PARASHOT MATOT – MASEE

Stammen / Reizen (Numeri 30:20-32:42 / 33:1-36:13)

De Mitswot in de Parshot Matot, Masee en Devariem, zijn verdeeld in drie groepen, sommige met de bedoeling om onze ziel te perfectioneren, sommige om ons lichaam te perfectioneren en anderen om onze eigenschappen er voor te bewaren dat zij “puur”blijven, m.a.w dat we ons niet schuldig maken aan roof en oneerlijkheid. Omtrent deze drie aspecten van perfectionering, zegt de Thora: “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden met heel je hart, m.a.w de zetel van je fysieke leven, heel je ziel, m.a.w de zetel van je spirituele leven, en met alles waartoe je bij machte bent, m.a.w met al je economische bezittingen.” (Deuteronomium. 6,5)

In Parashat Matot behandelt de Thora de mitswot die bedoeld zijn om onze ziel spiritueel te ontwikkelen en te perfectioneren. De regels handelen over het afleggen van een officiële eed of belofte, zij bevat tevens de waarschuwing om alle woordelijke uitspraken in ere te houden, “kekol hajotsé mipien ja’asè,” “precies dat wat over zijn lippen is gekomen heeft hij te volbrengen”. (Numeri. 30,3)
Dit is gericht op de ziel, omdat het spraakvermogen wordt verkregen van de eigenschap wijsheid welke op zichzelf een uitvloeisel is van de ziel.
Spraak is alleen maar een externe versie van iemands denken, iets wat de mens verheft boven alle andere levende creaturen. De mens wordt een “medaber” genoemd, een sprekende creatuur. Daarom mag hij niet zijn spraak “ontheiligen”. We zien dat ook bij Onkelos in het weergeven van Genisis 2,7: “waijehie ha’adam lenefésh chaija” zo “werd de mens een sprekende ziel”.
We zijn reeds ervan bewust dat de mens ontwikkeld is geworden vanuit het superieur beeld van een hogere wereld, dat elk van zijn ledematen een tak is van een “boom” in de Celestische Regionen en dat de mond waarmee hij is uitgerust, alleen dient om hem in staat te stellen, de grootheid van de Eeuwige te proclameren en Zijn glorie te verhalen.
Het is een gegeven om de Eeuwige te dienen. Dit bedoelde Koning David, wanneer hij zegt in Psalm 145,21: “Een lofzang op de Eeuwige brengt mijn mond tot uiting en al wat leeft prijst Zijn heilige naam, voor altijd.”

Het gedeelte van Masee bediscussieert de Thora, de onderwerpen die betrekking hebben op het perfectioneren van het lichaam. Het lichaam wordt gezien als een bekleding van de ziel, en is evenzo geschapen in het evenbeeld van G’D (Genesis.1,27). Daarom wordt, als iemand een ander creatuur, die geschapen is in G’D’s evenbeeld, vermoordt, zelf gedood als een passende manier van vergoeding. Door zijn daad heeft hij een ziel gesepareerd van zijn lichaam, [ bekleding ], vandaar dat zijn ziel wordt gesepareerd van zijn bekleding.
De moorddaad wordt gezien alsof de moordenaar ook een leven van een ziel in de Celestische Regioen heeft gescheiden van zijn “lichaam”.
Ofschoon, zo’n separatie vroeger of later, zonder meer zal plaatsvinden { door een natuurlijke dood van het slachtoffer } wordt de moordenaar gestraft voor het premature.
Wanneer de dood van het slachtoffer echter te wijten is aan een daad zonder intentie hem te doden, beschouwt de Thora hem niet schuldig aan het vergieten van bloed. De dood van het slachtoffer was een handeling van G’D, m.a.w de eigenschap van justitie koos iemand als zijn instrument, iemand die een ander, niet ontdekt, vergrijp heeft gepleegd. De doder heeft onbewust G’D’s bedoeling uitgevoerd, hij had geen enkele intentie of plan om het slachtoffer te doden met of zonder moordwapen. De doder zal moeten vluchten naar een asielstad, één van de steden van de Levieten. Deze steden werden beschouwd als steden van het recht. De Levieten zelf representeren de sifera van gevoera, in het patroon van chesset, gevoera teferet, een patroon dat correspondeert met de respectievelijke niveaus van koheen, levie, jisraël.
De doder, zonder voorbedachte rade, moet in de asielstad blijven tot de dood van de Hoge Priester (Numeri. 35,25). Dit is, omdat het lichaam van het slachtoffer was gedood, ook zijn ziel van hem was genomen en in exil moest blijven, tot aan het tijdstip van G’D’s goedvinden. Wanneer de Hoge Priester overlijdt, wanneer zijn ziel opstijgt naar de Celestische Regionen, is het de ziel van de doder eveneens toegestaan om op te gaan naar deze regionen. Een ziel welke in “exil” is, mag worden vrijgelaten van zo’n exil als gevolg van een overlijden van een groot persoon, m.a.w een prominente Tsadik, een Rechtvaardige.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PINCHAS

Pinchas Numeri. 25:10 – 30:1

Rabbi Jitzchak Luria

De Sterkte van de Zusters

De Geschriften van de Ari

Shaar HaPesukim and Likutei Torah

In de Thoralezing van deze week, geeft G’D de geboden betreffende de verdeling van het Land van Israël onder de stammen en families van het Joodse Volk. Na het horen van deze geboden argumenteerden de vijf dochters van een man Tzelofchad, die geen zonen had, dat zij ook recht zouden hebben op een erfdeel van het Land, ondanks het feit dat het Land expliciet alleen werd toebedeeld aan zonen. (Numeri. 27:1-11)

Wees er van bewust dat Tzelofchad de oorsprong van de vijf gesteldheden van Gevoera verpersoonlijkt. Dit is aangegeven door het feit dat de letters van zijn naam het woord “de schaduw van angst [in Hebreeuws, ‘tzel pachad’]” spellen.

De emotie angst wordt geassocieerd met de eigenschap van Gevoera.

De vijf dochters verpersoonlijken de vijf gesteldheden van Gevoera.

Er zijn vijf gesteldheden van gevoera in bina en da’at, welke vervolgens resulteren in de belangrijkste sefirot van de emoties, van Chesed tot Hod.

In specifieke zin, personifiëren zij de vijf gesteldheden van Gevoera die in Yesod van Zeir Anpin blijven en dus niet Malchoet binnengaan. In plaats daarvan nemen andere gesteldheden van Gevoera hun plaats in en treden Malchoet binnen.

De eerste series gesteldheden van Gevoera die afstammen van Imma tot Zein Anpin blijven binnen Yesod totdat zij zijn “verzacht” door de gesteldheden van Chesed  in Zeir Anpin. Vervolgens treden zij Malchoet/Noekva binnen.

Om die reden was Mozes onzeker of zij nu wel of niet recht hadden op een aandeel van het Land, met andere woorden in Malchoet.

