TZIMTZUM

Een van de theologische basisproblemen handelt over het in overeenstemming brengen van het schijnbare mysterie van G`D met het universum: in hoeverre kan er een overgang zijn van het oneindige naar het eindig, van pure Intelligentie naar materie, van absolute Eenheid of één zijn naar veelvoudigheid? Bovendien, hoe kunnen wij de G`Ddelijke schepping of het universum en zijn uiteenlopende delen in overeenstemming brengen met oneindige en onschendbare absolute perfectie van G`D, van wie het Schrift bevestigd “Ik de Eeuwige, Ik Ben niet veranderd” (Maleachi. 3:6)? In essentie zijn de concepten en doctrines die bediscussieerd in deze en in de volgende hoofdstukken, allen gerelateerd aan deze kwestie.

Schepping is vaak verklaard in termen als een theorie van het voort komen uit: in de strekking van een progressieve keten van successievelijk uitvloeisels van ‘hoger’ naar ‘lager’, het eindige zich ontwikkeld uit het oneindige en materie geleidelijk ontstaan uit geest. Deze geplaatste suggesties zijn echter insufficiënt. Om enkel te spreken van een causaal evolutionair proces of van een successievelijk uitvloeisel dekt wel eens waar de vraag, maar doet het niet beantwoorden, Want ongeacht hoelang deze keten van causale evoluties ook mag zijn, er zal altijd iets van verwantschap blijven, zowel kwalitatief als kwantitatief, tussen het effect en zijn oorzaak. Juist zoals een materiele keten, zijn de schakels aan elkaar gekoppeld en staan met elkaar in verbinding —handhavend een basisverhouding tussen de eerste en de laatste schakel— zo ook zou het zijn in een geleidelijk proces van causale evolutie. Aangezien G`d, de Oneindige, het begin is van de keten van uitvloeisels, is het aspect van oneindigheid nooit echt afgedaan: Waren de werelden, vanuit het licht van oneindigheid neergekomen volgens een geleidelijke afdaling van niveau naar niveau in de zin van oorzaak en effect. In dat geval zou deze wereld niet gecreëerd zijn in zijn huidige vorm –een eindige gelimiteerde orde– evenmin zelfs betreffende (spirituele) Olam Haba (Komende Wereld), de bovennatuurlijke Tuin van Eden, of de zielen zelfs.

De schepping van de werelden is niet ontwikkeld vanuit een wijze van oorzaak naar effect……want zelfs talloze op talloze raadsels en evoluties van stage naar stage in een oorzakelijk proces zal niet helpen om fysieke materie tot zijn en ontwikkeling te brengen –en ook niet ten aanzien van de firmamenten– uit een evolutie van energie. Integendeel, het is de macht van de gezegende EN SOF (ONEINDIGE), DE ALMACHTIGE OM TE CREËREN……EX NIHILO, en dat is niet via de orde van ontwikkeling, maar bij wijze van sprong (vanuit het niets). Vandaar dat iets niet goddelijks en eindig moet komen door: –de noodzakelijkheid van het zijn in het proces van gevolg– een radicale stap, sprong (Kafitza), die geleidelijkheid breekt en een radicale scherp onderscheid maakt en vestigt tussen oorzaak en effect: een radicale schepping daad. Alleen nadat dit heeft plaatsgevonden kunnen we spreken van een evolutionair proces, culminerend in eindigheid en materiele bestaan. Dit zijn de basisprincipe van de doctrines tzimtzum en de Sefirot geïntroduceerd door de Kabbala (en uitvoerig behandeld in het Chassidisme) om het probleem van de schepping optelossen.

Het woord tzimtzum heeft twee betekenissen:
(1) samentrekking; verdichten; en
(2) verhullend; verborgenheid.
Beide meningen gaan door voor en hebben betrekking op onze context, de tweede misschien meer dan de eerste. Want de doctrine van tzimtzum refereert aan de breking van staling en verhulling van vloeiende straling vanuit de Goddelijkheid in een aantal progressieve stages van gradatieontwikkelingen, tot aan het punt dat het eindige en de substanties van het fysieke mogelijk wordt.

Deze complexe theorie is voor het eerst in detail behandeld door R.Izaak Luria. Al zijn basiswerken beginnen met een uiteenzetting van het systeem van Tzimtzum. R.Schneur Zalman behandeld het gedeeltelijk in de Tanja, meer uitvoeriger in Sha`ar Hajichoeden vooral in Thora Or en Likoetei Thora. Voorafgaand aan de schepping is er alleen G`D. G`D zoals Hij is in Zichzelf is genoemd En Sof : de Oneindige; Hij dat Is Zonder einde. Van G`D als En Sof kan niets verondersteld worden, dan alleen dat Hij is En Sof: Hoog boven alle hoogten en verborgen voorbij alle verhulling, geen gedachte kunt op enigerwijze U bevatten of beheersen…….U naam is niet gekend want U vervuld alle namen en U bent de perfectie van hen allen. Op een mystieke manier, al is het moeilijk uitteleggen, is er zelfs een manifestatie of Zelfopenbaring van G`D qua En Sof voor de handeling van de schepping. Deze manifestatie wordt genoemd Or En Sof ( het licht van de En Sof ) en we spreken over dit Licht het zelfde als alomtegenwoordig en oneindig. Het verschil tussen En Sof en Or En Sof is zeer belangrijk en moet goed onthouden worden. Want wanneer er gesproken wordt over Tzimtzum en de Sefirot moeten wij dit relateren aan de Or En Sof, het Licht en straling, dan aan lichtgever en de uitstraler ( Ma-Or, de En Sof).

HFD. 2: RECHTSGELDIGHEID VAN EEN CLAIM TOT PROFETIE

(b) Het tweede type van profeet die profeteert uit naam van HaShem is, iemand die de mensheid oproept om HaShem trouw te dienen en gebied om het uit voeren van Zijn mitswot en vermaand tot gehoorzamen van de Thora zonder enige toevoeging of afbeelding, zoals de profeet Malachie het uitdrukte , toen hij zei:“Herinner de Thora van Mozes MIJN dienaar” (Malachie). Hij beloofde schitterende beloningen aan iedereen die de Thora zou naleven, en waarschuwde al zijn overtreders voor de dreigende straf, zo deed Jesaja, Jeremia, Ezechiel, en alle anderen. Bovendien beval hij het volk bepaalde dingen te doen, en verbood hun bepaalde andere dingen met betrekking tot zaken welke de Thora over laat aan ons voor zorgvuldige beoordeling — zoals ons het zeggen een oorlog aan te gaan tegen een bepaalde stad of natie, zoals Samuel deed toen hij Saul beval een oorlog te beginnen tegen Amalek (Samuel 1, 15) of, zoals het voorkomen van bloedvergieten, zo deed Elisja toen hij Johoram weerhield om het leger van Aram af te slachten, welke Shomron binnenviel (Koningen 2,6:22), of zoals Jesaja deed toen hij een halt hield bij het brengen van water om cement te maken voor de scheuren in de omwalling (Jesaja, 22:9), of zoals Jeremia deed toen hij de Joden verhinderde om naar het land Israël te gaan (Jeremia, 29:4). Wanneer dus een profeet claimt het vermogen van profetie zonder het te baseren op enige vreemde concepten van vereringen en zonder iets toe te voegen of te schrappen van de Thora, maar spreekt over andere zaken, zoals boven aangehaald, dan moeten wij beginnen een onderzoek in te stellen om zijn persoonlijke getuigenis te verifiëren. Want het is gepast om elk gebod te volgen van iemand wiens getuigenis is gesubstantieerd tot in het kleinste detail. Ieder die overtreed een gebod van zulk een persoon onderhevig aan Hemelse strafoplegging, zoals de Heilige Geprezen Zij Hij zegt, met betrekking tot iemand die overtreed een gebod van een profeet, “van hem zal IK zelf rekenschap vragen.” (hij zal gestraft worden door MIJ, en niet door een wereldse rechtbank) (Deuteronomium 18:19). Maar, als de getuigenis van de persoon zijnde een profeet, niet substantieel is, moet hij geëxecuteerd worden door middel van wurging voor het gewaagt te hebben frauduleus te speken in G`Ds naam.

B. Het Substantiëren van een Authentieke Profeet ten aanzien van zijn Voorspellingen.

De authenticiteit claim tot profetie is gevestigd op de volgende procedure:

a) Als we zien dat hij spreekt op de wijze zoals hier boven beschreven, en

b) Als we zien dat hij gemeten en geschaard kan worden onder de geleerden, de getrouwe,de Porash (iemand die bereikt heeft een van de hoogste treden van perfectie ),de verstandige en diegene met een fijn karakter—in overeenstemming met de spreuk dat “Profetie rust alleen op diegene die wijs, sterk en rijk is,” (“Wijs”in de letterlijke zin [Shabbat 92a], “Sterk” in de morele zin [zoals in Avot 4:1], of iemand die sterk genoeg is om zijn verleidingen te overwinnen zodat hij niet afdrijft van zuivere Thora verplichtingen en praktijk, en ” Rijk “in de zin dat hij gelukkig en tevreden is met zijn lot en geen enkel verlangen meer heeft naar meer materiele bezit dan hij al heeft [ Mishne Thora: Jesode Ha Thora 7:1] ), (– het is onmogelijk om hier de vele kenmerkende eigenschappen van uit hun schriftelijke bronnen te behandelen, het benodigd een boek op zichzelf; mogelijk wil HaShem ons helpen met de taak wat het meest gepast is om te schrijven over dit onderwerp.

c) In zijn kwalificatie geacht te zijn een mogelijke profeet, zijn wij geacht te zeggen tot hem, “Voorspel de toekomst tijdingen voor ons en bericht ons een of andere leidraad welke De Heilige Geprezen Zij Hij jou heeft geleerd, “hij moet elk punt doen. Als elk punt van zijn voorspelling is vervuld, dan weten wij dat zijn volledige profetie (zijn leidraad) evenzo authentiek was. Maar als zijn voorspelling onvervuld blijft, of zelfs een van zijn woorden niet de werkelijkheid haalt, zelfs al is het maar een onbeduidend deel van de totale voorspelling, weten wij daardoor dat hij een valse profeet is. Dit is geschreven in de Thora, waar het behandeld de onderwerpen van deze test (Deut., 18:21):

En als je bij je zelf denkt: Hoe kunnen we het woord onderkennen dat de Eeuwige niet gesproken heeft? Dat is het geval als de profeet in naam van de Eeuwige gesproken zou hebben en er gebeurt niets van dien aard en Het komt niet uit, dan is dat het woord, dat de Eeuwige niet gesproken heeft. Met brutaal opzet heeft die profeet het dan uitgesproken; heb dan geen angst voor zijn persoon.

