PARASHAT KI TEETSÉE

Wanneer je uittrekt     Deuteronomium. 21:10 – 25:19

 

Geschriften van Rabbi Jizchak Luria

 

Likoeté Thora en Sefer HaLikoetiem

 

VERLOSSINGEN VAN DE MAAND ELLOEL

 

Wanneer je tegen je vijanden ten strijde trekt en, de Eeuwige, je G’D, ze in je macht zal hebben gegeven en je er krijgsgevangenen bij hebt gemaakt en je ziet onder de gevangenen een heel mooie vrouw, je wordt verliefd op haar en je wilt haar als vrouw hebben, breng haar dan je huis binnen. Ze moet haar hoofd kaal scheren, haar nagels laten groeien, de kleding die ze bij haar gevangenneming droeg  afleggen en dan moet ze bij jou thuis blijven zitten en een volle maand om haar vader en moeder wenen. Eerst daarna mag je bij haar komen om haar, als man te bezitten en kan ze je vrouw worden. (Deuteronomium. 21:10-13)

 

Dit vers, het openingsvers van Parashat Ki Teetsée, wordt altijd gelezen aan het begin van de maand Elloel, de laatste maand van het Joodse jaar. De Arizal reveleert hoe dit vers ons een specifieke les leert over deze maand.

 

Aangezien de goede inclinatie niet volledig bij iemand zijn intrede doet totdat hij 13 jaar oud is, raken zijn ledematen eraan gewend om de kwade inclinatie te volgen vanaf de dag dat hij is geboren.

 

De kwade inclinatie, de drang jegens het vervullen van onze fysieke noden waarmee elk van ons wordt geboren en die mentaal gericht is op ons zelf, is aanwezig van af de geboorte, in tegenstelling tot de altruïstische “goede inclinatie” die zijn intrede langzaam doet, beginnend met gepaste religieuze educatie en die tot bloei komt op de leeftijd van 13 voor jongens en 12 voor meisjes. De kwade inclinatie heeft dus een duidelijke voorsprong van 12-13 jaar., waarin iemands lichaam gewend raakt aan het volgen van zijn bevelen.

 

Wanneer iemand de wil heeft tot berouw, trekt hij ten strijde tegen zijn vijanden”, met andere woorden, de kwade inclinatie en de ledematen van zijn lichaam.” “…de Eeuwige, je G’D, ze in je macht zal hebben gegeven..” refereert aan de kwade inclinatie, en “je er krijgsgevangenen bij hebt gemaakt”, refereert aan de ledematen en het lichaam.

 

En je ziet onder de gevangenen een heel mooie vrouw…” refereert aan de ziel.

 

De G’ddelijk ziel wordt gevangen gehouden door het lichaam, die er gewend aan is geraakt om de kwade inclinatie te volgen.

 

“….Ze moet haar hoofd kaal scheren.. betekent dat de ziel kwade gedachte die het in zich draagt zal verwijderen.

 

Wanneer de ziel gevangen wordt gehouden door de macht van de kwade inclinatie, wordt zij “geïndoctrineerd”met vervormingen of kwade filosofieën en verwrongen gedachten over G’D, zoals pantheïsme, atheïsme, cynisme, enz.

 

“” Haar nagels ” betekent het weg snijden en afstand doen van overbodige genoegens.

 

Nagels symboliseren externe levenskracht, omdat zij groeien maar kunnen worden geknipt zonder pijn.

 

De kleding die ze bij haar gevangenneming droeg…”refereert aan de “kledingstukken” voortgebracht door negatieve handelingen, gelijk aan de idiomatische uitdrukking, “verwijder de vuile kledingstukken”. (Zachriah. 3:4)  

 

Een “kledingstuk” is een expressievorm van de ziel. Herhaaldelijk negatieve handelingen weven een grof en vulgair “kledingstuk” waaraan de ziel gewend raakt bij het dragen. Het ongevoelig maken voor spiritualiteit leidt ertoe dat de grofheid van vulgariteit niet wordt waargenomen en wekt de indruk dat zichzelf uitdrukken op grove wijze geavanceerd  en chique is. Dus het raakt eraan gewend om te denken, te praten en te handelen op deze grove manier.

 

Om haar vader” refereert aan haar Hemelse Vader, de Heilige, geprezen zij Hij.

 

En haar moeder” refereert aan de collectieve ziel van Israël, gelijk aan wat is geschreven, “Na mijn terugkeer,  zal ik troosten…” (Jeremiah. 31:18)

 

De berouwvolle moet zich, als deel van zijn berouw, realiseren dat zijn gepasseerde handeling G’D heeft  “gekwetst “, met andere woorden, Hem van vooruitgang van Zijn doel in de Schepping heeft afgehouden. Ook, heeft hij de “Shechina” gekwetst”, die de collectieve ziel van Israël is, door het verhinderen van het actualiseren van G’ddelijk bewustzijn in de realiteit. Spijt hebben helpt de berouwvolle zijn energieën opnieuw te richten naar het goede.

 

Het werkwoord “Ik zal troosten” in het vers van Jeremiah is transitief, als of het betekent, “Ik troost G’D”.

 

“….een volle maand wenen”, refereert aan de maand Elloel, die dagen zijn en niet jaren en de meest gunstige tijd is voor berouw in de zin van Teshoewa.

 

Het idioom “dagen en niet jaren” is van de Talmoed (Shabbat. 105b) en betekent “ slechts een korte tijd”.

 

De passage besluit: “…..Eerst daarna mag je bij haar komen om haar, als man te bezitten en kan ze je vrouw worden.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM

 Rechters       Devariem. 16:18 – 21:9

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Het Kleine Sanhedrin En Het Grote Sanhedrin

 

Zohar. Shoftiem

 

Sprekend over het Oppergerechtshof, vertelt Rabbi Shimon de Trouwe Herder dat hij Gadol was, de hoogste over de zeventig, het Grote Sanhedrin. Hij zegt dat Mozes de vriend van G’D is en de vriend van Malchoet. Hij spreek ook over het lagere hof en over de grote en kleine Lichten. Het grote Licht is het Licht van G’D en het kleine is het lied van de Levieten.

 

Het volgende principe, is het aanvaarden van de uitspraak van het Grote Sanhedrin, dat Bina van het aspect van Chesed, Elo-hiem wordt genoemd, het Grote Sanhedrin, omdat Chesed groot is. Het is groot in oordeel [Gevoera], wat de linkerzijde is en groot in het vinden van verdienste, wat de rechterzijde is. Dit betekent dat wanneer de linkerzijde van Bina wordt opgenomen in de rechterzijde, wat Chesed is,  beiden worden beschouwd als groot, zoals we leren in relatie tot het voorschrift, “Je zal benoemen (letterlijk..” Te benoemen die u benoemt ‘) een koning over u ” (Devariem.17:15), waarbij “benoemen”boven in Bina is en “je zal benoemen” hier beneden in Malchoet is.