De aarde en specifiek het Land van Israël, verpersoonlijken Malchoet. Deze vijf dochters personifiëren de vijf gesteldheden van Gevoera, maar zij zijn kopieën van de vijf gesteldheden die Malchoet niet bereikten, dus Mozes was er niet zeker van of zij de kopieën verpersoonlijken die Malchoet bereikten of niet.

G’D zei tot hem, aangezien zij licht doen stralen in Malchoet, verdienen zij een aandeel in het Land.

Zelfs de kopieën van de vijf gesteldheden van Gevoera die zichzelf niet laten binnengaan in Malchoet stralen iets van hun licht in Malchoet en daarom, wat voor kopieën van de vijf gesteldheden van Gevoera de vijf dochters van Tzelofchad dan ook verpersoonlijken, verdienen zij een aandeel in het Land.

Van deze vijf gesteldheden van Gevoera, zijn drie van hen verzacht door de gesteldheden van Chesed [in Zeir Anpin] en twee niet.

De drie die zijn verzacht werden gepersonifieerd door de dochters Hoglah, Milcah en Tizah.

Dit is omdat Hoglah “zij heeft een feestdag” betekent [Hebreeuws, ‘hag lah’]. Zij viert feest omdat zij verzacht is door Chesed.

 Milcah’s naam geeft haar essentie aan.

Milcah” kan worden uitgesproken als “Malka” wat “koningin” betekent, wat duidelijk associeert met Malchoet in de betekenis van “soevereiniteit”

Tirzah betekend “wil” en “barmhartigheid”.

Tirzah betekent “zij zal willen” aangevend welwillendheid en wenselijkheid, welke alleen mogelijk zijn als gevoera is gezoet en verzacht door Chesed.

De twee die niet werden verzacht waren Mahla en Noa.

Mahla” kan worden geïnterpreteerd als “zij zal worden tenietgedaan”, vergelijkbaar met “En Hij verdelgde” [Hebreeuws, ‘vayimach‘ al het leven…..”(Genesis. 7:23)]

Noa is gelijk aan [de woorden “zwalkt en waggelt” in] het vers “De aarde zwalken en waggelen als een dronkaard; [ze zwaait heen en weer als een hut in de storm. Haar onrechtvaardigheid drukt zwaar op haar, ze valt en staat niet meer op]” (Jesaja. 24:20).

Deze twee namen zijn dus geassocieerd met de gesteldheden van Gevoera die niet zijn verzacht door Chesed.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BALÁK

Balak (Numeri 22:2 – 25:9)

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Balak, p.185a

In de Zoharvertaling van deze week verklaart een jong kind aan twee studenten van Rebbe Shimon, Rabbi Jehoeda en Rabbi Jitzchak, het mysterie over het uitspreken van de Zegen Na De Maaltijd over een beker wijn. Deze mysteries staan in contrast tot de magie van Bilaam, wiens enige intentie, met betrekking tot zegeningen en vervloekingen, eigenbelang was.

Zij zeiden tot hem: : Kom en zegen” {de oproep om de dankzegening uit te spreken Na De Maaltijd over een beker wijn wanneer er meer dan drie joodse mannen of meer, tezamen hebben gegeten}.
Hij zei tot hen: “Wat jullie hebben gezegd is zeer goed, omdat de Heilige Naam (de Shechina) alleen gezegend is, in een Dankzegging Na De Maaltijd, die vooraf is gegaan door een invitatie bij degenen die aanwezig zijn.”

De Sefardische rite, die het dichtst bij de bewoording van de Zohar staat, luidt: “Hav lan venavreech LeMalka Ila-ah”- “Kom en zegen de Hemelse Koningin”. De Ashkenasische rite begint met de woorden; “Rabossai nevareech”- “Mijne heren, laat ons de dankzegging uitspreken”.

Hij begint zijn verhandeling met het vers: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer; steeds is een lofzang voor Hem in mijn mond”. (Psalm. 34:2)
Wat bracht Koning David er toe, om te zeggen: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer”? {als hij G’D wilde zegenen, waarom dan niet onmiddellijk?}
David zag, dat bij het zeggen van Dankzegging Na De Maaltijd, een uitnodiging vereist was [aan de Shechina en aan het gezelschap om te reageren op de zegen].

De Rabbijnen hebben alle zegeningen, die we uitspreken t.a.v. G’D, vastgelegd, met uitzondering van één. Dankzegging Na De Maaltijd is nadrukkelijk vermeld in het Thoravers: “En als je dan genoeg gegeten hebt, dank dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

Hij zei: “Ik wil zegenen” [in de aard van een uitnodiging] aangezien op het moment, als een persoon aan zijn maaltijd zit, de Shechina daar eveneens aanwezig is.

“Daar” wachtend om de vonk van heiligheid te ontvangen die het voedsel in zich draagt, die door de zegening werd vrijgegeven en welke de persoon het vermogen geeft om Thora te leren en het doen van mitzvot.

De “Andere Zijde” staat daar evenzo.

Het fysieke voedsel en het cultisch genoegen van de eters ervan, maakt deel uit van de fysieke wereld en verwijdert elke vorm van heiligheid, vandaar dat het de “de Andere Zijde” wordt genoemd. Invitatie aan de eters is daarom vereist om de Dankzegging Na De Maaltijd te zeggen, en te laten zien dat de eters de intentie hebben om de spirituele bron van het voedsel te zegenen en niet de Andere Zijde.

Wanneer een persoon zichzelf en anderen uitnodigt om de Heilige, geprezen zij Hij [Zeir Anpin] te zegenen, dan brengt deze invitatie de Shechina naar een hoger niveau om zegening te ontvangen [van de sefira van bina]. Wat de “Andere Zijde” gedwee en meegaand maakt.

De uitnodiging verhoogt het bewustzijn van de eters om de bron van alle zegeningen te zegenen en zodoende eenheid tussen de spirituele en fysieke werelden teweeg te brengen.
De bron van de zegen is in het bewustzijn van het G’ddelijke vertegenwoordigd door de sefira van bina of Zeir Anpin de Hogere Moeder geheten, zoals boven vermeld in de Sefardische invitatie.
Dit alles verschuift het fysieke cultische genot van het voedsel en de lust geassocieerd met de jetzer hara (slechte inclinatie) naar een tweede plaats.
Anders gezegd, zonder de voeding van de heilige vonken, is de “Andere Zijde” beroofd van al zijn krachten.

De beker is een reservoir om wijn te ontvangen. Dit representeert de Shechina die als het ware als een reservoir dient om de zegen te ontvangen, gesymboliseerd door de wijn.

