PARASHAT SHEMOT

Namen Exodus. 1:1 – 6:1

LIKKOETEI SICHOT

Bij het begin van parashat Shemot, in de context van het verschrikkelijke lijden in de Egyptische galoet,( Hebreeuws verbanning), legt de Zohar (Zohar II, 7b) een analogie tussen de Egyptische galoet en ge’oela, (Hebreeuws verlossing), en onze hedendaagse verbanning en verlossing.

Rabbi Shimon bar Jochai zegt daar op, over zijn eigen en volgende generaties, dat lijden op lijden over Israël zal komen: “alle volkeren en hun koningen zullen zich tegen hen richten en hun wrede decreten opleggen…. Dan zal vervolgens een zuil van vuur te zien zijn, neerwaarts gaande van boven naar beneden voor veertig dagen en alle volkeren van de wereld zullen deze zuil van vuur zien. Op dát tijdstip zal de Mashiach worden opgeroepen om te komen uit de Tuin van Eden ….”

Rabbi Chaim Vital, de belangrijkste leerling van Rabbi Jitzchak Luria (de meest gezaghebbende kabbala autoriteit in onze dagen), becommentarieert dat, als we deze passage nemen in de betekenis dat de Mashiach niet geboren wordt uit sterfelijke ouders, maar letterlijk verschijnt uit de Tuin Van Eden, het bijzonder vreemd en in strijd zou zijn met bepaalde teksten. Dus legt hij vervolgens uit: de “Mashiach zal ongetwijfeld een rechtvaardig persoon zijn, geboren uit menselijke ouders. Maar vanaf zijn geboorte zal zijn rechtschapenheid ononderbroken groeien.. en door de deugd van zijn daden zal hij de vijf verheven heilige zielsniveaus, nefesh, roeach, neshama, chaya en yechida, verkrijgen. Op die specifieke dag aan het einde van galoet(Hebreeuws verbanning, zal de ziel van zijn ziel (de meeste sublieme oorsprong van de ziel), gevestigd in Gan Eden, worden toegekend aan dïe tzaddiek en hem waardig maken om de verlosser te zijn….

De ziel van de Mashiach blijft verhuld en na veertig dagen zal de Mashiach die ziel van zijn ziel ontvangen, welke aan hem zal worden gereveleerd en hij zal zichzelf herkennen als zijnde de Mashiach, voordien had hij niet het besef…

Waarschijnlijk gebaseerd op deze bron, schrijft Rabbi Moses Sofer in zijn responsa: “wat betreft het komen van de telg van David, moet ik de volgende basis stelling poneren: Mozes, de eerste verlosser van Israël, bereikte de leeftijd van tachtig jaar en was zich er niet bewust dat hij de verlosser van zou worden. Zelfs toen de Heilige, geprezen zij Hij, tegen hem zei, “Welnu, ga dan, want Ik zend je naar Pharao en voer Mijn volk, de Kinderen van Israël, uit Egypte, (Exodus, 3:10), wees hij dit af en wilde hij deze missie niet aanvaarden. Zo zal het ook zijn met de uiteindelijke verlosser.

De dag dat de Beth Hamikdash, de Tempel, werd verwoest, werd degene geboren die, in deugdzaamheid van zijn rechtschapenheid, waardig was om de verlosser te zijn. Op het gepaste tijdstip zal G’D Zichzelf aan hem reveleren en hem zenden en dan zal op hem de ziel van de Mashiach rusten, welke boven was verhuld en verborgen tot aan zijn komst.

De Tzadiek zelf realiseert zich deze potentie niet en, vanwege onze misstappen, zijn vele van deze Tzadikiem reeds gestorven. Wij verdienen het niet dat de Messiaanse ziel aan hen, de Tzadikiem, wordt geschonken. De Tzadikiem waren waardig en geschikt voor de taak, maar hun generatie niet…

In elke generatie is er iemand waardig om de lang verwachte verlossing te brengen, het hangt van ons zelf af om deze potentie te actualiseren. De potentie is elke dag, elk moment aanwezig, het hangt van ons en van elk van ons af.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJECHÍ

En hij leefde Genesis. 47:28 – 50:26

Rabbi Shimon bar Jochai

ZoharI, p. 235 a-b gebaseerd op het commentaar Sha’at Radson

De dag van Israëls dood naderde….(Genesis. 47:29)

