PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond   Genesis. 32:4 – 36:43


 

Kwaad zit gehurkt aan de deur

Iemands inclinatie jegens kwaad, zowel als die jegens goed, brengt iemand dichterbij G’D.

Zohar, p. 165b

En Jacob zond afgezanten voor zich uit naar zijn broer Esau, naar de rode velden van het Se’ier, het gebied van Edom.

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers:

Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen. (Psalm. 91:11)

Dit vers werd uitgelegd door de collega’s met de betekenis dat op het moment wanneer iemand in deze wereld komt de “Yetzer Hara” al op hem wacht.

De “Kwade Inclinatie” is de kenmerkende vertaling van de “Yetzer HaraDe stam van het woord “yetzer” is “teweegbrengen” en refereert aan hoe iemands dierlijke drang probeert te voldoen aan behoeften op welk moment dan ook. Vanaf de geboorte verlaat deYetzer Hara iemand niet.

De Yetzer Hara staat voortdurend klaar om iemand te verstrikken in het verkeerd doen van dingen en gaat er vervolgens toe over om hem aan te klagen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers, “Zonde [in het Hebreeuws, Chatat] zit gehurkt aan de deur op de loer, klaar om toe te slaan. (Genesis. 4:7) Wat is dat het gehurkt zitten, wacht om toe te slaan, zodra een persoon uit zijn moeder tevoorschijn komt in deze wereld? Het is de Yetzer Hara. Koning David refereert eveneens aan de Yetzer Hara als “Chatat” als hij zegt, “En mijn zonden [Chatatizijn altijd vóór mij”(Psalm 51:5). DeYetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, elk moment, om een persoon in de ogen van G’D in een slecht daglicht te plaatsen en vanaf het moment dat hij geboren is hij verlaat een persoon niet.

De Yetzer Tov [de Goede inclinatie] komt in een mannelijk persoon wanneer hij de leeftijd van dertien heeft bereikt [en bij meisjes in de leeftijd van 12], dit is de leeftijd waarop een persoon in staat is om zichzelf te purificeren en zich te verbinden met zijn spirituele oorsprong door het doen van mitzwot. Op die leeftijd wanneer een persoon verplicht is om mitzwot uit te voeren, komt de Yetzer Tov om hem te assisteren en de inclinaties verenigen zich met de persoon, de Yetzer Tov aan zijn rechter zijde en de Yetzer Hara aan zijn linker zijde. Deze twee inclinaties zijn in wezen engelen, pure spirituele krachten, en zijn belast met het beschermen van de persoon tegen alles wat hem schade zou kunnen berokkenen. Zij verlaten de persoon nooit. Als de persoon besluit om zichzelf te purificeren en terug te keren naar zijn spirituele oorsprong, onderwerpt de Yetzer Harazich aan de Yetzer Tov en de inclinatie om goed te doen heerst over de inclinatie die slecht doet. Beide verenigen zich door wederzijdse goedkeuring, om de persoon te behoeden voor het doen van kwaad overal waar hij gaat. Om die reden zegt het vers, “Hij zal Zijn engelen aan jou ter beschikking stellen, om op je te passen overal waar je zult gaan”. De engelen refereren aan de twee inclinaties en wanneer een persoon beslist om zijnYetzer Tov te versterken over zijn kwade inclinatie, dan zal de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil zeggen, “Amen”.

 

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok Genesis 28:10 – 32:3

“Ot hajom gadol lo-ét hé’aseef hamiknè hashkoe hatzon oelchoe rè’oe”, “De dag is nog zo lang,het is toch nog geen tijd dat de kudden bijeen gedreven worden.” (Genesis. 29,7)
Toen Ja’akov de herders vermaande dat hun werkdag nog niet ten einde was, betoogde hij dat het in het belang van iedereen is om anderen aan plichten te laten herinneren, wanneer zij tekort schieten.