De Zohar stelt wijn altijd gelijk aan de sefira van bina. Het maakt een persoon gelukkig, zoals bina, “verstandelijk begrijpen”, welke de bron van geluk is. Het stimuleert ook het verstand, zoals in het gezegde “Wanneer wijn binnendringt, komen de geheimen te voorschijn”. (Rashi, Baba Batra 90b)

Dus wijn symboliseert het G’ddelijke van bina in Zeir Anpin dat neerkomt om de Shechina te dragen.
Dit is de reden waarom de vrouw des huizes de eerste zou moeten zijn om de beker te ontvangen, nadat de zegen er over is uitgesproken. Zij symboliseert de Shechina, zodat zij als eerste de beker ontvangt voor de rest van het gezelschap.

Daarom zijn [de woorden van invitatie] vermeld op een verhullende wijze, omdat de hogere wereld is verhuld.

De Shechina is relatief meer geopenbaard in de fysieke wereld. Daarom is het vasthouden van de beker als aanwijzing genoeg. Dit is niet het geval met de hogere, meer verhulde niveaus van de spirituele wereld. Juist zoals ons eigen bewustzijn en denkproces niet zichtbaar is, zo ook is het bewustzijn van het G’ddelijk niet “zichtbaar”.
Om die reden zeggen we, “Gezegend is Hij van Wiens voedsel we hebben gegeten”. “Hij” is verhuld, maar niet Zijn voedsel!

Er is geen andere specifieke invitatie tot Hem, dan de zegening beker.

De Zohar stelt een algemene regel, die niet de geaccepteerde Halacha (geldend joods recht) is. Het vereiste, dat de invitatie wordt uitgesproken over een beker wijn, is vanwege het mysterie dat het symboliseert.
De geaccepteerde Halacha echter, veroorlooft ons om de “invitatie” te maken zonder een beker wijn.
Een interessante voetnoot daarbij is, dat wanneer er een beker wijn wordt gebruikt in de Sefardische rite, de “invitatie” begint met, “Malka Ila-ah” (symboliserend bina) wat beantwoord wordt met “Shamajiem”, betekenis, “Hemelen” een verwijzing naar Zein Anpin.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting (Numeri 19:1 – 22:1)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, parashat Choekat, p.180b

Dit is de wet van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: Draag de Kinderen Van Jisraël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is. (Numeri. 19:2)

Deze vaarskalf werd buiten het kamp verbrand door de Sagan (onder-Hoge Priester) en het as werd gebruikt om de ritueel onreine persoon in staat te stellen deel te laten nemen aan de activiteiten van de Tempel. Vreemd genoeg, werd degene die werd besprenkeld, rein, terwijl degene die het water met de as sprenkelde onrein werd. Dit wordt een “inzetting, een ordinantie” genoemd (in het Hebreeuws, “chok” de naam van deze parasha) omdat het alle logica te boven gaat.

DEZE KOE KWAM OM TE ZUIVEREN, EN HET LOUTERT DE ONREINE

Het woord “vaarskalf”, in het hebreeuws “parah”, wordt gevormd door drie letters, , reesh, hee. en reesh, gespeld “par” vaarskalf, heeft een numerieke waarde van 280 (80+200). Het getal 280 representeert de 280 “deniem”, strikt oordeel, de numerieke waarde van de som van de vijf Hebreeuwse letters, die van vorm veranderen aan het einde van een woord, de zogenaamde sluitletters: mem, noen tzadie, en chaf. Daar zij het eind van een woord aangeven wat equivalent is aan eindigheid, het tegenovergestelde van oneindigheid. Daarom representeren zij “de afstand” van het oneindige licht.

Deze eindigheid wordt benadrukt door de letter hee in het woord “parah” welke de sefira van malchoet symboliseert. Als zodanig vertegenwoordigt het woord “parah” de sefira van malchoet, welke verwijderd is van de invloedsfeer van het oneindige. Deze staat veroorlooft de externe krachten onreinheid om te gedijen.

Rabbi Jitzchak Luria
Sefer HaLikoetiem, de geschriften van de Ari

Het as van de rode koe (vaarskalf) werd gebruikt om een persoon te zuiveren van rituele onreinheid door contact met een dode. Confrontatie met de “dood” is een spirituele staat van vermindering van het G’ddelijk bewustzijn naar een lager bewustzijn (of een gebrek eraan). Daarom bevat het gebod van de rode koe, in zich, de mythische uitleg van kwaad en van zuivering van onreinheid, kwaad/dood, m.a.w verlies van G’ddelijk bewustzijn.

De Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon: “Dit is de wet van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de Kinderen Van Jisraël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is. Jullie moeten die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester El’azarneemt dan met zijn vinger iets van bloed ervan en spat van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten. Men verbrandt de koe voor zijn ogen; men moet de huid, het vlees en het bloed ervan tezamen met het mest ervan verbranden.” (Numeri. 19:1- 5)

Wetend dat de vijf vormen van de sluitletters de vijf toestanden van gevoera aangeven, hun gecombineerde numerieke waarde is 280, en wanneer we de vijf toevoegen wegens de vijf letters zelf, hebben we 285, de numerieke waarde van het “parah”.

Vijf letters van het Hebreeuwse alfabet krijgen een andere vorm als zij aan het eind van een woord staan. Daar deze eindvorm een pauzesignaal indiceert in het lezen van de woordenstroom, geven zij de vijf staten van strengheid (gevoera), of zelfbeheersing aan. De letters met hun numerieke waarden zijn:

mem (40), noen (50), tzadie (90), (80), chaf (20). 40 + 50 + 90 + 80 + 20 = 280.

“Vaarskalf” in het Hebreeuws, “parah”– pé-reesh-hé = 80 + 200 + 5 = 285

Alternatief, [de extra , wiens numerieke waarde de vijf is, is noodzakelijk om gelijk te zijn aan de numerieke waarde van “parah”, en geeft aan dat de vijf staten van gevoera] door naar bina, welke een verwijzing naar de eerste letter van de naam Havayah – of door malchoet, welke verwijst naar de tweede letter (van de naam Havayah). Om die reden wordt het vaarskalf “parah” genoemd, m.a.w de koe (“par”) van de .

De twee eerste letters van het woord voor “vaarskalf” (“parah”) zijn simpelweg het mannelijke of genetische woord voor “koe”, “par”.

Het vaarskalf moet rood zijn, omdat (de vijf staten van gevoera aangeeft) het voortkomt uit bina, welke rood is. Rood is de kleur van bloed, gewoonlijk geassocieerd met gevoera, of de bron van gevoera, bina.

Daarom is het woord voor “rood” zonder de verwachte vav geschreven, zodat de numerieke waarde 50 is, een verwijzing naar de “vijftig poorten van bina” (Rosh Hashana 21b), “waardoorheen strikt oordeel komt” (Zohar II:175b).

“Rood” in het Hebreeuws “adoemah” — alev-dalet-mem-hé =1+4+40+5= 50.

