PARASHAT DEVARIEM

Woorden   Deuteronomium. 1:1 – 3:22

 

 

 

 

 KWAAD ONDER DE VOLKEREN

 

 

 

 RABBI JITZSCHAK LURIA

 

 

 

 LIKOETÉ THORA

 

 Kabbala legt uit waarom ons werd verteld om alleen 7 van de 10 kwade volkeren te elimineren.

 

 We moeten proberen te begrijpen waarom, met betrekking tot de zeven Kananitische volkeren, G’D ons opdraagt: “je zult geen enkele ziel in leven laten”; terwijl met betrekking tot Se’ir, Moab en Ammon, Hij ons uitdrukkelijk beveelt hen niet aan te vallen.

 

 In het boek Genesis belooft G’D aan Abraham het Land Kanaän, dat de  grondgebieden van tien volkeren omvat: van de Keniten, de Keniziten, de Kadmonieten, de Hittieten, de Periziten, de Refaim, de Amorieten, de Kanaaiten, de Girgashieten en de Jebusieten. (Genesis. 15:19-21)  De eerste drie zijn synoniem voor de Ammonieten, Moabieten en Edomieten.

 

 In de tijd van Mozes echter, worden alleen de laatste zeven van deze tien volkeren aangehaald, wanneer de Thora de volkeren van Kanaän opsomt die het land zullen geven aan het Joodse Volk. Dus noteren onze geleerden:  G’D gaf alleen de laatstgenoemde zeven volkeren aan de Joden  in de tijd van Mozes en we zullen het land van de andere volkeren in de toekomst erven, wanneer de Mashiach komt. (Bereshiet Rabba. 44:23) Het Joodse Volk kreeg de opdracht om deze zeven volkeren geheel te elimineren:

 

 “Echter uit de steden van die volkeren, die de Eeuwige, je G’D, je als erfgoed geeft, mag je geen enkele ziel in leven laten. In plaats daarvan moet je ze wegvagen: de Hittieten, de Amorieten, de Kanaaiten, de Periziten, de Girgashieten, de Jebusieten.” (Deuteronomium. 20:16 – 17)

 

 In de Thoralezing van deze week, geeft Mozes een overzicht van de tochten waarbij hij het Joodse leidde op weg naar de grenzen van het Land Israël. G’D zei tegen hen geen oorlog te voeren tegen de nakomelingen van Esau, die het bergland Se’ir bewoonden (Deuteronomium. 2:2:8) en geen oorlog te voeren tegen Moab (ibid.2:9) en Ammon. (ibid. 2:17-19) Daarentegen werd hun uitdrukkelijk opgedragen om te vechten met (en te veroveren) de twee Amoritische koningen, Sichon (ibid. 2:24 – 25,31) 3n Og (ibid. 3:2).

 

 De verklaring is dat de zeven volkeren de fysieke manifestaties zijn van de zeven kwaden, met andere woorden, de gebroken vaten. Dus alle heiligheid die oorspronkelijk in hen aanwezig was, bestond niet meer, het had hen verlaten.

 

 In de wereld van Tohoe, die ineen stortte, vond het breken van de vaten alleen plaats in de zeven lagere Sefirot, van Chesed tot Malchoet. Toen de vaten van deze Sefirot  braken, konden zij niets meer van het Heilige “Licht” vasthouden dat in hen aanwezig was en de gebroken vaten vielen in de lagere werelden, wordend de bron van al het egocentrische en kwaad van deze werelden. 

 

 Iets van de heiligheid bleef bestaan, echter alleen in de eerste drie Sefirot. De fysieke manifestatie van deze Sefirot waren de Keniten,  de Keniziten en de Kadmonieten.

 

 In de eerste drie Sefirot van Tohoe waren de vaten meer spiritueel dan zij waren in de lagere Sefirot omdat emoties, de zeven lagere Sefirot,  veel subjectiever zijn dan het intellect of super-intellect (de eerste drie Sefirot). 

 

Dus, ook al was er geen interactie onder de Sefirot  in de wereld van Tohoe (dit is de reden waarom de vatten braken, zoals we eerder hebben uit gelegd), was dit niet cruciaal in het geval van de eerste drie Sefirot. Hun essentiële aard was onzelfzuchtigen onverenigbaar met de andere karakters, de zeven lagere Sefirot.

 

 Aangezien de versplinterde fragmenten van de emoties (Middot) van Tohoe  zijn ingebed in onze fysieke wereld, kunnen we hen zuiveren en verheffen. Dit doen we wanneer we onze dierlijke aard zuiveren en de voltooiing van dit proces zal leiden naar de Messiaanse Tijd.  Echter het intellect en het super-intellect van Tohoe is niet gebroken en niet ingebed  in de existentiële structuur van onze orde van bestaan, zodoende kunnen we het niet zuiveren.

 

 In de Messiaanse Toekomst zal de heiligheid deze Sefirot compleet verlaten en zal vervolgens aan ons worden opgedragen om evenzeer van hen “geen enkele ziel in leven laten”.

 

 De elevatie en zuiverring van het intellect en super-intellect van Tohoe zal alleen plaatsvinden in de Messiaanse Toekomst, wanneer we in staat zijn om de negatieven aspecten van deze Sefirot eveneens te elimineren.

 

 SHABBAT SHALOM                        

 

PARASHOT MATÓT – MAS’ÉE

 

Stammen – Reizen         Numeri. 30:2 – 32:42, 33:1 – 36:13

 

Mozes; “Strijder voor vrede”.

