PARASHAT NASÓ

Neem op   Numeri.  4:21 – 7:89

Rabbi Shimon bar Jochai

De gedaante verwisseling van Jitro

Zohar, p. 122a

 Wanneer een man of een vrouw een of andere menselijke overtreding begaat……(Numeri. 5:6)

Om dit vers te kunnen verklaren, introduceert Rabbi Shimon een ander vers en zegt:

Kom en zie [wat is geschreven in relatie tot de oorlog tussen Barak en Yavin, de koning van Kanaän]:

Heber, de Keni, die één van de  nakomelingen was van Hobab, de schoonvader van Mozes, had zichzelf gesepareerd van de Kenieten. (Richteren 4:11)

Bedenk dat Heber de Keniet, een nakomeling was van Jitro, die ook bekend was onder de naam Hobab. Om die reden waarschuwde Koning Saul de Kenieten  om hun kampement te verplaatsen, weg van de Amalekieten, voor de aanvang van de strijd.

Het vers verklaart, “En Saul zei tegen de Kenieten, ‘Ga….”‘. (Samuel, 15:6) Waarom werden zij “Kenieten” genoemd? Dit hebben wij reeds eerder uitgelegd, omdat zij nakomelingen waren van een volk met de naam “Kenie“.

Zij zijn nadrukkelijk vermeld als een volk dat leefde in Israël in de tijd van Abraham:

Zoals het vers in Genesis. 15:19 bevestigt, de Kenieten en de Kenizieten…..

Nu zou je kunnen zeggen dat de naam “Keni” komt van het Hebreeuwse woord voor vogelnest [“ken“] omdat zij een tijdelijke behuizing maakten in de woestijn, zoals een vogel voor zichzelf een tijdelijk nest bouwt. Zij verlieten hun steden en gingen naar de woestijn om Thora te leren.

Maar dit was niet om een nieuw nest maken, want het vers stelt uitdrukkelijk dat zij zich separeerden van de Kenieten.

Zij separeerden zichzelf van het Kenietische volk, dat met hen was van het prilste begin en verenigden zich met de Heilige, geprezen zij Hij. [Dus], “separeerden zij zich van ‘Kayin‘ [Hebreeuws voor “kain”]”.

Hoe gelukkig is het leven van een persoon die waardig is om zich onder te dompelen in de Thora, zich eraan te hechten en om haar pad te bewandelen.

Leren is niet genoeg; men moet de opgelegde mitzwot ook uitvoeren en in de praktijk  brengen, in de vorm zoals ze zijn opgelegd. Dit is de betekenis van de term “Halacha” wat zowel “wet” als “weg te gaan”, of “wandelpad” betekent.

Wanneer iemand de mitzwot van de Thora uitvoert, haalt hij neerwaarts in zich, een hogere heilige geestelijke kracht, zoals wordt aangegeven in het vers “Totdat vanuit het hogere een geest over ons wordt uitgegoten” (Jesaja. 32:15).

In het begin heeft iemand alleen zijn levend gevende ziel (Nefesh) en als hij Thora leert en mitzwot uitvoert verkrijgt hij zijn geest (Roeach).

Echter, wanneer een persoon afwijkt van dit pad, haalt hij neerwaarts in zich, een geestelijke kracht van de andere kant van het heilige. Dan ontvangt hij een onzuivere geest uit de oorsprong van Noekva de Tehoma Rabba.

Dit is het niveau van bina van de wereld van Beriya van Kelipa. Dan is zijn verstand ontaard door egotistisch denken waardoor zijn realiteitsbesef wordt  vervormd.

Deze oorsprong  is de verblijfplaats van de negatieve krachten [depressies, rechtvaardiging van slechte daden en dergelijke]. dit beschadigt niet alleen de persoon, maar veroorzaakt ook schade aan de wereld. Zij worden “schadeveroorzakers” [“nizikin“] van de wereld genoemd. Zij zijn aanwezig door de eerste Kain [de moordzuchtige zoon Adam].

Jetro was van oorsprong een priester van afgoden. Hij vereerde exact deze kwade kant. Hij haalde van daaruit een negatieve geestelijke kracht in zich neer en om die reden werd hij een “Keniet” genoemd.

Alhoewel hij een Keniet werd genoemd nadat hij teshoewa had gedaan en terugkeerde tot G’D, was deze naam niet gegeven in een minachtende zin.

Hij hechte zich aan G’D en volbracht de goede kant die in Kain was.

Dus leren we van Jetro, zelfs als een persoon valt naar het laagste niveau, kan hij, door het leren van Thora en de praktische wegen van Mitzwot  te gaan, zijn negatieve natuur achter zich laten  en zich hechten aan het Heilige.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn    Numeri. 1:1 – 4:20

RABBI SHIMON bar JOCHAI

DE BRON VAN ALLE ZEGENINGEN

ZOHAR. P 118a

Rabbi Jehoeda was in de aanwezigheid van Rebbe Shimon en vroeg hem, “Vanuit welke plaats verkrijgt Israël zegeningen?”

The Mikdash Melech, commentariërend op deze vraag zegt, dat “Israël” de combinatie is van twee Hebreeuwse woorden, “li “, wat “aan mij” betekent, en “rosh“, wat “hoofd”, betekent, wat impliceert dat Israël het eerste is in het ontvangen van de zegeningen van het niveau van Atziloet.

Bovendien brengt hij naar voren dat de numerieke waarde van “Israël” 541 is,         hetzelfde als de eerste letters van elk van de sefirot. Dit impliceert dat Israël een volledige spirituele entiteit is. Rabbi Jehoeda vraagt van welke corresponderende sefira in Aziloet, zegeningen ten aanzien van Israël worden gegenereerd.

Rebbe Shimon antwoordde hem, “Wee degenen van de wereld die niet bewust zijn [ zorg te dragen in het uitvoeren van Mitzwot en het leren van Thora, wat zegeningen brengt aan heel de wereld]. Mensen zien niet de glorie van de Koning hierboven.