Op de zelfde wijze moet iemand voor zichzelf het Grote Sanhedrin van het aspect van Bina accepteren, ofschoon hij voor zichzelf het Kleine Sanhedrin van het aspect van Malchoet heeft geaccepteerd. Het kleine hof bestaat uit drie leden van het aspect van de lagere Shechina, wat Malchoet is. Het grote hof bestaat het Grote Sanhedrin van 72 leden, zeventig Sanhedrin Rechters en twee Schrijvers, de numerieke waarde van Chesed.   

 

De heilige persoonlijkheid, Rabbi Shimon, zei tegen de Trouwe Herder: 

Het Grote Sanhedrin bestaat uit zeventig leden, en jij bent de grootste onder hen, zoals staat geschreven, “elke grote zaak moeten zij voor jou brengen, maar alle kleine zaken zullen zij beoordelen” (Shemot. 18:22)  wat verwijst naar het Grote Sanhedrin en het Kleine Sanhedrin, waarover is gezegd, “Grote zaken”en “Kleine zaken”. Het Grote Sanhedrin is van het aspect van de Hemelse Shechina, die Bina is, en het Kleine Sanhedrin is van het aspect van de Lagere Shechina, die Malchoet is.

 

Mozes is de beste man van de Koning, Zeir Anpin; Aaron is de beste man van de Koningin. Samen met hen zijn er 72 leden van het Grote Sanhedrin, betekenend, samen met de zeventig Sanhedrin rechters waarover Mozes en Aaron als voorzitter optreden, hebben ze de zelfde numerieke waarde als Chesed, die als numerieke waar 72 heeft. Vandaar dat zij als het Grote Sanhedrin worden beschouwd, aangezien Chesed groot wordt genoemd, zoals boven aangehaald. Het kleine Sanhedrin is van het aspect van de linkerzijde, dat is Malchoet, die is opgebouwd vanuit de linkerzijde, waarover is geschreven: “en het kleinere licht regeert de nacht” (Bereshiet. 1:16)

 

Hierom dit wordt Tiferet beschouwd  als “het grotere licht regerend de dag” (Ibid.)  Omdat er over wordt gezegd, “HaShem zal Zijn standvastige goedheid [Chesed] overdag opdracht geven” (Tehilliem. 42:9)    omdat het Chesed is, wordt het Groter Licht genoemd. “En het Kleinere Licht regeert de nacht” betekent: “en in de nacht zal Zijn lied met me zijn” (Ibid.) , dat wil zeggen, het lied van de Levieten, wat Yesod in Malchoet is.

 

SHABBAT SHALOM


 


 

PARASHAT RE’ÉE

Zie         Deuteronomium. 11:26 – 16:17

 

 

KOSHERE DIEREN EN KOSHERE DADEN

 

 

Likkoeté Sichot, Vol, Ii, P. 375-378

Shaar Hamitzwot En Taamei Hamitzwot,  Geschriften Van De Ari.

 

Het Thoragedeelte Re’ée geeft twee kenmerken aan waardoor we weten dat een dier gegeten mag worden: het herkauwt en het heeft gespleten hoeven.

Wanneer iemand een of ander type van voedsel eet, hetzij dierlijk, plantaardig of mineraal, wordt het voedsel een deel van zijn vlees en bloed. Door het te eten vervult iemand het doel van de Schepping, dat het in hem wordt opgenomen.

 

Er zijn bepaalde aspecten van de mens die gelijk zijn aan de minerale, plantaardige en dierlijke staat. Dan zijn er die componenten die de mens tot een compleet andere contrasterende entiteit maken. Het zijn deze laatste elementen die de mens tot een uniek wezen maken, een denkend en sprekend wezen, een medaber.

 

Juist zoals de minerale plantaardige en dierlijke delen van de wereld hun maximale potentie verkrijgen wanneer zij worden verenigd  tot een menselijk wezen, zo ook binnen de mens zelf:

Deze aspecten, minerale plantaardige en dierlijke, is niet het menselijk doel, zijn doel ligt in zijn unieke kwaliteit als medaber. De gepaste bestemming van zijn andere facetten is dat zij worden omvat en opgenomen in de eigenschappen van de medaber.

 

Dus het ware doel van de fysieke mens is als het ware om te worden verenigd met de Hemelse Mens, Tzelem. Hij bereikt dit door het vervullen van de missie die aan hem is toevertrouwd door de Hemelse Mens. Want wanneer iemand handelt als G’D’s afgezant en de missie vervult die hem is toevertrouwd, wordt de persoon als het ware “gelijk aan Hem”.

 

Idem,  het doel van het minerale plantaardige en dierlijke in de mens is dat zij worden verheven en opgenomen in de Hemelse Mens. Dit wordt bereikt door het menselijk hanteren hiervan voor het doel waarvoor zij tot existentie werden gebracht. De menselijk uitdaging is dus om zijn dierlijke inclinaties, die van nature iemand verre houdt van spiritualiteit, om te zetten in heiligheid. Om te weten of iemand G’D op een gepaste wijze dient en het dierlijke in hem verheft, of op de juiste manier neerwaarts is gebracht, geeft de Thora ons twee kenmerkende aanwijzingen.

 

De natuurlijke neiging van de mens is om G’D te dienen hetzij met liefde en goedheid, of met vrees en striktheid. Wanneer de mens in staat is om te dienen met beide eigenschappen, is dit een indicatie dat hij Hem dient, niet door middel van dwang uit gewoonte maar vanuit ware toewijding. Als hij G’D alleen diende van uit routine, zou het onmogelijk zijn om de zelfde graad van vitaliteit te tonen in beide benaderingen van dienst.

 

Deze ware dienst in het verheffen van de dierlijke ziel in de mens wordt aangegeven door de gespleten hoeven. De dienst is “kosher”, aangezien beide “kanten”het aspect van liefde  en goedheid zowel aan de ene zijde, als aan de andere, het aspect van vrees en striktheid, gelijk en eerlijk is verdeeld.

 

Maar omdat de mens is verwikkeld in de uitdaging van de Fysieke wereld, kan hij nooit en te nimmer zeker zijn dat hij G’D dient op de juiste wijze. Zelfs wanneer hij er voor zorgt dat zijn “hoeven gespleten zijn” kan hij zich niet  alleen maar verlaten op vluchtig onderzoek. Het is daarom noodzakelijk dat hij zich gedraagt als een  “herkauwend” dier en zijn spirituele dienst steeds weer opnieuw en opnieuw overziet en nagaat, om zeker te zijn dat hij  inderdaad op de juiste wijze dient en niet de ene vorm van dienst verkiest boven de andere.

 

In een meer algemene zin, leren deze kenmerken ons dat voordat we ons bezig houden met fysieke activiteiten, we zeker moeten zijn dat we het niet doen gewoonweg omwille van alleen maar fysiek genoegen, maar ook voor de spirituele kant. Bovendien, moeten we herhaaldelijk onderzoeken, om zeker te zijn, of al onze handelingen waarlijk uitvoeringen zijn voor het belang van de Hemel.