 

 

Ons wordt opgedragen om oorlog te voeren tegen de krachten van onenigheid en conflict.

 

 

Wapen de mannen onder jullie voor een legereenheid. Laten die zich tegen Midjan keren om G’D’s vergelding te brengen op Midjan. Een duizend van elke stam……”(Numeri. 31:3-4)

 

 

De spirituele betekenis en het belang van deze oorlog tegen Midjan is de onderdrukking van de negatieve energie van Midjan, die conflict en onenigheid is. (Zohar. 2:68) De oorlog tegen Midjan is de rectificatie van disharmonie, met ander woorden, het brengen van vrede en harmonische eenheid.       

 

 Rabbi Schneur Zalman (likoetei Thora) verhaalt uitvoering over het feit dat onze Geleerden zeggen dat in de Eerste Tempel periode de Joden afgodenrij overspel en moord hadden bedreven. Gedurende de Tweede Tempel periode was de primaire zonde van de Joden ongegronde haat (Jeruzalem Talmoed Chagiga 1:5; Joma 9b) en om die reden was de Tempel verwoest. Doch de huidige verbanning, die voortkomt uit de tweede destructie, duurt 1700 jaar, terwijl de eerste verbanning, die kwam vanwege de zonden van veel grotere omvang, slechts 70 jaar duurde!

 

Waarom z’n voortdurende verbanning? Toen de Israëlieten Kanaän binnentrokken, werd van hun verondersteld het land te ontdoen van de zeven volkeren die daar leefden, de Kanaänieten, Hittieten, etc. (tenzij ze de zeven Noachidische wetten zouden accepteren). Maar de Israëlieten tolereerden sommigen van hen in het land en werden beïnvloed door hen. (Numeri. 33:55)

 

Deze volkeren hadden grove gruweldaden begaan, vanwege het feit dat zijn de negatieve tegenhanger van de zeven emoties, “afval” van de gevallen koningen van Tohoe. Omdat zelfs gedurende de periode van Eerste Tempel de Joden waren beïnvloed door deze krachten, duurde de eerste verbanning 70 jaar, tien jaar voor elke zeven eigenschappen.

 

In de Tweede Tempel periode echter, waren de zonden niet gerelateerd aan de zeven negatieve eigenschappen, maar ongegronde haat onderlinge. Dit was de negativiteit van Midjan, een veel subtieler kwaad en niet een van de zeven volkeren. 

 

 Dus zeggen onze geleerden in Joma 9b: “Degene van de Eerste Tempelperiode, wiens zonden werden geopenbaard, is in het einde van hun verbanning evenzeer geopenbaard.” Met andere woorden, de zonden van de Eerste Tempelperiode waren onmiskenbaar kwaad en waren makkelijk herkenbaar en te berouwen. De zonde van ongegronde haat echter, is subtieler en veel moeilijker te corrigeren, aangezien de beoefenaar zichzelf voor de gek houd door te denken dat het niet echt een zonde is.  

 

 Dus “daarin is het einde niet geopenbaard”, de tweede verbanning duurt veel langer omdat er een veel langere tijd van erkenning nodig is van het kwaad en om het te berouwen. Net zoals het langer duurt om minuscule deeltjes van een ongewenste stof te verwijderen dan grote grove elementen. De rectificatie van de zonde van ongegronde haat verlangt een langere periode omdat mensen het niet als volledig kwaad beschouwen, zij zijn veelal er van overtuigd dat hun haat gerechtvaardigd is.

 

 In werkelijkheid echter is zijn haat en disharmonie de tegenovergestelden van G’ddelijkheid en Heiligheid, welke eenheid belichamen, G’D is één. Eenheid is het fundament van de hele Thora, zoals Hillel de Oudere het uitdrukt: “Wat hatelijk voor jou is doe dat niet voor je medemens.” (Shabbat. 31a)

 

 TRANSFORMATIE

 

 In feite volbrengt deze oorlog tegen Midjan meer dan juist onderdrukking van Midjan; de energieën die voordien aanwezig waren in het domain van Midjan werden getransformeerd naar de sfeer van Heiligheid, duisternis werd veranderd tot licht.

 

 TWEE PAMALYAS

 

In een zelfde stemming zeggen onze Geleerden: Iedereen die Thora studeert voor zijn eigen bestwil brengt vrede in de Hogere “Pamalya” (klassiek  Aramees voor “heerscharen”) en de Lagere Pamalya. (Sanhedrin 99b) In de letterlijke zin refereert Hogere “Pamalya” aan de spirituele werelden, terwijl de Lagere “Pamalya” refereert aan deze laagste wereld. Maar in bredere zin bevat de hele realiteit een hogere en een lagere “Pamalya”, inclusief de menselijke realiteit. De onzelfzuchtige student van Thora brengt vrede in beide sferen in al hun verschijningsvormen. In de menselijke zin, zijn de twee niveaus het verstand en het hart. Wanneer er vrede heerst tussen hen, heerst het verstand over het hart. Immers de emoties worden geleid door het intellect.

 

 DE LERING

De oorlog tegen “Midjan” moet worden gestreden [met ons zelf]; we moeten vrede en liefde hebben [met onze medemens en omgeving.

