PARASHAT MISHPATIEM

 Rechtsvoorschriften

 

Exodus. 21:1 – 24:18

 

De Thora Wetgeving

 

Na het hoogtepunt van G’ddelijke revelatie, weergegeven in de parasha van verleden week, werpt Mishpatiem ons pardoes in de complexe diepten van de gedragsvoorschriften van de Thora. De voorschriften gereveleerd bij Mara voorafgaand aan het “ Geven van de Thora”, samen met de voorschriften die worden beschreven in Mishpatiem en al de andere voorschriften die elders zijn beschreven in de Thora, zijn alle integraal onderdeel van de universele wetgeving die werd gereveleerd aan de Sinai (zie Rashi op Leviticus. 25:1). Aangezien G’D perfecte eenheid vertegenwoordigt, werd de gehele wetgeving uitgesproken in een enkele lichtflits door de eerste Diboer, “ woord” “ Ik ben de Eeuwige, je G’D” (Exodus. 20:2). Corresponderend met de Tien Sefirot, die ten grondslag liggen aan heel de Schepping, de Tien Woorden Aseret HaDibrot, de “ Tien Geboden” constitueren de onderliggende fundamentele grondslagen van de gehele Mozaïsche Wetgeving. In zekere zin, “is al het andere commentaar”, de zes honderd dertien afzonderlijke mitzwot die deel uitmaken van de wetgeving, zijn allen impliciete details in de essentiële eenheid van G’D. Ze zijn allemaal nodig om die eenheid aan de wereld te reveleren.

 

Velen in de wereld brengen de Tien Geboden over hun lippen, maar we hoeven niet ver te zoeken om te constateren dat praktisch alle op een of andere manier door mensen in deze wereld worden overtreden. Overal binnen samenlevingen zijn criminaliteit en geweld, seksuele immoraliteit, laster, afgunst en hebzucht en jalousie wijdverbreid. Nauwelijks kent men de ware inhoudelijke betekenis van Shabbat in de wereld, een dag in de week van het compleet laten rusten van technologie en zakelijke aangelegenheden, een dag om met G’D te zijn.

 

De vele voorschriften in Mishpatiem constitueren de essentie van de Mozaïsche Wetgeving, ons lerend hoe met G’D te zijn in al onze aangelegenheden en activiteiten in deze wereld.

 

Het is toepasselijk voor het Volk dat naar de Sinai kwam vanuit de slavernij in Egypte dat de wetgeving van Parashat Mishpatiem opent met de voorschriften van slavernij. De wet van Mitzraim, Egypte, de plaats van Metzar, restrictie, beperking, was dat geen slaaf ooit vrijuit kon gaan. Maar de eerste van de gedetailleerde voorschriften van de Thora Wetgeving zegt ons dat het tegenovergestelde het geval is. De Hebreeuwse slaaf moet zes jaar werken voor zijn meester, maar het zevende jaar gaat hij vrijuit. Als hij verkiest om na zes jaar bij zijn meester te blijven, mag hij dit doen, maar alleen tot het vijftigste jaar, het Jovel jaar, “jubilee”. Tijd gaat in cyclussen. Iemand kan diep vallen, maar uiteindelijk draait de cyclus rond, en komt vooruit. De cyclische aard van tijd, impliciet weergegeven in het vierde gebod (zes dagen van werk gevolgd door Shabbat), is gereveleerd in de voorschriften van slavernij in Mishpatiem in een bevrijdende eigenschap. De dag van Shabbat, het Sabbaticaljaar en het Jubilee (na 7×7=49jaar), hebben alle het vermogen om ons van de uiteenlopende vormen van slavernij waarin men zich stort te bevrijden.

 

Slavernij in de letterlijke zin, is nog steeds wijdverspreid in grote delen van de wereld. Daarnaast zijn er vele zogenaamd vrij “ zij zijn ook slaven” op een of andere wijze, hetzij door de omstandigheden om hen heen of door de diep in het innerlijk gewortelde blokkeringen, neigingen, behoeften en verlangens, aan wat door de media wordt gedicteerd, gewoonten, reclame uitverkoop, etc. etc.

 

De Heilige Zohar, waarin commentaar op Mishpatiem exceptioneel lang is, reveleert in detail hoe de voorschriften van slavernij in onze parasha de wetten en principes bevatten, waardoor zielen worden gereïncarneerd in deze wereld. Zielen worden verplicht om verschillende incarnaties te “dienen” om schuld af te lossen opgelopen door misdragingen en falen in voorafgaande incarnaties. Alle andere gedetailleerde geboden in de Thora bevatten evenzo diepgaande kabbalistische verwijzingen. Want de gereveleerde wetgeving van de Thora, die betrekking heeft op zaken en andere aangelegenheden in ons leven, is een en de zelfde als de wetgeving waardoor G’D het hele universum op al zijn verschillende niveaus regeert. Alles is eenheid.

 

                                 

Naast slavernij, bevat de wetgeving in Mishpatiem de basis wetten van huwelijk, moord, doodslag, ontvoering, moedwillige geweldpleging, moedwillige en niet moedwillige toegebrachte schade aan personen en bezit, diefstal, nalatigheid, leningen, rechtbank procedure, rituele en andere wetten. De wetgeving eindigt met de voorschriften van het Sabbaticaljaar, de Shabbat en jaarlijkse terugkerende feestdagen, die alle verlossing teweeg brengen in de cycli van tijd.

 

Aan het einde van de parasha lezen we: “ En de Eeuwige zei tegen Mozes: Kom naar boven naar Mij, de berg op en blijf daar, en Ik geef je dan de Stenen Tafelen met de Thora voorschriften en Mitzwot die Ik heb opgeschreven om hen te onderwijzen.” (Exodus. 24:12)

 

De Talmoed verklaart: “De Tafelen zijn de Tien Geboden. De Thora betekent de geschreven Thora, “Mikra”; De Mitzwot betekent de Mishna (Mondelinge Thora); die Ik heb geschreven, zijn de Profeten en de Heilige Geschriften (Nevi’iem en Ketoeviem). Om hen te onderwijzen, is de Gemara, (de deductieve principes van de Thora). Leerstellingen, die alle werden gegeven aan Mozes op de Berg Sinai.

