PARASHAT EMOR

 Zeg                            Leviticus.21:1 – 24:23

 KABBALA LEERT DAT ONZE VERBINDING MET HET G’DDELIJKE VOORTDUREND GROEIT.

 LIKOETEI SICHOT

 De Eeuwige sprak tot Mozes: “ Wanneer een rund of schaap  of geit geboren wordt, dan blijft het zeven dagen onder de hoede van het moederdier en van de achtste dag af en verder kan het als vuuroffer voor de Eeuwige aanvaardbaar zijn.” (Leviticus. 22:27)

 De esoterische betekenis van dit voorschrift is als volgt:

“Moeder” geeft het intellect aan,  aangezien het intellect aanleiding geeft tot het baren van een emotie.

Wanneer het intellect de goedheid van iets herkent, baart het een emotie van liefde hier over, wanneer het ongewenste schade of nadeel van iets herkent, baart het er een emotie van haat of vrees over, enz. Het “dier” geeft de emoties aan, aangezien dieren in hoge mate worden geleid door hun instinctmatige emoties in plaats van door hun intellect.

Wanneer een emotie wordt “geboren”, moet het worden uitgebroed, met andere woorden, volwassen worden door het intellect. Dit is een proces van zeven dagen, met andere woorden, een zevenvoudig proces, een voor elk van de zeven basis emoties. Alleen nadat de emoties volwassen zijn geworden, zijn ze geschikt “om te worden geofferd voor G’D”, met andere woorden, deel uit te kunnen maken van de menselijke psyché gewijd aan G’ddelijke dienst.

Hier volgen de vastgestelde feestdagen van de Eeuwige, die jullie als een oproep tot bijzondere wijding op de voor hen bepaalde tijd moeten afkondigen.” (Leviticus. 23:4)

 De drie pelgrims feesten werden vastgesteld op basis van de landbouw cyclus: Pesach vindt plaats wanneer de producten beginnen te rijpen, Shavoe’ot wanneer de tarweoogst word binnengehaald en Soekkot aan het einde van het seizoen, wanneer alle producten van het veld worden verzameld.

Chassidisme interpreteert dit verband als volgt:

G’D refereert aan het Joodse Volk als Zijn “producten”. (Jeremia. 2:3, Hosea. 2:25)

Juist zoals iemand graankorrels zaait, in de hoop op veel grotere oogsten, “plant” G’D zielen in de fysieke wereld  zodat zij meer tot stand zullen brengen dan in hun spirituele verblijf.

De wijze waarop graan groeit is ook een les voor mensen. Het zaad zoals we dat planten groeit niet zelf. Het is alleen wanneer de buitenste schil van het zaad verrot en de vorm van het zaad zoals we dat kennen ophoudt te bestaan, dat de groei kan beginnen. Omdat het oorspronkelijke zaad per se, niet langer bestaat, is de nieuwe groei niet beperkt door limitatie van de oorspronkelijke verschijningsvorm van het zaad.

Het zelfde is waar ten aanzien van de menselijke groei. Ego staat groei in de weg.

Pas wanneer deze is overwonnen en te niet gedaan, kan de ziel haar volle potentie  bereiken.

SHABBAT SHALOM         

 

 

 

 

 

 

 

 

PARASHOT ACHARE MOT – KEDOSHIEM

Na de dood –  Heilig  Leviticus. 16:1 -18:30, 19:1 – 20:17

 De essentie van de menselijke aard is het verlangen om te ontvangen.

 Aan het begin van de parasha, wordt de dienst van de Kohen Gadol (Hoge Priester)op Jom Kippoer beschreven. Hij placht loten te trekken over twee geiten om te kunnen beslissen welke “ Voor G’D” zou worden bestemt, dat wil zeggen, welke in de Heilige Tempel als offer gebracht zou worden en “Naar Azazel” (de naam van een steile rots waar de geit vanaf zou worden gegooid,) moest worden gezonden, beide dienden dus als verzoening voor de zonden van het Joodse Volk.

Deze meest heilige dag is bekend als “Jom Kippoer”, letterlijk, “de Dag van Verzoening” en ook als “Jom HaKippoeriem” , “een Dag zoals Poeriem”. (letterlijk loten), refererend aan het lot trekken over de twee geiten. Volgens de heilige Zohar, werd de geit die werd aangewezen voor Azazel geofferd met de bedoeling om de Sitra Achra (letterlijk, “De andere Zijde”, een Kabbalistische term voor de krachten van onzuiverheid) te sussen, om interferentie met de heiligheid van de dag te voorkomen. Dit is veelbetekenend om de volgende redenen:

Het neer gehaalde licht van chochma wordt specifiek volbracht door een groot verlangen om te ontvangen, het aspect van de linkerzijde [van de sefirot, de zijde van oordeel, waarmee de harde aspecten van de Sitra Achra zijn geassocieerd]. Want de aard van heiligheid is het verlangen om te geven en te uit stromen, dit correspondeert met de geit die is bestemd “ voor Hashem”.

Het is echter bekend dat het aantrekken of neerhalen van dit licht alleen mogelijk is als er verheven vaten, houders zijn om dit te kunnen ontvangen. Daarom, om het te kunnen ontvangen in Heiligheid, nadat het verheven licht is neergehaald, wordt ze ontvangen via de middelste lijn [van de sefirot]die dit licht kleedt in de chassadiem van de rechter zijde. Dus de rol van de Sitra Achra is om het licht gewoonweg neer te halen, maar er geen gebruik van te maken, behalve door middel van chesed, het aspect van geven en uitstroom.

De Sitra Achra kent ook het voordeel van het ontvangen van dit licht, maar dit voordeel veroorzaakt grote strengheid (din), aangezien ze het licht niet gebruikt volgens de weg van heiligheid. In plaats van het licht positief te gebruiken, veroorzaakt het licht een revelatie van destructie en kwaad in de wereld.

Evenzo, het is onmogelijk voor iemand om te zeggen dat hij geen persoonlijk voordeel wil hebben, maar dat het allemaal in het belang van de Hemel moet zijn. Dit ligt niet in het vermogen van de mens, aangezien het verlangen om te ontvangen de essentiële menselijke natuur is

Dit wordt beschreven in parashat Kedoshiem 19:2: “ Weest heilig, want IK G’D ben Heilig”. Rashi zegt, “Iemand zou zich kunnen afvragen “zou ik als G’D zijn”?

Daarom betekent de uitspraak aan het begin van parashat Kedoshiem, “Ik ben G’D, dat mijn Heiligheid boven jouw heiligheid is.” Dit betekent dat alleen de Schepper geen verlangen heeft om te ontvangen voor Zichzelf en dat Hij uitsluitend geeft. Echter een geschapen iemand moet ook zich nemen, wat betekent dat ontvangen nodig is om te eten en te drinken en slapen om in staat te zijn om G’D te dienen.