De Zohar in parashat Wa’etchanán (Sullam editie pagina 62), becommentarieert Ja’akov’s uitspraak, dat de dag nog zo lang is, dat als Israël teshoewa, zou doen, haar verbanning niet langer dan een dag zou voortduren, en dat het zou terugkeren naar het Heilige Land. Dit is gebaseerd op Klaagliederen 1,13: “Hij plaatste mij in verlatenheid en liet mij de hele dag in misère.” Als Israël faalt om tot inkeer te komen, zegt G’D: “de dag heeft een lange tijd te gaan , het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen” [Een dag in het perspectief van G’D is duizend jaar]. Echter, er is een remedie voor Israël namelijk, “ga en geef de kudde te drinken,” m.a.w. laat de mensen Thora leren, drink de waters van Thora, dan kun je gaan naar de plaats waar je rust vindt, naar het Land Israël, je nalatenschap. Een alternatieve mening interpreteert het vers als een referentie naar de dag van beroering, de dag waarop de Tempel werd verwoest en Israël gedwongen was om in verbanning te gaan. Wegens Israëls imperfectie, heeft die dag een lange weg te gaan, m.a.w. “de dag is nog steeds lang” het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen. Aangezien het aan hen zelf te wijten was dat de dag lang duurde, is de remedie, het leren van Thora, zoals de eerste visie in deze Zohar. Aangaande laatstgenoemde visie, antwoordde Israël op deze oproep met de passage van de herders Genesis 29,8, “lo noechal ad asher jé’asfoe kol-ha’adriem wegalloe et-haèwen méal pie habeèr”, “Dat kunnen wij niet voordat alle emanaties bijeen zijn, dan kan men pas de steen (verbanningdecreet) van de bronopening wentelen”; “op die dag wordt de bron, m.a.w. de toegang tot de kennis van Thora, toegankelijk en de kudde kan van water worden voorzien.”
De samengebundelde krachten van de emanaties rollen de zware steen weg, het wrede decreet van de mond van de bron, m.a.w. de laagste van de emanaties malchoet, zodat de Thora in de be’èr, bron, in staat zal zijn om ons gedurende de rest van de verbanning te ondersteunen en onze kudde (Volk) van water te voorzien (ondersteund door Thora). Aan het einde van deze lange “dag,” zal G’D ons terug leiden naar Erets Jisraël, het Land Israël. Als Bilam spreekt over de “be achariet hajamiem”, “einde der dagen” waarin Israëls vergelding wordt beschreven op Moab (Numeri. 24,14), refereert hij aan de periode gedurende welke Israël heeft geleden in verbanning en aan het eind waar G’D die naties zal vergelden die zich tegenover Israël hebben misdragen tijdens die verbanning. De “dag” waarover Ja’akov spreekt tegen de herders is een verwijzing naar deze “be achariet hajamiem”, “einde der dagen.” Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9

We hebben reeds eerder uitgelegd dat de esoterische dimensie van ma’aser, tienden, kenbaar wordt gemaakt door de drie dimensies van de letter joet welke ontplooit in drie giften aan het Joodse Volk, met andere woorden, Thora, Erets JisraëlOlam Haba. Het concept Thora kan worden samen gevat door de letter joet, met andere woorden, De Tien Geboden, welke symbool staan voor alle 613 geboden van de Thora. Het totaal aantal letters in de Tien Geboden is 613 (de letter joet heeft een numerieke waarde van 10). De Tien Geboden zijn heilig.

De tweede gift is Erets Jisraël; de Mishna Keliem 1,6 beschrijft tien successievelijke fasen van heiligheid, van heilige gebieden, Erets Jisraël, als zodanig is de bodem van de lijst van deze heilige gebieden.
De volgende, de hogere graad van heiligheid, is gegrondvest in ommuurde steden (daterend uit de tijd toen Jozua het Land veroverde) binnen Erets Jisraël, gevolgd door plaatsen binnen de ommuring van Jeruzalem, gevolgd door de Tempelberg enzovoorts, tot aan het Heilige der Heilige, in het Heiligdom, De Heilige Tempel.

De derde gift aan het Joodse Volk is de gift van Olam Haba, de Komende Wereld, welke we naar weten was gecreëerd met de letter joet in tegenstelling tot de huidige wereld, welke was gecreëerd met de letter .
De Erets Jisraël in onze wereld moet gezien worden als “tegenovergesteld” aan hetzelfde gebied in een “hogere” wereld aangehaald, door Jesaja, 60,21: “Uw volk (Israël) is rechtvaardig; het zal een eeuwig land erven.”
Dit “eeuwig” land is een esoterische dimensie van de tien directieven waarmee G’D het universum creëerde. We weten dat een enkel directief de nucleus was van alle andere directieven, juist zoals de eerste van de Tien Geboden de nucleus is voor alle anderen geboden. Het kan daarom worden omschreven als het Kodesh Kodoshiem, het Heilige der Heilige. Al deze giften zijn direct gerelateerd aan de patriarchen.
De gift van Erets Jisraël begon werkelijkheid te worden toen Izaak werd verboden om het land te verlaten, zelfs tijdens een periode van hongersnood en G’D legde uit dat dit was omdat dit land was gegeven aan hem en zijn nakomelingen. (Genesis. 26, 2-3)


SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT CHAYEE SARA

De leeftijd van Sara (Genesis 23:1 – 25:18)

Het is een grote mitzwa om de doden te begraven en te eren en zich speciaal veel moeite te geven in het eren en loven van een Thorageleerde en te treuren over zijn heengaan. Abraham leert ons dit zoals de Thora weergeeft: “wejawo avraham lispod lesara welivkotá,” “Abraham kwam om te weeklagen over Sara en om haar te bewenen. (Genesis. 23,2)
Dit ondanks het feit dat deze opdracht niet als een separaat positief gebod deel uitmaakt van de 613 geboden, is het mede opgenomen in het algemene gebod, “wehalèchet bidragav” “trachten G’D’s wegen te evenaren”; juist zoals Hij de doden begraaft (aanhalend het begraven van Mozes door G’D) zo wordt ook aan jou opgelegd om de doden te begraven.

