PARASHAT WAJAKHEEL

En hij liet samenkomen – Exodus 35:1 – 38:20

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar p. 216b

De fundamentele principes van gebed

De Zohar ontleedt uitvoerig, in het Thoragedeelte van deze week, het onderwerp van gebed. Een duidelijke verbinding tussen gebed en de naam van het Thoragedeelte ligt in het feit, dat een gebedsgroep een “kahal” wordt genoemd, welke de stam is van de naam van het Thoragedeelte, Wajakheel.

Rebbe Shimon zei tot zijn gezelschap: “Gelukkig is jullie lot [dat jullie het mysterie begrijpen hoe en waarop de gebeden zijn georganiseerd], omdat gebeden het lichaam en de ziel van iemand verbeteren [in de zin van herstel en purificatie] en hem compleet maakt.”

Het verbeteren van het lichaam door gebed is een indrukwekkend concept. De taliet, of gebedskleed, is gemaakt van zuiver wol en omhult het lichaam. De tefillien, gebedsriemen, zijn gemaakt van een dierlijke huid en perkament en worden direct op de huid gedragen, en het eerste gedeelte van het gebed handelt over offers, die gerelateerd zijn aan bloed. Dus alle drie niveaus, het uiterlijke, de bedekking en het innerlijke worden verbeterd of gerectificeerd door de ochtendgebeden.

Gebeden brengen een aantal verbeteringen teweeg die allen één complete rechtzetting inhouden, die vervolgens uit vier delen bestaat.

Het Hebreeuwse woord voor rectificatie, verbetering, is “tikkoen“. Dit woord houdt in repareren of herstellen en in de Zohar heeft het ook de betekenis van kleden [in de zin van gaten stoppen]. De werelden schijnen vol te zijn met afzonderlijke wezens, maar bij verbetering, is hun innerlijke verbondenheid ontbloot.

In de Zohar zijn de spirituele/fysieke werelden gelijk aan kleding, één laag kleding over de ander, alle lagen gekleed over het spirituele centrum. Deze vier kledingstukken, van het uiterlijke tot het innerlijke centrum, zijn de vier werelden van Asiya, Yetzira, Beriya en Atziloet.

De eerste rectificatie is het vervolmaken van de completering van de persoon zelf. De tweede rectificatie is van deze {fysieke} wereld. De derde rectificatie is van de hogere {spirituele} wereld met alle hemelse heerscharen. De vierde rectificatie is van de Heilige Naam in het mysterie van het Heilige voertuig en het mysterie van de rectificatie van alle werelden boven en beneden tot één gerectificeerde eenheid, zoals het hoort.
(Nu zal elke rectificatie afzonderlijk in detail worden verklaard)

De eerste rectificatie is van de persoon zelf, het is daarom nodig dat hij gekleed is in een taliet en tefillien, hij corrigeert zichzelf door de gebeden te zeggen die betrekking hebben op de offerdienst, welke hem zuiveren.

De taliet representeert het omringende licht van de spirituele werelden, en de tefillien op de arm representeert de onderwerping van de fysieke krachten naar geestelijk verstand, vertegenwoordigd door de tefillien op het hoofd.
Door zich bewust op zo’n manier te kleden, is het gebed van de persoon “afgesteld” op de natuurlijke aard van de spirituele en fysieke werelden en stelt zichzelf zo in staat om naar hogere niveaus van bewustzijn, van G’ddelijke dienst, te klimmen. Door het reciteren van de verzen, relaterend aan alle verschillende types van offers, te vervolledigen, is hij gezuiverd van de zonden welke rectificeerden in de tijd van de Tempel. Door het reciteren van de verzen met betrekking tot de wierook offers, houdt hij zijn gebed uit de greep van de externe krachten. Komend vanuit het eerste gebedsniveau (bij voltooiing van Baroech Sheamar) heeft hij, de wereld van Asiya gerectificeerd.

De tweede rectificatie is het bevestigen van de existentie van deze wereld in Werken van de Schepping, door de Heilige, Geprezen zij Hij, te zegenen, in alle opzichten van Zijn werken.

Deze gebeden van lof, bewijzen allen eer aan Hem, de Hemelen der Hemelen eren Hem. Door dit [te reciteren] bevestigt hij de existentie van deze wereld. Het is in deze relatie dat hij Baroech Sheamar zegt – “Geprezen is Hij die sprak en de wereld kwam tot existentie.” Geprezen, betekent, Hij is geprezen, en Zijn zegen is alom.

Door het zeggen van deze gebeden, bekend als PESOEKE-DEZIMRA, welke tussen Baroech Sheamar en Jishtabach in het Ochtendgebed staan, zegent een persoon G’D en alle aspecten van de schepping die Hij realiseerde in het Universum. Door dit te doen rectificeert hij de wereld van Asiya en verheft het naar zijn hogere oorspong in de wereld van Yetzira.

De derde rectificatie is van de hogere wereld [van Beriya, is het niveau waarop het Joodse Volk bidt, welke het niveau van de engelen is] met al hun gastheren en hun kampementen.
Dit, wanneer we zeggen [na “Barechoe“] “Schepper van dienstbare engelen. Hij wiens dienstbaren allen in hogere sferen van het Universum staan” etc. en “De Ofaniem en de Heilige Cajjot tezamen met de Serafiem. (drie typen van engelen)

De Serafiem zijn brandend van verlangen, vandaar dat het woord “staan”wordt gebruikt, omdat zij klaarstaan om instructies te ontvangen van de Shechina. Zij geven de instructies door aan de Heilige Cajjot, die de Ofaniem stimuleren of m.a.w “wielen”, die veroorzaken dat dingen plaatsvinden, (het draaiend houden van de wielen) in de fysieke wereld, in overeenstemming met de G’ddelijk Wil. Al deze engelen loven G’D, en in de ochtenddienst sluit Israël zich met hen in koor aan.

De vierde rectificatie is die van het Staande Gebed in het mysterie van de Heilige Naam zoals jullie is verklaard.

Het stille Staande Gebed (Shemoné-Esré, het achttiende gebed), bereikt het hoogte punt van de Vier Werelden in Atziloet en unificeert de naam Havaya met de naam Elo-hiem en Zeir Anpin met malchoed.

Gelukkig is jullie bestemming, en hier is het mysterie van de rectificatie van de gehele Naam [in de “Toegekende Vrede” aan het einde van het Staande Gebed].
Gelukkig is mijn aandeel om met jullie te zijn [mijn metgezellen] in Deze Wereld en in de Toekomstige Wereld.

