilzaam” en constant is en wat anderen conserveert … zout, dat nooit en te nimmer bederft.

De Arizal benadrukt de verbinding tussen zout en de priesterlijke zegen: Het Hebreeuwse woord voor zout, melach, is numeriek gelijk aan 78, wat 3×26 is [3x de G’ddelijke Naam Havayah die gelijk is aan 26]. Idem, de priesterlijke zegen bevat de Naam Havayah drie maal: “Mag Havayah u zegenen…., Mag Havayah Zijn stralend gelaat laten schijnen….., Mag Havayah Zijn aangezicht op u gericht houden…..” Deze zegeningen houden de wereld in existentie en worden daarom vergeleken met zout, dat andere items ondersteunt.

Een andere karakteristiek van zout is dat het negativiteit verlaagt en vernietigt. Het heeft deze capaciteit omdat het stamt van Gevoera van heiligheid.

Dus de G’ddelijke Naam die gebruikt wordt in het vers aangaande het verbond van zout is Elo-kiem [“briet Elo-hecha”], welke de G’ddelijke Naam is die Gevoera belichaamd. Het kan daarom de negatieve vormen van strengheid veranderen en “verzachten”, omdat strengheid van oorsprong verzachtend is.

De wateren van Jericho werden daarom gezond gemaakt door zout. En wanneer negativiteit is geconserveerd of verzacht door zijn oorsprong, is de verandering inwendig en van daar uit veel krachtiger.

Zout heeft ook geneeskrachtige vermogens. Zo brengt de Tikoenei Zohar 54a naar voren dat één van de omzettingen van het woord melach: chalam, sterker maken en helen suggereert (zie Job. 39:4 en Jesaja. 38:16).

Om die reden dus bevatten de offers zout. Want in het spirituele “offer”, menselijk naderen tot G’D, de betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Zijn naderen moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Bovendien moet het transformeren en met zich meebrengen, de dierlijke ziel, niet alleen overweldigen en tot zwijgen brengen, maar een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel veroorzaken, een innerlijke verandering, met ander woorden, verzachting van strengheid door oorsprong.

De betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, omvat het menselijk naderen tot G’D. In het spirituele “offer”, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Het naderen tot G’D moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Het brengt een transformatie met zich mee van de dierlijke ziel, niet alleen door het te overweldigen of tot zwijgen te brengen maar het veroorzaakt een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel, een innerlijke verandering met andere woorden, er vindt een verzachting plaats door de oorsprong van strengheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PEKOEDÉ

De berekeningen Exodus 38:21 – 40:38

De Geschriften van de Ari

Sefer Halikoetiem

In de Thoralezing van deze week wordt verslag gedaan van de donaties van het Joodse Volk, ten behoeve van de constructie van het Tabernakel en van wat met de donaties wordt gedaan. Ons wordt verteld dat “het zilver [verzameld] van hen van de gemeenschap die werden opgenomen,100 Kikkar waren en 1,775 shekel naar de shekel van het gewicht van het Heiligdom….De 100 Kikkar van zilver [werden gebruikt] voor het gieten van de sokkels van het Heiligdom en de sokkels van het voorhangsel: 100 Kikkar voor 100 sokkels, dus een kikkar per sokkel.” (Exodus. 38:25-27)

Het woord voor sokkel” in het Hebreeuws is “aden” en de meervoudsvorm (“de sokkels van”), de vorm gebruikt in deze passage, is “adnei“. Deze spelling is precies het zelfde als de G’ddelijke naam Ado-nai. Vanuit deze gedachte weidt de Ari verder uit:

Weet dat de 100 sokkels van het Tabernakel manifestaties zijn van de sefira van malchoet, welke synoniem is met de G’ddelijke Naam Ado-nai.

De Sokkels waren de basis van het tabernakel; de wanden welke de muren vormden werden in deze sokkels geplaatst. Het tabernakel was, zoals we eerder hebben opgemerkt, de wijze waarop G’D’s aanwezigheid in de wereld werd gemanifesteerd (en in het bewustzijn van elk mens); het was daarom een microkosmos van de gehele Schepping. De laatste, de laagste sefira van de tien sefirot is malchoet, dus de sokkels, de laagste elementen van het Tabernakel, manifesteren deze sefira. In tegenstelling tot de voorafgaande negen sefirot, bezit malchoet geen “inhoudelijkheid” of “persoonlijkheid” van zichzelf. Het is niet een eigenschap van G’D per se maar eerder de expressiekracht van al de andere, voorafgaande eigenschappen. Bijgevolg wordt het in de Zohar verklaard dat malchoet “niets van zichzelf heeft”. Het woord “malchoet” betekent “koninkrijk”, met andere woorden, de manifestatie van de voorgaande eigenschappen van G’D door geheel de Schepping, het creëren en doorgeven van de realiteit in een verenigd harmonieus geheel, een koninkrijk gestuurd door een koning, namelijk G’D. De G’ddelijke Naam die deze aanspreektitel over de realiteit uitdrukt is natuurlijk Ado-nai, welke letterlijk “Mijn Heer” betekent. Elke sefira, zijnde een manifestatie van G’D in de context van de Schepping, is in feite een andere “naam” van Hem, aangezien het doel van een naam of titel is om een persoon te identificeren in de context van de rol die hij speelt ten opzichte van de wereld om zich heen.

