PARASHAT HA’AZINOE

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

De Zohar op 32,3 ( Sullam editie Ha-azinoe pagina 92 ) geeft aan: Wat is de betekenis van het vers “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig?”
Rabbi Shimon antwoordt: “geef glorie aan onze G’D!” Rabbi Abba geeft commentaar (op het vers 32,4) als volgt:
De woorden: “geef glorie” zijn een verwijzing naar gedoela, of de sefira chesed. De woorden: “hatzoer tamiem pa’alo”, “De Rots, Zijn werk volmaakt is,” zijn een verwijzing naar de sefira gewoera.
De woorden: “kie kol derachav mishpat,” “want al Zijn wegen zijn Recht” zijn een verwijzing naar de sefira tiferet.
De woorden: “el emoena,” “een betrouwbare G’D,” verwijst naar de sefira netzach.
De woorden: “één awel,” “zonder onrecht,” verwijst naar de sefira hod.
Het woord: “tzadiek,” “rechtvaardig,” verwijst naar de sefira jasod.
Het woord: “wejashar,” “eerlijk,” verwijst naar tsedek, een andere naam voor de sefira malchoet.
Al deze uitdrukkingen verenigd, vormen de naam van G’D. Dit is waarom Mozes zei: “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig.”

Rabbi Chiya voegt toe dat hij veel heeft geleerd van dit vers en dat wat Rabbi Abba had gezegd zeer passend was.
Gezien het feit dat zovele eigenschappen deel uitmaken van G’D’s naam, zou men zich makkelijk kunnen vergissen, waardoor men zou kunnen denken in termen van verschillende machten. Om te voorkomen, dat wij zo’n fout zouden kunnen begaan, gebruikt de Thora het ogenschijnlijk oppervlakkige voornaamwoord hoe, aan het eind van vers 4. Dit voornaamwoord is er om te benadrukken dat, ondanks de verschillende eigenschappen, zij allen eigenschappen zijn van één en dezelfde G’D. Hij is, en Hij zal zijn, voor altijd. Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJÉLEECH

En hij ging            Deuteronomium.  31:1 – 31:30

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar. p. 285b

Antwoorden met Amen

 

Rabbi Jehoeda interpreteert het vers “…. want degenen die Mij eren zal Ik eren en degenen die Mij verachten zal weinig geacht worden” (Samuel I, 2:30). Een persoon die niet weet de Naam van zijn Schepper te eren, weet niet de juiste gedachten te hebben bij het zeggen van “Amen” en zal weinig geacht worden. Dit is zoals we hebben geleerd dat iemand die met “Amen” antwoordt, groter is dan degene die de zegen uitspreekt. [Als iemand een zegen hoort behoort hij te antwoorden met “Amen: ]

 

De gepaste intentie in het zeggen van “Amen” is om de oneindig barmhartige Naam Havayah te verenigen met het aspect van Malchoet – Ado-nai, zoals we hebben uitgelegd in Parashat Shoftiem . De gene die de zegening uitspreekt gebruikt de Naam Ado-nai, terwijl de persoon die antwoord me “Amen” het oneindige aspect van de Schepper één maakt met het aspect van Malchoet. Dus de persoon die antwoordt met “Amen” verenigt dus twee Namen van G’D, in tegenstelling tot de ene Naam die de persoon gebruikt bij het uitspreken van de zegen. Dit fenomeen wordt aangetoond door het woord “Amen” dat de numerieke waarde heeft van 91, de zelfde numerieke waarde als dat van de G’ddelijke Namen Havayah en Ado-nai samen.

Dit is zoals wij hebben geleerd van Rabbi Shimon bar Jochai, namelijk dat met het beantwoorden met “Amen” zegeningen neerwaarts gehaald worden van de onuitputtelijk spirituele bron naar de Koning en van daar naar de Koningin.

 

Dit veroorzaakt een gunstige influx, een toevloed van de verenigde werelden van Abba en Imma naar Zeir Anpin, de spirituele spiegel boven de fysieke wereld en van daar naar deze fysieke wereld.

We hebben evenzo geleerd in het esoterische boek van Rabbi Elazar de Combinaties van Letters, dat het meditatieve pad van het woord “Amen”  is gereflecteerd in de letters van het woord zelf. Dus men trekt de spirituele overvloed van de letter alev van het woord “Amen” naar de mem en van de mem naar de noen.

Alev representeert eenheid, mem representeert Imma/Bina en noen representeert Zeir Anpin.

 

Wanneer de zegen de noen bereikt wordt [deze spirituele influx]  er uit ontlokt en  vloeit voort in de spirituele en fysieke werelden en verspreid zich over alle werelden. Een stem komt voort en verkondigt: “Drink van het elixer van zegeningen die deze met name genoemde persoon, een dienaar van de Heilige Koning  die een uitstroom te weeg heeft gebracht.”  Wanneer Israël beneden nauwlettend luistert naar de zegen van de leider van het gebed om te kunnen antwoorden met “Amen” en naderhand met de juiste meditatie en zorgvuldig hun harten concentreren zoals wordt vereist, hoeveel poorten van zegeningen worden dan voor hen boven geopend en hoeveel zegeningen worden neergehaald naar hen beneden! Hoe groot is het goede dat alle werelden bedekt en groot is de vreugde die overal doordringt!

 

Wat is de beloning voor Israël die dit alles veroorzaakt? Zij verkrijgen een beloning in zowel deze fysieke wereld als in de spirituele wereld. Hun beloning in Deze Wereld is dat op het moment degenen die hen haten en hen willen breken en hen misère willen brengen en Israël hun Schepper aanroept, een stem voortkomt en in alle werelden verklaart, “Open de poorten voor de intrede van het heilige volk die hun vertrouwen behielden [in het Hebreeuws, ‘emoeniem’] (Jesaja. 26:2). Interpreteer het woord “vertrouwen” niet als emoeniem’, maar als “ameniem“, betekenend, degenen die Ämen” zeggen. Dus de opdracht om de poorten te openen is een reflectie op het feit dat Israël de poorten van zegeningen opent. Nu de poorten van gebed voor hen zijn geopend als beloning en zij bewaard zijn voor degene die hen wilde breken is dat hun beloning in Deze Wereld.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NITSAVIEM

Aangetreden (Deuteronomium 29:9 – 30:20)

De Lubavitcher Rebbe.