De vier werelden en Hun Plaats in de Liturgie van het Ochtendgebed:

Asiya

Yetzira

Beriya

Atzilut

Handelingsdaden in de Fysieke wereld

Formatie,
het Universum en
Sterrenstelsels, Engelen.

Schepping, Engelenleger.

Nabijheid,Eenheid, Oneindigheid.

Dierlijke Offers, Wierook, Purificatie

Lofgezangen.

Troon van Glorie, Paleizen, Zittende Kedoesha en Shema..

18 Zegeningen en Staande Kedoesha.

Ochtend-Zegeningen Tot aan Baroech Sheamar

Baroech Sheamar tot Jishtabach.

Barechoe
tot Staande Gebed.

Staande Gebed

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt Exodus. 30:11 – 34:35

Rabbi Jitzchak Luria

Likoetei Thora en Sha’ar HaPesoekiem

Eerbetoon aan het Mannelijke en het Vrouwelijke

Na de opdrachten over bouwen van het Tabernakel, vertelt G’D het Joodse Volk dat, hoe belangrijk het construeren van het Tabernakel ook is, het niet jullie inachtneming van de Shabbat schenden moet

De Eeuwige zei tegen Mozes. Spreek jij zelf tegen de Kinderen van Israël aldus: “Maar…Mijn Shabbatdagen moeten jullie stipt houden, want dit is een teken tussen Mij en jullie voor heel jullie nageslacht, opdat men zal weten dat Ik de Eeuwige ben die jullie bijzondere wijding heeft gegeven.” (Exodus. 31: 12-13)

Betreffende de betekenis van deze verzen, moeten we eerst verklaren hoe G’D Mozes aansprak, gewoonlijk formuleert Hij Zijn opdrachten niet zoals hier staat geschreven.

De gebruikelijke bewoording is “Spreek tot de Kinderen van Israël en zeg hen….”of “Zeg tot de Kinderen van Israël ….”. Hier, zegt het vers “Spreek jij…”, benadrukkend het woord jij.

Om dit te kunnen verklaren, zullen we eerst een andere tegenstelling uiteen zetten. De eerste registratie van de Tien Geboden [het gebod om de Shabbat te houden] is verwoord als volgt: “Denk aan….”, de woorden “Zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft” zijn hier niet in de tekst geregistreerd.

De Tien Geboden zijn tweemaal opgenomen in de Thora. De eerste keer in de historische context toen zij werden gegeven aan de Berg Sinai (Exodus. 20:2-4), en de tweede keer in de context van Mozes overzicht van Exodus vlak voor hij stierf aan het eind van de veertigjarige tocht door de woestijn (Deuteronomium. 5: 6-18). Deze twee versies van de Tien Geboden zijn grotendeels gelijk, maar er zijn enkele kleine verschillen.

De twee versies van het eerste vers van het gebod om de Shabbat te houden zijn in vergelijk als volgt:

eerste versie tweede versie
Denk aan Shabbat, door haar wijding te geven Houdt de Sabbatdag, door haar wijding te geven, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft

Op vergelijkbare wijze, [ het gebod] om ouders te eren bevat niet de woorden “opdat je dagen verlengd worden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Het volgende gebod, na het gebod om de Shabbat te houden, is het gebod om ouders te eren. De twee versies van dit gebod zijn in vergelijking met elkaar als volgt:

eerste versie tweede versie
Eer je vader en moeder, opdat je dagen verlengd worden op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft Eer je vader en je moeder, zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft, opdat je dagen verlengd worden en opdat het je goed zal gaan op de aardbodem die de Eeuwige, je G’D, je geeft

Ter verklaring: Deze twee geboden, het houden van de Shabbat en het eren van de ouders, zijn equivalent. De laatstgenoemde is het eren van iemands lichamelijke ouders, terwijl de eerstgenoemde het eren is van iemands spirituele ouders, met andere woorden, Zeir Anpin en Noekva, waar aan gerefereerd wordt als “de Shabbatot” [mv.] in de uitspaak van de Geleerden dat “als het Joodse volk twee Shabbatot zou houden zoals het moet, [zouden zij onmiddellijk worden verlost].”(Shabbat 118b)

Aangezien elke Joodse ziel voortgebracht wordt door de eenwording van Zeir Anpin en Noekva, mogen deze partzoefiem worden beschouwd als onze spirituele “ouders´”.

De uitspraak van de geleerden dat wij zouden worden verlost als we twee shabbatot zouden houden wordt gewoonlijk opgevat als twee shabbatot achter elkaar. Ergens anders echter becommentarieert de Arizal dat de esoterische betekenis van deze uitspraak is dat we twee aspecten van de Shabbat moeten houden, het vrouwelijke en het mannelijke aspect, welke de Shabbatnacht en de Shabbatdag zijn. Dus de twee Shabbatot zijn duidelijk Zeir Anpin en Noekva, en door hen “te eren” is het in acht nemen van de Shabbat in overeenstemming met zijn mystieke dynamica, we vervullen het gebod om onze “ouders”te eren op een spirituele wijze en worden verlost.

Dit is de mystieke betekenis van het vers: “Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en voor zijn vader, en zich strikt aan Mijn shabbatot houden.” (Leviticus. 19:3) [Het feit dat hier naar de Shabbat wordt verwezen in meervoud duidt op deze twee shabbatot, welke corresponderen met de vader en de moeder.

Nu zijn er twee aspecten ten aanzien van het in acht nemen van de Shabbat. Het eerste is het nauwkeurig naleven van de voorschriften van de Shabbat in al hun details, om de opdrachten te vervullen die Hij ons (mag Hij worden geprezen) heeft opgelegd en voor geen enkele andere beweegreden. Het tweede is om te rusten van werk op Shabbat opdat we genieten van het feit dat we kunnen rusten van ons werk.

U kent de verklaring van de Wijzen van [de liturgische passage,] “Laat Mozes zich verheugen in de toewijzing welke hem was gegeven”, dat Mozes vraagt aan Pharao om het Joodse Volk toe te staan één dag van de week vrij te stellen van het maken van tichelstenen omdat zij dan kracht kunnen verzamelen om meer te kunnen produceren op de andere zes dagen. Pharao ging akkoord en gaf hen de Shabbat vrij. (Shamot Rabba 1:32; Midrash Tehilliem 119)

Dit is wat de Thora bedoeld en probeert aan te geven door te zeggen, “Jij zult spreken tot de Kinderen van Israël…”; [G’D zegt tegen Mozes] “Jij [Mozes] die Pharao vroeg om hen een dag rust te geven, met andere woorden, jij zelf moet nu aan hen zeggen dat van nu af aan zij de Shabbat moeten houden niet voor hun eigen voordeel, maar eerder omdat deze Mijn Shabbatot zijn. Ik ben de Gene die hen verplicht om deze opdracht na te komen; zij zullen de Shabbat in acht nemen alleen voor Mij belang, en niet voor hun eigen belang.” Om die reden begint het vers met het woord “Maar”. Het impliceert dat zij de Shabbat zullen naleven omdat zij “Mijn Shabbat”zijn, want het is een teken….. dat men zal weten dat Ik, de Eeuwige, hen bijzondere wijding geef” en niet voor hun eigen voordeel of plezier.

