PARASHAT WAJERA

En Hij verscheen   Genesis.18:1 – 22:24

 

ABRAHAMS BESNIJDING VEROORLOOFDE HEM EEN PERMANENTE

CONNECTIE MET DE G’DDELIJKE AANWEZIGHEID.

Rabbi Chaim Ben Attar, Ohr HaChaim.

G’D verscheen aan hem [Abraham]. (Genesis. 18:1)

In het originele Hebreeuwse zinsdeel, verschijnt G’D’s Naam het laatste, letterlijk gelezen: “Verscheen aan hem G’D”.

Waarom is Abraham het onderwerp van het visioen en waarom wordt hij  genoemd voor (het woord) G’D? De normale constructie zou zijn geweest: “G’D verscheen aan hem” In de voorafgaande visioenen ontving Abraham altijd G’D als eerste (vergelijk 12:7 en 17:1). Waarom vermeldt de Thora niet de aard van dit visioen, het te behandelende onderwerp, etc.? Onze Geleerden in de Talmoed (Baba Metzia 86) zeggen dat G’D simpelweg bij Abraham op ziekenbezoek was, gezien Abraham nog steeds herstellende was van de uitwerkingen van de besnijdenis. Dit klinkt heel mooi, maar dit wordt niet in de tekst aangegeven.

 

De boodschap aan Abraham was dat G’D’s Aanwezigheid van nu af aan op hem zou rusten als een permanente basis. In Kabbalistische termen, Abraham was nu een “drager van de Shechina”. De huidige aanspreekvorm geeft aan dat G’D’s Aanwezigheid wordt gevoeld door Abraham. Had de Thora de gebruikelijke verwoording toegepast, konden we ons niet bewust worden dat G’D onderscheid maakt tussen openbaring zelf en Degene die Zichzelf openbaart.  Het is om die reden dat Abrahams toekomstige visioenen nooit meer worden ingeleid door het woord “verscheen” [“wajera”]. We zien alleen: ”G’D sprak tot Abraham”.

De term “Hij verscheen aan hem” zinspeelt ook op de letter joed  van G’D’s Naam, Die zichtbaar wordt op Abrahams vlees zoals vermeld in Tanchoema 96 en Zohar I:95: “Wanneer de heilige als verblijf is ingeprent op iemand, betekent dit dat G’D’s Aanwezigheid rust op die persoon.”

De boodschap is: nu dat Abraham was besneden, was hij in staat om een visioen van G’D in Zijn superieure Licht in zich op te nemen. Niet iedereen werd ingewijd in een profetisch visioen in de volle betekenis van het woord. Hij was in staat om de Vier Letter Naam van G’D [Havayah] in zich op te nemen. We zouden dit niet hebben begrepen als de Thora had geschreven: “En G’D verscheen aan Abraham”.   

 

SODOM EN GOMORRA BELICHAMEN DE GEVALLEN VERSIE VAN HET LICHT VAN TOHOE

 En G’D liet het regenen over Sodom en over Gomorra, zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden en de gehele vlakte ten onder met alle bewoners van de steden en de vegetatie van de grond. (Genesis. 19:24)

“Zwavel en vuur van G’D uit de Hemel en bracht deze steden”…..: Alle steden van de vlakte gingen ten onder, maar alleen Sodom en Gomorra werden vernietigd met zwavel en vuur. De steden Admah en Tzvaim werden primair bestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D, terwijl Sodom en Gomorra primair werden gestraft voor hun kwaadaardigheid jegens G’D en de mens, G’D vernietigde Sodom en Gomorra volkomen. De wereld van Tohoe werd vernietigd zodat de wereld van Tikkoen kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

In Kabbala, belichamen Sodom en Gomorra de gevallen versie van de Lichten van Tohoe, intens en afzonderlijk denkende G’ddelijke energieën die niet konden worden begrensd en vastgehouden en niet gelijktijdig konden bestaan. Dit  afzonderlijk denken wordt gereflecteerd in het egoïsme van Sodom. Dus Sodom en Gomorra moesten geheel worden verwoest, net zoals de wereld van Tohoe was verwoest, zodat de wereld van Tikkoen, de wereld met minder intense Lichten en meer concrete vaten, kon worden opgebouwd uit haar ruïnes.

De ultieme ervaring is dan wanneer de oneindige lichten van Tohoe zijn opgenomen in de eindige vaten van Tikkoen. Dus wanneer Ezechiël profeteert (Ezechiël. 16:53) dat in het Messiaanse tijdperk deze steden zullen worden gerehabiliteerd, refereert hij ook aan de Lichten van Tohoe, die uiteindelijk zullen worden geïntegreerd in de vaten van Tikkoen.

Shabbat Shalom        

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij        Genesis. 12:1 – 17:27

 

HET VERKRIJGEN VAN JE WARE IK

 

Toen het Joodse Volk het Land van Israël overwon, veranderden zij daarmee de spirituele aard van het Land en zodoende werd het voor altijd het “Joodse Land”.

 

 Likoetei Sichot, vol. 2, p. 659.

 

 “G’D zei tot Awram, “Ga: uit je land, van je geboortegrond, uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je zal aanwijzen.” (Genesis. 12:1)

 

 “Ga”: Letterlijk staat in deze opdracht, “Ga naar jou”. Deze instructie aan Awram is evenzo een instructie voor elk individu: “Ga naar jou, naar jezelf, keer terug en verbind jezelf met je ware ik, met je essentie en spirituele oorsprong.