Rabbi Jitzchak Luria.

 

Shaar Hamitzwot en Taamei HaMitzwot,  geschriften van de Ari.

 

Wat volgt, zijn de meditaties die mijn meester [ de Arizal ] onderwees aan Rabbi Jitachak Cohen.

Aan het Joodse Volk is het gebod opgelegd om, voordat zij hun vlees consumeren, de dieren te slachten volgens nadrukkelijk daarvoor bepaalde regels: “Je moet van je rund en kleinvee, dat de Eeuwige je gegeven heeft, slachten zoals ik het je geboden hebt en dan mag je binnen je poorten er zoveel van eten als je hart begeert.” (Deuteronomium 12:21)

In tegenstelling tot een normale slachter, geniet de positie van de rituele slachter [Hebreeuws, “shocheet”] in het Jodendom grote eer. Om een shocheet te kunnen zijn, moet een persoon een ideaal voorbeeld zijn qua karakter, een Thorageleerde, godvruchtig en G’D vrezend, ter vermeerdering van de kennis en uitvoering van de zeer complexe wetten van het ritueel slachten. De eerste fase naar het eventuele consumeren door een Jood van vlees, is een intensieve spirituele daad, het spiritualiseren van het fysieke vlees is grotendeels afhankelijk van de intenties en het zuiver van denken van de shocheet.

Zoals we weten , benodigt iemand, tijdens het eten, de spirituele intentie te hebben om het wezen van deze wereld te verbeteren en te verfijnen, om zodoende het spirituele niveau te bereiken, van de primaire staat waarin alle creaturen zich bevonden bij het scheppen van deze wereld.

De primordiale zonde, het eten van het fruit van de boom van de kennis van goed en kwaad, veroorzaakte een spirituele val in vermogen van de materiele schepping om spiritueel bewustzijn, te dragen of te ondersteunen. Onze taak in het leven is om deze fysieke wereld te verfijnen en te zuiveren, zodat zij opnieuw ontvankelijk kan worden van dit niveau van G’ddelijk besef.

Dit [niveau raffinement] is gelijk aan [als toelichting] de ezel van Rabbi Pinchas ben Jair.

Rabbi Pinchas ben Jair was een Talmoedgeleerde. Zijn ezel weigerde voedsel (gerst) te eten waarvan geen tienden van afgescheiden was. (Choelien 7a)

(Als toevoeging). Het komt zeer vaak voor dat een ziel van een mens reïncarneert in dieren. Als het dier met de gepaste intenties is geslacht, helpt het de ziel van de gereïncarneerde te bevrijden van de straf die deze moest ondergaan. De ziel kan dan de volgende keer, wanneer hij in deze wereld komt, opnieuw in een menselijk lichaam binnentreden, zoals het origineel bedoeld was.

Er zijn dus twee fundamentele doelstellingen van de rituele slachter: het verheffen van de spirituele dimensie en aard van het fysieke dierlijke vlees, en, in sporadische gevallen, de gereïncarneerde ziel te helpen om zijn herstelproces te beëindigen.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT ÉKEV

Als gevolg                                          Deuteronomium. 7:12 – 11:25

 

Magie tijdens het Diner

 

Zohar, p. 271b

Onder de mitzwot van de parasha van deze week is een aanmaning om bewust van G’D te blijven zelfs wanneer we eten (Deuteronomiun.8:10-11). In de Zohar vertaling die volgt, leert de ziel van Mozes Rebbe Shimon op welke wijze de geëigende ambiance moet worden opgeroepen bij een maaltijd die gegeven wordt ter ere van het doen van een mitzwa, zoals een besnijdenis, of de voltooiing van een traktaat van de Talmoed enz.

Hij [de toegewijde herder Mozes] opent zijn verhandeling met het citaat: “Je moet een tafel maken van acaciahout [in het Tabernakel]…..”(Exodus.25:23)

Kom en zie [schilderend de rangschikking van de Boom van het Leven diagram van de sefirot], De Meesters van het diner demonstreren ter ere van de Koningin aanzienlijke en prachtige gebruiken. Dit laat zien dat zij de zonen waren [die aten aan] de Konings tafel.

De gewoonten van de Wijzen met betrekking tot een feestmaal had als doel het bewustzijn te verhogen en om de G’ddelijke zegen neerwaarts te halen en overvloed van het niveau van Zeir Anpin naar Malchoet.

Als eerste moet de meest geëerde [“gadol“in het Hebreeuws] van het eetgezelschap zijn handen wassen.

Gadol“is één van de namen van de sefira van Chesed; een persoon is alleen beduidend, afgemeten aan de mate waarin hij goed doet. Bovendien, de sefira van Chochma, die onmiddellijk boven Chesed is, geeft zijn gulheid alleen aan een persoon die deze eigenschap heeft verfijnd.

Het wassen van de handen voor het eten symboliseert de verbanning van de kelipot, het met water van de handen representeert chesed.

. Het is daarom passend dat de gene die de sefira van Chesedrepresenteert het eerst zijn handen wast. Hij heft zijn handen op om de zegen teweeg te brengen en zegt vervolgens zelf de zegen met betrekking tot het handen wassen. Hij wacht op de rest van het gezelschap, zittend op een sofa die speciaal voor hem is gearrangeerd op te rusten tijdens de maaltijd, totdat ook zij hun handen hebben gewassen.

En op het moment waarop allen de eetkamer zullen binnengaan, de meest geëerde als eerste [omdat hij een drager representeert om de sefira van Chochma te onvangen]. De tweede [in geleerdheid, representeert de sefira van Bina], zit naast [letterlijk,”lager” dan hem en de derde [representerend de sefiravan Da’at], zit naast hem. Zij worden de “drie de sofa’s” genoemd, om de drie aartsvaders en om bovendien de Priesters, de Levieten en de Israëlieten te ontvangen.

In Hooglied (3:7) wordt Koning Solomon beschreven als rustend op zijn sofa. De verwijzing is naar de Sefira van Malchoet, die als een sofa is waarop alle hogere Sefirot afdalen. De eerste van deze sefirot zijn de intellectuelen, dit is een toespeling op de verwijzing naar de “sofa” van Solomon, de meest wijze mens. Deze aanwezigen op de drie sofa’s representeren de sefirot van Chesed, Gevoera en Tiferet in Zeir Anpin.

Deze drie sefirot worden op hun beurt geactualiseerd in de drie lageresefirot van Netzach, Hod en Yesod, terug te voeren op de code “Priesters, de Levieten en de Israëlieten”.

Ten Tweede, de heer des huizes [zegt de zegen over het brood en] snijd het brood. Dit omdat hij het kan snijden met een goed oog en de zegen complementeert en het brood volledig op snijdt.

