PARASHOT MATÓT – MAS’ÉE

Stammen – Reizen                                     Numeri. 30:2 – 32:42, 33:1 – 36:13


Rabbie Chaim ben Moshe ibn Atar


Ohr HaChaim


Zelf Contemplatief ingestelde Strijders

“Mozes sprak tot het Volk, zeggend: “Separeer [mobiliseer] uit uw midden….en laten die zich dan tegen Midjan keren.” (Numeri.31:3)

Deze expeditie was gebaseerd op de morele superioriteit van de aanvallers over hun tegenstanders, aangeduid door G’D’s instructie om “wraak” te nemen. Mozes moest soldaten mobiliseren wiens fantasieën niet dol waren gedraaid op het moment  van het debacle in Shittiem. Hoe moest hij op dat moment weten wie van de Israëlieten zich hadden laten gaan in zondevolle gedachten?

Mozes adviseerde daarom elke man van militaire leeftijd om zichzelf op dit punt te onderzoeken. Dit is de betekenis van “Separeer uit uw midden”, met andere woorden, onderzoek je geweten of je moreel fit genoeg bent om deel te nemen aan zo’n strafexpeditie van moreel superieur tegen moreel inferieur.

Alleen diegenen die wisten dat zij zich konden kwalificeren in dit opzicht konden als geschikt worden beschouwd voor het contingent van 1000 man per stam.

Het woord “zeggend” [in het Hebreeuws, “L’emor”] is een aanduiding dat al deze mannen moesten “spreken tot het eigen innerlijke zelf over dit onderwerp”.

Misschien is het woord “zeggend” zelfs een verwijzing naar de zonde van verboden seks, zoals vermeld in de Talmoed [Sanhedrin 56] dat het woord “zeggende”refereert aan verboden seks.

Volgens Midrash Tanchoema, op dit vers, waren deze mannen allen rechtschapen. Ofschoon we elders hebben uitgelegd dat men alleen zo’n conclusie uit het woord “mannen kan afleiden, wanneer dit woord overbodig is in de tekst, in dit geval is er onafhankelijke ondersteuning voor de theorie dat de hier genoemde “mannen” “rechtvaardigen” moeten zijn .

Zo bekeken, hadden zij geen reden tot bezorgdheid, hoewel zij in aantal overtroffen werden door de Midjanieten. Bovendien werden zij niet alleen gekwalificeerd als rechtvaardigen, maar zij kwalificeerden zich voor de benaming “Chassidiem” [betekenend, “vroom, godvruchtig], omdat zij werden geconfronteerd met de meest krachtige verleiding en deze hadden weerstaan. (Zohar Chadash volume 3 p. 195 stelt dat dit de basis is om iemand te kunnen beschrijven als vroom.) Dit verklaart Mozes’ consideratie bij het selecteren van strijders en hun aantal.

De Kabbalisten stellen dat heiligheid de mystieke fundatie is van spirituele verheffing, terwijl de kelipot de mystieke fundatie is van neergang van een mens. Op het moment dat een persoon negatief gedrag vertoont, hecht de Kelipot zich aan hem gaat deel uitmaken van zijn natuur, en veroorzaakt degradatie. Het woord “tegen [in het Hebreeuws, “al”, letterlijk, boven] Midjan”, betekent dan deze vrome strijders in staat moeten zijn om “boven Midjan” te staan, met andere woorden, spiritueel superieur te zijn. Geen van de krachten van onzuiverheid die kleven aan de Midjanieten, kan zich hechten aan deze strijders.

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT PINCHAS

Pinchas      Numeri. 25:10 – 30:1


Gebaseerd op Likkoetei Sichot, vol. pp. 176-181


Lubavitcher Rebbe

Onder bovengenoemde Israëlieten moet het Land in erfelijk bezit verdeeld worden, naar het ingeschreven aantal namen.

De talrijken moet je een groter erfgoed toewijzen en aan hen die gering in aantal zijn een kleiner erfgoed, ieder moet zijn erfgoed toegewezen worden naar rato van de erbij getelden.

Het Land wordt echter naar loting verdeeld, volgens de namen van hun stamhuizen verkrijgen ze hun erfgoed.” (Numeri. 26:53-55)

Het Land Israël werd op drie wijze verdeeld:

(1)  Naar gelang de populatie, dat wil zeggen, hoe groter de volkstam des te groter het gedeelte,

(2)  Door het lot (dat G’D’s handwerk was) en

(3)  Door erfenis.

Met andere woorden, de verbinding die het Joodse volk heeft met het Land Israël existeert op drie verschillende wijzen:

(1)  Rationeel, met andere woorden, door hun eigen verdienste,

(2)  Door G’ddelijk decreet en

(3)  Door erfenis.

De reden hiervoor is dat G’D het Land Israël koos om de centrale vestiging te zijn waarin het proces zich zal ontvouwen om deze wereld tot Zijn verblijfplaats te maken. Het Joodse Volk is op de zelfde manier de natie die G’D koos om de centrale speler te zijn in dit drama. Daarom moet de relatie die tot stand is gebracht tussen het gekozen Volk en het gekozen Land, door G’D vastgesteld, dit reflecteren.

In de terminologie van Kabbala, vindt de contractuele verhouding tussen G’D en Israël plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D Zijn aanwezigheid heeft “samengetrokken” in de beperkingen van logica en natuur, met andere woorden, Zijn immanent scheppend “Licht” (mamalei kol almin). De vrije wil relatie vindt plaats op het niveau van G’ddelijkheid waarin G’D’s aanwezigheid niet is begrensd door de limitaties van de scheppende realiteit, maar nog steeds scheppende G’ddelijkheid is, met andere woorden, gecontextualiseerd door zijn verhouding met de Schepping. Dit is Zijn transcendente creatieve “Licht” (sovev kol almin). De erfenis verhouding vindt plaats op het niveau van G’D’s essentie die totaal boven de context van de Schepping is.

De verhouding tussen G’D en het Joodse Volk is ook drievoudig, zoals wordt aangegeven in de dagelijkse ochtendliturgie, “Gelukkig zijn wij, hoe goed is ons deel, hoe aangenaam is ons lot, en hoe prachtig is onze erfenis.