De moderne wetenschap kijkt naar de externe realiteit van deze wereld en probeert uit te leggen hoe het werkt. Dit concentreren op het uiterlijke laat een gapend gat achter in ons begrip van het realiteitsbewustzijn, omdat het geen antwoord geeft op hoe de wereld is zoals die is. Dit begrip van de innerlijke werking van de realiteit is het onderwerp waar de Zohar zich op richt. Zich bewust zijn van de spirituele structuur of aard van de wereld betekent, dat men zich bewust wordt van de glorie van de Schepper zoals die wordt weergegeven in Zijn werken. Dit stelt Israël in staat om zegeningen neerwaarts te halen vanuit de wereld van Atziloet en  Beriya. Rebbe Shimon treurt over de misleidende gerichtheid die mensen hebben op de realiteit, wat niet alleen resulteert in het niet zien, maar ook in het niet  brengen van zegeningen.

Kom en zie. Toen Israël waardig werd bevonden voor de Heilige, geprezen zij Hij en gegrondvest werd met Hem, gebonden aan de hogere heilige boom, die allen van levensonderhoud voorziet, werden zij gezegend vanuit deze plaats, welke een verzamelplaats is van alle zegeningen.

Het woord “waardig” (in het Hebreeuws, “zakain”) impliceert verdienste. Het is een spiritueel niveau dat voortkomt vanuit een passende vervulling van de mitzwot, met als gevolg dat de ziel wordt verfijnd naar het niveau waar hij het spiritueel licht waarneemt en beseft.

De “heilige boom” verwijst naar de boom van de sefirot en in het bijzonder naar de sefira van yesod van Zeir Anpin, welke is verbonden met tiferet, welke de “hogere heilige boom” wordt genoemd. Door zich te hechten aan deze boom, door het leren van Thora en het uitvoeren van mitzwot, verbindt men zich met de sefira van tiferet, die in zichzelf de overvloed verzamelt van alle sefirot van Atziloet. Wanneer er op een passende wijze door het Joodse Volk een verbintenis is, door de yesod van Atziloet, brengen zij spiritueel licht en wat nodig is om het leven te onderhouden naar al de lagere werelden van Beriya, Yetzira en Asiya.

SHABBAT SHALOM     

PARASHAT BECHOEKOTAI

In Mijn inzettingen Leviticus. 26:3 – 27:34

Maar als jullie niet naar Mij luisteren en jullie al deze mitzwot niet doen. (Leviticus. 26:14)

Er zijn verschillende meningen onder Kabbalisten ten aanzien van beloning en straf die de Thora voorspelt voor het in acht nemen en het niet in acht nemen van de mitzwot.

Nachmanides (Rabbi Moshe ben Nachman) opinie is dat, “De beloning die een persoon ten deel valt voor het doen van een mitzwa, of de straffen vanwege overtreding, alleen komt door het boven natuurlijke. Wanneer een persoon is overgeleverd aan zijn natuur en natuurlijke lot, zou de rechtschapenheid van zijn daden hem niets geven, en niets van hem nemen. Daarentegen zijn de Thora beloningen en straffen in deze wereld allen wonderen. Zij komen verhuld, zodat de in acht nemende denkt dat zij hebben plaats gevonden door de normale gang van zaken van de wereld; maar zij zijn in waarheid G’ddelijk verordende beloningen en straffen aan een persoon.”

Andere Kabbalisten echter, houden staande dat dit een natuurlijk proces is. In de woorden van de Shaloh: “De boven natuurlijke werelden reageren op de handelingen van de lagere wereld en vandaar spreid de zegen zich uit naar de gene die het heeft veroorzaakt. Voor de gene die deze waarheid begrijpt, is het geen wonder, maar de aard van de avodah ( menselijk levenswerk in het dienen van G’d)”.

Met ander woorden, juist zoals de Schepper bepaalde wetten heeft vastgesteld van oorzaak en gevolg die de natuurlijke werking van de fysieke wereld karakteriseren, zo ook bepaalde Hij een spirituele morele “natuur”, door welk goed doen resulteert in een goed en voldoening gevend leven en kwaad doen resulteert in negatieve en conflictvolle gewaarwording.

Een derde benadering associeert lijden met zonde als een bijproduct van G’Ds rehabilitatie van de snode ziel. De analogie is het verwijderen van een geïnfecteerde splinter van iemands lichaam: de pijn die wordt ervaren is niet een “straf” voor de onvoorzichtigheid van de persoon als zodanig, maar een onvermijdelijk onderdeel van het genezingsproces zelf. Het feit dat een vreemde substantie zich heeft ingebed in levend vlees welke tot bederf leidt, veroorzaakt bij verwijdering een pijnlijke gewaarwording. Hetzelfde gebeurt wanneer iets dat vreemd is aan de verbintenis van de ziel met G’D wordt ingebed, het onttrekken van dit vreemde lichaam en helen van de verbintenis wordt als pijnlijk ervaren zowel voor het lichaam als voor de ziel.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHÁR

Op de berg Leviticus. 25:1 – 26:2

Shabbat: Rusten en Verheffen

Geschriften van de Ari

Als jullie in het land komen dat Ik jullie geef, dan zal het land rusten, een Shabbat voor G’d. (Leviticus. 25:2)

De betekenis van het Shabbatjaar en jubeljaar zal worden [na de volgende uiteenzetting].

We zien dat er een wekelijkse Shabbat is en een Shabbatjaar, dat eveneens Shabbat wordt genoemd. Zoals is geschreven “….een Shabbat voor G’D” (ibid. 25:2) en “De Shabbat van het land….” (Ibid. 25:6). Laat ons nu onderzoeken waarom het Shabbatjaar ook Shabbat wordt genoemd en wat de verschillen zijn tussen de [wekelijkse] Shabbat en het Shabbatjaar.