Iemand kan niet alleen maar een gever zijn zonder iets te ontvangen voor zichzelf.

Het zelfde geld voor de studie van Thora. Het is toegestaan en zelfs wenselijk dat iemand vreugdevol leert,  want dit motiveert hem om meer te leren. Dit is de betekenis van “Iemand zou zich kunnen afvragen “zou ik als G’D zijn”? Wat we ontvangen is het deel dat we geven aan de Sitra Achra, die in elk mens aanwezig is, anders zou heiligheid niet voortdurend kunnen existeren. Dit is de betekenis van “Weest heilig”: geef aan anderen wat je hebt ontvangen naast wat nodig is voor je zelf, want dit is de passende wijze voor iemand, die geschapen is, om zijn G’D gegeven heiligheid kenbaar te maken.

SHABBAT SHALOM

 

   

PARASHOT TAZRIA – METSORA

Zij geeft zaad – Melaatse   Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33.

 

 De Heilige Melaatse.

 

 De Lubavitcher Rebbe.

 

De Thora begint het bespreken van de symptomen en voorschriften van de metzora [“melaatsheid”] met de woorden:

 

Als een persoon [in het Hebreeuws, adam] op zijn huid, ergens op zijn lichaam een  witte vlek krijgt ……..” (Leviticus. 13:2).

 

Waar naar gerefereerd wordt in de Thora als “tzara’at” is niet melaatsheid in de zin zoals het in onze tijd medisch wordt geïnterpreteerd of enige andere fysieke ziekte. Het is een miraculeuze fysieke manifestatie van een spirituele aandoening die optreedt als een witte vlek op de huid (of kleding, of muren van een huis).

 

Het Thora gebruik van het woord “adam” in verband met de metzora, is een indicatie dat deze persoon op een subliem spiritueel niveau is.

 

De “adam-persoon” is een volmaakt iemand. Zoals de Zohar het zegt, “shlimoe d’koela, “de perfectie van alles”. Hij is opgebouwd uit alle attributen: chesed, gevoera, rachamiem en alle karakteristieken en gedragsvormen van iemand die een heerser in deze wereld is. Daarentegen wordt iemand die verbonden is met alleen een of twee specifieke eigenschappen niet een “adam” genoemd, maar, zoals Mozes, “Ish”. Ofschoon Mozes op een subliem niveau is, is desondanks het niveau van “adam” daarboven, zoals wordt beschreven in de Zohar, Tazria 48a: “De plaatsen zijn zelf van een sublieme oorsprong….. Want “adam” is iemand die alle eigenschappen bezit en daarom in staat is uit te stijgen boven zijn aangelegenheden en daden. Hij is ook in staat om zichzelf neerwaarts te verlagen. Inderdaad is de hele wereld van hem afhankelijk. (Zie ook Zohar Mishpatiem 94b)

 

Een man heeft vier benamingen in de Thora en wel in de volgende dalende volgorde:

Adam”, “Ish”, “Gever”, en “Enosh”.

 

Deze “adam” nu, die al zijn “gevestigde aangelegenheden en daden en niveaus daarboven” heeft geperfectioneerd, kan toch iets van “residu” bevatten” dat raffinage verlangt. Maar deze “residu” is alleen in het vlees van zijn huid, met andere woorden, het uiterste en meest externe aspect van zijn zelf.

 

Zijn spirituele smet veroorzaakt een miraculeuze fysieke reactie in de vorm van tzara’at. Tegenwoordig vertonen we deze symptomen niet, aangezien ze alleen relevant zijn bij iemand die bijna geheel is gepurificeerd, er is alleen een gering vleugje van ongezuiverd “residu” aan het “einde van zijn kleding”.

 

In feite zijn de vlekken zelf van sublieme oorsprong. Ze zijn dus niet object van onreinheid, totdat de priester er als zodanig over oordeelt. Tot dan zijn ze niet onrein; integendeel, ze zijn manifestaties van subliem licht, ze zijn harde oordelen uit de van sfeer van heiligheid, zoals is geschreven in Etz Chaim (Sha’ar Leah v’Rachel 7)…. verheven verwezenlijkingen van hemels oordeel….die uiteindelijk belanden in een staat van onreinheid….

 

Rabbi Mozes Cordovero schrijft in zijn Pardes (zie ook Zohar I:26, beginnend aan kant b, et al) “Naga”, letterlijk “aandoening”, (het woord dat door de Thora wordt gebruikt om de tzara’at te beschrijven), is het tegenovergestelde van “oneg”, betekenend, “verrukking”, een sublieme spirituele staat geassocieerd met het hoogste niveau, de innerlijke dimensie van keter. De Hebreeuwse letters van het woord “nega”, noen, gimel, ayin, wanneer her schikt, vormen het woord “oneg”, ayin, noen, gimel.

 

Hierover is gezegd: “Er is niets boven Oneg en niets beneden Nega.” Want ook hierin creëerde G’D het een tegenover het ander.

 

Al het heilige heeft zijn tegenhanger in het onreine zodat er uitdaging en vrijheid van keuze wordt verschaft. Het onreine equivalent wordt verondersteld de neerkomend negatieve vorm te zijn van zijn heilige tegenhanger.

 

De metzora wordt daarom voor Aaron de Priester gebracht, die de belichaming van de hemelse chesed is en die in staat is om dit licht te verheffen en het oordeel te verzachten, verzoeten door de tzara’at puur te verklaren.

 

Er zijn eigenlijk twee typen van symptomen. Een type wordt direct puur verklaard door de priester. In dit geval dient de priester om deze tzara’at “ te verzachten, verzoeten”, ofschoon dit oordeel belichaamt, toch in de sfeer van heiligheid en puurheid is.

 

Het tweede type wordt door de priester onrein verklaard. Het zijn lichten die ontstaan als verheven belichamingen van hemels oordeel, maar die uiteindelijk uitmonden in een staat van onreinheid. (Likoetei Sichot 37:35)

 

Dus, zoals eerder gezegd, treedt tzara’at vandaag de dag niet op, aangezien het een symptoom is van een feitelijk compleet raffinement van het kwaad van het innerlijke van lichaam en ziel. Heden ten dage existeert geen persoon die zo is, aangezien zelfs een zeer godsdienstig en goed iemand toch een kleine hoeveelheid van kwaad innerlijk bezit. Dit zal voldoende zijn voor hij die begrijpt. (Zie Tanya hfd.10) Gevoera….is een influx van buitengewone intensiteit die meer is dan de ontvanger kan hanteren….