 

….onze uitdaging is om de aardse dimensie van onze ziel te verbinden …met zijn transcendente oorsprong.

 

Slechts een klein deel van de ziel komt in het lichaam en brengt het tot leven. Het oorspronkelijke grotere deel van de ziel, blijft Boven en overtreft de beperkingen van de fysieke wereld en ervaart G’ddelijkheid als een helderende en natuurlijke realiteit zoals we dat met materie ondervinden. Gedurende ons verblijf in deze wereld, is onze uitdaging om de aardse dimensie van onze ziel te verbinden (vanwege diens fysieke perceptie is het blind voor G’ddelijkheid) met zijn transcendente oorsprong. “Des te meer we ons verbinden met onze oorsprong, des te meer zullen we ook in staat zijn om G’ddelijkheid te zien.” Dus de Thora vertelt ons:

 

Ga naar jezelf”: keer terug naar je innerlijke binnenste, door te gaan,

 

 “Uit je land”: dat wil zeggen, door uit te reiken boven je aardse verlangens,

 

Van je geboortegrond”: door het overwinnen van je stoffelijke gewoonten en neigingen, en

 

“Uit het huis van je vader”:door boven de intellectuele beperkingen van je dierlijke ziel uit te reiken (omdat het intellect de vader is van de ideeën en eventuele emoties voortbrengt).

 

Alleen nadat wij succesvol de beperkingen van de lichamelijke dierlijke ziel overkomen kunnen we verder gaan met de volgende taak, die van het overstijgen van zelfs de neigingen van de G’ddelijke ziel, zijn eigen Radzon (land, Chochma (geboortegrond), en Bina (vaders huis) om een niveau te bereiken dat boven alle redenering gaat, “het Land dat Ik je zal aanwijzen, een plaats waar de ziel niet slechts en alleen G’ddelijkheid begrijpt, maar werkelijk ziet.

 

SHABBAT SHALOM          

 

PARASHAT NOACH

Noach          Genesis 6:9 – 11:

Rabbi Shimon bar Jochai.

 

Zohar P. 64b.

 

In de onderstaande vertaling, verklaart de Zohar, waarom de naam van G’D, gespeld joed hé vav hé (verwijzend naar “Havayah”) wordt uitgesproken op een niet relevante manier ten aanzien van de behorende spelling. De naam wordt uitgesproken als “Ado-nai”, wat “Heer” betekent, wat zelfs nog geeneens een toespeling is tot de betekenis van de spelling. Een andere naam, Elo-hiem, wordt eveneens gebruikt om het G’ddelijke te beschrijven, in het aspect als schepper. Onze tekst onderzoekt de achterliggende betekenis in het gebruik van deze naam, en wat het betekent in ons dagelijks leven.

 

Om welke reden wordt op een bepaalde plaats geschreven, “En Havayah [welke een naam is die refereert aan het G’ddelijke aspect van barmhartigheid] liet zwavel en vuur regenen over Sodom en Gamora” (Genesis. 19:24)? Waar ligt het verschil tussen dit, en het verhaal van de Watervloed, waar telkens de naam Elo-hiem wordt gebruikt en niet de naam G’D?

 

De enige uitzondering met betrekking tot dit is wanneer de tekst gaat over de redding van Noach en zijn familie, zoals “Havajah zei tegen Noach: ‘ Ga, jij met heel je huisgezin in de ark’” (Genesis. 7:1), of “Havayah sloot hem beschermend in.” (Genesis. 7:16)

 

We hebben echter geleerd dat op elke plaats waar “en Havayah” wordt gezegd, het een verwijzing is naar Hem en Zijn Gerechtshof.

 

De intentie is om aan te geven dat Zeir Anpin, het hogere barmhartige aspect van G’D, zich heeft verbonden met Malchoed. Juist zoals een koninkrijk wordt geregeerd bij wet, resulteert de verbinding van Zeir Anpin met Malchoet, in het tot uitvoer brengen van een justitieel oordeel.

 

Waar de naam Elo-hiem op zichzelf wordt gebruikt, verwijst het naar het aspect van oordeel. Toen Sodom werd verwoest, was het oordeel niet de gehele wereld. Met als gevolg dat de naam Havajah [de naam] werd betrokken in het ten uitvoer brengen van het justitieel oordeel [om de zekerheid aan te geven van een gelimiteerde destructie]. Dit was niet het geval met de Watervloed. Daar werd de gehele Wereld verwoest met al zijn levende creaturen.

 

Nu, denk niet, dat [omdat] Noach en allen met hem, waren gered, oordeel en barmhartigheid zich met elkaar hadden vermengd. Hij was uit het zicht gehouden [voor de destructieve machten en daarom gered]. Vanwege de krachten van oordeel, was alles in de wereld verwoest. Vandaar zien we, dat waar de woorden “en Havayah” worden gebruikt, het mogelijk is om uitgesloten te worden [zoals bij Lot] en gered te worden [omdat er een differentiatie is gemaakt tussen de slechten en degenen die het verdienen om gered te worden].
Overal waar de naam Elo-hiem wordt gebruikt, dienen mensen zichzelf te verbergen en blijven beschermd in een afgesloten plaats [als een bunker!]. Omdat Hij [het aspect van oordeel] alles vernietigt [geen verschil maakt tussen rechtvaardigen en slechten]. Dit is de reden dat de naam Elo-hiem specifiek is gebruikt in direct verband met de Watervloed.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

 Aangetreden – En hij ging, Deuteronomium. 29:9 – 30:20, 31:1 – 31:30

 Met heel je hart en ziel.