We hebben al eerder uitgelegd dat het spiritueel rijzen van alle werelden de essentie van Shabbat is. Elke wereld stijgt naar een hoger niveau dan waar het zich gedurende de rest van de week.

Meer preciezer: De netzach-hod-yesod-malchoet van Asiya [als een groep] stijgt naar een niveau [dat normaal wordt bezet door] chesed-gevoera-tiferet; chesed-gevoera-tiferet stijgt naar het niveau van chochma-bina-da’at; chochma-bina-da’at van Asiya stijgt naar het niveau netzach-hod-yasod-malchoet van Yetzira, enzovoort, tot aan het oorspronkelijke begin van de emanatie zelf. Want zelfs Arich Anpin stijgt [op Shabbat], en zijn plaats wordt ingenomen door Abba en Imma, zoals bekend.

De sefirot gedragen zich als een groep met betrekking tot hun “energie niveaus”. Ofschoon elke sefira zijn eigen identiteit heeft, werken de sefirot van het intellect en van de emotie samen als functionele gedragseenheden. Om die reden, vindt de stijging die zij ondergaan op Shabbat relatief tot deze energie niveaus plaats.

Een “wereld” in Kabbala is een niveau van bewustzijn, een sfeer waarin alles in een gemeenschappelijk besef van G’D deelt. Een lagere wereld draagt minder bewustzijn; een hogere wereld meer. De stijging van de werelden op Shabbat is een snede in de hiërarchie van bewustzijn, dit betekent dat elk niveau tijdelijk in staat is om een bewustzijnsniveau van G’D te dragen die normaal te hoog zou zijn. Normaal als iemand of iets op het niveau van chesed- gevoera-tiferet van Asiya het bewustzijn chochma- bina- da’at van Asiya wil verwerven, betekent dit dat hij zich zou moeten verheffen van het bestaande niveau naar het volgende hogere niveau. Op Shabbat echter stijgt het lagere niveau naar het hogere niveau terwijl zijn identiteit toch op het lagere niveau bewaard blijft. Deze tijdelijke “ombuiging” van realiteit vind alleen plaats op Shabbat. Zodra Shabbat voorbij is, keert de voorafgaande staat naar zijn realiteit terug.

Het Shabbatjaar wordt een Shabbat genoemd omdat het gelijk is ten opzichte van de Shabbat. Alle werelden stijgen naar een niveau hoger dan normaal, net zoals zij doen op een [wekelijkse] Shabbat.

Het verschil is dat op Shabbat de hele schepping een verheffing beleeft, terwijl in het Sabbatjaar alleen de drie [lagere] werelden, Beriya, Yetzira, en Asiya zich verheffen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT EMOR

Zeg             Leviticus. 21:1 – 24:23

VERTROUWEN OP DE THORA

 De Zohar leert dat de opdracht van het tellen van de Omer als een opstijging is in de Hogere Werelden.

Rabbi Shimon bar Jochai

Raya Mehemna, Zohar III:97 a-b.

 Jullie moeten tellen van de dag volgend op de feestelijke rustdag, van de dag dat jullie de Omer, bestemd voor de zijdelingse bewegingen gebracht hebben; zeven volle weken moeten het zijn. Tot de dag volgend op de zevende week moeten jullie vijftig dagen tellen……” (Leviticus. 23:15-16)

Dit is de opdracht om de Omer te tellen, volgens de Geleerden. (Soekka 58). De esoterische diepgang is als volgt : Alhoewel de Israëlieten zichzelf zuiverden door het Pesachoffer te brengen, dus door het verlaten van de spirituele sfeer van onzuiverheid, waren zij desalniettemin niet op een gepast niveau van perfectie en reinheid.

Zij waren niettemin toch in staat om het Pesachlam te offeren omdat de verlichting die voortvloeit  uit de Sefirot, omvattend de drie hogere Sefirot van het hoger bewustzijn (Chochma, Bina, Da’at), niet afhangt van de verdienste van de Israëlieten, maar een voortvloeisel is van G’D’s goedheid (Ramaz).

Dit is ook de reden dat we het Hallelgebed, na de eerste dag van Pesach, niet compleet reciteren (in Israël) , omdat het Joodse Volk nog niet het gepaste niveau van perfectie hadden bereikt.

Deze periode van zeven weken van reiniging is vergelijkbaar met de zeven pure dagen van een vrouw na de menstruatie. Wanneer eenmaal haar cyclus is  geëindigd, begint zij zeven dagen te tellen.

Zo deden ook  de Israëlieten toen ze Egypte verlieten, zij verlieten hun staat van spirituele onreinheid. Zij vierden Pesach, participerend  in het voedsel van hun Vader (zie Sifri Zoeta, Nasso 57), en van dat moment af telden zij de dagen tot aan de vrouw [het Joodse Volk] haar Echtgenoot [G’D] kon naderen. Dit zijn de vijftig dagen [tot de dag na de voltooiing van de zeven weken van het tellen van de Omer] van zuivering die iemand in staat stelt om de Komende Wereld binnen te gaan [verwijzend naar het niveau van Bina] en de Thora te ontvangen en het mogelijk maakt de vrouw tot haar Echtgenoot te komen.

Aangezien het masculiene dagen betreft [de wereld van de zeven Sefirot van Zeir Anpin] is deze telling opgelegd aan mannen alleen (zie Magen Avraham, Orach Chaim siman 489). Om deze reden moet men de telling staande doen, omdat aangelegenheden die te maken hebben met de Lagere Wereld zittend gedaan moeten worden.

[Bijvoorbeeld, het Shema Israël wordt zittend gereciteerd, aangezien het refereert aan de Wereld van de Troon (Beriya) de vrouwelijke wereld, want de predominante Sefira in Beriya is Bina, terwijl het Staande Gebed (Shemoné Esré) is gerelateerd aan de hogere wereld, Atziloet, waar Chochma de predominante Sefira is.]