Rabbi Elazar stelt Rabbi Shimon [zijn vader] de volgende vraag: aangezien de Heilige, geprezen zij Hij weet dat een persoon uiteindelijk zal sterven, waarom wordt de ziel dan neerwaarts gezonden in deze wereld?
Zijn vraag is in feit, “waarom moeten de zielen van mensen van het Hoge afdalen in deze?”, verwijzend naar de wereld van Asiya, waar het kwaad over het goede heerst en waar dood de overhand heeft (Etz Chaim, 42:4, 48:3; zie Tanya hf. 6). Als het doel is om de mens te begiftigen met vrije keuze, zodat hij kan kiezen om de Schepper te dienen en dus beloont wordt voor zijn dienst (of gestraft wordt bij gebrek daaraan), zou het voldoende geweest zijn voor de ziel om af te dalen van het Hoge naar de wereld van Yetzirah, welke half goed en half slecht is (Etz Chaim 48:3) en daarom nog altijd de mogelijkheid toestaat van vrije keuze.
Rabbi Shimon antwoordde: deze vraag is vele malen voorgelegd aan de rabbi’s (door hun studenten) en zij gaven als antwoord: De Heilige plaatst zielen in deze wereld zodat zij Zijn Glorie bekend kunnen maken. Maar nadien neemt Hij hen terug [als zij sterven].
Blijft de vraag: als het doel is om Zijn glorie bekend te maken in deze wereld, waarom neemt Hij hen terug? Waarom moeten zij afdalen in deze wereld om later te sterven?
Hoe dan ook, de esoterische verklaring is deze: hij begon [zijn verklaring met het volgende vers], “Drink water uit je eigen bekken en stromend water van je eigen bron” (Spreuken 5:15). Wij hebben vastgesteld dat een bron [malchoet] niet vloeit met water van zichzelf.
Een bron verzamelt slechts water welke stilstaat in de put. Zie Mikva’ot 1:7 ff. Voor het verschil tussen een bron en een stroom water zie /bhm/parashat-balak-4/

Wanneer stroomt je eigen bron met water [met andere woorden, wanneer wordt een bron als een stroom, de mogelijkheid hebbend om te zuiveren naar een veel hoger niveau dan een bron]? Wanneer de ziel zijn werk completeert in deze wereld, [wanneer de Nefesh van een rechtvaardig persoon, een Tzadiek, die G’D dient in deze wereld in het vervullen van de Thora opdrachten] en terugkeert naar die plaats [boven] waarmee het is verbonden [de sefira van yasod] is de ziel vervolgens compleet in elk aspect, boven en beneden [yasod boven en malchoet beneden].
Wanneer de ziel naar boven terug gaat, zijn de vrouwelijke wateren [de wateren van malchoet, de bron] opgewekt ten opzichte van de mannelijke wateren [de wateren van yasod, welke stromen] en stromen van beneden naar boven, zodat de [stilstaande] bron een reservoir wordt van vloeiend water. Op dat ogenblik zal eenheid en harmonie en het G’ddelijk aanwezig zijn, want de ziel van een Tzadiek stijgt compleet in elk aspect naar het Hoge.

Commentatoren leggen uit: het is voor de ziel noodzakelijk om neer te dalen in deze bescheiden wereld van Asiya en de intense pijn te ondergaan van de dood. Het niveau van de Nefesh dat afdaalt naar Asiya, kan worden gecompleteerd in elk aspect door het verheffenen van de heilige vonken die in de werelden vielen van de versplinterde vaten van de wereld van Tohoe. Dit verheffen wordt bereikt door mitzwot en goede daden in deze wereld. De verheffing van deze vonken moet beginnen vanuit de laagste niveaus, vanuit het niveau van Nefesh. Om die reden moet de ziel neerdalen in deze wereld om te worden gecompleteerd, zodat ze later kan opstijgen en eveneens voltooiing aan de hogere werelden kan brengen. De Zohar gaat verder met de verklaring, dat dit het mysterie van het vers is welke Jacob’s laatste momenten beschrijft:
Hij trok zijn voeten op het bed [Zei’ir Anpin] – de zes sefirot van chesed naar yasod] en werd verenigd met zijn voorouders. (Genesis. 49:33)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde Genesis. 44:18 – 47:27