DEEL” refereert aan de contractuele verhouding tussen G”D en Israël. We hebben ons verplicht om G’D te dienen op verschillende manieren en Hij heeft beloofd om ons te belonen voor onze dienst aan Hem. Het deel dat wij ontvangen van G”D is evenredig aan de inspanning die we verrichten om het te verdienen. Op een dieper niveau refereert “deel” aan het feit dat de G’ddelijke Joodse ziel “ een waarachtig deel van G’D Boven is”, zoals wordt gezegd in de Tanya, juist zoals een kind gezien mag worden als een verlenging van zijn ouders. Deze intrinsieke relatie tussen G’D en het Joodse Volk maakt hen onafscheidelijk.

LOT” refereert aan de boven rationele verhouding die G’D onderhoudt met ons door ons uit te kiezen om de Thora te ontvangen en de dragers te zijn van Zijn boodschap aan de mensheid. Deze keus was een handeling van absolute vrije wil van G’D’s kant. Hij was niet gedwongen door enige logische vooringenomenheid om ons te kiezen. Dit is gelijk aan het feit dat de wijze waarop het lot treft niet bepaald wordt door enige externe factoren. Deze boven rationele verhouding is niet alleen dieper dan de contractuele dienst – beloning verhouding, maar is ook dieper dan de intrinsieke ouder – kind relatie, aangezien het G’D “dwingt”, bij wijze van spreken tot een verbinding met Israël. Afgezien hier van koos G’D Israël ook vanuit Zijn Eigen Boven rationele Wil.

“ERFENIS” refereert aan de wederzijdse vervlochtenheid tussen G”D en Israël. Volgens de Joodse Wet neemt de erfgenaam de legale status aan van de ouders en neemt daarbij automatisch bezit van zijn ouderlijke eigendommen. Hij verdient het niet, noch verkozen de ouders het hem na te laten, hij wordt in essentie zijn ouder. Hier is het Joodse Volk niet een separate entiteit die G’D verkoos, zij en G’D zijn, om zo te zeggen, één en dezelfde.

Voor dat de Thora was gegeven was de relatie tussen G’D en het Joodse Volk uitsluitend op een contractueel en kind – ouder niveau. Dienst aan G’D was beperkt, een enkeling kon G’D dienen en G’ddelijke revelatie teweeg brengen naar de omvang van zijn natuurlijke talenten en eigenschappen, maar niet verder. Toch toonde G’D het Joodse Volk speciale aandacht vanwege de G’ddelijke ziel die zij bezaten vanaf de tijd van Abraham.

Toen de Thora werd gegeven werd de vrije keus in de relatie van G’D en Israël toegevoegd. Vanaf dit punt geeft G’D de toon aan in de verhouding, dat wil zeggen dat zelfs de wederzijdse dienst – beloning niet langer gelimiteerd is door onze eindige capaciteiten. De Thora en zijn mitzwot stellen ons in staat om G’ddelijk bewustzijn te realiseren ver boven onze natuurlijke vermogens uitreikend.

In de Messiaanse Verlossing echter, zal de erfenis verhouding van cruciaal belang worden. Ons wezenlijk bewustzijn zal samensmelten en co-existeren met het bewustzijn van de Schepper, als onze unieke persoonlijkheden op paradoxale wijze stralen binnen G’D’s absolute realiteit.

Dus aangezien het Land Israël, zoals we hebben gezegd, was bestemd de microkosmos te zijn waarin het omvattende proces van het transformeren van de fysieke wereld tot G”D’s verblijfplaats zich voltrekt, was het een noodzaak om de verhouding te vestigen op alle drie niveaus, rationeel, boven rationeel en intrinsiek. Op deze manier is onze intocht en in het bezit nemen van het Land een aankondiging van de Uiteindelijke Verlossing, waarin onze essentiële intrinsieke identiteit met G’D het operationele bewustzijn van de realiteit zal worden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BALAK

Numeri. 22:2 – 25:9


LIKKOETÉ SICHOT


VADERS EN MOEDERS

Onze Wijzen interpreteren (Zohar, Vol. III, p. 210b) het vers (Bamidbar 23:9), “Van de

Rotstoppen zie ik het en vanaf de Heuvels aanschouw ik het. Het is een Volk dat afgezonderd woont en zich niet rekent onder de volkeren,” als een allegorie, verklarend, dat “de Rotstoppen” refereert aan Patriarchen en de “de Heuvels” refereert aan de Matriarchen.

De significantie van deze uitleg kan worden begrepen door het verschil van verwantschap dat gedeeld wordt enerzijds de vader en anderzijds de moeder met het kind.

De verbinding van de vader is algemeen, het relateert niet aan het lichaam van het kind op een specifieke wijze, [Onze wijzen Nidda 31a, stellen dat het zaad van de vader verantwoordelijk is voor de spieren, beenderen en nagels. Niettemin, de eigenlijke existentie van deze delen van het lichaam zijn afhankelijk van de voeding die de foetus ontvangt in de baarmoeder.] Want het is de inbreng van de moeder negen maanden lang, die leidt tot de ontwikkeling van foetus tot kind en die zorgt dat de ledematen en organen die deel uitmaken van het lichaam van een kind worden gedefinieerd en ontwikkeld.

Om deze reden, zelfs na de geboorte van het kind, heeft zijn moeder een hechtere relatie met hem dan de vader, want het is zij die de bijzonderheden van zijn existentie vorm heeft gegeven. Dus een kind heeft een grotere liefde voor zijn moeder dan voor zijn vader en een grotere graad van ontzag voor de vader, [Het zelfde is van toepassing op de Sefirot van Chochma en Bina, die worden beschreven met de analogie van een vader en een moeder. Chochma veroorzaakt, en is, een manifestatie van ontzag, terwijl Bina veroorzaakt, en een manifestatie van liefde is.] Want liefde is afhankelijk van nabijheid en ontzag ontstaat door afstand.

Vergelijkbare concepten zijn van toepassing met betrekking tot de Patriarchen en de Matriachen van het Joodse volk. Om deze reden, wanneer gesproken wordt over de Patriarchen, gebruikt het vers de uitdrukking, “Zie ik het” wat staren van een afstand impliceert, terwijl met betrekking tot de Matriachen het de uitdrukking “aanschouw ik het”  sichisa gebruikt.