Likoetei Sichot.

En als je terugkeert tot de Eeuwige, je G’D….met ganser harte en met heel je ziel.” (Deuteronimium. 30:2)

De oproep luidt dus om teshoewa te doen, (terugkeren naar G’D is meer dan alleen maar het tonen van berouw), met heel ons hart en ziel. In vergelijking met de mitzwa om van G’D te houden met heel ons hart, heel je ziel en met alles waartoe je “bij machte bent” (Deut. 6:5), wat inhoudt, een liefde die onze normale emotieve vermogens te boven gaan. Waarom bestaat dit verschil tussen deze twee, op het eerste gezicht, zelfde mitzwot?

Natuurlijk is “liefde” een emotie. De Thora vraagt, dat onze liefde voor G’D niet alleen maar het uiten is van hart en ziel, maar, dat het inspiratie haalt uit de onbegrensde bron die ons verbindt met G’D, die voortkomt uit de essentiële diepte van ons G’ddelijke bewustzijn. Dit is de verwijzing naar, alles waartoe je “bij machte bent”, de sfeer waar de diep gewortelde liefde voor G’D existeert.

“Terugkeren” aan de andere kant, is in essentie een daad waarbij iemand zichzelf overtreft. Zijn normaal werkende individuele ego heeft hem, door te hebben gezondigd, in een hachelijke situatie geplaatst, de noodzaak van terugkeer is nodig.
Hij moet daarom zichzelf te boven gaan om te trachten een diepere, een meer essentieel onderdeel van zijn identiteit te bereiken, waar G’D meer betekent voor hem, dan het genoegen waar hij aan gewend was geraakt. Wanneer hij dit eenmaal gevonden, moet dit overtreffende bewustzijn eigen worden gemaakt aan zijn normatieve bewustzijn.

Dus, terwijl de Thora ons aanbiedt om onze liefde voor G’D van normaal tot alles overtreffend te vergroten, verlangt het van ons, om terug te keren naar G’D, door middel van onze alles overtreffende verhouding met Hem, en dit tot een normatieve te maken.

*****************************

ONDERWORPENHEID

Een gedachte over de sjofar:

Rosj HaShana is de verjaardag van de schepping van de mens, het laatste schepsel in de volgorde van de Schepping, en het hoogst ontwikkelde.
De superioriteit van de mens aan het dier is in zijn intellect gelegen. Men had daarom kunnen denken, dat de dienst van Rosj HaShana zou bestaan uit wetenschappelijke verhandelingen en discussies, waarin de mens zijn superioriteit zou kunnen demonstreren. Maar de essentie van de dienst op Rosj HaShana is juist een eenvoudige ceremonie, n.l. het blazen op de hoorn van een ram, geen verfijnd muziekin­strument, maar een eenvoudige hoorn die eenvoudige ge­luiden voortbrengt.

Hierin ligt een diepzinnige les opgesloten: Het jaar wordt door middel van het blazen op een ramshoorn ingewijd om ons te leren dat, al is de mens een schepsel met intellect, de basis voor zijn intellectuele leven onderworpenheid aan G’D moet zijn. Een absolute onderworpenheid zoals deze aanwezig is bij een van intellect gespeend dier.

RABBI M.M. SCHNEERSON

SHABBAT SHALOM EN L’SHANA TOVA.

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt         Deuteronomium. 26:1 – 29:8

Rabbi Jitzchak Luria

Uitvloeiingen van het kwaad

Van “de geschriften van de Ari”.

Aan het begin van parasha Re’ée wordt het Joodse Volk opgedragen om “de zegen te plaatsen op de Berg Geriziem en de vloek op de Berg Ewal” op het tijdstip dat zij de Rivier de Jordaan oversteken en het Land van Israël binnengaan. (Deuteronomium. 11:29)

 De discussie hoe dit moet gebeuren neemt wordt niet weergegeven in die passage, maar is opgenomen in het gedeelte van de Thoralezing van deze week, wanneer het Joodse Volk wordt opgedragen:

Wanneer jullie de Jordaan oversteken moeten de volgende (stammen) op de Berg Geriziem gaan staan tijdens het zegenen van het Volk: Lévi, Juda Issachar, Joséf en Benjamin. En de volgende (stammen)  moeten op de Berg Ewal staan tijdens het vervloeken: Reuben, Gad, Ashér, Zewoeloen, Dan en Nafthalie.” (Ibid, 27:12-13).

Dan volgt een lijst van elf vervloekingen die worden verkondigd door de Levieten. De zegeningen worden niet expliciet genoemd, maar volgens de Geleerden waren zij gewoonweg het tegengestelde van de vervloekingen.

Ik heb jullie  eerder onderwezen over de elf ingrediënten van de wierrook, de elf bedekkingen van geitenwol [van het Tabernakel] en de elf vervloekingen van parasha Ki Tavo.

Wat hier opvallend is, is het getal elf. Aangezien de G’ddelijke energie welke de wereld creëert en instant houd, georganiseerd is in een structuur van tien sefirot (Sefer Yetzirah is zeer precies over dit cijfer: ” tien en niet elf; tien en niet negen” ), omdat tien als cijfer het complete en het standvastige aangeeft, een heilige orde van vermogens. Het cijfer elf daartegen, wordt gezien als een indicatie van destructieve overmaat, een egotistische tendens om beter te zijn dan het G’ddelijke systeem. In de woorden van  de Geleerden: ” al wie toevoegt verminderd” (Sanhedrin 29a). Daarom geeft het kwaad en vervloeking aan.