Zelf echter wanneer hij is verifieert door een of twee voorspellingen, wij, als nog, hebben geen reden om hem te vertrouwen en te zeggen zijn profetie is authentiek. Juister uitgedrukt, de zaak blijft hangende tot dat alles wat hij heeft verklaard in de naam van HaShem, herhaaldelijk is gesubstantieerd keer op keer. Dienovereenkomstig, is gezegd, alleen nadat het publiekelijk bekend en duidelijk werd, dat even wat Samuel zou zeggen het zou uitkomen, dat “…. Israël wist…….dat Samuel een profeet was” ( Samuel 1, 3:20 ). Dus, zou het volk het niet nalaten om de profeten te vragen over allerlei gebeurtenissen met betrekking tot hun. ( als het praktisch niet zo was, zou Saul nooit gegaan zijn naar Samuel, voordat hij koning werd voor inlichtingen over zijn verloren goederen ( Ibid, 9:1 ). Dit was ongetwijfeld algemeen gebruikelijk, want De Heilige Geprezen Zij Hij installeerde het instituut van de profeten voor ons, in plaats van een institutie van, sterrenwichelaars en waarzeggers, zodat wij zouden vragen aan hun zowel algemene als individuele kwesties, en zij laten ons kennen al– hun vertrouwenswaardige woorden van de Almachtige, in tegenstelling tot de woorden van de waarzeggers, waarvan sommige uitkwamen en andere niet–zoals Mozes zei (Deuteronomium 18:14-15).

Want al deze volkeren, die je nu verdrijft, schenken wel gehoor aan de voorspellers uit het wolkenbeloop en aan de wichelaars; maar jou staat de Eeuwige , je G`D zoiets niet toe. Een profeet , uit je eigen kring, uit je broeders, zoals ik, laat de Eeuwige, je G`D, bij je opstaan, naar hem moet je luisteren.

Het is daarom dat zij een profeet een “Ziener” noemden (want in die dagen hete een profeet ` een Ziener ` ” [Samuel 1, 9:9]) omdat hij voorzag de toekomst.

SHABBAT (1)

HET UNIEKE KARAKTER VAN SHABBAT

WAT IS HET SPECIALE KARAKTER VAN DIE DAG? WAT BETEKEND SHABBAT VOOR ONS, EN WAT IS HAAR UNIVERSELE BOODSCHAP?

DEEL 1

1. De shabbat bruid

De Thora vertelt ons , in het beginne, dat G`D de wereld schiep in zes dagen, en dat aan het einde van de zesde dag de hemel en de aarde met al hun menigten waren voltooid. Toen ruste G`D met alle creatieve activiteiten, “en G`D zegende de zevende dag en maakte hem heilig.” (Genesis 2:1-3)
Dus direct vanaf het begin van de schepping, heeft G`D de shabbat apart geplaatst van de andere dagen van de week, als een heilige dag.
Maar voor wie was de Shabbat bestemd? Wie was om te accepteerde, te waarderen en heilig te houden? Het antwoord is te vinden in de volgende zeer betekenisvolle Midrash:

Rabbi Shimon ben Jochai leerde: Toen G`D de heilige Shabbat schiep, zij het tegen de Heilige Geprezen zei Hij: “Elke dag die U creëerde had een levensgezel. Zal ik de enige zijn die alleen blijft, zonder levensgezel?”. Antwoordt G`D, “Het Joodse Volk zal je levensgezel zijn.” En zo, terwijl het Joodse Volk aan de voet van de Berg Sinai stond om de Thora in ontvangst te nemen en een natie te woorden, verklaarde G`D (in de tien geboden): ” Vergeet niet om de Shabbat te heiligen!” Anders gezegd, “Herinner Mijn Belofte aan de Shabbat dat zij de levensgezellin zal zijn van de Joodse Natie.” (Bereshieth Rabba 11:9)

De Zohar (Tikkoenei Zohar 69a) spreekt over het Joodse Volk en de Shabbat in termen als Bruid en bruidegom, daarom wordt de Shabbat verwelkomd met de woorden, bo`i kalla, bo`i kalla– “Welkom bruid; welkom bruid!” (Bavli, Shabbat 119a). De herhaling, bo`i kalla, verwijst naar de twee grote eigenschappen van de “bruid”, zijnde “gezegend” en “Heilig”, zoals is geschreven, “En G`D zegende de zevende dag en maakte hem Heilig.” (Genesis 2:3 )
Inderdaad, volgens Rabbi Jitschak Arama in zijn Akedat Jitschak, (Bereshit, Shaar 4) het woord L`kadsho– “het heilig houden” — mag vertaald worden als “het verloven”, in de zin van heiliging.
Vanuit deze weg vertellen onze Wijzen dat de Shabbat uniek Joods is, nog exacter, dat het Joodse Volk en de Shabbat niet te scheiden zijn; zij zijn vanaf hun “geboorte” bestemd voor elkaar. Zonder de Shabbat is het Joodse Volk eenvoudig niet denkbaar, juist zoals het Joodse Volk zonder Thora ondenkbaar is. Dit is een van de redenen waarom de Shabbat gelijkgesteld is met al de Mitzwot van de Thora. (Jerushalmi. Bereshit Hfd. 1:5; Shamot Rabba 25:16.)

2. SHABBAT VAN DE SCHEPPING

Zoals al eerder vermeld, is de origine van de Shabbat, aangeduid als Shabbat van de Schepping, aangegeven in het vers beginnend met Wajechoeloe, (Genesis 2:3) welke ook is op genomen in de eerste Amida ( Achttiende gebed ) van de avond van Shabbat (vrijdagavond). De Shabbat wordt niet meer expliciet genoemd in de Thora, tot aan, na de uittocht van Egypte, in verband met het manna. Dit hemelse brood daalde niet neer op Shabbat, maar in plaats daarvan, ontvingen de kinderen van Israël een dubbele hoeveelheid op vrijdag voor Shabbat. Toen vertelde Mosje Rabbijnoe de kinderen van Israël: ” Zie in dat de Eeuwige jullie de Shabbat heeft gegeven.” (Exodus 16:29) De Shabbat was niet iets nieuws voor de kinderen van Israël, want, zoals onze wijzen ons vertellen, zij wisten het al traditioneel vanaf de tijd van Abraham en onderhielden het zelfs in Egypte. Maar bij deze gelegenheid ontvingen zij de eerste Halachische instructies (het geldende recht in joods- wettelijke zin) en enkele weken later ontvingen zij formeel de instructies van Shabbat in de Tien Geboden aan de Berg Sinai. (Exodus 20:8)
Nadat de Thora was gegeven aan het volk, werden de instructies om de Shabbat te onderhouden vele keren herhaald met grote nadruk. De ochtend Amida van Shabbat (het achttiende gebed) bevat een zeer bekende passage over Shabbat:
De Kinderen van Jisrael moeten de Shabbat houden als een eeuwig verbond, door de Shabbat te vieren tot in hun verste geslachten. Tussen Mij en de kinderen van Jisrael is het eeuwig een teken, dat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte, maar op de zevende dag ophield en herademde. (Exodus 31: 16-18)

Hier verteld de Thora de essentie van Shabbat als een levend teken van G`Ds schepping, dat het Joodse volk, door het houden van de Shabbat, hardop proclameert dat G`D de schepper is van hemel en aarde en dat zij bevestigt het eeuwigdurend verbond tussen G`D en het Joodse volk. G`D heeft Zijn schepping gekroond met de Shabbat en heeft deze kroon gegeven aan het Joodse volk. De Geleerden van de Talmoed drukken het zo uit: “Een waardevolle gift– zegt G`D– heb IK in Mijn schatkamer: zij heet Shabbat en IK geef het aan jullie.” (Shabbat 10b) Het dragen van deze kroon is natuurlijk een groot privilege: het maakt het Joodse volk G`Ds getuigen in deze wereld. Maar het plaatst ook op hen een zeer grote verantwoording.

DEEL 2 VOLGENDE PLAATSING.

Het Licht – Metafoor

Net zoals de ziel voorziet in een favoriet metafoor, zo vinden we dat de term ‘licht’ bij mystici een gefavoriseerde karakteristiek is voor de verschillende emanaties en manifestaties van het goddelijke. [Ook deze metafoor, net zoals de vorige, komen overvloedig voor in de Talmoedische- Midrashiem en mediëval-filosofische geschriften enz; zie Berachot 17a, 64a enz, (het concept van Ziv HaShechina; de uitstraling van de Shechina); Sifre, en Midrashiem, op Numeri 6:25; Pirkei de R. Eliezer, hfs.3; Leviticus Rabba hfs. 32 in bijzonder deel 6; Numeri Rabba 15:5; enz. enz.

Deze term is zeer zorgvuldig gekozen voor een aantal redenen. R.Joseph Albo ziet in het volgende, een gunstig voordeel om analogische gerelateerd te zijn tot G`D: (i) De existentie van licht is niet te ontkennen. (ii) Licht is niet een lichamelijk ding. (iii) Licht veroorzaakt de mogelijkheid van waarneming en de zichtbare kleuren te laten verlopen van potentialiteit naar realiteit. (iv) Licht verrukt de ziel. (v) Iemand die nog nooit een lichtgevende massa, lichaam heeft gezien in zijn leven, kan geen kleuren ontvangen noch de aangenaamheid en verrukkelijkheid van licht. (vi) En zelfs hij die lichtgevende objecten ziet, kan niet voortdurend staren naar intens licht en als hij het volhoudt te staren boven zijn uithoudingsvermogen, vervagen zijn ogen, zodat hij daarna niet meer kan zien wat normaal zichtbaar is. Door in bezit te zijn van al deze eigenschappen en kwaliteiten draagt licht een grotere overeenkomst tot de dingen welke vrij zijn van materie dan welke andere dingen ook die met zulke vergeleken kunnen worden, vandaar dat zij zijn vergeleken met licht, zodat het de zaak begrijpelijker maakt.

R. Joseph Ergas stelde evenzo een lijst samen met de volgende gunstige eigenschappen: (a) Licht is het meest subtiele van alle zintuiglijke waarnemingen. (b) Licht heeft talrijke karakteristieke eigenschappen van de Goddelijke uitvloeisels, zoals bijvoorbeeld, (i) Licht is afgegeven zonder te zijn gesepareerd van lichtgever. Zelfs wanneer zijn bron is verhuld of ver verwijdert, dus niet langer uitstralend zintuiglijk waarneembaar licht, blijft de voorafgaande straling geen gesepareerde entiteit van de lichtgever maar trekt terug in het.

Dit is een unieke eigenschap van licht welke is niet gedeeld met enig ander essentie. (ii) Licht verspreid zichzelf ogenblikkelijk. (iii) Licht beschijnt alle fysieke objecten en is in staat ongehinderd door alle transparante objecten door te dringen. (iv) Licht vermengt zich niet met andere substanties. (v) Licht perse verandert nooit. De gewaarwording van meer of minder intens licht, of van verschillend gekleurd licht, doet niet af tot enige verandering in het licht perse maar doet af aan externe factoren. (vi) Het ontvangen van licht en het absorberen ervan is relatief aan de capaciteiten van de ontvanger; Enzovoort.