 

 Alle Chabad Meesters hielden verhandelingen die zij zouden herhalen van tij tot tijd om de atmosfeer van de wereld te zuiveren en te louteren. Deze verhandeling bekend als Heichaltzoe werd oorspronkelijk gegeven door Rabbi Schneur Zalman in het jaar 1768, toen hij op reis was naar huis van een bezoek aan zijn leermeester Rabbi Dovber van Mezrich en was een van degen die dit vele malen zou herhalen.

 

Sindsdien herhaalde de Meesters de verhandeling over dit onderwerp bij speciale gelegenheden om gevoelens van onenigheid te onderdrukken. In 1898 gaf Rabbi Shalom Dovber, de vijfde Chabad Rebbe, de meest fameuze verzie van deze verhandeling op Simchat Thora en opnieuw op Parashat Noach ter gelegenheid van een familie bijeenkomst.

 

Moge het met G’D’s wil zijn dat er vrede zal zijn in de Lagere Pamalya en de Hogere Pamalya, zowel vrede tussen de ziel zoals die existeert in het Hoge, waaraan wordt gerefereerd als “de ziel die U in mij heeft geplaatst die puur is” en de ziel als die neerdaalt, waaraan wordt gerefereerd als “U creëerde, vormde en blies het in mij”. En ten slotte moge we de ultieme vrede hebben, die zal plaatsvinden in de Toekomstige Era.

 

SHABBAT SHALOM                

 

       

 

PARASHAT PINCHAS

   

 Pinchas          Numeri. 25:10 – 30:1

 

 

Fases van relatie

 

Joods mystiek leert dan onze verhouding met G’D bestaat uit rationele-, super-rationele- en intrinsieke niveaus.

 

Likoeté Sichot, vol. 28, p. 176-181

 

 

 

 Aan bovengenoemden moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen. De talrijke moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelde. Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

 

Het Land Israël werd verdeeld op drie verschillende wijzen:

 

(1)  volgens populatie, dat wil zeggen, hoe groter de stam, hoe groter het ontvangen deel.

(2)  door loting (waar G’D’s hand aan het werk was) en

(3)  door erfenis.

 

Met andere woorden, de verbinding van het Joodse Volk met het Land Israël existeert vanuit drie verschillende opzichten:

 

1)    rationaliteit, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

2)    door G’ddelijk decreet en

3)    door erfelijkheid.

 

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos als het centrale kader, decor, waarin zich het proces, van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, zou worden ontvouwd. Het Joodse Volk is eveneens, op de zelfde manier, de natie die G’D koos om de centrale spelers te zijn in dit plan. Om die reden moet de verhouding die moet worden gevestigd, tussen het gekozen volk en het gekozen land de vestiging tussen G’D en Zijn gekozen volk reflecteren.

 

In terminologie van Kabbala vindt de rationele, contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken, beperkt”  binnen het limiet van logica en natuur. Met ander woorden: Zijn immanente creatieve “Licht” (mamalé kol almien). De vrije keuze van de verhouding vindt plaats op een niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is gedefinieerd door de limitaties van de gecreëerde realiteit, maar nog steeds creatieve G’ddelijkheid is, met andere woorden, contextueel gerelateerd aan de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almien). De erfelijke verhouding vindt plaats op een niveau van G’D’s essentie, die compleet boven de context van Schepping uitgaat.       

 

         

De verhouding tussen G’D  en het Joodse Volk is eveneens drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtend liturgie:  “Gelukkig zijn wij: hoe goed is ons aandeel, hoe aangenaam ons lot, en hoe mooi is onze erfenis.”

 

“Aandeel” refereert aan de contractuele relatie tussen G’D en Israël. We hebben het dienen van G’D op ons genomen op verschillende wijzen en Hij heeft beloofd ons te belonen voor onze dienst. Het deel dat wij ontvangen van G’D is evenredig aan de inspanning die we aanwenden om het te verkrijgen. Op een dieper niveau refereert “aandeel” aan het feit dat de Joodse G’ddelijke ziel “een waarlijk deel van G’D Boven is”, zoals de Tanya zegt, net zoals een kind mag gezien worden als extensie van zijn ouders. Deze intrinsieke verhouding tussen G’D en het Joodse Volk bindt hen op een onafscheidelijk samen.

 

Lot” refereert aan de over-rationele verhouding die isgesmeed met ons door ons te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keuze was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s zijde; Hij was niet gedwongen door enige logische consideratie om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop een lot valt niet vooraf bepaald is door enige externe factoren. Deze over-rationele relatie is niet alleen dieper dan de contractuele dienst als relatie beloning, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouders-kind verhouding, aangezien het G’D ook “dwingt” bij wijze van spreken, tot een relatie met Israël. Behalve dit, koos G’D  Israël ook vrijwillig vanuit Zijn eigen over-rationele wil.

 

Erfenis, refereert aan de wederzijdse identiteit tussen G’D en Israël. Volgens Joods recht, neemt de erfgenaam de juridische status van de ouders over en neemt daardoor automatisch het eigendomsrecht over de bezittingen van de ouders.  Hij verkrijgt het niet door verdienste noch verkozen de ouders om hem te legateren; in essentie wordt hij zijn ouders. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D koos; zij en G’D, bij wijze van spreken, zijn één en de zelfde.