In het beeld van G’D

De conceptie van een kind op het fysieke vlak, zoals elke ander materiële entiteit, komt voort uit zijn spirituele oorsprong. Aan onze emoties wordt gerefereerd als “nakomelingen”, omdat zij voort zijn gebracht door ons intellect. Diep begrip en meditatie  over de grootheid van G’D brengt liefde en ontzag voor Hem voort. Meer in het bijzonder, ons conceptuele proces kan worden verdeeld in twee bewegingen, Chochma en Bina. Chochma is de rudimentaire kern van begrip. Daarom wordt het beschreven met behulp van de analogie van een vader. Bina representeert de ontwikkeling van een conceptueel raamwerk en daarom refereert het aan de analogie van een moeder.

Onze zielvermogens komen voort uit de hemelse Sefirot. Dus een gelijk patroon existeert met betrekking tot deze Sefirot. Zij zijn verdeeld in twee fundamentele categorieën die intellect en emoties weergeven, het zijn het hemelse intellect, Chochma en Bina, die de hemelse emoties voortbrengen. [In deze is er ook een parallel met de vermogens van de ziel. Want intellect is op zichzelf gericht, terwijl de emoties naar anderen wijzen]. En deze emoties brengen de spirituele werelden tot zijn. [Om deze reden wordt aan de emoties gerefereerd als “de dagen van de Schepping” (Tanya hf.3 )].

Meer gedetailleerd, de parallel weerspiegelt de werking van Chochma en Bina. Chochma dient als “de”vader”, want het is verwijderd van de emoties en zeker van de werelden die zij tot zijn brengt. Bina wordt als “de moeder” beschouwd, want zij staat nader tot de emoties en ook tot de werelden.

Omdat Bina nader tot de werelden staat, is het referentiekader dat de werelden karakteriseert significant. Daarom, de inwerking van Bina in de wereld, het bevattingsvermogen van G’ddelijkheid, cijfert niet dit referentiekader weg.

In plaats daarvan brengt het alleen bittoel hayesh, zelfnullificatie, die niet helemaal iemands eigenconceptie wegzet. De persoon draagt zichzelf op aan een hoger doel, maar bewaart toch zijn individuele identiteit.

Cochma daarentegen, begrijpt dat “Hij alleen existeert, er is niets anders”, alle andere existenties verbleken in het licht van Zijn aanwezigheid. Dit niveau van bewustzijn wordt inderdaad weergegeven in de naam Chochma wiens letters gearrangeerd kunnen worden tot het vormen van de woorden koach mah, wat compleet en totale bittoel weergeeft,bittoel bimetziut.

Streven naar een doel

De Patriarchen en de Matriarchen delen een connectie met elke Jood en begiftigen elk lid van het Joodse Volk met hun spirituele erfenis. Implicerend dat elke Jood twee algemene spirituele drijfveren bezit. De patriarchen begiftigden hem met een specifieke eigenschap van Chochma, het potentieel voor complete en totale zelfnullificatie, weergevend de sublieme eenheid, terwijl de Matriarchen hem begiftigde met een specifieke eigenschap van Bina, zelfnullificatie die een persoon toe staat om zijn identiteit te bewaren, weergevend het lagere vlak van eenheid.

Het uiteindelijke doel van de Schepping is, dat de wereld wordt getransformeerd in een verblijfplaats voor G’D. Dus onze G’ddelijke dienst zou niet moeten worden verwijderd van deze wereld, maar zou zich moeten richten op het aanwenden van de wereld als medium voor G’ddelijkheid zoals die bestaat binnen haar eigen context.

Om deze reden bezaten de Matriarchen, wier G’ddelijke dienst een intiemere betrokkenheid met de wereld weergeeft, een voordeel ten opzichte van de Patriarchen (ondanks het feit dat Bina de eigenschap die zij verpersoonlijkt, ontvangt van Chochma, de eigenschap belichaamd door de Patriarchen). En daarom werd Abraham geïnstrueerd, “Luister naar alles wat Sarah je vertelt.”.(Genesis. 21:12)

Beide drijfveren streven naar sublieme eenheid en lagere eenheid, die komt van de Patriarchen en de Matriarchen ( “de Rotstoppen” en de “de “Heuvels”) en die het Joodse Volk machtigen en hen in staat stellen om de staat te bereiken, beschreven (in de inhoud van) het vers Bamidbar. 23:9, “Het is een volk dat afgezonderd en verzekerd woont en zich niet rekent onder de volkeren”

Zelfs gedurende verbanning wordt deze profetie gecontinueerd en vervuld. Want de identiteit van de Joden is intact gebleven, zij zijn niet geassimileerd onder de volkeren. Inderdaad, de verbanning verheft de Joden naar een hoger niveau, zoals wordt aangegeven door de interpretatie van dit vers door de Targoem, aankondigend de Era van Verlossing, wanneer: “in de toekomst dit Volk deze wereld zal leiden naar de uiteindelijke Verlossing door Mashiach, moge het plaatsvinden in de nabije toekomst.

Een Vrouw in haar Huis

Elk Joods huis is een wereld op zichzelf waarin alle Tien Sefirot zijn gemanifesteerd.

[In deze context verklaart de Arizal (Likkoetei HaShas, Yevamot), waarom de mitzwa wees  vruchtbaar en vermenigvuldig u, is vervuld wanneer een vrouw bevalt van een jongen en een meisje, omdat dit de structuur van G’D’s Naam Y-H-V-H complementeert (die alle Tien Sefirot reflecteren). De vader representeert de yoed, de eigenschap van Chochma, de moeder de eerste hé, de eigenschap van Bina, de zoon, de vav, de middot van Zeir Anpin en de dochter, de tweede hé, de eigenschap van Malchoet.]

Juist zoals in de hemelse Sefirot en in de vermogens van onze ziel, is er een voordeel aan Bina boven Chochma (ondanks het feit dat Bina haar invloed ontvangt van Chochma), zo ook in een Joods Huis is er een dimensie van verhevenheid aan de positie van de vrouw.

En de positie van de vrouw in het huis reflecteert het functioneren van deze Sefirot. De Sefira van Bina ontvangt haar invloed van Chochma en transporteert deze invloed naar de emotionele eigenschappen. Zo ook ontvangt een vrouw aanwijzingen van haar echtgenoot, zoals wordt aangegeven door de stelling van onze Wijzen, “Wie is een passende vrouw? Die de aanwijzigen van haar echtgenoot verwerkelijkt.”

Desondanks, het werkelijk functioneren van het huis inclusief de educatie van de kinderen, gastvrijheid aan gasten, vrijgevige giften voor tzedaka en dergelijke, liggen allen in het domein van een vrouw.