Dit is de diepe esoterische betekenis tussen de verschillende delen van gebed die staande en die zittend worden gezegd.

Deze vijftig dagen bevatten negenenveertig dagen als facetten van Thora, maar de vijftigste dag is het geheim van de Thora zelf. Als je je nu afvraagt waarom deze vijftig niet negenenveertig zijn want zeven weken van zeven dagen is gelijk aan 49, is het antwoord: wat was verborgen in deze 49 wordt geopenbaard, zoals de Koning die de kamer van koningin binnengaat en daar verblijft.

De essentie van de Thora, hier vergeleken met de Koning Zelf, werd voor altijd gegeven aan de koningin, het Joodse Volk.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT KEDOSHIEM

Heilig   Leviticus. 19:1 – 20:27

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, p. 82b

Nachtleven vs. Zelfhulp

 De Zohar onderwijst uitgebreid over de gedragsgewoonten die vereist zijn om de mitzwa “heilig” te zijn, te vervullen, zoals het in de Thoralezing van deze week aan de orde komt. In de onderstaande passage zien we welk onderscheid wordt gemaakt tussen bescheiden gedrag en arrogantie gedrag dat moeiteloos  de westerse levenswijze doordringt.

“Het is de eer van G’D [Elo-hiem] om dingen te verbergen” (Spreuken. 25:2)

Degenen die zich niet verbinden met die eer [door het houden van de Thora en mitzwot die G’D ons gaf] houden die dingen [o.a. de Shechina] voor zichzelf verborgen.

De G’ddelijke Aanwezigheid kan niet verblijven daar waar een steunpunt is voor de krachten van ego en zelfverheerlijking gekarakteriseerd door arrogant gedrag. Deze krachten worden “chitzoniem“, uiterlijkheden genoemd, omdat zij ver afstaan van de innerlijke essentie van heiligheid in een persoon en in het universum. De Zohar verklaart dat G’D Zijn Essentie beperkt om een diverse wereld te creëren. Echter hoe meer het Oneindige Licht wordt samengetrokken des de meer kunnen de krachten van duisternis bloeien. Door zich alleen op zichzelf en hun opzichtige fysieke verschijning te richten, worden deze mensen een medium voor deze krachten van duisternis en verliezen het G’ddelijke uit het oog. Het geraakt voor hen verborgen, verdrongen door hun eigen egoistisch initiatief.

Over deze mensen is geschreven: “Dwazen richten schade aan” (Spreuken. 3:35) Dit zijn de onontwikkelde mensen die “geen manieren hebben” omdat zij geen moeite doen om zich te verbinden met de eer van de Thora.

 Hoe kunnen zij in gebed zeggen, “Onze Vader Die in de Hemel is, hoor onze stem, red ons en heb medelijden met ons en verhoor ons gebed”? Ongetwijfeld zal de Heilige, gezegend zij Hij, tegen hen zeggen,” Als Ik jullie Vader ben, waar is dan de eer die je Mij moet geven? Waar is jullie streven de Thora en haar instructies te begrijpen om Mijn mitzwot te vervullen”? Want hoe kan iemand zijn meester dienen als hij niet zijn meesters opdrachten heeft geleerd?

De uitzondering is [een onwetend persoon] die gehoord heeft [ het juridische vereiste van elke Jood] van de wijze en de geboden houd. Deze persoon heeft voor zichzelf het juk van [de term] “We zullen doen en we zullen horen” geaccepteerd.

Aan de Berg Sinaï sprak het Joodse Volk deze fameuze frase vóór het ontvangen van de Thora, daarmee uitdrukkend de bereidwilligheid om haar geboden te vervullen zelfs vóór gehoord te hebben wat het inhoudelijk betekende. Een persoon ongestudeerd in Thora, maar zich inspannend om te weten te komen van degene die geleerd heeft wat de juiste houding is in allerlei omstandigheden, wordt als waardig beschouwd alhoewel hij voor zichzelf niet kan leren.

Er is desalniettemin een groot verschil tussen iemand  die zijn instructies direct van zijn Meester kan ontvangen [door eigen studie van Thora] en iemand die instructies ontvangt van Zijn boodschappers [De Wijzen en de Rabbijnen]. Wat is het grote verschil tussen hen? Er staat geschreven dat Mozes de Thora op de Berg Sinaï ontving en naderhand overdroeg aan Jehoshoea. Ik [de ziel van Mozes, die deze sectie van de Zohar verhaalt] ontving de Thora [direct van G’D]. Daarna gaf ik het aan de Wijzen door.            

Hier uit leren we dat iemand die zelf Thora leert, om haar te vervullen, wordt beschouwd als of hij zelf de Thora direct van G’D heeft ontvangen, met andere woorden, op de zelfde wijze als Mozes!

Als iemand [instructies] ontvangt van iemand anders [niet zelf leert] is het zoals bij de maan en de planeten die alleen hun licht ontvangen van de zon en bij het ontvangen van dat licht zelf verlicht worden [zonder enig licht van zichzelf te hebben toegevoegd].  Met als gevolg dat iemand die alleen maar licht ontvangt  het risico loopt dat zijn lichtbron kan worden verwijderd [met ander woorden, de leraar op wie hij zich verlaat, overlijdt]. Dit gebeurt zoals we zien met de zon en de maan wanneer hun licht s ‘nachts verdwijnt.