Het hele thema van begraven is verbonden met Genesis 3,19: “kie-afar àtá weèl-afar tashoev,” “want stof ben je en tot stof zul je terugkeren.”
Adams origine was stof van aarde. Onze wijzen karakteriseren de handeling van G’D als het nemen van aarde van de plaats die beschreven is in Exodus. 20,21: “mizbach adama taàsè-lie,” “Maak voor Mij een altaar van aarde” (Talmoed Jeroeshalmi, Nazir 7,2).
De wijzen beschrijven eveneens dat G’D een beetje stof nam, van elk deel van de wereldbol, zodat, waar dan ook een mens kwam te overlijden, de plaatselijke aarde zijn overblijfselen niet zou weigeren, aangezien hij daar deel van uitmaakt (Rashi, Genesis 2,7).
Beide verklarende uitspraken zijn accuraat en wijzen in dezelfde richting.
Het is algemeen geaccepteerd dat Adam, alle opeenvolgende generaties van de mensheid in zich verenigt, want hun existentie was enkel en alleen door hem. Onze wijzen beschrijven de latere opéén volgende mensheid als zijnde gerelateerd aan Adam door zijn hoofd, zijn ogen, zijn haar, etc. [In huidige termen betekent dit, dat onze genen deel uitmaakten van de genen van Adam.]
Zelfs in de dood is de mens niet volledig gescheiden van Adams origine; Adam was gecreëerd van heilige grond, grond,vanuit de plaats van het altaar van aarde. Dat brok aarde op zijn beurt, bevat aarde van alle delen van de wereld, aangezien die plaats, de plaats is waarvan de gehele aarde zijn voeding ontvangt.
Had Adam zich niet negatief gedragen, zou hij voor eeuwig hebben geleefd. Maar omdat hij zich negatief had gedragen, werd hij verdreven uit de Tuin van Eden, omdat G’D hem wilde weerhouden te eten van de boom van het eeuwige leven en daardoor voor eeuwig zou leven. Hij werd sterfelijk.
Het ervaren van de dood wanneer het gaat om het sterven van een Zijn toegewijde, is iets zeer kostbaars in de ogen van G’D (Psalm. 116,15), want het stelt de mens in staat om terug te keren naar zijn verheven plaats in Gan Eeden, Tuin van Eden, om voor eeuwig te leven. Eenmaal daar, zal zijn ziel stijgen naar immer hogere niveausferen. De reden dat Adam was begraven in de grot van Machpela is, omdat zij een opening is naar Gan Eden. De Zohar op Chayee Sara, pagina 28 van de Soellam editie zegt: Abraham herinnerde zich een verborgen teken in de grot nadat hij had gezien dat Adam en Chava daar waren begraven.
Hoe kon hij dat weten? Per slot van rekening, had hij ooit Adam en Chava gezien?
Hij had een visioen van Adam die een deur opende naar Gan Eden. Adam had in Gan Eden een bepaalde tijd geleefd, het was daarom passend dat hij daar aangrenzend werd begraven. De Zohar vervolgt dat iedereen die een visioen heeft van Adam onmiddellijk zal sterven. Abraham echter, zag een geestelijke verschijning van Adam en overleefde. Hij hield het licht in de grot in stand door het branden van één kaars. Vanaf dat moment had hij het verlangen om eveneens daar begraven te willen worden. Tot zo ver de Zohar.
Ofschoon we hebben verklaard dat alle opéén volgende generaties na Adam elementen van hem in zich dragen, is de link naar Adam er alleen via de patriarchen, die als het ware als een soort tussenpersoon fungeerden.
Abraham, Izaak, Ja’akov zijn de enige mensen die, awot, vaderen, Patriarchen, worden genoemd. Het zelfde geldt voor de Matriarchen. Alleen Sara, Rebecca, Rachel en Lea worden imahot, moeders, Matriarchen genoemd.
Wij worden als hun kinderen beschouwd, aangezien zij de wortels, de stam, zijn en wij de takken.
Maar dit proces nam zijn aanvang primair met Adam en Chava, die beide tezamen adam, mens, genoemd worden.

SHABBAT SHALOM

OPGEDRAGEN TEN NAGEDACHTENIS VAN LEVI BEN JEHOEDA.

PARASHAT LECH LECHA

Ga jij             Genesis 12:1 – 17:27

 

Rabbi Shimon bar Jochai.
Zohar, pg. 82a

De Zohar verklaart waarom de eerste zegen, in het Stille Gebed, Shemoné ‘Esré, “Geprezen U, Eeuwige, beschermer van Awraham” is. Het was Koning David, een soldaat, die streed met een fysiek schild, maar zich ook verliet op G’D’s bescherming. Waarom zeggen we dan niet “Beschermer van David”?