 

In het algemeen is gevoera eigenlijk in zijn essentie het tegenovergestelde van terughouden. Inderdaad gevoera heeft ook de connotatie van intensiteit, zoals in “gevoerot geshamiem“, “intense [met andere woorden, overvloedige] regen” (aan het begin van Mishna Ta’aniet). Zijn essentie is een influx van buitengewone intensiteit die meer is dan de ontvanger kan hanteren. Daarom baart het uiteindelijk aan gevoera de zin van terughoudende goedheid.

 

Zo ook, is tzara’at in zijn oorspronkelijke vorm de belichaming van een intensiteit van heiligheid. Vanuit deze intensiteit wordt streng oordeel geboren zoals ze existeert in de sfeer van heiligheid, die uiteindelijk onreine symptomen baart.

 

In de menselijke dienst aan G’D, is het concept van tzara’at een heilige intensiteit die alle grenzen en beperkingen te boven gaat. Het is “voortbewegen” [ratzo” in het Hebreeuws] zonder “terugkeren” [“shov”] (Zie Ezekiel 1:14, een hunkering en ontvallen naar spirituele vervoering die niet gevolgd wordt door een terugkeer naar de fysieke wereld en de verwerkelijking van het mandaat om de fysieke wereld tot een verblijfplaats te maken voor het G’ddelijke (zie Tanchoema Naso).

 

Bijvoorbeeld, als na intens en fervent gebed, de godsdienstige er niet in slaagt om zich bezig te houden met Thorastudie, kan deze vurigheid zich verheffen tot “ strengheid” in de vorm van woede, die omslaat naar het creëren van ego en arrogantie. Thora studie, wat tiferet is (Berachot58a:” Tiferet, is het geven van de Thora”) vormt het evenwicht tussen chesed en  gevoera, ratzo en shov (Sefer Hasichot 5751, citerend Likoetei Thorta).

 

De grote kabbalist Rabbi Levi Jizchak Sneerson brengt naar voren dat het woord “hametzora” (“de metzora”) numeriek equivalent is aan “Tohoe”, de wereld van Wanorde, waar de sefirot egocentrisch en onmatig zijn. Intellect moet voorafgaan en heersen over emoties in de voor-messiaanse wereld.

 

Dus de Talmoed, in Sanhedrin 98b citeert Isaiah 53:4, die Mashiach een “metzora” noemt, want, in de Messiaanse era zal de wereld van Tohoe worden gezuiverd [door de verheffing van zijn versplinterde vonken die waren verspreid door heel de fysieke sfeer] en intensiteit en gevoera zullen suprême regeren.

 

Het uiteindelijke doel van de Schepping is de integratie van Tohoe en Tikoen, waar het intense licht van Tohoe zal worden vastgehouden in de gestructureerde vaten van Tikoen. Terwijl we momenteel onszelf gedragen op de wijze van Tikoen, zullen we de gewoonte regel van Tohoe in de Messiaanse era volgen.

 

Bijvoorbeeld, het geldende recht in joods-wettelijke zin nu, volgt de opinie van de Mishna Wijze Hillel, wiens oorsprong chesed is (Tikoen). In de Messiaanse tijd, zal het joods recht Shammai volgen, wiens oorsprong gevoera is (Tohoe).

 

Zo ook, moet intellect voorafgaan en heersen over emoties in de voor-messiaanse wereld. Dit omdat emoties heftig, buitensporig zijn en moeten worden gecontroleerd door het intellect. In de Messiaanse tijd echter, wanneer de intensiteit van emotie alleen leidt tot goede dingen, zal emotie suprême regeren vanwege zijn grotere intensiteit.

 

Vandaar dat we zien dat Jacob en Ezau van elkaar verschillen in hun opstelling van mannen en vrouwen. In Jacobs kamp gaan de mannen de vrouwen vooraf; in Ezaus kamp gaan de vrouwen voor de mannen. Want Jacob en Ezau zijn respectievelijk  Tikoen en Tohoe. In Tikoen,de huidige wereld, moeten mannen (“intellect”) vrouwen (“emoties”) voorafgaan. In de Messiaanse tijd, de wereld van Tohoe, zullen de vrouwen de mannen voorafgaan.

 

In de Tijd van Verlossing, zullen we de uittocht van alle grenzen en limitatie ervaren, een revelatie van G’ddelijkheid die alle beperkingen te boven gaat.

 

De Maharal stelt evenzo dat Mashiach een “metzora” wordt genoemd, omdat juist zoals tzara’at een bovenaards fenomeen is, zo ook Mashiach en de Messiaanse realiteit de natuurlijke en tijdelijke orde overtreft. En juist zoals de metzora is “gesepareerd” van het kampement, zo ook is Mashiach “gesepareerd” van het aardse.

 

De kabbalist Rabbi Chaim ibn Attar in zijn Ohr Hachaim  wijst eveneens op een connectie tussen de metzora en de Messiaanse era, stellend, dat de twee vogels die de metzora gebruikt in zijn purificatie proces, corresponderen met de twee Mashiachs: Mashiach, zoon van Josef en Mashiach zoon van David.

 

Mogen we inderdaad de verwerkelijking verdienen van de profetie dat “jullie Meester zal niet langer verhuld zijn en jullie ogen zullen je Meester zien” (Isaih 30:20) door ware en complete verlossing.

 

SHABBAT SHALOM    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

PARASHAT SHEMINI

ACHTSTE   LEVITICUS. 9:1 – 11:47

 

DE UNIEKHEID VAN DE ACHTSTE DAG

 De Kli Yakar, Rabbi Slomo Ephraim van Luntshits, 1550-1619, verklaart dat de frase in Wajikra. 9:1, “Op de achtste dag”, een verbinding impliceert met de voorafgaande zeven dagen van miluim, ter voorbereiding op de uiteindelijke oprichting van het Heiligdom, zoals is geschreven in, ibid, 8:33, : “ Jullie inauguratie zal zeven dagen duren”.  Tijdens deze zeven dagen werd het altaar ingewijd.

 De achtste dag daarentegen dient een ander doel, deze was voor de opdracht en inwijding van Aharon en zijn zonen. Waarom kreeg deze dag dan een naam die een continuatie impliceert van de vorige zeven?

 De Kli Yakar verklaart dat de intentie was, met de naam de uniekheid van de dag te doen uitkomen, “G’D zal zich aan jullie reveleren”. De achtste dag is gekenmerkt door een unieke  eigenschap van heiligheid, en zoals de Kli Yakar continueert:” Het cijfer zeven refereert altijd aan deze wereld, terwijl het cijfer acht refereert aan heiligheid.”

 Dit wordt weergegeven in het feit dat de mitzwa van de besnijdenis het verbod van verboden werk op Shabbat overschrijdt. De besnijdenis wordt geassocieerd met het cijfer acht en Shabbat met het cijfer zeven en “het spirituele gaat het fysieke vooraf”.