Deze naam bezit de numerieke waarde van 100, als volgt:

De eenvoudige numerieke waarde van het woord Ado-nai (gespeld alef- daled- noen- joed) is 65, maar door zijn milui te ontleden ( de volledige spelling letter voor letter), is zijn numerieke waarde verhoogd naar 100. Zoals eerder vermeld, verwijst de volledige spelling letter voor letter in Kabbala, naar de totale manifestatie van alle G’ddelijke latente kracht in die letter. De volledige spelling van de naam Ado-nai verwijst daarom naar de volledige manifestatie van G’D’s vermogen om de schepping onder Zijn heerschappij te verenigen. Dit, opnieuw, is de totale expressie van het idee van het Tabernakel in het algemeen: de verspreiding van het besef en bewustzijn van G’D door heel de Schepping. Om de waarde van 100 te bereiken, moet de naam Ado-nai letter voor letter dubbel worden gespeld, met andere woorden, elk van zijn constituerende letters moet volledig worden gespeld. Dit geeft zelf een grotere, meer volmaakte revelatie van malchoet gedurende Schepping aan.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL

De Thoralezing van deze week beschrijft het bouwen van het Heiligdom in de woestijn. In precieze details worden de vormen en maten van de afzonderlijke elementen van het bouwsel gekenschetst. Maar voor iemand die de wekelijkse Thora bestudeert is dit geen nieuwe informatie. Al deze details waren reeds twee weken en drie weken eerder, in de Parashot Taroemá en Tetsavé aangegeven. G’D had aan Mozes gezegd hoe hij het Heiligdom moest bouwen en Mozes omschreef het bouwwerk uitvoerig in de Thora.

Nu is het zo, dat elk woord en elke letter in de Thora een betekenis heeft en dat niets overbodig is en, zoals onze wijzen interpreteren, nauwkeurig en bijzonder. ( zie Rabbijn Mr. Drs. R. Evers “de dertien exegetische interpretatieregels van Rabbi Jismaeël ” ) Waarom wordt er dan een hele passage herhaald?

Het bijzondere van het opnieuw bekijken is, dat het Heiligdom, en later ook de Tempel in Jeruzalem, een tweevoudig bouwwerk was.

Het was een medium voor het openbaren van G’D’s aanwezigheid.

Dit is de boodschap van Parashot Taroemá en Tetsavé. Maar het is eveneens de plaats waar de menselijke inspanningen in het zuiveren van zijn omgeving tot uiting komen in de meest volmaakte vorm. Deze boodschap wordt overgebracht door Parashat Wajakheel.

G’D had Zijn voorstelling van de wereld. Hij schiep hem zo, zodat het Zijn verblijf, Zijn woning zou zijn, een plaats waar Hij Zich Zelf zonder enige beperking en geremdheid kan openbaren, zoals een persoon die zich vrijelijk uit in zijn eigen huis. Maar G’D wilde ook dat de mens zich thuis voelde in Zijn huis, daarom liet Hij de constructie over aan de mens. Hij kon het ook Zelf bouwen. Maar dan zouden we ons voelen als gasten. Onnodig en daarom enigszins overbodig. G’D wilde dit niet laten gebeuren. Hij wilde dat we ons voelden als Zijn partners. Daarom liet Hij het maken van de wereld, als Zijn verblijfplaats, aan ons over.

Het is inderdaad zo dat de huidige existentie van de wereld als verblijfplaats voor de mens al een moeilijke zaak is.

Het is onnodig om uitvoerig in te gaan op de thema’s van hebzucht, egoïsme en lompe materiële verlangens. Bekijk de dagbladen maar. Het is zeker, er is een potentieel voor het goede in deze wereld. Maar zoals vaak, is dat potentieel verborgen en onderontwikkeld. De taak om dit te openbaren en te ontwikkelen is de opdracht van de mens. Zijn doel in het leven is niet het vermijden van betrokkenheid in wereldse zaken en vluchten in spirituele sferen. Dat zou een nederlaag zijn van G’D’s doel. Dat zou inhouden dat de materiele wereld zoals hij existeert binnen zijn eigen context gesepareerd is van Hem. In plaats daarvan richt de menselijke levenstaak zich op de fysieke omgeving waarin hij leeft. Zijn doel is om elementen van onze existentie te nemen en aan te tonen dat zij niet bestemd waren om te gebruiken voor bekrompen egoïstische doeleinden, maar dat zij waren voorbestemd om deel uit te maken van G’D’s Heiligdom.