Maar opnieuw, deze term is alleen een homonieme benadering in de zin van metafoor en analogie. Het moet niet geheel in de letterlijke zin genomen worden. R. Joseph Albo heeft alreeds voor gewaarschuwd dat “Niet de foute conclusiegemaakt moet worden, dat intellectueel licht iets is van een lichamelijk object, zoals waarneembaar licht.” R. Moses Cordovero is nog nadrukkelijker in het waarschuwen dat deze metafoor niet te ver mag gaan “Want er is hoe dan ook geen imagovorming mogelijk van iets wat niet lichamelijk is.” En R. Menachem Mendel van Lubavitch laat zien hoe, in bepaalt opzicht, deze analogie klaarblijkelijk ook niet toereikend en haalbaar is. Bijvoorbeeld, het waarneembare uitstralende licht van zijn bron is zelfwerkend en een innerlijke noodzakelijkheid: de lichtgever kan niet het licht onthouden. Het is onnodig te zeggen dat deze restrictieve eigenschap niet kan worden toe geschreven aan de uitvloeiing van de Almachtige.

Concluderend, zoals de mystici onvermoeibaar blijven zeggen, het kan niet vaak genoeg aan gehaald worden dat alle termen en concepten gerelateerd aan het Goddelijke ontdaan moeten worden van alle tijdelijke, ruimtelijke en lichamelijke bijbetekenissen en begrepen moet worden in een strikt spirituele zin.

MITSWOT: GEBODEN EN VERBODEN

De joodse manier van leven of de levensstijl van een jood die zich aan de Tora houdt,wordt voor bijzonder moeilijk gehouden.Volgens de traditie bestaan er in de Tora 613 ge- en verboden.
Maar dit is in een aantal opzichten misleidend. Allereerst hebben vele positieve geboden – dat zijn de mitswot die iemand verplichten bepaalde dingen te doen – evenals vele geboden eigelijk geen betrekking op het leven, maar op de algemene structuur van de hele Tora of op het joodse volk als geheel. Van geen enkele jood kan derhalve verwacht worden zich aan alle geboden te houden. In werkelijkheid heeft maar een klein deel van de mitswot betrekking op het dagelijkse leven. Maar als men aan de formele lijst van mitswot alle kleine details toevoegt die er niet specifiek in zijn opgenomen, komt men niet aan honderden maar aan duizenden dingen die op bepaalde momenten en plaatsen op een bepaalde manier gedaan moeten worden. Het is zeker zo, dat als men de geboden als gescheiden en los van elkaar ziet staan ieder als een afzonderlijke verplichting en belasting – deze ondergeschikte mitswot een uitgebreide en zelfs dwaze verzameling van nietige details lijken. En als ze dan al niet vreesaanjagend zijn, dan zijn ze op zijn minst lastig. Maar wat wij detail noemen zijn slechts delen van grotere eenheden, die op hun beurt langs velerlei wegen weer tot een geheel worden. Het is net als het bekijken van de bladeren en de bloemen van een boom terwijl men overweldigd wordt door de overvloed, de verscheidenheid en de complexiteit van de details. Maar als men beseft dat het allemaal tot een plant behoort, dat het allemaal dezelfde bladeren zijn die de veelvormigheid van die ene boom maken, dan zijn de details niet langer hinderlijk en worden ze aanvaard als iets wezenlijks van de wonderbaarlijkheid van het geheel.

Een grondgedachte van het joodse leven houdt in, dat er geen speciale referentiekaders zijn voor heiligheid. De relatie van de mens tot God wordt niet apart gezet op een hoger niveau, niet ondergebracht in een of andere speciale hoek van tijd en plaats terwijl de rest van het leven zich elders afspeelt. De joodse levenshouding houdt in dat het leven in al zijn facetten, in zijn totaliteit, op de een of andere manier met heiligheid verbonden moet zijn. Deze houding wordt enerzijds uitgedrukt door bewust handelen, door het zeggen van voorgeschreven gebeden en zegeningen, door het opvolgen van voorgeschreven gedragsregels, en anderzijds door het zich houden aan een aantal verboden.

Een mens gaat in het algemeen door het leven in het bewustzijn dat de wereld een bonte mengeling is van verschillende bedoelingen. Hij probeert zijn eigen verbinding te leggen met al deze vele mogelijkheden. Hij is zich misschien minder bewust van het feit dat er, buiten de wereld die hij kent, werelden boven de werelden bestaan, afhankelijk van zijn daden. In het jodendom wordt de mens, met alle kracht van zijn lichaam en ziel, opgevat als de centrale figuur, de hoofdrolspeler op een kosmisch podium. Hij functioneert of treedt op als de oorspronkelijke beweegkracht van de werelden, die gemaakt zijn naar het beeld van de Schepper. Alles wat hij doet sluit een scheppingsdaad in, zowel in zijn eigen leven als in andere werelden die voor hem verborgen zijn. Ieder deel van zijn lichaam en iedere nuance van zijn gedachten en gevoel is verbonden met ontelbare krachten van allerlei aard in de kosmos. Hoe meer hij zich bewust is van deze orde van de dingen, des te betekenisvoller zal hij functioneren als jood.
Het stelsel van de mitswot vormt het ontwerp voor een hangende harmonie, waarbij de afzonderlijke delen de instrumenten van een orkest zijn. De harmonie die door dit orkest geschapen moet worden is zo omvangrijk, dat het de hele wereld omvat en de belofte inzicht heeft van de vervolmaking van de wereld.
Als men de mitswot in dit licht ziet, kan men de noodzaak voor zoveel details begrijpen evenals het ontkennen van elke exclusieve nadruk op welk detail of facet van het leven dan ook. De mitswot als stelsel omvat het hele leven, van het moment dat men ’s ochtends zijn ogen opendoet totdat men gaat slapen, van de dag van de geboorte tot de laatste ademtocht.
Niettemin kan voor praktische doeleinden het stelsel van de mitswot verdeeld worden in een aantal hoofdgebieden: gebed en zegenspreuken, gedragsregels voor de bijzondere dagen van de week of van het jaar, voedselvoorschriften, wat is toegestaan en wat is verboden, seksueel gedrag en de relatie tot de medemens.
Het dagelijkse leven wordt gekenmerkt door drie hoofdgebeden. De voorgeschreven inhoud is, behoudens kleine verschillen, voor ieder gebed hetzelfde. Sjachariet, het ochtendgebed, wordt aan het begin van de dag gezegd; Mincha, het middaggebed, voordat de zon ondergaat en Maariev, het avondgebed ’s avonds. De tijden die voor deze gebeden zijn vastgesteld, zijn niet alleen bedoeld om samen te vallen met de verandering in de dag, maar ook als reactie op de subtiele verschillen tussen het licht worden, het donker worden en de duisternis. De gebeden zijn ook verbonden met praktische zaken van de mens. Van het moment dat hij zich ’s ochtends, geestelijk gesproken, voorbereidt op de activiteiten van de dag, tot de namiddag wanneer hij klaar is met zijn dagtaak. En terwijl hij nog midden in de dag staat, wordt hij eraan herinnerd dat hij het contact met heiligheid moet vernieuwen. Het avondgebed, dat na het beëindigen van het dagelijks werk gezegd wordt, is om verantwoording af te leggen aan zijn ziel, en voor de rust.
Het ochtendgebed, waarbij de gebedsriemen gelegd moeten worden en enkele speciale stukken gezegd worden, duurt langer dan de andere gebeden. De liturgie is in zijn geheel een weerspiegeling van de historische ontwikkeling van het joodse volk, waarbij iedere periode zijn eigen toevoeging kent. Hierdoor bevatten de gebeden naast grote stukken uit de Bijbel, gedichten en gebeden uit de tijd van de Tweede Tempel en de daaropvolgende periodes tot en met de Middeleeuwen en zelfs nog later.