 TWEE NIVEAUS VAN HEILIGHEID

 De uitdrukking dat “zeven refereert aan deze wereld”, moet niet strikt in de letterlijke zin worden opgevat, want de zevende dag is eveneens heilig. Aangezien Shabbat een van de zeven dagen van de schepping is, deelt het een verbinding met de wereld. Het cijfer acht daarentegen gaat boven de schepping uit en is “gereserveerd voor Hem, gezegend zij Hij”. In vergelijking hiermee wordt zelfs Shabbat als werelds beschouwd.

 Een voorbeeld: Er zijn twee niveaus van Shabbat: Een niveau is geassocieerd met de zeven dagen van de Schepping. In verhouding tot de vorige zes dagen is deze heilig. Desondanks is haar heiligheid binnen de natuurlijke orde en wordt daarom naar beneden gebracht door de G’ddelijke dienst van het Joodse Volk, aan wie is opgedragen om “Shabbat te maken en te houden en te heiligen”.

 Een andere dimensie van Shabbat is haar rol als een microkosmos van de Era van Verlossing, die wordt beschreven als “de dag van volledige Shabbat en rust voor eeuwigheid.” Zoals eerder aangehaald, dit niveau kan niet worden neergehaald door onze G’ddelijke dienst, maar vereist G’ddelijk initiatief.

 In deze context citeren onze Wijzen in Shabbat 10b: G’D zeggende: “Ik heb een prachtig geschenk in Mijn schatkamer. Het is Shabbat genaamd”.

Want dit hoger niveau van de Shabbat, is een geschenk van Boven, een geschenk is niet een verworvenheid, maar afhankelijk van de schenkers vrijgevigheid. (Want wanneer een geschenk is gegeven als gevolg van iemands inspanning, is het iets dat is verworven).     

 DE OMER TELLING.

Parshat Shemini wordt meestal gelezen direct na Pesach, even na de aanvang van de zeven weken periode van de Omer telling. Wat is het verband tussen die twee? De Thora zegt over de Omer, “Je zult vijftig dagen tellen” (Leviticus 23:16). Maar in feite tellen we maar negen en veertig dagen. Waarom? In de zeven weken ontdoen we ons stap voor stap van de negen en veertig “poorten van onreinheid” en gaan door negen en veertig “poorten van inzicht”. De vijftigste, het ultieme niveau van inzicht, is boven ons. Pas wanneer we deze negen en veertig inspanningen hebben geleverd, kan het vijftigste tot ons komen als een gift van G`D. De zeven weken van de Omer zijn als de zeven dagen van inwijding. Zij vertegenwoordigt de spirituele verwerkelijking van de mens. De vijftigste dag van de Omer is als de achtste dag van het Heiligdom: het is de openbaring die van buitenaf bij ons binnendringt, het antwoord van G`D op ons streven. De vijftigste dag is Shawoeot, de dag dat de Thora geopenbaard werd op de Berg Sinai.

 SHABBAT SHALOM   

 

PARASHAT TSAV

SHABBAT HAGADOL

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

 

OPGAAN IN ROOK

 

Zohar, pp. 26

Het Thoragedeelte van deze week begint met de instructie om een In Vlammen Opgaand Offer te brengen. Dit offer maakt slechte en verdorven gedachten goed en wordt beschouwd als de meest uitgelezen van alle offergaven. De naam van het In Vlammen Opgaand Offer impliceert opstijgen en is dus zowel verbonden met het gedachte idee welke opkomt en het meest uitgelezen, omdat de tikoen van de intellectuele faculteiten zo belangrijk is.

 

“En de Eeuwige sprak tot Mozes: ‘Draag Aharon en zijn zonen het volgende op: Dit is de Thora (instructie) van het In Vlammen Opgaand offer.’” (Leviticus. 6:1)

Rebbe Shimon opent zijn verhandeling [op dit vers] en citeert daarbij het vers “Uw gerechtigheid is als de machtige bergen; Uw uitspraken zijn van grote diepte O Heer, U bewaart mens en beest.” (Psalm. 36:7) We hebben reeds eerder over dit vers geleerd en het [op een ander wijze verklaard dan nu] kom en zie; dit In Vlammen Opgaand offer stijgt op [in de spirituele werelden] en verbindt het Joodse Volk boven.

 

Als algemene regel heeft de sefira van malchoet drie namen in de Zohar. Wanneer zij in verbanning is, ver verwijderd van haar hechte spirituele bron boven in Zeir Anpin, wordt zij de Shechina genoemd. Wanneer zij hecht is verbonden met Zeir Anpin “ontvangt” (in het Hebreeuws “konesset”) zij de spiritualiteit boven en heeft een naam die deze verheven status meer weergeeft, Knesset Jisraël ( vertaald boven als “het Joodse Volk”).

Het vrouwelijke “zij” wordt altijd gebruikt om het feit weer te geven dat zij een voertuig is voor het ontvangen van de G’ddelijke inwerking. Naar haar wordt ook verwezen als zijnde “de Maan”, omdat de maan het licht van de zon op de zelfde manier weergeeft, malchoet ontvangt en geeft het G’ddelijk “licht” (energie) weer van de spirituele bron boven.

Zij hecht zich aan hem [Zeir Anpin], en samen gaan zij op naar de Komende Wereld.

 

De Intellectuele sefira van bina is bekend als de “Komende Wereld”. Er wordt verwezen naar het vrouwelijke omdat zij zowel ontvangt van beneden door handelingen in deze wereld gedaan met spirituele intentie als van boven van de sefirot van keter en chochma. Bina is verbonden met begrijpen en planning. Plannen zijn altijd een blauwdruk voor handelingen in de toekomst en waar begrip voorbij onze fysieke grenzen welke onze waarneming van het oneindige licht hinderen is eveneens in de toekomst, Vandaar de term “Komende Wereld”.

Zij zijn alle blij verbonden tot een eenheid.

 

De sefira van bina is ook de bron van vreugde. Dit is de vreugde van zekerheid na opheldering van alle twijfels, de vreugde van verbinding met de G’ddelijke wijsheid. Deze vreugde is op zijn beurt een vat voor het ontvangen van “Mochin deGadloet” hogere bewustzijn, van de partzoefiem van Abba en Imma. In hedendaagse terminologie noemen we dit verlichting.