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, P. 210b

Het volgend gedeelte van de Zohar verklaart het geheim van de “Merkawa”, letterlijk “voertuig of rijtuig”. Het voertuig, beschreven in Ezekiël’s profetisch visioen (Ezekiël hoofdstuk 1), is het voertuig voor G’ddelijk openbaring in de wereld van Yetzira, de volgende wereld voorbij de spirituele dimensie van onze fysieke wereld, de wereld van Asiya.
Meditatie over verscheidene aspecten van de Merkava was voor een belangrijke stroming in Joods mysticisme een centraal punt. De Zohar verklaart hier dat Josef zijn Merkava inspande om een hoger niveau van G’ddelijke openbaring te bereiken. De verklaring draait rond het begrijpen van het woord “Chaya” (letterlijk “ongetemd dier”, meervoud “Chayot”) wat in de Zohar “animerende kracht” betekent.
“Josef spande zijn wagen in en trok Israël, zijn vader, naar Gosen tegemoet.” (Genesis. 46:29)
Rabbi begon zijn uiteenzetting met het citeren van het vers. “En boven de hoofden van de Chaya was een gelijkenis van een uitgestrekte oppervlakte, zoals glinsterend ijs, angstwekkend, deze oppervlakte strekte zich hoog boven hun hoofden uit.” (Ezekiël. 1:22).
Dit vers is alreeds eerder uiteengezet [als verwijzing naar een animerende kracht, Chayot, in de wereld van Yetzira].
Maar kom en zie [hoe de term “Chaya” wordt gebruikt in verschillende contexten, in dit vers en in de volgende verzen, zodat er een Chaya boven Chaya is, een hiërarchie van niveaus.
[Het hoogste niveau is] is “Heilige Chaya”, boven de hoofden van de Chayot. En daar een hogere vorm van “Chaya” [m.a.w hoger dan de Chayot, maar lager dan de Heilige Chaya] welke boven elke andere chaya staan en hen allen controleert, zodat wanneer deze chaya verlichting geeft aan hen allen, zij vervolgens opwaarts reizen, en één aan de ander [ levenskracht] doorgeeft en zodoende de ander controleert.
Overeenkomstig, er zijn drie niveaus van Chaya: “Heilige Chaya “, welke is chochma; “Chaya” (bina) welke boven Chayot is en de Chayot controleert, en “Chayot”, de levenkracht die Zeir Anpin animeert en op elkaar inwerken. (Mikdash Melech)
Als nu al deze aspecten van de Merkawa zijn geplaatst in hun gepaste orde, wat geeft het dan weer? “En boven de expansie die zich boven hun hoofden uitstrekte zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens.” (Ezekiël. 1:26)
Ergens anders in de zohar wordt verklaard dat de troon de wereld van Beriya is. (Pardes, Archai)

Wij stellen dus vast dat de troon van waardevolle stenen staat op vier poten. [Dit zijn de vier Sefirot, Keter, chochma, Bina, Da’at] (Mikdash Melech)
En dat op die troon de gelijkenis van een mens is. [De openbaring van G’ddelijkheid in de wereld Atziloet]
Wanneer al deze niveaus in de persoon zelf zijn gerectificeerd, zodat al de niveaus een Merkawa, [een voertuig] voor G’ddelijkheid zijn, staat er geschreven, “”Josef spande zijn wagen in en trok Israël, zijn vader, naar Gosen tegemoet.”
Met andere woorden, wanneer de verscheidene niveau van de ziel van een persoon, Nefesh (corresponderend aan het woord Asiya), Ruach (corresponderend aan Yetzira), Neshama (corresponderend Beriya) zich hebben gerectificeerd en op de juiste wijze zijn geplaatst (ingespannen), is hij in staat om te klimmen naar het niveau van Chaya (Atziloet) en te communiceren met de G’ddelijke Aanwezigheid, zoals is geopenbaard in Zeir Anpin van Atziloet, refererend aan het vers als “zijn vader, Israël, en het visioen van de Merkawa als “de gelijkenis van een mens”.
Dit is wat Josef had bereikt toen “hij zijn voertuig inspande”.
SHABBAT SHALOM

PARASHAT MIKEETS

Aan het einde (Genesis 41:1 – 44:17)

Al de details die de Thora weergeeft over Joséf en zijn broers zinspelen op zaken in de toekomst, de Messiaanse tijd. Joséf lotbestemming, de gilgoeliem, [omzwervingen, turbulenties] m.a.w. de opschudding en omwentelingen die hij tijdens zijn leven ondervond, waren een voorbode van de gilgoeliem van de Joodse Natie in de toekomst. Hij zette de eerste verbanning van zijn nakomelingen in beweging en diende als het ware als instrument in het zuiveringsproces, welke deze ervaring pleegt te zijn, van het Joodse Volk. Elke respectievelijke verbanning heeft als doel, verdere zuivering van het karakter van het Joodse Volk. Voorafgaand, aan de eventuele verlossing, zal Joséf opnieuw lijfelijk aanwezig zijn als Mashiach ben Joséf.