De gastheer weet de hoeveelheid voedsel hij nodig heeft voor zijn gasten. Hij moet overvloedig zijn, tonend een “goed oog” omdat dit een overvloedige zegen over het gezelschap neerwaarts laat komen. De frase “goed oog” is een code die verwijst naar het vers “Hij die een overvloedig oog heeft zal worden gezegend, want hij heeft zijn brood gegeven aan de behoeftige.”(Spreuken. 22:9) En de wijzen zeggen, “Lees niet dat hij zal worden gezegend, maar eerder dat hij degene is die de zegen moet maken.”(Sota 38b) De reden hiervan is dat zijn overvloedig oog een overvloedig reactie zal aanmoedigen in de spirituele wereld die allen aan zijn tafel ten goede komt. Hij zegt de zegen over het brood met overvloedige intentie en dan snijd hij het op een overvloedige wijze voor zijn gezelschap, als eerste bedienend de drie representanten van hoger bewustzijn.

Zoals we hebben uitgelegd bij de Meesters van de Mishna (Berachot 47a), hebben de genodigden geen toestemming om van het voedsel te eten totdat hij die de zegen heeft gesproken de eerste hap neemt en hij heeft geen toestemming om te eten totdat alle gasten “Amen”hebben gezegd (op zijn zegen).

De gastheer is parallel aan De Meester van het Huis (G’D) en als zodanig representeert hij het kanaal waardoor zegeningen op al de genodigden neerdalen. Tegelijkertijd is de respons van “Amen”van de genodigden een integraal deel van de zegen, dus hij moet wachten op hun antwoord om te kunnen eten. Door het zeggen van “Amen” bevestigt het gezelschap dat zij de zegen beamen en er deel van wensen uit te maken; dan worden zij een ontvankelijk reservoir, zij kunnen het ontvangen.

En als de gastheer wenst om [één van de aanwezigen te eren met het zeggen van de zegen over het brood en het aansnijden], heeft hij de autoriteit om dit te doen.

We hebben verder uitgelegd (Berachot 46a) dat de gast die de Zegen na de Maaltijd leidt omdat die de zegen van de heer des huizes bevat.

De verklaring in esoterische termen is dat de frase “de heer des huizes snijdt af” refereert aan de middelste lijn [van de sefirot in de Levensboom]. Deze middelste lijn [bevat de sefira van Tiferetin Zeir Anpin] en op Shabbat moet hij [één van] de twee broden aansnijden. Zij representeren de twee lettres hé, en de heer des huizes is de vav in het midden. Om de gasten niet te gulzig te maken, kan hij elke gast een portie ten grote van een ei geven.

De heilige naam van G’D wordt gespeld joet hé, vav hé. De herhaling van de letter  verwijst naar de samenhang tussen sefirot Bina enMalchoet. De vav representeert de zes sefirot van Chesed naar Yesoden specifiek naar de sefira van Tifiret die hen allen verbindt, brengend het hogere bewustzijn van Bina tot in Malchoet. Het deel wat dat de gastheer geeft representeert de joet van de naam dat altijd staat voorChochma.

Deze tafelgebruiken, die vandaag nog steeds gangbaar zijn tijdens de maaltijden ter ere van het doen van een mitzwa, hebben een diepe en betekenisvolle zin in het neerwaarts halen van overvloedige zegeningen op diegene die verdienen er te zijn.

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT WA’ETCHANAN

En ik smeekte            Deuterononomium.  3:23 – 7:11   

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Bij het opgaan van de zon [voor het gebed] moet iemand zichzelf zuiveren van alles.

 

Zohar p. 260a

Door naar het toilet te gaan om zich te ontdoen van alle lichamelijke afvalstoffen en door het wassen van de handen en het zeggen van het passend gebed, rectificeert men het externe element van de wereld van Asiya.

 Vervolgens moet hij zich wapenen voor de strijd.

Door het omdoen van de taliet en het aanleggen tefillien, als voorbereiding voor het gebed, rectificeert men de externe elementen van de werelden van Yetzira, Beriya en Atziloet.

Men moet zichzelf voorbereiden voor de Heilige Koning [om één wording teweeg te brengen met de Koningin bij “siem shalom” in het Staande Gebed]. Aangezien hij zich de hele nacht bezighield met de Koningin (Nefesh), begeleidt hij Haar nu als zij opgaat om één te worden met de Koning.

Hij gaat naar de Synagoge [in het vroege morgenlicht, reeds gekleed in zijn taliet en tefillien en zuivert zijn Nefesh.

Het eerste deel van de gebeden zeggend, handelend over  de offergaven, met de juiste intentie, is het equivalent van het brengen van al de offers (Menachot 110b) en staat iemand toe om verder te gaan, volledig gerectificeerd, hoger in de spirituele werelden en in het bijzonder binnen de wereld van Yetzira, aangezien hij zich nu heeft gerectificeerd in de wereld van Asiya. Na het bereiken van het gebed “Baroech She’Amar, stijgt iemand op naar de wereld van Yetzira.

Iemand looft [G’D] met de psalmen van Koning David [in het gedeelte  Lofliederen van de liturgie], gehuld in zijn tefillien, gebonden op zijn arm en hoofd en versiert met tzitzit aan de hoeken van zijn taliet.

Bemerk dat de volgorde in welke zij worden aangedaan omgekeerd is,men doet de eerst taliet aan en daarna de tefillien. Dit om te laten zien dat, hoewel hij hen reeds had aangedaan,  hij zich bewust moet blijven ten aanzien van hen, als hij stijgt in zijn meditatief gebed.

Hij zegt het Ashrei gebed (Psalm. 145) zoals we hebben uitgelegd.

Hij bidt zijn gebed voor zijn Meester [de gebeden voor “Hoor, Jisraël”, welke de wereld van Beriya rectificeren] en daarna moet hij staan [voor het Staande Gebed, welke is gerelateerd aan de interne sefirot van de wereld van Atziloet]. Men moet staan op dezelfde wijze als de engelen boven.

De profeet Ezechiël beschrijft in zijn visioen engelen als “recht opstaande benen” (Ezechiël. 1:7). Engelen staan nederig als een dienaar, wachtend om geroepen te worden door hun meester, terwijl de mens “lopend” heet, vandaar dat de Thorawetten  “halachot”genoemd worden, wat letterlijk “wandelen” betekend, om hem te leiden door de gemengd spirituele -fysieke natuur van zijn wereld. Aangezien iemands gebed de hoogste spirituele werelden in zijn meditatieve staat heeft bereikt, is het voor hem passend om zich te gedragen als een bewoner van die wereld niet pronkerig, maar nederig staand voor zijn Meester.

Het is nodig dat hij zich verbindt met de engelen.

Wanneer hij het Kedoesha gebed bereikt, in de herhaling van het Staande Gebed, looft hij hen gelijktijdig met G’D.

Zij zijn naar verluidt “staande” zoals is aangegeven in Zacharia 3:7: “dan zal Ik jou toegang verlenen onder degenen die staan”. Men moet zijn hart en gedachte geheel tot zijn Meester keren en zijn vragen richten [te midden van de 13 zegeningen van het Staande Gebed].