Deze gebeden hebben in diepere zin een dubbele betekenis, gemeenschappelijk en persoonlijk. Voor het grootste deel zijn ze algemeen, en geen smeekbeden van iemand die moeilijkheden heeft. Iemand die in nood verkeert, wendt zich vanzelfsprekend tot de bron van heiligheid met zijn eigen individuele verzoek of dankbetuiging, maar de liturgie in zijn geheel voorziet alleen maar in het deelnemen van het individu aan de gebeden van het volk. Daarom hebben de gebeden een vaste volgorde en woordkeus en worden in het algemeen in het meervoud gezegd. Tegelijkertijd wordt binnen deze volgorde een gebed, een vers of een zin of zelfs een hele rij gebeden gezegd die de gevoelens van een individu op een bepaald ogenblik uitdrukken. In het gebed zelf vindt een soort eenwording van alle aanwezige zielen plaats. De mensen die aan het gebed deelnemen, lijken zich van elkaar bewust te worden en zich met elkaar verbonden te voelen, juist als er een gevoel van verbondenheid met het algemeen welzijn wordt uitgesproken. Zo kan de mens die bidt, als hij dat wil, een persoonlijk thema binnen de vastgestelde liturgie invoeren. Er is met opzet voldoende ruimte voor iedereen om de eigen gevoelens tot uitdrukking te brengen. Persoonlijke gebeden worden niet geacht spontane emotionele uitbarstingen te zijn, en er is ook inderdaad geen plaats voor dergelijke uitbarstingen. Er is een bepaalde tijd en een speciale formulering gereserveerd voor een persoonlijk gebed en wanneer men er behoefte aan heeft, kan men daar gebruik van maken. De traditionele liturgie is een steeds terugkerende oefening voor de ziel, vastgelegd in een zorgvuldig gekozen proces, wat door de mensen als een collectief geheel door de eeuwen heen is bepaald. Het omvat verschillende meditatieoefeningen voor en tijdens het gebed en verschaft een mogelijkheid om binnen een gecontroleerde situatie in een hogere bewustzijnsstaat te komen. Zo is gebed niet alleen een prevelen van bepaalde woorden maar ook een sleutel en een soort ladder waarop iemand, wanneer hij werkelijk openstaat voor het wezen van het gebed, steeds een stapje hoger kan komen.
Behalve deze gebeden, waarvan de inhoud min of meer vastligt, bestaan er veel zegenspreuken. Deze zijn in het algemeen vrij kort, en herinneren iemand eraan dat de daden die hij verricht niet zonder meer handelingen zijn, maar dat zij een betekenis en een inhoud hebben. Een dergelijke zegenspreuk wordt bijna voor iedere mitswa gezegd en ook voor bijna alles waarvan men geniet in het leven of het eten en drinken is, een geur of iets prettigs om te zien. De werkelijke functie van de zegenspreuk is iemand eraan te herinneren dat hij moet stoppen met het proces van gewoonte en routine, dat hem altijd naar het gebied van het mechanische en zinloze trekt. Bij elk moment van verandering in de voortgang van het leven moet men met enkele woorden tot uitdrukking brengen dat het bijzondere dat men aan het doen is met voor of van zichzelf is, maar dat het op een zeker punt verbonden is met een hogere wereld. Zo komt men door deze zegenspreuken, verspreid over de hele dag in alle mogelijke situaties, tot een integratie van de gewone alledaagse elementen van het leven en tot een hogere orde van heiligheid.
Behalve de werkdagen met hun eigen dagelijks terugkerende gebeden, bestaan er de langere cycli van de week, de maand en het jaar, ieder met zijn bijzondere dagen: Sjabbatot, feestdagen en gedenkdagen. De gedenkdagen zijn gewoonlijk heilige dagen, vastendagen die aan treurige gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk herinneren of vreugdevolle dagen die wonderen en daden van goddelijke genade gedenken. Maar de centrale peilers in de structuur van de joodse kalender zijn de Sjabbat en de feestdagen, waarover in de Tora wordt geschreven. Het thema en het speciale karakter van deze dagen wordt gekenmerkt door feestelijke innerlijke rust. Het zijn dagen waarop geen enkele arbeid of bepaalde activiteit wordt verricht.
De Sjabbat met zijn strenge verbod tegen elke vorm van werken is verbonden met het Scheppingsproces. Zoals de schepping van de wereld in zes dagen plaatsvond, zes dagen waarin de dingen geschapen werden die de materiele wereld vormen, zo worden de zes dagen gewijd aan het werken voor de materiele wereld, het herstel, de opbouw, het op een hoger plan brengen. De Sjabbat die hierop volgt is weer een terugkeer naar het innerlijke leven – net als van de Schepper zelf – naar de hogere werelden, de geestelijke essenties, de onveranderlijke bron van alle verandering. Want om het evenbeeld van God te zijn, moet de mens de oorspronkelijke Schepping voortzetten, aanvullen of herstellen en zich dan in zichzelf terugtrekken, waarbij hij zich afzijdig houdt van lichamelijke activiteit, en de heiligheid die.van rust en volledige vrede uitgaat vernieuwt. De Halacha, de formele structuur die de volgorde van de mitswot bepaalt, schrijft zeer nauwkeurig de vele dingen voor die op Sjabbat verboden zijn. Maar zij zijn allen afgeleid van dezelfde grondgedachte: de Sjabbat is de dag waarop men ophoudt Schepper te zijn in het gebied van de buitenwereld en men zich naar binnen keert naar heiligheid. Deze tweeledige eigenschap van de dag waarop men zich van creativiteit dient te onthouden en tegelijk de creativiteit, in geestelijke termen gesproken, moet voltooien, vloeit vanzelfsprekend uit deze gedachte voort. Tikkoen – het orde op zaken stellen in de wereld, en zelfs het werken aan zijn eigen ziel of het helen van haar wonden -mag niet op de Sjabbat. De Sjabbat moet dienen voor een overzicht van de dingen die gedurende de week verkregen zijn, in een poging hen geestelijk te verheffen en bewust of onbewust de week tot een grotere harmonie te brengen, tot een hoger niveau van vervolmaking. Zo wordt de Sjabbat de voltooiing of bekroning van de week wanneer al datgene van materiele en geestelijke aard, dat gedurende de zes voorafgaande dagen gedaan werd, wordt samengevat en doorleefd. Dat wil zeggen, dat het op een hoger niveau van wijding komt zodat er opnieuw in de daarop volgende week een opstijgen in dezelfde cyclus van dagen kan zijn.
Het rust houden en het afwijzen van de dagelijkse activiteit geldt ook voor de feestdagen, ondanks het feit dat deze dagen niet dezelfde diepe gedachte inhouden: het navolgen van het goddelijke Scheppingsproces van de wekelijkse kringloop. Wel zijn zij verbonden met de cyclus van het jaar, de jaarlijkse herdenking van historische gebeurtenissen in de geschiedenis van het volk, die ook de goddelijke geschiedenis van de mensheid is. Er zijn bepaalde dingen toegestaan om de strengheid van de Sjabbat op feestdagen te vergemakkelijken, niettemin gaat het om het naar binnen gekeerd zijn. Iedere feestdag heeft en bijzonder karakter, een eigen essentie en een eigen spiritualiteit, waardoor de manier van vieren en de houding van de ziel verschillend zijn. De jaarlijkse cyclus loopt van Pasen, wanneer het begin van het leven van de ziel en van het volk herdacht wordt, via het Sjawoeot feest naar het Soekkot feest. Op Sjawoeot wordt herdacht dat weerstanden en obstakels zijn overwonnen en de Tora gegeven is, hetgeen het staan voor de Allerhoogsten betekent. Soekkot is het feest van de rijping, volwassenheid en beloning.
Grote Verzoendag, die ook tot de feestdagen gerekend wordt, is een bijzondere dag. Hoewel het een vastendag is, is het ook de Sjabbat Sjabbaton, een dag van volledige werkonthouding. Deze dag belichaamt een moment in de tijd dat nog boven de Sjabbat uitgaat. Het is de dag in het jaar die verzoening brengt, wanneer de lagere menselijke wereld weer opstijgt, niet alleen boven de cyclus van het stoffelijke leven uit, maar in zekere zin ook boven de allesomvattende factoren die alles in het eigen individuele bestaan bepalen. Het is de dag waarop men niets doet, omdat het scheppend vermogen in de wereld tot stilstand komt. Het is de dag waarop men niets eet of drinkt, omdat vanaf het eerste begin de mens dan uit de schoot van de wereld in een ander rijk komt. Alleen door dit staan voor God, wat de uiteindelijke verlossing van het zwoegen inhoudt en het heengaan uit de wereld komt de mens in aanraking met datgene, dat boven de wereld is, met het goddelijke, het Absolute. Aan Zijn zijde is hij in staat uit te stijgen boven de grenzen van het verleden, boven de daden die hij heeft verricht en het leven dat hij heeft geleefd. Zo kan hij een hoger stadium van ‘zijn’ bereiken, en rust vinden en een nieuw begin op het vlak van de goddelijke vergevensgezindheid.
Nogmaals, alle feestdagen, feesten en gedenkdagen hebben vele kanten, die vaak gezien worden als lastige beperkingen of gewoonten die allen organisch gegroeid zijn uit de fundamentele betekenis van de gewijde dag waartoe zij behoren. Zo moet iemand om de zegen van een bijzondere dag te genieten zijn energie concentreren en zich bewust instellen op deze betekenisvolle gedachte en de symbolische voorstellingen ervan. Hij moet zichzelf afstemmen om de weerklank op te vangen. Dan zullen de talrijke en verschillende details van de geboden geen belasting meer zijn en geheel geaccepteerd worden als een uiterlijke expressie, als de heldere en specifieke relatie van de mens met de fundamentele geestelijke beleving.