Echter, voor Jehoeda zal een permanente heersende rol zijn weggelegd. Als we de dood van de eerste twee zonen van Jehoeda in overweging nemen, Er en Onan,[hun plaats werd uiteindelijk ingenomen door de twee zonen, Perets en Zerach, geboren uit de gemeenschap die hij had met Thamar] Genesis.38,1-30, en als we het feit overwegen dat de Thora deze gebeurtenissen onmiddellijk plaatste na de gilgoeliem van Joséf, moeten wij trachten te onderzoeken om welke reden. Midrash Bereshiet Rabba 12,6 attendeert ons op het feit dat het woord toledot, nakomelingen, altijd wordt geschreven zonder de letter waw voor de laatste letter taw [ fonetisch de laatste o], met uitzondering van wanneer de Thora schrijft eelè toledot hashamajiem weha’arets, dit is het gevolg [geschiedenis] van hemel en aarde, in Genesis 2,4, én wanneer de nakomelingen van Perets worden weergegeven in het boek Ruth 4,18. De reden is dat de wereld vernieuwd zal worden met de komst van Mashiach, een rechtstreekse nakomeling van Perets. De beweegredenen van de Thora om het verslag over Jehoeda en zijn zonen toe te voegen aan de verkoop van Joséf, is te onderstrepen dat beide, Joséf en Jehoeda, groot aandeel hebben in de voortzettende tendens naar een meer perfecte wereld, tot realisering van de doelstelling van de Schepper in de creatie van het universum.

Midrash Bereshiet Rabba 85,1 commentaar op Genesis 38,1, de introducerende episode van Jehoeda’s huwelijk, etc., citeert Rabbi Shmuel bar Nachman’s uitleg van Jeremia 29,11 waar in G’D aantekent dat al Zijn intenties ten goede zijn voor het Joodse Volk, al komt dit niet altijd aan ons zo over. G’D beklemtoont dat Hij volledig gewaar is van onze gedachten. De verkoop van Joséf is een voorbeeld van handelingen en gebeurtenissen die ogenschijnlijk in tegenstelling staan met de intenties van G’D, maar niettemin toch bevorderend zijn voor de uitvoer van Zijn plannen. De broers waren alleen maar bezorgd met het ontdoen van Joséf en het gevaar dat zij dachten, dat hij voor hen was. Joséf en Reuben, en ook Ja’akov, beweenden op hun beurt het aandeel in het lot dat hun was overkomen, Jehoeda was bezig met het kiezen van een vrouw. En G’D daarentegen was druk bezig met het voorbereiden van de eventuele komst van Mashiach. De boodschap van de Midrash is duidelijk. Terwijl onze activiteiten mogen overkomen als destructief, gebruikt G’D deze zelfde activiteiten voor Zijn verdere plannen. Zelfs Ja’akov, die zo ontroostbaar was om Joséf en profeteerde dat hij rouwend om zijn zoon zal afdalen in zijn graf {Genesis 37,35}, realiseerde zich niet dat Joséf’s lot een katalysator zou zijn voor positieve historische ontwikkelingen. Ondanks dit alles blijft de vraag hoe de broers, stichters van de natie, moreel opmerkelijke mensen, mannen die in onze traditie gelijkwaardig worden geacht met de engelen, z’n grove zonde als de verkoop van Joséf konden beramen. Hoe konden zij zelfs hebben overwogen om hem te vermoorden? Zelfs een overtuigd zondaar, zou zich niet schuldig maken aan dit soort van overtreding. Er is nog een andere moeilijkheid: Hoe kon de rechtvaardige zoon , geliefd door zijn vader, zijn vader niet in kennis stellen dat hij nog leefde, met als doel om hem voor al het leed te sparen? Wij zullen, met G’D’s hulp, hier proberen een antwoord op te vinden in Parashat Wajigash.