Inderdaad, wanneer de spirituele stroming, [aangegeven door de rode koe] binnen de sfeer van heiligheid blijft, is het “puur, en heerst er geen besmetting”. Maar wanneer het verder gaat, in het domein van het kwaad, komt de oorzaak van onzuiverheid, met in zich, de staat van strikt oordeel, vrij.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KÓRACH

Kórach

Numeri.16:1 – 18:31

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Onderbreking

 

De Geschriften Van De Ari

 

Likoetei Thora en Sefer Halikoetiem

In de Thoralezing van deze week wordt onderwezen dat iemand die opzettelijk afgoden dient zal worden “afgesneden” van het Joodse Volk. Letterlijk beschrijft het vers dit proces:

“En de ziel die [dit] doet met een verheven hand…lastert G’D, en die ziel zal worden afgesneden uit het midden van zijn volk. Want hij heeft het woord van G’D tot schande gemaakt en Zijn mitzwa tenietgedaan; die ziel zal worden afgesneden, ja afgesneden, [zolang als] zijn overtreding in hem is [met andere woorden, als hij geen teshoewa doet.] (Numeri. 15:30-31)

Het woord voor “zijn overtreding” in dit vers [Hebreeuws, “avona“] kan ook worden gelezen als “tijdsperiode” [“ona“], zoals in de zinsfrase, “hij zal haar huwelijkse rechten niet aantasten” (Exodus. 21:10).

Het woord “ona” betekend “tijdsperiode” of “seizoen” en word ook gebruikt in de zin van “huwelijks rechten” of “herhaling van “huwelijkrelaties”

Dit betekent dat als de ziel in kwestie heilig was gebleven en zich niet negatief had gedragen, zich zou hebben verbonden met zijn partner in het Paradijs en daardoor de ziel van bekeerling zou hebben voortgebracht, zoals wordt aangehaald in de Zohar (III:167b, 168a).

De huwelijkse vereniging van zielspartners is altijd vruchtbaar; als het geen fysieke nakomelingen voortbrengt, brengt het goede metafysische “energie”voort die zich over de hele wereld verspreid. Soms nemen deze nakomelingen de vorm aan van zielen die uiteindelijk overgaan tot het Jodendom. In het spirituele hiernamaals verenigen zielspartners zich ook in huwelijkse verbondenheid na middernacht; dit brengt zielen van bekeerlingen voort.

Zielen van bekeerlingen worden ook voortgebracht door Thorastudie.

Thorastudie is een belangrijke bezigheid van de ziel in het Paradijs. (Zie Shaar HaCilgoeliem, introductie 34)

Maar de ziel in kwestie, die zo een serieuze overtreding ten uitvoer brengt dat hij onderhevig wordt aan straf van excisie, wordt afgesneden van zijn partner. Dus wat de “huwelijkse handeling”  [“ona”] zou zijn geweest, wordt “overtreding” [“avon“] en hij wordt afgesneden van zijn partner.

Dus de zin van het boven aangehaalde vers wordt: “Die ziel zal worden afgesneden [van zijn partner]; zijn overtreding verhinderd het plaatsvinden van de verbinding [met zijn partner].”

Dit is één type excisie. Dit type van excisie wordt soms opgelegd aan iemand die geprobeerd heeft om kinderen voort te brengen, zoals vermeld in de Zohar (II:106a).

Wanneer de Thora de uitdrukking gebruikt “hij zal worden afgesneden”, wordt de bestraffing waaraan het refereert “excisie genoemd. Dit kan een aantal vormen aannemen.

Ofschoon niet trouwen en proberen kinderen te krijgen niet één van de overtredingen van de Thora is waarop bestraffing van afsnijding staat, stelt de Zohar dat iemand die niet probeert kinderen te krijgen in Deze Wereld soms wordt bestraft door geen toestemming te krijgen om in het leven van het hiernamaals een paar te vormen met zijn zielspartner.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij

Numeri.  13:1 – 15:41

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Het Verheven Land Onderzoeken

 

Zohar, p. 159b

De interpretatie van de Thora valt onder vier categorieën bekend als “peshat” (eenvoudige betekenis), “remez” ( aanwijzingen), “drash” (applicatie en conclusie van nieuwe wetten en feiten vanuit de Thora), en “sod” (diepere betekenis, o.a. kabbala). (Zie Pardes) De Zohar handelt op consequente wijze over de inhoudelijk diepere betekenissen in de verzen. Een klassiek voorbeeld is de wijze waarop Rebbe Shimon het vers handelend over de werkwijze van de verkenners, trachtend het Land te verkennen (in het Hebreeuws, “latour“); ja, “latour” betekent rondreizen in het Hebreeuws en dat woord mag de spirituele oorsprong zijn voor “toer”en “toerist” en “route” in het Nederlands. Hij gebruikt deze verzen als een meditatief begrip, om in de nabijheid van de spirituele wereld te komen.

Rebbe Shimon zegt: Vanuit dit Thoragedeelte (over de verkenners) leer ik diepzinnige wijsheid en hoor daardoor nog meer waardevolle diepzinnige wijsheid.

Zelfs binnen het niveau van de mysteries van de Thora zijn er verschillende niveaus.  Verborgen wijsheid relaterend aan de diepere betekenis van het vers en waardevolle diepzinnige wijsheid relateert aan de wijze waarop de partzoefiem van sefirot op elkaar inwerken.

In deze uitleg, verklaart Rebbe Shimon Numeri 13:17-25. Onze vertaling eindigt bij vers 22. In het kort zegt het vers, “En toen Mozes hen wegzond om het Land Kana’an te verkennen zei hij tegen hen: “Trekken jullie van hieruit de Negev binnen en beklimmen jullie het gebergte. Dan kunnen jullie zien hoe het Land is en de mensen die er in verblijven en of het volk dat er in woont sterk is of zwak, of het weinig of veel in aantal is…..hoe het met de steden gesteld is waarin zij wonen…..of er hout in is of niet…..En zij stegen op via de Negev en kwamen aan Chewron, waar de reuzen Ahiman, Sheshai en Talmai leefden. En Chewron was zeven jaar eerder gebouwd dan Tsoan in Egypte”

Kom en Zie. De Heilige, Geprezen zij Hij, wordt geloofd in de Thora en zegt [tot Israël], “Ga in Mijn wegen en stel jezelf in Mijn dienst en Ik je zal naar hogere werelden van goedheid leiden. De mensen die niet vertrouwen [in G’D] weten het niet [Thora] en kijken niet [het onderzoeken], tot hen zegt de Heilige, Geprezen zij Hij [zoals in de instructies aan de verkenner wordt aangegeven], ‘Ga en verken die goede wereld, dat hogere begeerlijker Land’. En zij zeiden tegen Hem, ‘ Hoe kunnen wij mogelijkerwijs daar opgaan en dat alles ontdekken [wat in de Thora is].?”