Kom en zie. Op het moment, als iemand om middernacht opstaat uit bed om zich bezig te houden met het leren van Thora, verkondigt een [spirituele] bode over hem, “Aanschouw degene die G’D zegent, alle dienaren van G’D, die staan in het huis van G’D bij nacht” (Psalm. 134:1). Nu [na zonsopgang], als iemand in gebed staat voor zijn Meester, verkondigt deze bode over hem, “En ik zal je toestaan om te lopen onder degenen die staan” (Zacharia. 3:7)

De engelen worden beschreven als “staande” zoals we hebben uitgelegd.

Nadat iemand het [Staande Gebed] voor zijn Meester heeft beëindigd, moet hij voorbereidingen treffen om zichzelf weg te cijferen [bij de smeekgebeden na het Staande Gebed welke al zijn zonden ten aanzien van G’D rectificeert] naar de juiste plaats [Malchoet].

Door “te vallen op zijn gezicht” (eigenlijk door zijn gezicht te laten rusten op zijn arm) en zich symbolisch weg te cijferen, maakt hij  zichzelf ontvankelijk om de spirituele overvloed te ontvangen, welke hij neerwaarts haalde toen hij afdaalde van de hemelse werelden terug naar de wereld van Asiya, vervolgens zegt hij het overgebleven gedeelte van de ochtenddienst.

De intentie is dat men op zijn gezicht valt tot het diepst gelegen niveau van de kelipot en zich teniet doet voor de Koningin, haar zelfs meer begerig makend in de ogen van de Koning die daarom Zijn Liefde op haar zal doen neerstromen. Zie Sha’ar HaKavanot, lezing op Nefilat Apayiem.

Hoe rijk is het advies van de Thora op alles! En wanneer iemand zijn gebed beëindigt, elk woord wat ontsnapt van zijn lippen in dat gebed stijgt hoog op en breekt door de atmosfeer en de buitenste hemelen, totdat het de beoogde plaats heeft bereikt die het moest bereiken en gevormd wordt tot een kroon die het Hoofd van de Koning kroont.

Het volgende advies, gegeven door de Heilige Zohar  heeft betrekking op de wijze hoe men het Staande Gebed  moet uitvoeren, welke in het algemeen “het gebed” wordt genoemd.

Kom en zie. Iemand die in gebed staat moet met zijn benen (voeten) bij elkaar staan (gelijk de engelen die zo staan), zoals verklaard. Hij moet zijn hoofd bedekken met [zijn taliet] op een manier alsof hij staat voor een koning. Hij moet zijn ogen sluiten zodat hij de Shechina niet aanstaart.  

Het volgende is een verwijzing naar het boek van Rabbi Hamnuna Saba, welke vaak wordt aangehaald door Rebbe Shimon bar Jochai. Rabbi Hamnuna leefde gedurende de Tweede Tempel periode. Zijn boek is door de eeuwen heen verloren gegaan.

In het boek van Rabbi Hamnuna Saba wordt gezegd dat iemand die zijn ogen opent tijdens het gebed, of zijn blik niet verlaagd [op zijn gebedsboek of] naar de grond, de Engel des Dood vroeg zal ontmoeten. En wanneer zijn ziel vertrekt zal hij niet het licht zien van de Shechina, noch zal hij sterven door een kus [door welke iemands ziel vertrekt in volmaakte harmonie van het fysieke naar de spirituele sfeer]. Iemand die de Shechina minacht zal worden afgewezen door Haar op het moment dat hij Haar nodig heeft. Dit is geschreven in het vers “Want degenen die Mij hoogachten acht Ik hoog, maar de degenen die Mij geringschatten zullen worden veracht” (Samuel I 2:30). Dit verwijst naar degenen die de Shechina aanstaren wanneer zij in gebed staan.

Hoe is het mogelijk voor iemand om de Shechina aan te staren?

Omdat het vers zegt, “Geen mens kan Mij zien en in leven blijven”(Exodus.33:20), wat impliceert dat hij alleen zal zien, als hij sterft.

Hoe dan ook, het is voor iemand goed om te weten, dat de Shechina ongetwijfeld tegenover hem staat [zoals is geschreven,  “Stort je hart uit als water, wanneer je aanwezig bent tegenover het gezicht van G’D”(Klaagliederen 2:19). Dit is de betekenis van het vers “Toen keerde Hezekia zijn gezicht naar de muur” (Jesaja 3:2), omdat tegenover hem de Shechina was. Dit is ook de reden waarom er geen enkele separatie mag zijn tussen iemand en de muur [tijdens het gebed].

Iemand die in gebed staat [Staande Gebed], moet het zodanig voorbereiden dat hij zijn Meester het eerste prijst.

Dit verwijst naar de eerste drie zegeningen van het Staande gebed. Het is ook een algemeen meditatieve techniek in de Zohar.  Voor de meeste Thora voordrachten, willen De Wijzen eerst G’D, de Thora en het Volk van Israël prijzen. Dit opent het verstand  en het hart voor de grootheid van G’D en creëert een spirituele ambiance voor een toevloed van inspiratie.

Later [te midden van de 13 zegeningen] moet hij smeken voor wat hij verlangt [ met andere woorden berouw, Thora leren, gezondheid, verlossing etc.], want dit is de manier waarop Mozes bad. Eerst, “Mijn Heer, Eeuwige G’D [Havayah], U hebt Uw dienaar eerst het begin van inzicht gegeven van Uw grootheid en van Uw sterke hand. Inderdaad, zou er een macht in de hemel of op de aarde zijn die zulke werken en zulke machtige daden als de Uwe zou kunnen verrichten?” (Deuteronomium. 3:25), tot besluit, “Ik verzoek U dringend, alstublieft, laat me toch oversteken en dat mooie land zien dat aan de overkant van de Jordaan ligt….”(ibid. 3:25)

Rabbi Jehoeda vraagt waarom er een verandering is in de volgorde van de namen van G’d in dat vers.

“Heer, Eeuwige G’D is de omgekeerde volgorde van de spirituele werelden. “Heer” is hier “Ado – nai “, welke eerst wordt geciteerd, verwijzend naar koningschap of malchoet, Havayah“, het Tetragrammaton, is het hogere niveau, doch het verschijnt als laatstgenoemd.

Eerst wordt genoemd “Heer” (Ado – nai), gespeld alef, dalet, noen, joed, en als laatste de naam Havayah met vocaalteken [in de traditionele lezing] in plaats van de uitspraak van de naam Elo – hiem.  De meditatie is daarom, om deze twee aspecten van G’ddelijkheid één te maken, malchoet één maken met Zeir Anpin.

De volgorde [van de namen] is om de eigenschap van dag [met andere woorden licht, goedheid, Zeir Anpin] te omvatten met de eigenschap van nacht [duisternis, oordeel, Malchoet] en de eigenschap van nacht te betrekken met dag.