Je zou kunnen zeggen dat dit licht van de maan van de zon komt, hoewel het innerlijk is vergaard, schijnt het nadien op de maan en de planeten [zoals de leringen van een wijze na zijn dood].  Maar wij zien dit anders. Het is als een eclips van de zon en de maan. Op het tijdstip dat hun lichtbron verdwijnt, blijven zij achter als een lichaam zonder ziel. De essentie van het licht is daar waar het ontstaat en houdt niet op te schijnen (G’D) en er is geen andere macht buiten Hem dat Zijn Licht kan stoppen.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT ACHARÉ MOT

Na de dood  (Leviticus 16:1 – 18:30

Het aspect kedoesha, heiligheid, kent drie verschillende types van heiligheid, vijf, als we de subcategorieën meerekenen. De drie basiscategorieën zijn:

  1. De heiliging van het lichaam, zoals al in eerdere parashot van het boek Leviticus is besproken, zegt de Thora:“We’hitkadishtem” “zorg ervoor dat jullie heilig zijn” (11:44)
  2. De heiliging van ruimte, zoals wordt genoemd in het vers: “….kie hamakom……kodesh hoe” “want de plaats is heilig” ( Exodus 3:5 ) dit heeft te maken met fysieke separatie van andere plaatsen.
  3. De heiliging van tijd, zoals wanneer de Shabbat “mikra kodesh” wordt genoemd “een heilige convocatie.”

De heiliging van het lichaam is verdeeld in verschillende drie niveaus. Het zijn de drie niveaus welke onze geleerden hebben gerangschikt en welke behandeld worden in Reshiet Chochma. Onze wijzen in Berachot 57 spraken over deze drie categorieën in termen van “een prachtig verblijf ”, “ een prachtige vrouw ”, en “een prachtige meubilering, verrijkt en ontwikkelt het verstand van een mens”. Het woord “verblijf” is een metafoor voor het hart, de zetel van het leven. Het woord “vrouw” is een metafoor voor de heilige ziel. Het woord “meubilering” is het metafoor voor iemands handwerktuigen, instrumenten.

De betekenis van dit alles is dat de taal van de verschillende menselijke ledematen, als instrumenten, waarmee hij G’D’s wetten uitvoert om de eigenaar ervoor te bewaren voor eventuele potentiële gevaarlijke situaties, welke hem kunnen leiden naar een staat van onreinheid. Deze “instrumenten” moeten worden aangewend om te verzekeren dat de mens de positieve geboden uitvoert en eveneens er op toeziet dat hij zich weerhoudt in het overtreden van de negatieve geboden. De functie van het hart, is de sferische verblijfplaats van gedachte en bezinning. Het hart moet een instrument zijn, welke de mens instaat stelt om het Heilige der Heiligen te bereiken, de spirituele elevatie binnen zijn bereik. Er zijn zovele dingen waarmee het hart is uitgerust, dat het onmogelijk is ze allemaal te noemen. Zij bevat begrippen als, “haat niet,” “neem geen wraak,” “draag geen wrok en misgunst uit,” “ heb je naaste lief,” om er maar een paar te noemen. De meeste en hun Thorabronnen worden omschreven en verklaard in het boek Chovat Halevavot. De heiligheid van de ziel, een deel van G’D, is, om zich te hechten aan elk esoterisch aspect van Thora binnen iemands bereik. Men verdient dan de verborgen aspecten van het scheppingsproces en zelfs het gedeelte wat gewoonlijk genoemd wordt als “Ma’asè Merkava”, beschouwingen over procedures in de Hemelse Regionen. Het bereiken van de hogere stadia van heiligheid in de drie genoemde gebieden, behelzen allen het directief van het heiligen van het lichaam. Dit directief bevat het gehele domein wat wordt genoemd “de gestalte van de mens” zowel zijn visuele als zijn niet visuele aspecten.

De heiliging van ruimte is een esoterische dimensie van “kawot”, respect, eerbetoon. De Thora verwijst hier naar, als het voorschrijft dat de meeste offers gebracht moeten worden aan de noordzijde van het altaar. M.a.w. Telkens wanneer de Thora deze term gebruikt, is het geassocieerd met de woorden: “lifnè HaShem”, “voor G’D” aan de voorkant van Zijn aanwezigheid. Dus het respecteren van een bepaalde plaats voor Hem.

Ik heb al eerder, in een andere parasha, gesproken over de heiliging van tijd. De reden dat onze geleerden de wekelijkse dagen relateren aan Shabbat [Vandaag is het de eerste dag van de week naar de Shabbat, Vandaag is het de tweede dag van de week naar de Shabbat,enz] is dat zij wensen dat wij elke dag van de week bij onszelf de spiritualiteit ervaren van het feit, dat elke dag, in essentie een element in zich draagt van Shabbat. Als wij dit doen, hechten wij ons aan een wereld welke totaal onder de bescherming is van de Shabbat- geest, en onze mondaine activiteiten nemen daardoor een gestalte van heiligheid aan. Deze gedachte domineert de zegen die we zeggen aan het einde van de Shabbat wanneer we verwijzen naar “Geprezen, U, Eeuwige, onze G’D, Koning van de wereld die een onderscheid maakt tussen gewijd en ongewijd, tussen licht en duisternis, tussen Jisraël en de volkeren, tussen de zevende dag en de zes werkdagen.

De bovengenoemde drie voorbeelden van heiligheid, welke in feite vijf zijn, verwijzen naar de inhoudelijke verklaring van G’D met betrekking tot de drie schenkingen die Hij gaf aan Israël, Thora, het Land Israël en Olam Haba,de Komende Wereld. Het geschenk van Thora bestaat uit de drie resultaten welke haalbaar zijn via het hart.

  1. De studie van alle aspecten van de Thora die leidt naar het uitvoeren van zijn geboden.
  2. De gift van Erets Jisraël vertegenwoordigt de heiligheid van ruimte.
  3. De gift van De Komende Wereld representeert de heiligheid van tijd, m.a.w een wereld die authentiek is aan het concept van Shabbat

SHABBAT SHALOM

PARASHAT METSORÁ SHABBAT HAGADOL

DE ESSENTIE VAN RITUELE ONREINHEID

Een van de meest onbegrepen concepten van de Thora is de inhoud van de woorden toema en tahara. Vertaald als “onrein”en “rein” of “onzuiver” en “zuiver”, toema en tahara, en bij extensie de wetten van Niedda (vrouwelijke menstruatie) en familie-reinheid, roepen vaak een negatief respons op. Waarom is de vraag, moet een vrouw gestigmatiseerd worden als tamé, “onrein”? Waarom zou zij zich inferieur moeten voelen over een natuurlijk proces in haar lichaam? Het mag zeer oprecht gezegd worden dat deze bedenkingen voortkomen vanuit een fundamentele mis opvatting.