Dat is de boodschap van Parashat Wajakheel. Mozes roept het volk tezamen en brengt deze opdracht aan hen over. G’D zal Zijn deel doen en manifesteert Zijn aanwezigheid, maar de totstandkoming om Zijn aanwezigheid te manifesteren is de verantwoording van de mens.

SHABBAT SHALOM

Parashat Ki Tiessá

Wanneer je opneemt (Exodus 30:11 – 34:35)

RABBI JIZCHAK LURIA

VAN DE GESCHRIFTEN VAN DE ARI

Een van de onderwerpen waar over gesproken wordt in de Parasha van deze week, gaat over de preparatie van de speciale olie die werd gebruikt in het Tabernakel en de Tempel voor het zalven van de Tempelvoorwerpen en de priesters. De ingrediënten voor dit mengsel waren “uitgelezen specerijen en kruiden: vijfhonderd shekel (een bepaald gewicht) uitgedropen myrrhehars, geurige kaneel, de helft daarvan, tweehonderd vijftig en specerijriet tweehonderd vijftig en kassia, vijfhonderd volgens de shekel van het Heiligdom, ook nog een hien olijfolie. (Exodus. 30:23,24) De hoeveelheid myrrhe en kaneel die werd gebruikt in de vermenging waren uit het zelfde gewicht van vijfhonderd, maar de kaneel moest worden uitgewogen op dat moment van de helft, van het gewicht van tweehonderd vijftig.

De mystieke betekenis van de zalvingolie is als volgt: Zoals we weten werd er vijfhonderd shekel pure myrrhe gebruikt, en het werd op dat moment gewogen. Vijfhonderd shekel geurige kaneel werd eveneens gebruikt, maar werd gewogen per tweehonderd vijftig shekel, zoals de tekst zegt. Echter alleen van kassia werd tweehonderd vijftig shekel gebruikt.

De reden voor dit alles is, dat alle specerijen manifestaties zijn van de G’ddelijk naam Elo-hiem, en zoals we behoren te weten, er zijn drie [taalgebruiken van] Elo-hiem: soms geeft het de sefira van bina aan, in andere gelegenheden de sefira van gevoera, en in weer andere momenten de sefira van malchoet.

De Bijbel gebruikt vele namen voor G’D. Dit is omdat elke naam een verwijzing is naar G’D als Hij zichzelf manifesteert door een specifieke eigenschap. Deze eigenschappen worden in Kabbala Sefirot genoemd; elke sefira is geassocieerd met een specifieke naam van G’D.

In het algemeen kan de naam Elo-hiem naast de naam Havayah worden geplaatst en wordt beschouwd als een structuur door welke Havayah wordt weergegeven. Zodoende is er geschreven: “Want zoals de zon en zijn schild, zijn Havayah [en] Elo-hiem”. (Psalm 84:12) In elk van de drie gevallen die hier worden genoemd, handelt de sefira met welke naam Elo-hiem wordt geïdentificeerd, als een secondair, en verkrijgt aanvulling van en naar andere sefira. Bina is de tweede sefira van het intellect, welke ontwikkelt en focust, de intense maar kortstondig flits van inzicht, welke chochma is, de eerste sefira van het intellect. Alhoewel het een zelfstandig vermogen is van de ziel, handelt het volgens het materiaal waar het in wordt voorzien door chochma.

Idem, gevoera is de tweede sefira van de emoties, welke de intensiteit van de eerste sefira van de emotie, chesed, limiteert. Hier opnieuw, gevoera is een zelfstandig vermogen, maar zijn functie is om te reageren op het handelen van chesed.

Uiteindelijk is malchoet het voertuig door welke de emoties tezamen zichzelf uitdrukken. Dus ondanks dat het ook een zelfstandig vermogen is van de ziel, dient het om de inhoudelijkheid van de emoties die het verkrijgt, uit te drukken. We zien dus dat in elke toestand deze sefirot fungeren en handelen als dragers, of filters voor anderen, meer “bijdragende sefirot”, en deze gemeenschappelijkheid is de basis voor het geassocieerd zijn met de naam Elo-hiem.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden Exodus 27:20 – 30:10

Rabbi Jitzchak Luria

Geschriften van de Ari, Ta’amei HaMitzvot

Licht van de Heilige Hoofdband

De Thora zegt dat de tefillien (gebedsriemen), “een [middel tot] herinnering tussen jullie ogen zijn”. Hieruit maken wij op dat de hoofd tefillien zijn bedoeld om ons geestvermogen te beïnvloeden, om de Uittocht uit Egypte en al haar significaties, te allen tijde in ons bewustzijn te houden. Zoals we eerder hebben aangehaald, is de betekenis van de Uittocht uit Egypte de bevrijding (of geboorte) van de heilige emoties van de baarmoeder van het verstand, die ons toestaat om ons G’ddelijk geestvermogen uit te drukken in onze emotie, eerder dan het hebben van niet heilige emoties die het gevolg zijn van beperkt bewustzijn. De Uittocht is dus een werking van Imma, de moeder van de emoties. De tefillien, waarvan het doel is om dit proces gaande te houden, zijn dus een expressie van Imma. De tefillien banden, vallend naar beneden, zijn de middelen waardoor het vermogen van Imma neerdaalt in hart en lichaam, waar de emoties worden gevoeld.