De mitswot en de halachot die voorschrijven wat een jood al dan niet mag eten – wat allemaal met kasj’roet te maken heeft – zijn gebaseerd op het principe dat een mens geen hoger, nobeler geestelijk leven kan leiden zonder dat het lichaam eerst een geschikte voorbereiding ondergaat. Aan de ene kant vormen de voorschriften van wat men wel en niet mag eten een soort heilig dieet, een systeem van instructies die iemands keuze van voedsel bepalen, waardoor hij maximaal kan benutten wat uit de wederzijdse invloed van lichaam en ziel voortkomt. Het eten van verboden voedsel is, in joodse zin, niet alleen een overtreding van het heilige – en derhalve een vereenzelviging met het gebied van het kwade – maar het schaadt ook het netwerk van de relaties van lichaam en ziel. Dit principe gaat er van uit dat voedsel een zaak is van verschillende niveaus, opklimmend in de kwaliteit van `zijn’, zoals het verschil van het niveau van het stoffelijke en het levende met planten, dieren en speciale soorten dieren, waarbij er een steeds groter aantal beperkingen geldt voor de wijze waarop ieder soort voedsel klaargemaakt en gegeten wordt. Dat wil zeggen, dat op het gebied van het stoffelijke niets werkelijk verboden is, omdat dit gebied niet gevoelig is voor het onderscheid tussen het heilige en het niet-heilige. Zelfs wat planten betreft hebben de beperkingen alleen betrekking op wat groeit in Israël. Alles wat buiten het Heilige Land groeit wordt ten allen tijde als eetbaar beschouwd, terwijl het eten van dingen die binnen het land groeien door regels wordt beperkt. Hierbij gaat men ervan uit dat de heiligheid van het land aan de dingen een hoger niveau van ‘zijn’ geeft en de mens gevoeliger maakt voor heiligheid.
Het beginsel wordt duidelijker zichtbaar op het vlak van het dierlijke leven, het eten van vlees. Er zijn vanzelfsprekend verschillende groepen van verboden. In de eerste plaats zijn alle ongewervelde dieren absoluut verboden. De meeste vissen met vinnen en schubben zijn toegestaan, andere vissen niet. Ook is er geen speciale bereiding nodig voor het eten van vis. Wat gevogelte betreft: er is een bepaalde lijst van vogels die men mag eten. Maar zij moeten op en speciale manier worden geslacht, waarbij bepaalde gebeden moeten worden gezegd en zo min mogelijk pijn en leed veroorzaakt mag worden. Ook moet het bloed op en bepaalde wijze wegstromen, zodat het vlees geschikt is om door het menselijk lichaam opgenomen te worden. Voor het eten van hogere dieren bestaan zelfs nog strengere voorschriften – slechts een klein aantal is toegestaan. Het slachten en bewerken voor de bereiding zijn met grote nauwkeurigheid voorgeschreven. Het door elkaar gebruiken van sommige soorten voedsel zoals vlees- en melkproducten is absoluut verboden.
Het mengen van twee stoffen van verschillende aard is een algemeen verbod in de Halacha. Dit gaat verder dan het kasj’roet van de spijswetten. Wij kennen zeker niet in ieder vlak van het bestaan de grenzen van onderscheid tussen het ene voorschrift en het andere, maar in de Tora wordt een aantal met name genoemd, opdat enige zuiverheid gehandhaafd blijft. Het gaat natuurlijk niet om zuiverheid op zich, maar om de noodzaak alle dingen in de wereld tot de staat van Tikkoen of volmaaktheid te brengen, hen op een hoger plan te brengen door ze te verbeteren, te herstellen en ze in de juiste verhouding tot elkaar te plaatsen; om iets te herscheppen door het zo volledig mogelijk te laten bestaan en te verlossen door het volledig tot ontplooiing te laten komen. Op die manier leidt het eten van iets niet tot vernietiging en verwoesting, maar tot een Tikkoen of heiliging van het voedsel. Het eten van onrein of op onjuiste wijze gemengd voedsel maakt neerslachtig en veroorzaakt een vermindering en verlaging van het bewustzijnsniveau.
Daarom ook betekent eten en drinken op Sjabbat en feestdagen meer dan het bevredigen van de normale behoeften. Het is een mitswa op zichzelf, omdat op dergelijke heilige dagen het volk de wereldse zaken beter op een hoger plan kan brengen en heiligen. Zo wordt de feestdag een gelegenheid tot eenwording met de Schepper. Ten tijde van de Tempel was het rituele offer op zichzelf een gelegenheid voor een gemeenschappelijke maaltijd, waaraan de mensen in verbondenheid met de Hogere Macht deelnamen. Tot op de dag van vandaag wordt een gewone tafel beschouwd als een soort altaar waaraan degene die voedsel gebruikt een dergelijke daad vervult, hoe onvolledig ook, waarbij hij het stoffelijke verheft tot het menselijk niveau door het de doeleinden van de mens te laten dienen en door het bepaalde krachten uit de wereld te laten overbrengen naar een gebied waar heiligheid werkzaam is. Er moet daarom met buitengewone zorg worden gelet op wat gegeten wordt en de manier waarop men eet moet in overeenstemming zijn met het doel van de heiliging. Eten is niet zomaar een onverschillig genot zoeken; het is een ceremonie.
Er bestaat ook een dergelijke houding ten aanzien van het seksuele leven. In het jodendom wordt seks nooit beschouwd als iets verkeerds of schandelijks. Integendeel, het wordt als een daad van een hogere orde gezien, die de mogelijkheid in zich heeft de nobelste eigenschappen naar buiten te brengen, niet alleen op het gebied van het individuele gevoel, maar ook op het gebied van het heilige. En het is niettemin juist vanwege deze mogelijkheid dat er strikte beperkingen bestaan. De gehele orde van relaties tussen de verschillende werelden kan worden opgevat in de zin van intieme verbintenissen, als een soort van seksuele relatie tussen de ene wereld en de andere, tussen het ene niveau van ‘zijn’ en het andere. Daarom hebben seksuele relaties een enorme invloed op de ziel. Dit alles maakt duidelijk waarom het noodzakelijk is om een diepe eerbied te hebben voor, en bezorgd te zijn over alles wat het gebruik van de kracht van seks betreft, nog afgezien van, het primaire vermogen ervan – het scheppen van een nieuw leven. In beginsel wordt in het jodendom seksualiteit niet uitsluitend beschouwd als een middel tot voortplanting van het menselijk ras of als middel tot vruchtbaar zijn en vermenigvuldiging. De relaties tussen man en vrouw vormen een organisch netwerk, dat een eigen leven leidt. Het vormt de schepping van een andere eenheid, het gezin, dat de kern van het sociale bestaan vormt. In diepere zin is de gezinseenheid een deel van de integratie van het menselijk individu. Met andere woorden; het niet-verbonden individu is nog niet een volledig persoon; de totale individu is altijd tweeledig, man en vrouw. Zelfs terwijl beide partners verplicht zijn hun eigen werk te doen – lichamelijk en geestelijk – is het toch de soort wederzijdse relatie die hen op het vlak van de mensheid een plaats geeft.
Als gevolg hiervan zijn seksuele relaties buiten het echtelijk verkeer verboden. De verboden op alle andere seksuele relaties zijn ontleend aan het feit dat dergelijke relaties in wezen niet leiden tot het niveau van volledigheid of eenheid die voor een menselijk wezen vereist is. Hoewel het gebod ‘wees vruchtbaar en vermenigvuldig u’ slechts een deel en niet een noodzakelijk deel is van de bedoeling en de betekenis van het seksuele leven, is het een kwestie van principe dat het seksuele leven gebaseerd zou zijn op relaties die tenminste de mogelijkheid tot voortplanting omvatten. Dit principe is op zijn beurt afgeleid van de joodse opvatting, dat heiligheid zo’n levende werkelijkheid is dat het vruchtbaar moet zijn, in staat tot groei, ontwikkeling en het dragen van vrucht. Op dezelfde wijze ligt al datgene wat deze mogelijkheid tot voortplanting en groei niet heeft – wat niet in verband staat met de schepping van een nieuwe vorm – dichtbij het gebied van corruptie, dood en kwaad. De bepalingen die ten aanzien van de seksualiteit bestaan zijn daarom in hoofdzaak bedoeld om het geslachtsverkeer te beperken tot de eenheid die de basis van het gezin vormt, tot de man-vrouw, de mannelijke-vrouwlijke interactie en tot de volledigheid en volmaaktheid die daaruit voortvloeien en het dienovereenkomstig voortbrengen van nieuw leven. Om dezelfde reden wordt erotiek begrensd tot zijn eigenlijke kader. Als seksualiteit en erotiek welig tieren en de levenskracht zonder enige werkelijke innerlijke betekenis nutteloos wordt verbruikt, worden seksuele relaties een onpeilbaar verderfelijk proces in die zin dat grote goddelijke krachten misbruikt en verspild worden. De voorschriften omtrent seksuele reinheid, de regels omtrent seksuele gewoonten en het juiste moment voor geslachtsverkeer binnen het gezin zijn bedoeld om deze levenscyclus te integreren in de grotere bestaanscycli. Tegelijkertijd zijn ze bestemd om de seksuele kracht te gebruiken om op een hoger niveau te komen. Een van de centrale peilers van het joodse denken is altijd de Tikkoen van de maatschappij geweest, de taak om de maatschappij op orde te brengen, hem stevig te laten rusten op een gemeenschappelijke inspanning en zijn individuele leden harmonieus te laten functioneren. De Tora bestaat dan ook uit veel meer dan een nauwkeurige beschrijving van de mitswot en de overtredingen. Niet alleen bestaat er geen algehele terugtrekking uit het leven, maar er wordt zelfs aangedrongen op het handhaven van een bepaalde waakzaamheid ten aanzien van het welzijn van de maatschappij en het werken aan een betere wereld. Vandaar ook het algemene verbod tegen het vernietigen van ieder ding dat gebruikt kan worden en waarde heeft, en het voorschrift om zich bezig te houden met dingen die creatief en nuttig zijn. Als het de maatschappij in zijn geheel aangaat, wordt iedere asociale daad of hij uitdrukkelijk verboden is door de Tora of niet, als een overtreding beschouwd. Iemand moet zich tegenover anderen veel beter gedragen dan tegenover zichzelf. In feite moet de ander op het beeld van God lijken en ieder onrecht dat hem wordt aangedaan is als een onrecht aan het goddelijke beeld in zichzelf. Als men deze gedachtegang volgt is het verboden zijn naaste lichamelijk letsel toe te brengen, evenals liegen, stelen, bedriegen en dergelijke. Vergrijpen zoals belediging, laster en roddel worden in veel opzichten als veel ergere misdaden beschouwd dan specifieke religieuze of rituele overtredingen. Er wordt niet voor niets gezegd dat Grote Verzoendag (Jom Kippoer) verzoening schenkt voor overtredingen die de mens jegens God begaat, maar niet voor overtredingen die men tegenover zijn naaste begaat. Het laatste is dubbel zondig, omdat er kwaad gedaan wordt tegenover de mens en tegenover God. Zolang de overtreder zijn naaste geen verontschuldigingen aanbiedt, kan hij geen vergeving en verzoening van God verwachten.
Sociale verplichtingen omvatten alle familierelaties, zoals de plichten van ouders ten opzichte van hun kinderen en de eer die aan ouders bewezen moet worden. Zij reiken van de noodzaak zich te bekommeren om alle leden van een gezin, tot de zorg voor zijn vrienden en kameraden. Een steeds terugkerende en diep verankerde uitdrukking in de traditie is gemieloet chassadiem (het verlenen van naastenliefde).
Hiermee wordt de algemene mitswa om goed te doen bedoeld en om mensen op alle mogelijke manieren materieel of op andere wijze te helpen. De bedoeling van deze mitswa is dat de maatschappij en zijn leden het kwade van maatschappelijk individueel ongeluk moeten herstellen. Dit voert ons tot een essentieel beginsel in het jodendom; het zelfrespect, een begrip dat uitstijgt boven de persoonlijke waardigheid en de eer van de gemeenschap. Het is afgeleid van het fundamentele gevoel van eerbied en liefde voor de medemens, zoals dit wordt uitgedrukt in de eenvoudigste en de meest formele menselijke relaties en in de noodzaak iedereen die struikelt en valt te helpen zijn evenwicht terug te vinden om weer op eigen benen te kunnen staan. Een noodzakelijke gevolgtrekking van dit principe is het zorgvuldig vermijden van het beledigen van een dode. Dit betekent niet dat er dodenverering bestaat. Het is eerder een directe voortzetting van de eerbied die men iemand tijdens zijn leven toedroeg, eerbied voor het lichaam dat eens tot het goddelijke beeld behoorde.
Bij alle paden die men aldus in het sociale bestaan bewandelt, bestaat er de verplichting zich niet alleen te onthouden van dingen die kwetsend kunnen zijn voor een ander, maar ook om weloverwogen en oprecht te handelen om het leven als geheel te verbeteren en te verheffen. Er bestaat bijvoorbeeld de oude gewoonte een tiende van zijn inkomen af te staan aan liefdadigheid om hiermee anderen te helpen op iedere manier die geschikt lijkt. Hoewel het algemene doel van de ethiek het verbeteren van de maatschappij inhoudt, geldt dit vooral voor ieder individu. Een enkeling wordt beschouwd als een wereld, een totaliteit op zichzelf, en de zorg voor hem moet dezelfde vermenging van liefde en eerbied zijn die men aan een goddelijke verschijning schenkt.
Dezelfde benadering geldt uiteraard voor het volk als geheel. Het joodse volk moet zichzelf als een grote familie beschouwen, als een bijzondere sociale eenheid met nauwe persoonlijke banden. Deze nationale eenheid wordt als een eerste vereiste beschouwd, niet als de som van veel gescheiden delen maar als datgene wat ontstaat uit het opstijgen in niveau van een ziel naar een andere en dat zo’n grote vervolmaking bereikt dat alle zielen van Israël een algemene ziel vormen die de goddelijke verschijning in de wereld is. Daardoor verhouden de verschillende zielen zich tot elkaar als delen van een lichaam.
Vanuit dit gezichtspunt geldt dat hoe hoger iemand opstijgt, hoe meer hij is verbonden met de beproevingen en moeilijkheden van zijn medemens. Want ieder menselijk wezen is een deel van de enkele ziel die de geest is van het gehele universum.