SHABAT SHALOM

PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23) Het gemeenschappelijk kenmerk van deze en de twee volgende Parashot zijn hun gepreoccupeerdheid met de relatie tussen Joséf en zijn broers. Gezien het feit dat het feest van Chanoeka plaatsvindt gedurende de weken dat we deze Parashot lezen, en gezien Koning Solomon’s zeer bekende regel in Prediker, dat er een plaats en tijd voor alles is, zullen we zien dat de timing van de verschillende feestdagen, verordent door de Rabbijnen en zelfs de vastendagen die door hen zijn opgelegd, zinspelen op de onderwerpen en handelingen van de Thoralezing gedurende die respectievelijke week van het jaar. “Adonai echat weshemo echat” de Eeuwige is EEN en Zijn Naam is EEN. Het mysterie van G’D’s Eenheid en de Eenheid van Zijn Naam, wordt in het boek Sefer Yetzirah en in alle andere Kabbalistische teksten vergeleken met de verwantschap tussen een vlam en een gloeiend houtskool. Dezelfde relatie bestaat tussen Ja’akov en Joséf, Ja’akov is het gloeiend houtskool, het vuur verbonden aan het houtskool, terwijl Joséf de vlam is. Schriftelijk bewijs voor deze gedachte wordt gevonden in Ovadiah 1,8, waar de profeet schrijft, “Het huis van Ja, akov is als vuur en het huis van Joséf als een vlam.” De letters van het woord éésh (vuur) zijn respectievelijk de eerste letters van èmet (waarheid, oprechtheid) en shalom (vrede), welke de eigenschappen zijn van respectievelijk Ja’akov en Joséf. Esav daarentegen was exact het tegenovergestelde. Hij representeerde kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Jaloersheid is precies het tegenovergestelde van oprechtheid. De eigenschap van oprechtheid is te definiëren als een bereidheid om te erkennen dat iets objectief is, zonder het te ontkennen of anders weer te geven ( zelfs als men daarbij in een slecht daglicht komt te staan). Toen de profeet Ovadiah in het aangehaalde vers beschrijft hoe het huis Esav werd als kash (stro), waren dat respectievelijk de eerste letters van kin’a (jaloersheid), en sin’a (haat). Hoewel er een verband is tussen het aansteken van de Chanoeka menora (kandelaar) en het aansteken van de menora in de Heilige Tempel, zijn er enige wezenlijke verschillen. De menora in de Tempel werd aangestoken binnen, in het gebouw, het aantal lichtvlammetjes elke dag was constant en zij werden aangestoken gedurende de dag. Ook gedurende de tijd van Mozes en later Koning Solomon, daar waar het Joodse Volk materieel welvarend en veilig was. In tegenstelling tot nu, de huidige era, ontsteken we de Chanoeka menora bij het vallen van de avond en voegen we elke avond een nieuw vlammetje toe aan de Chanoeka menora, bovendien zijn de lichten geplaatst om de buitenwereld te verlichten. In de tijd van Chanoeka waren de Joden onder de tirannieke Syrisch – Griekse heerschappij. Het Joodse leger was klein, en op spiritueel niveau, er was aanvankelijk geen zuivere olie [voor het aansteken van de menora in de Tempel] beschikbaar, zelfs niet voor één nacht. Het bovenstaande impliceert dat er in tijden van materiele overvloed, spirituele taken makkelijker worden gedaan. De noodzaak voor bijzondere inspanningen en zelfopoffering zijn veel minder, dus het aansteken van een constant aantal lichtvlammen elke dag is voldoende. Echter, wanneer spirituele duisternis over de Joodse gemeenschappen valt, zoals in onze dagen, is er een andere wijze van praktiseren nodig. We steken de lichten aan bij het vallen van de duisternis en richten en sturen het licht naar de buitenwereld en verhogen constant het aantal vlammetjes, daarmee geven we uitdrukking aan het feit dat we ons niet staande kunnen houden op één constant niveau, maar moeten vooruitgaan en omhooggaan tot we het moment bereiken dat we de menora kunnen aansteken in de herbouwde Heilige Tempel. SHABBAT SHALOM EN VROLIJKE CHANOEKA

PARASHAT WAJISHLÁCH

En hij zond (Genesis 32:4 – 36:43)

Zohar pagina 165b

Wajishlách ja’akov mal’achiem levánáv el- ésav achiev arsta se’ier sedé èdom,”