Het tabernakel was overtrokken met drie gordijnen: één, gemaakt van tien aan elkaar vastgemaakte gordijnen, elk geweven van een mengsel van verschillende materialen; één, gemaakt van elf geitenvellen aan elkaar vastgemaakt en één van tachash vellen ( de tachash was een kleurrijk dier welke in onze dagen niet meer bestaat).

Hun significatie is, dat net als er tien heilige sefirot zijn, er tien sefirot van het kwaad zijn.

Aangezien kwaad een ontaarding is van Heiligheid, heeft dat als gevolg, dat voor elke schaduw van heiligheid (weergegeven in de tien sefirot), er een corresponderende schaduw is van kwaad.

Bovendien, is er in [de tien heilige sefirot] een vonk van heiligheid dat hun draagt. Dit is de mystieke betekenis van het vers “en Zijn Koningschap heerst over alles” (Psalm 103:19).

Het gemeenschappelijke kenmerk van  alle sefirot is dat zij een expressie zijn van G’D’s soevereiniteit over de Schepping. Dit is de basis voor hun wederzijdse onderlinge insluiting en harmonieus functioneren.

[Hetzelfde is waar betreffende de tien sefirot], met het volgende verschil: De tien heilige Sefirot  zijn opgebouwd uit “essentie” en “vaten”.

De essentie van een sefira is de G’ddelijke aandrijving van energie; het vat van een sefira  is haar identiteit, of het gedetailleerde G’ddelijke vermogen welke het manifesteert. De meer familiaire terminologie  voor “essentie” in deze context is “licht”. Hier wordt het licht de “essentie” genoemd, aangezien natuurlijk het G’ddelijke vermogen de sefira tot een instrument maakt of anders gezegd, een “nuttig” werktuig in de handen van G’D; het vat of de gedetailleerde identiteit van het vermogen wat wordt gemanifesteerd, is in verhouding een bijkomstigheid.

De essentie nu [ingeval van de tien heilige sefirot], welke de levenskracht zijn die de sefirot dragen, is opgenomen en verborgen in hen. Dus is er geschreven in de Zohar, “Hij en dat welk Hij tot leven wekt [dat wil zeggen het “licht”] zijn één; Hij en hetgeen Hij veroorzaakt [dat wil zeggen de “vaten”] zijn één”. (Tikoenei Zohar, introductie, 3b) Dit is de reden dat hun aantal tien zijn; zij zijn de tien overhangende gordijnen van het Tabernakel.

Heiligheid wordt gekarakteriseerd door onderwerping aan G’D’s wil, en onderworpenheid aan G’D’s wil stelt een entiteit in staat om te coëxisteren met zijn tegenovergestelde (als het G’D’s wil is dat dit gebeurt). Ofschoon hier essentie en expressie van nature tegenovergesteld zijn, kan licht en vaten samen coëxisteren, zolang beide zich onderwerpen aan het G’ddelijke schema. Deze onderwerping aan de G’ddelijke wil wordt weergegeven door te bestaan uit tien sefirot, het cijfer voor evenwicht en beperking van krachten. De tien gordijnen die de innerlijke bedekking vormen van het tabernakel, dicht bij de heiligheid van de ark en de andere voorwerpen, benadrukken deze de onderwerping.

Maar in het geval van de tien kwade sefirot,  kan de heilige levenskracht niet in hen worden geabsorbeerd, want het heilige laat zich niet vermengen met het profane. Het hangt boven hen en stimuleert hen van verre.

Want de kwade sefirot benadrukken rebellie tegen de G’ddelijke wil, er kan geen verzoening zijn tussen essentie en expressie. Bovendien, de essentie kan niet het vat binnendringen, want de essentie gehoorzaamd G’D’s wil (want het is alleen door de goedheid van G’D’s wil dat het kwaad kan existeren of enig vermogen bezit) terwijl de vaten niet kunnen coëxisteren met de essentie, omdat zij zich niet onderwerpen aan de G’ddelijke wil ( zoals we hebben gezegd, de vaten zijn een uitdrukking van rebellie tegen G’D’s wil).

Om die reden dus kan de levenskracht (de “essentie” of “licht”) niet worden gerekend als een aspect van de tien sefirot, maar als een entiteit op zichzelf. En daarom bestaat het kwade uit elf: tien kwade sefirot en de levenskracht.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT KIE TEETSEE

Als je voortgaat (Deuteronomium 21:10 – 25:19)

De mens is het doel van de Schepping, hij is geschapen in beeld en gelijkenis van G’D, en juist zoals Adam oorspronkelijk twee gezichten had om de gelijkheid van man en vrouw aan te geven, zo was ook de respectievelijk aanwending van lichaam en ziel van de mens perfect, zodat beide waren geheiligd aan hun G’D.
De vrouw werd vervolgens gesepareerd van Adam met de intentie om zijn levensgezellin en partner te worden, om hen de gelegenheid te geven een ware eenheid te vormen, zodat zij “één lichaam” worden. (Genesis. 2,24)
Adam (Mens) verkrijgt door deze separatie zijn perfecte vorm en wordt compleet.