 

De geschreven Thora, zoals we lezen in de wekelijkse parasha, is integraal een eenheid met de Mondelinge Thora. Dus onze Parasha van Mishpatiem bevat de fundaties van de wetten uitgebreid uiteengezet in de vier van de zes orden van de Mishna, de Mondelinge Thora. Dus in Mishpatiem treffen wij sommige van de belangrijkste voorschriften aan van de orde van Zera’iem, zaden, met andere woorden, landbouwkundige wetten, van Nashiem, huwelijkswetten en van Nezkiem, schade en eigendomsrecht, leningen, legale procedures.

 

Aan het einde van Mishpatiem lezen we: ”En Mozes trad de wolk binnen en besteeg de berg en veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes op de berg” (Exodus. 24:18). Onmiddellijk daarna, in de volgende wekelijkse parasha van Teroema, begint de Thora de vormgeving van het Heiligdom, het prototype van de Tempel, uit te leggen en hoe het werd geconstrueerd en geïnaugureerd in de wildernis. Dit neemt het laatste gedeelte van Exodus in beslag, waarna we Leviticus binnen gaan en de wereld van het brengen van offers en rituele reiniging. Het brengen van offers en het rituele reinigen zijn de onderwerpen van Kedoshiem (heilige onderdelen en voorwerpen) en Taharot (zuivering), de laatste twee orden van de Mishna.

 

Deze Shabbat, na het lezen van de Thoralezing in de synagoge, zegenen we de komende maand van Adar, een maand waarin de Mazal van Israël dominant wordt.

 

Mishenichat Adar, MarBin BeSimcha!! Wanneer Adar komt, maximaliseren we Simcha!!

 

SHABBAT SHALOM             

      

 

   

 

PARASHAT JITRO

Jitro             Exodus. 18:1 – 20:23

 

We zijn allemaal bekeerlingen

 

Het is passend dat de parasha, die spreekt van het Geven van de Thora op de Berg Sinaï, is genoemd naar Jitro, de schoonvader van Mozes, een bekeerling. Inderdaad, al,  die getuigen waren van het Geven van De Thora waren “bekeerlingen”. Dus, zoals becommentarieerd in Parashat Shemot, het Verbond op de Sinai werd vergezeld van drie componenten van bekering: besnijding (Rashi op Exodus. 12:6), rituele onderdompeling in de waters van het Mikwe (Exodus. 19:10) en brandoffers (Exodus. 24:5). Want voor G’D zijn wij allen bekeerlingen, Geriem, “inwoners” in een land en op deze wereld dat niet ons maar G’D’s eigendom is. We zijn allen hier en existeren alleen bij de gratie van G’D, volkomen afhankelijk van Zijn goedheid en begaanheid.

 

Dus niemand kan claimen dat de Thora aan hem behoort door recht van voorvader of andere verdienste. Er is geen ruimte voor hoogmoed, arrogantie of een exclusiviteit. 

 De Thora is geen kaste. Het behoort alleen toe aan degene die zich aan de Thora houdt. De Thora was gegeven in de wildernis, in niemandsland, op de laagste van alle bergen, de Sinaï, het eeuwige symbool van nederigheid. Want alleen door nederigheid kunnen we de Thora “ontvangen” en aanvaarden, die alleen G’D behoort. Het ontvangen van de Thora betekent het beschikken over de nederigheid om te accepteren zoals het is, zoals het neerwaarts is gekomen tot ons, zonder poging tot “afzwakking of wijziging” naar onze eigen ideeën en wensen.

 

En als we bereid zijn de Thora te accepteren en te volgen zoals het is, als we voldoen aan NA’ ASE VE’ NISHMA: we zullen (eerst) DOEN en (dan) HOREN (en het begrijpen)” (Exodus. 24:7), dan kunnen we tot het besef komen, hoe de Thora ons onttrekt aan de slavernij van aardse fysiekheid met zijn vele valse goden. Dan kunnen we de stem van verlossing horen die ons elke dag roept: “Ik ben de Eeuwige, je G’D, die je uit het land Egypte heeft uitgevoerd, uit het slavenhuis. (Exodus. 20:2).

 

Slavernij tot de idolen van deze wereld is onterend. Doch de Thora verleent de grootste eer aan diegenen die de vermetelheid hebben om deze onderworpenheid te verlaten en “uit te gaan in de wildernis” om G’D te zoeken, zoals Jitro. Volgens de traditie, had Jitro in elke voorstelbare wijze van interpretatie van leven in deze wereld geïnvesteerd, elke zienswijze en “levensstijl”. Alleen toen Jitro tot HaShem en Zijn Thora kwam besefte hij waarheid. “Nu weet ik dat HaShem groter en boven alle andere goden is” (Exodus. 18:11). De Zohar becommentarieert: “Toen Jitro kwam en zei,  “Nu weet ik dat HaShem groter en boven alle andere goden is” verkreeg de Suprême Naam glorie en werd verheven” (Zohar, Jitro, 69). Met andere woorden, de revelatie van G’D’s Licht en Kracht krijgt zijn ware grootsheid wanneer het vanuit duisternis en verhulling wordt geopenbaard. Alleen wanneer we duisternis hebben gezien en zijn kracht kennen kunnen we de grootsheid van G’D’s reddende hand zien. Alleen wanneer men een slaaf was begrijpt men wat het betekent om vrij te zijn. Dit is “de superioriteit van het Licht dat komt uit het duister” (Prediker. 2:13).

 

Dus Jitro de bekeerling werd de eer verleend om de parasha, die van het Geven van de Thora beschrijft naar hem te vernoemen, die bijdraagt aan het hiërarchische systeem van “ hoofden van duizenden, hoofden van honderden, hoofden van vijftig en hoofden van tien” door welk de Kinderen van Israël rechtskundig werden geleid. Jitro’s naam bevat en verwijst ook naar een andere bescheiden bekeerling die grote eer werd verleend: Ruth de Moabitische, die de grootmoeder was van Koning David, Melech HaMashiach.