“Ja’akov zond engelen voor zich uit naar zijn broer Esav, naar de rode velden van het land Se’ier.” (Genesis. 32″4)
Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met vers: “Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen.” (Psalm. 91:11)
Dit vers is door de medegeleerden verklaard met de betekenis dat, wanneer een persoon in deze wereld komt, de jetzer hara reeds op hem wacht.
“Kwade Inclinatie” is de meest kenmerkende vertaling van “jetzer hara.” De stam van het woord “jetzer” is “veroorzaken, teweegbrengen “en refereert aan hoe iemands instinctieve dierlijke driften op bepaalde tijden vragen om aan zijn”behoeften” te voldoen.
De jetzer hara is voortdurend bezig een persoon te strikken om kwaad te doen en als aanklager te dienen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers: “De zonde [hebreeuws, chatat] ligt voor de deur op de loer, klaar om aan te vallen.” (Genesis. 4:7)
Wat is het, wat loert, wat wacht, om zich te storten op een persoon die het lichaam van zijn moeder verlaat en in deze wereld komt?
Het is de Jetzer Hara, Koning David verwijst eveneens naar de Jetzer Hara als “Chatat“, als hij zegt: “En mijn zonde [Hebreeuws, chatati] me steeds voor de geest staat”. (Psalm. 51,5)
De Jetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, om een persoon ertoe te brengen verkeerde dingen te doen in de ogen van G’d en verlaat hem niet vanaf het moment dat hij geboren is.
Daarentegen komt de Jetzer Tov [Goede Inclinatie] in een mannelijk persoon, wanneer hij de leeftijd van dertien jaar heeft bereikt, bij meisjes bij twaalf, welke de leeftijd is die een persoon in staat stelt zichzelf te purificeren en te verbinden met zijn spirituele wortels bij het uitvoeren van mitzwot.
Op die leeftijd, wanneer een persoon verplicht is om mitzwot te doen, komt de Jetzer Hara om hem te assisteren en de twee inclinaties fuseren met de persoon, de Jetzer Tov aan zijn rechterzijde en de Jetzer Hara aan zijn linkerzijde. Deze twee inclinaties zijn eigenlijk in feite engelen, puur spirituele krachten, die belast zijn met de bescherming van de persoon voor alles dat hem zou kunnen schaden. Nooit en te nimmer verlaten zij een persoon.
Wanneer hij besluit om zichzelf te purificeren en terugkeert naar zijn spirituele wortels [teshoewa], zwicht de Jetzer Hara voor de Jetzer Tov, en de goede inclinatie heerst over de kwade. Beide verenigen zich in een wederzijdse overeenkomst om de persoon op de weg die hij gaat te behoeden om slecht te doen.
Daarom zegt het vers: “Hij geeft opdracht aan Zijn engelen, bij jou, om op je te passen en zich om je te bekommeren, waar je ook gaat. De engelen verwijzen naar de twee inclinaties en wanneer een persoon besluit om zijn goede inclinatie sterker te laten zijn dan zijn kwade inclinatie, zegt de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil in: “Amen”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEESHEV

En hij zette zich (Genesis 37:1 – 40:23)

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, P. 182a

We hebben in de vorige lezingen gezien hoe de Zohar de Voorvaderen, relateert aan de sefirot. Abraham vertegenwoordigt chesed/goedhartigheid, Isaak gevoera/ strengheid, en Jacob, bemiddelaar tussen de twee, representerent tiferet/evenwicht en schoonheid. In de lezing van deze week, continueert Rebbe Shimon dit thema en leert, dat Josef de sefira van jesod, wat “basis” betekent, representeert. De Voorvaderen representeren dus het vehikel door welke spiritualiteit ( je zou kunnen zeggen “sefirotualitiet“!) terug daalt in deze wereld, na te zijn opgegaan en vertrokken vanwege Adam’s zonde. Om de uitleg van de Zohar te begrijpen is het zinvol om de “boom” van de sefirot te visualiseren en te onthouden waar jesod staat in verhouding tot tiferet en de andere sefirot.

KETER

BINA

CHOCHMA

(DA’AT)

GEWOERA

CHESED

TIFERET

HOD

NETSACH

JESOD

MALCHOET

“Dit zijn de nakomelingen van Jacob, Josef……..” (Genesis. 37:2). Dit impliceert, zoals we hebben geleerd, dat Jacob en Josef op elkaar lijken. Alles wat plaats vond bij Jacob, overkwam ook Josef. De twee staan gelijk aan elkaar.

Er wordt niet bedoeld dat zij uiterlijk op elkaar lijken, maar eerder gelijken op elkaar’s sefirot. Jacob is tiferet en Josef is jesod. Deze sefirot zijn op vele wijzen gelijk. Beide staan in het midden van de sefirot boom. Beide ontvangen van boven en van de twee zijkanten en beide geven de levensvoeding/sheva door die zij ontvangen. Aangezien Josef direct onder Jacob is, wordt hij de “nakomeling” van Jacob genoemd, en niet zijn 11 andere zonen. Deze uitleg past uitstekend in de tekst en openbaart de achterliggende verborgen betekenis.

Dit is het geheim van de [Hebreeuwse] letter vav de twee [vav‘s] gaan samen, omdat zij één geheim en één vorm zijn.