Toema en tahara zijn spirituele en geen fysieke concepten. De wetten van Toema, Niedda en Mikwe (ritueel bad) behoren tot die categorie van geboden in de Thora die bekend staan als Choekkiem, G’ddeljke uitvaardigingen waar geen uitleg aan is gegeven. Zij zijn niet logischerwijze te begrijpen, zoals de wetten van diefstal of moord, of die wetten die dienen als herinnering van nationale gebeurtenissen in onze geschiedenis, zoals Pesach en Soekkot. De wetten van Toema en Tahara zijn supra-rationeel, “boven alle redenatie”. En het is precies daarom dat zij op zulk hoog spiritueel niveau zijn, boven het bevattingsvermogen van het intellect, zodat zij een deel van de ziel verheft en affecteert, dat deel van de ziel dat alle redenatie overtreft. Maar al kan het menselijke verstand deze G’ddelijke regels niet logisch verwerken, kunnen wij als nog proberen om hun spirituele innerlijke betekenis en belang te onderzoeken en te begrijpen.

Vanuit deze poging is de leer van de Chassidische filosofie van onschatbare waarde en hulp, want de studie van Chassidoet verwijst naar het innerlijke aspect van de Thora, haar “ziel”, het kan ons leiden door sferen waar menselijk intellect hulpeloos in is.

Chassidisme streeft naar de directe waarneming van het schuilgaande G’ddelijke in alles en belicht de spirituele bronnen van alle fysieke fenomenen.

TOEMA ALS DE AFWEZIGHEID VAN HEILIGHEID

De Chassidische leer legt uit dat Toema, in essentie, “spirituele onreinheid” is in de zin van “afwezige heiligheid”. Heiligheid wordt genoemd “leven””vitaliteit”, het is dat wat verenigd is met en voortkomt uit de bron van al het leven, de Schepper. De Chassidische filosofie verklaart verder dat de ware binding met G’D is, door heiligheid, betekend dat iemands eigen onafhankelijke existentie in een staat van Bittoel is,”wegcijfering” tegenover G’D. Het tegenovergestelde is, wat is verwijderd of gesepareerd van de bron en wordt genoemd “dood” en “onreinheid”. Volgens de Thorawet is de dood de principiële oorzaak van alle Toema, de hoogste graad van Toema komt door aanraking van een dood lichaam. De krachten van kwaad zijn in de terminologie van kabbala en Chassidisme, de sitra achra, “de andere kant”. Zij zijn wat is “de andere kant”, wat ver van G’ds aanwezigheid en heiligheid is. Zij gedijen in de sferen waar Hij het meest verhuld is en het minst gevoeld wordt, daar waar heiligheid het minst is. In een omgeving waar G’d het minst aanwezig is, is natuurlijkerwijs meer ruimte voor “oppositie” tegen Hem. Vandaar dat, spiritueel gezien, boven alles het meest kwade en het meest onreine in een persoon het eigenbelang is. Men duwt G’Ds aanwezigheid weg en creëert een leegte, een vacuüm waar Zijn aanwezigheid zou moeten zijn. Dit is de diepere betekenis volgens de Chassidische leer van de uitdrukking ” het veroorzaken van een “chiloel Hashem,” het ontheiligen van G’D’s naam, men zal niet een chalal ( leegte) maken, een ruimte zonder Zijn aanwezigheid.

Heiligheid staat gelijk aan bittoel, onafhankelijk existentie van G’D heeft geen waarheidszin. Daarom zeggen onze geleerden ons dat arrogantie gelijk staat aan afgoderij, want afgoderij betekent in essentie, dat iets wordt beschouwd als onafhankelijk van zijn schepper en zichzelf in plaats stelt van Hem.

Vandaar, als wij de woorden “rein”en “onrein” ontdoen van hun fysieke bijbetekenissen en hun ware spirituele betekenis beseffen, zien we wat zij echt te kennen geven, heiligheid of afwezigheid van heiligheid.

EEN BELANGRIJK VERSCHIL TUSSEN TWEE TYPES VAN TOEMA

In dit stadium van de verhandeling zouden we ons moeten afvragen: Waarom moet Toema überhaupt bestaan? Welk doel heeft het in G’ds schepping? “De almachtige heeft het één tegenover het andere geschapen,” het boek Prediker vertelt ons, en zoals de Chassidische leer het interpreteert, alles in de sfeer van heiligheid heeft zijn tegenhanger in de sfeer van onheiligheid.