 

 Ware inkeer impliceert inspanning naar spirituele transcendentie.

 

 “Je zult terugkeren naar G’D, je G’D…..met heel je hart en heel je ziel. (Deuteronomium. 30:2)

 

 Dus worden we opgeroepen om aan de opdracht van teshoeva (terug te keren, niet het zelfde als berouw) te voldoen, met heel ons hart en ziel. Ons wordt opgedragen om van G’D te houden, niet alleen met heel ons hart en ziel, maar met “al onze macht” (Deuteronomium. 6:5), dat een liefde impliceert die uitreikt boven onze normale krachten die gemoedstoestanden bepalen. Waarom bestaat dit verschil tussen deze twee ogenschijnlijk dezelfde opdrachten?

 

 “Liefde” is uiteraard een emotie. De Thora verlangt dat onze liefde voor G’D zich niet alleen maar beweegt op de werking van hart en ziel, maar dat de liefde zal worden teweeg gebracht vanuit de onbegrensde oorsprong van de verhouding met G’D; die voortkomt uit een meer essentiële plaats in ons G’ddelijk bewustzijn. Daaraan wordt gerefereerd met: “al onze macht”, als de sfeer waarin de diepe oorspronkelijke liefde voor G’D existeert.

 

“Terugkeren” echter is in essentie een daad die verder gaat: boven je zelf uit gaan.  Het werkendezelf van een normaal persoon is wat hem plaatst in zijn huidige toestand: die van zich te hebben verwijderd van G’D (ook wel zonde genoemd) en impliceert de noodzaak om terug te keren. Hij moet daarom dit zelf te boven gaan, overstijgen en trachten een diepere, meer essentiële laag van zijn identiteit na te streven, waar G’D meer betekent  voor hem dan de mateloosheid waaraan hij gewend was geraakt. Eenmaal gevonden moet dit transcendente bewustzijn tot zijn normatieve bewustzijn worden gemaakt.

 

Terwijl de Thora van ons verlangt om onze liefde voor G’D te vergroten van normaal tot transcedent, gelast ze ons om terug te keren naar G’D door onze transcendente relatie met Hem als een gewonete maken.

 

SHABBAT SHALOM     

 

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt     Deuteronomium. 26:1 – 29:8

 

 

Werken met de realiteit

 

 

Via het Land Israël zelf, verbinden we meer direct met G’D.

 

 

En wanneer je dan in het Land dat G’D, je G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen,

 

De uitdrukking “En wanneer je dan…..” is een van vreugde. (Midrash Berehiet Rabba 42)

 

Het begrip van “komen in het land” verwijst naar de neerdaling van de ziel in het lichaam. Deze neerdaling is nogal drastisch, in de zin dat de ziel haar spirituele verblijfplaats verlaat en zichzelf terug vindt in een uitdagende overweldigende omgeving van regelementen en wetten die G’ddelijkheid verhuld.Nochtans is deze neerdaling uiteindelijk een vreugdevolle gebeurtenis, een “die G’D”, je G’D, je geeft, omdat het ware doel van de neerdaling het omhooggaan, het oprijzen brengt. (Likoeté Sichot, vol. 9, p. 357)

 

 moet je van het eerste van alle vruchten van de bodem nemen die je binnen brengt van het Land dat G’D, je G’D, je geeft en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.  (Deuteronomium. 26:1-2)

 

 Het woord voor “land”, Hebreeuws “eretz”, is verwant aan het woord voor “wil”, Hebreeuws “radzon”  dienaangaande zet de Baal Shem Tov dit vers uiteen als volgt:

 

 “Wanneer je in het Land gekomen bent….” Wanneer je er in slaagt om je wil op een lijn te brengen met de wil van G’D…

 

 “…dat G’D je geeft als erfgoed”: dit is een G’ddelijke gift, een ingeboren bevoegdheid, gegeven door G’D aan iedere Jood…

 

 “…in bezit genomen zult hebben” is jouw missie, als een opdracht om dit te integreren in je dagelijkse leven, zodat jouw wil wordt vervangen door G’D’s Wil, niet om je te scheiden van de realiteit, maar veeleer om te werken binnen de werkelijkheid om het te rectificeren.

 

 “….moet je van het eerste van alle vruchten…. en die in een mand doen….”: Met andere woorden, je moet garanderen dat je verhoogt bewustzijn  (in Kabbalistische terminologie: (“Licht”) wordt gekleed in de gepaste wijze van expressie: (“vat”).

 

 “….dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen…”: Wees gewaar dat als je reist van plaats naar plaats, je dit niet doet op eigen kracht maar het veeleer de G’ddelijke Voorzienigheid is die je bewegingen arrangeertomdat waar G’ddelijke Voorzienigheid je heen leidt je G’ddelijk bewustzijn verspreidt.

 

 De connectie tussen geïntegreerde G’ddelijke inspiratie in het dagelijks leven en gewaar zijn dat onze voetstappen worden geleid door G’D is die van  waarlijk onze G’ddelijke inspiratie hebben geïntegreerde in ons het dagelijks leven.  Waar we  dan ook gaan, zullen we noodzakelijker wijs ( ipso facto) bewustzijn van G’D verspreiden.