Het lezen van de naam Havayah als Elo – hiem laat de bedoelde overeenkomst met Malchoet zien. De naam Elo – hiem is het creatieve aspect van het G’ddelijke en dat aspect verlangt grenzen en samentrekking van het oneindige licht. Dit deelt het een aspect van duisternis en oordeel (het benodigde vermogen om contractie te veroorzaken) van Malchoet. Naar hen [Havayah als Elo – hiem] wordt ook verwezen als Moeder en Dochter of Bina en Malchoet.

Deze [meditatie] [antwoord op de vraag van Rabbi Jehoeda ] verenigt de twee op een passende wijze met elkaar.

SHABBAT SHALOM     

 

PARASHAT DEVARIEM

Woorden                          Deuteronomium.1:1 – 3:22

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar Vayakhel 201

 

Wijzen jullie daarom, in jullie eigen belang, uit elk van jullie stammen, wijze verstandige en goed bekend staande mannen aan, die Ik als hoofdleiders over jullie zal aanstellen.” (Deuteronomium. 1:13)

 

 

Rabbi Josi opent met het volgend vers: “En elk individu wijs hart onder jullie zal komen en geven.(Exodus. 35:5) Toen G’D zei tot Mozes, “Neem wijze en verstandige mannen,” onderzocht hij heel Israël, maar vond geen verstandige mannen. Om die reden wordt in het vers, “Dus nam ik de hoofden van jullie stammen, wijze mannen en bekend,(Ibid 15) ‘verstandig’ niet genoemd. Je zou kunnen zeggen dat begripvol in kwaliteit superieur is aan wijsheid en dat is natuurlijk zo.

 

Wat is het verschil tussen deze twee? Over een wijze man hebben we uitgelegd, dat zelfs een leerling die wijsheid onthult aan zijn leermeester wordt beschouwd als wijs. Een wijs man weet van zichzelf wat gedaan moet worden. Een verstandig man draagt vele niveaus in zich, omdat hij alles onderzoekt en voor hem zelf weet en voor anderen. Je kunt dit afleiden uit “Een rechtvaardig mens waardeert het leven van zijn dieren. (Spreuken. 12:10) En ook,rechtvaardigen heersen in vrees voor Elo-kiem.” (Samuel II, 23:3) En hier is “iemand wijs van hart” bedoeld in de letterlijke zin, een mens is wijs in zijn hart en niet ergens anders, omdat wijsheid rust in het hart. Maar een begripvol iemand existeert zowel boven als beneden en observeert zichzelf en anderen.

 

BeRachamiem Jechajiem:

 

Chochma, wijsheid, Bina, begrip en Da’at, kennis zijn drie verschillende aspecten. Rabbi Eliezer, de zoon van Azariah zou zeggen: Als er geen Chochma is, is er geen vrees/ontzag voor G’D; als er geen vrees/ontzag voor G’D is, is er geen Chochma. Als er geen Da’at is, is er geen Bina, als er geen Bina is, is er geen Da’at.” (Avot. 3:10)

 

We hebben integratie nodig. Zielsvermogens die gebrek hebben aan integratie zijn gelijk aan eilanden in de zee, elk afzonderlijk sterk en krachtig en rijk aan bekwaamheid, maar geïsoleerd en niet in staat om het grote geheel te helpen en te ondersteunen.

 

Misschien is wat de Zohar ons tracht te zeggen dat hoewel Chochma meer subliem is, meer intuïtief en “hoger” absoluutheid gezien en in abstractie, dat Da’at in zekere zin “hoger” is, daar het concreet is, het is praktisch en van deze wereld. We moeten ons niet zó op het spirituele richten dat wij van geen aards nut meer zijn.

 

Bina betekent in staat zijn om de bomen te onderscheiden van het bos, om in staat te zijn de linkerhersenhelft te gebruiken voor het oplossen van ware levensproblemen. Da’at begrijpt dat en zet dat om in directe handelingen, past de kennis van Chochma en de analyse van Bina praktisch toe, laat hen samen huwen en voila, we hebben een resultaat.

 

Chochma bestaat taalkundig uit  koach mah, letterlijk, “het vermogen van Wat?” Bina echter, stelt een meer sublieme vraag, niet “Wat is dit?”, maar eerder “wie gaat de klus klaren? !!”

 

SHABBAT SHALOM  

 

 

            

PARASHAT MAS’ÉE

 Reizen     Numeri. 33:1 – 36:13

 

 

Het Bevrijden van de Gevangen Vonken

 

Rabbi Chaim Ben Moshe ibn Attar

 

Ohr HaChaim

 

 

 

“Dit zijn de reizen van de Kinderen van Israel die onder leiding van Mozes en Aaron uit Egypte waren getrokken in hun stamverbanden.” (Numeri. 33:1)

 

 

Ons vers kan worden begrepen wanneer we in aanmerking nemen wat de Zohar II, 157 te zeggen heeft over het doel van de Israëlitische trektocht door de woestijn: het was bedoeld om de Israëlieten in staat te stellen afzonderlijke vonken van heiligheid te zoeken en die te bevrijden uit hun gevangenschap. Deze “vonken” waren gevangen door de spirituele negatieve krachten die hun verblijf hadden in de woestijn. G’D leidde de Israëlieten door plaatsen zodat hun heiligheid als een magneet zou werken om “verloren”vonken van heiligheid aan te trekken.

 

De enige manier waarop dit bereikt kon worden was door middel van absolute heiligheid, met andere woorden, een combinatie van de heiligheid van Israël, de Shechina en de Heilige Thora. Het verlangt de aanwezigheid van 600.000 zielen die hun oorsprong hebben in heilige domeinen. Mozes verenigde deze 600.000 individuele heilige zielen, hij wordt gezien als de boom van waar uit al deze takken voortkomen. (Jesaja. 63:11)       

In een gezamenlijke inspanning waren deze krachten van heiligheid in staat om de krachten van onzuiverheid te overwinnen, die vele van deze verloren vonken van heiligheid gevangen hielden.

De Patriarchen misten deze “compleetheid” die was toegekend aan de aanwezigheid van 600.000 zielen.

 

Volgens de Zohar konden deze “vonken” worden veroverd zolang als de Israëlieten actief reisden en niet daar waar zij legerden; dit had de Thora in gedachten tijdens het schrijven van “dit zijn de reizen”. Het woord “dit” [in het Hebreeuws, “eleh”] is inderdaad in scherp contrast met de andere reizen ooit beschreven waar dan ook, omdat er nooit te voren reizen hadden plaatsgevonden die werden begeleid door zo vele elementen van heiligheid.

 

Hoewel het waar is dat de Patriarchen ook werden beschreven als reizende en zij ook verloren vonken van heiligheid hebben bevrijd gedurende hun omzwervingen, is wat deze individuen hebben bereikt niet te vergelijken met wat het Joodse Volk als geheel in dit verband heeft volbracht. De Thora zelf beschrijft de verheven aard van deze reizen door te benadrukken dat zij plaatsvonden als een nasleep van de Uittocht uit Egypte, met andere woorden, nadat de Israëlieten waren gezuiverd in de Uittocht van Egypte. Dit stelde hen in staat om de vonken van heiligheid waar ze die ook zouden tegen komen konden afzonderen.