Rabbi Jossi opent zijn verhandeling [de uitzonderlijke natuur van Abraham uitleggend] met het citaat “U bent een beschermer voor mij,U houdt mij in ere en heft mijn hoofd op”. (Psalm 3:4) Hier zegt David, dat zelfs als de hele wereld zich tegen hem zou verenigen, om oorlog te voeren [zou hij geen vrees hebben voor een nederlaag] omdat “U bent een beschermer voor mij”. [m.a.w zij kunnen mij geen schade toebrengen.] Kom en zie. De Tekst zegt “een beschermer voor mij” dit betekenent dat David zegt tegen G’D, “Heer van het Universum, waarom is het dat mijn naam niet wordt gebruikt in het maken van een zegen in het Stille Gebed, zoals gedaan voor Abraham? Zoals is geschreven [dat G’D zei tegen Abraham], “Vrees niet Abram, Ik ben een schild voor je”(Genesis.15:1); en [om die reden] zeggen zij [in de eerste zegen van het Stille Gebed] ‘Beschermer van Abraham’.”

Abraham was het archetype van vriendelijkheid, dat voor misbruik natuurlijk vatbaar is. Aangezien hij het voorbeeld van zuivere vriendelijkheid in een gevaarlijke wereld was, beloofde GD om hem van iedereen te beschermen wie macht over hem zouden proberen te hebben. Koning David vraagt of hij eveneens in aanmerking komt voor een zegen voor beveiliging, aangezien hij ook goed bracht in de wereld, oprecht vertrouwde op GD als schild en beschermde bij vele gelegenheden.

De Heilige, Geprezen zij Hij, beantwoordde David door te zeggen, “Ik heb reeds Abraham [ met de 10 proeven, zoals in de Midrash aangegeven ] getest en hem gezuiverd [letterlijk, aangezien hij de oven overleefde waar Nimrod hem in wierp], en hij weerstond volledig [tegen zijn kwade neiging in] elke test.

Aangezien Abraham zijn kwade inclinatie geheel had overwonnen, konden de krachten,die door de Andere Zijde werden voortgebracht, geen enkele invloed over de zegen uitoefenen, die tot zijn verdienste was neergedaald.

Koning David zei tot Hem, dat als dit het geval is “Onderzoek me eveneens, GD en test me; zuiver mijn nieren en mijn hart “. (Psalm 26:2)

[Zo zond G’d hem een test door Bath Sheba] en toen hij handelde zoals hij deed, werd David herinnerd door GD met betrekking tot zijn verzoek. Vandaar dat hij zei “U heeft mijn hart getest” (Psalm.17:3); “U heeft mij ‘s nachts bezocht; U heeft mij getest en mijn gebrek gevonden; laat mijn mond geen overtreding begaan.”

David vraagt, “Ik vroeg U, onderzoek mij G’D en stel mij op de proef, en U testte mijn hart. Ik zei zuiver mijn nieren [om te zien of mijn raad goed was – aangezien zij de zetel van raad zijn], en U testte ze. Maar U stelde mij in gebreke. Anders gezegd, U vond me niet waardig. Ach, wat ik had gevraagd te gebeuren, had niet mijn mond mogen ontsnappen.”

Met al dat [omdat David zijn schuld erkende en berouw toonde], vergaf G’D hem, en om die reden eindigen wij een zegen met de woorden “Schild van David” [in de zegen na het lezen van deHaftara (Profetenlezing) op Shabbat]. Vanwege dit alles begreep Koning David dat G’D ook een waar schild was voor de sefira vanmalchoet, David zei in de boven aangehaalde quotatie, “En U, G’D, bent een schild voor mij; mijn glorie, en Degene die mijn hoofd opheft”, [dit betekenent] “Natuurlijk is deze sefira[malchoet] mijn eer en de ware kroon welke ik op mijn hoofd draag”.

Omdat de sefira van malchoet direct onder de sefirot van jesod entiferet is, in het diagram van de Boom van het Leven, worden alle zegeningen van de hogere sefirot direct er naar gekanaliseerd, via het middenpad. Dit houdt deze zegeningen uit de greep van de externe krachten en beschermt hen. Ook moet opgemerkt worden dat de kleur,die geassocieerd is met de sefira van malchoet, blauw is. Vandaar de Ster van David op de Israëlische vlag, welke een representatie is van zijn schild, met als kleur, blauw.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT NOACH

Noach (Genesis. 6:9 – 11:32)

 

RABBI JITZCHAK LURIA


De geschriften van de Ari

Toen Noach, na de vloed, uit de ark kwam dicteerde G’D aan hem de zeven Noachidische geboden. Inhoudend, het verbod om het vlees van een levend dier af te stropen, wat het algemeen onnodig pijnlijden van dieren aangeeft. Ten aanzien van het doden van dieren wordt in de Zohar, 11:68b aangehaald, dat geen enkel creatuur doelloos is geschapen.

Het is [daarom] verboden om dieren doelloos te doden.