De Mens – Metafoor

In de discussie, Goddelijke relativiteit ten opzichte van het Universum, is de favoriete metafoor van de mystici (ook vele filosofen) de analogie tot de mens. Theologische concepten en de G`D-wereld verhouding, zijn vaak uitgelegd in termen van ziel-lichaam verhouding, en in het bijzonder met de vergelijking van de verschillende ziel-gaven, hun eigenschappen, functies en manifestaties. De ‘bewijstekst’ voor dit taalgebruik is het vers ‘Vanuit mijn vlees voorzie ik G`D’ (Job 19:26) en de Rabbijnse analogie “Juist zoals de ziel doordringt het hele lichaam. ziet maar is niet gezien……ondersteund het hele lichaam…..is zuiver…..verblijft in de binnenste omgeving……is uniek in het lichaam….doet niet eten noch drinken…..geen mens weet waar zijn plaats is…… Dat de Heilige die Een is, geprezen zij Hij…” Ook dit in bepaalde zin volgt het bovengenoemde principe van een ‘aards-bovennatuurlijke overeenkomst’.

Maar zelfs als tijdelijk begrippen van de ziel behulpzaam zijn om kwesties te begrijpen die gerelateerd zijn aan het Goddelijke, dan is dit maar een antropomorfistische benadering welke niet te ver mag gaan, zo nodig beperkt.

Het moet onthouden worden, zoals R. Schneur Zalman karakteriseert, dat in sommige opzichten de analogie instort en compleet ontoereikend is: “Deze parallel is alleen ter bevrediging van het oor. In werkelijk echter, heeft de analogie geen enkele overeenkomst tot het vergelijkbare oogmerk. Want de menselijke ziel… is geaffecteerd door de accidenten van het lichaam en zijn pijn. terwijl de Heilige die Een is, geprezen zij Hij, niet, de Hemel verbied, is geaffecteerd door de accidenten van de wereld en zijn veranderingen, noch door de wereld zelf; zij bewerkstelligen geen enkele verandering in HEM…..”. Evenzo, “De ziel en het lichaam zijn in werkelijkheid verschillend van elkaar, van uit hun absoluut bron gezien, want de bron van het lichaam en zijn essentie komen niet in tot– zijn–vanuit de ziel…”. Dus terwijl het lichaam volledig ondergeschikt mag zijn aan de ziel, zijn er, niettegenstaande, twee verschillende entiteiten. In contrast, “in relatie tot De Heilige die een is, geprezen zij Hij, die alles tot existentie brengt ex nihilo, is alles absoluut genullificeerd, net zoals het licht van de zon is genullificeerd in de zon zelf”. M.a.w. licht is niets vergeleken tot zijn bron.

HFD. 2: PROFETIE

Bron quotatie gerelateerd aan hoofdstuk 2 Profetie.

De Eeuwige zei tegen Mosje: “Zie, IK kom in een dichte wolk bij je opdat het volk horen zal als IK met je spreek, waardoor ze ook op jou zullen vertrouwen, voor altijd!” (Exodus, 19:9).

De Eeuwige zei tegen Mosje: “Zo moet je het zeggen tegen de Kinderen van Jisrael: Jullie hebt het zelf waargenomen dat IK van de hemel uit met jullie gesproken heb (Exodus 20: 19). Want dit gebod, dat ik je heden voorschrijf is niet iets bovennatuurlijks voor je en het is niet iets dat ver verwijderd is. Het is niet in de hemel, zodat je zou moeten zeggen: Wie stijgt er voor ons naar de Hemel, haalt het voor ons en laat en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen. Ook is het niet aan de overkant van de zee, zodat je zou moeten zeggen: Wie steekt er voor ons over naar de overkant van de zee, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen. Integendeel, volkomen binnen je bereik is het gebod, zowel om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart te doen (Deuteronomium 30:11-14). Want al deze volkeren, die je nu verdrijft, schenken wel gehoor aan de voorspellers uit het wolkenbeloop en aan de wichelaars; maar jou staat de Eeuwige, je G`D, zoiets niet toe. Een profeet uit je eigen kring, uit je broeders, zoals ik, laat de Eeuwige, je G`D, bij je opstaan, naar hem moet je luisteren. Geheel in overeenstemming met wat je zelf van de Eeuwige, je G`D, bij de Chorew gevraagd hebt op de dag der samenkomst, toen je zei: Ik wil niet verder luisteren naar de stem van mijn G`D en dat grote vuur wil ik niet meer zien, opdat ik niet zal sterven. En toen zei de Eeuwige tegen mij: Ze hebben gelijk met wat ze daar zeggen. IK zal een profeet laten op staan uit de kring van hun broeders evenals jij bent en IK zal Mijn woorden in zijn mond leggen, dan zal hij tot hen spreken al wat IK hem gebied. En diegene die niet luistert naar Mijn woorden die hij uit Mijn naam zal spreken, van hem zal IK zelf rekenschap vragen. Maar de profeet, die de brutale opzet heeft iets uit Mijn naam te verkondigen wat IK hem niet heb opgedragen te zeggen of die uit naam van andere goden spreekt, die profeet moet sterven. En als je bij jezelf denk: Hoe kunnen we het woord onderkennen dat de Eeuwige gesproken heeft? Dat is het geval als de profeet in naam van de Eeuwige gesproken zou hebben en er gebeurt niets van dien aard en het komt niet uit, dan is dat het woord, dat de Eeuwige niet gesproken heeft. Met brutaal opzet heeft die profeet het dan uitgesproken; heb dan geen angst voor zijn persoon (Deut, 18: 14-22). Alles wat ik jullie voorschrijf, moet je nauwgezet in praktijk brengen, voeg er niets bij, en neem er niets af.
Wanner er een profeet of iemand die in zijn dromen visioenen heeft bij je optreedt en je een teken of een wonder aankondigt en dat teken of dat wonder, dat hij jou beloofd heeft komt uit en hij zegt: Laten we andere, jou onbekende goden volgen en die dienen, luister dan niet naar de woorden van die profeet of van hem die als dromer optreedt, want de Eeuwige, je G`D, stelt jullie op de proef om te weten te komen of jullie wel met heel jullie hart en ziel van de Eeuwige, jullie G`D houden. De Eeuwige, jullie G`D moeten jullie volgen, voor Hem moeten jullie ontzag hebben, Zijn geboden moeten jullie stipt nakomen, aan Zijn roepstem moeten jullie gehoor geven, Hem moeten jullie dienen en met Hem moeten jullie je verbonden voelen.
En die profeet of hij die als dromer optreedt moet ter dood gebracht worden, want hij heeft, met de bedoeling jullie af te brengen van de weg die de Eeuwige , jullie G`D, jullie had voorgeschreven te gaan, afval gepreekt van de Eeuwige, jullie G`D, die jullie uit het land Egypte heeft gevoerd en die jullie verlost heeft uit het slavenhuis; zo moet je het kwade bij je verwijderen.(Deut, 13:1-6)

Op de verklaring van twee getuigen of van drie getuigen kan iemand die ter dood veroordeeld zal worden, ter dood gebracht worden; hij kan niet ter dood gebracht worden door de verklaring van èèn getuigen.(Deut, 17:6)

Wanner het bij een rechtzaak te moeilijk voor je is om te beslissen, tussen het ene halsmisdrijf of het andere, tussen het ene proces of her andere, tussen de ene zaak over letsel of lichaamskwalen of een andere, of bij wat voor verschilpunten ook in je plaatselijke rechtbank, hef de zitting dan op en zoek het hoger ter plaatse, waarop de Eeuwige, je G`D, Zijn keuze zak bepalen. En als je komt bij de priesters, de Levieten en bij de rechter die in die dagen de autoriteit is, vraag dan en zij zullen je de gerechtelijke uitspraak mededelen. Handel dan ook naar de uitspraak die ze je vanaf de plaats die de Eeuwige zal uitkiezen, zullen mededelen en let er op het precies te doen zoals zij je zullen instrueren. Volgens de verklaring van de Thora die zij je instrueren en volgen het vonnis dat zij je zullen zeggen moet je handelen; wijk niet naar rechts noch naar links af van de uitspraak die zij je mededelen (Deut, 17:8-11).

Wanneer er verschillen zijn onder de autoriteiten, zal het oordeel zijn, volgen de meerderheid!( Exodus 23:2).

Wat verborgen is, gaat de Eeuwige, onze G`D aan, maar wat geopenbaard is betreft voor altijd ons en onze kinderen: alle voorschriften van deze Thora in praktijk te brengen! (Deuteronomium, 29:28).

HOOFDSTUK 2. PROFETIE IN RELATIE MET DE MONDELINGE THORA.

Profetie zou ineffectief zijn als een bestemming, om te komen tot de verklaringen van de Thora, of als een aanwending zoals het systeem van de dertien methoden van interpretatie, om te ontlenen de onderverdelingen van de Mitswot. Juister uitgedrukt, wat Jehoshoe`a en Pinchas (de twee leidende deskundige van hun generatie) deden betreffende analyse en redenering, is identiek aan wat Ravina en Raf Ashi (De Samenstellers van de Gemara wat is een analyse van de Misjna zie hoofdstuk acht) plachten te doen. Desalniettemin, werd in feite de unieke invloed, die de Profeet had over de Mitswot, de primaire en fundamentele principes waarop Judaisme zich berust en grondvest.

Om alvorens uitvoerig over te gaan tot de uitleg over de functie van de profeet, zou het vooreerst onmogelijk zijn zonder:

A. Het kwalificeren van de verschillende vormen van claims met betrekking tot het vermogen van profetie die gemaakt kunnen worden en

B. Het omlijnen van de methode waarop de persoons profetie wordt vastgesteld op authenticiteit (als eenmaal zijn claim geldig is), omdat deze informatie eveneens vormt een groot basis principe.

Hele massa`s van mensen zijn al eerder verdwaald met betrekking tot het tweede onderwerp, inclusief een kleiner aantal eminente autoriteiten: Zij veronderstelden dat iemands vermogen van profetie niet substantieel is, totdat hij die het claimt een miraculeus teken vertoond, zoals een van de tekenen welke Mozes onze leraar (z“l) heeft gedaan, de loop van de natuur wijzigen zoals Elia (z“l) deed in wederopstanding weduwe`s zoon (Koningen 1, 17:22), of zoals Elisha (o“h) deed in zijn fameuze miraculeuze wonderen (koningen 2:2-9). Dit is niet een correcte regel. Elia en Elisha en de andere profeten presenteerden niet de mirakels om te verifiëren hun claim op profetie; hun authentieke profetie had zich alreeds van te voren bevestigd. Hun verlangen om deze wonderen te uit te voeren in bepaalde situaties berusten alleen op het feit dat zij zichzelf geroepen voelden het te doen–en zij slaagden in hun doen alleen maar door de intens hechte relatie met De Heilige geprezen zij Hij, Die willigde hun verlangen in, in overeenstemming met Zijn belofte aan de rechtvaardige: “Je zult iets besluiten, en het zal verwezenlijkt worden voor jou” (Job, 22:28). Maar de procedure en discussie voor verificatie die een persoon kwalificeert te zijn, een authentieke profeet verloopt als volgt.