G’D verloste ons van slavernij, om ons in staat te stellen Zijn dienaren te worden, zoals Hij zegt in Leviticus 25,55: “Want de Kinderen van Israël zijn dienaren van Mij.” Dus, door Zijn dienaren te worden, voegen wij meer vermogen toe aan de spirituele essentie van onze zielen. In de uiteindelijke toekomst zullen wij het spirituele niveau, dat Adam bezat toen hij nog de geweven kleding van licht droeg, terugwinnen.
Als we dit punt in onze historie zullen bereiken, zal ons leven oneindig worden en lichaam en ziel zullen een blijvende existentie hebben in deze wereld.
Wij zullen direct van voeding worden voorzien door de shechina, is de unanieme mening van de Kabbalisten en vastgelegd door Nachmanides. Een compleet andere mening daarentegen heeft Maimonides, die de periode in kwestie niet ziet als een leven in deze wereld.
De zuivering en verfijning van ons lichaam en iemands verhouding met de materiele zaken in deze wereld kan alleen worden bereikt door het uitvoeren van de mitzwot. Gezien het feit dat praktisch alle zeventig geboden die worden genoemd in deze parasha betrekking hebben op ons lichaam ofwel onze verhouding tot materiele zaken, mogen we aannemen dat de gehele parasha primair gewijd is, om ons te leren heiligheid tot stand te brengen met ons lichaam en onze omgang met materiele zaken.
We moeten zeer goed bedenken dat het voornaamste punt in het bereiken van heiligheid van het lichaam draait, om het reproductieve orgaan en wie en voor welk doel, wij onze levenspartner kiezen. We moeten ernaar streven dat de zaaddruppel welke de eicel van onze vrouw zal bevruchten heilig is en niet ontaard is door verontreiniging van de serpent (spirituele verontreiniging).
Heilige intenties gedurende copulatie brengt een vereniging teweeg tussen de Sefirot van tiferet en malchoet, welke het tweevoudige gezicht van Adam representeerde vóórdat Eva van hem was gesepareerd.
Deze twee Sefirot symboliseren de esoterische dimensie van ziewoek, copulatie, de fysieke vereniging van man en vrouw.
De heilige gedachten die iemand moet hebben gedurende de geslachtsgemeenschap zijn alleen spiritueel verdienstelijk als iemand de geschikte vrouw heeft gekozen.
De reden dat Eva was gescheiden van Adam op het moment dat er geen andere mensen waren, was om aan te tonen dat de vereniging van Adam en Eva een echtelijke staat was, een vereniging tussen twee partners die geschikt waren voor elkaar.
Als iemand een vrouw kiest, moet hij voor ogen houden tzelem elokiem, het beeld van G’ddelijk aspect van iemands persoonlijkheid.
Als iemand is gemotiveerd door andere overwegingen in het kiezen van een vrouw, of als iemand geslachtsgemeenschap aangaat, zelfs met zijn eigen vrouw, met redenen anders dan het procreëren van G’D vrezende kinderen, is iemands existentie onvolledig. G’D heeft het “tegenovergestelde” gecreëerd, m.a.w om ons te voorzien in het maken van de juiste keuze, voorzag Hij ons van de verkeerde keuze.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters (Deuteronomium. 16:18 – 21:9)


Rabbi Isaiah Horowitz

Zes Pilaren Van Zilver

Shnei Loechot HaBriet

De opdrachten, vermeld in deze parasha, zijn gebaseerd op de “zes pilaren van zilver”, m.a.w de zes pilaren waarop het universum is gebouwd.
Deze zes pilaren zijn: Thora, [G’ddelijke] Dienst, Handelingen van Barmhartigheid, Oordeel, Waarheid, en Vrede.

De pilaar van Oordeel staat vermeld in het eerste gedeelte van deze parasha, waar de benoeming van rechters en een hoger gerechtshof wordt uitgevaardigd. De regels ten aanzien van een individuele Thorageleerde welke weigert zich neer te leggen bij de meerderheid van stemmen van zijn collega’s en de wet ten aanzien van benoemen van een koning wiens het taak is, het leiden van het volk op de weg van Thora, al dit behoort tot de pilaar van oordeel. Aan een koning is het toegestaan om op sommige manieren van Thoranormen, betreffende de verplaatsing van grenzen, af te wijken, terwijl dit aan andere mensen niet is toegestaan. De regels, niet te oordelen op basis van een enkele getuige, hoe gehandeld moet worden ten aanzien van valse getuigenissen, etc. maken allen deel uit van de pilaar van oordeel.

De pilaar van waarheid wordt weergegeven door de wetgeving hoe te handelen ten aanzien van magiërs welke het volk proberen te misleiden, een valse profeet, etc. allen die hun oorsprong vinden in de linker zijde van de sefirot, het domein waar vanuit leugens voortkomen. De uitvaardiging om voorzichtig te zijn tegenover een valse profeet, niet bang te zijn om de eisen die hij je oplegt te overtreden. En ook de belofte dat G’D de ware profeten toewijst, maken allen deel uit van de pilaar van Waarheid.
De pilaar van Vrede wordt weergegeven als deel van de wetgeving die oorlogsvoering behandelt (op voorwaarde dat de oorlog niet tegen de zeven naties is welke Kana’aan bewoonden in de tijd dat het Joodse Volk er binnen trok), om te tonen hoe de Thora met vrede omgaat en benadrukt.  Desondanks geeft de Thora de opdracht voor de absolute vernietiging van alle inwoners van het Land Kana’aan met als reden dat ware vrede alleen kan existeren als het kwade wordt verwijderd of een boeteling wordt. Zelfs wordt ons het behoud van ecologische “vrede opgelegd”, wanneer de betreffende vegetatie voor direct universeel nut is voor de mens, m.a.w vruchtdragende bomen. Zulke vegetatie mag niet vernietigd worden, zelfs als zij de oorlog kan verkorten. De zalving van de priester die zich richt tot de soldaten op hun weg naar het slagveld is bestemd om de soldaten te verzekeren dat G’D van hun houdt en hun welzijn in gedachten heeft. Wanneer wij van G’D houden, zal er vrede zijn tussen Hem en ons, en oorlog onder Zijn vijanden. Om die reden legt de Thora ons op om geen angst te hebben voor onze vijanden.