 SHABBAT SHALOM   

 

 

 

 

 

PARASHAT BESHALACH

En Hij Had Laten Gaan                  Exodus. 13:17 – 17:16

HET HELENDE PAD

Parashat Beshalach wordt altijd gelezen voorafgaand aan of zoals dit jaar feitelijk op de feestdag van Toe Bishwat [15e van de maand Shewat]. Vele mensen relateren dit aan het “Festival van de Bomen”. Echter de Mishna (Rosh HaShana. 1:1) verwijst er naar als het   “Nieuw Jaar van de Bomen”. Op een bepaald niveau is dit een toespeling op de Etrogboom, en het is gepast op Toe Bishwat om gebed te doen voor de Etrog die men wil nemen acht maanden later wil plukken op het feest van Soekot, want het is nu, na Toe Bishwat, dat het fruit zich begint te ontwikkelen en te groeien aan de bomen. Op een ander niveau is de “De Boom” een verwijzing naar de Levensboom, die nieuwe frisse vitaliteit begint te zenden in de wereld wanneer het voorjaar zijn aanvang maakt in het Land van Israël en het water van de winterregen de bomen binnendringt vanuit de grond, en hen geheel begiftigt met levensenergie.

 

“En zij kwamen naar Mara en maar zij konden het water niet drinken omdat het bitter was; daarom noemde men het ook “Mara”, bitter.

En het Volk mopperde tegen Mozes terwijl ze zeiden: ” Wat moeten we drinken”? Toen riep hij de Eeuwige aan en de Eeuwige wees een boompje aan, deze wierp hij in het water en het water werd zoet” (Exodus. 15:23-25).

 

De “Boom” die de bitterheid van het leven verzoet is de Thora, die ons voorziet van met het water van Da’ at, begrijpen, inzicht van hoe kwaad zich voegt met het goede als deel van G’D’s eenheid.

 

De eerste voorschriften van de Thora werden gegeven bij Mara: “Daar plaatste Hij voor hen [Israël] wetten en voorschriften en daar stelde Hij ze op de proef. En Hij zei namelijk, Indien je oprecht luistert naar de stem van de Eeuwige, je G’D en doet wat recht is in Zijn ogen, het oor neigt naar Zijn geboden en Zijn verordeningen in stand houd, dan zal Ik geen van de kwalen over je laten komen waarmee Ik de Egyptenaren heb geteisterd, want Ik, de Eeuwige, ben je heelmeester.” (Exodus. 15:25-26)

 

De wetten die gegeven werden bij Mara waren die van Shabbat , de Rode Koe (purificatie vanwege vervuiling door contact met een dood lichaam, en voorschriften in het onderhouden van relaties met anderen (zie Rashie op Exodus. 15:25). Alle drie hadden gemeen het begrip van helen gemeen. Alleen door Shabbat is het mogelijk om de veranderlijke status van Adam te helen, “met het zweet op je gezicht zult je brood eten”. De mens is gedwongen te werken in deze wereld. De enige bevrijding van deze slavernij (Egypte) is zich een dag van de week te onthouden van werk, om zodoende het werk van alle dagen van de week te verheffen tot dienst aan G’D. Het as van de Rode Koe is de oorsprong van het helen, (Efer betekent as en heeft de zelfde letters als de stam Rapa, helen), want als we niet kunnen herstellen van de dood en het integreren in onze visie van leven, kunnen we niet herstellen en genezen van wat dan ook. De voorschriften die onze relatie met anderen, in onze familie, echtelijke staat, zaken en andere betrekkingen reguleren, zijn de fundaties van sociale heling, die hand in hand moeten gaan met individuele heling.

 

Mogen we gezegend worden met gezondheid en kracht en het genoegen van het fruit van de Boom van het Leven, deze Toe Bishwat.

 

SHABBAT SHALOM 

 

PARASHAT BO

.Kom Exodus. 10:1 – 13:16

Rabbi JItzchak Luria

Sha’ar Ha Pesoekiem en Likoetei Thora

Het gedeelte van de Thoralezing deze week begint met de beschrijving van de laatste drie plagen, die van de sprinkhanen, de duisternis en het slaan van de eerstgeborenen. Het eerste vers leest:

De Eeuwige zei tegen Mozes, “Verschijn voor Pharao, want Ik heb zijn hart en het hart van zijn dienaren verhard, zodat Ik Mijn tekenen in van hem plaats.” ( Exodus. 10:1)

Pharao had geen enkele kennis ten aanzien van [het aspect van G’D dat wordt aangegeven door] de Naam Havayah en erkende in werkelijkheid [dat aspect welke wordt aangegeven door] deze Naam ook niet (G’D verhoede), zoals is geschreven, “Wie is de Eeuwige…..Ik ken de Eeuwige niet [Havayah]….” (Exodus 5:2) Nochtans erkende hij [het aspect van G’D dat wordt aangegeven door] de Naam Elo-hiem, zoals is geschreven, “Het is de vinger van G’D [Elo-hiem].” (Exodus. 8:15)

De Naam Havayah geeft de alles overtreffende superieure G’ddelijkheid aan, het aspect van G’ddelijkheid dat niet gebonden is aan de natuurlijke wetten van deze wereld. Elo-hiem daartegen geeft het aspect van goddelijkheid aan dat G’D gebruikt om de wereld te beheren en is dus onderworpen aan de wetten van de natuur. De numerieke waarde van Elo-hiem (86) is het zelfde als dat van het woord voor “natuur” (ha-teva). Pharao was de regeerder van Egypte, het Hebreeuwse woord voor Egypte (mitzrajiem) betekent letterlijk “begrenzing, afbakening, beperking.” Pharao en Egypte kenden G’D alleen als een aanwezigheid in de begrensde werkzaamheid van de natuur, de wetten van oorzaak en gevolg, het overleven van de sterkste, enzovoort. Hij was daarom het archetypische antithese van het Joodse begrip van G’D, de Schepper en daarom de heerser over de natuur.

Dit omdat Pharao zijn levensenergie [en bewustzijn] ontvangt van de hals van Zeir Anpin, in welke de drie onvolgroeide zielsvermogens aanwezig zijn, bekend als [Pharao’s voornaamste slager, voornaamste dienaar, voornaamste bakker.