De wijzen verklaren: “Alles wat de Eeuwige, geprezen zij Hij, creëert, creëert Hij alleen voor Zijn eer, zoals staat geschreven, Alles wat genoemd wordt in Mijn naam en voor Mijn eer, creëerde Ik, Ik vormde het, Ik maakte het Zelf.” (Avot 6:11; Jesaja 43:7)

We zullen nu zien hoe de Arizal deze verklaring uiterst persoonlijk concludeerde, en ten opzichte hiervan dat zich gedroeg met uiterste piëteit.

Mijn leraar [de Arizal] was uiterst voorzichtig om geen enkel insect te doden, zelfs niet de kleinste en de onaanzienlijkste zoals, vlooien, luizen en dergelijke, zelfs niet als zij hem beten.

We weten wat de Wijzen zeggen, commentariërend op het vers, “Zijn vijanden zullen ook vrede sluiten met hem” (Spreuken 16:7), sommigen zeggen dat dit verwijst naar de hond, anderen zeggen dat dit verwijst naar de slang, en nog anderen zeggen dat dit refereert aan de vlo. Jeruzalem Talmoed, Teroema)

Deze gedachte is het antwoord van Rabbi Elazar aan Rabbi Chizkiya opgenomen in de Zohar ( II:68), waar de mythische betekenis van het vers “Zal de slang bijten zonder gefluister (Prediker 10:11) wordt verklaard.  

Rabbi Elazar en Rabbi Chizkiya wandelden samen en passeerden een slang. Rabbi Chizkiya was van plan de slang te doden, maar Rabbi Elazar zei hem dit niet te doen. Toen Rabbi Chizkiya protesteerde, met het argument dat het een gevaarlijk dier was, citeerde Rabbi Elazar het bovenstaande vers, en interpreteerde het met de betekenis, dat een slang alleen iemand bijt als G’D hem influistert dit te doen.
G’D creëerde slangen om bepaalde mensen te doden om daardoor hen te verhinderen en te weerhouden dat zij kwaad doen. Om zeker te zijn dat wij schepsels niet onnodig doden. Maar zich onthouden van het doden van dieren die een dreigende houding aannemen t.a.v. menselijk leven ( of gevaarlijke ziekten kunnen overbrengen) is strijdig met de Joodse wetgeving en het is te betwijfelen of enig Thora autoriteit dit zou toestaan. Inderdaad is het toegestaan gevaarlijke slangen te doden op Shabbat, wanneer dat normaal gesproken is verboden.

We mogen aannemen dat de Arizal zich geen zorgen hoefde te maken om het in leven of niet in leven te laten van slangen, omdat hij niet bang hoefde te zijn te worden gebeten om hem beletten te zondigen.
Anderzijds zien we dat hij werd gebeten door insecten en ongedierte. De vraag is hoe de Arizal zich kon onthouden van het doden van slangen en dergelijke en hen toestond een gevaar te zijn voor anderen. Misschien bedoelde de Arizal alleen dat we geen slangen moeten doden in hun natuurlijk wilde leefomstandigheden, maar alleen als zij dicht bevolkte menselijke gebieden in gevaar brengen (of als het mogelijk is hen terug te plaatsen in hun natuurlijke omgeving).

Maar dit alles is enkel gissing. Het kan net zo goed mogelijk zijn dat de Arizal het voorkomen van het doden van creaturen in zijn geheel bepleit, zelfs ten koste van een menselijk leven.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHOT WEZOT HABERACHA- BEREESHIET

En dit is de zegen, Deuteronomium. 33:1 – 34:12, In het begin, Genesis. 1:1 – 6:8

 

 

Rabbi Shimon bar Jochai.

 

Het verwelkomen van gasten van de Soekka.

 

Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat Zot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soekka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van chesed tot malchoed]. Gelijk de manier het is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; chesed, gevoera, tiferet, netzach, hod, en jesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soekka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, referent aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soekka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezichtuitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soekka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van Bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

Goed Jom Tov

 

In het begin Genesis. 1:1 – 6:8

 

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar 1, 30b, 31b

 

1:3 WE JOMER ELOKIEM JEHIE OR WAHIE OR – G’D zei, “ER ZIJ LICHT” EN ER WAS LICHT.
Telkens wanneer het woord wahie (”er was”) voorkomt, verwijst dat naar deze wereld en de Komende Wereld. Jehie Or -”Er zij licht”in deze Wereld; Wahie Or – “Er was licht”. Was – omdat het nadien was verhuld, zoals is verklaard, om te worden geopenbaard in de Komende Wereld.
Rabbi Jose zei: Dit licht was compleet verhuld en zal alleen geopenbaard worden aan de rechtvaardigen in de Komende Wereld, zoals het vers zegt: ” Een licht is uitgespreid over de rechtvaardigen” (Psalmen 97:11). Rabbi Jehoeda zei: Zou het totaal verhuld zijn, had de wereld niet continu kunnen existeren, zelfs niet voor een moment. Echter, het is verhuld en zodanig kiemend voor zaad welke planten voortbrengt en op zijn beurt meer zaad en meer planten. Op deze wijze wordt de wereld gecontinueerd.