Een man is de meeste tijd van de dag niet thuis. Hij is bezig met Thorastudie en gebed, of het verdienen van levensonderhoud. Omdat zijn wil zal worden “vervuld” en gemanifesteerd in actueel leven, moet hij zich kunnen verlaten op zijn “gepaste vrouw”.

Bovendien, het Hebreeuwse woord vertaald als “vervuld” oseh betekent ook “creëren”. Soms creëert, vormt, een “gepaste vrouw” “de aanwijzingen en wil van haar echtgenoot”. “Wanneer een man en een vrouw waardig zijn, rust de G’ddelijke Aanwezigheid op hen”. Wanneer een Joods Huis wordt geleid als een “Heiligheid in microkosmos”, rust de “G’ddelijke Aanwezigheid daar”, “geen kwaad zal onder jullie verblijven.” In tegendeel, Hij zal alleen maar goedheid verlenen, openlijke en evidente goedheid, zoals wordt gemanifesteerd in overvloedige zegeningen voor kinderen, gezondheid en voorspoed.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting        Numeri. 19:1 – 22:1


De 5 vermogens van de Rode Koe


Kabbala leert ons over het aanwenden van de krachten van strengheid


De Geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Het Thoragedeelte opent met het gebod van de rode koe. De as van de rode koe werd gebruikt om een persoon te zuiveren van rituele onreinheid door nauw contact met een dood persoon. “Dood”, is spiritueel, een daling van de ene staat van G’ddelijk bewustzijn naar een lagere staat (of het ontbreken er van). Dus het gebod van de rode koe bevat in zich de mystieke verklaring van kwaad en de purificatie van vervuiling/dood, met andere woorden, verlies van G’ddelijk bewustzijn.

G’D sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggend, “Dit is de wet van de Thora die G’D uitvaardigt. Hij zei: draag de Kinderen van Israël op, dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is. Jullie moeten die aan de priester El’ázar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester Elázar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed ervan en sprenkelt met dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten. Men verbrandt de koe voor zijn ogen, men moet de huid, het vlees en het bloed ervan tezamen met de ingewanden verbranden. “ (Numeri. 19:1-5)

Weet dat de vorm van de vijf sluitletters de vijf rangen van Gevoera te kennen geven. Hun gecombineerde numerieke waarde is 280 en wanneer we 5 van de vijf letters zelf toevoegen, hebben we [285, de numerieke waarde van] “koe”.

Vijf letters van het Hebreeuwse alfabet nemen verschillende vormen aan het eind van een woord. Aangezien deze sluitvormen een pauze te kennen geven in de vloeiing van het lezen, geven zij de vijf staten van strengheid [Gevoera] of terughoudendheid aan. De letters met hun numerieke waarden zijn:

Mem (40), noen (50), tzadik (90), (80), chaf (20). 40+50+90+80+20=280.

“Koe” in het Hebreeuws, “parah”==, pé- reesh- hé = 80+200+5=285.

De extra , wiens numerieke waarde van 5 noodzakelijk is om de numerieke waarde van “koe”te evenaren en te kennen geeft dat de vijf staten van Gevoera afdalen van Bina, waar naar verwezen wordt door de [eerste] letter [van de naam Havayah], of neerdaalt naar Malchoet, waar naar verwezen wordt door de[tweede] letter [van de naam Havayah]. Daarom wordt de koe de “parah” genoemd, met andere woorden, de koe [“par”] van de hé.

******************************************

Deze Parasha wordt rond de 3e van de maand Tammoez gelezen, de jaardag van het heengaan van de Lubavitcher Rebbe. Gedurende zijn laatste jaren stelde hij ons vaak op de proef met de vraag,: Wat hebben we tot nu toe gedaan om de Verlossing te bespoedigen? Hij zou zijn volgelingen hebben aangespoord met de woorden:

Iemand moet bij zichzelf overwegen wanneer het voor het laatst was, dat hij oprecht nadacht over Mashiach op een wijze, die persoonlijk zinvol was, dat alles van Boven waarlijk verwijst naar hem en niet naar iemand anders, dat door Mashiach, de Heilige geprezen zij Hij hem uit deze verbanning neemt en hij zelf, met Mashiach, zal gaan naar het Land van Israël. Elk persoon moet zichzelf afzonderen op een plaats waar hij alleen zal zijn en waar hij waarlijk rekenschap aflegt aan zichzelf.

Hierdoor zullen onze gedachten terugkeren naar G’D.  Hierdoor kunnen wij de Uiteindelijke Verlossing naderbij brengen, omdat deze oprechte gedachten ons, en de hele wereld, verdienste in de ogen van de Hemel zal brengen en daardoor de Verlossing zal versnellen. Als we het op ons nemen om als “lichtbron” te dienen, leiden en licht werpen op al diegenen om ons heen, door onze uitstraling met de “kaars van de mitzwot en het licht van de Thora” (Spreuken. 6:23), zullen we de duisternis van verbanning verjagen en het licht van de Verlossing brengen. Dit moet worden ondernomen met oprechte inspanning en zelfopoffering.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KÓRACH

Korach                Numeri.  16:1 – 18:32

SHABBAT ROSH CHODESH TAMMOEZ

RABBI SHIMON bar JOCHAI

ZOHAR. P 187a

Korach’s benadering in het scheppen van onenigheid, puur in het belang van zijn eigen politieke agenda, staat streng in tegenstelling tot hoe wij moeten handelen.

Rebbe Elazar stond in de aanwezigheid van zijn vader Rebbe Shimon en vroeg hem uitleg over het vers: “Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet van elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.” (Geschriften. 9:9)

Dit vers schijnt een persoon te adviseren om van de fysieke genoegens van zijn leven te genieten zo goed als hij kan!

Hij antwoordt: Kom en zie. Dit vers bevat een mysterie. Een persoon moet altijd “leven” insluiten  [de intellectuele sefirot van chochma enbina] met die positie [malchoet, verwijst eveneens naar de “vrouw”]. Men kan zich niet verplaatsen zonder de andere.

Identiek aan de beslissingen en gedachten van een persoon als hij leven geeft aan zijn ledematen, zo nodig in de spirituele sfeer Zeir Anpin, Malchoet, om de Hogere Wil te actualiseren.

Men zou de eigenschap van de nacht mede insluiten met de eigenschap van de dag en de eigenschap van de nacht binnen dat van de dag.