Het intellectuele bewustzijn is compleet verschillend van dat van het emotionele, om het idee leven te laten schenken aan een emotie, moet het intellectueelbewustzijn grotendeels worden gereduceerd. Wanneer dit gebeurt en alleen de synoptische conclusie van het complexe intellectueel ontwikkelde idee blijft, is het bewustzijn van de persoon voldoende bevrijd van zijn voorafgaande intellectuele vooringenomenheid om emotioneel te reageren op het concept. Echter dit samentrekkende proces brengt een gevaar met zich mee, dat het volle intellectuele besef dat aanwezig was toen het bewustzijn zich concentreerde op het idee, zal worden vergeten. Als dit gebeurt, is de persoon gevoelig voor allerlei onechte ideeën en vervormde emotionele reacties.

Anatomisch wordt deze plaats, van het hoofd naar hart, aangeduid als de hals. Juist zoals het intellect moet slinken om tot emotie te komen, zo worden het hoofd en de torso overbrugd door de smalle doorgang van de hals.

De voorkant van het hoofd, en in het bijzonder het gezicht, reflecteert de volle expressie van het intellect (zoals is geschreven, “de wijsheid straalt de mens van het gezicht”, Prediker 8:1). De nek, zijnde de achterzijde van het hoofd, heeft geen contact met dit bewustzijn en impliceert daarom het gevaar van het vergeten van het belang van het idee, als het gaat reizen van het hoofd naar het hart. Aldus, het Hebreeuwse woord voor Pharao, pei, reish, ayin, hei, is opgebouwd uit de zelfde letters welke het woord “de hals” vormen, ha-oref, bestaande uit de letters hei, ayin, reish, pei.

De drie voornaamste kanalen welke afdalen door de hals zijn de luchtpijp, de slokdarm en de halsslagader. Deze drie zijn de fysische manifestaties van het samentrekken van de drie zielsvermogens van het intellect (chochma, bina en da’at) die emotionele reactie mogelijk maken, zoals we hebben gezegd. Aangezien zij het zielsvermogen van Pharao “voeden”, met andere woorden, dat van beperkt goddelijk bewustzijn, worden zij gepersonifieerd door de drie bedienden, de voornaamste slager, de voornaamste dienaar, de voornaamste bakker.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WA’ ERA

Ik ben verschenen Exodus. 6:2 – 9:35

Alle wonderen door G’D uitgevoerd in Egypte, welke alle bekende natuurwetten tartten, waren opgeroepen door de onuitspreekbare Vier Letternaam, het Tetragram, YOED KEY VAV KEY, die G’D symboliseert als ÈJÈ OWÈ JÈJÈ, Hij was, Hij is, Hij zal altijd zijn, de Ene, die de wereld heeft geschapen ex nihilo en die eeuwig is. De naam ELOKIEM daarentegen symboliseert natuur m.a.w. de natuurwetten. Het Hebreeuwse woord voor natuur is hatèwa en heeft dezelfde numerieke waarde als het woord ELOKIEM.

Volgens de Zohar representeert deze naam een kaw, een lijn, een uitgezette lijn, wetten volgens een bepaalde orde, m.a.w. justitie. De karakteristieken van alle levende creaturen werden bepaald door G’D, door oproeping van Zijn eigenschap ELOKIEM.
In de woorden van de Ari Zal ( Rabbi Jitschak Luria) : “Nadat G’D het ‘hareshimoe‘,” conceptuele ruimte of plaats” voor een universum had gecreëerd, creëerde Hij alles wat die “plaats” zou gaan vullen. Dit werd bereikt door middel van kaw, zoiets als een pijplijn. Het licht dat G’D creëerde drong de “plaats”binnen, die was voorbestemd voor het universum en verspreidde zich door kaw.
Het feit dat de onuitsprekelijke vier letternaam een “hogere” eigenschap is dan die van ELOKIEM, wordt gedocumenteerd in Exodus 18,11, toen Jitro, de schoonvader van Mozes, de superioriteit erkende van deze eigenschap van G’D, boven alle anderen: “kie gadol YOED KEY VAV KEY mikol ha ELOKIEM“, “Nu weet ik dat de Eeuwige groter is”.

Alle andere eigenschappen (namen) van G’D zijn ontleend aan de onuitsprekelijke vier letternaam.
Het was deze naam en wat het impliceert die G’D aanwendde toen Hij bovennatuurlijke wonderen liet voortkomen in Egypte. Telkens wanneer Mozes verscheen voor Farao, trad hij op als boodschapper van die bepaalde eigenschap.
Farao’s reactie in Exodus 5,2, was dat hij absoluut nooit had gehoord van een Godheid met z’n eigenschap “mie YOED KEY VAV KEY ashèr èshma bekolò“, “Wie is de Eeuwige, naar wiens stem ik zou moeten luisteren”?
Daarentegen had Farao geen problemen in het accepteren van G’D in Zijn eigenschap als ELOKIEM, zoals we weten van Genesis 41,38.

De Zohar becommentarieert al eerder Genesis 41,16 waar Joséf zegt: “ELOKIEM ja’anè et shalom par’o” “G’D zal wel antwoorden wat in het welzijn van Farao is”.
Rabbi Abba zegt: “Zie de slechtheid van Farao die beweerd nooit te hebben gehoord van G’D. Hij was uitermate slim en profiteerde van het feit dat Mozes zichzelf niet had aangediend als boodschapper van ELOKIEM, die hij niet had kunnen ontkennen, maar als een boodschapper van YOED KEY VAV KEY.
Hij vond het onbegrijpelijk dat Mozes niet kwam in dezelfde naam van G’D zoals de G’D van Joséf, welke voor hem herkenbaar was. Bovendien kon hij zich niet verenigen met zo’n inhoudelijke naam van G’D.
Wanneer de Thora schrijft: Exodus 9,12 “wajechazeek YOED KEY VAV KEY et – lev par’o” “Maar de Eeuwige sterkte Farao in zijn voornemens”…, dit betekent, dat door het gebruik van de naam, Farao’s hart werd gesterkt in zijn slechte voornemens.
Dit is de reden dat Mozes nimmer een andere naam van G’D aanhief in de confrontatie met Farao. Zover de Zohar.