 

In de terminologie van Kabbala: het feit dat ons wordt opgedragen om de gekozen vruchten van de gekozen plaatsen in het Heilige Land te brengen verwijzen naar G’D’s wens dat we het hoogst gekozen Licht kenbaar maken in de vaten. Maar het hoogste Licht is oneindig en kan niet worden bevat (met andere woorden, worden uitgedrukt) in vaten. Hoe is dit dan mogelijk? Alleen door het vermogen op te roepen van G’D’s essentie, welke de definitie  van “eindig en “oneindig” overtreft en waar alles mogelijk is.

 

Dit wordt aangegeven in de frase “….  en die in een mand doen, dan moet je gaan naar de plaats, die G’D, zal uitkiezen om daar Zijn Naam te vestigen.”

Alleen G’D’s essentie heeft de mogelijkheid van ware vrije keuze, alleen G’D Zelf kan zo iets doen.

SHABBAT SHALOM  

 

PARASHAT KI TEETSÉE

Wanneer je uitstrekt        Deuteronomium. 21:10 – 25:19

 

De sfeer van wat is geoorloofd.

 

 Verschillende categorieën van oorlog

 

 “Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt, Havayah; jullie Elokiem, ze je in handen zal hebben gegeven en je er krijgsgevangenen bij gemaakt hebt……

 

 Rashi verklaart dat dit vers spreekt van een Milchemet Reshoet, een oorlog die niet verplicht is als gevolg van een direct G’ddelijk bevel, echter toelaatbaar is om te worden gestreden.

 

 Existentie is verdeeld in drie domeinen: 1) een plaats van heiligheid 2) een plaats van onzuiverheid 3) een plaats van Reshoet  (wat is geoorloofd).

 

 In de plaats van heiligheid is geen behoefte voor het maken van herstel en verbetering. Een plaats van onzuiverheid daarentegen kan niet worden gezuiverd. Het is bijvoorbeeld verkeerd om aan een persoon te zeggen dat hij voedsel eet, dat niet geoorloofd is te eten in het belang van de Hemel. Men is verplicht om zichzelf te distantiëren van verboden items.

 

 Reshoet representeert noch een plaats van heiligheid noch een plaats van onzuiverheid. Het is de sfeer van het aardse wiens oorsprong de Kelipat Noga is, het bestaan tussen deze twee sferen. Men heeft de vrije keuze om dingen te gebruiken die op het moment neutraal zijn. Hoe men verkiest deze spirituele neutrale objecten te gebruiken, zal de onmiddellijk plaats hetzij in de sfeer van heiligheid of in de sfeer onzuiverheid bepalen, afhangend van de intentie van de persoon (Peri Chacham, Baal Sulam).

 

 Voorbeelden hiervan uit het dagelijks leven zijn: de kost verdienen (door een beroep); naar de dokter gaan voor genezing en ander alledaagse activiteiten die deel uitmaken van het algemeen functioneren van de samenleving. Zij zijn niet opgenomen in de opgesomde mitswot. De sfeer van het geoorloofde houdt in al het natuurlijke die een persoon gebruikt gedurende zijn leven. Deze activiteiten zijn in de sfeer van het toegestane, dat wil zeggen, zij bevatten noch mitzwa evenmin zonde, ofschoon het mogelijk is om ook deze sfeer te heiligen.

 

 Het bovenstaand vers verenigt schijnbaar twee tegenstrijdige Namen van G’D: Havayah, representerend de openbaring van heiligheid, en Elokiem representerend Zijn restrictie die de existentie van natuur- gescheiden van Heiligheid- toestaat. Het woord Ha’teva, betekent, “de natuur”, numeriek gelijk aan Elokiem. Volgens de Heilige Ari, geeft Gematria de “achterkant” of het externe aspect van een woord weer, de zijde van verhulling, aangezien zijn relatie tot andere woorden alleen door middel van een mathematisch verband mogelijk is, terwijl het woord zelf het innerlijke niveau representeert, de zijde van openbaring.

 

 Door persoonlijk succes toe te schrijven aan de Almachtige en niet aan eigen vermogen, dus wanneer natuur (Elokiem) wordt toegeschreven aan G’D, de Schepper (Havayah), openbaart  men daardoor de innerlijke natuur en verenigt men de twee G’ddelijke Namen, Havayah en Elokiem. Het resultaat is dat men de plaats van Heiligheid heeft uitgebreid en zelfs zijn domein heeft vergroot binnen de sfeer van het toelaatbare. Maar als, G’D verhoede, men het tegenovergestelde doet, en al zijn succes toeschrijft aan zijn eigen vermogens “het vermogen van zijn eigen macht”, breidt men daardoor de plaats van onzuiverheid uit, die dan zelfs in de plaats van Reshoet zal heersen.

 

 De innerlijke betekenis van het bovenstaande vers  “Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt…..”, wanneer je zelfs de sfeer van Heiligheid uitbreidt tot in de gebied van het toegestane, (en zoals Rashi verklaart: dit vers refereert aan een oorlog van Reshoet), “Havayah, jullie Elokiem, zal ze in je handen geven….. “Wanneer je zult zegevieren, zal je de twee Namen Havayah en Elokiem verenigen. Dit vers in het bijzonder gebruikt de woorden “in je handen”, aangezien de handen van een mens hun vrije keuze symboliseren.