De pilaar van Thora behandelt de wetgeving betreffende de ontkenning dat de stam van Levie een aandeel heeft in het land dat wordt verdeeld onder de andere stammen. Hun [stam Levie] taak is om Thora te leren en te onderwijzen, zoals we weten van het vers “Zij leren Uw rechtsnormen aan Ja’akov  en Uw Thoravoorschriften aan Jisraël.” (Deuteronomium. 33:10)
Als de Thora hen landbouwgrond en fruitteelt had toebedeeld, zouden zij daar zeer door in beslag zijn genomen met het bewerken van het land en niet in staat  hun spirituele taken te vervullen. Vandaar dat de Thora de Israëlieten instrueerde om een bepaalde giften te geven aan de Levieten, zodat zij bevrijd waren van de last van levensonderhoud om zodoende de zware last op hun schouders te nemen van Thorastudie. Toen eenmaal de priesters in aantal waren toegenomen, werd hun tempeldienst beperkt naar een paar dagen per jaar voor elke dienstgroep. Op feestdagen echter, wanneer zij sowieso in Jeruzalem waren, konden zij een aandeel van het vlees van de vele offers op het altaar verkrijgen. Zij creëerden eveneens een geregeld inkomen van de porties vlees welke terzijde werden geplaatst van dieren die werden geslacht voor private consumptie en ook van de eerstgeborene mannelijke dieren en de “teroema” (ongeveer 2% van de opbrengst van graan, olie druivenoogst van de landbouwer).
De Leviet droeg ten behoeve van de priesters 10% bij van de tienden die hij ontving.

De pilaar die “Dienst”wordt genoemd in onze parasha, wordt vertegenwoordigd door het verbod om een boom te planten in de omsloten ruimten en terreinen van de Tempel en het verbod om stenen monumenten op te richten. Eveneens valt hieronder de wet welke het offeren van dieren met gebreken verbiedt.

De pilaar van Handelingen van Barmhartigheid betreft het laten zien aan mensen, de ware goedheid na hun dood. In onze parasha wordt deze pilaar vertegenwoordigd door de wet betreffende vluchtsteden, welke voorzien in gedeeltelijk restitutie voor personen die onopzettelijk moorden hebben gepleegd. Zo ook het vereiste om te doden het “gebroken nek kalf” [als een niet geïdentificeerd lichaam is gevonden, neemt de dichts bijzijnde stad verantwoordelijkheid, want zij hebben mogelijk de mitzwa van gastvrijheid verwaarloosd, wat indirect dood veroorzaakt] ook het onachtzaam zijn van dit gebod valt hieronder.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT Re’ée

Zie (Deuteronomium. 11:26 – 16:17)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar 106b

De volgende verhandeling van de Zohar werd gekozen door de heilige Ari als lezing voor “Chok L’Jisrael“, tweede dag parashat Re’ée. Het behandelt berouw, wat zeer passend is, aangezien parashat Re’ée gelezen wordt, vlak voor de periode dat Israël begint met het zeggen van Selichot, smeekgebeden om vergeving, die leiden naar Rosh Hashana.

We hebben geleerd dat er niets in deze wereld in de weg staat (het accepteren van G’D) van Teshoewa (terugkeer, berouw). Bovendien, iedereen die terugkeert [naar G’D, zelfs de slechten] is zeker van het ontvangen van dankbaarheid door de Heilige, Geprezen Zij Hij. En als hij terugkeert, wordt hij teruggebracht tot de Weg van het Leven.

“Leven” refereert hier aan het leven in de Ware Wereld, verder dan de strijd van goed en kwaad, welke deel uitmaakt van een lager bewustzijn, dat faalt in het zien van het Heilige, welke de waarheidsgetrouwe wereld is. De berouwhebbende (“Ba’al Teshoewa”, genaamd) wordt “gesommeerd” omdat G’ddelijke Voorzienigheid hem leidt en assisteert in zijn terugkeer naar de ware weg.

Dan, alhoewel hij dingen heeft bevlekt en schade toegebracht, wordt alles hersteld en alles terug gebracht tot zijn origine en pure vorm.

De veroorzaakte ontsiering bevlekt iemands spirituele gesteldheid. Deze bevlekking, welke het licht van de ziel verhindert te penetreren in persoonsbewustzijn, wordt verwijderd door oprecht berouw, en zal het licht onbelemmerd laten terugkeren.

Want zelfs met betrekking tot een besluit aangaande [welke G’D heeft gemaakt] een eed, welke men betreurt],  inviteert G’D hem om terug te komen. Zoals staat geschreven, “Zo waar Ik leef – spreekt de HEER -, ook al droeg Ik jou, koning Jechonja van Juda, zoon van Jojakim, als een zegelring aan Mijn rechterhand, ik zou je ervan afrukken. ” (Jeremia. 22:24) En er is geschreven [later in vers 30], “Dit zegt de HEER: “Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren.” Echter, nadat hij terugkeerde in berouw, staat geschreven, “De zoon van Jechonja was Assir; diens zonen waren Sealtiël.” (Kronieken I 3:17)

Op een andere plaats leren we dat Jechonja en Coniah een en de zelfde persoon is. Inderdaad had hij kinderen ondanks het G’ddelijk decreet.

Van hier uit zien wij door berouw oordelen en decreten worden te niet gedaan en ijzeren ketenen breken, en niemand kan een Ba’al Teshoewa er van weerhouden om terug te keren. Dit is waarna verwezen wordt in het vers, “Zij zullen uitgaan en de lijken zien van de mannen die van Mij afvallig geworden zijn.” (Jesaja. 66:24) Het vers stelt niet dat de gene zonden hebben begaan in het verleden: maar het stelt uitdrukkelijk dat zij zondigen in de tegenwoordige tijd. Zij zondigen nog steeds omdat zij weigeren berouw te tonen.  Maar wanneer zij zichzelf zouden verlossen door berouw, zal zeker de Heilige, geprezen zij Hij, hen ontvangen.