Wanneer we de benadering volgen van de Zohar, komen we tot realisatie dat G’D nimmer interfereerde in de besluitvorming van Farao. De oorzaak van zijn halsstarrigheid was, G’D,’s zeggen “ani YOED KEY VAV KEY” ,” Ik ben de Eeuwige.” Wanneer G’D eerder in Genesis 7,3 tot Mozes zegt: , “Ik zal het gemoed van Farao verharden”, betekent dit impliciet: ” Mijn openbaring aan hem dat Ik YOED KEY VAV KEY de Eeuwige ben, zal zijn hart verharden”.

Toen de magiërs beseften dat de plaag van kiniem, zandvlooien, niet het resultaat was van de superieure magie van Mozes en Aaron (Exodus 8,15), beperkten zij hun erkenning van dat gegeven tot ELOKIEM, daarmee sloten zij YOED KEY VAV KEY uit.
Farao had de betekenis van ELOKIEM geleerd van Joséf; hij erkende deze godheid als superieur in vergelijking met andere godheden, maar zijn erkenning ging niet zo ver dat zo’n godheid zou kunnen heersen over zijn opvatting van de natuurwetten.
Farao begreep dat de existentie van het koninkrijk van ELOKIEM, welk waarschijnlijk groter was dan zijn eigen of van anderen, niet zou interfereren in de aangelegenheden van andere koninkrijken.
Er zijn vele koninkrijken in deze wereld die met elkaar co-existeren, ofschoon de ene machtiger is dan de ander.
Het is evenzeer mogelijk dat Farao G’D erkende als Heerser van het Universum, maar dit hield niet in dat G’D dit Universum had geschapen, maar eerder dat Hij Zelf deel uitmaakte van dit Universum. Andere filosofen stellen G’D voor als niet separeerbaar van deze wereld, zoals het licht van de zon.
Farao was zeer geërgerd en kwaad toen Mozes uitlegde dat er een andere, toegevoegde, hogere dimensie was van G’D. De reactie van Farao was dat hij de werklast van zijn Joodse slaven verhoogde, zoals we lezen in Exodus 5,9.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMOT

Namen          Exodus. 1:1 – 6:1

 

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

 

DE GOEDE KANTEN VAN SLAVERNIJ

 

ZOHAR II, P. 14b

 

“En de Egyptenaren dwongen de Israëlieten hard werk te verrichtten.” (Exodus. 1:13)

Rabbi Elazar vroeg Rabbi Shimon [bar Jochai], zijn vader, “Waarom beschouwde, de Heilige, geprezen zij Hij, het zenden van de Israëlieten neerwaarts naar Egypte, gepast?”

Hij antwoordde, ” Stel je mij één of twee vragen?”

[Rabbi Elazar] antwoordde: “Ik stel twee vragen: waarom werden zij in ballingschap gezonden en neerwaarts naar Egypte”?

[Rabbi Shimon antwoordde: “Feitelijk zijn de twee verbonden en worden één….De mystieke uitleg van dit is, zoals we hebben geleerd, ‘De wereld werd gecreëerd met de Tien Uitdrukkingen’ “. ( Pirké Awot)

Dit zijn de tien uitdrukkingen aan het begin van Genesis, beginnend met: “En G’D zei, ‘Er zij…..'” Deze corresponderen met de tien sefirot(Avodat HaKodesh 1:8), welke “uitdrukkingen” genoemd worden, omdat zij  G’ddelijkheid willen uitdrukken.

Maar als je het onderwerp nauwkeuriger bekijkt, zul je zien dat de wereld in werkelijkheid met drie sefirot werd gecreëerd, Chochma, tevoena [een aspect van Bina] en Da’at.

Zoals het vers bevestigt, “G’D grondvestte de aarde met wijsheid(chochma); Hij fundeerde de hemelen met begrip (tevoena) ; door Zijn kennis (Da’at) werden de diepten gespleten….” (Spreuken. 3:19-20) Ofschoon er tien Sefirot zijn, zijn deze niettemin vertakkingen van de andere zeven. ( zie o.a. Tanya hoofdstuk 3)

En de aarde was gecreëerd voor niets anders dan voor het belang van de mensheid.

Zoals de Zohar verklaart (Zohar I, p. 134b; 205b) op het vers, “Ik ben het die de aarde maakte en de mens erop creëerde”. (Jesaja 45:12)

Dus, toen de Heilige het verlangen had om de wereld te vestigen, creëerde Hij Abraham met het geheim van chochma. Het was om deze reden dat hij voordien was als “Avram” [in het Hebreeuws, “Abram”], Av Ram [letterlijk, “hemelse vader”, gerelateerd aan de partzoef van Abba/ “vader”en de sefira van chochma, aangevend het verheven niveau van chochma bekend als “het intellect dat is verborgen in al het denken” ( Thora Or, Lech lecha, p. 11a]. Alleen later verpersoonlijkte hij de eigenschap van Chesed, toen hij Abraham werd, “de patroon van vele natiën”. (Genesis, 17:5)

Idem, Izaak wordt geassocieerd met Bina, en Jacob met Da’at. Betreffende hem [Jacob] verklaart het vers, “Door Da’at worden de kamers gevuld”. (Spreuken, 24:4)

Het Joodse Volk vermenigvuldigden zich door handelingen van Jacob, die 12 zonen had, inhoudend de Joodse Natie.

Vervolgens werd de wereld met vastbeslotenheid gefundeerd.

Toen de twaalf stammen in deze wereld kwamen vanuit Jacob, was alles net zo gefundeerd zo als het was Boven.

De twaalf stammen corresponderen met de twaalf paden welke de sefirot van Zeir Anpin samenbindt met de zes sefirot van Chesed naar Yesod, in de hogere werelden. (Mikdash Melech)     

Toen de Heilige, geprezen zij Hij, zag hoe de lagere wereld zich enorm verheugde [wegens het feit] dat zij waren gemaakt in de gelijkenis van de Hogere Wereld, zei Hij, “Misschien zal Israël zich vermengen met de andere naties en daarom schade veroorzaken aan alle andere werelden?”

Aangezien zij een reflectie zijn van de hogere werelden, zoals boven wordt vermeld, elke bevlekking hier beneden veroorzaakt een overeenkomstige bevlekking boven.