Zohar Chadash,Bereshiet 8a

Er gaat geen dag voorbij zonder dat iets van dit licht uitstraalt naar de wereld zodat hij continu kan existeren. En zo voedt de Heilige, geprezen zij Hij, de wereld. In elke plaats waar ‘s nachts Thora geleerd wordt, komt een straaltje neer van dat licht op diegenen die Thora studeren.

 

 

 

Zohar I, p.46a

1:5 VAJIKRA ELOKIEM LA’OR JOM WELACHOSHEG KARA LAILAI WAJEHIE-EREV WAJEHIE-BOKER JOM ECHAD G’D NOEMDE HET LICHT “DAG” EN DE DUISTERNIS NOEMDE HIJ “NACHT”; EN HET WERD AVOND EN HET WERD OCHTEND: ÉÉN DAG.
In het volgende gedeelte legt de Zohar uit dat het geheim van de G’ddelijke voorzienigheid, wat fundamenteel is in het Joods denken, in dit vers ligt opgesloten. Wanneer wij niet rationele gebeurtenissen ervaren, moeten wij bedenken dat niets zonder reden plaats vindt, niets is zomaar. G’D overziet elk detail van de schepping. ( zie R.Chaim Vital, Or HaChama )
Rabbi Jehoeda leert: Waarom verklaart de Thora na elke scheppingsdag, “Het werd avond en het werd ochtend?” Om ons te informeren dat er geen nacht is zonder dag en geen dag zonder nacht. Alleen als combinatie zijn zij één. Het is echter niet gepast om hen als een gesepareerde entiteit te zien. Daar duisternis en nacht in het algemeen verwijzen naar barheid en kwaad, verwijzen licht en dag naar barmhartigheid en goedheid, zoals al eerder is uitgelegd. Rabbi Jehoeda leert dat men daarom niet moet concluderen dat er twee Godheden zijn.
Rabbi Jose legt uit dat het licht dat was voortgebracht op de eerste dag, alle andere dagen van de schepping heeft begeleid; Van daar dat “Het werd avond en het werd ochtend” bij elke gebeurtenis is geschreven.
Rabbi Shimon bar Jochai legt uit dat de eerste dag alle andere dagen vergezelt en dat de eerste dag alle andere dagen beheerst, om ons te laten zien dat er geen verscheidenheid bestaat in de Heilige, geprezen zij Hij (Bereshiet Rabba 3:8;Rashi, Bereshiet 1:4)

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT HA’AZINOE

SHABBAT SHOEWA

Neig het oor                                   Deuteronomium. 32:1 – 32:52

“Als druppels op jong groen; Als regendruppels op het gras”, “Ki’si’eeriem alei deshe v’chirviem alei eisef”  (Deuteronomium. 32:2)

 

Een les in Bijbels Hebreeuws.

 Deshe en eisev betekenen beide gras. Se’eeriem en  r’viviembetekenen beide regendruppels.

De Arizal   verklaart preciezer, en dus is er geschreven in Shoroshiem,“Het Boek van de Oorsprong”, dat deshe  verwijst naar jong ontluikend gras net beginnend zich te vertonen in de grond, terwijl eisev verwijst naar volgroeide sprieten. Se’eeriem verwijst naar een zeer lichte spray, dun als haar, sei’ar, en r’viviem verwijst naar dikke regendruppels. Lichte druppeltjes helpen de jonge sprietjes groeien; volle regendruppels cultiveren het volgroeide gras.

Deshe en eisev worden voor het eerst genoemd in Genesis, (1:11), ten opzichte van de Schepping als G’D zegt, “Laat de aarde deshevoortbrengen, eisev zaaddragende gewassen, vruchtbomen…”Zodat het verschil tussen

Deshe en eisev kan worden gezien als het verschil tussen vegetatie dat geen zaad draagt (deshe) en vegetatie dat zaad draagt (eisev), zie Zohar I, 19a).

De Zohar I, 18b zegt dat deshe en eisev twee typen van engelen zijn.

 [Engelen zijn de spirituele antecedenten van vegetatie. Net zoals vegetatie groeit van klein naar groot, zo groeien engelen in gestalte wanneer zij zich bezig houden ,met het vervullen van een G’ddelijke opdracht. (Zie Mi Chamocha 5629.)]

Er zijn engelen die iedere dag gemaakt en niet over gaan naar de volgende en er zijn engelen die gecreëerd zijn tijdens de zes dagen van de Schepping en blijven bestaan tot op de dag van vandaag. Aan deze twee typen wordt gerefereerd in een van de ochtendgebeden wanneer we spreken van G’D als Hij die “dienende engelen creëert en wiens dienende engelen allen staan aan de hoogten van het universum…” De eerste verwijzing naar engelen verwijst naar het type dat niet overgaat naar de volgende dag, G’D creëerde hen – tegenwoordige tijd – op een dagelijkse basis. De tweede referentie verwijst naar de engelen die blijven bestaan op de hoogten van het universum voortdurend.