Daarom is de tzitz (de Heilige hoofdband) hoger geplaatst dan de tefillien, om aan te geven dat deze het geestvermogen van Abba personifieert, terwijl de tefillien het geestvermogen van Imma personifiëren.

(Alles wat boven is gezegd met betrekking tot tefillien geldt in het bijzonder tot Rashi- tefillien. Rabbeinoe Tam-tefillien daartegen bedoelen het geestvermogen van Abba te personifiëren, precies zoals de hoofdband.)

Om die reden werden de woorden “Heilig tot G’D” er op gegraveerd, aangezien het woord “heilig”, zoals bekend, altijd refereert aan het intellect, en in het bijzonder aan het geestvermogen van Abba (Chochma), dat “heilig”genoemd wordt.

“Heilig” (in het Hebreeuws, “kadosh”) betekent “gesteld boven”, gesepareerd”, “uitnemen”, “verder dan”. In vergelijking tot de emoties wordt het intellect als “heilig”beschouwd”, aangezien het intellect objectief is en een persoon voorbij zichzelf brengt, terwijl de emoties inherent subjectief en op het zelf gericht zijn. Binnen de sfeer van het intellect zelf wordt Chochma als “heilig” beschouwd ten opzichte van Bina, want Chochma in het alles overtreffende begrip dat de persoon boven het zelf uit doet stijgen, terwijl Bina de ontwikkeling is van het eigen individele intellect persé.

Ter verklaring: Binnen Abba is de naam Havayah zichtbaar, letter voor letter gespeld met de letter Joed.

Dit is de naam AB (=72) gespeld joed-vav-dalet hei-joed vav-joed-vav hei-joed. Het feit dat de naam Havayah in dit geval letter voor letter is gespeld met de letter joed geeft aan dat het is geassocieerd met Chochma, want in de naam Havayah zelf, belichaamt de joed Chochma; de eerste hei, Bina; de vav, de emoties, en de laatste hei, Malchoet.

Deze [letter voor letter spelling] bevat vier joed’s, elk bezit een [uitgebreide] numerieke waarde van 100. Dus de gecombineerde [uitgebreide] numerieke waarde van de vier joed’s van de naam AB is 400.

De normale numerieke waarde van de joed is 10. Iedere joed geeft een reeks van tien sefirot aan, die door onderverdeling elk 100 sub sefirot bevatten.

Als we het cijfer 4 toevoegen, vertegenwoordigend de vier joed’s bereiken we de numerieke waarde van het woord voor “heilig” [in het Hebreeuws, “kodesh”] zoals we hebben uitgelegd.

400+4=404
“Kodesh”wordt gespeld: koef-dalet-shin=100+4+300=404

Het licht van de vier innerlijke geestvermogens van Abba [dat niet kan worden beheerst door Zeir Anpin] dringen buitenwaarts [op het niveau van] het voorhoofd van Zeir Anpin, met name, van de twee zijden van het voorhoofd, aangrenzend aan de oren. De alles overtreffende radiatie van Chochma van Abba en de staat van Chesed binnen Daát van Abba emitteert vanuit de rechterzijde. De alles overtreffende radiatie van Bina en de staat van Gevoera binnen Daát van Abba [emitteert] vanuit de linkerzijde.

De hoofd tefillien bevat vier compartimenten, waarin vier strookjes perkament zijn gevoegd waarop de vier passages van de Thora zijn geschreven waarin de tefillien worden vermeld. (Exodus. 13:1-10, 13:11-16, Deuteronomium. 6:4:9, 11:13-21) Dit geeft aan dat er vier aspecten zijn van het bewustzijn van de Uittocht die we in stand moeten houden. Deze vier geestvermogens worden geïdentificeerd in Kabbala als de vier aspecten van het intellect: Chochma, Bina, de oorsprong van Chesed binnen Daát, en de oorsprong van Gevoera binnen Daát. Aan de oorsprong van Chesed en GevoeraI binnen Daát wordt gerefereerd respectievelijk als “de staat van Chesed binnen Daát” en “de staat van Gevoera binnen Daát”.

Juist zoals het intellect in het algemeen is verdeeld in deze drie/vier sefirot, is het geestvermogen Abba ook onderverdeeld in deze vier aspecten. Twee hiervan, Chochma van Abba en Chesed van Daát van Abba, zijn masculien en emitteren daarom aan de rechterzijde; en de twee anderen, Bina van Abba en Gevoera van Daát van Abba, zijn feminien en emitteren daarom aan de linkerzijde.