 

Voordat de Thora werd gegeven, was de verhouding tussen G’D en het Joodse Volk enkel en alleen op een contractuele, kind-ouder niveau. Dienst aan G’D was gelimiteerd; een individu kon G’D dienen en kon G’ddelijke openbaring teweegbrengen naar mate zijn natuurlijke talenten en eigenschappen het toestonden. Tegelijkertijd toonde G’D het Joodse Volk bijzondere aandacht en zorg wegens de G’ddelijke ziel die zij verkregen vanwege de periode van Abraham.

 

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keuze verhouding tussen G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt bepaalde G’D de toon in de relatie, wat betekent dat zelfs de dienst-beloning wederkerigheid niet langer beperkt werd door onze eindige capaciteiten; de Thora en zijn mitzwot stelt ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te verwerven ver boven onze natuurlijke vermogens uit.

 

Echter in de Messiaanse Verlossing zal de erfelijke relatie het voornaamste worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten in een nieuwe co-existentie met het bewustzijn van onze Schepper, als onze unieke persoonlijkheden zullen schijnen en paradoxaal existeren in G’D’s absolute realiteit.

 

Dus, aangezien het Land Israël bedoeld was te zijn, zoals we hebben gezegd, de microkosmos van verstandelijk proces van het maken van deze fysieke wereld tot Zijn woonplaats, was het noodzakelijk, voor de verhouding tussen het Land Israël en het Joodse Volk, te worden gevestigd op drie niveaus: rationeel, super-rationeel en intrinsiek. Op deze manier is ons binnengaan en de bezit name ervan voorbode van de uiteindelijke verlossing, waarin onze intrinsieke en essentiële identiteit met G’D, het meest relevant bewustzijn van realiteit wordt.

 

SHABBAT SHALOM         

 

 

 

 

       

 

PARASHAT BALÁK

Balak                   Numeri. 22:2 – 25:9

 

De profetie van Bil’am

 

 Shené Loechot Habrit, Rabbi Isaiah Horowitz

 

 Kabbala leert dat zelfs de negatieve krachten instrumenten zijn van het G’ddelijk Plan.

 

 Bil’am, die bereid was te komen om te vervloeken, was gedwongen om te zegenen; de engel die behagen schept in onheil werd gedwongen in te stemmen met zegeningen; de aanklager werd een pleitbezorger.

 

 Er was een kosmische noodzaak voor Bil’am om een instrument van God te worden. Hij was per slot van rekening de profeet van de niet joden en een spiritueel leider van de toenmalige beschavingen. Wanneer onze Wijzen het vers “En nooit stond er meer een profeet in Israël op als Mozes…” noemden (Deuteronomium. 34:10), zeiden zij dat omdat onder de andere volkeren niet iemand opstond in vergelijk tot Mozes. Ze hadden niet de intentie om Mozes te vergelijken met Bil’am o.a. ten aanzien van heiligheid, karaktereigenschappen en de verhouding tot G’D.

 

 De Zohar, Balak, p. 193b, is zeer expliciet in het beschrijven van Bil’am’s lage karakter, door het geven van veel voorbeelden van zijn optreden om eer te verschaffen met grote inzichten en daarbij degene die hem beschouwen als een grote ziener te misleiden. Enkele citaten van de passage van de Zohar: “Deze slechte man eigende zich veel trots en verwaandheid toe door te beweren alles te weten. Door dit te doen, misleidde hij de mensen in het geloof dat hij een zeer hoog niveau had bereikt. Hij accentueerde elke kleine verrichting die hij deed. Alles wat hij zei had betrekking op het domein van de krachten van onzuiverheid. Hij sprak de waarheid, letterlijk gesproken, want iedereen die naar hem luisterde kreeg de impressie dat hij de meest opmerkelijke en vooraanstaand profeet van de wereld was.  Wanneer hij zichzelf beschrijft als “ingewijde in de woorden van G’D, gewaar van de kennis van de Opperwezen”, vormde zich de impressie dat hij sprak over G’D in de Hemel. In feite was hij alleen gewaar van de woorden van “god” die in tegenstelling staan met de woorden van “G’D”.

 

 Hij communiceerde met de krachten van onzuiverheid, krachten die door de volkeren worden beschouwd als godheden.  Als hij sprak gewaar te zijn van de Hemelse Kennis, kreeg de luisteraar de indruk dat Bil’am beweerde een ingewijde te zijn van G’D’s bereik van kennis, terwijl hij in feite alleen een ingewijde was van de “hoogste” vorm van onzuiverheid, die G’D toestond, om te heersen als deel van de natuurlijke orde. Bil’am, was technische gesproken juist, omdat hij toegang had tot een macht die in zijn gebied werd beschouwd als het hoogst aanwezig. Echter de luisteraar wist niet dat deze macht op geen enkele wijze een onafhankelijke autoriteit had. Deze macht was slechts een instrument van G’D.

 

 SHABBAT SHALOM    

 

 

PARASHAT CHOEKAT

 

 De inzetting     Numeri. 19:1 – 22:1

 

 Likoetei Sichot, vol.4, p. 1058: Het overwinnen van de onzuiverheid van de dood.

 

 Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

 

 “De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aaron zeggend: ‘Dit is de inzetting (Choekat-statuut) van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de Kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode vaars brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

 

Jullie moet die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men moet haar slachten in zijn bijzijn. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed en spat iets van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

 

Men verbrandt de vaars voor zijn ogen;  men moet de huid samen met het vlees en het bloed en de mest verbranden.” (Numeri. 19:1-5)

 

 Om de grootste vorm van onzuiverheid te kunnen overwinnen, moeten we de logica te boven gaan.