 

Omdat zij hoger en hoger gaan wordt naar hen verwezen als “Dit is de Thora”. Dit is het mysterie van het mannelijke en vrouwelijke samen, De Geschreven en Mondelinge Thora stijgen op in liefde.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRA

En Hij riep            Leviticus.  1:1 – 5:26

 

 BETREFFENDE HET BRENGEN VAN OFFERS WORDTALLEEN G’D’S NAAM, HET TETRAGRAMMATON, GEBRUIKT

 

RABBI MOSHE BEN NACHMAN

 

Kabbala leert dat er een verborgen geheim ligt opgesloten in de offergave. Onze Rabbijnen hebben gezegd, in Sifre, en aan het einde van Traktaat Menachot: “Shimon ben Azai zegt, ‘Kom en zie wat is geschreven in het gedeelte van het brengen van offers: Er staat niet dat het verwijzt naar ‘ E-L, noch naar Elokecha (hun G’D), noch naar ‘Elokiem’, noch naar ‘Sha-dai’, noch naar Tze- waot,’ maar alleen naar de Naam Havayah, om een tegenstander [met andere woorden, iemand die gelooft in pluraliteit] niet de gelegenheid te geven een reden te vinden om te attaqueren.”

 

Misschien dat men zou kunnen zeggen dat G’D verlegen zit om voedsel, daarom zegt de Schrift, “Had Ik honger, Ik zou het niet zeggen,; want de Schepping in volledigheid is Mijn.” (Psalm. 50:12)

 

De Naam Havayah wordt gebruikt om radicalen niet de gelegenheid te geven om te rebelleren.

 

We vinden eveneens aan het begin van Thorat Kohaniem: “Rabbi Josie zegt: Overal waar het brengen van een offer wordt vermeld door de Schrift, wordt de naam Havayah gebruikt, om radicalen niet de gelegenheid te geven om te rebelleren” [door pluralistische aanduidingen te vinden tegen het principe van Eenheid]. Dit zijn de woorden van de Rabbijnen van gezegende nagedachtenis.

Het is dus een feit dat in een Thoragedeelte waar het brengen van offers wordt opgedragen, de G’ddelijke namen E-L of Elo-hiem niet worden gebruikt. Maar we vinden, ergens anders in de Schrift verzen als: “het brood van ‘Elo-heihem’ [hun G’D], offeren zij”; “ geven aan Elo-hiem het dankoffer” (Psalm. 50:14) enzovoort. Echter slachten ten behoeve van het brengen van een offer moet worden gedaan in de Naam van Havayah alleen, betekenend dat degene die het offer slacht geen intentie mag hebben tot iets anders in de wereld dan Havayah alleen. Dit is wat de Wijzen bedoelen wanneer zijn stellen: “De Schrift heeft verordend dat al deze Diensten moeten worden gewijd aan de Naam Havayah.

 

SHABBAT SHALOM            

PARASHOT WAJAKHEEL – PEKOEDE

En hij liet samenkomen, Exodus. 35:1 – 38:20 – De berekeningen, Exodus. 38:21 – 40:38

Wanneer G’D Alleen Werkt.

Zohar Shemot 89b.

Kom en Zie: in het vers, “Zes dagen kun je werken en al je werk doen, maar de zevende dag is een Shabbat voor de Eeuwige, je G’D” (Exodus. 20:9), de woorden “al je werk” geven aan dat in de zes dagen die men werkt [het Hebreeuwse woord voor werk en ook voor dienaar is “eved “ en dat is ook de naam waarmee de Engel Metatron wordt aangesproken. Dit is een aanduiding dat de dagen van werk worden geregeerd door een lager spiritueel niveau, een Engel, in plaats van direct door G’D zoals op Shabbat, wat is “voor de Eeuwige, je G’D”, en niet gerelateerd aan de dienaar van werk (Metatron), en daarom hebben degenen die Thora studeren hun echtelijke eenwording in de tijd waarin mensen niet werken [betekenend op Shabbat wanneer het verboden is voor mensen om te werken], wanneer G’D alleen werkt. En wat is G’D’s werk? Verenigen met de Matron [de Shechina], om [nieuwe] zielen voort te brengen in de wereld.

Daarom heiligen onze collega’s zichzelf in deze nacht [Vrijdagnacht] in de Heiligheid van hun Meester en richten hun binnenste en brengen het goede   voort en heilige kinderen die zich niet afkeren van Thora, noch naar rechts noch naar links, kinderen van de Koning en de Matron  [de Shechina]. Over hen is geschreven: “Kinderen zijn jullie van de Eeuwige, jullie G’D (Deuteronomium. 14:1). Ongetwijfeld van “de Eeuwige, jullie G’D,” want zij worden “Zijn kinderen” genoemd, de kinderen van de Koning en de Matron [wiens zielen neerkomen vanuit de eenwording van Zeir Anpin en Noekva in Atziloet].

Degenen die Thora studeren kennen dit geheim en hechten zich er aan; daarom worden zij “de kinderen van G’D” genoemd.

Berachamiem LeChayyiem:

We zijn allen kinderen van G’D, want Hij is deelgenoot met onze ouders om ons  voort te brengen, om te creëren [zoals de Talmoed omschrijft]: van onze vader krijgen we witte beenderen, van onze moeder krijgen we rood bloed, van G’D onze spiritualiteit.

 

Wat we van het bovenstaande leren is hoe belangrijk heilige primaire voornemens zijn voor het creëren van het karakter van een kind zeker met betrekking tot de dagen van de week. Het is zinvol dat iets op een heilige wijze op onze Heilige dag van Shabbat wordt gecreëerd, zijn spirituele oorsprong ook moet hebben in de hoogste plaats. Dat betekent niet, G’D verhoede, dat een conceptie op een doordeweekse dag problematisch hoeft te zijn, vooral wanneer die tot stand is gebracht met de gepaste intenties. Maar het betaamt ons om stil te staan bij de bijzondere krachten van Shabbat, en ook onze opvattingen af te stemmen op deze krachten om ze te kunnen ontvangen, wanneer we een echtelijke relatie aangaan.

SHABBAT SHALOM       

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt Exodus. 30:11 – 34:35

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Likoetei Thora en Sha’ar HaPesoekiem

 

Eerbetoon aan het Mannelijke en het Vrouwelijke

Na de opdrachten over bouwen van het Tabernakel, vertelt G’D het Joodse Volk dat, hoe belangrijk het construeren van het Tabernakel ook is, het niet jullie inachtneming van de Shabbat schenden moet

De Eeuwige zei tegen Mozes. Spreek jij zelf tegen de Kinderen van Israël aldus: “Maar…Mijn Shabbatdagen moeten jullie stipt houden, want dit is een teken tussen Mij en jullie voor heel jullie nageslacht, opdat men zal weten dat Ik de Eeuwige ben die jullie bijzondere wijding heeft gegeven.” (Exodus. 31: 12-13)

Betreffende de betekenis van deze verzen, moeten we eerst verklaren hoe G’D Mozes aansprak, gewoonlijk formuleert Hij Zijn opdrachten niet zoals hier staat geschreven.

De gebruikelijke bewoording is “Spreek tot de Kinderen van Israël en zeg hen….”of “Zeg tot de Kinderen van Israël ….”. Hier, zegt het vers “Spreek jij…”, benadrukkend het woord jij.