Vervolgens verspreiden zij zich rond het voorhoofd [van Zeir Anpin], vormend de hoofdband van de Hoge Priester.

Mij dunkt dat ik [Rabbi Chaim Vital] ook hoorde van mijn meester [de Arizal], van gezegende herinnering, dat de naam Havayah was ingegraveerd op de hoofdband als volgt; de joed en de vav waren gegraveerd aan de rechterzijde, één boven de ander, en de twee hei-s aan de linkerzijde, één boven de ander. Maar ik herinner me dit niet meer exact.

Dit zou goed overeen kunnen komen met wat eerder was verklaard, namelijk dat het masculiene “Licht” emitteert via het gebied rond het rechteroor en het feminiene “Licht” via het gebied rond het linkeroor.

Dus stond de Hoge Priester model voor de Hemelse Mens en droeg daarom de kledingstukken van de Hemelse Mens.

De “Hemelse Mens” is Zeir Anpin, de schikking van de sefirot in de menselijke vorm.

[Aangaande iedereen die de voorkant van de hoofdband zou voorbijgaan, als hij een rechtvaardig persoon is, zou het op zijn [eigen] voorhoofd zichtbaar zijn, want zijn Bina zal op zijn voorhoofd worden gereveleerd. Letters zijn op het niveau van Bina, zoals we eerder hebben verklaard en dat is waarom letters worden gereveleerd op het voorhoofd, dat iemands [individuele] Bina is de reden.

De heiligheid van de hoofdband brengt de heiligheid van iemands intellect “naar boven”, en veroorzaakt dat het zichtbaar zal worden op het voorhoofd van die persoon.

Hoewel de beleving van Chochma in essentie verder gaat dan verwoording (met andere woorden, “letters”), is het de taak van Bina om deze transcendente beleving waar te nemen en over te zetten in een taal (”letters”).

Als de persoon slecht zou zijn, zou zijn gelaat terechtkomen in de Andere Zijde en zou hij in verlegenheid gebracht worden door de heiligheid [van de hoofdband] en zou hij berouw hebben.

De “Andere Zijde” (Sitra Achra) refereert aan de sfeer van kwaad. De kwaadaardigheid van de persoon zou, bij confrontatie met de heiligheid van de hoofdband, zichtbaar worden op zijn voorhoofd en hierdoor in verlegenheid gebracht, zou hij worden aangespoord om berouw te hebben.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing                Exodus. 25:1 – 27:19

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

LICHT VAN DE LICHTGEVENDE LANTAARN

ZOHAR I, 66a

Kom en zie! Wanneer zielen opstijgen naar de plaats die is verbonden met het leven (de Tuin Eden of het Paradijs) vinden zij groot genoegen in de straling van de Lichtgevende Lantaarn [Aspeklaria Ha-meira], door welke licht stroomt van een hogere bron. Als de ziel zichzelf niet omhult in de straling met een of andere bedekking, kan het het licht niet naderen en aanschouwen. De esoterische achtergrond hiervan dit kan worden vergeleken met de omhulling waarmee de ziel zich omkleed in Deze Wereld, zodat dat zij deze kan verdragen. Op een vergelijkbare manier wordt de ziel een bedekking van hemelse straling gegeven zodat het die wereld kan verdragen en de lichtgevende lantaarn in het Land van Leven kan aanschouwen.

Nu kom en zie: Mozes kon, hoe dan ook, niet naderen en aanschouwen, totdat hij in een ander omhulling was gekleed, zoals het vers verklaart, “Mozes ging in de wolk en klom naar de top van de berg,” welke de Targoem (Aramese vertaling) weergeeft als “omhuld in de wolk”. Hij was er in omhuld alsof hij een kledingstuk droeg en daarom in staat om de dichte wolk te naderen in welke de G’ddelijke Aanwezigheid was geopenbaard.

Naar dit kledingstuk verwijzen onze collega’s als “chaloeka d’rabbanan” [de rabbijnse mantel] in welke zij zich omhullen in Deze Wereld. Gelukkig is het lot van de rechtvaardigen, voor wie de Heilige, Geprezen zij Hij, goedheid en vreugde (van de ziel) in die wereld heeft verborgen. Betreffende dit is geschreven, “Geen oog heeft het ooit gezien behalve U, O Eeuwige; maar U zal het [mogelijk] maken voor diegene die in U vertrouwen.” (Jesaja. 64:3)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsvoorschriften

 Exodus. 21:1 – 24:18

 De Thora Wetgeving

 Na het hoogtepunt van G’ddelijke revelatie, weergegeven in de parasha van verleden week, werpt Mishpatiem ons pardoes in de complexe diepten van de gedragsvoorschriften van de Thora. De voorschriften gereveleerd bij Mara voorafgaand aan het “ Geven van de Thora”, samen met de voorschriften die worden beschreven in Mishpatiem en al de andere voorschriften die elders zijn beschreven in de Thora, zijn alle integraal onderdeel van de universele wetgeving die werd gereveleerd aan de Sinai (zie Rashi op Leviticus. 25:1). Aangezien G’D perfecte eenheid vertegenwoordigt, werd de gehele wetgeving uitgesproken in een enkele lichtflits door de eerste Diboer, “ woord” “ Ik ben de Eeuwige, je G’D” (Exodus. 20:2). Corresponderend met de Tien Sefirot, die ten grondslag liggen aan heel de Schepping, de Tien Woorden Aseret HaDibrot, de “ Tien Geboden” constitueren de onderliggende fundamentele grondslagen van de gehele Mozaïsche Wetgeving. In zekere zin, “is al het andere commentaar”, de zes honderd dertien afzonderlijke mitzwot die deel uitmaken van de wetgeving, zijn allen impliciete details in de essentiële eenheid van G’D. Ze zijn allemaal nodig om die eenheid aan de wereld te reveleren.

Velen in de wereld brengen de Tien Geboden over hun lippen, maar we hoeven niet ver te zoeken om te constateren dat praktisch alle op een of andere manier door mensen in deze wereld worden overtreden. Overal binnen samenlevingen zijn criminaliteit en geweld, seksuele immoraliteit, laster, afgunst en hebzucht en jalousie wijdverbreid. Nauwelijks kent men de ware inhoudelijke betekenis van Shabbat in de wereld, een dag in de week van het compleet laten rusten van technologie en zakelijke aangelegenheden, een dag om met G’D te zijn.

De vele voorschriften in Mishpatiem constitueren de essentie van de Mozaïsche Wetgeving, ons lerend hoe met G’D te zijn in al onze aangelegenheden en activiteiten in deze wereld.

Het is toepasselijk voor het Volk dat naar de Sinai kwam vanuit de slavernij in Egypte dat de wetgeving van Parashat Mishpatiem opent met de voorschriften van slavernij. De wet van Mitzraim, Egypte, de plaats van Metzar, restrictie, beperking, was dat geen slaaf ooit vrijuit kon gaan. Maar de eerste van de gedetailleerde voorschriften van de Thora Wetgeving zegt ons dat het tegenovergestelde het geval is. De Hebreeuwse slaaf moet zes jaar werken voor zijn meester, maar het zevende jaar gaat hij vrijuit. Als hij verkiest om na zes jaar bij zijn meester te blijven, mag hij dit doen, maar alleen tot het vijftigste jaar, het Jovel jaar, “jubilee”. Tijd gaat in cyclussen. Iemand kan diep vallen, maar uiteindelijk draait de cyclus rond, en komt vooruit. De cyclische aard van tijd, impliciet weergegeven in het vierde gebod (zes dagen van werk gevolgd door Shabbat), is gereveleerd in de voorschriften van slavernij in Mishpatiem in een bevrijdende eigenschap. De dag van Shabbat, het Sabbaticaljaar en het Jubilee (na 7×7=49jaar), hebben alle het vermogen om ons van de uiteenlopende vormen van slavernij waarin men zich stort te bevrijden.

Slavernij in de letterlijke zin, is nog steeds wijdverspreid in grote delen van de wereld. Daarnaast zijn er vele zogenaamd vrij “ zij zijn ook slaven” op een of andere wijze, hetzij door de omstandigheden om hen heen of door de diep in het innerlijk gewortelde blokkeringen, neigingen, behoeften en verlangens, aan wat door de media wordt gedicteerd, gewoonten, reclame uitverkoop, etc. etc.

 De Heilige Zohar, waarin commentaar op Mishpatiem exceptioneel lang is, reveleert in detail hoe de voorschriften van slavernij in onze parasha de wetten en principes bevatten, waardoor zielen worden gereïncarneerd in deze wereld. Zielen worden verplicht om verschillende incarnaties te “dienen” om schuld af te lossen opgelopen door misdragingen en falen in voorafgaande incarnaties. Alle andere gedetailleerde geboden in de Thora bevatten evenzo diepgaande kabbalistische verwijzingen. Want de gereveleerde wetgeving van de Thora, die betrekking heeft op zaken en andere aangelegenheden in ons leven, is een en de zelfde als de wetgeving waardoor G’D het hele universum op al zijn verschillende niveaus regeert. Alles is eenheid.

 Naast slavernij, bevat de wetgeving in Mishpatiem de basis wetten van huwelijk, moord, doodslag, ontvoering, moedwillige geweldpleging, moedwillige en niet moedwillige toegebrachte schade aan personen en bezit, diefstal, nalatigheid, leningen, rechtbank procedure, rituele en andere wetten. De wetgeving eindigt met de voorschriften van het Sabbaticaljaar, de Shabbat en jaarlijkse terugkerende feestdagen, die alle verlossing teweeg brengen in de cycli van tijd.