 

Niet alleen dat, maar de Thora beschrijft deze reizen als plaatsgevonden hebbend als “letzivotam”, als complete eenheid, de Shechina rustte op deze 600.000 heilige zielen. We hebben herhaaldelijk geschreven dat de definitie van volledigheid, compleetheid, niet van toepassing is op minder dan 600.000 dergelijke zielen.

 

De reden dat G’D de Thora niet aan de Patriarchen gaf was gelegen in hun geringe aantal. Zij misten deze “compleetheid” die gebaseerd was op de aanwezigheid van 600.000 zielen die hun oorsprong hadden in een heilig domein (vergelijk Mechilta Jitro), zodat zij konden worden beschreven als “tseva’ot”, “G’D’s strijders”. Pas toen de Israëlieten in de woestijn waren voldeden zij aan alle noodzakelijke voorwaarden om de taak te vervullen in de voor hen geplande reizen. De Thora voegt er ook de frase aan toe onder leiding van Mozes en Aaron”, zij intermedieerden tussen de Shechina en al de andere elementen van heiligheid die nodig waren om het Volk te verenigen tot één geheel van heiligheid.

 

SHABBAT SHALOM         

 

  

        

PARASHAT MATÓT

 Stammen      Numeri. 30:12 – 32:42

 

Het Door Vuur En Water Halen

 

Deze onderdompeling was ingesteld om de overgang van voorwerpen te markeren van de onreinheid van ‘niet joods’ voedsel.

 

Zohar Ex.20:

 

Alles wat door het vuur kan gaan, moet men door het vuur laten gaan en dan is het rein, echter het moet ook nog door reinigingswater van zijn onreinheid bevrijd worden en alles wat niet door het vuur kan gaan, moet je door het water halen.” (Numeri. 31:23)

 

 

Rabbi Jitzhak zegt: Vanaf hier en verder is geschreven, “Alles wat door het vuur kan gaan, moet men door het vuur laten gaan en dan is het rein” (Numeri. 31:23)  Rabbi Josi zegt: Toen de Tempel existeerde, zou iemand zijn offers op deze wijze brengen. En hem werd verzoening verleend. Nu, brengt het gebed van iemand verzoening, in de plaats van het offeren.

 

Berahamien Lahayyiem: We hebben geen Tempel “hier beneden”. Maar het zou beter zijn om aan te nemen dat er nog steeds een is “daarboven”. Want het brengen van offers is nooit en te nimmer gestopt en G’D zal welwillend en bereid zijn spoedig in onze tijd de Tempel te herbouwen en de offers te wijden “hier beneden”.

 

Er is geen dienst “hier beneden” maar ons is beloofd dat onze gebeden de plaats innemen van de offers. We hebben geen altaar, maar ons is gezegd dat onze eettafels in plaats daarvan verzoening verlenen. Wat een ontzagwekkende verantwoordelijkheid!

 

We brengen wonderen tot stand met onze woorden en de wijze waarop we ons gedragen. Verzoening wordt mogelijk in de structuur en de aspecten van ons dagelijks leven. Ware het maar zo dat alleen een deel van ons bewustzijn zo zou leven.

 

SHABBAT SHALOM 

     

 

PARASHAT PINCHAS

Pinchas            Numeri.  25:10 – 30:1  

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

De Zohar leert dat juiste rectificatie van de ziel stap voor stap plaatsvindt.

 

Zohar, p. 213a

 

Rabbi Shimon citeert het vers, “En toen Pinchas, de zoon van El’azar, de zoon van Aaron de Priester, dit zag stond hij midden uit de vergadering op en nam een speer in zijn hand.” (Numeri. 25:7)  Waarom wordt er tweemaal naar Pinchas verwezen als de zoon van? Het gaat erom de voltooiing te laten zien van wat verloren was gegaan.

 

Nadaw en Awihoe, de twee zonen van Aaron, werden verteerd bij het brengen van het wierook offer op een ijverige, maar misplaatste wijze. Hun zielen waren verdwaald ofwel niet in vrede, tot aan de handeling van Pinchas. Hij velde Zimri en Kosbi op een ijverige en gepaste wijze. De spirituele kracht voortkomend vanuit zijn standvastig voorgevoel van deze moedige daad, leidde er toe dat de verloren zielen van Nadaw en Awihoe zich samenvoegden met zijn Nefesh. Hun zielen werden toen gerectificeerd door zijn daad en het was alsof Aaron zijn twee verloren zonen weer levend had terug gekregen. Dit is de innerlijke betekenis achter de herhaling van het woord zoon. De Nefesh is parallel aan de wereld van Actie/Asiya en het vereist actie in de Fysieke wereld om een bevlekte Nefesh in de spirituele dimensie te rectificeren. Rabbi Shimon werkt dit concept in de volgende verhandeling verder uit.

 

Rabbi Shimon zei dat iemand die een gereïncarneerde ziel verkrijgt [die hij ontvangt om te rectificeren, die was bezoedel in een vorige incarnatie] en niet waardig genoeg was [in zijn handelingen] om te rectificeren, wordt beschouwd alsof hij de waardigheid van de Koning heeft genegeerd.

 

Voor de geboorte van de ziel legt de ziel een eed af om rechtvaardig te zijn. Door het doen van onterechte handelingen minacht men deze eed en bezoedelt daarbij de eigenschap van oprechtheid.

 

Naar een dergelijk persoon verwijst het vers (Leviticus.5:22)  betreffende iemand die “heeft gevonden wat verloren was” [met andere woorden, het gereïncarneerde deel van zijn ziel] “en verraderlijk is met betrekking tot het verlorene” [door onrechtmatige daden toe te voegen, in plaats van het te rectificeren], “en een valse eed aflegt” [door zich niet rechtvaardig te gedragen zoals hij heeft beloofd]. Het zou beter geweest zijn voor zo iemand dat hij niet was geboren [want hij maakt bepaalde dingen erger zowel voor hem als voor het gereïncarneerde deel van zijn ziel].

 

Om Rabbi Shimon’s verhandeling te kunnen begrijpen, is het nuttig om een uitleg te vermelden van de Midrash Melech (een commentaar op de Zohar). Hij stelt dat iemand die zichzelf niet in de eerste incarnatie heeft gecompleteerd, zal worden gereïncarneerd om hem de kans te geven de vergissingen die hij heeft begaan te rectificeren. Maar we weten niet welk van de twee lichamen zal worden herrezen in de tijd van de Opstanding van de Doden. Volgens een opinie, zal onder bepaalde omstandigheden het lichaam dat het belangrijkste was voor de rectificatie van de ziel herrijzen en zal er alleen een spoor zijn van het andere.