Er is natuurlijk niets verkeerd aan om zich te verheugen in het naleven van G’D’s geboden, maar deze motivatie moet altijd gehouden worden in het juiste perspectief. We moeten alle geboden van G’D onvoorwaardelijk in acht nemen, als een uiting van onze onvoorwaardelijke liefde voor Hem. Zoals Rabbi Shneur Zalman van Liadi het uitdrukt; “Als G’D ons had opgedragen om gewoonweg hout te hakken [ zonder enige reden], zouden we hout hakken met het groots mogelijke enthousiasme.” Wanneer we ons eenmaal onvoorwaardelijk hebben verbonden tot het in acht nemen van de geboden, is er eveneens ruimte voor het waarderen van hun kwantificeerbare voordelen.

Zoals ik heb gezegd, de meervouds- vorm “Mijn Shabbatot” verwijst naar Zeir Anpin en Noekva. De eerste versie van de Tien geboden bevat niet de woorden, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”, om dat het verwijst naar de eerste reden [voor het houden van de Shabbat], de ene dat de reden van voordeel [voor het Joodse Volk] bevat. Het is dit [aspect] waarnaar onze menselijke logica zich richt en ons [onze logica]doet besluiten dat we de Shabbat moeten naleven “opdat je rund en je ezel rust krijgen…..(Exodus. 23:12)

In de tweede versie van de Tien Geboden, vermeld de Thora de tweede reden, welke alleen is om de opdracht van de Schepper te vervullen, dit is de betekenis van de zin, “zoals de Eeuwige, je G’D, je dat geboden heeft”.

Dit verklaart waarom wij [ in de tweede versie van de Tien geboden, de opdracht voor naleven van de Shabbat begint met “Houd ” de Shabbatdag door haar wijding te geven.” De tweede [versie van de Tien geboden] is van het vrouwelijke principe, wat aangeduid wordt door het woord “houd”, zoals bekend (Zohar III: 224a)

Het Hebreeuwse woord voor “denk aan” “zachor‘ is gerelateerd aan het woord voor “mannelijk” (“zachor”). “Denk aan”, is een actief aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar de actieve afkondiging van de heiligheid van de dag, gemaakt aan haar begin (in de Kiddoesh) en bij het einde (in de Havdala). “Houden” is het passieve aspect van het in acht nemen van de Shabbat en verwijst naar het passieve onderbreken van werk, welke het verhoogde G’ddelijke bewustzijn opent naar de realiteit van Shabbat.

Het Vrouwelijke principe, met andere woorden, in de tweede versie van de Tien geboden, zegt aan het Joodse Volk: “Houd de Shabbatdag, zoals Zeir Anpin, aangeduid door de woorden ‘Eeuwige, je G’D’ heeft je reeds eerder opdragen, in de eerste [versie van de Tien Geboden.”

De naam voor G’D in de zin “Eeuwige, je G’D” is de G’ddelijke naam Havayah, welke is geassocieerd met Zeir Anpin.

Er zijn ook twee redenen voor het naleven van het gebod van het eren van ouders. De eerste omdat het een opdracht is gedicteerd door menselijke logica, namelijk, dat een kind zijn vader en moeder moet eren omdat zij hem gecreëerd hebben, hem in de wereld hebben gebracht en onophoudelijk zichzelf ten behoeve van hem doen gelden. De tweede is een aanduiding naar Zijn opdracht om onze spirituele vader en moeder te eren, met andere woorden, de Heilige, geprezen zij Hij, en de Gemeenschap van Israël, dat is, “Zeir Anpin en Noekva.

De wijzen refereren op typische wijze aan G’D als “de Heilige, geprezen zij Hij”. In Kabbala is deze benaming gerelateerd aan Zeir Anpin, welke “heilig”is, met andere woorden, “afgelegen” van de wereld, met betrekking tot Noekva, welke neerdaalt in de lagere sferen, zoals we weten. De wijzen refereren dikwijls aan de G’ddelijk Aanwezigheid of Shechina, als “de Gemeenschap van Israël” (Knesset Jisraël), aangevend dat het de collectieve origine is van alle Joodese zielen, de baarmoeder vanwaar zij komen als zij neerdalen van Atziloet tot de lagere werelden.

In de eerste versie van de tien Geboden, vermeldt de Thora de eerste reden, door te zeggen, “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten [van Zeir Anpin], welke de “zes dagen van de Schepping” worden genoemd.

Deze zes “uitersten” van Zeir Anpin zijn de sefirot die metamorfoseren in dit parztoef; chesed, gevoera’tiferet, netzach, hod, en yesod. Zij worden “uitersten” genoemd, aangezien zij zijn geassocieerd met de zes richtingen van de drie dimensies van ruimte. Deze zes sefirot zijn ook geassocieerd met de zes dagen van de Schepping. De associatie met de dimensies van ruimte en de dagen van de Schepping (met ander woorden,tijd) verwijst naar dat aspect van Zeir Anpin dat het conceptuele raamwerk vormt voor deze fysieke wereld. Met andere woorden, door zich te houden aan het gebod om onze fysieke ouders te eren, verhogen wij de levenskracht welke deze wereld bereikt. Deze goddelijke liefdadigheid wordt weergegeven in deze wereld als een lang leven.

De tweede versie van de Tien Geboden refereert aan de gepaste spirituele reden voor het uitvoeren van dit gebod, welke overvloed van goddelijke liefdadigheid voortbrengt en daarom worden er twee typen van beloning vermeld. De eerste is “opdat je dagen verlengd worden”, verwijzend naar de stijging van de zes uitersten, zoals boven genoemd. Daarbij, [is er een beloning van] “opdat het je goed zal gaan”, wat verwijst naar de toevloed van hoger geestvermogen. Geestvermogen wordt aangeduid door het woord voor “goed” [in het Hebreeuws, “tov“] zoals we hebben uitgelegd in ons commentaar op de zin “die goede daden van barmhartigheid doet [chasadiem toviem]” in de eerste zegen van het Staande gebed. Dit geeft aan, dat door deze opdracht te doen om zijn spirituele motivatie, dat het bij iemand ook nog meer intellectuele volwassenheid voortbrengt. Dit is de reden waarom [in de context van deze reden] is geschreven “zoals de Eeuwige [Havaya], je G’D je gebiedt.”

