PARASHAT EMÓR

Zeg           Leviticus. 21:1 – 24:23

Gebaseerd op Sichot Kodesh 5725, vol 1, p. 25; likoetei Sichot, vol 36, pp. 82-85.

Ontwikkelende G’ddelijke Dienst

Kabbala leert dat onze verbinding met het G’ddelijke voortdurend ontwikkelt

De Eeuwige sprak tot Mozes: “Wanneer een rund of een schaap of geit geboren wordt, dan blijft het zeven dagen onder de hoede van de moeder en van de achtste dag af en verder kan het als vuuroffer voor de Eeuwige aanvaarbaar zijn.” (Leviticus. 22:23)

De esoterische betekenis van de mitzwa is als volgt:

“Moeder” is de significatie van het intellect, omdat het intellect “leven geeft aan” de emoties. Wanneer het intellect de deugd van iets inziet, “geeft het leven” aan een emotie van liefde er voor, wanneer het ongewenste schadelijkheid van iets herkent “geeft het leven” aan een emotie van haat of angst er voor, enz. Het dier is de significatie van de emoties, omdat dieren geleid worden door hun instinctieve emotionele vermogens en niet door intellect. Het “dierlijke” aspect van de mens is dus zijn matrix van emoties.

Wanneer een emotie is “geboren”, moet die worden “uitgebroed”, met andere woorden, volwassen worden door het intellect. Dit is een proces van zeven “dagen”, met andere woorden, een zevenvoudig proces, één voor elk van de zeven basis emoties. Alleen nadat de emoties dus zijn volgroeid, zijn zij geschikt om te worden “geofferd aan G’D”, met andere woorden, deel worden van de psyche van een mens toegewijd aan de dienst van G’D.

Dit zijn de vastgestelde feestdagen van de Eeuwige, die jullie als een oproep tot bijzondere wijding op de hiervoor bepaalde tijd moeten afkondigen. (Leviticus. 23:4)

De drie pilgrim feesten werden vastgesteld in verbinding met de landbouw cyclus: Pesach vindt plaats wanneer de producten beginnen te rijpen, Shavoeot wanneer het graan wordt geoogst en Soekot aan het eind van het seizoen, wanneer de producten worden geoogst van de velden.

Chasidoet interpreteert deze correlatie als volgt:

G’D refereert aan het Joodse Volk als aan Zijn “producten”. (zie Jeremia. 2:3, Hosea. 2:25) Juist zoals iemand graan zaait in de hoop een grotere teruggave te oogsten, “plant” G’D zielen in de fysieke wereld om dat zij veel meer moeten bereiken dan zij kunnen in de spirituele sferen.

De wijze waarop graan groeit is eveneens een les voor mensen. Het zaad zoals wij het planten. Pas wanneer de uiterlijke bedekking van het zaad bederft en de vorm van het zaad zoals wij het kennen wordt afgescheiden en ophoudt te bestaan, kan groei beginnen. Omdat het oorspronkelijke zaad per se niet langer bestaat, is het nieuwe gewas niet meer beperkt door de limitaties van de oorspronkelijke vorm van het zaad.

Hetzelfde geldt voor de menselijke groei. Ego staat in de weg voor groei. Het is alleen wanneer het wordt overwonnen en geneutraliseerd dat de ziel zijn volle potentie kan bereiken.

Shabbat Shalom

PARASHOT ACHARÉ MOT- KEDOSHIEM

Na de dood- Heilig.  Leviticus. 16:1 – 18:30, 19:1 – 20:27


De spirituele oorsprong van de offers van Cain en Hewel (Abel) verduidelijken de esoterische waarheid van verboden vermenging.


Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Het Thora gedeelte van deze week bevat de mitzwa betreffende het verbod op het vermengen van wol en linnen, bekend als “shaátnez

Het verbod op “shaátnez” wordt uitgelegd in de context van de esoterische dimensie van de overtreding van Cain en Hewel. In deze context wordt de mystieke essentie van wol en linnen en hun plaats in de spirituele hiërarchie ook verklaard.

Cain en Hewel waren zonen van Adam en Chava (Eva). Na de verdrijving uit de Tuin van Eden, werkte Cain als landbouwer en Hewel als herder. Cain bracht G’D een offer van zijn gewassen en Hewel een offer van zijn kudde, maar G’D accepteerde het alleen het offer Hewel. Er zijn een aantal verklaringen waarom dit zo was, maar hier richt zich de uitleg op het feit dat Cain’s offer van linnen was.

Het is bekend dat onze geleerden hebben gezegd dat als iemand zijn veld verpacht aan een ander persoon voor zeven jaren [of minder], de laatstgenoemde het niet mag zaaien met vlaszaad (Bava Metzia 109a). De reden hiervoor, verklaart de Talmoed, is dat vlas de energie van de aarde uitput en dat het zeven jaar duurt voordat het zich heeft hersteld.

Onze Wijzen noemen de vlasplant bovendien een “boom” type, omdat er is geschreven “….en verborg zich te midden van het vlasbos” (Joshoea. 2:6)

Esoterisch refereert de bovenstaande uitspraak, de energie van de aarde, aan het innerlijke vermogen van de sefira van Malchoet, zoals is geschreven, “….een offer aan G’D van de vruchten van de aarde” (Genesis. 4:3).

Een van de benamingen van Malchoet is “aarde”, aangezien Malchoet de laagste sefira is en dus het “grond” niveau is van elke wereld. Bovendien, de G’ddelijke energie van de hogere sefirot is “gezaaid” in de “grond” van Malchoet, voortbrengend en vruchtgevend in de daarop volgende wereld.

Weet dat alle vegetatie en bomen manifestaties zijn van Malchoet van Yetzira.

De vier werelden (Atziloet, Beria, Yetzira en Asiya) correleren respectievelijk met de vier “koninkrijken” van het geschapene: mens, dier, vegetatie en mineraal. Dus het vegetatieve koninkrijk is geworteld in de wereld van Yetzira. Thematisch is dit zo omdat Yetzira de wereld van emoties is, die “groeit”en “tot rijpheid” komt door deugdzaamheid van het licht van het intellect dat op hen, de emoties schijnt.

Omdat het vegetatieve koninkrijk allegorisch de wereld van Yetzira is, is de grond waarin het plantenleven groeit, allegorisch de Malchoet van Yetzira.

De energie van de aarde is de spirituele kracht die Tiferet in haar achterliet toen hij haar als eerste tot een houder, een vat maakte. (Zohar II:101b)

De Wijzen zeggen dat “een vrouw alleen een overeenkomst aangaat met iemand die haar tot een houder, een vat maakt”(Talmoed, Sanhedrin 22b), met andere woorden, met haar eerste echtgenoot die haar heeft ontmaagd en haar tot een ontvanger van zijn zaad heeft gemaakt. De wijzen zinspelen hier op een psychologische transformatie die plaats vindt in de vrouw als zij voor de eerste keer een huwelijkse relatie ervaart, die gedeeltelijk zal worden verhelderd in deze passage, waarin deze spirituele kracht wordt geïdentificeerd als Daát.

Tiferet refereert hier aan Zeir Anpin in het algemeen en Malchoet aan Noekva.

Meer gedetailleerd, het is de Naam Ban, [de Naam Havayah letter voor letter gespeld hebbend de numerieke waarde van 52], en het is in haar Yesod. Om deze reden wordt het een “boom”genoemd.