 

SHABBAT SHALOM         

PARASHAT BALÁK

BALAK           Numeri. 22:2 – 25:9


Expressies van Kwaad


De Lubavitcher Rebbe


Likoetei Sichot vol. 23, p.166

Balak zoon van Tzippor was in die tijd Koning van Moab. Hij zond afgezanten naar Bil’am, zoon van Be’or, zeggend: Kom alstublieft en vervloek voor mij dit volk……(Numeri. 22:4-6)

 

Waarom zou een hele parasha van de Thora Balak genoemd worden? De nauwkeurige lezer zal opmerken dat de Thora negatieve bewoordingen en idiomen waar mogelijk schuwt (Bava Batra 123a;Pesachiem 3a). Bovendien gelast de Thora ons alle sporen van kwaadaardigheid en afgodenrij uit te wissen (Spreuken. 10:7; Yoma 38b) Waarom dan vereeuwigt de Joodse traditie de naam van een slechte afgodische koning, die zeer duidelijk wenst om het Joodse Volk tegen elke prijs uit te wissen en er in feite in slaagt om een honderdduizend van ons de dood in te jagen? (zie Rashi op Numeri. 25:5)

 

Bovendien schijnt de echte slechterik Bil’am te zijn, wiens vermogen om te vervloeken ongetwijfeld een echte bedreiging voor de Joden vormde. Om precies te zijn, Balak is de gene die Bil’am inhuurde, maar de handeling concentreert zich meer op Bil’am.

 

Voordat het Joodse Volk het Beloofde land kon binnentrekken en de Thora’s autorisatie kon beginnen te vervullen in de fysieke wereld, met als uiteindelijk doel het inleiden van de Messiaanse toekomst, moest er een handeling van transformatie plaatsvinden. De fundamenten moesten gelegd worden voor de transformatie  van alle realiteit, dat zou uiteindelijk het doel zijn en resulteren in het leven van het Joodse Volk in hun Land.

 

De haat en vervloekingen van de vijanden van G’D’s Volk moesten worden getransformeerd in zegeningen en niet in zomaar zegeningen, maar in de profetieën van de uiteindelijke zege van G’D’s Volk over de vijanden die trachtten hen te vervloeken. In de Messiaanse Era, zullen de niet Joodse Volkeren al hun macht gebruiken om het Joodse Volk bij te staan, in plaats van hen te bevechten, zoals is geschreven, “Koningen zullen zorgdragers worden en hun prinsessen je verzorgsters” (Jesaja. 49:23). “Vreemdelingen zullen opstaan en je schapen leiden en de zonen van de vreemde zullen je land en wijngaard bouwers worden” ( Jesaja. 61:5-6) .

 

Want de Messiaanse verlossing zal de volledige vernietiging en transformatie van kwaad aankondigen, het moet nu duidelijk zijn waarom de profetieën betreffende deze Era voortkwamen uit de mond van de afgodische Bil’am. Alleen op deze wijze kon de volle kracht van hun transformationele aard worden uitgedrukt.

 

Om dezelfde reden is deze parasha genoemd naar Balak, aangezien hij het idee belichaamt dat de Messiaanse Toekomst volledig zal worden getransformeerd van kwaad naar goed. Ten eerste, hij haatte het Joodse Volk meer dan wie dan ook( met inbegrip van Bil’am, die niet zou hebben geprobeerd de Joden te vervloeken, had Balak hem niet ingehuurd dit te doen, zie Midrash Tanchoema, Balak 2), toch was het resultaat van zijn haat dat de Joden gezegend werden met de verzekering van hun triomf. [ Volgens anderen echter (zie Rashie op Numeri. 22:1),  haatte Bil’am de Joden meer dan Balak.]

 

Vergeet niet dat de parasha met opzet genoemd is naar Balak, want hoewel de namen van de Thora gedeelten meestal worden ontleend aan de eerste woorden, wordt het woord Balak in deze parasha voorafgegaan door het woord “En hij zag”. Dus de parasha kon genoemd worden naar dit woord, net zoals, bijvoorbeeld, de Thoragedeelten Wajerá en Wa’erá genoemd naar hun eerste woorden en naar het onderwerp van deze werkwoorden [G’D, in Genesis. 18:1; Abraham, Izaak en Jacob, in Exodus. 6:3.]

 

Ten tweede, Balak was een directe voorloper van Mashiach. Koning David, de voorvader van Mashiach, was de achterkleinzoon (vierde generatie zoon) van Ruth, de Moabitische bekeerling (Roet. 4:16-21)  en Ruth was een nakomeling van Balak (Sota 47a). In feite veronderstelde Balak dat Mashiach in directe familie lijn zou zijn en hij vond dat als hij de Joden kon vervloeken, deze grootsheid onder zijn eigen volk zou blijven. De transformatie van kwaad in heiligheid was exact wat hij vreesde. (Shnei Luchot Habrit, Balak, 363b ff., aangehaald in Or HaThora, Balak, p, 902)
Het is vanwege Balak’s personificatie van kwade, alles omvattende haat tegen heiligheid en zijn uiteindelijke transformatie in heiligheid, dat de parasha naar hem is genoemd en niet naar Bil’am. Zijn haat was de katalysator die de hele episode aanspoorde.

 

Het idee dat Balak de aanstichter was, galmt na in de haftara:  “Ben je vergeten Mijn Volk wat Balak, de Koning van Moab besloot en wat Bil’am, de zoon van Beor, hem antwoordde” (Micha. 6:5)  Bil’am beantwoordde alleen de initiatieven van Balak.

 

Het woord “Balak” betekent in het Hebreeuws “opgehouden” of “dood” (Jesaja. 24:1)

Allegorisch dan, beschrijft Parashat Balak een dodende spirituele staat waarin een Joodse identiteit op zijn laagste punt is.

 

Inderdaad gebeurt het soms dat juist wanneer we een groot doel hebben verwezenlijkt in ons leven, we net op het punt zijn om ons “beloofde land” binnen te trekken, dat onze inspiraties worden bevangen door het gevoel van waardeloosheid en neerslachtigheid, ons het gevoel geven van niet opgewassen zijn tegen de taak. Een oprechte zelfschatting laat ons bewust zijn van onze tekortkomingen en zwakten. Hoe kunnen we veronderstellen te voldoen aan de oproep van grootsheid wanneer we zo grondig verdorven en de acute eigenschappen missen die nodig zijn om de uitdaging te zien? We voelen ons “afgesneden”ons leven lijkt op een vloek.

 

In dergelijke tijden, moeten we ons herinneren dat Balak een voorvader van Mashiach is: dat als we onze verbinding met ons uiteindelijke doel vernieuwen, we de vervloeker in ons kunnen transformeren in een bron van zegeningen. We kunnen onze innerlijke vijand en neiging om onze opdracht te vervloeken, omzetten in een zegen door G’D’s droom tot de onze te maken. Elk van ons bezit een messiaanse vonk, een potentieelvermogen om een rol te spelen in de verlossing van deze wereld. Concentratie op onze innerlijke messiaanse noodzaak, stelt ons in staat om boven onszelf uit te reiken en onze ware innerlijke grootsheid te realiseren.

 

SHABBAT SHALOM