Om dit te kunnen verklaren, zullen we eerst een andere tegenstelling uiteen zetten. De eerste registratie van de Tien Geboden [het gebod om de Shabbat te houden] is verwoord als volgt: “Denk aan….”, de woorden “Zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft” zijn hier niet in de tekst geregistreerd.

De Tien Geboden zijn tweemaal opgenomen in de Thora. De eerste keer in de historische context toen zij werden gegeven aan de Berg Sinai (Exodus. 20:2-4), en de tweede keer in de context van Mozes overzicht van Exodus vlak voor hij stierf aan het eind van de veertigjarige tocht door de woestijn (Deuteronomium. 5: 6-18). Deze twee versies van de Tien Geboden zijn grotendeels gelijk, maar er zijn enkele kleine verschillen.

De twee versies van het eerste vers van het gebod om de Shabbat te houden zijn in vergelijk als volgt:

eerste versie tweede versie
Denk aan Shabbat, door haar wijding te geven Houdt de Sabbatdag, door haar wijding te geven, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft

Op vergelijkbare wijze, [ het gebod] om ouders te eren bevat niet de woorden “opdat je dagen verlengd worden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Het volgende gebod, na het gebod om de Shabbat te houden, is het gebod om ouders te eren. De twee versies van dit gebod zijn in vergelijking met elkaar als volgt:

eerste versie tweede versie
Eer je vader en moeder, opdat je dagen verlengd worden op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft Eer je vader en je moeder, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft, opdat je dagen verlengd worden en opdat het je goed zal gaan op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft

Ter verklaring: Deze twee geboden, het houden van de Shabbat en het eren van de ouders, zijn equivalent. De laatstgenoemde is het eren van iemands lichamelijke ouders, terwijl de eerstgenoemde het eren is van iemands spirituele ouders, met andere woorden, Zeir Anpin en Noekva, waar aan gerefereerd wordt als “de Shabbatot” [mv.] in de uitspaak van de Geleerden dat “als het Joodse volk twee Shabbatot zou houden zoals het moet, [zouden zij onmiddellijk worden verlost].”(Shabbat 118b)

Aangezien elke Joodse ziel voortgebracht wordt door de eenwording van Zeir Anpin en Noekva, mogen deze partzoefiem worden beschouwd als onze spirituele “ouders´”.

De uitspraak van de geleerden dat wij zouden worden verlost als we twee shabbatot zouden houden wordt gewoonlijk opgevat als twee shabbatot achter elkaar. Ergens anders echter becommentarieert de Arizal dat de esoterische betekenis van deze uitspraak is dat we twee aspecten van de Shabbat moeten houden, het vrouwelijke en het mannelijke aspect, welke de Shabbatnacht en de Shabbatdag zijn. Dus de twee Shabbatot zijn duidelijk Zeir Anpin en Noekva, en door hen “te eren” is het in acht nemen van de Shabbat in overeenstemming met zijn mystieke dynamica, we vervullen het gebod om onze “ouders”te eren op een spirituele wijze en worden verlost.

Dit is de mystieke betekenis van het vers: “Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en voor zijn vader, en zich strikt aan Mijn shabbatot houden.” (Leviticus. 19:3) [Het feit dat hier naar de Shabbat wordt verwezen in meervoud duidt op deze twee shabbatot, welke corresponderen met de vader en de moeder.

Nu zijn er twee aspecten ten aanzien van het in acht nemen van de Shabbat. Het eerste is het nauwkeurig naleven van de voorschriften van de Shabbat in al hun details, om de opdrachten te vervullen die Hij ons (mag Hij worden geprezen) heeft opgelegd en voor geen enkele andere beweegreden. Het tweede is om te rusten van werk op Shabbat opdat we genieten van het feit dat we kunnen rusten van ons werk.

U kent de verklaring van de Wijzen van [de liturgische passage,] “Laat Mozes zich verheugen in de toewijzing welke hem was gegeven”, dat Mozes vraagt aan Pharao om het Joodse Volk toe te staan één dag van de week vrij te stellen van het maken van tichelstenen omdat zij dan kracht kunnen verzamelen om meer te kunnen produceren op de andere zes dagen. Pharao ging akkoord en gaf hen de Shabbat vrij. (Shamot Rabba 1:32; Midrash Tehilliem 119)

Dit is wat de Thora bedoeld en probeert aan te geven door te zeggen, “Jij zult spreken tot de Kinderen van Israël…”; [G’D zegt tegen Mozes] “Jij [Mozes] die Pharao vroeg om hen een dag rust te geven, met andere woorden, jij zelf moet nu aan hen zeggen dat van nu af aan zij de Shabbat moeten houden niet voor hun eigen voordeel, maar eerder omdat deze Mijn Shabbatot zijn. Ik ben de Gene die hen verplicht om deze opdracht na te komen; zij zullen de Shabbat in acht nemen alleen voor Mij belang, en niet voor hun eigen belang.” Om die reden begint het vers met het woord “Maar”. Het impliceert dat zij de Shabbat zullen naleven omdat zij “Mijn Shabbat”zijn, want het is een teken….. dat men zal weten dat Ik, de Eeuwige, hen bijzondere wijding geef” en niet voor hun eigen voordeel of plezier.

Er is natuurlijk niets verkeerd aan om zich te verheugen in het naleven van G’D’s geboden, maar deze motivatie moet altijd gehouden worden in het juiste perspectief. We moeten alle geboden van G’D onvoorwaardelijk in acht nemen, als een uiting van onze onvoorwaardelijke liefde voor Hem. Zoals Rabbi Shneur Zalman van Liadi het uitdrukt; “Als G’D ons had opgedragen om gewoonweg hout te hakken [ zonder enige reden], zouden we hout hakken met het groots mogelijke enthousiasme.” Wanneer we ons eenmaal onvoorwaardelijk hebben verbonden tot het in acht nemen van de geboden, is er eveneens ruimte voor het waarderen van hun kwantificeerbare voordelen.

Zoals ik heb gezegd, de meervouds- vorm “Mijn Shabbatot” verwijst naar Zeir Anpin en Noekva. De eerste versie van de Tien geboden bevat niet de woorden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”, om dat het verwijst naar de eerste reden [voor het houden van de Shabbat], de ene dat de reden van voordeel [voor het Joodse Volk] bevat. Het is dit [aspect] waarnaar onze menselijke logica zich richt en ons [onze logica]doet besluiten dat we de Shabbat moeten naleven “opdat je rund en je ezel rust krijgen…..(Exodus. 23:12)

In de tweede versie van de Tien Geboden, vermeld de Thora de tweede reden, welke alleen is om de opdracht van de Schepper te vervullen, dit is de betekenis van de zin, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Dit verklaart waarom wij [ in de tweede versie van de Tien geboden, de opdracht voor naleven van de Shabbat begint met “Houd ” de Shabbatdag door haar wijding te geven.” De tweede [versie van de Tien geboden] is van het vrouwelijke principe, wat aangeduid wordt door het woord “houd”, zoals bekend (Zohar III: 224a)

Het Hebreeuwse woord voor “denk aan” “zachor‘ is gerelateerd aan het woord voor “mannelijk” (“zachor”). “Denk aan”, is een actief aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar de actieve afkondiging van de heiligheid van de dag, gemaakt aan haar begin (in de Kiddoesh) en bij het einde (in de Havdala). “Houden” is het passieve aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar het passieve onderbreken van werk, welke het verhoogde G’ddelijke bewustzijn opent naar de realiteit van Shabbat.