De innerlijke energie van Noekva wordt gerepresenteerd door de Naam Ban.

Cain nu, verhief de letters die gebruikt worden om deze letter voor letter gespelde Naam Ban aanwezig in Malchoet tot aan Tiferet, als “feminiene waters”. De overtreding was dat deze Naam altijd in Malchoet moet blijven om “feminiene waters” te verheffen, zodat [Malchoet] het Hemelse Licht kan ontvangen als “masculiene waters”, beide blijven in haar.

“Masculiene waters” en “feminiene waters” zijn in Kabbalistische begrippen voor respectievelijk “opwekken van Boven” en “opwekken van Beneden”. Zoals we eerder hebben gezien, verlangt het ingeboren vrouwelijk principe naar vereniging met het mannelijke principe, om de vrouwelijke drang tot concretisering van G’ddelijk bewustzijn te verbinden met de mannelijke drang in de wereld tot steeds meer abstracte en verheven niveaus van G’ddelijke bewustzijn. Zonder verjonging door het mannelijke, verliest het vrouwelijke de inspiratie en bezwijkt aan de “gravitatie” invloed van de fysieke realiteit die zij aanvankelijk streeft te overwinnen.

Doch Cain was niet enkel van plan om de “feminiene waters” te verheffen, maar eerder in zijn geheel te verwijderen van Noekva, helemaal teruggeven aan hun oorsprong in Zeir Anpin zelf.

Cain trachtte het vrouwelijke, bij wijze van spreken, te transformeren naar het mannelijke, daarbij zijn G’ddelijke missie en bestemming opgevend, als aandrijving tot concretisering van G’ddelijk bewustzijn in de wereld, en daardoor blijvend in de abstracte sfeer van Zeir Anpin, de emoties per se.

Dit is de esoterische en mystieke analogie van vlaszaad die de energie van de aarde uitput voor zeven jaren. De “energie van de aarde” is de Naam Ban, die de innerlijke G’ddelijke kracht van Malchoet is. Vlaszaad haalt alle energie uit de zeven lagere sefirot die in haar schuilt en verwijst hier naar zeven jaren.

Shabbat Shalom             

PARASHAT TAZRIA – METZORA

Zij geeft zaad – Melaatse Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33

RABBI SHIMON BAR JOCHAI


Het zuiveren van Adam


Zohar III p. 48a.

Als een mens (in het Hebreeuws, ‘adam’) in de huid van zijn vlees….[ een melaatsachtige infectie heeft] (Leviticus. 13:2)

We hebben geleerd dat mensen [in de Thora] op [vier] verschillende wijze worden verwezen naar: “adam”, “gever”, “enosh” en “ish”. (Shabbat 54b) [Al deze namen hebben dezelfde betekenis, “een mens”, maar] de meest aanzienlijke onder hen is “adam”, zoals is geschreven: “G’D schiep de mens [“adam’] naar zijn beeld”(Genesis. 1:27); “Want naar het beeld van G’D heeft Hij de mens [“adam’]  geschapen” (Genesis. 9:6). Deze versregels hanteren niet de termen ““gever”, “enosh” en “ish”. Vanuit deze verzen kunnen wij concluderen dat de titel “adam” verwijst naar een mens van G’ddelijke status.

In feite zijn deze titels coderingen voor de vier niveaus van de ziel en corresponderen zij naar de vier werelden, respectievelijk: “Adam” is het niveau van de ziel die“Chaya” wordt genoemd (aangeduid in de Zohar als “Neshama van de Neshama”), welke zich manifesteert in chochma, en correspondeert met Atziloet; “gever” is het niveau van de ziel die “Neshama”wordt genoemd, welke zich manifesteert in bina en correspondeert met Beriya; “enosh” is het niveau van de ziel die “Roeach” wordt genoemd, welke zich manifesteert in de zes emotionele eigenschappen van Zeir Anpin en correspondeert met Yetzira; ´ish”is het niveau van de ziel wat “Nefesh” wordt genoemd, welke zich manifesteert in malchoet en correspondeert met Asiya.

Adam Chaya Chochma Atzilut
Gever Neshama Bina Beryia
Enosh Ruach Zeir Anpin Yetzira
Ish Nefesh Malchut Asiya

Echter Rabbi Jehoeda zegt: Maar het staat geschreven, “Wanneer een persoon [adam] een verzoeningoffer brengt aan G’D” (Leviticus. 1:2). Schijnt dit de stelling te weerleggen dat “adam” de meest aanzienlijke titel of benaming is voor de mens, omdat, wie moet een verzoenend offer brengen? Een zondaar, en toch wordt de term “adam” gebruikt!

Hoe kan dit van toepassing zijn op een persoon die op het niveau van Chaya-chochma- Atziloet is?

Rabbi Jitzchak antwoordt: De [fysieke] wereld en de hogere en lagere werelden worden allen gedragen door de offergaven, welke een groot genoegen zijn voor de Heilige, Geprezen Zij Hij. Nu, wie is geschikt om een offergave te bieden die G’ddelijk genoegen teweeg brengt? Alleen de meest achtenswaardige persoon die “adam” genoemd wordt!

M.A.W. alleen een persoon op het hoogste niveau heeft de mogelijkheid om hemel en aarde te dragen.

Rabbi Jehoeda reageert: Maar het vers, “Als een mens in de huid van zijn vlees een lepra-infectie heeft….zal hij voor Aaron gebracht worden” (Leviticus. 13:2) en “Wanneer een mens is getroffen door een lepraplaag zal hij voor een priester worden gebracht”(ibid. 13:9) schijnt dit te weerleggen?

[Rabbi Jitzchak legt uit]: Het is juist zo een persoon wie de Heilige, Geprezen Zij Hij, wenst te zuiveren, meer dan iemand anders. Een persoon op een hoog spiritueel niveau zal niet blijven zoals hij is [zonder rectificatie]. En om die reden verklaart het vers, …”hij zal voor Aaron worden gebracht” en “hij zal voor een priester worden gebracht”. Het zegt niet, “hij zal komen of gaan”, maar eerder, “hij zal worden gebracht” [door anderen]. Want iedereen die zo een persoon ziet is verplicht om hem voor een priester te brengen, aangezien een mens van dit heilige gehalte niet kan blijven in de staat zoals hij is.

Omdat de werelden niet kunnen worden ondersteund zonder zo een persoon, is het in ieders voordeel dat zo iemand zal wordt genezen. De enige vraag die overblijft is hoe een persoon van zo’n hoog spiritueel niveau getroffen worden door melaatsheid? Commentatoren verklaren dat ofschoon zo’n persoon alles binnen zijn mogelijkheid heeft gerectificeerd, er nog altijd kleine hoeveelheden spirituele verspilling overblijf, die een boven natuurlijke infectie veroorzaken in zijn buitenste niveaus, zijn huid. In feite, vóór de infectie is bestempeld door een priester als “onzuiver”, is het een zeer hoog niveau van G’ddelijke illuminatie, ofschoon het aspect bekend is als “ferme strengheid”. Om deze rede moet hij voor de priester worden gebracht, de mens van chesed (barmhartigheid), die de mogelijkheid heeft om harde strengheid te verzachten en het om te zetten in pure goedheid. ( Rabbi Shneur Zalman van Liadi, Likoetei Thora, Tazria 22b)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

Rabbi Jitzchak Luria

Koshere Dieren en Kabbala

Geschriften van de Ari, Sefer HaLikoetim.