Wat deed Hij? Hij deed hen verhuizen van plaats naar plaats, tot aan het tijdstip dat zij afdaalden naar Egypte, waar zij verbleven te midden van een minachtend volk, welke de gewoonte en gebruiken van de Israëlieten zouden minachten [die herders waren, en de Egyptenaren schapen aanbidden] en afkerig waren om zich met hen te huwen en met hen te vermengen. Zij zouden hen als slaven beschouwen en de mannen zouden hen verafschuwen [de Joodse vrouwen] en de [Egyptische] vrouwen zouden hen verafschuwen [de Joodse mannen], tot het heilige zaad zich had gevestigd….zodat zij als een heilig volk Egypte zouden verlaten, zoals geschreven staat, “…. de stammen van G’D, een getuigenis van Israël”. (Psalm. 122:4)

Met andere woorden, de ballingschap in Egypte had zijn positieve kanten, het beschermde het Joodse Volk, zoals doornen de roos beschermt. (zie Zohar II, p. 189b)

SHABBAT SHALOM  

 

PARASHAT WAJECHÍ


En hij leefde (Genesis 47:28 – 50:26)

Zohar, blz. 212b

Rebbe Shimon Bar Jochai legt, in de onderstaande vertaling uit, hoe een persoon de G’ddelijke aanwezigheid ertoe brengt om in hem te verblijven en wat het ertoe brengt om te vertrekken.

Kom en zie. “En toen hij de wagens zag, die Joséf gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest [roe’ach] van hun vader Ja’akov weer op [vatechi].” (Genisis. 45,27)

Het schijnt alsof zijn geest in eerste instantie dood was en zodoende niet een andere geest kon ontvangen.

Het woord “vatechi” in ons citaat, betekent, terugkomen, herleven of voortbestaan. Rebbe Shimon stelt nu, hoe iets, dat opgehouden heeft te bestaan, weer tot leven kan komen. Roe’ach is één van de drie niveaus van de ziel, die uit een opgaande spirituele orde bestaat vanNefeshRoe’ach en NeshamaNefesh is de bruisende levenskracht die via het bloed door het lichaam stroomt, het lichaam stimuleert en in staat stelt om te functioneren. Roe’ach is de levenskracht die een voertuig is voor de Neshama, analoog aan de wijze waarop het lichaam een voertuig is voor het manifesteren van de Nefesh. De andere geest die door de Roe’ach kan worden afgestemd voor ontvangst, is deNeshama / ziel en de Shechina of G’ddelijke Geest.

Dit is omdat de hogere geest niet verblijft in een leeg verblijf.

De hogere geest hier refereert aan de Shechina die niet verblijft of rust op een persoon die geen Neshama heeft. Daarom, zodra Ja’akov het nieuws hoorde dat Joséf leefde, moet hij zijn Neshama terug hebben verdiend, implicerend dat onmiddellijk ook zijn Roe’ach weer opleefde.

Rabbi Jossi zegt dat de Shechina op geen enkele plaats verblijft die niet compleet is, of in een plaats met een smet, of in een plaats die droef is.

Rabbi Jossi gaat nu uitleggen waarom de Shechina tot dit punt niet verbleef op Ja’akov. Een persoon die niet deze drie spirituele niveaus heeft verworven, heeft nog niet het werk gecompleteerd wat een vereiste is voor verbetering van iemands Sefirot, en de emotionele en intellectuele niveaus die zij impliceren. Wat inhoudt dat zijn spirituele opmaak een smet heeft. Zijn wandaden weerhouden zijn spirituele completering, een reden dat hij niet waardig is een verblijf te zijn voor de Shechina. Droefheid is ook een reden omdat het een positief gebod is om G’D te dienen in vreugde. Een staat van droefheid weerhoudt een iemands vermogen om G’D op de juiste wijze te dienen.

Integendeel, de Shechina verblijft in een plaats die af is, een vreugdevolle plaats.

Een plaats die klaar is om een verblijfplaats te worden voor deShechina is een persoon die eerlijke vreugde heeft in het uitvoeren van de mitswot, geboden.
De herkomst van vreugde is de sefira van bina, welke zowel is verbonden met het hart als met het verstand. Vreugde kan daarom in een persoon doordringen en dienen als een verstandelijk geestelijk raamwerk die de persoon in zijn geheel beïnvloedt, net zoals het hart het hele lichaam beïnvloedt.
Een vreugdevol persoon is verenigd in lichaam en geest en kan daarom een drager, een voertuig zijn voor de manifestatie van een hogere eenheid, de Shechina. Dit is niet mogelijk in een droevig persoon.

Daarom verbleef de Shechina niet op Ja’akov gedurende de jaren dat hij droevig was. Dat waren de jaren dat Joséf was gescheiden van zijn vader.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde (Genesis 44:18 – 47:27)

 

Het paradigma van Hemel en Aarde manifesteert zich op alle niveaus van de Schepping: ziel en lichaam, “lichtstralen”en”vaten”, openbaring en verhulling, studie en daden, mannelijk en vrouwelijk, zelfbewustzijn versus onzelfzuchtigheid, etc.

Het lichaam is inherent superieur aan de ziel. Omdat de ziel dit gewaar is, gaat het akkoord met de verlaging in het lichaam. Maar in de huidige situatie van de wereld, is de ziel superieur en dient als bron van leven en hulp voor het lichaam. Het lichaam heeft de ziel nodig om zijn kracht te reveleren en te cultiveren. In de Messiaanse Tijd zal de superioriteit van het lichaam duidelijk worden.

De vrouw is inherent superieur aan de man. Zij heeft het vermogen om leven te scheppen. De man is niet in staat om leven te creëren. Doch, in deze wereld, heeft de vrouw de man nodig en moet hem ontvangen, om haar scheppingsvermogen te kunnen manifesteren. In de Messiaanse Tijd zal de vrouwelijke superioriteit duidelijk worden.

Daad, de praktische uitvoering van de G’ddelijke Wil, is superieur aan studie en G’ddelijk bewustzijn, liefde en vrees. Doch in deze wereld is “studie” superieur, aangezien het leidt [en cultiveert] naar daden. In de toekomst zal de superioriteit van de daad duidelijk worden.