Het Vrouwelijke principe, met andere woorden, in de tweede versie van de Tien geboden, zegt aan het Joodse Volk: “Houd de Shabbatdag, zoals Zeir Anpin, aangeduid door de woorden ‘Eeuwige, je G’D’ heeft je reeds eerder opdragen, in de eerste [versie van de Tien Geboden.”

De naam voor G’D in de zin “Eeuwige, je G’D” is de G’ddelijke naam Havayah, welke is geassocieerd met Zeir Anpin.

Er zijn ook twee redenen voor het naleven van het gebod van het eren van ouders. De eerste omdat het een opdracht is gedicteerd door menselijke logica, namelijk, dat een kind zijn vader en moeder moet eren omdat zij hem gecreëerd hebben, hem in de wereld hebben gebracht en onophoudelijk zichzelf ten behoeve van hem doen gelden. De tweede is een aanduiding naar Zijn opdracht om onze spirituele vader en moeder te eren, met andere woorden, de Heilige, geprezen zij Hij, en de Gemeenschap van Israël, dat is, “Zeir Anpin en Noekva.

De wijzen refereren op typische wijze aan G’D als “de Heilige, geprezen zij Hij”. In Kabbala is deze benaming gerelateerd aan Zeir Anpin, welke “heilig”is, met andere woorden, “afgelegen” van de wereld, met betrekking tot Noekva, welke neerdaalt in de lagere sferen, zoals we weten. De wijzen refereren dikwijls aan de G’ddelijk Aanwezigheid of Shechina, als “de Gemeenschap van Israël” (Knesset Jisraël), aangevend dat het de collectieve origine is van alle Joodese zielen, de baarmoeder vanwaar zij komen als zij neerdalen van Atziloet tot de lagere werelden.

In de eerste versie van de tien Geboden, vermeldt de Thora de eerste reden, door te zeggen, “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten [van Zeir Anpin], welke de “zes dagen van de Schepping” worden genoemd.

Deze zes “uitersten” van Zeir Anpin zijn de sefirot die metamorfoseren in dit parztoef; chesed, gevoera’tiferet, netzach, hod, en yesod. Zij worden “uitersten” genoemd, aangezien zij zijn geassocieerd met de zes richtingen van de drie dimensies van ruimte. Deze zes sefirot zijn ook geassocieerd met de zes dagen van de Schepping. De associatie met de dimensies van ruimte en de dagen van de Schepping (met ander woorden,tijd) verwijst naar dat aspect van Zeir Anpin dat het conceptuele raamwerk vormt voor deze fysieke wereld. Met andere woorden, door zich te houden aan het gebod om onze fysieke ouders te eren, verhogen wij de levenskracht welke deze wereld bereikt. Deze goddelijke liefdadigheid wordt weergegeven in deze wereld als een lang leven.

De tweede versie van de Tien Geboden refereert aan de gepaste spirituele reden voor het uitvoeren van dit gebod, welke overvloed van goddelijke liefdadigheid voortbrengt en daarom worden er twee typen van beloning vermeld. De eerste is “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten, zoals boven genoemd. Daarbij, [is er een beloning van] “opdat het je goed zal gaan”, wat verwijst naar de toevloed van hoger geestvermogen. Geestvermogen wordt aangeduid door het woord voor “goed” [in het Hebreeuws, “tov“] zoals we hebben uitgelegd in ons commentaar op de zin “die goede daden van barmhartigheid doet [chasadiem toviem]” in de eerste zegen van het Staande gebed. Dit geeft aan, dat door deze opdracht te doen om zijn spirituele motivatie, dat het bij iemand ook nog meer intellectuele volwassenheid voortbrengt. Dit is de reden waarom [in de context van deze reden] is geschreven “zoals de Eeuwige [Havaya], je G’D je gebiedt.”

Door dit gebod na te leven op een spiritueel niveau, erend Zeir Anpin en Noekva door verhoogd goddelijk bewustzijn in de wereld, worden we goedhartig beloond: we bereiken een hoger niveau van goddelijk bewustzijn en spirituele volwassenheid.

Een andere verwijzing naar bovengenoemde kan worden gevonden in het feit dat het woord “et” verwijst naar een bijkomende entiteit. De twee woorden “et” in het vers worden gewoonlijk niet vertaald in het Nederlands en dient simpel en alleen om een lijdend voorwerp aan te geven. Echter interpreteren de Wijzen vaak de aanwezigheid van “et” in het vers als een verwijzing en een indicatie naar iets buiten het expliciet lijdend voorwerp “. Hier verwijst het “et“, voorafgaand aan het woord “vader”, naar Zeir Anpin en de “et” voorafgaand aan het woord voor “moeder” naar Noekva.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVE

Je zult gebieden  Exodus. 27:20 – 30:10

 

Licht en Eenheid

 

De bitterheid van de olijf representeert de verborgenheid van G’D’s supervisie over Zijn Schepping.

 

“Je moet zelf de Kinderen van Israël bevelen dat zij jou [Mozes] zuivere geperste olijfolie voor verlichting [de Menora] brengen om het licht aan te steken en ononderbroken te laten branden.” (Exodus. 27:20)

 

De Westerse Vlam brandde de hele nacht, getuigend dat de Shechina onder Israël verbleef. De Westerse Vlam,*** de meest prominente van de zevenarmige Menora, was een Ner Tamied een Voortdurend, Eeuwig Brandende Vlam; het placht te branden van avond tot avond, de hele nacht, getuigend dat de Shechina onder Israël verblijft. De lamp moest branden op de meest zuivere olijfolie, van de eerste persing van de olijven.

 

Wat is de betekenis, het belang hiervan? De olijf is bitter, dit representeert de verborgenheid van G’D’s supervisie over Zijn Schepping. Iemand kan daarom denken dat er geen recht en oordeel is. Er zijn twee paden om dit misverstand recht te trekken.