Door dit gebod na te leven op een spiritueel niveau, erend Zeir Anpin en Noekva door verhoogd goddelijk bewustzijn in de wereld, worden we goedhartig beloond: we bereiken een hoger niveau van goddelijk bewustzijn en spirituele volwassenheid.

Een andere verwijzing naar bovengenoemde kan worden gevonden in het feit dat het woord “et” verwijst naar een bijkomende entiteit. De twee woorden “et” in het vers worden gewoonlijk niet vertaald in het Nederlands en dient simpel en alleen om een lijdend voorwerp aan te geven. Echter interpreteren de Wijzen vaak de aanwezigheid van “et” in het vers als een verwijzing en een indicatie naar iets buiten het expliciet lijdend voorwerp “. Hier verwijst het “et“, voorafgaand aan het woord “vader”, naar Zeir Anpin en de “et” voorafgaand aan het woord voor “moeder” naar Noekva.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden Exodus. 27:20 – 30:10

Rabbi Jitzchak Luria

Kleding van de Hoge Priester

De geschriften van de Ari

DE KLEDING VAN DE KOHEN GADOL
In de Thoralezing van deze week, gebiedt G’D Mozes om de acht kledingstukken te maken van de Hoge Priester. Twee ervan waren de éfot, voorschoot en de choshen, het borstschild (Exodus. 28:6-12 en 28:15-30). Het borstschild was een dubbel stuk stof dat rustte op de borst van de Hoge Priester, een soort overgooier met schouderbandjes, de éfod werd vastgehouden door een sjerp om het middel. Binnenin het dubbele stuk stof was een perkamentinscriptie gevoegd met de Naam van G’D, wat het “oeriem v’toeriem genoemd wordt” [“lichten en volmaaktheden”, ibid, 28:30]. De “oeriem v’toeriem diende als een goddelijk orakel dat de Hoge Priester in staat stelde te antwoorden op vragen van nationaal belang.

De “oeriem v’toeriem” waren [een manifestatie van] de 42 letter Naam van G’D en de 72 letter Naam van G’D

De 42 letter Naam wordt gevormd door de naam Havayah, woord voor woord en letter voor letter te spellen en het totale aantal letters op te tellen en samen te voegen. De naam Havayah zelf bestaat uit 4 letters. Elke letter, woord voor woord, benodigd 10 letters:

Joed-vav-dalet-hei-joed-vav-joed-vav-hei-joed

Elk woord, letter voor letter, benodigd 28 letters:

joed joed joed
vav
dalet
vav vav
joed
vav
dalet dalet
lamed
tav
hei hei hei
joed
joed joed
vav
dalet
vav vav vav
joed
vav
joed yud
vav
dalet
vav vav
joed
vav
hei hei hei
joed
joed joed
vav
dalet

4 + 10 + 28 = 42.

Ergens anders in de geschriften van de Arizal (Etz Chaim) wordt verklaard dat in elke partzoef de naam Havayah zich manifesteert, in de Keter van dat partzoef ; de naam Havayah letter voor letter is eenmaal gemanifesteerd in de chochma van dat partzoef; en de naam Havayah is voor de tweede keer gemanifesteerd in de bina van dat partzoef. Met andere woorden, de triade van keter- chochma en bina representeren de ontvouwing van het oorspronkelijk begrip (chochma) vanuit zijn bron (in keter) in zijn complete intellectuele manifistatie (bina). Dus de naam Havaya bewerkstelligt het geven van een numerieke waarde van 42 welke is geassocieerd met het “hoofd”, met ander woorden, het intellect en pre intellect.

De 72 letter Naam is de naam Havayah letter voor letter uit te spellen met gebruik van de letter joed. De numerieke waarde van al deze letters samen is 72:

Joed-vav-dalet hei- joed vav-joed-vav hei-joed: (10 + 6 + 4) + (5 + 10) + (6 + 10+ 6) + (5 + 10) = 72.

In de zelfde passage van Etz Chaim wordt verklaard dat de emoties van elke partzoef (de sub partzoef van Zeir Anpin van elke partzoef) de 72 letter Naam zich manifesteert. Aangezien de emoties anatomisch worden geassocieerd met het hart en de torso, spreekt de 72 letter Naam als zijnde geassocieerd met de torso.

De oeriem, welke de 42 letter Naam manifesteert, is gesitueerd in het hoofd, terwijl de toeriem, welke de 72 letter Naam manifesteert, is gesitueerd in de torso, vandaar dat de 42 letter Naam altijd geassocieerd is met het hoofd en de 72 letter Naam met de torso

Aldus, de oeriem zijn geassocieerd met het intellect en pre intellect, terwijl de toeriem zijn geassocieerd met de emoties.

De efod wordt ergens anders aangehaald [dienend als een orakel], zoals in de gebeurtenis van Abjatar, “Een Efod kwam neer in zijn hand.” (Samuel I 23:6)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMA

Heffing Exodus. 25:1 – 27:19

Rabbi Shimon bar Jochai

Tien Wandtapijten van Tikoen

Zohar II, p. 162b

De Thoralezing van deze week beschrijft de verschillende componenten en inrichting van het Tabernakel, welke een structuurlijke reflectie van de spirituele Werelden was en ook evenwijdig is aan de structuur van ziel en lichaam van de mens. De tent van het Tabernakel werd gevormd door tien wandtapijten verdeeld in twee reeksen van vijf. Elke reeks van vijf wandtapijten werd aan elkaar genaaid en vervolgens gedrapeerd over het geraamte van rechtopstaande houten balken welke de wanden vormden. De twee reeksen wandtapijten werden verbonden doormiddel van bevestigingshaken door een beugel op de hoeken van elk van de wandtapijten.

De “Woning”moet je maken uit tien wandtapijten……En zo de twee reeksen van wandtapijten door de haken met elkaar verbinden, dan zal de “Woning” één geheel vormen. (Exodus. 26:1-6)

Rabbi Chiya zei: Hier is de esoterische eenwording van de tien sefirot [van de wereld van Tikoen, met welke de tien wandtapijten corresponderen.] Want het Tabernakel omvat een aantal verschillende niveaus [elk weerspiegelt een ander aspect van de structuur van de spirituele werelden, en toch] “… zal de Woning één geheel vormen”.