Om de Hebreeuwse letter vav te kunnen uitspreken moet iemand de klank van de “vav tweemaal zeggen [dus twee keer de letter v]. Dit is weergegeven waarop het woord is gespeld, zowel in het Hebreeuws ( met twee vav‘s) als in het Nederlands      ( met twee v). De vorm van beide letters zijn het zelfde. Bovendien, in het Hebreeuws, betekent het woord vav, verbinding, of haak. In het Nederlands representeert de letter V een haak en laat twee zijden zien die in het midden onder met elkaar zijn verbonden. De letter vav is daarom een uitstekend voorbeeld van deze “verbindende” sefirot, in beide talen. Juist zoals je vav niet kunt zeggen of taalkundig niet kan uitspreken zonder de tweede vav, kun je niet Jacob verwoorden zonder Josef aan te halen. De ene representeert het lichaam; de andere representeert de briet/besnijdenis. In de handeling van het verbond, passeren alle krachten van het lichaam door de briet om een nieuw wezen te genereren. Vanuit hier kunnen we begrijpen waarom zuivere seksualiteit de grootste test was voor Josef. Om heiligheid te kunnen doorgeven, moet de briet heilig gehouden worden. De sefira van jasod verbind alle sefirot boven zich, naar de sefira van malchoed onder zich. Het punt waarop dit in werkelijkheid gebeurde was wanneer Josef samenkwam met Juda in Egypte, maar dat is een andere verhandeling……

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De nakomelingen van Jitschak                 Genesis 25:19 – 28:9

De esoterische dimensie van de tienden (afgifte op inkomsten) en de esoterische dimensie van de zegeningen komen voort uit een en dezelfde bron. Dit geeft het vers ” Mea Sheariem , honderd poorten” weer, dat Jitschak volbracht. Het nummer honderd is zeer belangrijk, zowel in wettelijk halachisch als in allegorisch opzicht: Menachot 43 verklaart dat iedereen verplicht is om dagelijks honderd berachot ,zegeningen uit te spreken. Dit aantal is gebaseerd op de zegeningen die verleend zijn door G’D aan Jitschak in deze parasha, toen hij honderd maal zoveel oogstte als was verwacht. ( Genesis. 26:12 )

Rekanati schrijft hier over als volgt: Kabbalisten beschrijven dat de “hogere” wereld bestaat uit honderd “poorten”. Elke “poort” is waarneembaar als een fontein van zegeningen. Jitschak janak, zoog, m.a.w. absorbeerde van elk van deze “poorten”. Het Tabernakel had honderd zilveren sokkels (Exodus. 38:27), zij symboliseerden deze honderd bronnen van zegeningen. Elke adén, sokkel, was een vergaarplaats voor hemelse zegeningen. Tot zover Rekanati.

Rabbi Horowitz vermeldt een boek, genaamd sha aré ora, waarvan hij de volgende passage weergeeft over de verwantschap van de sokkels in het Tabernakel tot de hemelse bronnen van zegeningen en de noodzaak om dagelijks honderd zegeningen uit te spreken, en de negatieve uitwerking door het niet te doen.

Dit is wat hij schrijft: “Deze honderd sokkels van de pilaren in het Tabernakel zijn symbolisch voor de honderd zegeningen welke gevuld zijn vanuit het grote beriecha, reservoir [ongetwijfeld een dubbele bedoeling die verbonden is met de bron van beracha, zegening]. Deze beriecha is genoemd Adonai, G’D [m.a.w heeft de eigenschap van de naam Adonai en is de bron].

Vandaar dat een persoon dagelijks honderd zegeningen moet uitspreken met de bedoeling om zichzelf te betrekken bij deze honderd verschillende zegeningen.

Midrash Bereeshiet Rabba 1,10, becommentarieert waarom de Thora begint met de letter beth in plaats van de letter alef en noemt een aantal verschillende redenen. De Thora wenst aan te geven dat er twee verschillende werelden zijn, deze wereld en de Olam HaBa, de komende wereld. De letter beth symboliseert beracha, zegening. De letter alef zou ongepast zijn, omdat het de eerste letter is van het woord aroer, vervloekt. Was de Thora begonnen met alef, zouden velen hebben gedacht dat dit het bewijs zou zijn dat het hele gebeuren van de schepping was voorbestemd om te falen, m.a.w. te zijn vervloekt. Met dit als gegeven besloot G’D om het universum te creëren met de letter beth, hopende daarbij dat het universum zou blijven voort bestaan.