 

SHABBAT SHALOM 

 

 

 

 

 

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters Deuteronomium. 16:18 – 21:

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar, parashat Shoftiem p. 275a

 

Parashat Shoftiem handelt over het instellen van rechtbanken en de status van getuigen. Het Hebreeuwse woord voor “getuigenis, bewijs”, “eidoet”, zijn de zelfde letters waarmee het woord “da’at wordt gespeld, wat “intelligentie” of “weten” betekent, in relatie met “getuigen”. Het verschil tussen de Thoracode ten aanzien van bewijs en alle andere “moderne” rechtssystemen is, dat een persoon geen getuigenis kan afleggen tegen zichzelf. Een zaak is alleen bewezen door een verklaring van twee getuigen, buiten de verdachte. Bovendien moeten deze getuigen elkaar hebben gezien. Hoeveel misère zou deze eenvoudige regel bespaard hebben, als het de basis zou zijn geweest van andere rechtssystemen!!

 

In de Zoharvertaling van deze week, legt Raya Mehemna, de ziel van de “Trouwe Herder”, Mozes, de implicaties van dit alles uit, in spirituele bewoordingen.

 

Voor geen enkel vergrijp en voor geen enkele zonde, welke zonde men ook begaan heeft, kan ÉÉN enkele getuige tegen iemand optreden; op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen zal de zaak komen vast te staan..” (Deuteronomium. 19:15)

 

Deze mitzwa, om een getuigenis af te leggen voor een rechtbank, is gebaseerd op het principe dat een persoon geen (materiele of andere) schade zal toebrengen aan zijn broeder, in het falen van het geven van bewijs voor zijn eigen voordeel. Bovendien is er geen geldelijk bewijs bij minder dan twee getuigen. Zoals staat geschreven: “Door de mond van twee getuigen zal een zaak worden bevestigd.”

 

Een getuigenis van één enkele getuige zal een zaak niet bevestigen. Om die reden vragen de Leraren van de Mishna zich af: {aangaande bewijs tegen een persoon in de spirituele wereld} “Wie zal het bewijs leveren tegen een persoon {voor heimelijk gedane zonden in privé}?” {En zij hebben geleerd, dat eveneens: “De muren van zijn huis, getuigen zullen zijn}, en niet zijn familieleden.”

 

In eenvoudige bewoordingen leert dit, dat de ware test voor iemands gedrag is, hoe hij zich thuis gedraagt. Dit is al eerder uitgelegd op een dieper niveau door middel van zijn eigen fysieke wezen, dat bestaat uit 248 ledematen. Twee getuigen zijn hiervoor nodig, omdat als een persoon denkt om te zondigen, maar dit niet doet, de muren van zijn huis dit zullen weten, maar zijn ledematen zullen niet in staat zijn om te getuigen, daar hij in feite niets heeft gedaan. Maar aan de ander kant, als hij onopzettelijk handelt, zullen zijn ledematen getuigen, maar niet de muren. Dus, hier zien we dat de muren werkelijk oren hebben!

 

Wat zijn “de muren van zijn huis”? Deze zijn de muren van zijn hart. Ten aanzien van dit staat er geschreven “Toen keerde Hezkia zijn gezicht naar de muur en bad tot G’D.” (Jesaja. 38:2)

 

De rechtvaardige Koning van Juda, vernemend dat het Assyrische leger Jeruzalem had omsingeld, reageerde enkel en alleen door gebed en hen werd op een miraculeuze wijze de overwinning verleend, toen een plaag tijdens de nacht het enorme vijandelijk leger wegvaagde.

 

En de Rabbijnen hebben geleerd dat Hezkia heeft gebeden van de muren van zijn hart.

 

Het hart heeft twee hartkamers. Één ontvangt het bloed van alle 248 en één zendt geoxideerd bloed naar hen. Er is een muur tussen deze twee delen en het was naar deze muur dat hij zich wendde om zijn ledematen te testen en om te zien of zij hadden gezondigd.

 

Zijn familieleden” zijn de 248 ledematen van iemand.

 

Het lichaam van iemand wordt zijn “huis” genoemd, omdat het zijn heilige ziel huisvest en de individuele ledematen zijn “de leden van zijn huishouding”. De beslissende factor welk deel van het lichaam een ledemaat is wordt bepaald door het feit dat het een bot bevat.

 

En het is uitgelegd door de Leraren van de Mishna dat een slecht persoon zijn zonden op zijn botten heeft ingegraveert.

 

Het Hebreeuwse woord voor botten is “atzamot”. Wat zeer hecht is gerelateerd aan het woord “atzmoet” en essentie betekent. Wanneer een zonde komt vanuit het diepste van iemands persoonlijkheid, dan is het alsof het is ingegraveerd in zijn essentie. Het is deze essentie, het bot van de zaak, welke het bewijs tegen hem zal leveren. De witte botten komen van de sefra van chochma, en zonde verduistert het licht van wijsheid. Deze uitwerking op de botten komt klaarblijkelijk naar voren als een gerechtelijk bewijs ten aanzien van een persoon die terecht staat voor een spiritueel gerechtshof!

 

En zo is het ook met een rechtvaardig persoon, zijn verdiensten zijn ingegraveerd op zijn botten.

 

Aangezien zijn handelingen waren verbonden met hogere wijsheid, zal het op het wit van zijn botten worden ingegraveerd als helder licht.