De eenwording (jichoed) van de tien Sefirot van de wereld van Tikoen rectificeert de disharmonie en gebrek aan eenheid van de sefirot van Tohoe, welke juist versplinterden omdat er geen eenheid en harmonie onder hen was.

Deze [zinsnede, “dan zal de “Woning” één geheel vormen”] toont aan dat al haar delen tezamen een enkel geheel vormen.

Evenzo zijn er in de mens een aantal verschillende structuren te onderscheiden, hogere en lagere. Sommige zijn inwendige delen [zoals het brein, hart, lever etc.] en sommige uitwendig [zoals de armen en benen]. Maar allen tezamen vormen zij één samengesteld lichaam, mens genaamd.

Zo ook met het tabernakel, waarvan allen componenten gelijkenis vertonen met het hemelse [werelden]. Samen gecombineerd, vormen zij wat het vers beschrijft als “… zal de Woning één geheel vormen”.

Op precies de zelfde manier zijn de mitzwot van de Thora de “ledematen en organen”van de Ene boven

Eveneens vormen de mitzwot een heterogene harmonieuze eenheid. De tweehonderd achtenveertig positieve geboden van de Thora zijn parallel met de 248 ledematen en organen van het menselijk lichaam, zodat elke mitzwa is geassocieerd met een ledemaat of orgaan van het menselijk lichaam. (zie Zohar II p. 117a – 118a; Tikoenei Zohar, Tikoen 30, p. 74a; Tikoen 70, p. 131a.) Wanneer een persoon een positieve opdracht vervult, “haal hij G’ddelijkheid neerwaarts en straling van het licht van de Oneindige naar de hogere en lagere werelden” (Tanya, Iggeret Hakodesh 10,p. 114b).

Wanneer zij allen tezamen smelten, vormen zij één enkel mysterie, het geheim van het Tabernakel [met ander woorden, de structuur waarin de G’ddelijk Aanwezigheid wordt gereveleerd], bevattend verschillende ledematen en delen die tezamen een “mens” vormen op de zelfde wijze als de mitzwot van de Thora.

Met andere woorden, de verschillende delen van het Tabernakel, de 248 mitzwot en de 248 ledematen van het menselijk lichaam, vormen allen een heterogeen geheel die het G’ddelijk Beeld weerspiegelen waarin de mens is geschapen.

Want de mitzwot van de Thora zijn de mysteries van de Mens, [met andere woorden, het G’ddelijk Beeld, inhoudend het mannelijke en het vrouwelijke [ de 248 positieve geboden en de 365 verboden welke corresponderen met de slagaders, bloedvaten en zenuwen van het menselijk lichaam]. Wanneer deze samen vloeien vormen zij het geheim van de Mens. Als iemand één van mitzwot van de Thora zou verwijderen [met andere woorden, zou ontkennen], zou dit schade veroorzaken aan de hele structuur, want alle mitzwot zijn delen en ledematen van de gevormde Mens [ net zoals het verwijderen van een ledemaat of orgaan een persoon zou misvormen]. Dienovereenkomstig zijn allen samen een deel van een eenheid, om die reden wordt het Joodse Volk “’één Natie” genoemd [met andere woorden, allen tezamen vormen zij een enkel lichaam], zoals het vers bevestigt “Jullie zijn de kudde die Ik weid; jullie zijn één mens” (Ezechiël 34:31), en zoals is geschreven, “Wie is als Uw volk, de enige ene natie op aarde.” (Samuel II 7:23)

SHABBAT SHALOM

,

PARASHAT MISHPATIEM

B:H
Rechtsregels Exodus. 21:1 – 24:18

Rabbi Simon bar Jochai

De Lichtgevende Lantaarn

Zohar I, 66a

Kom en zie! Wanneer zielen opstijgen naar de plaats die verbonden is met het [eeuwige] leven [de Tuin van Eden of Paradijs] scheppen zij behagen in de schittering van de Lichtgevende Lantaarn [ Aspeklaria Hameira], waar licht van een hogere oorsprong doorheen vloeit. Als de ziel zich niet omhult in de straling van een ander kledingstuk, kan zij dat licht niet naderen en aanschouwen. Het mystieke geheim hiervan kan worden vergeleken met het kledingstuk [lichaam] waarmee de ziel zich omhult om deze Wereld te kunnen verdragen. Op een vergelijkbare manier wordt de ziel een kledingstuk gegeven van hemelse uitstraling, zodat zij die wereld kan verdragen en de schittering van de Lichtgevende Lantaarn, in het Land van Leven, kan aanschouwen.

Kom nu en zie, Mozes kon niet naderen en niet aanschouwen voordat hij in een ander kledingstuk was gehuld, zoals het vers bevestigt, “Toen trad Mozes de wolk binnen en besteeg de berg” (Exodus-Shemot. 24:18) welke de Targoem [Aramese vertaling) weergeeft als “omhuld in een wolk”. Hij was hierin gekleed in de wolk alsof hij een kledingstuk droeg en daarom was hij in staat de dichte wolk te naderen in welke de G’ddelijke Aanwezigheid Zich had gereveleerd….

Naar dit kledingstuk verwijzen onze collega’s als “chaloeka d’rabbeanan” [de rabbijnse mantel] waarmee zij zichzelf omhullen in Deze Wereld. Gelukkig is het lot van de rechtvaardigen, voor wie de Heilige, Geprezen zij Hij goedheid en vreugde [van de ziel] heeft verborgen in die wereld. Hieromtrent staat geschreven, “Geen oog heeft het ooit gezien behalve U Eeuwige, maar U maakt het mogelijk, voor hen die op U vertrouwen.” (Jesaja 64:3)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT MISHPATIEM

Rechtsregels Exodus. 21:1 – 24:18

Rabbi Simon bar Jochai

De Lichtgevende Lantaarn

Zohar I, 66a

Kom en zie! Wanneer zielen opstijgen naar de plaats die verbonden is met het [eeuwige] leven [de Tuin van Eden of Paradijs] scheppen zij behagen in de schittering van de Lichtgevende Lantaarn [ Aspeklaria Hameira], waar licht van een hogere oorsprong doorheen vloeit. Als de ziel zich niet omhult in de straling van een ander kledingstuk, kan zij dat licht niet naderen en aanschouwen. Het mystieke geheim hiervan kan worden vergeleken met het kledingstuk [lichaam] waarmee de ziel zich omhult om deze Wereld te kunnen verdragen. Op een vergelijkbare manier wordt de ziel een kledingstuk gegeven van hemelse uitstraling, zodat zij die wereld kan verdragen en de schittering van de Lichtgevende Lantaarn, in het Land van Leven, kan aanschouwen.