 De Tzemach Tzedek voegt hieraan toe: De Zohar past deze interpretatie van deshe ook op het woord chatzier toe, zoals het vers (Psalmen 104:14), “ U bent het die gras voor het vee laat opkomen eneisev ter bewerking door de mens.” We zien dat eisev is geassocieerd met een hoger niveau van G’ddelijke dienst, het niveau van “bewerking door de mens”. Zie ook Bereishiet 19a, Teroema 171a, Vayikra 12a en Pinchas 217a.

 Klaarblijkelijk, deshe, dat geen zaad draagt, met andere woorden, heeft geen duurzaamheid, refereert aan de engelen die terugkeren naar het niets. Eisev, wat zaad draagt, met andere woorden bezit permanentie, refereert aan die engelen die in existentie blijven. (Zie Zohar  ibid)

SHABBAT SHALOM

PARASHOT NITSAVIEM – WAJÉLEECH

Aangetreden – En hij ging            Deuteronomium. 29:9 – 30:20, 31:1 – 31:30

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar. p. 285b

 

Antwoorden met Amen

 

Rabbi Jehoeda interpreteert het vers “….want degenen die Mij eren zal Ik eren en degenen die Mij verachten zal weinig geacht worden” (Samuel I, 2:30). Een persoon die niet weet de Naam van zijn Schepper te eren, weet niet de juiste gedachten te hebben bij het zeggen van “Amen” en zal weinig geacht worden. Dit is zoals we hebben geleerd dat iemand die met “Amen” antwoordt, groter is dan degene die de zegen uitspreekt. [Als iemand een zegen hoort behoort hij te antwoorden met “Amen: ]

 

De gepaste intentie in het zeggen van “Amen” is om de oneindig barmhartige Naam Havayah te verenigen met het aspect van Malchoet – Ado-nai, zoals we hebben uitgelegd in Parashat Shoftiem . De gene die de zegening uitspreekt gebruikt de Naam Ado-nai, terwijl de persoon die antwoord me “Amen” het oneindige aspect van de Schepper één maakt met het aspect van Malchoet. Dus de persoon die antwoordt met “Amen” verenigt dus twee Namen van G’D, in tegenstelling tot de ene Naam die de persoon gebruikt bij het uitspreken van de zegen. Dit fenomeen wordt aangetoond door het woord “Amen” dat de numerieke waarde heeft van 91, de zelfde numerieke waarde als dat van de G’ddelijke Namen Havayah en Ado-nai samen.

 

Dit is zoals wij hebben geleerd van Rabbi Shimon bar Jochai, namelijk dat met het beantwoorden met “Amen” zegeningen neerwaarts gehaald worden van de onuitputtelijk spirituele bron naar de Koning en van daar naar de Koningin.

 

Dit veroorzaakt een gunstige influx, een toevloed van de verenigde werelden van Abba en Imma naar Zeir Anpin, de spirituele spiegel boven de fysieke wereld en van daar naar deze fysieke wereld.

 

We hebben evenzo geleerd in het esoterische boek van Rabbi Elazar de Combinaties van Letters, dat het meditatieve pad van het woord “Amen”  is gereflecteerd in de letters van het woord zelf. Dus men trekt de spirituele overvloed van de letter alev van het woord “Amen” naar de mem en van de mem naar de noen.

 

Alev representeert eenheid, mem representeert Imma/Bina en noen representeert Zeir Anpin.

 

Wanneer de zegen de noen bereikt wordt [deze spirituele influx]  er uit ontlokt en  vloeit voort in de spirituele en fysieke werelden en verspreid zich over alle werelden. Een stem komt voort en verkondigt: “Drink van het elixer van zegeningen die deze met name genoemde persoon, een dienaar van de Heilige Koning  die een uitstroom te weeg heeft gebracht.”  Wanneer Israël beneden nauwlettend luistert naar de zegen van de leider van het gebed om te kunnen antwoorden met “Amen” en naderhand met de juiste meditatie en zorgvuldig hun harten concentreren zoals wordt vereist, hoeveel poorten van zegeningen worden dan voor hen boven geopend en hoeveel zegeningen worden neergehaald naar hen beneden! Hoe groot is het goede dat alle werelden bedekt en groot is de vreugde die overal doordringt!

 

Wat is de beloning voor Israël die dit alles veroorzaakt? Zij verkrijgen een beloning in zowel deze fysieke wereld als in de spirituele wereld. Hun beloning in Deze Wereld is dat op het moment degenen die hen haten en hen willen breken en hen misère willen brengen en Israël hun Schepper aanroept, een stem voortkomt en in alle werelden verklaart, “Open de poorten voor de intrede van het heilige volk die hun vertrouwen behielden [in het Hebreeuws, ‘emoeniem’] (Jesaja. 26:2). Interpreteer het woord “vertrouwen” niet als emoeniem’, maar als “ameniem”, betekenend, degenen die Ämen” zeggen. Dus de opdracht om de poorten te openen is een reflectie op het feit dat Israël de poorten van zegeningen opent. Nu de poorten van gebed voor hen zijn geopend als beloning en zij bewaard zijn voor degene die hen wilde breken is dat hun beloning in Deze Wereld.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

 

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt            Deuteronomium. 26:1 – 29:8

 

De relatie tussen Ki Tavó en Chai Elloel

 

Likkoetei Thora 40b-d

 De achttiende dag van de maand Elloel, of Chai Elloel, markeert de geboorte dag van zowel de Baal Shem Tov [5458, (1698)], stichter van de Chassidische Beweging als de Alte Rebbe [5505 (1745)], grondlegger van het Chabad Chassidisme. Deze dag valt of wel op of vlak voor de Shabbat waarop het Thoragedeelte van Ki Tavó wordt gelezen.