 

Om die reden zegt Koning David: “Al mijn beenderen zullen zeggen, wie is aan U gelijk O G’D!” (Psalm. 35:10) Om de zelfde reden is eveneens geschreven: “En wie geeft bewijs tegen een persoon? De muren van zijn huis.”(Ta’aniet 11a)

 

De muren van zijn huis zijn zijn botten, aangezien zij de voornaamste steun (ruggengraat, heup, enz.) zijn van zijn lichaam.

 

De botten zijn opgezet door het de hersenen [chochma] dat is water, en het is daarom Koning David de toespeling maakte: “Die in het water de balken ( in het Hebreeuws, “hamikore” ) van Zijn kamers plaatst.” “Hamikore” heeft als stamwoord “kir” wat “muur” betekent.

 

Dus het brein representeert de sefira van chochma en is vervaardigd van water en vormt de muur en het gewelf van het lichaam, m.a.w de botten.

 

En waarom zijn de [verdiensten van de rechtvaardigen] ingegraveerd op de botten, in plaats van op spieren of huid? Omdat beenderen wit zijn, en het schrijven met zwarte inkt het best herkend wordt op een witte achtergrond. Dit is zoals de Thora, [welke zijn oorsprong heeft in chochma en daarom] wit [perkament] als innerlijk ondergrond heeft en uiterlijk onderscheidt door zwart [inkt]. Zwart en wit zijn zoals duisternis en licht. Duisternis geeft ook de handelingen weer van de kwaden, en ten aanzien van hen wordt gezegd: “Zelfs dan, zou ook duisternis U niet te duister zijn en zou de nacht gaan lichten als de dag, ware het duister als het licht. (Psalm. 139:12)

 

En bovendien: Het lichaam zal in de toekomstige tijd opstaan [opstanding der doden].

 

Deze zijn de droge beenderen in het visioen van Ezechiël. Het visioen leert ons dat de essentiële opstanding der doden begint met de beenderen, over welke vlees, spieren, zenuw en huid zal groeien. Het verleden van een persoon is daarom te zien op de botten, aangezien dat invloed zal hebben op zijn verrijzenis.

 

Als hij waardig is, zal het lichaam verrijzen van zijn beenderen, en indien niet waardig, zal het niet verrijzen [van het graf] en niet herleven.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT RE’ÉE

Zie           Deuteronomium. 11:26 – 16:17

 

 De Kabbala van Liefdadigheid

 

 Rabbi Jitzchak Luria

 

Likoetei Thora, Sha’ar HaMitzwot, en Ta’amei HaMitzwot

 

 Aan Liefdadigheid doen maakt vrede tussen de van elkaar vervreemde letters van de naam van G’D Naam.

 

 In deze parasha wordt ons verteld:

 

 “Wanneer er bij jou een behoeftige is, een van je broeders, binnen een van je poorten, in het Land dat de Eeuwige, je G’D, je geeft, onderdruk dan niet het medegevoel bij je zelf en houd je hand niet krampachtig dicht voor die behoeftige broeder, maar open wijd je hand voor hem en geef hem gul voldoende voor wat hem ontbreekt.  (Deuteronomium. 15:7-8)

 

 De esoterische significantie van liefdadigheid [in het Hebreeuws, “tzedaka”] is als volgt:

 

 Tzedaka wordt gespeld, tzadik-dalet-koef-hé.   (  צדקה )

 

 De joed in de letter tzadik( צדיק)- de eerste letter van Tzedaka צ/ץ  staat in de tegenover gestelde richting van de joed  van de noen van de tzadik, ( deze opmerking verwijst naar de opbouw van de letter, zie de linker helft van de letter tsadik als een noen ן/נ en het rechter korte stukje als de joed י) dit geeft aan dat Ze’ir Anpin en  Noekva rug tegen rug staan.

 

 In het schrift voor het schrijven van Thorarollen, tefilllien en mezoezot, hebben de letters van het alfabet precieze vormen zoals opgelegd door de Joodse wetgeving.

 

Het systeem van de Arizal is in grond gelijk aandat van Rabbi Josef Karo (zie Shoelchan Achoech, Orach Chaim 36) met zeven uitzonderingen. Eén van deze zeven is de vorm van de letter tzadik, die wordt gevormd door het schrijven van een enigszins omgebogen noen en vervolgens een joed aan de rechterkant toegevoegd.

 

Volgens Rabbi Karo moet deze joed worden geschreven “tegenover” de noen, dat wil zeggen, in zijn normale plaatsbepaling.

 

(De meeste letters in het Hebreeuwse Alfabet lijken links “gericht” te zijn.) Volgens de Arizal echter moet de joed naar rechts “gericht” zijn.

 

 Zoals we weten is de minst positieve positie van de partzoefiem rug tegen rug, waarbij de stroom van G’ddelijke liefdadigheid ernstig is gelimiteerd. Eén van de gevolgen van deze situatie is materiele armoede in de fysieke wereld.

 

 De dalet  ד[de tweede letter van het woord “tzedaka”] geeft aan dat Noekva verarmd is, aangezien het feit dat het woord “dalet “behoeftig” betekent.

 

 Het adjectieve “dal” in het Hebreeuws betekent “behoeftig”. Bijgevolg kan dalet worden gezien als een feminiene vorm van dit woord. Aangezien Ze’ir Anpin en  Noekva rug tegen rug staan, ontvangt Noekva niet de volle stroom G’ddelijke liefdadigheid die het nodig heeft.