Een wordt het Pad van lijden genoemd (de Hemel bescherme ons), waardoor moeilijkheden en pijn iemands handelingen verbeteren. De tweede is het Pad van Thora, waardoor de wegen van G’D  kunnen worden overdacht en begrepen, het zien van de G’ddelijke Goedheid en Voorzienigheid.

 

Dit ontbreken van begrip wordt gesymboliseerd door de olijf, die bitter is, maar kan worden gekneed en uitgeperst om het licht die het verbergt vrij te geven. Dit is het “pletten voor verlichting”, verwijzend naar ons vers; na het pletten, wat lijden is wat het pad van Thora voorafgaat waarna iemand tot verlichting komt. Door het kneden van de olijf wordt het licht gereveleerd, iemand verdient te zien dat al het verborgene voor het goede was. En daarom brandt het de hele nacht, want “nacht” representeert verborgenheid en duisternis, die na pletten en uitpersen tot verlichting komt.

 

Daarom is er geschreven, “zij zuivere geperste olijfolie zullen nemen voor verlichting”. Het Volk van Israël als eenheid, zal voorzien in de olie voor de meest Westerse Lamp. In de heilige boeken is geschreven dat het woord voor “ Westen”, “Ma’aravi”, komt van het woord Me’oerav, zoals in de frase, “me’oerav im habriyot” [iemand die goed omgaat met anderen).

 

Ieder persoon is belangrijk van zichzelf, ofschoon het denken en de persoonlijkheid van elk mens afzonderlijk verschillend is. Elk van de andere zes Menora vlammen buigen in zekere zin schuin naar de Westelijke Vlam, om aan te geven dat alle vlammen gelijk waren (in harmonie). Dit laat zien dat ieder persoon belangrijk is op zijn eigen manier, ofschoon het denken en de persoonlijkheid van elk mens afzonderlijk verschillend is.

 

Deze eenheid getuigt dat de Almachtige Zijn Shechina in Israël manifesteert. Inderdaad het woord Shechina is in numerieke waarde gelijk aan Safa (“taal”, in het Hebreeuws): 385. En zo is geschreven in Zephaniah: “Want dan zal Ik alle volkeren veranderen tot een duidelijke taal, opdat allen de Naam van G’D aanroepen, om Hem te dienen met een schouder.” (3:9) Zo ook de openingswoorden van deze Thoralezing, “Tetsave”, “je zult gebieden” is gerelateerd aan het Aramese woord voor “verbinding” en dus om eenwording te bewerkstelligen.

 

De zuivere olie die de vlammen doen branden op de Menora representeren Thorastudie. De hele Menora, haar voetstuk, armen en kelken en waren geslagen uit een stuk goud. Het voetstuk representeert degenen die Thorageleerden ondersteunen. De knopen zijn degenen die zich bezig houden met handelingen van goedheid. De bloemkelken zijn degene die Thora studeren. Elk van hen zijn geslagen uit een klomp goud zodat ieder de ander nodig heeft. Zo ook is het onmogelijk voor iemand om arrogant te zijn tegen een ander.

 

Wanneer er eenheid is, schijnt het licht van de Menora over de hele wereld.

 

***(Een mening onder de Wijzen was dat de Menora armen gepositioneerd waren van noord naar zuid, zodat de voorkant van de Menora westwaarts was gericht, naar het Heilige der Heilige en de Shechina; volgens een andere opinie was de middelste vlam van de zeven de Westerse Vlam. Andere Wijzen zeggen dat de Menora aan een oost-west as was en daarom het Ner Tamied de meest  westerse vlam was)

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

  

 

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing (Exodus 25:1 – 27:19)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar P.140b

Zoals Rabbi Aba uitlegt: De wijze waarop het Tabernakel, waar de heilige Shechina woonde, was gebouwd, simultaan aan haar verblijfplaats in de spirituele wereld van Atziloet. Het Tabernakel was als het ware een station en zodanig gebouwd om uitzendingen te kunnen ontvangen. Dit station verzamelde de sterkte van de Shechina van elke kant en van boven (de spirituele wereld) en hier beneden (de fysieke wereld). Voor de bouw van het Tabernakel door Mozes, werd de spirituele kracht van G’D niet openlijk doorgegeven naar een specifieke plaats op deze wereld. Wat als gevolg had, dat de wereld een verblijfplaats was voor de “kelipot”, spirituele krachten, ogenschijnlijk verwijderd van de heilige aanwezigheid. Door het bouwen van een plaats voor een eredienst en het loven van de Heilige Aanwezigheid op deze wereld, brak Mozes de macht van de kelipot, waardoor de G’ddelijke overvloed vrijelijk in deze wereld kon stromen. (van de RaMaK)

Aldus, de wijze waarop het Tabernakel was gebouwd, was vergelijkbaar met een fysiek lichaam. Op dezelfde manier als een persoonsbewustzijn [letterlijk “verstand”] van binnenin beïnvloed vanuit zijn omhulsel, zo ook is Heilige Spirituele Aanwezigheid gevormd met een lichaam.

Dit is het mysterie van de heilige Shechina die het Boven en het Beneden omvat, het mysterie van de Heilige Spirituele Aanwezigheid die verbonden is met de spirituele wereld en zich openbaart in de fysieke wereld. De Shechina is altijd een neerwaartse samentrekking vanuit het spirituele naar een manifestatie in het fysieke; dit is het mysterie van het Tabernakel als een “lichaam”, gebouwd om het “brein” te ontvangen binnen zijn omhulsel. Dit alles was tot stand gekomen in overeenstemming met visie van Mozes.

De heilige spirituele aanwezigheid van de Shechina werd als het ware gekleed in het lichaam van het Tabernakel. Zodat een ander geestelijk aspect aan het geheel kon worden gegeven, het licht van de naam Havayah, het “mannelijke aspect” van G’D. Alles was samen verenigd en omvatte elkaar en was gehuld met elkaar, zodat de Shechina zich verenigde met deze wereld, welke de uiterste omhulling (schil) is van de spirituele wereld. Deze aankleding representeert de neerwaartse samentrekking van het Oneindige in het eindige door een reeks van lagen zoals de huiden (rams-vellen en tachash-vellen) over het Tabernakel. (van de RaMaK)

Het omhulsel van Deze Wereld is de meest fysieke manifestatie van allen de drie omhulsels, schillen, lagen, zijn samentrekkingen van het spirituele licht, welke entiteiten creëert, gesepareerd van hun oorsprong. Deze schillen, of kelipot, zijn als schillen van een walnoot die nog groeit aan zijn boom. De uiterste, de groene schil, is niet de hardste schil [zacht en nattig], daarentegen is de schil eronder hard [als hout]; dit is als de negatieve inclinatie die heerst in een lichaam. Onder deze schil zit een andere, een fijnere, een puurdere, een membraam welke het brein bedekt [de oorsprong van de geest en bewustzijn in de mens].

SHABBAT SHALOM