 

Dit gedeelte van de Thoralezing met betrekking tot de wetten van de as van de Rode Vaars bevat de zinsnede: “. Dit is de inzetting van de Thora”. (Numeri. 19:1)

 

Alle variaties van onzuiverheid in de Thora en de corresponderende purificerende riten kunnen worden begrepen in termen van de relatieve nabijheid van de dood. Ongetwijfeld en niettegenstaande, is de meest fundamentele vorm van verontreiniging, de absolute volkomen verschijning van dood zelfaan het menselijk lichaam.

 

Dood is de antithese van heiligheid, want G’D is de herkomst, de bron en de vitaliteit van het leven. Daarom brengtelk contact met de dood of een potentiele dood die rituele onzuiverheid teweeg, weert iemand van het binnengaan van het Tabernakel of later, de Tempel. Het weert iemand van de sfeer van heiligheid.

 

Door confrontatie met de realiteit van de dood, worden we blootgesteld aan de besmettelijke invloed van de wet van entropie: de natuurlijke realiteit dat alles onderhevig is aan verval en sterfelijk is. De wet geeft richting aan vergetelheid en de zinloosheid van het leven, aan een ontaarding van al wat leven is.

 

Dit depressieve wereldbeeld is compleet het tegenovergestelde van onze G’ddelijke opdracht, die impliciet aangeeft dat er een doel is in het leven en verzekerd dat het vervullen van deze opdracht mogelijk is.

 

 Om opnieuw toegang te herwinnen in het rijk van het zuivere leven, moet iemand een purificatie proces ondergaan, die dient om zijn depressie (echt of in potentie aanwezig) te genezen en om zo iemand opnieuw terug te brengen naar het doel, het enthousiasme en vitaliteit van heiligheid voor het leven.

 

 Omdat de onzuiverheid van de dood de bron is van alle andere onzuiverheden, is de purificatie rite de meest extreme en de meest mysterieuze in de hele Thora. Zoals we al zeiden, dat de wetten van de natuur inderdaad uitmaken dat vroeg of laten alles en iedereen onderhevig is aan dood is deze wet te weerstaan in het tarten van de logica en daarom is de rite van purificatie van de dood van een niveau van existentie die logica te boven gaat; het is een “statuut”, een schijnbare eigenmachtige expressie van G’D’s Wil, verstoken van rationeel logisch begrip en zelfs strijdig met logica in het geheel.

 

                                     

Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria: Kabbala legt uit dat dood een afwezigheid is van G’ddelijk bewustzijn.

 

 Betreffende de essentie van de rite van de rode vaars zei Koning Solomon, zaliger in gedachtenis, “Ik zei: ‘Ik zal wijs worden,” maar het was ver van mij verwijderd” (Prediker. 7:23).  Waarop onze Wijzen in Bamidbar Rabba. 19:3 nader verklaren: “Koning Solomon was de wijste van alle mensen, maar zelfs hij kon niet begrijpen dat, in de rite van de rode vaars, de persoon die de purificatie uitvoerde zelf verontreinigd raakt.

 

 Probeer te realiseren dat het volgende het fundamentele begrip is van de rite van de rode vaars:  namelijk dat Malchoet ontvangt van de achterzijde van de Heilige Namen en niet van de voorzijde.

 

 Aangezien de rite van de rode vaars een staat van realiteit illustreert waarin de G’ddelijke Naam zijn “gezicht” niet laat zien, maar eerder zijn “achterzijde”, ervaren we onszelf in deze context als zijnde verwijderd, of “ver” van G’D’s aanwezigheid. Dit is de reden dat Koning Solomon zijn onvermogen beschrijft; om de werking van de rode vaars rite te doorgronden met “ver” van wijsheid.

 

 Daarom moet de rode vaars rood zijn, om een staat van streng oordeel aan te geven [waar Malchoet onderhevig aan is].

 

 Rood is de kleur van Gevoera, strengheid, striktheid. Iemand die is verontreinigd door contact met de dood, is in een staat van een extreem gelimiteerd G’ddelijk bewustzijn.

 

De grimmige confrontatie met de realiteit van de dood draagt het zaad in zich van miserabele depressie, geboren uit een nihilistische, fatalistische heidense of absurde houding ten aanzien van leven. De persoon moet daarom zichzelf “purificeren” van deze verontreiniging.

 

 SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT KÓRACH

Kórach                Numeri.  16:1 – 18:32

 Waarlijk leven is alleen mogelijk door verbonden te zijn met G’D door Thora en Mitzwot 

 

Leven in de Diepten

 

De Lubavitcher Rebbe, Likoetei Sichot, vol. 2, p.329.

 

“Zij zonken levend in de diepten” (Numeri. 16:33)

 

Waarlijk “leven” is alleen mogelijk door verbonden te zijn met G’D door het leren van Thora en het uitvoeren van Zijn opdrachten. Om die reden wordt de Thora “de Thora van Leven” genoemd.

 

Niettemin, haalt het leren van Thora en het uitvoeren van de geboden om egoïstische redenen, de inherent verheffende vitaliteit neerwaarts in de diepten van de alledaagse werkelijkheid (en in het aardse bestaan​​ dubbel?). Wanneer de focus wordt verlegd van G’D boven naar het individu beneden, daalt de Thora van Leven in de diepten.