Daarom, als een persoon, zelfs als hij tegen Hem in overtreding is en een ongepaste bevlekking veroorzaakt  [in de hogere Sefirot], terugkeert naar G’D, zal hij worden geaccepteerd met vergevingsgezindheid. G’D is absoluut vol van medelijden en is geheel barmhartig in al de werken van Zijn hand. Zoals in het vers wordt gesteld, “Goed is de Eeuwige voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich uit over al Zijn werken.” (Psalm 145:9)
Zelfs dieren en vogels ontvangen zijn vergevingsgezindheid, en als zij Zijn vergevingsgezindheid ontvangen, hoe veel te meer zullen mensen Hem erkennen en beseffen hoe ze hun Meester moeten prijzen.  Zijn barmhartigheid zal hen zeker bereiken en over hun zetelen. Dit bedoelde Koning David toen hij zei, “Groot is Uw medelijden, O G’D; geef me leven in overeenstemming met Uw gerechtigheid. ” (Psalm 119:156)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT ÉKEV

Als gevolg (Deuteronomium 7:12 – 11:25)

De Zohar, op onze parasha, Sullam editie blz. 18, beschrijft de relatie tussen de tien voorschriften die bepalen op welke manier we onze maaltijden moeten consumeren als een zinspeling op de tien emanaties. De tien voorschriften [ gebaseerd op de avondmaaltijd van Shabbat ] bestaan uit: 1) het wassen van onze handen; 2) het bereiden van twee hele broden; 3) het eten van drie maaltijden; 4) het aansteken van een kaars op de tafel, symboliserend de kandelaar in de Tempel welke naast de tafel met de toonbroden stond; 5) de zegeningen van wajechaloe over wijn (Kidoesh); 6) het spreken over Thora tijdens de maaltijd; 7) het garanderen dat behoeftige mensen zijn geïnviteerd tijdens de maaltijd; 8) het wassen van iemands handen voorafgaand aan de dankzegging na de maaltijd; 9) de dankzegging na de maaltijd; 10) het drinken van de wijn waarover de dankzegging na de maaltijd is uitgesproken.
Het is belangrijk om te weten dat ons “eten” een vervanging is voor de offers, en onze “tafel” een vervanging voor het altaar. De bovenliggende gedachte is om te onthouden, dat de offerdienst een expressie was van ons ontzag en eerbied voor G’D.
De Zohar verklaart het wezen van jirat Hashem, ontzag, (godvrezend,) in zijn commentaar op Parashat Bereshiet (Sullam editie blz 185, volume 1).
Hij zegt dat het hoofdelement van jirá is, dat de mens de Schepper van het universum, die zijn Meester is, moet vrezen, waarbij vergeleken iedereen en alles geheel onbeduidend is. De mens moet zijn verlangen concentreren in een plaats genoemd jirat. Deze weinige woorden bevatten een diepe betekenis en vragen om analyse en opheldering. Het verwerven van waar ontzag en eerbied voor G’D is in direct ratio tot iemands absorberen van Thora, en iemands bewustwording van G’D’s grootheid, is het resultaat van het absorberen van de Thora op alle niveaus. Er is geen einddoel in het streven van ontzag en eerbied voor G’D. Wanneer een persoon gelooft, met betrekking tot anderen, dat hij veel inzicht heeft verworven, zowel in de kennis van het fysieke als ook in dat van het Celestische deel van het universum, komt hij tot het besef dat deze inzichten niets zijn in vergelijking met de grandeur van G’D Zelf. De uiteindelijke bron van alle wijsheid is G’D Zelf. Om die reden leert Koning Salomon ons in Spreuken. 22,4: “ekev jirat HaShem anawa” “Het gevolg van bescheidenheid is, vrees voor de Eeuwige.” Wat Koning Salomon bedoelt is, hoe meer vrees en ontzag men verwerft, des te nederiger en bescheiden men wordt. Anders uitgedrukt: Hoe meer inzicht men verwerft over de grootheid van G’D, hoe meer men zich bewust wordt van zijn eigen onbeduidendheid. Hoe geleerder de geleerde wordt, des te nederiger hij wordt.
De meest ultieme wijsheid die wij kunnen vergaren, is het besef dat we heel weinig weten.
We zullen dit later verklaren in relatie met de eigenschappen van G’D, zoals die zijn beschreven in Deut. Vers10,17 als, Ha’l hagadol hagibor wehanora, de grote machtige, ontzagwekkende G’D, eigenschappen die men zich alleen bewust kan worden door aan deze eigenschappen uiting te geven en door ze in acht te nemen.
In het zicht, wat we tot nu toe hebben behandeld, is het zeer begrijpelijk dat Mozes wordt beschreven als, de nederigste en meest bescheiden mens die ooit heeft geleefd, want hij had meer inzichten verworven van de werken van G’D en het universum, op alle niveaus, dan ooit iemand voor en na hem.
Een echt nederig en bescheiden persoon is een indicatie dat deze persoon een hoge mate van inzicht heeft van de grootheid van de Schepper.
Ieder die arrogantie ten toon spreidt, zich superieur opstelt, laat zien hoe oppervlakkig en leeg hij in wezen is.
Na deze uiteenzetting over de rechtschapenheid van nederigheid en bescheidenheid, kunnen we begrijpen waarom G’D, Zijn Aanwezigheid laat rusten op nederige en bescheiden, pretentieloze mensen. Het rust op hen omdat zij de grootst mogelijke kennis en inzicht hebben vergaard, een diepe bewustwording van Hem. Zelfs mensen die niet intellectueel zijn uitgerust om door hun studie bescheiden te worden, m.a.w door het zien van de kloof, tussen wat zij weten en wat zij niet weten, kunnen G’D’s Aanwezigheid ervaren. Als zij arm zijn, leed en verdriet hebben, moeten zij G’D hun vertrouwen schenken. Zij zijn bereidwillig dit te doen dan een rijk persoon, die gelooft dat hij G’D’s hulp niet nodig heeft.
Wanneer Rabbi Jochanan zegt in Megilla 31:” In elke plaats waar je bewijs aantreft van G’D’s grootheid, vind je ook bewijs van Zijn nederigheid,” haalt hij een schriftelijk bewijs aan van de Thora (10,17) en ook uit verzen uit de boeken der Profeten en Hagiografie.
De essentie van ontzag en vrees voor G’D is dus, een bewustzijn van Zijn grootheid.
Aanwijzingen van het begrip jirá vinden wij zowel aan het begin van onze parasha, als aan het einde van onze parasha. Aan het begin is het, het specifieke woord ekev welke hint naar de vrees voor G’D. In het midden van de parasha, (8,12), waarschuwt de Thora ons dat materieel succes in het Heilige Land niet het gevolg mag hebben dat we de Eeuwige, onze G’D vergeten, want Hij is de bron van al onze voorspoed en geluk. Aan het einde van onze parasha, spreekt de Thora over het onderwerp waarmee wij deze paragraaf zijn begonnen (10,12).