En Jehoeda trad op hem (Josef) toe en sprak: In mij [gewoonlijk vertaald als ‘alstublieft’], mijn heer…” (Genesis. 44:18)

Josef en Jehoeda zijn representatief voor Hemel en Aarde.
“Josef “, betekent in het hebreeuws “toenemen, stijgen, groeien”.
Hij is als een oprijzende cederboom die grote hoogten bereikt. Hij isZeir Anpin van Atzlioet, de “emoties”van de sefirot, welke groei ervaart.
Jehoeda daarentegen representeert Malchoet van Atziloet, de onzelfzuchtige, vandaar zijn naam “Jehoeda”, van de hebreeuwse stam “hoda’a” wat erkenning en nederigheid betekent.
De Zohar schrijft, “En Jehoeda trad op hem (Josef) toe“, dit is het samenkomen van de ene wereld met de andere. Namelijk, de lagere wereld Machoet nadert de hogere wereld Zeir Anpin, om ondersteund en gecultiveerd te worden.
Dit was de vervulling van Josef’s droom waarin alle stammen, “vergaarde schoven”, zich rondom hem schaarden en bogen naar Josef’s schoof.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT MIKEETS SHABBAT CHANOEKA

AAN HET EINDE      GENESIS. 41:1 – 44:17

Rabbi Shimon bar Jochai

 

 Zohar. P. 197a

De lessen van Rebbe Shimon Bar Jochai beginnen met de woorden “Kom en zie”, wat kan worden geïnterpreteerd als een instructie om de “Boom van het Leven” of “Boom van de Sefirot” te visualiseren, op het moment dat je leert. Dit helpt je de verhoudingen tussen de gevarieerde gebieden van energie te begrijpen, zoals zij worden uitgelegd in de tekst. In onze parasha van vorige week werd een afbeelding van de “Boom van de Sefirot” weergegeven.

 

KETER

BINA

CHOCHMA

(DA’AT)

GEWOERA

CHESED

TIFERET

HOD

NETSACH

YESOD

MALCHOET

 

Kom en zie; “Hij, [Far’o] liet hem rijden in zijn tweede statiekoets en men riep voor hem uit: “Avrech” [vertaald als “buig de knieën”]; en zo stelde hij hem aan over heel het land Egypte.” (Genesis. 41: 43) Wat is avrech?

Reeds hebbend uitgelegd dat het tweede voertuig inhoudt, dat Josef de Tzadiek rijdt, of als een tweede wagen boven het vehikel van Malchoet zweeft, maakt Rabbi Shimon nu duidelijk hoe deze twee zich verenigen, hij richt zich daarbij op het woord “avrech“, om bepaalde betekenissen te analyseren.

Avrech” betekent, relatie, verband, verbinding, implicerend de connectie door welke de zon en de maan met elkaar zijn verenigd.

Het totaal aantal lichtstralen dat uitgezonden worden door de zon zijn analoog aan de sefira van Yesod, die deze stralen verzameld en concentreert en trouw overlevert aan de maan.

Het woord “avrech” impliceert het verbindingsgewricht in de benen wat de “berechl” heet, m.a.w. de knie. De knie is het verbindingsstuk waarop het hele lichaam buigt naar de koning. Opmerkelijk is de connectie tussen buigen en koninkrijk en het woord “rijbroek” die vastgemaakt wordt net onder de knie. Het hele lichaam is er op gemaakt om zich, op een gepaste manier met een koning te verbinden, door te buigen, een kniebuiging en het buigen van het hoofd en lichaam, om aan te geven dienstbaar te zijn aan hem. In de Mishna Kil’ajim 7:1 wordt het gebruikt in het beschrijven van het buigen van een tak van een wijngaard om het te planten in de aarde, buigen en verbinden, brengt een nieuwe stroming teweeg van de hoofdbron om tot groei te komen. De zon representeert het actieve aspect van G’ddelijkheid, dat Zeir Anpin wordt genoemd. Dit aspect is weergegeven in de maan, het passieve receptieve aspect van G’ddelijkheid, wat Malchoet, Koninkrijk wordt genoemd. In meditatief gebed wordt dit gerepresenteerd door de combinatie van de letters van Havayah en Ado-nai.

Iedereen boog zodat deze positie verkregen kon worden.

De precieze handeling van buigen verlaagt het lichaam over de voortplantingsorganen, wat yesod is.

Mensen drukken onderworpenheid uit door te buigen naar hun origine van levensonderhoud (“de koning”), door hun eigen essentie symbolisch weg te cijferen naar degene die hun kan onderhouden. Een andere vorm van het stamwoord “avrech” is “beracha“, wat “zegen” of “vijver, poel” betekent. Hier is het concept dat buigen de aanbidder wegcijfert en de mogelijkheid schept om een zegen te verkrijgen uit de “vijver” der zegeningen van boven. Buigen brengt een overvloedige stroming teweeg van de poel naar de vereerder.

En hij, Josef, was aangesteld over de wereld, en iedereen gaf zijn dankbaarheid aan hem [voor de overvloed die zij ontvingen].

De sefira van yesod “heerst over” alles, omdat de essentie van elke sefira er doorheen wordt gekanaliseerd, naar de sefira van Malchoet. Daarom geeft Malchoet alleen dat weer, wat het verkrijgt van yesod, daarom kan er gezegd worden dat yesod heerst over Malchoet.

Josef stond hier model voor, hij controleerde en verzamelde alle afdrachten van Egypte en gaf deze over aan het koninkrijk, dat het vervolgens distribueerde over het door hongersnood getroffen land. Allen betuigden aan hem hiervoor hun dank.

Daarom is alles [wat je ziet in deze wereld] een weerspiegeling van een hogere mysterie. Kom en zie; De Heilige, geprezen zij Hij, maakt het [functioneren] van het Koninkrijk in de [fysieke] wereld zoals dat van het hemelse [spirituele] Koninkrijk. Bovendien, alles wat wordt gedaan in de [fysieke wereld], is reeds daar [in spirituele vorm] voor de Heilige, geprezen zij Hij, voordat het [fysiek] plaats vindt.