Kom nu en zie, Mozes kon niet naderen en niet aanschouwen voordat hij in een ander kledingstuk was gehuld, zoals het vers bevestigt, “Toen trad Mozes de wolk binnen en besteeg de berg” (Exodus-Shemot. 24:18) welke de Targoem [Aramese vertaling) weergeeft als “omhuld in een wolk”. Hij was hierin gekleed in de wolk alsof hij een kledingstuk droeg en daarom was hij in staat de dichte wolk te naderen in welke de G’ddelijke Aanwezigheid Zich had gereveleerd….

Naar dit kledingstuk verwijzen onze collega’s als “chaloeka d’rabbeanan” [de rabbijnse mantel] waarmee zij zichzelf omhullen in Deze Wereld. Gelukkig is het lot van de rechtvaardigen, voor wie de Heilige, Geprezen zij Hij goedheid en vreugde [van de ziel] heeft verborgen in die wereld. Hieromtrent staat geschreven, “Geen oog heeft het ooit gezien behalve U Eeuwige, maar U maakt het mogelijk, voor hen die op U vertrouwen.” (Jesaja 64:3)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT JITRO


Jitro Exodus.
18:1 – 20:23


Rabbi Shimon bar Jochai


Het zien van de Geluiden

Zohar II, p. 93b

Heel het volk zag de geluiden…..zij zagen en beefden. (Exodus. 20:15)

De Tien geboden van de Thora dragen in zich alle geboden van de Thora en al de aangelegenheden van Boven en Beneden, inclusief de Tien uitspraken door welke de wereld is geschapen. (Awod 5:1)

In wezen zijn alle geboden afgeleid van deze tien. Dit wordt ook aangegeven door de numerieke waarde van het woord “Thora”, 611, plus de eerste twee van de Tien Geboden die we hoorden van G’D Zelf, een totaalsom van 613, het aantal geboden in de Thora. (Makkot 24a) Bovendien, de totale som van letters waaruit de Tien Geboden zijn opgebouwd is 620, de som van de 613 Bijbelse geboden plus de zeven rabbijnse geboden. ( Megale Amoekot, Ranav Ofaniem 197)

De Midrash (Bereshiet Rabba 1:1) verklaart dat net zoals een architect een blueprint gebruikt om een paleis te bouwen, zo ook gebruikte G’D de Thora om de werelden te creëren. “G’D keek in de Thora en vandaar uit creëerde Hij de werelden.”(Zohar II,161a) Overeenkomstig, ligt de hele Schepping daarin opgesloten.

Deze [Tien Geboden] waren gegraveerd in stenen platen en al de mysteries die zij in zich bevatten werden gereveleerd aan allen [de Israëlieten die aan de voet van de Berg Sinaï stonden]. Zij zagen dit alles met hun eigen ogen en hun essenties waren in staat om te turen en te staren in de wijsheid die hen illumineerde.

Deze wijsheid beïnvloedden evenzeer hun emoties.

Op dat moment, werd geen van de mysteries van de Thora en aangelegenheden van Boven en Beneden hen onthouden, want zij zagen de straling van hun Meesters glorie van oog tot oog. Dit was sinds de schepping van de wereld nimmer tevoren gebeurd. Want de Heilige, gezegend zij Hij, was geopenbaard in Zijn volle glorie op de Berg Sinaï. En als je zou argumenteren dat we hebben geleerd [in Mechilta Beshalach, op het vers “Dit is onze G’D en we zullen Hem loven”] dat wat een dienstmeisje zag bij het Splijten van de Zee zelfs de Profeet Ezechiël niet zag en daarom zou kunnen denken dat dit gelijk stond met [het niveau van revelatie] dat de Israëlieten ervoeren toen zij aan de voet van de Berg Sinaï stonden, dan is dat niet zo, want de dag dat zij stonden aan de Berg Sinaï verliet hun spirituele onzuiverheid hen en [zelfs] hun fysieke lichamen werden gezuiverd als elementen van engelen. Voorts schitterden hun zielen als de helderheid van de hemelen aangezien zij het licht ontvingen.

De Talmoed, Shabbat 146a, geeft aan dat toen Chava van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad at, de slang [symbool van oorspronkelijk kwaad] haar infecteerde met spirituele onreinheid. Toen de Israëlieten de Thora ontvingen aan de Berg Sinaï, werd deze spirituele onreinheid van hen verwijderd.

Dit was de toestand van de Israëlieten die keken en staarden nabij de glorie van hun Meester, hetgeen niet gebeurde aan de [Rode] Zee, aangezien hun spirituele onreinheid hen niet verliet op dat tijdstip.

Ofschoon de Talmoed (Sotah 30a) verklaart dat dit plaatsvond terwijl zij het Lied van de Zee zongen, leggen de commentaren uit dat dit alleen het begin was van het proces, welke werd gecomplementeerd aan de Berg Sinaï (zie Nitzoetzei Zohar).

Terwijl aan de Berg Sinaï alle spirituele onreinheid uit hen verdween zodat zelfs de baby’s in de baarmoeder van hun moeders de glorie van hun Meester zagen, [niettemin besefte niet iedereen op het zelfde niveau de waarneming.] elk persoon ontving wat voor hem passend was.

Die dag was een meer verheugende dag voor de Heilige, geprezen zij Hij, dan de dag dat Hij de wereld had geschapen, want de dag dat Hij de wereld schiep had geen bestendigheid totdat de Israëlieten de Thora aanvaardden, zoals het vers bevestigt, “Als het niet voor Mijn verbond was [Thora], zou Ik niet de begrenzingen van Hemel en Aarde hebben vastgesteld.” (Jeremia 33:25) Maar toen de Israëlieten de Thora aan de Berg Sinaï accepteerden, toen werd pas de schepping evenwichtig en de Hemelen en de Werelden zeker en G’D’s glorie zowel Boven [bij de engelen en bewoners van de hogere werelden] als Beneden [in Deze Wereld] bekend.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BESHALACH

En hij had laten gaan Exodus. 13:17 – 17:16

Rabbi Jitzchak Luria

De geschriften van de Ari, Sefer HaLikoetiem

Toen de Egyptenaren zich realiseerden dat zij werden aangevallen door een bovennatuurlijke kracht aan de Rode zee, zeiden zij, “Vluchten wil ik voor Israël, want G’D [Havayah] strijdt met hen tegen Egypte.” (Exodus.14:25)

Zoals jullie weten ontleent Pharao levensenergie, aan onontwikkelde goddelijk bewustzijn [mochin de’katnoet], hetgeen aangeduid wordt met het woord “Eind”

De woorden, gewoonlijk vertaald als “Rode Zee” (Hebreeuws, “Yam Suf ”), betekenen in feite “Riet Zee”, en kunnen ook gelezen worden, als zij worden gevocaliseerd als “Yam Sof”, wat “Zee van het Einde” betekent. Het “eind” is de laatste sefira, malchoet, welke afdaalt in de lagere werelden, met andere woorden de lagere niveaus van goddelijk bewustzijn. Ten opzichte van zijn plaatselijke omgeving, zijn deze lagere niveaus van bewustzijn “onvolwassen” of “beperkt”.