 

Alle Joodse feestdagen en uitzonderlijke gebeurtenissen in de Joodse kalender worden aangeduid in de Thoralezing gedurende de week waarin ze plaatsvinden. Begrijpelijkerwijs wordt Chai Elloel, dus aangeduid in het gedeelte van Ki Tavó.

Waar in dit gedeelte vindt men de connectie met deze aanduiding?

 

Ki Tavó begint met de voorschriften van Bikoeriem, de eerste vruchten die de Joden verplicht waren te staan direct “Wanneer je dan in het land dat de Eeuwige, G’D, je als erfgoed geeft, gekomen bent, het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen.”

 

Onze Rabbijnen geven aan dat de kwalificatie “het in bezit genomen zult hebben en er zult wonen”leert, dat de verplichting van Bikoeriem niet begon voordat de 14 jaren waarin Eretz Jesraël in bezit genomen werd en verdeeld onder de stammen voorbij waren.

Het vers is aangepast op die wijze om de volgende reden: De ware betekenis van “in het Land komen” is dat van komen in zijn geheel, helemaal. Dit is in overeenstemming met de uitspraak van onze Wijzen: “Een gedeeltelijke binnenkomst wordt niet beschouwd als een hele binnenkomst.” Het woord “komen “ betekent daarom “in bezit nemen en wonen”, want alleen dan werden de Joden beschouwd werkelijk het Land te zijn binnen gegaan.

Dit is de connectie tussen Ki Tavó en Chai Elloel, de geboorte data van de twee grote Chassidische stichters:

Chasidoet is uniek in zijn vermogen om geest, gedachte en hart te doen ontwaken zodat de dienst van Thora en Mitzwot is op de wijze van Ki Tavó, een complete onderdompeling met elke vezel van iemands wezen die wordt voortgebracht door spirituele dienst.

De waarde van deze wijze van dienst zal begrepen worden door het verschil uit te leggen tussen iemands intrinsieke en extrinsieke staat van zijn; intrinsiek refereert aan iemand zoals hij existeert in relatie tot zichzelf en extrinsiek zoals hij existeert naar anderen.

 

In termen van spirituele dienst betekent dit het volgende: Wanneer iemand iets doet, op een intrinsieke en extrinsieke wijze, blijven hij en de idee die hij uitvoert twee verschillende entiteiten. Wanneer echter iemand handelt vanuit zijn innerlijke zelf, dan absorbeert zijn innerlijke wezen zichzelf in dat wat hij doet, want in relatie tot iemands innerlijk wezen, zijn essentie, existeert er niets behalve hijzelf. Dus wanneer iemand op deze wijze, zelfs een ogenschijnlijk extern specifiek, is de handeling verbonden en verenigd met zijn innerlijke zelf, dan zijn hij en de handeling zijn één.

 

Hierin ligt het uniek van Chasidoet: Chasidoet, een deel van de “ ziel van Thora”, reveleert iemands wezenlijke levenskracht in al zijn aspecten van Thora en mitzwot en de unieke kwaliteit van deze levenskracht is totale eenwording met degene die het opwekt.

 

Want de levenskracht voegt niets toe aan wat het vitaliseert, een levend lichaam bezit niet meer delen dan een dood lichaam. De levenskracht is dus niet separaat van degene die het energie geeft, het is eerder de ziel van het opwekkende lichaam, omdat elk en ieder aspect van het lichaam een levende entiteit is. De reden is dat iemands “ leven” zijn ziel is en innerlijke essentie, zoals eerder uitgelegd, dat deel uitmaakt van iemands innerlijke essentie en volledig wordt verenigd met objectief waarmee het zich verenigt. Dus het lichaam waarin de levenskracht verblijft, is er compleet van doordrongen.

 

Precies zo is de uitwerking van Chasidoet op Thora en Mitzwot: Het is mogelijk voor iemand om Thora te studeren en mitzwot uit te voeren terwijl hij er toch van gesepareerd blijft. Chasidoet echter stelt iedereen in staat om het  innerlijke aspect van zijn levenskracht te reveleren, zijn heilige ziel. En in relatie tot dat niveau, de eigenschap van Ki Tavó is, elk en ieder mens waarlijk een met Thora en Mitzwot.

 SHABBAT SHALOM