De doorsnee persoon, die voor de eerste keer in contact komt met de Thora kan overweldigd worden door de gecompliceerdheid van de Geschreven en Mondelinge Leer. Eerst moet het principe van straf en beloning begrepen worden, zegt G’D. De Ramak verklaart dat het Land van Israël zelf “Kana’an” genoemd wordt, van het Hebreeuwse woord voor “onderwerpen”, “nichna‘, omdat de eerste stap tot het binnen gaan van de wereld van Thora is om iemands dierlijke ziel te onderwerpen aan de verlangens van G’D. Dit is de diepere betekenis van het “Land binnen gaan”. Daarna volgen een reeks van instructies hoe men zich moet gedragen binnen de grenzen van het Land.

Wat staat er geschreven? “ Ga op door de Negev. (Numeri. 13:17) Zich inspannen om leren Thora. Dan zal je zien. Zij staat voor je en door haar zal je begrijpen [de spirituele waarheden]

De Negev is het Zuiden van Israël waar Abraham, die de sefira van Chesed representeert, leefde. Strevend naar onderwerping van zichzelf aan G’D’s Wil, moet iemand moeite doen de eigenschap van Chesed te verwerven, die hem in staat stelt waardig te zijn en om succesvol te zijn in het begrijpen van de Thora. Bovendien is Het Zuiden geassocieerd met wijsheid, zoals in het Talmoedische idioom, “Hij die naar wijsheid verlangt zal zuidwaarts (keren/gaan)…”. Het woord “Negev” betekent ook droogwrijven en is een instructie om zich te ontdoen van de beperkingen van de fysieke wereld om zodoende de ervaringen van de spirituele wereld door de Thora te verdienen.

“dan kunnen jullie zien hoe het Land is….” (Numeri. 13:18) Zie door haar [de ogen van de Thora] die [spirituele] wereld welke het Land is dat je zult erven en stijg op [na het verlaten van de fysieke wereld].

“..en de mensen die er in verblijven…” (ibid). Deze zijn de rechtvaardigen in de Tuin van Eden [die hun beloning ontvangen voor het verwezenlijken van de Thora]. Zij staan, rij na rij in hoog aanziem en voortdurend niveau [elk ontvangt de beloning voor de Thora die zij hebben geleerd en de goede daden die zij deden tijdens hun aanwezigheid in de wereld].

“of het volk dat er in woont sterk is of zwak.” (ibid). Door hen te zien [zal je begrijpen] of zij allen deze beloning verdienen omdat zij hevig geworsteld hebben met hun kwade inclinatie of niet, of het is omdat zij dag en nacht ernaar streefden om Thora te leren, of daarvoor niet de kracht hadden.

Sommigen streefden er hard naar om hun begeerten te overwinnen en anderen vonden het niet zo moeilijk, sommigen studeerden dag en nacht, anderen hadden niet de kracht. Allen ontvangen hun juiste beloning.

“…of het weinig of veel in aantal is…” (ibid) [Dit verwijst naar de] velen die streefden naar het doen van Mijn dienst en zich zelf hebben gesterkt in het leren van Thora en dit alles [beloning] verdienen of niet.

Alhoewel het moeilijk schijnt te zijn om dit Land binnen te gaan,  wanneer je Thora leert zal je zien dat er velen zijn die de Tuin van Eden verdienen.

“…of er hout in is of niet.” (ibid. 13:20) Dit betekent of de Boom van het Leven, die leven geeft aan alle werelden voor altijd er in is ofwel de “bundel van het leven” er is.

De Boom van het Leven refereert aan het licht van de Sefira van Tiferet

Er is een invloed van dit niveau, maar er is ook een hoger niveau genaamd “niets”     ( in het Hebreeuws, “ayin“).  Dit niveau van “ayin” refereert aan de hogere Sefirot van Chochma en Bina en, in het bijzonder, hun oorsprong in Keter. Dit denkbeeld dat leegte G’D bevat  is een diep mysterie dat kan worden ervaren door te mediteren op de letters die het woord “niets”, ayin spellen; deze letters kunnen herschikt   worden om “ani” te spellen, het Hebreeuwse woord voor “Ik”. Bovendien is “Ani” één van de G’D’s namen, zoals in het vers “Ik ben de eerste en Ik ben de laatste” (Jesaja. 44:6). “De bundel van het leven”is de Sefira van Yesod, omdat het de invloed van alle Sefirot er boven bevat. Rebbe Shimon maakt ons duidelijk om te mediteren op deze verschillende aspecten van het G’ddelijke.

“En zij stegen op via de Negev en kwamen aan Chewron.” (ibid. 13:21) Te stijgen via de Negev [droogte] leert dat er mensen zijn die naar haar [de Thora] opstijgen op een slome manier, als of iemand leert op een droge[bezadigde] manier en werkt voor niets. Zij denken dat er geen beloning is voor het studeren en nemen aan dat iemand zich rijkdom onthoudt in deze wereld vanwege haar. Zij denken dat dit alles droog is [zonder de rijke overvloed van de fysieke wereld]. Zoals is gezegd in het vers  [na de vloed] “De wateren waren opgedroogd van de aarde” (Genesis. 8:13). Dit wordt [in het Aramees] vertaald als “negivoe” [wat het zelfde is als ´Negev” in het Hebreeuws].

Hierna [is geschreven] “…..en kwamen aan Chewron” (Ibid. 13:22). [Dit refereert aan het punt waarop een persoon zich verbindt [In het Hebreeuws, “lehitchaberi”] met haar [de Thora], haar leest en opnieuw en opnieuw leest.

Het woord “Chevron” bevat het idee van “vriend” (Hebreeuws, “chaver“) en verbinding. De essentie van Thora studie is zich te verbinden met haar en het niet te beschouwen als droog materiaal dat mechanisch geleerd moet worden. De Wijzen van de Zohar refereren altijd aan elkaar als “chaver“.

“Waar de reuzen Ahiman, Sheshai en Talmai leefden.” (ibid) Daar [in de Thora] vind je vele verschillende meningen, zuiver en onzuiver, verboden en wat is geoorloofd, kosher en ongeschikt, straf en beloning en eveneens het taalgebruik van de Thora dat van de zijde van Gevoera komt [omdat het het taalgebruik limiteert en beperkt].

De Midrash stelt dat deze drie reuzen half mens en half engelen waren en deze tweevoudigheid wordt gereflecteerd in de manier waarop de Thora realiteit in verschillende categorieën scheidt, weergevend de dualiteit van het spirituele versus de fysieke wereld.

“En Chewron was zeven jaar eerder gebouwd…”(ibid) Dit zijn de “zeventig gezichten”, omdat er zeventig gezichten van de Thora zijn. Elk gezicht bestaat uit tien.

De houders, om de Thora te omvatten, zijn de zeven Sefirot van Chesed tot Malchoet. Elk van deze aspecten bestaat uit tien Sefirot, zodat er 10×7= 70 “gezichten” of aspecten zijn, door welk de Thora kan worden begrepen of worden “gevormd”. Elk persoon begrijpt en doorgrondt vanuit de positie of Sefira die dominant voor hem is.

En Chevron is de Thora en iemand die haar tot zijn hoofd aangelegenheid maakt in het leven wordt een “vriend” [Hebreeuws, “chaver“] genoemd, aangezien “cHaVeR” de zelfde stam deelt als “CHeVRon”].