Koshere dieren zijn dieren die gedomesticeerd zijn (rundvee, schapen en geiten), zeven soorten wilde beesten, vier typen sprinkhanen en verschillende soorten gevogelte en vis.

De mens is in het algemeen afgeleid van Zeir Anpin, terwijl de beesten en het vee zijn afgeleid van Noekva [van Zeir AnpinI], en vis, sprinkhanen en gevogelte van Yesod van Zeir Anpin. Om die reden is de numerieke waarde van het woord voor “vis” [in het Hebreeuws, “dag”] 7, want Yesod is de zevende sefira. Bovendien “geeft Yesod aan de arme” [in het Hebreeuws, “gomel daliem”], voor de initialen van deze uitdrukking worden de zelfde letters gebruikt als voor het woord “vis”.

Yesod is feitelijk de zesde sefira van de middot, maar aangezien ze een paar vormt met Malchoet, de zevende sefira, mag het evenzeer in deze context als zevende sefira beschouwd worden. Malchoet wordt geacht “de arme”te zijn, omdat het niet een innerlijk gehalte van zichzelf bezit. Aangezien de inhoud van de voorafgaande sefirot door Yesod wordt gekanaliseerd naar Malchoet, mag van Yesod gesproken worden als of ze “geeft aan de arme”.

Met name is [vis] afgeleid van de staat van Chesed gegeven aan Yesod voor zijn eigen doel; dit is de reden waarom zij in water leven.

Bepaalde aspecten van Chesed worden alleen door Yesod gekanaliseerd, terwijl andere een deel worden van Yesod (aangezien Yesod hoofdzakelijk een sefira van overbrenging is, het reflecteert het gevend aspect van Chesed). In de beeldspraak van Kabbala, is water een metafoor voor Chesed (en daarom een manifestatie van Chesed), daar water altijd neerwaarts stroomt en de bron van het leven is.

Sprinkhanen zijn ontleent aan de staten van Gevoera [binnen Yesod] als zij opwaarts terugkeren. Dit is de esoterische betekenis van het vers: “Strek je hand over…..de sprinkhanen en zij zullen opstijgen……(Exodus. 10:12), want zij manifesteren het principe van om hoog gaan.

Om gepast over te brengen, moet Yesod zowel Gevoera als Chesed tonen, aangezien zonder ophouden en onbegrensd geven nooit effectief is. Dit element van terugtrekking of beheersing binnen Yesod is belichaamd is sprinkhanen.

De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “gevogelte” [“oaf] is gelijk aan dat van het woord “Joseph” [“Josef”]. Joseph personifieert de sefira van Yesod. Daarom vliegen vogels, want zij manifesteren ook het principe van opstijgen, zoals de staten van Gevoera keren zij terug en vliegen opwaarts.

De zeven herders van Israël (Abraham, Isaak, Jacob, Mozes, Aaron, Joseph en David, in die volgorde) corresponderen met en personifiëren de zeven emotionele sefirot van Chesed tot Malchoet. Joseph personifieert hoofdzakelijk Yesod omdat hij ten eerste, het hele koningrijk (Malchoet)  van Egypte ondersteunde en van voedsel voorzag gedurende de jaren van hongersnood, ten tweede zijn seksuele integriteit behield ( seksualiteit wordt geassocieerd met Yesod, de sefira van paring) zelfs bij onderdompeling in de verdorven cultuur van Egypte.

Aangezien vis en sprinkhanen ontleend zijn aan de sefira van Yesod waaraan wordt gerefereerd als zijnde “levend”, vereisen zij geen rituele slachting [zoals wordt gedaan bij rund en vee], maar slechts “verzameld”.

De mens, gecreëerd “in het beeld van G’D”, geeft in zijn lichaam en ziel de structuur weer die de sefirot aannemen wanneer zij een partzoef vormen. De analogie tussen de ledematen van het lichaam en de sefirot zijn als volgt:

keter schedel
chochma rechter lob van de hersenen
bina Linker lob van de hersenen
daat Achterhoofd (occipitaal)  lob van de hersenen
chesed rechter arm
gevura linker arm
tiferet torso
netzach Rechter been, rechternier, rechter testikel/eierstok
hod Linker been, linkernier, linker testikel/eierstok
yesod voortplantingsorganen
malchoet mond

Yesod correspondeert dus met het voortplantingsorgaan en Yesod van Zeir Anpin met het mannelijke voortplantingsorgaan. Nogmaals, dit is omdat de sefira van Yesod de overbrenging is tussen de ene partzoef en de volgende. Om de inhoud van de voorafgaande sefira over te brengen, moet Yesod zich volkomen concentreren op zijn doel.

We zien dit in het dagelijkse leven: iemand kan niet effectief communiceren met een ander persoon als hij is afgeleid en zijn gedachten ergens anders zijn. Fysiek kan het mannelijke voortplantingsorgaan niet het zaad overbrengen dat het in zich draagt, noch kan het vrouwelijke voortplantingsorgaan het zaad van de man ontvangen, tenzij zij volkomen op elkaar zijn geconcentreerd. Deze concentratie of gerichtheid wordt in Kabbala omschreven als “zijnde in leven”, juist zoals in Joods Recht het recht opstaande voortplantingsorgaan “leven” wordt genoemd (en in zijn slappe vorm, “dood”).

Evenzo, effectieve communicatie wordt gekarakteriseerd door levendigheid en opwinding, in tegenstelling tot een “uitdrukkingloos gezicht “ dat de luisteraar niet stimuleert. Yesod , wanneer het tenminste efficiënt handelt, wordt dan de “levendige”sefira genoemd.

Dus de dieren (vis en sprinkhanen) die afgeleid zijn van deze sefira worden geacht intrinsieke levenskracht te bezitten en behoeven daarom op geen enkele manier een ritueel proces te ondergaan om hen geschikt te maken voor Joodse consumptie. (Merk op dat de Arizal tot nu toe nog niet heeft verklaard waarom gevogelte, alhoewel afgeleid van de zelfde sefira, geen rituele slachting behoeft.

Dit is niet het geval met rundvee: zij zijn afgeleid van Noekva van Zeir Anpin en behoeven daarom rituele slachting.

Rundvee wordt beschouwd als een lager niveau van leven dan gevogelte en sprinkhanen. Opdat hun levenskracht naar behoren zal worden opgenomen, moet het een bijkomend rectificatie proces van rituele slachting ondergaan. Door dit proces is de inherente levenskracht van het dierlijk vlees veranderd en in staat om te worden geabsorbeerd in spiritualiteit zodat het geconsumeerd kan worden door een Jood.

De Arizal richt zich nu tot de discussie met betrekking tot het onderwerp van de vogels.

Nu is het zo dat de engelen voortkomen van de Yesod van Zeir Anpin van Atziloet. Deze Engelen zijn [spirituele] vogels die van dit niveau zijn afgeleid. Zoals is gezegd van [de engel] Gabriel, “en de vogel zal vliegen in de hemel” (Genesis. 1:20). In tegenstelling hiermee, zijn fysieke vogels zijn van Yesod van Zeir Anpin van [de drie lagere werelden] Beriya, Yetzira en Asiya.