 

 Alhoewel de derde letter, koef ,קeen bepaald lager niveau vankoppeling of versmelting aangeeft, is de “poot” lang, aangevend dat de G’ddelijke liefdadigheid zich uitstrekt tot de sfeer van kwaad.

 

 De koef ק  wordt gevormd van een enigszins beknotte kaf ך  en een lagere zayin ז. Deze twee letters bekleden de normale weg, aangevend dat over het algemeen de koef  een mate van versmelting aanduidt,  metde lagere zayin. De “poot” van de koef, strekt zich uit tot beneden de lijn, dat geeft daarmee een stroom in de lagere sferen van realiteit te kennen en wel het kwaad.    

 

 Om dit gevolg te verfrissen [letterlijk “te parfumeren”, inhoudend: te rectificeren, of te “verzachten”, moeten we liefdadige donaties doen, waardoor de ontbrekende elementen van de eerste drie letters worden aangevuld met de letter hé, die de ware versmelting karakteriseert: dit is de esoterische significantie van de letter hé, zoals uitgelegd in de Zohar II:104a.

 

 De ה  wordt gezien als een perfect uitgebalanceerde letter, waarbij de poot zich niet uitstrekt beneden de lijn, zoals bij de koef en er een koppeling is tussen de twee delen, anders dan de dalet, waar een “wederhelft” ontbreekt om te kunnen versmelten. En zoals we zullenzien,  is de de gerectificeerde vorm van de koef en de dalet.

 

 SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

 

 

PARASHAT EKEV

Als gevolg                  Deuteronomium. 7:12 – 11:25

Men houdt eenheid in stand

 

 Van een persoon wordt verlangd om te mediteren over de esoterische betekenis van zijn/haar zegeningen.

 

 Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Zohar p. 270b.

 

Als jullie gehoor zullen geven aan deze voorschriften en ze stipt ten uitvoer zullen brengen, zal het resultaat zijn dat de Eeuwige, je G’D, tegenover jullie zich stipt zal houden aan het verbond en Zijn goedheid zal tonen, waartoe Hij zich onder ede tegenover je voorouders verplicht heeft.” (Deuteronomium. 7:12)

 

 “En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

 

 Deze instructie is om de Heilige, Geprezen Zij Hij, te zegenen voor alles dat een persoon eet of drinkt en geniet in deze fysieke wereld. Als een zegen niet wordt gezegd, dan wordt de persoon een dief genoemd met betrekking tot G’D. Hiernaar wordt ook verwezen in het vers “Hij die zijn vader of zijn moeder besteelt en zegt, dit is geen misdaad, is een vriend van de destructieve krachten.” (Spreuken 28:24) De Medegeleerden hebben dit vers eveneens elders verklaard (zie Zohar p. 35b)

 

 De reden dat hij een dief wordt genoemd is omdat de zegeningen waarbij iemand de Heilige, Geprezen Zij Hij, zegent, een spirituele stroom van overvloed teweegbrengt van de Bron van Leven naar de Heilige Naam van G’D.

 

Deze stroom ledigt de hemelse olie uit de Bron van Leven, in dat van de Naam,  en veroorzaakt een neerwaartse stoom van spirituele overvloed van dat niveau naar de complete fysieke wereld. Dit is de betekenis van het vers “En als je dan genoeg gegeten hebt, zegen dan de Eeuwige [hier ‘Havayah’ , je G’D [‘E-lokecha’]”.

Door niet te zegenen is de persoon als een dief, die neemt zonder iets terug te geven, want hij veroorzaakt niet een meditatieve eenheid tussen “Havayah” en “E-lokecha”.

 

 De specifieke zegen die een persoon zegt, veroorzaakt de spirituele overvloed van de hogere diepe oorsprong en brengt teweeg dat al deze hogere niveaus en hun bronnen worden gevuld en gezegend en vervolgens worden leeggemaakt over alle werelden, zodat dat alles wordt gezegend in een ononderbroken eenheid. Dit is de reden dat een persoon wordt gevraagd zijn meditatie te concentreren op de esoterische betekenis van de zegeningen, omdat oorzaak en effect zal worden gezegend als een eenheid.

 

Bovendien, degene die zegent op deze wijze is zelf gezegend en neemt zijn spirituele aandeel als eerste, vóór alle anderen in de fysieke wereld. Dit omdat de Naam van de Heilige, Geprezen Zij Hij, daardoor is gezegend en van deze Naam zegen neerdaalt op het hoofd van degene die als eerste heeft gezegend. Dit hebben we verklaard als de betekenis van het vers, “…..op iedere plaats waar Ik het goed zal vinden Mijn Naam te gedenken zal Ik tot je komen en je zegenen.” (Exodus. 20:21)

 

Omdat die zegen nu is neergedaald en rust op het hoofd van die persoon die heeft gezegend is het vanaf dat fysieke punt dat de zegen zich uitspreidt tot de hele wereld.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT WA’ETCHANÁN

En ik smeekte   Deuteronomium. 3:23 – 7:11      

 

Ons ononderbroken gesprek met G’D

 

 Wanneer iemand serieus gaat zitten om Thora te leren, leest hij niet alleen een klassieke tekst uit de oudheid, hij verkrijgt op de meest intieme wijze toegang tot G’D’s essentie.