“Dag” is het licht van Zeir Anpin, m.a.w de emoties, zoals barmhartigheid (chesed).Er zal constant gehamerd moeten worden op het besef, waar een gebrek aan liefde is en een gemis aan bewustzijn, m.a.w “duisternis”.

Dit wordt bedoeld met de woorden”Geniet van het leven [haal neer de overvloed van Zeir Anpin] met de vrouw die je bemint [Malchoet].” [hierdoor breng je éénheid in de wereld.] En wat is de reden om dit te doen? Het is omdat zij [Malchoet] je plaats, je positie is in het leven en leven kan alleen in die positie verblijven.”En in je werk, het werk dat je verricht onder de zon, is zoals het werk dat genoemd wordt in het vers: “Ken Hem in alles wat je doet, dan zal Hij voor jou een weg banen.” (Spreuken. 3:6)

De Ramak verklaart dat dit vers een instructie is om alles te heiligen wat we doen in het leven, met de intentie om spirituele éénheid tot stand te brengen.
Dus als iemand een huis bouwt zal hij zeggen, dit huis is zoals de Shechina en ik bouw dit huis met de intentie om de Shechina te verfraaien met mitzwot m.a.w het ontvangen van gasten en het hebben van kinderen. Dit is alsof de hogere spirituele mens één is geworden met de Shechina.  Idem, wanneer iemand sieraden of mooie kleding koopt voor zijn vrouw, zal zijn intentie het decoreren van de Shechina moeten zijn. Wanneer iemand op deze wijze handelt, heeft dit een meditatieve bedoeling, en G’D maakt deel uit van zijn leven, hij zal de Goddelijke voorzienigheid zien in alles wat hem omgeeft.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij        Numeri. 13:1 – 15:41

BEGRIPVOL GELOVEN

Likkoetei Sichot, Vol. XXIII, P, 92-95

Het Thoragedeelte Shelách Lechá verhaalt uitvoerig over hoe Mozes twaalf uitstekende oprechte afzonderlijke verkenners uitzendt om het Land Israël te verkennen. Dit werd gedaan om uit te vinden wat de beste en eenvoudigste manier was om het Land te veroveren en ook om meer informatie te verkrijgen over het Land zelf. Zij zouden de kwaliteit van het Land aan hun broeders tonen door terug te keren met enkele vruchten van het Land.

Terwijl geloof van extreme importantie is en de basis voor het in acht nemen van de Thora, is geloof op zichzelf niet voldoende. Na het tonen van puur en simpel geloof, verlangde G’D dat Joden ook hun intellectuele vermogens gebruikten.

Hetzelfde geldt voor het binnen trekken van Eretz Yisraël. Hoewel G’D het Volk al had gezegd dat het Land goed was, verlangde Hij dat zij niet alleen geloofden dat het goed was, maar dat zij dit zelf zouden zien [begrijpen]. “Horen en [geloven] kan niet vergeleken worden met zien [en begrijpen]. “ ( Mechilta op Jitro, Shemot, 19:9)

Dus was het van vitaal belang dat het Joodse Volk het sterke verlangen zou hebben  om het Land binnen te trekken, als resultaat van de positieve impressies die hen zouden bereiken, dat het voor dit doel zelfs de moeite waard was om de levens van de verkenners in gevaar te brengen.

Zo ook betreffende de eerste fase van hun opdracht om te zoeken naar de eenvoudigste weg om het Land te veroveren, zodat het Volk zou begrijpen met hun eigen intellectuele vermogens dat dit met zekerheid mogelijk is.

Bij hun terugkeer begingen deze uitstekende oprechte afzonderlijke verkenners de grove overtreding aan het Joodse Volk te vertellen dat het Land onmogelijk te veroveren viel. Aangezien zij ooggetuigen waren geweest van “Een machtig Volk” nakomelingen van de reuzen, meenden de verkenners naar hun eigen inzicht dat hun conclusies logisch en correct waren, en brachten zij aan het Joodse Volk over, dat het Land onmogelijk te veroveren viel.

Wat dit betreft begrepen zij Mozes compleet verkeerd. Hij heeft hen nimmer gevraagd of het Land kon worden veroverd, integendeel hij heeft hen gezonden om zich ervan te vergewissen hoe het op meest gemakkelijke manier kon worden veroverd. Hij had hen uitgezonden om de beste manier te vinden hoe het Land te veroveren, het was vanzelfsprekend bedoel om een natuurlijke wijze te vinden. [Als het op een miraculeuze wijze bereikt had kunnen worden, dan zouden de verkenners overbodig zijn geweest.] Dus de getuigenissen van de verkenners, dat het Land onoverwinnelijk zou zijn staan in schril contrast met het doel van hun opdracht.

De verkenners begingen deze ernstige vergissing omdat zij zich zeer bewust waren van hun eigen persoonlijk egoïsme en hun eigen logische conclusies en niet voldoende gebonden en ondergeschikt waren aan Mozes, wiens hele zijn berustte op G’ddelijke waarheid. Waren zij meer verbonden geweest met Mozes en minder bezorgd om zich zelf, dan zouden zij niet zo bevreesd zijn geweest voor de “nakomelingen van de reuzen”.

Mozes wist dat het Land te veroveren viel, hun vertrouwen in hem zou ook terecht inzicht in hen bewerkstelligd hebben, dat “het Land dat de Eeuwige, onze G’D ons geeft goed is.”(Deuteronomium. 1:15)

Een Jood zou er goed aandoen te onthouden dat zelfs als hij betrokken zou zijn in kwesties die zijn eigen inzichten vereisen, hij doet zoals Mozes afgezant, met andere woorden, hij moet trachten het onderwerp in de ware zin te begrijpen en niet vanuit eigen persoonlijk verlangen, maar omdat G’D wenst dat hij het zo doet.

Hij zal dan verzekerd zijn in inzicht van ware aangelegenheden, in plaats van zijn eigen subjectieve foute interpretaties van de waarheid, iets wat gemakkelijk gebeurt als men verblind is door eigenliefde.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt

Numeri. 8:1 – 12:16

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar. p. 152b

Ver verwijderd iemand

De Zohar leert dat iedereen zichzelf kan aansporen om werkelijk terug te keren tot heiligheid.