Daar waar de fysieke vis en sprinkhaan voortkomen uit Yesod van Zeir Anpin van Atziloet, komt gevogelte slechts voort van de projectie van dat niveau op de lagere werelden. Het verschil tussen Atziloet en de drie daarop volgende werelden is dat het doordringende bewustzijn in de wereld van Atziloet totaal ondergedompeld is in de G’ddelijke Aanwezigheid. “Bewoners” van deze wereld kunnen zichzelf niet als onafhankelijke wezens voorstellen, maar eerder als aspecten van G’ddelijkheid. In de lagere werelden is het doordringende bewustzijn dat van zelfbehoud; de “bewoners” van deze werelden zijn zich van zichzelf bewust als onafhankelijke entiteiten, hoewel onderhevig aan G’ddelijke leiding. Dit wordt aangegeven door het feit dat vissen in het water moeten leven, dat wil zeggen, hun existentie is praktisch compleet afhankelijk  onderdompeling in de oceaan, net zoals de “bewoners”van de wereld van Atziloet totaal ondergedompeld leven in G’ddelijk bewustzijn.

Dit is de esoterische betekenis van [ de uitspraak van onze wijzen dat gevogelte] uit de modder is gecreëerd [met andere woorden, een mengsel van water en aarde] (Choelien 27b). Zeir Anpin van Beriya, die mannelijk is, existeert in de vrouwelijke wereld, want alle lagere werelden zijn massa’s van Noekva van Zeir Anpin [van Atziloet].

Elke wereld is gecreëerd uit Noekva (feminiene partner) van Zeir Anpin van de voorafgaande wereld, net zoals een fysiek kind wordt gecreëerd uit zijn ouders. En juist zoals de ouders (en in het bijzonder de moeder) het nieuw geboren kind moeten grootbrengen, is Noekva van Zeir Anpin van elke wereld afzonderlijk belast met de taak om het licht of bewustzijn, van zijn wereld in de wereld daaronder te verspreiden. Omdat alle drie lagere werelden (Beriya, Yetzira en Asiya) gemeenschappelijk als werelden het onafhankelijk bewustzijn delen, kunnen zij gezamenlijk worden gegroepeerd en worden beschouwd als te voorschijn gekomen als een groep uit de “baarmoeder”van Noekva van Zeir Anpin van Atziloet. Aangezien de drie lagere werelden dan de rol overnemen van de ontvanger vis-à-vis Atziloet, in zoverre voorbestemd dat zij zoveel mogelijk het  bewustzijn behorend bij de wereld van Atziloet absorberen, worden zij als feminien beschouwd en het masculiene relatief aan elkaar.

Terwijl water in mystieke zin refereert aan de sefira van Chesed , refereert aarde aan de sefira van Malchoet, de laagste van de tien sefirot en de allegorische “bodem” van de wereld waartoe het behoort.

Het volgt zo [dat de lagere werelden] de ontrokken staten van Chesed zijn nadat zij “ontwikkeld/verwerkt” zijn door Noekva van Zeir Anpin van Atziloet. Dit is de esoterische betekenis van het vers “En de vogels zullen zich vermeerderen op aarde” (Genesis.1:22), implicerend dat zij zijn gecreëerd uit de aarde. [Maar aangezien ook wordt aangegeven: “Laat het water wemelen van…….vogels (Ibid. 1:20), betekent het dat de vogels ook zijn gecreëerd uit het water op de aarde, met andere woorden, de staten van Chesed in Yesod van Zeir Anpin. Daarom hebben zij schubben op hun voeten als vis, aan de andere kant, vliegen zij als sprinkhanen.

Gevogelte is dus gecreëerd uit elementen van zowel Chesed als Gevoera en bezit daarom visachtige en sprinkhaanachtige karakteristieken. Omdat zij niet direct afgeleid zijn van de wereld Atziloet, maar van Atziloet als zij “ontwikkeld/verwerkt”, verminderd en afgezwakt in de lagere werelden, is rituele slachting vereist voor zij kunnen worden geconsumeerd.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TSAV SHABBAT HAGADOL

Draag op    Leveticus.  6:1 – 8:36

Van begin tot eind spreekt het Thoragedeelte van deze week over de verschillende offers die gebracht werden in het Tabernakel en later in de Tempel. De offers dienden verschillende doelen. Er waren dagelijkse offers om ons elke dag met G’D te verbinden, speciale offers in verband met verschillende feestdagen, dankoffers en zondeoffers, vredeoffers en eerstgeboren dieroffers. De Wijzen verklaren dat met de verwoesting van de Tempel, haar heiligheid elk Joods individu omringt. Door onze gebeden, eetgewoonten zoals voorgeschreven en pogingen G’D’s aanwezigheid in deze wereld te reveleren, herscheppen wij de energie van de Tempel en brengen wij verbinding met G’D voort, met ons en met de wereld.

Rebbe Mendel van Kosov schreef dat in de tijd van de Tempel, wanneer een persoon in zonde zou vervallen, hij een offer zou brengen en er daardoor voor worden verzoend. Heden ten dage bereiken we het zelfde door vermeerdering van tzedaka. Maar hoe geven we op Shabbat wanneer we geen geld gebruiken? We inviteren één of meerdere behoeftigen of alleenstaande personen ( elke gast is goed). De gasten eten en de huisbewoners zijn verzoend. Trouwens, in verband met de gewoonte om elke dag tzedaka te geven, geven we op vrijdagmiddag voor een tweede keer, of de middag voor een feestdag om de heilige dag ook te beslaan.

En de Eeuwige sprak tot Mozes, “ Draag [in het Hebreeuws, ‘tzav’]) Aaron en zijn zonen het volgende op, ‘Dit is de Thora voor het in vlammen opgaand offer”. (Leviticus. 6:1-2)

Rashi verklaart dat het woord “tzav” alleen wordt gebruikt in het geval waarin op snelheid wordt aangedrongen of een bijzonder enthousiasme in het uitvoeren van een mitzwa, en dat dit onmiddellijk van toepassing is, nu en voor altijd. De Lubavitcher rebbe zegt dat “tzav” zinspeelt op hoe wij verondersteld worden elk van de mitzwot te doen, betekenend dat zij energiek gedaan moeten worden, doordrenkt met vreugde en hevig verlangend om de wens van onze Schepper te vervullen. Rashi’s keuze van het woord “onmiddellijk” laat ons zien dat wanneer een mitzwa tot ons komt, we het niet moeten uitstellen, maar onmiddellijk moeten uitvoeren. Zijn gebruik van het woord “voor altijd” houdt in dat deze handeling niet eenmalig is, maar continueert tot het einde der tijden in twee dimensies; ten eerste brengt het vruchten voort, fruit van vruchten en ten tweede, de handeling van de mitzwot zelf continueert voor altijd. Parashat Tzav gaat gewoonlijk Pesach vooraf en het is gepast dat we Pesach  en het jaar dat volgt, ingaan met een gewaarwording van wat het doen van een mitzwa is.