 

Ofschoon Korach en zijn schare eminente Thorageleerden waren, Joden die in acht werden genomen, verdoemden hun zelfgerichtheid hen samen met de geleerdheid en vroomheid tot neerwaartse dood. Evenzo is het mogelijk voor een persoon om “in de diepten” te zijn, in een staat van spirituele decadentie waarin men zich nog steeds niet bewust is van de  onware situatie waarin men “leeft”. Echter er is een verborgen zegen in deze ogenschijnlijke verloren staat van leven. Als iemand waar leven ervaart, kan hij het verbeteren.

 

Dit is de reden waarom de zonen niet stierven. Omdat zij in een allegorisch staat van “leven” waren, dat wil zeggen, open van geest, genoeg om te veranderen en berouw te tonen. Zij bleven letterlijk ook in leven en keerden in feite laten terug in de gemeenschap.

 

RABBI SHIMON bar JOCHAI
ZOHAR. P 187a

 

Korach’s benadering in het scheppen van onenigheid, puur in het belang van zijn eigen politieke agenda, staat geheel in tegenstelling tot hoe wij moeten handelen.

 

Rebbe Elazar stond in de aanwezigheid van zijn vader Rebbe Shimon en vroeg hem uitleg over het vers: “Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet van elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.” (Geschriften. 9:9)

 

Dit vers schijnt een persoon te adviseren om van de fysieke genoegens van zijn leven te genieten zo goed als hij kan! 

 

Hij antwoordt: Kom en zie. Dit vers bevat een mysterie. Een persoon moet altijd “leven” insluiten [de intellectuele Sefirot van Chochma en Bina] met de positie [Malchoet, verwijst eveneens naar de “vrouw”]. Het één kan zich niet verplaatsen zonder de andere. Dit is te vergelijken met de beslissingen en gedachten van een persoon, die ook van belang zijn in de spirituele sfeer Zeir Anpin, Malchoet, om de Hogere Wil te actualiseren.

 

Men zal de eigenschap van de nacht mede insluiten met de eigenschap van de dag en de eigenschap van de nacht binnen dat van de dag.

 

“Dag” is het licht van Zeir Anpin, met andere woorden, de emoties, zoals barmhartigheid (Chesed). Er zal constant gehamerd moeten worden op het besef: dat  waar een gebrek aan liefde is, er een gemis is aan bewustzijn, met andere woorden er heerst  “duisternis”.

 

Dit wordt bedoeld met de woorden “Geniet van het leven [haal neer de overvloed van Zeir Anpin] met de vrouw die je bemint [Malchoet].” [hierdoor breng je eenheid in de wereld.] En wat is de reden om dit te doen? Het is omdat zij [Malchoet] je plaats, je positie is in het leven en leven kan alleen in die positie verblijven. “En in je werk, het werk dat je verricht onder de zon, is zoals het werk dat genoemd wordt in het vers: “Ken Hem in alles wat je doet, dan zal Hij voor jou een weg banen.” (Spreuken. 3:6)

 

De Ramak verklaart dat dit vers een instructie is om alles te heiligen wat we doen in het leven, met de intentie om spirituele eenheid tot stand te brengen.
Dus als iemand een huis bouwt zal hij zeggen, dit huis is zoals de Shechina en ik bouw dit huis met de intentie om de Shechina te verfraaien met mitzwot, met andere woorden, het ontvangen van gasten en het hebben van kinderen. Dit is alsof de hogere spirituele mens één is geworden met de Shechina.  Idem, wanneer iemand sieraden of mooie kleding koopt voor zijn vrouw, zal zijn intentie het decoreren van de Shechina moeten zijn. Wanneer iemand op deze wijze handelt, heeft dit een meditatieve bedoeling en maakt G’D deel uit van zijn/ haar leven; hij/ zij zal de Goddelijke voorzienigheid zien in alles wat hem omgeeft.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij   Numeri. 13:1 – 15:41

 Verbinden Met Het Land

 

 Het essentiële verschil tussen de supervisie en leiding door G’D in de woestijn en de supervisie en leiding door G’D in het Land van Israël.

 

 In deze parasha wordt aan Mozes gezegd om twaalf verkenners te zenden, Prinsen van Israël [van iedere stam een Prins] om het Land van Israël te verkennen voordat de Israëlieten het binnengaan. De verkenners keerden terug en gaven allen een negatief verslag, uitgezonderd Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh die stelden dat de Kinderen van Israël zonder meer in staat waren om binnen te trekken en het te verwerven.

 

 We moeten de aard van de negatieve houding van de verkenners begrijpen, want ze waren geen eenvoudige mannen maar zeer belangrijke leidinggevende persoonlijkheden nl: “de hoofden van de Kinderen van Israël.” Om het beter te kunnen begrijpen, moeten we ons realiseren dat er een essentieel verschil is tussen de supervisie en leiding door G’D in de woestijn en tussen Zijn supervisie en leiding in het Land van Israël. In de woestijn, was de supervisie en leiding vanuit de Hemel. Het brood, manna, kwam neer van de Hemel, zuiver en puur, zonder de noodzaak om het te verfijnen. De wolk ( als fysieke goddelijke aanwezigheid) beschermde het Volk Israël en hield het in stand ook door de reiniging van hun kleding en zij dronken het water van Miriams bron. Deze generatie wordt de Generatie van het Begrijpen [Da’at] genoemd en het doen van de mitzwot  werd voornamelijk religieus spiritueel uitgevoerd.