 

 Ik hoorde eens een verhaal van een jonge jeshiva student die zijn niet joodse jeugdvriend meenam naar zijn jeshiva studiezaal. De gezichtsuitdrukking van zijn vriend was geshockeerd toen hij staarde naar de honderden jonge mannen met grote open boeken voor zich, die op vastbesloten wijzen argumenteerden en energiek zwaaiden met hun handen.

 

“Zijn ze van plan een coup te plegen tegen de regering?” vroeg zijn vriend.

 

“Nee, ze proberen te achterhalen wat er werd onderwezen bij de Berg Sinaï meer dan 3.000 jaar geleden,” antwoordde de jeshiva student.

 

 “Weten ze dat nog steeds niet na al die tijd? vroeg hij verwonderd.

 

 Het is inderdaad waar, de discussie die begon bij de Sinai is nog steeds aan de gang. In feite breidt onze dialoog zich uit met Hem over de Thora en  overschrijdt de tijd. Want één van de G’ddelijke facetten van de Thora is de oneindige diepgang, die elk van ons voorziet in de mogelijkheid om een persoonlijke relatie met G’D op te bouwen door de tekst.

 

 De Wijzen spreken vaak over diepere niveaus van betekenis die de woorden van de Thora bevat. In de volgende uitspraak wordt een gedurfde veronderstelleng gemaakt: een woord in de Thora kan zich soms voordoen als een acroniem, onthullend een diepere inbeddende laag van betekenis. De grote geleerde Rabbi Jochanan bespreekt de tekstuele bron voor dit diepgaande idee.

 

 “Vanwaar weten we dat woorden in de Thora ook acroniemen zijn?”

 

 Rabbi Jochanan antwoordt, “ Van Anochi, (Hebreeuws voor ‘Ik’, wat het eerste woord is van de Tien Geboden (Exodus. 20:1, Deuteronomium. 5:6) en staat voor ana nafshi kativat jehaviet,  “Ik zelf heb het geschreven en gegeven”. (Shabbat. 105A)

 

 Rabbi Jehoeda Lowe, de hoog gerespecteerde Kabbalist en Joods denker, beter bekend als de Maharal van Praag, behandelt deze bron in zijn klassieke werk Tiferet Yesrael  en beantwoordt twee fundamentele vragen over deze Talmoedische uitspraak. De eerste: wat is significant aan het woord anochi  als  paradigma voor dit principe? De tweede, wat is de significantie van de boodschap in het gecodeerde acroniem “Ik zelf heb het geschreven en gegeven”?

 

Het begin leert de ware identiteit van de inhoud, want de complete inhoud is gecodeerd in het begin, in potentie en nog niet geactualiseerd. (Tiferet Yesrael, Hf. 37)

 

 Om Maharal’s cryptisch inzicht te kunnen begrijpen, plaatsen we eerst het woord “anochi “ in de juiste context. Zoals boven is vermeld, is ”anochi” het eerste woord van de Tien Geboden. Maar het is meer dan dat alleen. Het is ook het eerste gesproken woord aan het Volk Israël op de Berg Sinai.  Tot aan dit punt in de geschiedenis, ervoeren slechts een klein aantal rechtschapen individuen profetie, maar nooit eerder en niet sindsdien, had G’D Zichzelf geopenbaard aan een compleet volk.Anochi “ is het punt van het eerste contact tussen G’D en Israël.

 

Op dat monumentale moment [bij het uitspreken van het woord], verklaart de Maharal dat de Thora in zijn geheel werd geopenbaard [dus is al zijn facetten en niveaus]. Echter alleen geopenbaard in potentie. Dit is analoog aan het momentvan bevruchting.  Alles wat existeert op dat moment is een klont van cellen en proteïnen; echter de gehele opmaak van dat kind is latent aanwezig.  Alleen door de tijd zal het latente potentieel geactualiseerd worden. Maar op dat initiële moment wordt het complete fysieke plan van die persoon geopenbaard.

 

Zo is het ook met de Thora. Dat initiële moment van openbaring op de Sinai bevat de gehele Thora, ook al is het nog niet tot verwezenlijking gekomen. Dit is het punt waar onze dialoog met G’D begon en tot op de dag van vandaag continueert het Joodse Volk deze bespreking met G’D door het leren van Thora.

 

 Dat is exact het punt van “anochi “: “Ik zelf heb het geschreven en gegeven”. De Maharal legt uit dat G’D zelf de Thora heeft vervaardigd en Zijn essentie erin heeft geplaatst. Wanneer iemand gaat zitten om te Thora te leren, leest hij niet een klassieke tekst uit de oudheid; hij treed binnen in G’D’s essentie in de meest menselijke intieme wijze als mogelijk. Het unieke van het leren van Thora is dat we in verhouding staan met onze Schepper, in een dialoog die geen parallel heeft in deze wereld.

 

Dit is wat we vieren op Shawoe’ot : onze relatie met G’D’s Thora maakt het ons mogelijk om dat moment van oneindige potentie bij de Berg Sinai te actualiseren en te continueren over de laatste drie duizend jaar. We markeren niet een gebeurtenis uit het verleden, maar vieren de voortdurende openbaring van Thora. Door onze betrokkenheid en innovatie treden we binnen in deze oneindige dialoog en smeden een unieke persoonlijke relatie met onze Schepper.

 

 SHABBAT SHALOM