WELNU JISRAËL, WAT VRAAGT DE EEUWIGE, JE G’D, ANDERS VAN JE DAN ONTZAG TE HEBBEN VOOR DE EEUWIGE, JE G’D……

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WA’ETCHANÁN

En ik smeekte (Deuteronomium 3:23 – 7:11)

De mitswot, die genoemd worden in deze parasha, duiden allen naar het hoofdthema van dit Thoragedeelte, de drie wonderbaarlijke giften die G’D aan het Joodse Volk heeft geschonken. Deze zijn: De Thora, het Heilige Land, en het Hiernamaals.

De mitswa om de Thora te bestuderen en te onderwijzen refereert naar de gift van Thora.

De mitswa om de zeven Kanaänitische Naties te elimineren, is direct verbonden met de heiliging van het Heilige Land welk een deel van G’D Zelf is.
G’D koos Israël als Zijn Natie omdat “chelek HaShem amo” Israël is een onderdeel van G’D’s “deel”.

We moeten ons een aantal kenmerken realiseren die typerend zijn voor deze zeven naties. Elke natie afzonderlijk had zijn eigen vertegenwoordiger in de Celestische Regionen. Deze vertegenwoordigers, gewoonlijk bekend als sar, zijn ook bekend als elokiem achériem “andere godheden.” Dank zij haar status als “een onderdeel van G’D’s ‘deel‘” is Israël direct aan Hem gehecht, wat de Kabbalisten noemen, atsiloet ha’binjan, de wereld van de “troon”. Het is van dit domein dat de 7 emanaties van binjan, constructief neerwaarts ontwikkelen, totdat zij in een fysieke wereld resulteren, malchoet.
Elk van de emanaties is opgebouwd uit subcategorieën van alle tien emanaties, representerend alle concepten welke de tien emanaties symboliseren. Zodat we een totaal van zeventig hebben voor de zeven emanaties bestaande uit binjan.
Ja’akov kwam naar Egypte met 70 personen welke de kern vormden van de Joodse Natie. Deze zeventig worden in de Thora aangehaald als één enkele newesh, één ziel, omdat zij de mystieke dimensie zijn van dit nummer zeventig.
De zeven kanaänitische naties onderling, symboliseren elk eveneens tien niet-joodse naties, een totaal van zeventig makend, m.a.w het algemeen bekende concept van de “zeventig naties van de wereld.” [ de verenigde andere naties van deze wereld ]
Echter, deze zeventig naties representeren niet de heiligheid welke zijn oorsprong heeft in de wereld van atsiloet, eerder representeren zij de klipot, het spirituele domein tussen heiligheid, onzuiverheid en kwaad.
Geen wonder dat onderling trouwen met naties wiens spirituele oorsprong elohiem achériem representeert, is verboden.
De Ari Zal verklaart de reden dat de Thora (Deut. 20,16 ) eist van het Joodse Volk om van deze zeven Kanaänitische naties geen enkele ziel in leven te laten: Lo techajèkal-neshama.
Echter als de Thora ons instrueert hoe te handelen tegenover de andere naties zoals Se’ier, m.a.w Edom, Ammon, en Moab, draagt het ( Deut. 2,9 ) aan het Joodse Volk onder Mozes alleen op, absoluut geen oorlog aan te gaan met deze naties.
De Kanaänitische naties vertegenwoordigen de zeven klipot, m.a.w de negatieve aspecten van de zeven emanaties welke bestaan uit, wat we noemen, binjan, de constructieve krachten die de mogelijkheid schept voor een perfect fysiek universum.
Zelfs, zoals wij reeds eerder hebben uitgelegd in verband met de naam “Sama-el”, heeft Satan ( iemand die iets verhinderd ) zijn oorsprong in iets heiligs, m.a.w E-L, G’D. Het spiritueel verval van deze nakomelingen van het oorspronkelijke Kanaän, de vervloekten, was van dien aard, dat er geen enkel spoor van heiligheid meer in hen resteerde. Dat betekent automatisch dat er geen neshama, spiritueel verheven ziel van hen zou overleven.
De drie andere naties wiens land G’D had beloofd als deel van Erets Israël, het Land Israël, bewaarden inhoudelijk een vonk van heiligheid. Tot zo ver de Ari Zal.
Het Land Israël kan gezien worden als het “vrouwelijke” deel van de vereniging tussen het volk Israël en haar Land. Het in bezit nemen van het Land Israël, is een eufemisme voor de vereniging tussen Israël en haar Land als man en vrouw.

SHABBAT SHALOM

DE MAAND MENACHEM AW EN SHABBAT CHAZON

De Shabbat van het visioen van Jeshajahoe (Jesaja 1, 1-27)

SEFER DEVARIM

het boek Deuteronomium

Het boek Devarim ,ook wel genoemd “Mishné Thora”,ofwel, herhaling of overzicht van de Thora , bevat desondanks toch meer dan zeventig nieuwe mitswot (opdrachten).

Moshé richtte zijn woorden ( devarim ) tot de generatie die Eretz Yisrael zou binnen gaan. Hij herhaalde daarom ook nadrukkelijk de geboden ten aanzien van “Awoda Zara” ( afgodendienst ), om de joden er voor te waarschuwen zich niet in te laten met de praktijken van de heidense volkeren in Eretz Kana’n, maar loyaal te blijven aan de Thora.

Sefer Devariem kondigt daarom ook de eventuele straffen aan bij verloochening van de Thora, waarvan verspreiding wereldwijd, van het joodse volk, er één is. Het sluit af met de bevestiging van de uiteindelijke verlossing (30:3), de voltooiing van de schepping, een historische cyclus die was begonnen met de schepping.