Onze Thoralezing bevat de instructies met betrekking tot Pesach Sheni, die iemand in staat stellen het Pesach offer later uit te voeren, als hij niet in staat was om dit op de gepaste tijd te doen. De diepere betekenis van het volgende vers verklaart het als een verwijzing naar een persoon die zijn ziel heeft bezoedeld en zich ver heeft verwijderd van zijn heilige oorsprong.

“Zeg het volgende tegen het Volk van Israël: Wanneer een man [Hebreeuws, “ish, ish”] van jullie onrein zou worden wegens aanraking met een dood lichaam, of omdat hij zich op een verre reis bevindt, dan geldt voor jullie zowel als voor jullie verste geslachten, dat hij de [Tweede] Pesach zal houden voor G’D. (Numeri. 9:10)

Wat wil nu de herhaling van de woorden “ish, ish” in dit vers ons leren? De reden voor de herhaling is dat het vers verwijst naar een man die waarlijk een man is [met andere woorden, een belangrijk persoon].

Het woord “ish” in de Thora refereert vaak aan een persoon van grote importantie, zoals een koning. Een voorbeeld in een moderne uitdrukkingsvorm wordt weergegeven in  “British”, zogenoemd omdat de “ish”, of Koning van Engeland, is besneden, met andere woorden hij heeft een “brit” [het Hebreeuwse woord voor “verbond”, refererend aan besnijdenis]. Vandaar dat de naam “Brit Ish” kan betekenen “een man die het teken van de brit heeft”.

Deze was waardig om een Neshama te ontvangen van een zeer hoog spiritueel niveau, maar hij bezoedelde zichzelf door zijn slechte daden en grove fysiekheden, totdat hij niet langer puur genoeg was om de subtiele spiritualiteit, geëmaneerd van zijn heilige ziel, te ontvangen. Het is compleet zijn eigen schuld dat hij deze heilige emanatie niet kon ontvangen. Niettegenstaande, leert ons de herhaling van het woord “ish” dat hij nog steeds waardig is om het licht van de oorsprong van zijn heilige ziel te ontvangen mits hij opnieuw zijn ware spirituele niveau kan bereiken.

Dit wordt verder aangegeven door de woorden die stellen dat “hij zich op een verre reis bevindt” [Hebreeuws, “rechoka”.] Het woord “rechoka” is één van de tien woorden in de Thora waar een puntje boven staat. [in dit geval, staat het puntje bovenop de laatste hei.] Iedere keer wanneer een puntje verschijnt bovenop een woord of letter geeft dat te kennen dat er een bijzondere verborgen betekenis is die moet worden benadrukt. De reden dat [het puntje verschijnt bovenop de laatste letter van het woord voor “verre” is om te laten zien dat een persoon die zichzelf onwaardig maakt door zijn handelen beneden in de fysieke wereld  zich ook heeft bezoedeld in de hogere spirituele werelden. Aangezien hij zich  heeft bezoedeld in de spirituele werelden, is hij op een pad dat hem ver weg voert van de heilige bron waaraan  het Volk van Israël zich hecht.

In plaats dat deze man zich hecht aan de laatste hei in de Naam Havayah van HaShem, is hij overgeleverd om zich te hechten aan de laatste hei van het woord “rechoka” [ver weg]. Vandaar dat hij wordt uitgezonden om een verre reis te maken op verzekerde afstand van zijn heilige broeders in de periode van Pesach.

Rabbi Jitzchak zegt dat het vers schijnbaar duidt op twee verschillende dingen. Hetzij de persoon heeft zichzelf bezoedeld of hij is ver weg. Rabbi Yosi antwoordt dat in eerste instantie hij zichzelf heeft bezoedeld, maar niet compleet, daarvoor is hij nog niet in het stadium waarin hij ver weg wordt gestuurd. In tweede instantie zijn zijn handelingen zo bizar geworden ten opzichte van zijn spirituele oorsprong, dat hij ver weg is gezonden.

Hij kan zijn Pesach offer niet brengen in de tweede maand, zonder dat hij teshoewa heeft gedaan of terug is gekeerd naar zijn spirituele oorsprong. Alleen nadat hij zich heeft gepurificeerd en de spirituele beschadigingen heeft herstelt die hij heeft veroorzaakt, wordt hem een tweede maand gegeven waarin hij het Pesach offer mag brengen. Hieruit leren we dat elk persoon die oprecht moeite doet om zichzelf te purificeren is gepurificeerd.

Het is interessant om te weten dat de naam van de Thoralezing ook verwijst naar de Menora die wordt aangestoken op een wijze dat de vlam vanzelf naar boven opstijgt. Ook hier is de boodschap dat iemand eerst inspanning moet leveren en dan wordt geassisteerd vanuit het Hogere.

SHABBAT SHALOM  

PARASHAT NASÓ

Neem op              Numeri 4:21 – 7:89


SHELOSHA MACHANOT – DRIE KAMPEMENTEN


BEMIDBÁR, NASÓ, BEHA’ALÓTCHA

De respectievelijke cijfers, drie en vier, spelen een belangrijke rol in onze Parasha en vinden hun tegenhanger in de indeling van Jeruzalem en de Heilige Tempel.

  1. machanè shechina, het kampement dat alleen toegankelijk was voor Priesters.
  2. lewie machanè, het gebied waarin de levieten verbleven en waar zij het meeste van hun taken uitvoerden.
  3. machanè jisraël, het gebied waarin de vier legers, gevormd uit drie stammen, waren gelegerd, elk groep respectievelijk met hun eigen vlag.

Later in Jeruzalem hebben we a) de Heilige Tempel, b) Tempelberg, c)de rest van de stad Jeruzalem (binnen de ommuring) en eveneens de vier walmuren van de stad, m.a.w. de omwalling in de vier verschillende richtingen die de stad omheinden.
Wanneer we dit betrachten vanuit een metafysisch oogpunt zien we dat demachanè shechina, drie aparte gedeelten, gebieden van Heiligheid bevat:

  1. het kadeshé kedoshiem, het binnenste Heiligdom, het Heilige der Heiligen, waarin alleen de Hoge Priester handelingen kon uitvoeren en dan alleen op Grote Verzoendag.
  2. De Heichal, “Paleis”, omvattend het Gouden Altaar, de Tafel en de Kandelaber. Waarop de Priesters dagelijks en wekelijks reguliere taken uitvoerden.
  3. Het gedeelte dat het koperen altaar omvat, beter bekent als mizbach haolè, het altaar waarop de dagelijkse gemeenschapsoffers en andere offers werden gebracht.