Aan de ene kant zijn deze tegenovergestelde sferen geschapen zodat wij over een “vrije keus” kunnen beschikken`. En een dieper niveau, zoals Chassidisme verklaard, wanneer wij het kwaad verwerpen en kiezen voor het goede en daarnaast, het kwaad transformeren tot in goed, heeft dat niet alleen een effect op ons zelf, maar ook een uitwerking op de wereld en brengt de uiteindelijke perfectie dichterbij. Vandaar dat het uiteindelijke doel van toema, de “andere kant”, is om ons te stuwen naar hogere niveaus. Zoals een zeer bekende Chassidische uitspraak luidt: “Elke verlaging is als doel een grotere verheffing” en allen verhullingen van G’D maken plaats voor een groter openbaring. Wanneer de ziel neerdaalt in deze wereld om zich te vestigen in een fysiek lichaam, ondergaat het een onvergelijkbare verlaging met de voorafgaande zuiver spirituele existentie. Het doel niettemin van deze verlaging is, om de ziel de mogelijkheid te geven zelfs hoger te stijgen in zijn bevattingsvermogen van G’D en een meer verheffende status te verkrijgen dan voor het in deze wereld neerkwam. Het kan deze verheffing alleen verkrijgen door middel van een lichaam die G’D dient in deze lagere fysieke wereld. Maar er is verhulling en onreinheid in deze lagere wereld, daar tegenover, kan alleen door zijn worsteling hier de ziel hoger rijzen. We moeten hen in twee types van Toema, twee types van “verlaging” onderscheiden. Er is een Toema die wij zelfs creëren wanneer wij opzettelijk G’D’s aanwezigheid wegduwen en een leegte laten ontstaan; en er is een Toema die G’D heeft geschapen als deel van de natuur. Dit onderscheid is cruciaal om Niedda ( regels t.a.v. menstruatie ) te begrijpen. De Toema, de onreinheid die is verbonden met de zonde, is een leegte de we creëren en waarbij we ons zelf verlagen. De Toema van Niedda, daarentegen, is een wezenlijk onderdeel van de vrouwelijke natuurlijke maandelijkse cyclus. Haar “verlaging” van een hoogniveau van potentiële heiligheid ( m.a.w. waar een leven mogelijk is ) betekend niet dat zij, G’D behoede, “zondigt”of “degenereert”, “inferieur”of “stigmatisatie is. Integendeel, juist omdat er zo een heiligheid betrokken is in de vrouwelijke eigenschap, het Goddelijk vermogen om, ex nihilo, nieuw leven te scheppen vanuit haar lichaam, is er ook de mogelijkheid voor grotere Toema–maar evenzo een groter Verheffing.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TAZRIÁ, SHABBAT ROSH CHODESH NISAN

DE INNERLIJKE BRON VAN GENEZING.

De parashot Tazría en Metzorá handelen beide uitsluitend over de verschillende typen van spirituele onreinheid, op iemand, in iemand en op iemands bezittingen, hoe we ermee moeten omgaan en hoe we onszelf ervan kunnen ontdoen. De bijzondere aandacht gaat uit naar een huidaandoening van ongewone aard, genaamd “tzara’at”, vaak in het Nederlands weergegeven als “lepra of melaatsheid”. De hedendaagse medische opvatting met betrekking tot lepra, heeft niets uit te staan met de Bijbelse weergave en uitleg. Bovendien, spreken de eerste verzen van Tazria over emissie van zaad, het proces door welk nieuw leven tot existentie komt. Welke connectie kunnen deze twee onderwerpen hebben?

Het lijden aan tzara’at wordt veroorzaakt door kwaad te spreken over anderen, zelfs als het waar is. (zie Maimonides, aan het eind van zijn “Wetten van Onreinheid en Tzara’at”). De functie van deze besmetting en haar genezing is, om een persoon opnieuw op het goede pad te brengen, om een dood gewaand persoon te helpen zijn gedrag te veranderen, hem op het juiste spoor te zetten, de weg van het leven. Op de zelfde wijze moeten we onze eigen negativiteiten, in ons leven, als indicatie zien, als het ware een wegwijzer die ons de juiste richting wijst.

Bovendien zinspeelt het woord “tazriá”, zaad geven, naar al onze spirituele inspanningen in verbanning.
Al onze inspanningen in deze donkere periode zijn in feite “zaailingen”, een ontspruitende voorbereiding op wat zal plaatsvinden in de tijd van de verlossing.
Dit wordt bedoeld door de welbekende uitspraak, dat de openbaring, die elk van ons zal ervaren in de Toekomstige Tijd, enkel en alleen gebaseerd is op onze handelingen en inspanningen van nu, gedurende de verbanning. Deze openbaringen zijn de vruchten die we nu hebben gezaaid.

Dat ons wekelijkse Thoragedeelte zich concentreert op dit lijden en wijst naar deze donkere verbanning, en desondanks toch Tazriá wordt genoemd “het Geven van Zaad”, leert ons, dat alleen van ons gevraagd wordt, om nu iets “vruchtbaar” te maken. We moeten het gevoel hebben, al zijn de omstandigheden soms zeer moeilijk, dat we in een vroeg groeiproces zijn.
We planten nu het zaad, maar dit zaad zal spoedig ontspruiten en de toekomstige verlossing laten bloeien en de wonderbaarlijke openbaringen doen uitkomen van de dagen van de Mashiach.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

SHABBAT PARA

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

Rabbi Shimon bar Jochai

Van Wijn en Appels

Zohar, parashat Shemini p. 40a

Dit Thoragedeelte bespreekt de inauguratie van het Tabernakel, de ontmoetingsplaats tussen de mens en de Oneindige. Hier behandelt de Zohar het vraagstuk van verbanning uit die verheven staat van verbinding met het G’ddelijke. Wat wordt heden ten dage vereist?

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers, “ Ondersteun mij met glazen bokalen met wijn [in het Hebreeuws, “ashishot”], heel mij met appels, want ik ben ziek van liefde”. (Hooglied. 2:4). We hebben dit vers reeds eerder op een prachtige wijze uitgelegd, maar hier kan het geïnterpreteerd worden op een andere wijze als volgt: De Congregatie van Israël [de Shechina en de Sefira van Malchoet] zegt deze woorden als zij tot ballingschap vervallen. [ Zij pleit met haar kinderen, het Volk van Israël] “Ondersteun mij”. Wat betekent dit “Ondersteun mij”? Iemand die valt behoeft ondersteuning, zoals staat geschreven, ´G’D steunt degenen die vallen(Psalmen. 145:14) Omdat de Congregatie van Israël in ballingschap is gevallen [van G’D die anders haar zou hebben geholpen], zegt zij, “Ondersteun mij”. En wie vraagt zij om haar te ondersteunen? [Zij vraagt steun van] haar kinderen Israëls, die met haar in ballingschap zijn.