Er is een Thora die een houder is om de Thora te ontvangen. Dit is de Geschreven Thora en de Mondelinge Thora [Zeir Anpin en Malchoet]. En “Chevron” [verwijzend naar de Mondelinge Thora en Malchoet] vloeit voort uit de Geschreven Thora, zoals staat geschreven in het vers: “Zeg tot wijsheid, Je bent mijn zuster.” (Spreuken. 7:4) En deze [lagere wijsheid] werd gebouwd in zeven jaar, om die reden is het “Bat Sheva” genoemd, de “dochter van zeven”.

De hogere wijsheid van de Geschreven Thora wordt weergegeven in haar “dochter”, de Mondelinge Thora, Malchoet.

“….dan Tsoan in Egypte.” (ibid) Dit is zoals in het vers, “En Solomon’s wijsheid overtreft de wijsheid van alle mensen van alle volkeren van het Oosten en alle wijsheid van Egypte.” (Koningen I, 5:10)

De wijsheid van de Koning der Koningen tegenover “Zoan in Egypte” hoger dan de wijsheid van die meesters van magie en illusie. Het is de bron van alle ware wijsheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt (Numeri. 8:1 – 12:16)

Door de verkregen inzichten over de bijzonderheid van de cijfers drie en vier, zullen wij de betekenis van de Midrash hane-elam op parashat Chayé Sara, waarin wordt verklaard dat het gebod is gebaseerd op de esoterische dimensie van tefillien, gebedsriemen, beter leren begrijpen. Rabbi Eliezer bericht in die Midrash dat hem is verteld dat G’D in Zijn grote liefde voor Israël van het Joodse Volk verlangt, Hem een verblijfplaats te bouwen die gelijk is aan de “wagen”, merkawa, [ Ezechiël’s visioen van de G’ddelijke wagen, wat de uiteindelijk onderwerping aan G’D’s wil representeert] in de Celestische Regionen, welke Zijn aanwezigheid ondersteunt, zodat Hij onder hen kan verblijven. Dit is de betekenis van we’asoe lie mikdash we’shachantie betochaam, Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat ik te midden van hen wonen kan. ( Exodus. 25,8 )
De inhoudende boodschap die dit vers bevat, onthult de metafysische bijzonderheid van het gebod van tefillien.
De vier geschreven paragraven van de Thora die de tefillien in zich draagt, corresponderen met de vier letters van de onuitsprekelijke Naam van G’D, zoals is verklaard in Tikkoené HaZohar.
De “dragers” van G’D’s glorie ontlenen aan deze vier letters in Zijn naam, de uitvloeiingen drie en vier, zoals we verder zullen uitleggen. Dit wordt duidelijk aangegeven door het feit dat aan een kant van de tefillien, de letter shin met drie “pootjes” staat geschreven en aan de tegenovergestelde kant met vier “pootjes.” De herkomst van deze toepassing komt van het vers Exodus 28,39:
We’shiebatsta haketonet shésh we’asieta mitsnèfet shésh”, “Het onderkleed moet je met ingeweven vakjes laten weven van fijn-linnen, ook de tulband moet je van fijn-linnen maken.” De Talmoed, Zevachiem 19, zegt, dat er een bepaalde plaats was op Aaron’s voorhoofd waar hij zijn tefillien aanlegde, tussen de mitsnéfet, tulband en de tziets, gouden plaat. (Exodus 28,36)
Het woord shésh verwijst naar de twee shins die op de tefillien staan.
Het feit dat het zelfde woord ook gebruikt wordt in verband met de tuniek, ketonet, m.a.w een kledingstuk om het lichaam te bedekken, moet worden begrepen zoals de Zohar het uitdrukt “hier in deze wereld zijn de tefillien gemaakt van een lichaamshuid, m.a.w or. Echter, in hun ultieme, opperste plaats, mekomam eljon, zijn zij gemaakt van licht, or. (Or, huid en or, licht, wordt in het hebreeuws niet exact het zelfde geschreven, maar wel het zelfde uitgesproken)
De teifillien van licht zijn, volgens onze geleerden, de teifillien die G’D bij Zichzelf aanlegt, aangezien de uitvloeiingen van tiferet optreden als een kroon, een tooi in de Celestische Regionen. Als Adam niet had gezondigd, of, als Israël niet daarna had gezondigd met het gouden kalf, konden ook zij tefillien aanleggen gemaakt van or, licht.
Na de zonde echter, was Israël alleen bevoegd voor tefillien shel or, gebedsriemen gemaakt van een (dierlijke) huid.
Dit betekent dat het oorspronkelijke licht, geschapen door G’D aan het begin van de schepping, een proces van samentrekking onderging, waardoor het meeste van zijn kracht verloren ging.
De Zohar gaat verder op dit thema met de connectie wa’ja’as hashem elokiem le’adam oelieshto katnot or wa’jalbieshem, En de Eeuwige G’D maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van huiden en kleedde hen. (Genesis 3,21)
Met als gevolg dat ketonet or = ketonet shésh, en de tefillien de instrumenten zijn die de mens in staat stellen om zich te rehabiliteren nadat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de zonde in de Tuin van Eden.
Op een vergelijkbare manier rehabiliteert Israël zichzelf na de zonde met het gouden kalf door de mishkan, het Tabernakel.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NASÓ

 Neem op            Numeri.4:21 – 7:89

 

DE LUBAVITCHER REBBE

 

Likoetei Sichot,

 

Vervreemding en Verheffing

 

…….de zonen Gershon” (Numeri. 4:22)

 Er zijn twee fasen in het voorbereiden van een paleis van een koning. Eerst worden kamers schoon geschrobd en dan worden zij gedecoreerd met prachtig meubilair en met kunst objecten. De eerste fase gaat logischerwijze aan de tweede vooraf.

 De zelfde twee fasen zijn van toepassing op hoe wij van ons leven en ons zelf een verblijfplaats of heiligdom maken voor G’D. We onthouden ons van wat verkeerd is en zijn ondernemend in het doen van het goede. De namen en de respectievelijke opdrachten van de families Gershon en Kehot weerspiegelen deze twee fasen.

 De naam “Gershon”is afgeleid van het werkwoord “verbannen” [Hebreeuws, “le-garesh]. De noodzaak aangevend om kwaad te verbannen. Hun voornaamste lading was de buitenste bedekking van het Tabernakel, die het beschermde van ongewenste elementen. Dit correspondeert met ons werk in het vermijden van schadelijk activiteiten en invloeden.

 De naam “Kehot”, daarentegen, betekent “samenkomen”of “inzamelen” [Hebreeuws, “yika“]. Hun opdracht was het dragen van de voorwerpen van het Tabernakel, die elk corresponderen met een speciale positieve inspanning. Dus deze familie personifieert de taak van actief streven naar positieve energie.