 

 Dit was niet het geval in het Land Israël. De supervisie en leiding door G’D is dan  ogenschijnlijk volgens de Natuur en niet volgens een visuele supervisie vanuit de Hemel. Zodra ze daar zijn aangekomen moest het brood en eten verkregen worden door arbeid op het land omdat het vallen van Manna was gestopt. Het doen van de mitzwot in het Land van Israël geschiedt door het fysieke ploegen en planten en oogsten, in het bijzonder de mitzwot met betrekking tot het Land : Shemitah [het zevende jaar in een cyclus waar het land niet wordt bewerkt en Tienden] 

 

 Na het “Breken van de Vaten” vallen de Heilige Vonken tot in de materiële fysieke sferen. We verheffen hen tot Heiligheid door mitzwot en hun zegeningen. Een ander bijzonder effect is dat wanneer iemand het goede zuivert van het kwade en het goede verheft tot Heiligheid, de persoon zelf daarbij ook wordt gezuiverd. De betekenis van het essentiële verschil van de supervisie en leiding van G’d in het land Israël moet nu zo worden  begrepen: men is zelf verantwoordelijk voor de realiteit en moet daar zelf praktische verantwoording voor dragen.

 

 Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh waren van zielen verbonden met het land Israël. Ten aanzien van Efraïm is geschreven dat zijn vader, Josef, hem bij de geboorte zo noemde vanwege de uitspraak, “Elokiem heeft mij vruchtbaar gemaakt [Hebreeuws, ‘Hifrani’] in het land van mijn kwelling.” Alle heilzame groei en in het bijzonder vruchtbaarheid wordt verkregen wanneer men inspanning aanwendt om iets te zuiveren en juist niet van wat al was voorbereid. De vorm van dienst in het Land van Israël is Thora en Mitzwot.

 

 Over Caleb schrijft de Arizal dat hij een reïncarnatie was van Eliezer, Abrahams dienaar, die uit Kanaän kwam; om die rede was Caleb ook verbonden met het Land van Kanaän, dat het Land van Israël werd.

 

 Daarom zeiden Joshoea Bin Noen en Caleb Ben Yefoeneh dat het een Land is dat “overvloeit van melk en honing”.

 

 Melk representeert Chessed en Honing representeert Gevoera, in tegenstelling tot Manna, wat “als korianderzaad, zuiver wit” was en representeert  alleen Chessed, dus zonder dienst en inspanning van verfijning.

 

 De rest van de verspieders prefereerde de Hemelse supervisie en leiding zoals die was in de woestijn, zodat ze continu Thora konden leren zonder materiële fysieke zorgen. Zij begrepen niet dat het bestaan in de woestijn aanzet was voor de uiteindelijke dienst van  verhoging van materie en het fysieke  tot Heiligheid door vervulling van de Mitzwot in het Land van Israël. 

 

SHABBAT SHALOM         

 

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt Numeri. 8:1 – 12:16

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Het geheim van de lamp

 

Zohar, p. 151a

 

De parasha van deze week begint met de voorschriften over het aansteken van de zevenarmige kandelaar [Menora] door Aaron in de tabernakel in de woestijn. De beschrijving van de Menora evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken, werden al eerder benoemd en behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave.

 

Rabbi Elazar – zoon van Rebbe Shimon- stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, de vraag. Waarom wordt het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, herhaald op een ander tijdstip?

 

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar -zoals beschreven in de parasha Bemidbar- en nu gaat de tekst over de functie van de Menora in relatie tot het aansteken door Aaron. Daarmee aangevend, dat dit belangrijker is dan alle andere offers die waren gebracht.

 

Boven [in de wereld van Atziloet] vertegenwoordigt de Menora wijsheid ( waarmee de sefira van Malchoet wordt verlicht)]; al de lichten op de armen van de Menora [die de sefirot representeren] verlichten, door de verrichtingen van Aaron.

 

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid wordt geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie instaat stelt om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Door zijn aansteken van de Menora als een fysieke meditatieve handeling, wordt een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg gebracht vanuit de hogere sefirot aan deze wereld. Dit wordt gerepresenteerd door elk olie lontje, in elke arm van de Menora.

 

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit al hebben uitgelegd.

 

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen: Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de bovenste sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet en Malchoet weergeven.

 

Iedere bovenste sefirot is verbonden met elke andere in de sefirot boom, door drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van beïnvloeding en laten zien hoe zij samenkomen en zich onderlingverhoudentot de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen, was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, daarmee representerend: het koninkrijk van de Koning der Koningen.

 

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

 

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. ( wijsheid).  Zoals men kan zien als men de Sefirot boom visualiseert, is Chesed de eerste van de zeven sefirot die het licht van wijsheid ontvangt. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij te leggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie,inwijsheid en er over te mediteren, door het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot : Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat de wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbindt door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken op de zelfde tijd als de Menora werd ontstoken, aangezien zij samen het bewustzijn in eenheid representeren om de hogere niveaus neerwaarts te halen.

 

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

 

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

 

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora met de sefira van Chochma.

 

Het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

 

Detabernakel en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in de fysieke realiteit, waar olie kalmeert.