Dit is de significantie van het feit dat de slang zijn staart in zijn mond stopt.

Pharao is de personificatie van de fundamentele oerslang.

De mond van een persoon zal gepaste woorden van goddelijke wijsheid uiten. Maar wanneer de staart, het laagste niveau van het lichaam, in de mond is geplaatst, wordt de mond misbruikt om woorden van “onvolwassen” en beperkt bewustzijn te uiten, met andere woorden, besef van goddelijkheid alleen zoals het is verwoord in de Schepping en natuur.

Deze verheffing van materieel bewustzijn naar een status die eigenlijk is voorbestemd voor waarachtig goddelijk bewustzijn, met andere woorden, besef van G’D buiten en niet gebonden door de wetten en limitaties van de natuur, is de essentie van de fundamentele oerslang.

In de Zohar III. 205b, wordt de beeldspraak van de slang door het plaatsen van zijn staart in zijn de mond gebruikt om de zonde van “de kwade tong” te illustreren, met andere woorden, laster en roddelpraat, een grof misbruik van de kracht van het spreken. Mensen begaan deze zonde wanneer materieelbewustzijn hen domineert. Zoals wordt uitgelegd in de Tanja (hfst. 32), hen die hun lichamen superioriteit geven over hun zielen, zien alleen de buitenkant van zijn medemens, welke uiterlijke differentiaties zijn en zich niet bewust zijn van innerlijke zielen. Dus vervallen zij tot de daad van afkeer, welke leidt naar lasterpraat.

In dit geval was Pharao beide, een hoofd en een staart, in de idiomatische uitdrukking van het vers, “G’D zal beide, het hoofd en de staart van Israël afsnijden….op één dag.”(Jesaja. 9:14)

Pharao geeft hier in het algemeen, de kwade inclinatie aan, handelend als een staart, het laagste bewustzijn van de mens, als het hoofd, met andere woorden, de staart verheffend en zich toe-eigenend de rol van het hoofd, het gepast goddelijke bewustzijn.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BO

Kom Exodus. 10:1 – 13:16

Rabbi JItzchak Luria

Sha’ar Ha Pesoekiem en Likoetei Thora

Het gedeelte van de Thoralezing deze week begint met de beschrijving van de laatste drie plagen, die van de sprinkhanen, de duisternis en het slaan van de eerstgeborenen. Het eerste vers leest:

De Eeuwige zei tegen Mozes, “Verschijn voor Pharao, want Ik heb zijn hart en het hart van zijn dienaren verhard, zodat Ik Mijn tekenen in van hem plaats.” ( Exodus. 10:1)

Pharao had geen enkele kennis ten aanzien van [het aspect van G’D dat wordt aangegeven door] de Naam Havayah en erkende in werkelijkheid [dat aspect welke wordt aangegeven door] deze Naam ook niet (G’D verhoede), zoals is geschreven, “Wie is de Eeuwige…..Ik ken de Eeuwige niet [Havayah]….” (Exodus 5:2) Nochtans erkende hij [het aspect van G’D dat wordt aangegeven door] de Naam Elo-hiem, zoals is geschreven, “Het is de vinger van G’D [Elo-hiem].” (Exodus. 8:15)

De Naam Havayah geeft de alles overtreffende superieure G’ddelijkheid aan, het aspect van goddelijkheid dat niet gebonden is aan de natuurlijke wetten van deze wereld. Elo-hiem daartegen geeft het aspect van goddelijkheid aan dat G’D gebruikt om de wereld te beheren en is dus onderworpen aan de wetten van de natuur. De numerieke waarde van Elo-hiem (86) is het zelfde als dat van het woord voor “natuur” (ha-teva). Pharao was de regeerder van Egypte, het Hebreeuwse woord voor Egypte (mitzrajiem) betekent letterlijk “begrenzing, afbakening, beperking.” Pharao en Egypte kenden G’D alleen als een aanwezigheid in de begrensde werkzaamheid van de natuur, de wetten van oorzaak en gevolg, het overleven van de sterkste, enzovoort. Hij was daarom het archetypische antithese van het Joodse begrip van G’D, de Schepper en daarom de heerser over de natuur.

Dit omdat Pharao zijn levensenergie [en bewustzijn] ontvangt van de hals van Zeir Anpin, in welke de drie onvolgroeide zielsvermogens aanwezig zijn, bekend als [Pharao’s voornaamste slager, voornaamste dienaar, voornaamste bakker.

Het intellectuele bewustzijn is compleet verschillend van dat van het emotionele, om het idee leven te laten schenken aan een emotie, moet het intellectueelbewustzijn grotendeels worden gereduceerd. Wanneer dit gebeurt en alleen de synoptische conclusie van het complexe intellectueel ontwikkelde idee blijft, is het bewustzijn van de persoon voldoende bevrijd van zijn voorafgaande intellectuele vooringenomenheid om emotioneel te reageren op het concept. Echter dit samentrekkende proces brengt een gevaar met zich mee, dat het volle intellectuele besef dat aanwezig was toen het bewustzijn zich concentreerde op het idee, zal worden vergeten. Als dit gebeurt, is de persoon gevoelig voor allerlei onechte ideeën en vervormde emotionele reacties.

Anatomisch wordt deze plaats, van het hoofd naar hart, aangeduid als de hals. Juist zoals het intellect moet slinken om tot emotie te komen, zo worden het hoofd en de torso overbrugd door de smalle doorgang van de hals.