 Net zoals Gershon was geboren vóór Kehot, is het noodzakelijk om zichzelf eerst te ontdoen van kwaad om in staat te zijn goed te doen. Desondanks werd Kehot geteld voor Gershon, want zichzelf ontdoen van kwaad is alleen een voorbereiding voor het ware werk, dat van het streven naar het goede.

 In de Thoralezing van deze week is er de passage aangaande een vrouw verdacht van overspel (Numeri. 5:11-29). De details van de rite van een vrouw verdacht van overspel hebben hun correlatie in het kosmische huwelijk van G’D en het Joodse Volk. Het equivalent van de tevoren gegeven mededeling van de echtgenoot is G’D’s opdracht “Laten er geen andere goden voor je zijn naast Mij. ” Dit is echter problematisch omdat G’D’s aanwezigheid overal is; hoe kan dan worden gezegd dat iemand zich heeft afgezonderd of verborgen voor G’D?

 De arrogante persoon, vol van zichzelf, heeft geen ruimte voor G’D in zijn leven, dus G’D is verplicht Zich terug te trekken. Dus arrogantie, oorsprong van alle zonden, brengt ons er toe te worden “verborgen” voor G’D.

 Desondanks is deze verborgenheid niet “echt”, maar eerder kunstmatig opgelegd door G’D, omdat Hij hoogmoedigheid verafschuwt (zie Spreuken. 16:5). Daarom, net zoals een echtgenoot  de betrokkenheid van zijn  vrouw in een zwaar vergrijp kan annuleren wanneer haar “zonde” bij wijze van spreken, tot stand is gebracht door zijn toedoen (dit is de reden dat hij haar naar de priester moet leiden, want het gaat ook om zijn dierlijke ziel), zo kan G’D altijd onze betrokkenheid in zonde vergeven, zonder de behoefte te hebben, om de proef van de bittere wateren na te streven.

 Als echter, “de rol reeds is gewist”, met andere woorden, het wordt duidelijk dat wanneer we zondigen onze verbinding met G’D was als tussen inkt en het perkament waarop het is geschreven, de twee die van elkaar gescheiden kunnen worden, dan hebben we de status van een vrouw verdacht van overspel. We moeten daarom een offer brengen van gerst, dier voedsel. Dit betekent dat we ons hebben te realiseren dat onze benadering ten aanzien van het leven tot nu toe ontoereikend was met betrekking tot kwaliteit en kwantiteit: we hebben niet genoeg nagedacht over het leven en dat het denken tot nu toe, om het even wat, gebaseerd was op zelfbewustzijn en zelforiëntatie; we hebben ons uitsluitend gericht op onze dierlijke behoeften.

 De metafoor volgend van een vrouw, verdacht van overspel, als iemand die van G’D is afgedwaald, kunnen deze verzen als volgt verklaard worden:

 “De man moet [zijn vrouw] naar de priester brengen….” (Numeri. 5:15): Wanneer iemand zondigt, moet hij zijn dierlijke ziel naar de priester brengen. “De “priester” hoeft niet per se een kohen te zijn, maar iedereen wiens leven is geweid aan G’D en Zijn Thora. En juist zoals ons is geleerd dat we een man van G’D moeten vragen te bemiddelen voor een ziek persoon, zo wordt ons geleerd dat we een man van G’D moeten benaderen voor genezing van iemand die spiritueel ziek is. (Mishne Thora, Deiot 2:1)

 “De priester neemt……. wat heilig water ….” (Numeri. 5:17): Teneinde de spirituele zieke te helen, de priester neemt “heilig water”, want water is vaak een metafoor voor de Thora en “heilig” water suggereert de innerlijke dimensie van Thora. De aard van water is om af te dalen, terwijl “heilig” iets onafhankelijks en afstandelijks beschrijft; iets dat niet afdaalt. Deze tegenovergestelde karakteristieken co-existeren in de innerlijke dimensie van Thora. Aan de andere kant, zijn de mysteries van de Thora te subliem om te worden gevat door het menselijk brein; daarentegen kan de innerlijke dimensie van de Thora mensen een helpende hand reiken, inspireren en mensen meer bewegen dan het exoterische aspect van Thora. Daarom wordt iemand zelfs aangemoedigd Thora te leren om egoïstische redenen, daar we er zeker van zijn dat de innerlijke dimensie van de Thora hem uiteindelijk zal inspireren om vanuit gepaste motieven te leren

 “De priester neemt in een aarden voorwerp wat “heilig water”; iets van de aarde die op de bodem van het Tabernakel ligt neemt de priester op en doet dat in het water ” (Numeri. 5:17); Een aarden voorwerp is het minst prestigieuze type voorwerp. Bovendien, wordt aarde toegevoegd aan het water, wat het water smerig en afstotend maakt. Dit betekent dat de “priester” zeker moet zijn dat de innerlijke dimensie van de Thora kenbaar wordt gemaakt op zo danige wijze dat het het laagste aspect van realiteit bereikt, om de gevallen ziel te verheffen en te purifiëren.

 SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEMIDBÁR

In de woestijn            Numeri.1:1 – 4:20

 

IN DE WILDERNIS

 Het was passend dat het Geven van de Thora plaatsvond in niemandsland, te midden van de verlaten eenzaamheid van de wildernis. Hier kon geen tijdelijke koning claimen dat hij gastheer zou zijn van het gebeuren, en daarbij een speciaal aandeel in de glorie opeisen. De Kinderen van Israël werden uitgekozen om de Thora te ontvangen, niet omdat zij de meest glorieuzen waren, maar omdat hun harten waren gebroken door verbanning en slavernij. Want de enige manier om de Thora te ontvangen is door nederigheid en bescheidenheid, symboliserend de lage Berg Sinai. Na te zijn aangesteld als de hoeders van de Thora, was de taak van de Kinderen van Israël deze van de Sinai naar het Beloofde Land te brengen, om van daaruit uit te stralen naar alle bewoners van de wereld. Genesis volgt en beschrijft de oorsprong van de Thora en de zielen van Israël die haar dragers zijn, Genesis is dus het “hoofd” van de Thora. Exodus de handen, ze beschrijft hoe G’D de Kinderen van Israël bevrijdt van slavernij in Egypte “met een machtige arm” en hen tot een uniek volk maakte door het geven van de Thora en de aanwezigheid van Zijn Heiligdom in hun midden als het centrum van hun nationaal leven. Leviticus is het “hart” van de Thora, formulerend de meest belangrijke voorschriften in alle facetten van het leven.

DE STAMMEN VAN ISRAEL

 De Zohar verklaart dat de vorm van het Heiligdom correspondeert met het          werkingsmechanisme van de Schepping. Dus de talrijke verschillende domeinen die tezamen de binnenplaatsen en gebouwen van de Tempel uitmaken, corresponderen met de verschillende “werelden” besproken in Kabbala, (zoals wordt uitgelegd in “Miskeney Elyon”, door Rabbi Moshe Luzzatto, de Ramchal).