De Shabbat voor Pesach wordt Shabbat HaGadol (“de Grote Shabbat”) genoemd, omdat onmiddellijk voor onze verlossing uit Egypte, op de 10e van de maand Niesan, elke familie het gebod kreeg opgelegd om een lam uit te kiezen voor het brengen van hun Pesachoffer vier dagen later. De Midrash zegt dat Mozes verbaasd was: “Weet U niet dat het lam een god voor hen is?” En G’D antwoordde, “Het is beter om Mij onmiddellijk te geloven”! Israël zal Egypte niet verlaten voordat zij de god van de Egyptenaren in aanwezigheid van hen hebben geslacht, om aan te tonen dat hun goden niets zijn”. En zo gebeurde het dat in dat jaar de 10e van de maand Niesan viel op Shabbat. De eerstgeborenen van de Egyptenaren verzamelden zich en vroegen de Joden wat zij aan het doen waren en de Joden antwoordden dat het lam diende als Pesachoffer voor G’D omdat Hij de eerstgeborenen van de Egyptenaren zou treffen. Dit is de betekenis van het vers in het ochtendgebed van Shabbat “de Egyptenaren te treffen met hun eerstgeborenen”. Dit is een belangrijke gebeurtenis en de 10e van de maand Niesan zou waardig geweest zijn als feestdag, ware het niet dat Miriam stierf op de zelfde datum veertig jaar later, dus in de plaats daarvan vieren we het jaarlijks op de Shabbat vóór Pesach. Zorg ervoor dat je het vermeldt aan de Shabbat tafel.

Het feitelijk basis idee van Shabbat HaGadol is dat je slechts een paar dagen hebt tot Pesach en de Seder. Al dan niet verantwoordelijk voor het schoonmaken, Seder voorbereidingen, niemand kan garanderen dat jij en diegene die verantwoordelijk zijn het meeste uit de feestdag zal halen, behalve jij zelf. De heilige Ari van Safed verzekert dat door het nakomen van de Voorschriften van Pesach we zullen worden verlost van al onze spirituele en fysieke limitaties. Dit echter zal alleen gebeuren als er voorbereidingen zijn getroffen.

Één voorbereiding (een andere reden waarom het Shabbat HaGadol wordt genoemd) is de gewoonte dat iedereen gaat luisteren naar zijn Rabbi die spreekt en uitleg geeft over de voorschriften van Pesach, één van de meest belangrijke verhandelingen van het jaar. Elke gemeenschap heeft zijn specifieke nuances, dus is het belangrijk om een locale expert te horen.

Nog een andere voorbereiding is het wijdverspreide en aanbevolen gebruik om de Haggada te lezen rond Mincha, het middaggebed op Shabbat HaGadol; dit was toen de eigenlijke verlossing begon. Het helpt ons ook de tekst voor de Seder fris en eigen in onze gedachten te hebben.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT VAJIKRA

En Hij riep Leviticus. 1:1 – 5:26


De Kabbala van Zout


Sefer Hasichot

….En laat bij je meeloffers het zout, het symbool van je verbond met G’D, niet ontbreken, bij al je offers moet je zout brengen.

Kan flauw voedsel gegeten worden zonder zout?” (Job. 6:6) Zout verhoogt de smaak van ander voedsel. Ironisch genoeg is zout op zichzelf niet strelend voor de tong, toch kan het ander voedsel smakelijker maken.

De reden hier voor is als volgt: Zout is afgeleid van water. Het is gevormd door het constant branden van de zon op het water. Water is chesed, goedhartigheid, zout is gevoera, strengheid. [Vandaar het scherp zijn van zout]

Het is een axioma in kabbalistisch denken dat elke fysieke substantie in essentie de neerkomende vorm is van een hogere spirituele entiteit. Dus zout “symboliseert”  of “representeert” niet alleen de hemelse sfeer van gevoera, het is gevoera in zijn fysieke manifestatie.

Rabbi Chaim Vital schrijft in Eitz Chaim dat, wat gevoera is op één niveau, onmiddellijk chesed creëert voor het niveau er beneden. Dus gevoera van chochma wordt chesed van bina.

Zout op zichzelf is gevoera, betekenend bijtend, maar wanneer het neerdaalt naar een lager niveau [met ander woorden, wanneer het de substatie van ander voedsel binnendringt] wordt het chesed en geeft smaak aan dat voedsel.

Zout is ook de belichaming van de oorspong van alle strengheid en heeft daarom de capaciteit om oordelen te verzachten. Het is om deze reden dat zout altijd aanwezig moet zijn op iemand tafel  als een medicament voor tegenspoed, want, zoals bekend, strengheid kan alleen worden verzacht door hun oorsprong. Het bekende voorbeeld hiervan is, “Het hout voor de bijl dat de bomen van het bos zal vellen is van het bos zelf.”

In de sfeer van Thora, “is zout Kabbala, de innerlijke dimensie van Thora.

Anders dan de wettelijke aspecten van Thora, die volledig begrepen en geproefd kunnen worden, is Kabbala verborgen en verhuld. Het kan niet waarlijk “geproefd” worden en opgenomen worden door het menselijke verstand. Het blijft onafhankelijk [zoals zout en stremsel die hun functie hebben zonder werkelijk het item binnen te dringen]. Er is echter een voordeel aan beide aspecten van Thora. Het voordeel van het wettelijke aspect is dat de mens in staat is om G’ddelijke wijsheid, zoals kenbaar op het fysieke vlak in de vorm van wetten van de Thora, volledig te verwerken. Dit is het niveau van chochma, wijsheid, daar waar het menselijke verstand één kan worden met G’ddelijke wijsheid.

Kabbala, die spreekt van Hemelse realiteiten, is boven chochma. Dit is een voordeel en een nadeel. Omdat het boven chochma is, kan het niet volledig worden geabsorbeerd door het menselijke verstand. Omgekeerd, vanwege de transcendentie is het effect op de studerende veel krachtiger.

Zonder kennis van het wettelijke, kan men zich niet de smaak van chochma, G’D’s wijsheid eigen maken. Want het is alleen door studie van het wettelijke dat iemand waarlijk G’ddelijke wijsheid kan vasthouden en absorberen. Met Kabbala of Midrash, verwerkt men niet waarlijk de essentie van de gedachte.

Aan de andere kant, ofschoon in het bestuderen van Kabbala men alleen een uitstraling van feitelijke ideeën waarneemt, stamt niettemin deze uitstraling [licht] van de innerlijke dimensie, de ziel van Thora en heeft de capaciteit om het spirituele perspectief van de studerende te beïnvloeden.

Hier leren we van dat wettelijk recht van de Thora brood en vlees is en  Midrash en Kabbala zout, die smaak aan het voedsel verleend, negativiteit neutraliserend.

Zout is conserverend. Dus G’D’s eeuwigdurend verbond met Aaron is geassocieerd met zout [“een eeuwigdurend verbond van zout”, zoals in Bemidbar 18:19]. Zoals Rashi verklaart, “G’D sloot een verbond met Aaron met iets dat “heilzaam” en constant is en wat anderen conserveert … zout, dat nooit en te nimmer bederft.

De Arizal benadrukt de verbinding tussen zout en de priesterlijke zegen: Het Hebreeuwse woord voor zout, melach, is numeriek gelijk aan 78, wat 3×26 is [3x de G’ddelijke Naam Havayah die gelijk is aan 26]. Idem, de priesterlijke zegen bevat de Naam Havayah drie maal: “Mag Havayah u zegenen…., Mag Havayah Zijn stralend gelaat laten schijnen….., Mag Havayah Zijn aangezicht op u gericht houden…..” Deze zegeningen houden de wereld in existentie en worden daarom vergeleken met zout, dat andere items ondersteunt.