A. Het classificeren van diegene die aanspraak maken op profetie

Allereerst, echter, moet bevestigd worden dat de basis visie met betrekking tot profetie berust op de volgende feiten: diegene die aanspraak maken te bezitten het vermogen van profetie zijn verdeeld in twee groepen, bestaande uit:

(1) Diegene die profeteren uit naam van een vreemde godheid (De gebruikelijke vertaling ” afgoderij ” vanuit het Hebreeuwse avoda zohra is niet correct. Letterlijk betekend zohra zoiets als, vreemd, afwijkend, ongewoon en avoda werken, dienst aan. Dus, iemands handelingen of gedachten onderworpen aan geloof en machten of manifestaties, denkbeelden in plaats van G`D is Avoda Zohra).

(2) Diegene die profeteren uit naam van HaShem

Ad (1) Profetie aan een vreemde godheid is eveneens onderverdeeld in twee types:

(a) Dat van een profeet die optreed en verklaard ” Een bepaalde ster werpt zijn geest op mij en zegt tot mij het te vereren op een bepaalde wijze, zodat het mij kan redden.” of dat een profeet die een oproep doet aan anderen om te vereren iemands beeld of talisman en verklaard ” Een bepaalde existentie heeft zich aan mij geopenbaard in een zekere vorm, en zei tot mij zo en zo, met de opdracht jullie te bevelen te vereren het voor die en dat doel,”zoals de profeten van de Baal en profeten van de Ashera zouden doen. (koningen1,18:28.).

(b) Dat van een profeet die verklaard, “Het woord van Hashem kwam tot mij en Hij zei tot mij te vereren die en die een macht, voor die en dat doel,” en die dan relateert, bepaalde concepten van verering, uitgevoerd door de vereerders van die godheid. Zoals gevest is als een principe in de Thora ( Deuteronomium 18:20), het word eveneens gezien dat deze man profeteert uit naam van een vreemde godheid, ondanks zijn aanwending van de naam Hashem. Want de term vreemde godheidprofetie behelst beide, een die verklaard dat het object het zelf is die oplegt haar te vereren en de ander die verklaard dat het De Heilige geprezen zij Hij, het is, die oplegt om het object te vereren.

Dus, Wanneer op enigerlei wijze iets van deze twee begrippen wordt gehoord van een persoon die uitgeeft te hebben het vermogen van profetie en getuigen met legale confirmaties kan deze handeling bevestigen, zoals is voorgeschreven in de Thora (Deutonomium 17:6), is zijn vonnis executie door wurging. (“En die profeet of hij die als dromer optreedt moet ter dood gebracht worden” [Deuteronomium 13:6]). Het is niet onze aangelegenheid om onszelf bezig te houden hem te examineren en om vast te stellen enige associatie van zijn zijn tot profetie en we zullen niet verzoeken een teken van hem. En zelfs als hij de grootste wonderen en tekens verricht om te bevestigen het vermogen van profetie–Wonderen die nog nooit eerder gezien of gehoord zijn–zal hij desondanks toch moeten worden gewurgd en we mogen geen acht slaan op zijn wonderwerken; omdat de reden dat G`D deze wonderen laat uitkomen is, zoals het schrift vrij duidelijk verklaard: “Want de Eeuwige, jullie G`D, stel jullie op de proef……..” (Ibid., 4). Bovendien, het verstand welk verloochend zijn getuigenis, is veel betrouwbaarder dan de getuigenis van het oog welke ziet zijn wonderen: Het heeft zich alreeds overtuigend bewezen met betrekking tot het menselijk intellect, dat er geen toestemming is om te eren en te eerbiedigen dan alleen de Eeuwige, de Oorzakelijkheid van alle entiteiten, de Unieke en Absolute Enige Perfecte.

Ad (2) Diegenen die profeteren in naam van HaShem zijn eveneens onderverdeeld in twee types:

(a) Iemand die profeteert in naam van de Almachtige, de massa oproept HEM te vertrouwen en oplegt HEM te vereren, maar verklaard, “De Heilige Geprezen Zij Hij heeft toegevoegd een gebod aan de geboden maar die alreeds eerder was aangegeven in de Thora,” of, “….een Thoragebod te niet doet”.
Zo een persoon is een valse profeet. Dat houd eveneens in een profeet die of verhoogt of vermindert het aantal van een numerieke samengestelde mitswa (gebod) in een schriftelijk vers van de Thora, of iemand die toevoegt of vermindert de opinie en bedoeling van een modelinge wet. Een voorbeeld van verhoging of vermindering van het aantal van een numerieke samengestelde mitswa van een schriftelijke vers in de Thora zou door hem als volgt zijn, ” De Heilige Geprezen Zij Hij zei mij dat het Verbod om te Eten de vruchten van pas nieuw geplante bomen (Leviticus, 19:23) geldt vanaf nu voor Twee jaar, en daarna is men toegestaan te eten de vruchten van de bomen,” of, als hij zou zeggen, “De Heilige Geprezen Zij Hij zei mij dat het verboden is het te eten voor vier jaar,”in tegenstelling tot wat De Heilige Geprezen zij hij feitelijk had gezegd: ” Drie jaar zal het verboden zijn voor jullie, om te eten de vruchten van pas nieuw geplante bomen. ” ( ibid ). Alles gelijkend tot dit is opgenomen aan dit concept. Het veranderen of wijzigen in elk opzicht van de mondelinge staat evenzo gelijk aan een manifestatie van valse profetie, zelfs als de profeet ogenschijnlijk is gesteund door een letterlijke interpretatie van een vers, in tegenstelling tot zijn algemene mening. Als voorbeeld, de Thora verklaart (Deut, 25:11-12),

Wanneer mannen met elkaar vechten en de vrouw van de een komt er bij om haar man te helpen tegen de ander die hem slaat en ze steekt haar hand uit en pakt hem in zijn schaamdelen, dan moet je haar hand afkappen….

Als een profeet zou claimen dat dit vers refereert naar een letterlijke amputatie van een hand, eerder dan tot de figuurlijke uitspraak voor het opleggen van een boete voor de vrouw voor de vernedering van de man, zoals de Mondelinge Traditie uitlegt ( Sifra Ki Tatse ), en als hij ondersteun zo een bewering door het fenomeen van profetie, zegende, ” De Heilige Geprezen Zij Hij “heeft mij verteld dat dit gebod,…….haar hand afkappen, letterlijk moet worden begrepen” –eveneens moet hij worden geëxecuteerd door wurging, zo ook de andere valse profeten beschreven als hier boven; hij is een valse profeet en bovendien schrijft hij een uitspraak toe aan de Heilige Geprezen Zij Hij welke Hij nimmer heeft gemaakt. Er is geen enkele reden om aandacht te schenken aan een teken of wonder vertoond bij deze persoon, het zij, voor de Profeet [Mozes], wiens mirakelen de gehele wereld deed verbazen en ons overtuigd heeft van zijn authenticiteit en betrouwbaarheid “…..waardoor ze ook altijd in jou zullen geloven.” [Exodus, 19:9] hij zelf heeft ons verteld in naam van de Heilige Geprezen Zij Hij dat geen andere Wet ooit zal komen van de Schepper naast deze ene: ” Het is niet (langer) in de Hemel………Integendeel, volkomen binnen je bereik is het gebod, zowel om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart de doen (Deuteronomium 30:12-14). Het onderliggende idee “….met je mond…..” is expliciet de mondelinge Wet overgedragen door Mozes, en de ene liggend daaronder “……van je hart….”refereert naar de impliciete wetten afgeleid door Thora analyses, het intellect zijnde onder de vermogens de uiteindelijke verbondenheid met het hart. Wij zijn zelf eveneens vermaand om iets toe te voegen of te verwijderen van de wetten:” Alle woorden wat ik jullie voorschrijf moet je nauwgezet in praktijk brengen, voeg er niets bij, en neem er niets van af” [Deuteronomium, 13:1].

De Rabbijnen; vrede zij met hun, verklaren daarom: “Een profeet heeft niet het recht om te voorzien in nieuwe wetten” (Meggila 2b). Wanner we eenmaal hebben vastgesteld dat zijn claim valse beweringen bevat ten opzichte van de de Heilige Geprezen Zij Hij, dat hij aandraagt een verklaring ten opzichte van G`D welke Hij nimmer heeft gemaakt, dan is hij wettelijk onderhevig aan de doodstraf, in overeenstemming met het vers, ” Maar de profeet, die de brutale opzet heeft iets uit MIJ naam te verkondigen wat IK hem niet heb opdragen te zeggen of die uit naam van andere goden spreekt, die profeet moet sterven.” (Deuteronomium, 18:20).

(b) (VOLGENDE PUBLICATIE)

Introductie tot de Talmoed – VOORWOORD & HFD. 1: DE ORIGINE VAN DE MONDELINGE TRADITIE