De orde van de Twaalf Stammen in vier kampementen rond het Heiligdom corresponderen met de “vier kampementen van de G’ddelijke Aanwezigheid” en de “vier kampementen van Engelen” die de stroming van G’ddelijke ondersteuning in de wereld kanaliseren. Deze zijn aspecten van de Merkawah (“voertuig”) gezien door de Profeten, representerend het systeem van Voorzienigheid waarmee G”D de wereld regeert en beïnvloed. De vier kampementen corresponderen met de vier essenties van de Schepping (Goedheid, Oordeel, Begaanheid en hun manifestaties in realiteit, Koningschap) en de vier elementen (Water, Vuur, Lucht en Aarde, die het vat, de houder is van de drie). De talrijke verschillende Namen in Numeri die de beschrijving van onze parasha van de volkstelling van de Twaalf Stammen uitmaken, bestaat uit codes en cijfers die zijn verbonden met de krachten van oorsprong in de spirituele werelden.

De moeilijkheid die velen ondervinden in verband met onderdelen aangaande de verschillende stammen en hun namen en aantallen  wordt verergerd door het feit dat heden ten dage de meerderheid is afgescheiden en zelfs vervreemd van hun eigen “stam” oorsprong na duizenden jaren van ballingschap en omzwerving. Oorspronkelijk was het stam bewustzijn verwantschap onder de Kinderen van Israël, zeer sterk, zoals duidelijk zichtbaar is aan het eind van Parashat Emor, waar de episode van blasfemie werd veroorzaakt toen leden van de stam van Dan weigerden de zoon van de Egyptische toe te laten tot hun kampement omdat zijn komaf was besmet.

Heden ten dage echter weten slechts weinige Joden van welke stam zij komen, hoewel de meerderheid (met uitzondering van de Kohaniem en de Leviten)  aannemen dat zij van de stammen van Juda en Benjamin afstammen, de enige twee die niet zijn verdwenen toen de Tien Stammen in verbanning gingen voorafgaande aan de destructie van de Eerste Tempel. (Sommigen geloven dat de Sefardische gemeenschappen  van Spanje en Morocco kwamen van de stam van Juda, terwijl de Ashkenazische gemeenschappen van Duitsland en Oost-Europa van de stam van Benjamin kwamen. Dit is aangehaald door Rabbi David Kimchi, de Radak, in zijn Thora commentaar.

Om de verwarring compleet te maken, als je zou vragen aan de meeste Joden heden ten dage de verschillende componenten die deel uitmaken van het volk op te sommen, is het antwoord niet de twaalf stammen, maar eerder, de ultra orthodoxen, orthodoxen, traditionelen, conservatieven, liberalen, seculair rechts, seculair links,  etc. etc.

Onze fragmentatie en wanorde in de zogenaamde tegenwoordige ontwikkelde “geciviliseerde” wereld, is in erbarmelijk contrast met de orde van de kampementen in de onbeschaafdheid van de woestijn, die onze staat van geboorte aanschouwde. Misschien moeten we een nieuwe zienswijze ontwikkelen ten aanzien van de verschillende typen die het Volk van Israël uitmaken, in termen van de orde vastgelegd in BEMIDBAR: hoe dicht zijn zij bij het Heiligdom-Tempel idee of hoe ver verwijderd.

SHABBAT SHALOM                

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PARASHOT BEHÁR- BECHOEKOTAI

Op de berg – In Mijn inzettingen.                      Leviticus. 25:1 – 26:2, 26:3 – 27:34

Shabbat: Rusten en Verheffen

Geschriften van de Ari

Als jullie in het land komen dat Ik jullie geef, dan zal het land rusten, een Shabbat voor G’d. (Leviticus. 25:2)

De betekenis van het Shabbatjaar en jubeljaar zal worden [na de volgende uiteenzetting].

We zien dat er een wekelijkse Shabbat is en een Shabbatjaar, dat eveneens Shabbat wordt genoemd. Zoals is geschreven “….een Shabbat voor G’D” (ibid. 25:2) en “De Shabbat van het land….” (Ibid. 25:6). Laat ons nu onderzoeken waarom het Shabbatjaar ook Shabbat wordt genoemd en wat de verschillen zijn tussen de [wekelijkse] Shabbat en het Shabbatjaar.

We hebben al eerder uitgelegd dat het spiritueel rijzen van alle werelden de essentie van Shabbat is. Elke wereld stijgt naar een hoger niveau dan waar het zich gedurende de rest van de week.

Meer preciezer: De netzach-hod-yesod-malchoet van Asiya [als een groep] stijgt naar een niveau [dat normaal wordt bezet door] chesed-gevoera-tiferet; chesed-gevoera-tiferet stijgt naar het niveau van chochma-bina-da’at; chochma-bina-da’at van Asiya stijgt naar het niveau netzach-hod-yasod-malchoet van Yetzira, enzovoort, tot aan het oorspronkelijke begin van de emanatie zelf. Want zelfs Arich Anpin stijgt [op Shabbat], en zijn plaats wordt ingenomen door Abba en Imma, zoals bekend.

De sefirot gedragen zich als een groep met betrekking tot hun “energie niveaus”. Ofschoon elke sefira zijn eigen identiteit heeft, werken de sefirot van het intellect en van de emotie samen als functionele gedragseenheden. Om die reden, vindt de stijging die zij ondergaan op Shabbat relatief tot deze energie niveaus plaats.

Een “wereld” in Kabbala is een niveau van bewustzijn, een sfeer waarin alles in een gemeenschappelijk besef van G’D deelt. Een lagere wereld draagt minder bewustzijn; een hogere wereld meer. De stijging van de werelden op Shabbat is een snede in de hiërarchie van bewustzijn, dit betekent dat elk niveau tijdelijk in staat is om een bewustzijnsniveau van G’D te dragen die normaal te hoog zou zijn. Normaal als iemand of iets op het niveau van chesed- gevoera-tiferet van Asiya het bewustzijn chochma- bina- da’at van Asiya wil verwerven, betekent dit dat hij zich zou moeten verheffen van het bestaande niveau naar het volgende hogere niveau. Op Shabbat echter stijgt het lagere niveau naar het hogere niveau terwijl zijn identiteit toch op het lagere niveau bewaard blijft. Deze tijdelijke “ombuiging” van realiteit vind alleen plaats op Shabbat. Zodra Shabbat voorbij is, keert de voorafgaande staat naar zijn realiteit terug.

Het Shabbatjaar wordt een Shabbat genoemd omdat het gelijk is ten opzichte van de Shabbat. Alle werelden stijgen naar een niveau hoger dan normaal, net zoals zij doen op een [wekelijkse] Shabbat.

Het verschil is dat op Shabbat de hele schepping een verheffing beleeft, terwijl in het Sabbatjaar alleen de drie [lagere] werelden, Beriya, Yetzira, en Asiya zich verheffen.

SHABBAT SHALOM