 

Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, dat betekent, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

 

Zoals gesteld is er: Één altaar binnen, om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het altaar binnen verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

 

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

 

En iemand die kijkt en [hierop] mediteert zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

 

Door heel de Tenach, worden deze namen uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

 

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

 

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

 

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

 

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in de visualisering van de boom van Sefirot boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT NASÓ

Neem op             Numeri. 4:21 – 7:89

 

 De Zohar zegt dat het spirituele ontvangen van de Thora afhankelijk is van hoe we onze seksualiteit rectificeren. 

 Gebaseerd op Metok MiDevash

 

 Zohar, Emor. p. 96b.

 

 Rabbi Shimon zegt dat het gerstoffer gebracht door de sota [de vrouw verdacht van overspel te hebben gepleegd], verwijst naar een “offer van jaloezie, een graanoffer van herinnering, herinnerend aan ongerechtigheid”. (Numeri. 5:15) Het woord “jaloezie’ [in het Hebreeuws, “kina’ot”] in dat vers, is geschreven zonder de vav omdat de Sefira van Malchoet, die ook zo wordt genoemd, in een staat van verwaarlozing is. Haar ontbreekt de overvloedige stroom van Yesod, dit wordt geïndiceerd door de ontbrekende vav.  Het zelfde stamwoord “kina” wordt gebruikt in het voorval van Pinchas, die de prins van de stam van Simon doodde, die overspel pleegde met een Moabitische prinses. Pinchas werd gezegend met eeuwigdurend priesterschap, “….omdat hij verontwaardigd ( als de bezorgde afgunst)  [of zelotisch] was voor zijn G’D”.

 

 Jaloezie  [in het Hebreeuws, “kina’ot”] is een eigenschap van de Sefira van Yesod [de Sefira van seksualiteit] en om het even wie ontrouw is aan hetverbond van Israël wekt zelf de kracht van Yesod op die afgunst teweeg brengt aan degene zelf.  Dat wordt bedoeld  met de frase in de Talmoed (Sanhedrin. 81b) “Zeloten zullen hem straffen”.  

 

 Kom en Zie [een term van de Zohar om de esoterische betekenis aan te duiden]. Het gerst [veevoer] van de Omer [ een offergave van gerst verzameld van de velden op de tweede dag van Pesach en geleverd aan de Tempel] was wat de sota gebruikte als haar offer. Het werd geplet en gemalen onder maalstenen en ze verzamelden een isaron [een antieke maat uit de oudheid] en ziften het dertien keer in een zeef.

 

 Dertien is het aantal G’ddelijke Eigenschappen van Barmhartigheid. Door het schift en zeefproces werd de gerst gezuiverd van alle toebehoren, met andere woorden, schillen en omhulsels werden ontdaan die het fysieke en dus ookhet spirituele verontreinigen.

 

 Dit wordt bedoeld met de frase die wordt gebruikt in het gebod om de Omer te tellen, “Zeven volle weken”. (Leviticus. 23:15) 

 

 Het woord “volle” refereert aan de completering van de purificatie van de Sefira van Malchoet gedurende de periode tussen Pesach en Shavoe’ot. Gedurende deze periode,- is Malchoet gezuiverd van alle negatieve aanhechtingen en zijn alle zeven Sefirot van Zeir Anpin, die weer elk bestaat uit zeven Sefirot, geteld. Dit roept in het bewustzijn op al de 49 facetten van Malchoet  en dient als een voorbereiding op het 50e niveau, dat het spirituele ontvangen van de Thora is.  

 

SHABBAT SHALOM      

 

 

 

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn      Numeri. 1:1 – 4:20

 

Heilige der Heilige

De kracht van barmhartigheid verzachtde negatieve strengheid van anderen.

 

Hitva’ adoeyot 5748, vol.3, p. 405-407

 

 

Wanneer ze het allerheiligste naderen, moeten Aaron en zijn Zonen komen en ieder afzonderlijk aanwijzen voor de te verrichten diensten.” (Numeri. 4:19)

 

 

De algemene toestand van “het Heilige der Heilige” representeert allegorisch de hoogste niveaus van spiritueel leven en een G’ddelijk bewustzijn. Het gebeurt vaak in ons streven naar spirituele aangelegenheden, dat we verschillende krachten van oppositie ontmoeten. Soms is dit de spot en vijandigheid van andere mensen en soms zijn het de innerlijke stemmen van vertwijfeling. De Thora leert ons hier dat het juiste respons tegenover deze uitdagingen niet is hen te bevechten, maar eerder hen te confronteren met de kracht van Aaron, de vredestichter. [zie Perké Avot.1:12]

 

 De kracht van barmhartigheid verzacht de negatieve strengheid van anderen, of elimineert het vaak helemaal en kan een antagonist veranderen in een bondgenoot als de meest mogelijke overwinning.

 

 In Kabbala personifiëren de Levieten Gevoera (ingetogenheid en strengheid), terwijl de Priesters (Aaron in het bijzonder) Chesed (liefde en goedheid) personifiëren. In de Tempeldienst inspireerden de muziek van de Levieten de aanbidders om de hoogten van heiligheid en zuiverheid te vergroten, terwijl door de offers, gebracht door de priesters, de G’ddelijke zegeningen en openbaring neerwaarts worden gehaald. Door de priesters de verantwoording over de Levieten te geven, geeft de Thora hier aan dat zowel Chesed en Gevoera nodig zijn om de facetten van spiritueel leven te  complementeren, we moeten niettemin veilig stellen dat Chesed Gevoera verzacht, zoalsliefde en vrees en goedhartigheid de directe strengheid intoomt.

 

 SHABBAT SHALOM