De ballingschap van de Shechina is een val van het niveau van bewustzijn  van de eenheid met het G’ddelijke, gesymboliseerd door het Tabernakel. Dit bewustzijn  kan in gelijke mate worden teruggebracht in de staat van ballingschap door die “kinderen”van de Shechina die, door meditatieve eenwording, een influks van G’ddelijk Licht  teweeg brengen in de Sefira van Malchoet en haar op haar voetstuk plaatst door opnieuw te verbinden met haar oorsprong in de Sefira van Bina; dit kan het innerlijke aspect van ballingschap rectificeren. De externe fysieke ballingschap kan alleen worden gerectificeerd met de herbouw van het Tabernakel in de vorm van de Derde Tempel.

Door wat wordt zij ondersteund? Door glazen bokalen met wijn [ashishot], Die de Voorvaderen zijn.

De Voorvaderen, Abraham, Izaak en Jacob, zijn de archetypen van de Sefirot Chesed, Gevoera en Tiferet. Zij zijn de emotionele eigenschappen van goedhartigheid, vrees/oordeel en barmhartigheid en zijn gelijk aan vuur. Het woord voor vuur in het Hebreeuws is “aish”, en het woord “ashishot” is als een meervoudsvorm voor vuur. Chesed is een wit vuur, Gevoera is zwart vuur en de combinatie van de twee is Tiferet. Meditatief gebed brengt teweeg dat deze Sefirot worden gevuld met overvloed (bekend als “Sheva”) van Bina en dit op zijn beurt wordt doorgeven, door de Sefira van Yesod, naar Malchoet.

Zij vullen eerst die goede wijn, die heeft gerijpt op zijn sedimenten, de overvloed van Bina. Wanneer ze zijn gevuld met overvloed door meditatief gebed, is zegen aanwezig de Sefira van Malchoet, door bemiddeling wat rechtvaardig wordt genoemd, [verwijzend naar de Sefira van Yesod]. En iemand die weet hoe de Heilige Naam te verenigen en zo doet om de Shechina te ondersteunen, steunt en assisteert de Congregatie van Israël in haar ballingschap, alhoewel geen zegen wordt gevonden in de wereld, vanwege de overmaat aan streng oordeel.

Het vers continueert , Heel mij met appels”…., en beide zijn het zelfde zoals we hebben uitgelegd.

Appels komen in verschillende kleuren voor, maar voornamelijk in het rood, wat verwijst naar de Sefira van Gevoera. Het feit dat zij ook van binnen wit zijn verwijst naar Chesed. Zij combineren daarom de twee aspecten van Chesed en Gevoera en zijn geassocieerd met de Sefira van Tiferet, als zijnde ashishot. Tiferet is geassocieerd met de middelste lijn in de Boom van de Sefirot en, zoals genezing, brengt onevenwichtige extremen terug in harmonie. De Zohar stelt evenzo dat appels een ontnuchterende invloed hebben.

Maar het geheim hiervan is, dat bokalen de uitwerking van wijn vergroten, en appels werken het effect van wijn tegen en verstevigen de kracht van iemands doorzettingsvermogen. Dit verklaart waarom het vers zowel bokalen als appels vermeldt: bokalen om het effect van wijn te verspreiden en appels om iemands wil te verstevigen zodat de wijn zijn wil niet zal beïnvloeden.

Aan “wijn” wordt hier gerefereerd als beïnvloeding van de andere Sefirot en refereert daarom aan de Sefira van Bina. De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord, “yayin” is 70, de zelfde numerieke waarde als van het Hebreeuwse woord voor “verborgen , mysterie”, “sod”. De intellectuele eigenschap wordt als “verborgen, mysterie” beschouwd in relatie tot de emotionele eigenschap en wordt alleen bekend door spraak. Wijn brengt spraak teweeg, die een revelatie is van iemands gedachten. Dus zeggen de Geleerden, “Wijn gaat in, en geheimen komen uit”. Het effect van wijn is om de mentale activiteit te stimuleren, gerelateerd aan de overvloed die wordt gegenereerd in Bina. Te veel wijn veroorzaakt dronkenschap, die onder controle wordt gebracht door het eten van appels.

Dit alles met welke reden? [het ondersteunen van de Shechina]. Omdat “ik ziek van liefde ben” in ballingschap.

Malchoet in ballingschap hunkert om te worden verenigd met de directe invloed van het G’ddelijke, door zich opnieuw te verbinden met Zeir Anpin. Zij is gek van liefde als iemand die emotioneel overstuur is in de fysieke wereld en bijgestaan door een stevig drank.  De “wijn”die haar ondersteunt, is het meditatieve gebed van haar zonen.

En iemand die de Heilige Naam verenigt [veroorzakend overvloed vloeiend van Bina naar Malchoet] moet op een gepaste wijze oordeel met barmhartigheid combineren.

Het geheim van meditatief gebed op de Heilige Namen zoals zij in verschillende fasen voorkomen in het Staande Gebed, is om de harde realiteit van de fysieke wereld te “verzachten” door combinatie van barmhartigheid, het aspect van de Naam Havayah, met strengheid, relateert aan de Naam Ado-nai. Dit is waarom vele gebedenboeken de Naam Havayah hebben geassocieerd met de klinkers van de Sefirot waaraan zij zijn gerelateerd en de Naam Ado-nai ingesloten in de laatste letter van de Naam.

Dit veroorzaakt [Haar] te worden verzacht en rectificeert alles als passend en dit ondersteunt de Congregatie van Israël in ballingschap.

De staat van ballingschap is de afwezigheid van het beïnvloedende gevoel van het G’ddelijke in de fysieke realiteit. Meditatieve gebeden, zowel als reciteren van zegeningen in gepaste vorm, rectificeren dit en brengen dit bewustzijn van het G’ddelijke terug in elk aspect van het leven.

SHABBAT SHALOM