We zien dus dat beide, de schepping en de levens van de Patriarchen, tot uitdrukking brengen het concept van beracha, zegening.

Het is daarom passend dat de bron van, of beter gezegd, de sleutel van zegeningen, geplaatst zou moeten worden in de handen van de Patriarchen.

G’D zei dit voor het eerst aan Avraham in vers Genesis 12,2 toen Hij hem letterlijk commandeerde om een bron van zegeningen te worden. Avraham legateerde niet persoonlijk deze zegeningen aan zijn zoon Jitschak, maar wachtte totdat G’D dit zelf deed.

Jitschak erfde deze gift van zijn vader zoals we zien van het vers Genesis 25,11 waar G’D Avraham’s zegen doorgaf aan Jitschak na de dood van Abraham.

De tweestrijd tussen Esau en Ja’akov ging over wie van de twee de zegen zou erven welke G’D had gevestigd in Avraham en vervolgens in Jitschak.

Ja’akov werd de erfgenaam van het vermogen om te zegenen, en hij op zijn beurt legateerde het aan zijn kinderen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARAH

De leeftijd van Sarah     Genesis. 23:1 – 25:18

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar I, p. 121b-122b 

De leeftijd van Sarah was honderd jaar, twintig jaar en zeven jaar; dat waren Sarah’s levensjaren.” (Genesis. 23:1)

Rabbi José verklaart, Sarah verschilt met alle andere vrouwen in de wereld in de wijze waarop haar dood wordt beschreven in de Thora, omdat het overlijden van de andere vrouwen niet zo wordt beschreven in de Thora, omdat het overlijden van de andere vrouwen in de Thora anders wordt beschreven.

Rabbi Chiya betwijfelt deze suggestie. Is dat zo? Maar er staat geschreven, “Rachel stierf en werd begraven op de weg naar Efrath” (Genesis. 35:19), en er staat geschreven, “Miriam stierf daar….” ( Numeri.20:1), en er staat geschreven,” Deborah, Rebbecca’s kindermeisje, stierf” (Genesis. 35:8), en er staat geschreven, “Shoea’s dochter, de vrouw van Jehoedah, stierf” (Genesis. 38:12)?

Rabbi José antwoordde: Geen van hen wordt geportretteerd op dezelfde wijze als Sara’s [heengaan], zoals het vers weergeeft, “Sarah was honderd jaar, twintig jaar en zeven jaar, dat waren Sarah’s levensjaren.” De precieze levensjaren van de andere vrouwen werden niet expliciet beschreven zoals bij Sarah. Echter, dit zinspeelt op het mysterie van dat niveau waarvan alle jaren en dagen van de mensheid afhangen.

Dit verwijst naar de Shechina. Na de verkeerde beslissing van Adam en Eva met de Boom van Kennis, werden de zielen van de mensheid bezoedeld en daalden af in de onzuivere kelipot. Echter, Sarah in haar rechtschapenheid verhief elk aspect van haar leven boven de onreine krachten van dood en steeg op naar het eeuwig leven [commentaar van Mikdash Melech]. 

SHABBAT SHALOM      

 

PARASHAT WAJERÁ

En Hij verscheen  Genesis. 18:1 – 22:24

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, p. 72a

Avraham ging ’s morgens vroeg naar de plaats” (Genesis. 19:27)

Kom en zie, vanuit dit vers grondvestte Avraham het ochtendgebed welke correspondeert met chesed, de eigenschap die Avraham verpersoonlijkt en hij maakte zijn Meester bekend in de wereld. Vanuit zijn liefde voor G’D, die voortkomt uit de eigenschap van chesed in de ziel, stond Avraham bereidwillig vroeg in de  morgen op om te bidden. Op die wijze rectificeerde hij op dat tijdstip de eigenschap van chesed  op de juiste manier. Jitzchak vestigde  het middaggebed zoals het vers zegt, “Jitzchak ging uit om in het veld te bidden vlak voor de avond” (Genesis. 24:63 wat correspondeert met de eigenschap van gevoera. Met andere woorden, Jitzchak maakte aan de wereld bekend dat er recht is en dat er een Rechter is, die vergeeft en kwijtscheldt maar ook oordeelt in deze wereld. Jacob vestigde het avondgebed, zoals het vers zegt, “Hij bad op de plaats waar hij wilde overnachten, omdat de zon was ondergegaan”. (De Geleerden Berachot 26b, verklaren dat het woord, vayifga ויפגע  raken, geraakte, ook, “hij bad” betekent).

SHABBAT SHALOM