 Aan het einde van de parasha lezen we: “ En de Eeuwige zei tegen Mozes: Kom naar boven naar Mij, de berg op en blijf daar, en Ik geef je dan de Stenen Tafelen met de Thora voorschriften en Mitzwot die Ik heb opgeschreven om hen te onderwijzen.” (Exodus. 24:12)

 De Talmoed verklaart: “De Tafelen zijn de Tien Geboden. De Thora betekent de geschreven Thora, “Mikra”; De Mitzwot betekent de Mishna (Mondelinge Thora); die Ik heb geschreven, zijn de Profeten en de Heilige Geschriften (Nevi’iem en Ketoeviem). Om hen te onderwijzen, is de Gemara, (de deductieve principes van de Thora). Leerstellingen, die alle werden gegeven aan Mozes op de Berg Sinai.

 De geschreven Thora, zoals we lezen in de wekelijkse parasha, is integraal een eenheid met de Mondelinge Thora. Dus onze Parasha van Mishpatiem bevat de fundaties van de wetten uitgebreid uiteengezet in de vier van de zes orden van de Mishna, de Mondelinge Thora. Dus in Mishpatiem treffen wij sommige van de belangrijkste voorschriften aan van de orde van Zera’iem, zaden, met andere woorden, landbouwkundige wetten, van Nashiem, huwelijkswetten en van Nezkiem, schade en eigendomsrecht, leningen, legale procedures.

 Aan het einde van Mishpatiem lezen we: ”En Mozes trad de wolk binnen en besteeg de berg en veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes op de berg” (Exodus. 24:18). Onmiddellijk daarna, in de volgende wekelijkse parasha van Teroema, begint de Thora de vormgeving van het Heiligdom, het prototype van de Tempel, uit te leggen en hoe het werd geconstrueerd en geïnaugureerd in de wildernis. Dit neemt het laatste gedeelte van Exodus in beslag, waarna we Leviticus binnen gaan en de wereld van het brengen van offers en rituele reiniging. Het brengen van offers en het rituele reinigen zijn de onderwerpen van Kedoshiem (heilige onderdelen en voorwerpen) en Taharot (zuivering), de laatste twee orden van de Mishna.

Deze Shabbat, na het lezen van de Thoralezing in de synagoge, zegenen we de komende maand van Adar, een maand waarin de Mazal van Israël dominant wordt.

Mishenichat Adar, MarBin BeSimcha!! Wanneer Adar komt, maximaliseren we Simcha!!

 SHABBAT SHALOM      

PARASHAT JITRO

G’DDELIJKE NAMEN, G’DDELIJKE DIMENSIES

Rabbi Isaiah Horowitz

Shné Loechot HaBriet

Ik zal nu trachten enkele esoterische dimensies te verduidelijken van de Tien Geboden, waarvan vijf zich verhouden tot onze Maker en vijf tot het welzijn van onze medemens.

We zijn onszelf al zeer bewust dat de gehele Thora bestaat uit permutaties van de Naam van G’D, permutaties die zich eindeloos uitstrekken in alle richtingen van het Universum.

De onuitsprekelijke Vier Letter Naam, joed, hé, vav, hé, (Havaya) is de Naam die G’D’s essentie symboliseert. Al de andere Namen zijn op een of andere manier afgeleid van deze Vier Letter Naam; deze verschillende “pseudoniemens” van G’D’s Naam zijn  ondergeschikt aan deze Naam Havayah. Er is geen woord of letter in de Thora die niet in een bepaalde vorm, hetzij direct of indirect, verwijst naar een Naam van G’D en die op zijn beurt aansluit bij de onuitsprekelijke Vier Letter Naam. Dit betekent dat de “Thora van G’D volkomen is” en al zijn aspecten op een of andere manier terug leiden naar de  Vier Letter Naam.

Met dit in gedachten is het eenvoudig te begrijpen dat de Tien Geboden in zich de hele Thora in “miniatuurvorm” bevatten.

De Tien Geboden bestaan uit 620 letters, corresponderend met de Kroon van de Thora (in het Hebreeuws, Keter, die een numerieke waarde heeft van 620).

613 van deze letters representeren de 613 geboden en verboden van de Thora die aan het Joodse Volk zijn opgelegd, terwijl de andere 7 de 7 Noachidische Wetten representeren, opgelegd aan de hele Mensheid. Het is vrij duidelijk dat de Tien Geboden, meer dan enig ander deel van de Thora, de esoterische dimensie van de Onuitsprekelijke Naam bevat.

De vorm en de afmeting van de Tafelen waarop de Tien Geboden zijn ingegraveerd verwijzen naar de letters van de Onuitsprekelijke Naam. Het cijfer 10 corresponderen met de letter joed van die Naam. De vijf geboden ingegraveerd op elk van de Tafelen correspondeert met de letter van de Onuitsprekelijke Naam. De letter vav representerend de hoogte, de breedte de dikte van de Tafelen, die elk 6 handbreedten waren. [De respectievelijke numerieke waarden voor de letters joed, hé en vav zijn 10, 5, en 6.]