Een andere karakteristiek van zout is dat het negatieve dingen verlaagt en vernietigt. Het heeft deze capaciteit omdat het stamt van gevoera van heiligheid.

Dus de G’ddelijke Naam die gebruikt wordt in het vers aangaande het verbond van zout is Elo-kiem [“briet Elo-hecha”], welke de G’ddelijke Naam is die gevoera belichaamt. Het kan daarom de negatieve vormen van strengheid veranderen en “verzachten”, omdat strengheid van oorsprong verzachtend is.

De waters van Jericho werden daarom gezond gemaakt door zout. En wanneer negativiteit is geconserveerd of verzacht door zijn oorsprong, is de verandering inwendig en van daar uit veel krachtiger.

Zout heeft ook geneeskrachtige vermogens. Zo brengt de Tikoenei Zohar 54a naar voren dat één van de permutaties van het woord melach, chalam, dat sterker maken en helen suggereert (zie Job. 39:4 en Jesaja. 38:16).

Om die reden dus bevatten de offers zout. Want in het spirituele “offer”, menselijk naderen tot G’D, de betekenis van het Hebreeuwse woord voor offer, moeten alle eigenschappen met zout aanwezig zijn. Zijn naderen moet het uithoudingsvermogen hebben van zout, het kan niet van voorbijgaande aard zijn. Bovendien moet het transformeren en met zich meebrengen, de dierlijke ziel, niet alleen overweldigen en tot zwijgen brengen, maar een werkelijk veranderende gewaarwording in de dierlijke ziel veroorzaken, een innerlijke verandering, met ander woorden, verzachting van strengheid door oorsprong.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL – PEKOEDÉ

En hij liet samenkomen, Exodus. 35:1 – 38:20 – De berekeningen, Exodus. 38:21 – 40:38

Het Tabernakel belichaamt zowel het geopenbaarde als het mystieke

Intellect en Emoties

Sefer Hamamariem Meloekat 5: 199ff.

De Lubavitcher Rebbe

Dit zijn de inventarisberekeningen van het Tabernakel, het Tabernakel van Getuigenis….(Exodus. 38:21)

Het vers is een aanwijzing voor het feit dat er twee aspecten zijn ten aanzien van het Tabernakel: Een aspect wordt “het Tabernakel” genoemd, het andere “Tabernakel van Getuigenis”. De twee Tabernakels refereren aan twee niveaus van licht: een is geopenbaard en een blijft verborgen. Deze twee niveaus worden “lagere Shechina” en “hogere Shechina genoemd. In Tikoenei Zohar ,1b, wordt de lagere Shechina geïdentificeerd met Malchoet en de hogere Shechina met Bina.

Het eerste Tabernakel impliceert revelatie, aangezien het “het Tabernakel”  is genoemd [niet “een Tabernakel”] met andere woorden, een Tabernakel dat bekend is. Het tweede Tabernakel impliceert verborgenheid, aangezien dit het Tabernakel van Getuigenis is genoemd, getuigenis is alleen nodig als iets  onbekend of verborgen is.

De mens in zijn dienst aan G’D, in het bouwen van zijn persoonlijk Tabernakel, bereikt de lagere Shechina door het vervullen van “actieve” mitzwot, zoals het aanleggen van tefillien en het doen van liefdadigheid. Iemand bereikt de hogere Shechina door het vervullen van “passieve” mitzwot, zoals het nalaten van het eten van niet kosher voedsel of niet te werken op Shabbat.

Dit omdat de hogere Shechina, het Tabernakel dat verborgen is, niet kan worden “gekend” door menselijke actieve daden. Het reikt boven het menselijke uit en kan alleen worden bereikt door niet actief handelen.

De passieve mitzwot zijn daarom geassocieerd met de joed en de hei, de eerste letters van de naam Havayah, terwijl de actieve mitzwot worden geassocieerd met de laatste letters, vav en hei. Joed en hei verwijzen naar de verborgen sferen, terwijl vav en hei refereren aan de gereveleerde sferen (Tikoenei Zohar 10, 25b, commentaar op Deuteronomium.  29:28: “Verborgen dingen zijn aan G’D, terwijl gereveleerde dingen aan ons zijn …..”). Joed en hei verwijzen naar het intellect, terwijl vav en hei verwijzen naar de emoties. In relatie tot anderen is het intellect verborgen. Het intellect dient de persoon als een afgescheiden individu, gescheiden van anderen. Emoties, liefde en vrees worden gereveleerd aan anderen. Hun hele wezen impliceert het bestaan van anderen.

Met andere woorden, het is niet alleen maar de vaststelling van emotionele drang, zoals goedhartigheid, dat andere wezens verlangt; de gehele existentie van emoties is afhankelijk van de existentie van anderen. Zonder anderen bestaat het concept van goedhartigheid niet. Omdat er anderen zijn, kan iemand het verlangen ervaren om goed te doen, zelfs wanneer er geen ander aanwezig is. Maar als er geen anderen in de wereld zijn, zou de emotie van goed doen niet existeren.

Intellect daarentegen, is een op zich zelf gerichte eigenschap. De existentie van anderen is geen noodzakelijke voorwaarde om te denken. De meeste Wijzen zijn van nature teruggetrokken. Weliswaar kan iemand groeien van het bespreken of leren van een idee (“ en van mijn studenten [leerde ik] meer dan van alle anderen”, Taanit 17a), maar in de inventie van nieuwe inzichten, kan de aanwezigheid van anderen vaak iemands concentratie juist verstoren. De Rechters van het Sanhedrin wilden daarom zich liever nachtelijk beraden in eenzaamheid (volgens Rashi op Sanhedrin 40a).

Het zelfde geldt voor het hemelse intellect en de emoties. Hemels intellect, joed en hei, zijn zelfgericht en verborgen voor de Schepping. Hemelse emoties daartegen zijn het doel van de revelatie aan de gecreëerde wezens. Want de emoties existeren met als doel revelatie en verbinding met anderen, zij zijn al in de sfeer van de revelatie, zelfs als zij eigenlijk nog niet zijn getoond en nog in het hart zijn.

Omgekeerd, omdat intellect inherent zelfgericht is, blijft het verborgen zelfs wanneer het technisch gezien is gereveleerd en uitgedrukt: a) iemand reveleert nooit de essentie van zijn intellect aan een ander persoon, alleen een secundaire manifestatie van het intellect wordt duidelijk gemaakt; b) de revelatie van het intellect heeft geen intrinsieke verbinding met het intellect zelf. Het is een daarmee samenhangende bijkomstigheid ( in tegenstelling tot de emoties waarvoor revelatie het fundamentele doel is.)