De drie kampementen die wij hebben beschreven verdeelden eveneens de drie vormen van competentie van de Priesters, Levieten en de vertegenwoordigers van de twaalf respectievelijke stammen, de moeamadoet. In de machanè shechina, deden de Priesters de dienst. In de lewie machanè, zongen de Levieten en speelden muziek tijdens de offerdienst. De Israëlieten voorzagen, de afgevaardigden uit verschillende delen van Erets Jisroël van een symbolische aanwezigheid als “eigenaars” van de dagelijkse gemeenschapsoffers. ( Taanit 27)
Het cijfer vier vertegenwoordigt de vier vlaggen, de vier legergroepen van het Joodse Volk.

Later in Jeruzalem werd hun plaats ingenomen door de vier walmuren die de stad omringden, met het gezicht naar de vier richtingen. Dit cijfer correspondeert met vier letters van de onuitsprekelijke naam van G’D, het Tetragrammaton “J-H-W-H” welke eigenlijk maar drie elementen bevat, want de letter  komt tweemaal voor in de naam. Deze drie letters representeren drie chochmot, wijsheden, zoals is verklaard in Sefer Yetzira. Zij zijn de essentie van de voornaamste kawiem, “lijnen” in het universum, m.a.w. de lijn van chesed, naaste liefde, de lijn van gevoera, gerechtigheid en de lijn van rachamiem, barmhartigheid. Door gebruik te maken van de laatste letter  in de naam van G’D, eindigen we met vier letters, vier letters welke vervolgens duiden op vier van de tien “sefirot” wezenlijke G’ddelijke eigenschappen, namelijk die van chochma, wijsheid, biena, inzicht,Tiferet, schoonheid en malchoet, koningschap.
Deze “sefirot”zijn vier van de tien uitvloeiingen, de fundamentele krachten of G’ddelijke energiekanalen die in gronde abstracte concepten geleidelijk konden converteren of toepasselijk maken aan de materiële wereld waarvan wij deel uitmaken. Deze vier uitvloeiingen verwijzen ook naar de vier “poten” die de merkawa eljona dragen, de “wagen”in de hoogste regionen die de Shechina draagt.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEMIDBÁR

In de woestijn (Numeri 1:1 – 4:20)


The Lubavitcher Rebbe.


De Zonen van Levi.


Gebaseerd op Likoetei Thora 3:20b-21a-21b; Torat Levi Jizchak p.292, geschriften van de Lubavitcher Rebbe.


DIT ZIJN DE ZONEN VAN LEVI BIJ HUN NAMEN; GERSHON, KEHAT, EN MERARI. (NUMERI. 3:17)

De Levieten bestonden uit drie geslachten, de nakomelingen van de drie zonen van Levi. Deze families waren belast met de opdracht om de verschillende onderdelen van het Tabernakel op te richten, te ontmantelen en, wanneer het moest verplaatst worden, te transporteren. De Gershon familie was belast met de gordijnen en de versluiering van het afgesloten gebied van het Tabernakel. Merari was belast met de wanden en de pilaren van het gesloten gebied van het Tabernakel; en de Kahot familie vervoerde de voorwerpen die gebruikt werden in het Tabernakel en achter het voorhangsel.

Deze drie afdelingscomponenten van het Tabernakel, reflecteren de drie spirituele componenten van het spirituele Tabernakel die wij, voor G’D, hebben te construeren, in de context van ons eigen leven. De gedegen wanden en pilaren zijn het skeletachtige structuur en voorzien en geven het Tabernakel en haar binnenhof, de juiste vorm.

De gedegen structurele basisfundatie van ons spiritueel Tabernakel is ons onbaatzuchtige toewijding aan G’D’s wil. Deze toewijding is geboren vanuit de gramschap die we voelen ten aanzien van egocentrisme en haar lege beloften, waardoor wij ons richten op G’D als de ware realiteit. Dit facet van ons spiritueel leven wordt gepersonifieerd door Merari, wiens naam is afgeleid van het Hebreeuwse woord “bitter”, “mar”.

De vloeiende gordijnen en sluiers van het Tabernakel en haar binnenhof is de soepele huid die het skeletachtige bedekt.
Het vlees van ons spiritueel Tabernakel is onze emotionele betrokkenheid met G’D, welke een natuurlijke uitvloeisel is van onze groter wordende gerichtheid op G’D als de enige en ware realiteit.
Onze liefde, in deze emotionele relatie, krijgt zijn weerga in het doen van Mitzwot. Dit aspect van spiritueel leven wordt gepersonifieerd door Gershon.

De meubelstukken van het Tabernakel dienden als instrumenten voor de specifieke activiteiten waarvoor het Tabernakel was geïnstalleerd. In ons spirituele Tabernakel zijn de meubelstukken de voorwerpen van hoe onze verhouding met G’D ons leven verandert en ons in staat stelt om de realiteit te spiritualiseren. De karakteristiek van dit onderdeel van het Tabernakel was, de ark, welke de Tafelen van het Verbond huisvestte, de essentie van de Thora, die een gids is voor het transformeren van onszelf en de realiteit. Dit aspect van spiritueel leven wordt gepersonifieerd door Kehot.

Levieten Familie deel van het Heiligdom aspect van spiritueel leven
Gershon gordijnen en versluiering van het afgesloten gebied van het Tabernakel. emotionele betrokkenheid met G’D
Merari Wanden van het Tabernakel
en pilaren gesloten gebied
onbaatzuchtige toewijding aan G’D’s wil
Kehot Voorwerpen en voorhangsel transformeren van onszelf en de realiteit

In het Lied bij de Zee, wordt het Tabernakel aangehaald met de woorden “Het Tabernakel welke “Uw handen, O G’D, hebben gevestigd” (Exodus. 15:17). De uitdrukking “Uw handen” duiden op de manier waarop G’D’s hand in de Thora is beschreven, beschrijvend de drie grondprincipes van handelingen van G’D in deze wereld:

  • de “grote hand” (Ex. 14:31), aangevend G’D’s barmhartigheid (chesed), de origine van Zijn liefdadigheid.
  • De “sterke hand” (Deut. 7:19), aangevend G’D’s kracht en strengheid (gevoera).
  • De “verheven hand” (Ex. 14:8) aangevend G’D’s schoonheid (tiferet).