Deze klassieke uitspraak is een van de meest fundamentele leringen van de Zohar. Deze wereld en de spirituele wereld zijn intiem verbonden. Elke handeling hier heeft een reactie in de spirituele regionen en die op zijn beurt heeft invloed op toekomstige gebeurtenissen. De wereldse existentie en elk facet van ons dagelijks leven is vol van de hoogste spirituele mysteries en een verwijzing hoe het totale universum wordt geregeerd. Een van de betekenissen van het stamwoord van “kabbala” in het Hebreeuws is “parallel”, verwijzend naar het feit, dat wat wij fysiek doen, de spirituele sferen effectueert. De logische uitkomst van deze lering is, dat wij veranderingen kunnen teweeg brengen in de spirituele sferen, en op hun beurt het spirituele in het fysieke. Dit is de beredenering achter het gebed voor specifieke resultaten en het doen van handelingen in deze wereld om op eventuele besluiten of beslissingen invloed uit te oefenen in de spirituele sferen, ten aanzien van de uitkomst van onze gebeden.

Kom en zie; Het Heilige Koninkrijk verkreeg geen volledige soevereiniteit [in de fysieke wereld] totdat het werd verbonden door de Voorvaderen.

Na het terugvallen van Adam en Eva van hun hoge niveaubewustzijn van Ware G’ddelijkheid, was alleen aan de mensheid overgelaten een beperkt bewustzijn van “goed en kwaad”, in plaats van Een Levende G’D. Dit resulteerde in een afnemende invloed van het G’ddelijke, aangezien wat hier beneden gebeurt, boven een effect heeft. Abraham, Izaak, en Jacob, door hun doelgericht aanhankelijk bewustzijn van de Enige G’D, herstelden dit spiritueel niveau en brachten het terug in de realiteit van deze wereld. Daarom worden zij de voertuigen van het G’ddelijke genoemd. In de taal van “sefirotaliteit“, betekent dit, dat elk een specifieke sefira rectificeerde door welk het G’ddelijke duidelijk meer tastbaar en meer voelbaar werd in deze fysieke wereld, het zij door miraculeuze gebeurtenissen of door hun levensstructuren zoals die zijn verhaald in verscheiden episoden van de Thora. Daarom zijn hun handelingen en de gebeurtenissen die in hun leven plaatsvonden zo van belang met betrekking tot het begrijpen van het G’ddelijk functioneren in de fysieke wereld.

[Dit is] omdat de Heilige, geprezen zij Hij, Zijn Hoger [spiritueel] Koninkrijk laat schijnen in het mysterie van de Voorvaderen.

Het geheim van de Voorvaderen is, dat hun leven elk een archetype was voor één van de sefirot, waardoor G’ddelijkheid kan worden ervaren op een gedoceerde wijze. Abraham was Chesed, Izaak Gevoera, Jacob Tiferet en Josef yesod. Daarom laat het bestuderen van hun levensverhalen en handelingen zien, op welke wijze deze sefirot opereren en het spiritueel bewustzijn van de student verhogen, zodat hij in staat wordt gesteld om een glimp op te vangen, op welke wijze de spirituele werelden zich reflecteren, in elk facet en realiteit van het dagelijkse leven.

SHABBAT SHALOM EN CHAG SAMEACH CHANOEKA

 

PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

We moeten altijd uitgaan van de stelling, dat heel Israël wordt gezien als nèfèsh echad, één ziel, één levenskracht. Israël als geheel wordt aangehaald met de titel adam. Als geheugensteuntje voor dit feit dienen Ja’akov’s familieleden, zesenzestig in aantal, welke verhuisden van het land Kana’an naar Egypte in Genesis 46,26 en waar zij verwezen worden als nefesh, ziel, of persoon, in het enkelvoud. Juist zoals een lichaam 248 ledematen en organen heeft, bestaat het nationale Joodse lichaam, adam, eveneens uit een groot aantal delen.
De Zohar verwijst naar deze delen als sheeivà degoeva, spaanders of splinters van een lichaam.
Er zijn uiteraard importantieverschillen tussen de diverse delen van een regulier lichaam. Dit geldt eveneens in de beschrijving van de lichaamsdelen die de Joodse Natie vormen. Er is een hart, een oog, een hand, etc. Echter, juist zoals alle delen verenigt een heel lichaam vormen, vormen alle delen van de Joodse Natie een unit. De unit, gecreëerd door deze verschillende delen, verenigt en vormt vervolgens in zich, de markawa, voertuig, de spirituele tegenhanger van de terrestrische mens in de Celestische Regionen.
Deze celestische adam is verstandelijk waarneembaar als zittend op de troon welke één van de 248 spirituele ledematen en organen is dat de basis vormt van 248 positieve geboden, welke, indien uitgevoerd door de terrestrische mens, zijn ware bron van leven is “oeshmartem èt-choekotai we’èt- mishpatai asher ja’asèotaam ha’adam wachai bahem ani hashem” “Houden jullie je aan Mijn wetten en aan Mijn rechtsvoorschriften; de mens die deze nakomt zal er door leven”. (Leviticus 18,5)
Met als resultaat dat een persoon die zich separeert van de gemeenschap en een lifestyle nastreeft die niet acceptabel is aan 18,5, zich afzondert van het leven. Als een ledemaat zich losmaakt van zijn lichaam, zal hij sterven.
Dit is de betekenis van het opleggen van een chèrem, een ban, of excommunicatie. Z’n persoon is op weg naar chormah, vernietiging. (Deuteronomium 1,44)
Daarom is de numerieke waarde van het woord chèrem, 248. Israël’s essentiële voordeel over de andere volkeren is, dat het een samengesteld geheel vormt, een unit. Onze wijzen hebben dit duidelijk onderstreept toen zij het Shabbat Mincha, middaggebed, hebben samengesteld waarin zij benadrukken dat juist zoals G’D uniek is in Zijn één zijn, ook Israël uniek is in het zijn van één enkel unit als een volk.
Net zoals is gezegd van de Onuitsprekelijke Naam “G’D is ÉÉN en Zijn Naam is ÉÉN,” (Zacharia. 14,9) zo zijn Ja’akov en de twaalf stammen de parallel van de twaalf combinaties waarop de Onuitsprekelijke vierletter Naam van G’D kan worden geschreven. En de Zohar opparashat Wajeetsée verklaart: De verhouding tussen ‘Ja’akov en de twaalf stammen’ en ‘Josèf en de twaalf stammen’ is respectievelijk analoog aan de verhouding tussen “hashem èchad, G’D is ÉÉN” en “weshemo èchad, Zijn Naam is ÉÉN”.

 

SHABBAT SHALOM