De voorkant van het hoofd, en in het bijzonder het gezicht, reflecteert de volle expressie van het intellect (zoals is geschreven, “de wijsheid straalt de mens van het gezicht”, Prediker 8:1). De nek, zijnde de achterzijde van het hoofd, heeft geen contact met dit bewustzijn en impliceert daarom het gevaar van het vergeten van het belang van het idee, als het gaat reizen van het hoofd naar het hart. Aldus, het Hebreeuwse woord voor Pharao, pei, reish, ayin, hei, is opgebouwd uit de zelfde letters welke het woord “de hals” vormen, ha-oref, bestaande uit de letters hei, ayin, reish, pei.

De drie voornaamste kanalen welke afdalen door de hals zijn de luchtpijp, de slokdarm en de halsslagader. Deze drie zijn de fysische manifestaties van het samentrekken van de drie zielsvermogens van het intellect (chochma, bina en da’at) die emotionele reactie mogelijk maken, zoals we hebben gezegd. Aangezien zij het zielsvermogen van Pharao “voeden”, met andere woorden, dat van beperkt goddelijk bewustzijn, worden zij gepersonifieerd door de drie bedienden, de voornaamste slager, de voornaamste dienaar, de voornaamste bakker.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT VA’EIRÁ

Ik ben verschenen Exodus. 6:2 – 9:35

Rabbi Shimon bar Jochai

Heerschappij en de Slang

Zohar II, p 28a

De volgende selectie bespreekt het voorval wat plaatsvond toen Mozes en Aharon de eerste keer voor Pharao stonden om hem te verzoeken de Israëlieten uit zijn land te laten gaan. G’D legde Mozes uit dat Pharao een teken zou eisen. Maar toen de Egyptische magiërs in staat waren om het mirakel, dat Mozes en Aharon uitvoerden, te evenaren, negeerde hij hen.

De Eeuwige zei tegen Mozes en Aharon. Wanneer Pharao tot jullie zegt, “Breng een bewijs voor jullie optreden door een wonder, zeg dan tegen Aharon, neem je staf en werp hem voor Pharao neer, het zal een slang worden.” Mozes kwam met Aharon bij Pharao en zij deden precies zoals de Eeuwige had bevolen, dus wierp Aharon zijn staf voor Pharao en zijn dienaren en het werd een slang. Maar ook Pharao ontbood zijn wijzen en magiërs en ook zij, de beeldschriftkundigen deden met hun toverkunsten hetzelfde. Ieder wierp zijn staf neer die een slang werd, Aharons staf verslond echter hun staven.” (Exodus. 7:8-12)

Waarom Aharons staf en niet de staf van Mozes? Omdat de staf van Mozes heiliger was, aangezien op de staf de Heilige scheppings Naam uit de hogere Tuin van Eden was gegraveerd.

Aharons staf was een gewone houten staf, gelijk aan die, die worden gebruikt als een wandelstok. Echter, de staf van Mozes was één van de tien dingen die gecreëerd waren voor het begin van de Shabbat op de zesde dag van de Schepping, volgens de Mishna (Avot 5:6). Bovendien kwam de staf van de hogere Tuin van Eden, de wereld van Beriya, en de 42 letter Naam, gebruikt in de Schepping was er ingebed. Ergens anders verklaart de Zohar dat deze staf was gegeven aan Mozes door G’D. (Zohar I, p. 6b)

De Heilige, geprezen zij Hij, wilde de staf van Mozes niet verontreinigen met de staven van de magiërs [die Aharons staf zou opslokken]. Voorts werd Aharons staf gebruikt omdat de intentie van dit miraculeuze teken was om al datgene te onderwerpen welke is afgeleid van de linkerzijde [de strengheid van gevoera], terwijl Aharon is afgeleid van de rechterzijde [het goedhartige aspect van chesed], links is onderworpen aan rechts.

Rabbi Chiya vraagt Rabbi Yose, Aangezien het bekend was aan de Heilige dat de magiërs eveneens hun staven zouden veranderen in slangen, wat is dan het machtige wonder [voor Mozes en Aharon] om te doen voor Pharao?

Rabbi Yose antwoordt, Dit was, waar de nederlaag, die Pharao [god en heerser over de wereld] zou ondergaan, moest beginnen, omdat het door de slang was [de yetser hara, de slechte inclinatie], dat Zijn heerschappij begon.

Dit is zoals het vers uitspreekt: Aldus zegt de Eeuwige G’D, “Ik ben tegen je, Pharao, Koning van Egypte, de grote serpent die kruipt in zijn rivieren en zegt, ‘Mij is mijn rivier en ik heb mijzelf geschapen’” (Jesaja. 29:30. Technisch gezien verwijst hier de “grote slang” naar Arich Anpine van kelipa, het absoluut hoogste niveau van de onzuivere schillen welke de G’ddelijkheid verduisterd en die de wereld doordringt. Van dit niveau werd Pharao gevoed en om die reden wilde G’D slaan met de staf van Aharon, om aan te tonen dat zelfs een eenvoudige stok van de gewone fysieke wereld het hoogste spiritueel niveau van verontreiniging, Arich Anpine van kelipa, kan overweldigen, als dit G’D’s wil is.
Het is interessant om te weten dat de Pharao’s van Egypte een haartooi droegen met als karakteristiek een uraeus, een cobra in een aanvallende positie zoals afgebeeld op het gouden masker van Toetankhamoen.

Dus toen de magiërs van Pharao zagen dat Aharons staf veranderde in een slang waren zij opgetogen, want zij bezaten de kennis van de slang [ met ander woorden, de kennis van het occulte en de zwarte magie waarin zij experts waren]. Maar toen de serpent van Aharon’s staf opeens terug veranderde in droog hout welke toen [de staven van de magiërs] verzwelgende, waren zij geschokt, want zij realiseerde zich dat er een meer verheven macht op deze aarde was. [tot dat moment geloofden zij dat er geen andere macht heerschappij kon uitoefenen over de fysieke sfeer] dan zij zelf en hun occulte krachten.

Dit was het doel dit teken, zoals het vers verklaart, “en Egypte zal weten dat Ik de Eeuwige ben.” (Exodus. 7:5)

Toen “verzwolg de staf van Aharon hun staven”. De staf van Aharon is specifiek aangegeven. Hij verzwolg hen toen hij terug veranderde in hout.

Had Aharons slang de andere slangen verzwolgen, dan kon het worden uitgelegd als een superieure kennis van occulte krachten. Echter wanneer een droge stok drie andere stokken verzwelgt, demonstreert dat er geen occulte krachten bij betrokken waren. In plaats daarvan werd G’D’s bekwaamheid gereveleerd om de natuurlijke wetten van de fysieke wereld te overheersen.

SHABBAT SHALOM