Op deze drie handen rust het Tabernakel.

In de spirituele zin geven deze drie handen de dienst aan van de drie Levieten families, die zij uitvoeren, in het Heiligdom.

  • Levi’s eerste zoon, Gershon, personifieert de “grote hand”, aangezien desluitnoen waarmee zijn naam wordt gespeld, G’D’s gift van barmhartigheid weergeeft naar de lagere niveaus, welke is aangemoedigd door liefdadigheid.
  • Merari wiens naam relateert aan het woord van “bitterheid” personifieert de “sterke hand” die straf meet.
  • Kehot personifieert de “verheven hand”, aangezien de Kehotieten de ark en de tafelen dragen (of verheffen) op hun schouders, in tegenstelling tot de andere zonen, waaraan was toegestaan hun respectievelijke Tabernakel – delen te vervoeren met wagens.

Jochaved, de moeder van Mozes en de dochter van Levi, had drie kinderen: Miriam, Aäron, en Mozes.
Deze drie kinderen lijken op de drie broers van Jochaved, Gershon, Kehod, en Merari, aangezien, volgens de Talmoed, in het algemeen lijken op de broers van de moeder. (Bava Batra 110a). {Noot: De reden is dat vrouwen in wezen bescheiden zijn en niet met hun persoonlijkheid pronken; de karaktertrekken van een vrouw, geërfd van haar ouders, worden daarom meer zichtbaar in de mannelijke kinderen van haar ouders, haar broers, dan in haar.}
Dus, Mozes, Aaron, en Miriam corresponderen eveneens met de drie pilaren van G’ddelijke dienst:

  • Mozes, die de Thora ontving en daarom geassocieerd is met da’at, welk op zijn beurt aansluit met tiferet, lijkt op Kehot.
  • Aaron, de “man van goedhartigheid”, lijkt op Gershon.
  • Miriam, wiens naam “bitterheid” betekent, lijkt op Merari.

Aldus, de numerieke waarde van Jochaved is 42, welke 3×14 is, 14 is de numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “hand” (“jad”), een verwijzing naar de drie “handen” die zij baarde.

Levieten familie Deel van het Heiligdom hand van G’D betekenis aanduiding Jocheved’s kinderen
Gershon gordijnen en versluiering “grote hand” barmhartigheid (chesed) sluit nun Aaron
Merari Wanden en pilaren “sterke hand” kracht (gevura) naambetekenis
“bitterness”
Miriam
Kehot Voorwerpen en voorhangsel “verheven hand” schoonheid (tiferet) dragen op schouders Moses

SHABBAT SHALOM

PARASHOT BEHÁR- BECHOEKOTAI

Op de berg – In Mijn inzettingen.                      Leviticus. 25:1 – 26:2, 26:3 – 27:34

Likoetei Sichot, vol. 7, p. 233, vol. 19, pp 137-8

Zegeningen binnenin een Vervloeking

Chasidoet leert dat de meest sublieme geschenken van tijd tot tijd worden aangereikt in een verborgen vorm.

De passage Leviticus. 26: 14:26 staan bekend als “de Waarschuwing”. G’D laat Israël er in weten wat de drastische consequenties zijn van het afwijken van de Thora. Traditioneel wordt dit gedeelte zeer snel en op lagere toon gelezen dan de rest  van de lezing. Niemand wordt opgeroepen voor dit gedeelte van de Thora. De lezer reciteert eenvoudig de zegeningen voor en na het lezen ervan, maar hij is niet “opgeroepen.”

Als kind, zou Rabbi DovBer van Lubavitch, samen met de rest van de congregatie, heel rustig geluisterd hebben naar deze wekelijkse Thoralezing voorgelezen door zijn vader Rabbi Schneur Zalman van Liadi. Echter in een bepaald jaar was zijn vader buiten de stad tijdens de Shabbat van parashat KI Tavo, een parasha die een deel van de waarschuwing mede inhoudt. Na het horen van de Waarschuwing, gelezen door de plaatsvervangende Thoralezer, was het kind zo emotioneel van streek dat zelfs een maand later zijn vader onzeker was of zijn zoon in staat zou zijn te vasten op Jom Kippoer. Het kind werd later gevraagd, “Waarom was je deze keer niet verontrust toen de waarschuwing werd gelezen”? Het kind antwoordde, “Als mijn vader het leest, worden er geen vervloekingen gehoord.”

“In waarheid zijn zij niets anders dan zegeningen”, schrijft Rabbi Schneur Zalman van Laidi over de Waarschuwing. Hij citeert de Zohar, die spreekt van een verborgen en gereveleerde realiteit. G’D, Thora en de mensheid existeren op een bewust en onbewust niveau. Op het bewuste niveau, lijken deze verzen vervloekingen te zijn. Op het onbewuste niveau, het zielsniveau, zijn deze vervloekingen werkelijk zegeningen. Zij zijn geen pijnlijke ervaringen die we moeten doorstaan voor een groter goed, donkere wolken in gekleed in zilver, zij zijn echt zegeningen. Wanneer een vrome persoonlijkheid zoals Rabbi Schneur Zalman van Liadi deze verzen leest, hoort iemand hun onbewuste betekenis, waarin ze zegeningen zijn.

De meest sublieme zegeningen worden verwoord in de meest verschrikkelijke termen. Dit is omdat telkens als een zegen wordt verleend door de Hemel, het eerst het Hemelse Hof moet passeren, waar de toekomstige ontvanger wordt beoordeeld of hij de zegening wel of niet waardig is. Wanneer de zegen zich echter “voordoet” als een vloek, “omzeilt” het de krachten van strikt oordeel, en kan het zijn weg vinden rechtstreeks naar de ontvanger. In de Talmoed [Moed Katan 9b] wordt ons verteld dat Rabbi Shimon Bar Jochai (auteur van de Zohar) zijn zoon Rabbi Elazar zond om de zegeningen van verscheidene Geleerden te ontvangen. Ze werden zo aan hem uitgereikt als of het aanhoorde als een aan schakeling van vervloekingen: “Mag het de Wil van G’D zijn dat je zaait en niet oogst…laat je huis verwoest worden ….laat je tafel in beroering worden gebracht en mag je oog geen nieuw jaar zien.” Zijn vader, uitlegger van de ziel van de Thora, reveleerde aan hem de betekenis van hun “zegeningen”, de ziel van hun woorden.

SHABBAT SHALOM