Bovendien, het feit dat het intellect inherent onafhankelijk van interactie met anderen is, verwijst niet alleen naar anderen die buiten de persoon zijn, het refereert ook aan de “anderen” in hem zelf. Om waarlijk te kunnen nadenken over een concept, moet de Wijze al zijn andere eigenschappen laten zwijgen (zelfs het verlangen om het concept te begrijpen). Aangezien er interne “anderen” zijn in relatie tot het intellect, bemoeien zij zich met het intellectuele proces (net zoals een ander buiten hem zou storen). En wanneer hij eenmaal het concept beheerst, blijft zijn intellectuele begrip ervan geïsoleerd en verborgen voor de rest van zijn wezen, zozeer zelfs dat hij zich kan gedragen in strijd met de conclusies van zijn intellect. Het feit dat het intellect gewoonlijk emotie teweeg brengt en iemands gedrag beïnvloedt, is niet omdat dit zijn functie is. Het is een daarmee samenhangende bijkomstigheid. Het is als licht dat naar overal uitstraalt. [Niet omdat het “actief” haar licht werpt, maar omdat het zo haar aard is]. Het is zich niet bewust van haar eigen gloed. Evenzo is het feit dat het intellect de emoties doordringt en het gedrag beïnvloedt, het resultaat van haar illuminatieve natuur, en niet van enige associatie met de emoties en gedrag.]

Dus in het effect van het intellect op de rest van de persoon, ziet iemand niet de ziel van het intellect. Het intellect behoort tot de sfeer van verborgenheid, zelfs in relatie tot de rest van een persoon.

Zo ook “het Tabernakel”, het gereveleerde Tabernakel refereert aan de dienst aan G’D die de emoties met zich mee brengt, het hart, de sfeer van het gereveleerde. “Tabernakel van Getuigenis refereert aan de dienst aan G’D die het verstand met zich mee brengt, de sfeer van het verborgene.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt

Exodus. 30:11 – 34:35

Shabbat  Para

Zuiveren van de Spirituele Werelden

Kabbala legt uit dat het wassen van de handen de Hemelse werelden verheft.

Rabbi Moshe ben Nachman

En Aaron en zijn zonen moeten met het water daaruit [wasbekken] hun handen en voeten wassen (Exodus. 30:19)

Deze wassing was uit eerbied voor Hem Die in de hoge is, want om het even wie des Konings tafel nadert om te dienen of het voedsel bestemd voor de Koning aanraakt en de wijn die Hij drinkt, wast zijn handen, omdat “handen bezig zijn” [onzuivere op automatische wijze dingen aanraakt ]. Bovendien schrijft Hij het wassen van de voeten voor omdat de priesters de Dienst op blote voeten uitvoeren.

Omwille van de Waarheid [de esoterische leer van Kabbala] moeten deze delen van het lichaam gewassen worden omdat de uitersten van iemands lichaam zijn handen en voeten zijn, want wanneer de handen opgeheven worden zijn zij hoger dan de rest van het lichaam en de voet het laagste punt.

Zij verwijzen in de menselijke vorm naar de Tien Uitvloeiingen, met het hele lichaam tussen hen, juist zoals de Rabbijnen hebben gezegd in Sefer Yetzira: “Hij sloot een verbond met hem [Abraham] tussen de tien vingers van zijn handen en de tien vingers van zijn voeten, met het uitstekende deel van de tong en met het uitstekende deel van de naaktheid.” Om die reden werd de ministers van de Enige in den Hoge opgelegd om hun handen en voeten te wassen, dit wassen was omwille van heiligheid.  Dus Onkelos vertaalt “te wassen” [in het Hebreeuws, “L’rochza”] in het vers als “te heiligen” [l’kidoesh].

Het is op basis van het idee van dit gebod dat onze Rabbijnen het wassen van de handen voor het gebed hebben geïnstitueerd, zodat iemand zijn gedachten richt naar deze belangrijke handeling, juist zoals in het heffen van de handen door de priesters wanneer zij het volk zegenen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÈ

Je zult gebieden                          (Exodus 27:20 – 30:10)

Zohar, pagina 182b

Rebbe Jehoeda, de offergaven, genoemd in dit wekelijkse Thoragedeelte analyserend, vergelijkt hun puurheid met de gevolgen van razernij. Het verband ligt in het feit dat een persoon, die woedend is zijn positieven offert aan het bloed van zijn gevoelsuitbarsting. Dit is een vorm van afgoderij.

Toen De Heilige, Geprezen zij Hij, de Mens creëerde, schiep Hij hem in de vorm van de spirituele wereld. Hij blies [ademde] in hem een heilige ziel bestaande uit drie delen.

Het Hebreeuwse woord voor “ziel” is “neshama”, het woord voor “adem” is “nishima”. Dit verklaart waarom ademhalingsoefeningen uitwerking hebben op de ziel. En ook waarom woede “kotzer roe’ach”, “kortademig”, de ziel verzwakt door ademnood. Een andere naam voor “woede”is “af” wat “neus” betekent.
Woede is kenbaar aan trillende neusvleugels vanwege gebrek aan adem. Het beheersen van woede door middel van diepe ademhaling werkt versterkend voor de ziel.

Zoals we hebben geleerd, bestaat de ziel uit de Nefesh, Roe’ach en Neshama. De meest spirituele onder hen is de Neshama, welke ook de meeste kracht bezit. De functie van de Neshama is, het leren en het houden van de geboden van de Heilige, Geprezen zij Hij. Als nu de heilige Neshama zich beweegt naar een andere verering [b.v. afgoderij/woede] wordt zij ontwijd, en wordt daardoor van de dienst aan haar Meester afgehouden. Dit komt omdat deze drie vermogens één identiteit zijn. De Nefesh en de Roe’ach en de Neshama participeren samen en worden, omdat zij in alle lichamelijke activiteiten van een persoon gezamenlijk werkzaam zijn, één geheel. Dit alles is gelijk het hoge mysterie.

Omdat de drie niveaus samen handelen, als de Neshama wordt verontreinigd, zijn alle drie aangetast, en de persoon is compleet verwijderd van verering van de Schepper. De hogere mysteries zijn de spirituele bronnen van deze drie.
De Nefesh is van malchoet, de Roe’ach is van de zes tussenliggende sefirot, en deNeshama is van bina. Juist zoals deze drie spirituele constellaties zich als één richten op de dienst van G’D, zo ook doen hun lagere tegenhangers. Het lagere is een vehikel voor het hogere, maar wanneer het is verontreinigd veroorzaakt het een uit elkaar vallen van de éénheid van de hogere niveaus. Dit maakt de weg vrij voor de negatieve separatie machten en staat hen toe om te floreren.

Als blijkt dat een persoon al deze drie niveaus van de ziel heeft {omdat hij Thora leert, het vereren van zijn Meester en het praktisch uitvoeren van mitswot} hoe kan men weten om hem een vriendschap aan te gaan?
Hoe kan worden bewezen of hij bewust is (van de existentie van deze drie niveaus) in zijn eigen gedrag? Wanneer een persoon kwaad is herken je zijn ware aard. Wanneer iemand zijn ziel niet beschermd, maar wegrukt uit zijn omgeving, omdat hij is beïnvloed door zijn eigen ego (spirituele afgoderij), dan is hij niet een waardig persoon. Als hij zijn heilige ziel beschermt terwijl hij kwaad is, dan is hij een waardig persoon. Dan is hij een ware dienaar van zijn Meester, een kompleet mens.

Dit type persoon wordt kwaad, maar verliest nooit zijn beheersing door het zeggen van slechte dingen of ongecontroleerd gedrag, welke uiterlijke manifestaties zijn van innerlijke verdeeldheid, en die alle spirituele niveaus aantast, zoals bovenstaand is uitgelegd.