PARASHAT DEVARIEM

Woorden (Deuteronomium 1:1 – 3:22)

De Parasha van Devariem wordt altijd gelezen op de Shabbat vóór de 9de Aw, de datum waarop beide Tempels werden verwoest. Deze tragedies vinden hun reflectie in de keuze van de Haftara (profetenlezing na het lezen van de Thora op Shabbat, Feestdagen en Vastendagen) van afgelopen weken en de komende weken. Die van voor de 9de Aw benadrukken profetieën van berisping voor de zonden die de spirituele oorzaak waren van de verwoesting; de Haftarot na 9de Aw behielden in zich de boodschap van troost en bemoediging. De Haftara van deze week de fameuze “Visioen van Jesaja” (1, 1-27) geeft zijn naam aan de dag, Shabbat Chazon, de “Shabbat van het Visioen”. Traditioneel wordt dit gezien als een zeer krachtige aanklacht tegen een rebels volk. Maar vanuit de Chassidische traditie gezien schuilt zelfs in een vervloeking ook een G’ddelijke zegen. Rabbie Levi Jitschak van Berditchev, een van de eerste Chassidische leraren, zag het als een toekomst visioen van de Derde Tempel in de Messiaanse Tijd. Deze uiteenzetting onderzoekt de relatie tussen deze gedachten en de inhoud van de Parasha van Devariem.

DE SHABBAT VAN HET VISIOEN

Er is een uitspraak van Rabbi Levi Jitschak van Bertditchev dat deze Shabbat, Shabbat Chazon (als de fameuze Haftora van het vizioen ( chazon ) van Jasaja gelezen wordt) een dag is waarop een visioen aan ons wordt getoond van de toekomstige Derde Tempel, zelfs al zien we het alleen van een grote afstand. ( de woordenkeus visioen “chazon” geeft een visioen aan vanuit een afstand ) Dit stelt ons in staat de relatie te begrijpen tussen het “visioen” van de Haftara en de lezing van Devariem, welke altijd samen gelezen wordt op de Shabbat vóór de 9de Aw.

Want met Devariem begint de “Tweede Thora” Mozes herhaling van de Thora. Het boek Deveriem verschilt ten opzichte met de vier andere boeken van de Choemash, (de vijf boeken van de Thora) doordat het zich in zijn geheel richt op de generatie die op het punt staat het Heilige Land binnen te trekken. Zij benodigden raad en waarschuwing op een wijze die de vorige generatie niet benodigde.

Want het volk dat de wildernis doorkruist had bezat een directe kennis van het G’ddelijke, het had G’D gezien op de Sinaï.

Maar de volgende generatie was al betrokken met hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de fysieke wereld, zij waren het directe kwijt, zij hoorden G’D maar zagen Hem niet. Zij werden met de woorden toegesproken (Devariem 4,1) ” Nu dan Israël, luister…”

Het verschil tussen horen en zien is: iemand die met eigen ogen getuige is van een gebeurtenis is onwrikbaar in zijn verklaring hierover, hij heeft het met zijn eigen ogen gezien. Maar degene die hoorde over de gebeurtenis kan mogelijk enige twijfel hebben. Horen verleent geen zekerheid.

Daarom werd de generatie die het Land Israël zou binnentrekken, die G’D had gehoord maar niet had gezien, geïnstrueerd over zelfopoffering en dergelijke, een waarschuwing die compleet overbodig zou zijn voor de generatie van de wildernis.

Kortom, de latere generatie miste de spirituele directheid van hun ouders. Maar, desalniettemin, waren zij in een bepaalde staat die onbereikbaar voor hun vaders zou zijn, die was gezegd: “Jullie hebben tot nog toe niet de rust en het erfgoed bereikt die de Eeuwige, onze G’D je geeft.” (Devariem 12. 9)

Shilo en Jeruzalem was alleen haalbaar door de latere generatie.

Want alleen door betrokkenheid met materiele zaken, de omvorming van G’D’s wil tot praktische handelingen, zou de volbrenging zijn van de “de rust en het erfgoed”. (Babylonische Talmoed Megilla, 10a. Zevachiem, 119a. Jeruzalem Talmoed Magilla 1. Zohar, deel II, 241a, 242a.)

Devariem, vertelt ons over de paradox, dat ware betrokkenheid met het aardse, ware verheffing teweeg brengt; het hoogst bereikbare van de geest is haalbaar in aardse zaken, niet in hemelse sferen.

En dat is evenzo de boodschap van het “visioen” alhoewel deze Haftara gelezen wordt in de “Negen Dagen” van rouw om het verlies van de Tempels, is het niettemin dat door de resulterende verbanning ware verlossing zal komen, het visioen welke ons een vluchtige kijk geeft ( volgens de woorden van de Berditchever ) op de toekomstige hoop.

DROEFHEID EN VREUGDE

Het rouwgevoel, dat ons bewustzijn domineert tijdens de Negen Dagen wanneer wij ons de verwoesting van de Tempels herinneren, wordt gebroken door de Shabbat, de dag waarop vreugde prevaleert.

Inderdaad, op de Shabbat vóór de 9de Aw worden we gelast om meer vreugdevoller te zijn dan gewoonlijk om mogelijke melancholie van de omliggende periode niet te laten binnendringen in de Shabbat sfeer.

Maar het gelasten heeft een diepere betekenis. Shabbat is een weerspiegeling van de Komende Wereld; de toekomstige verlossing zal zo volkomen zijn dat zij alle sporen van de verbanning heeft uitgewist.

Daarom is op deze dag geen plaats voor evocatieve gevoelens van verbanning. We gaan verder dan alleen maar het elimineren van droefheid, we verhogen onze vreugde. Want de toekomstige verlossing zal spiritueel intenser zijn dan alle anderen tevoren.

SHABBAT SHALOM