Wanneer we de dimensies van de Tafelen “kuberen” 6 bij 6 bij 6, verkrijgen we 216 kubiek handbreedten. Dit cijfer is gelijk aan de letter voor letter van de Onuitsprekelijke Naam, beter bekend als “AB”, de numerieke waarde van 72.   Dit cijfer, gezien in de drie dimensies van de Tafelen, bereik je 3×72=216. Dit cijfer correspondeert met het aantal [drie keer 72 in elke vers] in de drie successievelijke verzen in Exodus. 14:19-21, beschrijvend de tussenkomst van G’D’s engel tussen het kampement van de Israëlieten en dat van de Egyptenaren…

De eerste vijf van de Geboden spreekt over de Naam van G’D zoals die wordt gespeld, met andere woorden, joed, hé, vav, hé, terwijl de laatste vijf geboden spreken over die Naam zoals die wordt geschreven, met andere woorden, zoals de Naam Ado-nai, de oorsprong van Israël [aangezien deze vijf Geboden gedrag reguleren tussen Joden en Joden.] In essentie is alles in wezen één. Alles leidt terug naar de Onuitsprekelijke Naam.

Dit, in grote lijnen, heb ik overgenomen van de geschriften van Nachmanides waar hij stelt dat de dualistische natuur van de Tafelen, met andere woorden 2 Tafelen in plaats van één, Hemel en Aarde, bruidegom en bruid, symboliseren.

Alles is gebaseerd op de esoterische dimensie van de Onuitsprekelijke Naam hetzij gespeld als, joed, hé, vav, hé, of als Ado-nai.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BESHALACH

En hij had laten gaan

Exodus.13:17 – 17:16

 72 ‘NAMEN’ VAN G’D

 Drie verzen van 72 letters elk, verwijzen opeenvolgend naar de G’ddelijke eigenschappen van Chesed, Gevoera en Tiferet.

 De drie achtereenvolgende verzen van Exodus 14:19-21 bevatten elk 72 letters, een ongetwijfeld raar fenomeen. De letters van deze drie verzen kunnen gerangschikt worden als 72 reeksen van 3 letters ( triplets). Maar Kabbala leert dat als we de orde van de letters in de middelste zetting omkeren, de 72 triplets 72  “Namen” van G’D worden. In het onderstaande schema worden deze namen weergegeven.

In de vertelling van de Uittocht van Egypte, beschrijven deze drie opeenvolgende verzen G’D’s zichtbare macht vlak voordat Hij de Riet zee (Rode zee) spleet, waardoor het Joodse Volk op droge grond door de zee kon lopen.

En de engel van G’D, die het kamp van Israël voor was gegaan, trok nu weg van daar en ging achter hen aan en de wolkzuil vertrok van voorop van hen en stond nu achter hen. Dus de wolkzuil kwam tussen het kamp van Egypte en het kamp van Israël, maakte daar bewolking en duisternis [bij de Egyptenaren, maar gaf licht in de nacht [bij de Israëlieten], zodat de één niet bij de andere kon komen, heel de nacht. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en G’D dreef de zee terug met een sterke aanhoudende oostenwind de hele nacht, waardoor Hij in de zee een droge land strook liet ontstaan, dus het water was gescheiden.” (Exodus. 14:19-21 )

Een naam is een middel of een duiding waarmee iemand bekend wordt aan anderen.

In het Hebreeuws bevatten deze drie verzen elk 72 letters. In de Zohar  II:51b wordt aangegeven dat deze drie verzen opeenvolgend refereren aan de G’ddelijke eigenschappen van Chessed, Gevoera en Tiferet. De harmonieuze vermenging van deze drie emotieve grondeigenschappen vormen de basis van het referentie kader van hoe G’D relateert aan de wereld. Zij vormen samen een compositie van G’D’s Naam, aangezien een naam een middel is of een duiding waarmee iemand bekend wordt aan anderen, met andere woorden, het manifesteert zijn eigenschappen.

Het feit dat elk vers 72 letters bevat betekent dat zij op één lijn liggen, en 72 triplets van letters vormen. In deze configuratie stelt de Zohar, dat het eerste vers wordt geschreven in de juiste volgorde, aangezien het G’D’s liefdevolle barmhartigheid representeert, of een directe openbaring van G’D’s goedheid. Het tweede vers wordt geschreven in omgekeerde volgorde, van de laatste letter naar de eerste, aangezien het G’D’s strengheid representeert, wat een indirecte openbaring is van Zijn goedheid.

Hoewel Tiferet een mengeling is van Chessed en Gevoera, is het derde vers niet geschreven in half juist en half in omgekeerde orde, zoals men zou verwachten. Dit heeft twee redenen: (1) in Tiferet domineert Chessed over Gevoera, en (2) als een ideale mengeling van Chessed en Gevoera, is Tiferet een directe openbaring van G’D’s goedheid en glorie, in plaats van een indirecte.

 SHABBAT SHALOM