Als een persoon haar niet beschermt [zijn Neshama], en hij ontwortelt deze heiligheid uit zijn vertrouwde omgeving, en de Andere Zijde ertoe brengt daar in plaats te verblijven, rebelleert deze persoon met absolute zekerheid tegen zijn Meester. Het is verboden hem te benaderen of met hem bevriend te zijn.

Wanneer eenmaal de eenheid is verbroken, en de Andere Zijde controle heeft over de persoon zodat zijn verstand wordt geregeerd door drift, is zijn lichaam zonder heiligheid en komt ook niet terug, zelfs wanneer zijn woede is afgenomen.

Dit is het persoonstype dat wordt beschreven in het vers “Mijd een persoon wiens adem in zijn neusvleugels is; want voor wat zou hij waardig kunnen worden bevonden?” (Jesaja 2:22). Dit omdat zijn heilige ziel is geïrriteerd en onzuiver is geworden vanwege zijn eigen woede. Hij heeft de wijze van ademen gewisseld [in het Hebreeuws “nishima”] in zijn neusvleugels.

Het woord voor woede in het aangehaalde vers is “apó” wat ook “neus” betekent. Het woord voor “ziel”, “ Neshama” , duidt aan, ademen. Daarom zinspeelt het vers dat de heilige ziel is heengegaan, de gesperde neusgaten zijn het bewijs.
Het woord “bemà”, “wat is” (waar voor hij aansprakelijk is) in het aangehaalde vers, heeft ook een dubbele betekenis. Door de klinkers te veranderen kan met de zelfde letters “bamà” worden uitgesproken, wat “altaar” betekent.

“Want voor wat zou hij waardig kunnen worden bevonden?” Hij is [alleen] waardig voor afgoderij, [aangezien hij een altaar is geworden voor offers van de andere zijde].
Degene die met hem bevriend raakt en degene die met hem spreekt, is als iemand die zich bindt aan afgoderij. Hij heeft de hogere heiligheid ontworteld [door zijn woede], in haar plaats verblijft afgoderij in hem, een vreemde mogendheid.

In plaats van G’D’s wil te accepteren, gelooft de kwade persoon dat woede hem brengt wat hij denkt nodig te hebben. Hij plaatst zijn vertrouwen in een vreemde mogendheid omdat hij iets wil van buiten zijn situatie, waarmee hij is geconfronteerd. Deze specifieke situatie komt van G’D en toch is hij er razend over!! Zijn visie is een misconceptie en daarom gevaarlijk ten aanzien van een persoon die vertrouwd op de G’ddelijke voorzienigheid en doet wat G’D wil.

Het is zoals gezegd wordt over vereren van afgoden: “Wend je niet tot de afgoden” (leviticus19:4) [dat het verboden is om te staren naar afgodische afbeeldingen] m.a.w. op de zelfde wijze is het verboden om in het gezicht van een woedend persoon te kijken.

De boodschap is zeer duidelijk, zorg er voor dat je niet betrokken raakt in woede van de persoon, maar, wanneer mogelijk, hem aan te moedigen om diep adem te halen.

Sefira Niveau Ziel Niveau Omzetting Belevenis Activiteit
bina Neshama Adem Vitaliteit intelligentie Thora Leren
zes intermediaire sefirot Roe’ach wind of geest Vitaliteit emotie Gebed/Verering Van G’D
malchoet Nefesh Gecreëerde ziel Fysieke vitaliteit Praktische mitswot

De wijzen leren, dat als een persoon een Thorageleerde is, zijn wijsheid vervaagt omdat hij zijn kwaadheid niet kan onderdrukken. Van de bovenstaande tabel kan men zien, dat als het Ziel Niveau “vervaagt”, veroorzaakt door woede, dat ook een smet werpt op de corresponderende activiteiten. Dus, studie verdwijnt met deNeshama, een verstoorde geest heeft een uitwerking op verering, het breken met praktische mitswot, zoals andere niet in verlegenheid brengen of nodeloos breken van bepalingen. De woedend zijnde persoon heeft zijn gezicht/partzoef fysiek veranderd, door woest trillende neusvleugels en bloeddoorlopen ogen. Dit brengt een verandering teweeg in het hogere gezicht/partzoef. Het is een reden temeer om degene op dat moment niet in zijn gezicht/partzoef te zien.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing           Exodus. 25:1 – 27:19


Rabbi JItzchak Luria


Arken en Engelen


Geschriften van de Ari

Dit Thoragedeelte bespreekt het Tabernakel. De binnenste kamer van het Tabernakel huisvestte de Ark van het Verbond, die de Tafelen van het Verbond bevatte, waarop de Tien Geboden waren ingegraveerd.

Er waren eigenlijk drie arken, de een in de ander (Rashi, Exodus. 25:11). Deze reflecteren het feit dat er drie Namen Elo-hiem zijn in Zeir Anpin van Atziloet, corresponderend met [Zijn] Bina, Gevoera en Malchoet. De numerieke waarde hiervan is 258, ook de numerieke waarde van “Charan”.  Bezalel maakte drie arken corresponderend met deze drie Namen.

Elo-hiem: alef-lamed-hei-joed-mem= 1+30+5+10+40=86. 3×86=258

Charan: chet-reech-noen= 8+200+50=258

De Naam Elo-hiem betekent samentrekking, restrictie [Tzimtzoem], oordeel [Din] en strengheid [Gevoera]. Er kan ook aangenomen worden dat elke sefira deze eigenschappen blijkt weer te geven.

Zoals we eerder hebben verklaard, is Bina het vermogen van het intellect het inzicht van Chochma te analyseren en evalueren en het daarbij te ontdoen en te zuiveren van te eventuele inhoudelijke additieven van subjectiviteit. Het is dus werkzaam op het gebied van beoordeling en strengheid. Gevoera is de Sefira wiens taak is om de zonder enig onderscheid makende liefdadigheid van Chesed te limiteren, zodat goedheid alleen wordt verleend aan ontvangers die het verdienen.

Charan was de stad in Mesopotamië waar Abrahams familie zich vestigde na Oer Chaldea te hebben verlaten. Abraham zelf trok verder naar het Land Israël, zijn uitgebreide familie achterlatend. Charan representeert dus op thematische wijze het idee van de voorkeur geven aan de G’ddelijk oproep tot vervolmaking van de wereld en dit te prefereren boven het achter blijven in de wereldse goddeloze verlokkingen. De laatste zin van parashat Noach (Genisis. 11:31), die als geheel G’D’s ontevredenheid beschrijft met de keuze van de mensheid voor wetteloos en bandeloos leven boven G’ddelijke discipline, die onmiddellijk voorafgaat aan G’D’s oproep aan Abraham “ga voort”, aan het begin van parashat Lech Lecha is “en Therach (Abrahams vader)stierf in Charan” (Genesis. 11:32). Veelzeggend, het woord Charan betekent “woede” verwijzend naar G’D’s frustratie over het feit dat de mensheid  Hem afwees voorafgaand aan Abraham. (zie Rashi op deze verzen)

Dus deze drie Namen Elo-hiem vormen de volle manifestatie van G’D’s eigenschappen van striktheid. De drie arken die de Ark van het Verbond vormen waren bedoeld om deze drie Namen Elo-hiem een tegenwicht te geven.

SHABBAT SHALOM