MAIMONIDES` INTRODUCTIE OP DE MONDELINGE THORA

VOORWOORD

Nu dan Jisraël, luister naar de wetten en rechtsvoorschriften, die ik jullie leer te volbrengen zodat jullie zullen leven, binnentrekken en in bezit nemen het land dat de Eeuwige, jullie G`D, jullie geeft. Jullie mogen niets toevoegen aan hetgeen ik jullie gebied en er niets van afnemen bij het nakomen van de geboden van de Eeuwige, jullie G`D, die ik (Mozes) jullie vandaag voorleg (Deuteronomium 4:1-2). Kijk, ik heb jullie wetten en rechtsvoorschriften geleerd zoals de Eeuwige, Mijn G`D me die heeft op gedragen om ze precies zo te volbrengen in het land waar jullie binnentrekken om het in bezit te nemen. Letten jullie er dan op en volbrengen jullie ze, want daardoor zullen jullie als wijs en verstandig beschouwd worden in de ogen van de volkeren die als ze al deze wetten horen zullen zeggen: Werkelijk dit grote volk is een wijs en verstandig volk! Bestaat er een ander groot volk bij wie G`D zo nabij is als de Eeuwige, onze G`D, ieder keer als we hem aanroepen? En bestaat er dan een ander groot volk dat zulke rechtvaardige wetten en voorschriften heeft als deze leer die ik jullie heden voorleg? Maar, pas op en waak heel goed over je zelf dat je de dingen die je eigen ogen hebben aanschouwd niet zult vergeten en dat ze nooit uit je gedachten zullen gaan zolang je leeft en dat je er voor zorgt dat je kinderen en je kleinkinderen ze ook weten: Die dag toen je daar vóór de Eeuwige, je G`D, stond, bij de Cheréw (Sinai), terwijl de Eeuwige tot mij sprak: “Verzamel het volk” (600.000 mannen in de leeftijd tussen twintig en zestig jaar oud, met vrouwen en kinderen en de “grote mengeling van Egyptische intellectuelen” voor mij, dan zal ik hun doen laten horen Mijn woorden, die zij zelf moeten leren, om zolang ze op aarde leven ontzag voor Mij hebben en die ze ook aan hun kinderen moeten leren. “De Eeuwige sprak tot jullie van midden uit het vuur, een klank van woorden hoorden jullie, maar een gestalte hebben jullie niet waargenomen, alleen maar een stem. Hij deelde jullie Zijn verbondswetten mee, die Hij jullie om na te komen opdroeg: De Tien Uitspraken, die Hij op twee stenen platen schreef.” (Ibid 5-13). Vraag toch maar eens naar vroegere dagen van voor je tijd, vanaf de dag dat G`D een mens op aarde schiep en vraag het van het ene einde van de hemel naar het andere: is er soms ooit zo iets groots gebeurd of is er ooit zo iets dergelijks gehoord? Heeft er een volk de stem van een god gehoord, die midden uit het vuur sprak, zoals jullie die gehoord hebben en is het dan in leven gebleven? (Ibid 32-33). De Eeuwige, onze G`D heeft met ons een verbond bij de Choréw (Sinaï) gesloten. Niet met onze ouders heeft G`D dit verbond gesloten, maar met ons, zodat wij hier allen vandaag in leven zijn. In aangezicht tot aangezicht heeft de Eeuwige met ons op de berg, midden uit het vuur gesproken! (Ibid 5:2-4). Deze woorden heeft de Eeuwige op de berg midden uit het vuur, de wolk en de dichte nevel met luide stem tot heel jullie verzamelde gemeenschap gericht – een grote Stem – en jullie zeiden: De Eeuwige onze G`D, heeft ons zojuist Zijn glorie en grootheid laten aanschouwen en Zijn stem hebben we midden uit het vuur gehoord. Deze dag hebben we ervaren dat G`D met de mens kan spreken en dat deze toch blijft leven (Ibid 19-21).

Israël vertrouwde niet op Mosje Rabbijnoe (Mozes onze leraar) om de wonderen die hij verrichte; want een vertrouwen dat berust op wonderen, behelst twijfel; het is mogelijk dat het wonder was gedaan door middel van trucage. De wonderen die Mozes verrichte hadden niet als doel, het aan tonen van de authenticiteit van zijn profetieën, maar werden verricht uit praktische noodzakelijkheden…Waarom vertrouwde Israël dan op hem? Omdat wij stonden aan de berg Sinaï, waar onze eigen ogen zagen- en geen anderen- en onze eigen oren hoorden- en niet iemand anders- het vuur en de donder en de bliksem; Mozes naderde de Dichte Wolk en de Stem sprak tot hem, en we hoorden de woorden: “Mozes, Mozes! Zeg tot hen zo en zo !” En nogmaals de verklaring, “Van aangezicht tot aangezicht sprak met jullie” en, “En niet met jullie ouders heeft G`D dit verbond gesloten …” Aanschouw! Ik kom naar jou in een wolk zodat het gehele volk Mij zal horen spreken met jou, en daarom jou vertrouwd voor altijd!” (Mishne Thora: Hichot J`soda HaThora 8:1)

Bron quotatie gerelateerd aan hoofdstuk 1 De origine van de mondelinge traditie.

En HaShem sprak tot Mozes OP DE BERG SINAÏ, en zei (alle details en specificaties over de voorschriften van Sh`mieta. (Leviticus 25:1) “Dit zijn de geboden die de Eeuwige Mosje heeft geboden voor de Kinderen van Jisraël, OP DE BERG SINAÏ (Laatste zin Leviticus).

En het was in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand was het, dat Mosje tot de kinderen van Jisraël sprak, geheel in overeenstemming met alles wat de Eeuwige hem ten behoeve van hen geboden had….In het overjordaanse, in het land Moab, begon Mosje deze Thora – de hem gegeven Leer- uiteen te zetten. Hij zei:……….(Aan het begin van Deuteronomium).

Rechters en gerechtsbeambten moet je binnen al je poorten, die de Eeuwige, je G`D, je voor je Sh`vatiem (stammen) zal geven aanstellen, die volgens rechtvaardige rechtsprincipes het volk berechten. (Deuteronomium 16:18)

Wanneer het bij een rechtszaak te moeilijk voor je is om te beslissen, tussen het ene halsmisdrijf of het andere, tussen het ene proces of het andere, tussen de ene zaak over letsel of lichaamskwalen of een andere, of wat voor geschilpunten ook in je plaatselijke rechtbank, hef de zitting dan op en zoek het hoger ter plaatse, waarop de Eeuwige, je G`D, Zijn keuze zal bepalen. Je zult gaan naar de Kohaniem-Levieten en naar de Rechter, die in die dagen de de autoriteit is, vraag dan en zij zullen je de gerechtelijke uitspraak mededelen. Handel dan ook naar de uitspraak die ze je vanaf de plaats, die de Eeuwige zal uitkiezen, zullen mededelen en let er op het precies te doen zoals zij je zullen instrueren. Volgens de verklaring van de Thora die zij je instrueren en volgens het vonnis dat zij je zullen zeggen moet je handelen; wijk niet naar rechts noch naar links af van de uitspraak die zij je mededelen. En de man die in boos opzet zou handelen, door ongehoorzaam te zijn aan de Kohen, die in functie is om de Eeuwige, je G`D, daar te dienen of aan de rechter, die man moet sterven. Zo moet je het kwade uit Jisraël verwijderen. Heel het volk zal dit horen, ze zullen ontzag hebben en niet meer opzetterlijk het verkeerde doen. ( Deuteronomium 17:8-13 ) “En als er een meningsverschil is tussen de autoriteiten)volg de meerderheid!” (Exodus 23: 2).

Toen Mosje klaar was de woorden van deze Thora in een boek op te schrijven, gaf Mosje tot het einde toe, de Levieten, de dragers van de verbondsark van de Eeuwige de volgende opdracht: “Neem dit Thora-boek en leg het aan de kant van de ark met het verbond van de Eeuwige, jullie G`D, want daar kan het getuige tegen jullie zijn… (Deuteronomium 3124-26).

“En IK ( HaShem) zal je ( Mozes ) geven de stenen platen, met de thora en het gebod” ( Exodus 24:12 ).”De Thora……” refereert naar de geschreven Thora; “……en het Gebod….refereert naar haar verklaring….. Dit gebod- de Verklaring van de Thora- schreef Mosje niet op, maar onderwees het de Oudsten en Jehoshoe`a en de rest van Israël; zoals het zegt: ” Het gehele gesproken Woord wat ik jullie gebied; moeten jullie nauwgezet in praktijk brengen ” (Deuteronomium 13:1). Om deze rede is het genoemd de Thora Sheh B`ahl Peh ( De Mondelinge Wet).

HOOFDSTUK 1. DE ORIGINE VAN DE MONDELINGE TRADITIE

Het moet zo opgevat en begrepen worden dat elke mitswa die HaKadosj Baroechoe gaf aan Mosje rabbijnoe, begeleid was met zijn bijbehorende uitleg, G”D vertelde hem de mitswa, daarna de verklarende uitleg, zijn essentie en de hele wijsheid achter het Thoravers.

De instructie van de Thora door Mosje aan de natie was als volgt: Mosje placht zijn tent binnen te gaan gevolgd als eerste door Aharon. Mosje vertelde hem de mitswa eenmaal, en leerde hem zijn bijbehorende uitleg, zoals het hem was gegeven. Daarna trok Aharon zich terug, rechts, naast Mosje. Vervolgens kwamen El`azar en Itamar, Aharon`s zonen binnen en Mosje vertelden hun wat hij aan Aharon had gezegd en vervolgens trokken zij zich terug. Een links van Mosje rabbijnoe en de andere rechts naast Aharon.

Dan kwamen de zeventig oudsten en Mosje instrueerde hun zoals hij het had geleerd aan Aharon en zijn zonen.

Dan zetten hij uiteen aan volk en aan al diegene die verlangde naar Hashem, de gehele orde van de mitswa, zodat zij het zouden horen van zijn lippen.

We kunnen nu vaststellen dat Aharon elke mitswa vier keer zou horen van de lippen van Mosje; Zijn zonen drie keer; De oudsten twee keer; en de rest van het volk; één keer.

Mosje trok zich vervolgens terug en Aharon gaf een herhaling en uitleg van de mitswa – -welke hij vier keer gehoord had van Mosje– tot al de aanwezigen. Vervolgens trok Aharon zich van hen terug, zijn zonen hebben nu ook de mitswa vier keer gehoord, drie keer van Mosje en één keer van Aharon.

Nadat Aharon zich had teruggetrokken gaven El`azar en Itamar een herhaling en leerde de mitswa aan de aanwezige natie. We kunnen nu eveneens vaststellen dat de Zeventig Oudsten de mitswa vier keer hebben gehoord: twee keer van Mosje, één keer van Aharon, en één keer van El`azar en Itamar.

Naderhand gaven de Oudsten eveneens een herhaling en een uiteenzetting van de mitswa aan het volk, één keer. Zodat we kunnen constateren dat de gehele Congregatie de mitswa vier keer had gehoord: één keer van Mosje, één keer van Aharon, een derde keer van zijn Zonen, en vierde keer van de Oudsten.

Daar opvolgend instrueerden alle leden van de natie elkaar in wat zij gehoord hadden van de lippen van Mosje en schreven verslag over de mitswa voor hun zelf. De Hoofden trokken door geheel het volk Israël om te onderwijzen tot iedereen exact en vloeiend de mitswa kende Zij instrueerde hun eveneens in de uitleg die nodig was voor de vele verschillende aspecten van de door G`D gegeven mitswa. De Mitswa werd dus geëngageerd tot het schriftelijke, terwijl zijn mondelinge Traditie werd geëngageerd aan geheugen.

Dit is wat onze Rabbijnen, moge hun nagedachtenis een zegen zijn, verklaren in een Braita (Sifra Leviticus, 25:1):
Het vers luid, “De Eeuwige sprak tot Moshe op de berg Sinai……”en vervolgens verklaart het de details over de wetten die betrekking hebben op Sh`mieta. Nu, welk nieuw feit… ” op de berg Sinai ” leren wij? Is het niet alreeds een bekend feit dat de gehele Thora was verteld op de Sinai ( Leviticus 27:34)? En dat de Thora niet overbodig verklaard! Het verklaard aan je; Juist zoals we zien dat de algemene principes over Sh`mieta werden verteld samen met hun details en specificaties op de Sinai, zo is het eveneens met de algemene principes , details en specificaties van al de mitswot die verteld zijn op de Sinai.

Bijvoorbeeld, De Heilige geprezen is Hij zegt tot Mozes: “Zeven dagen moeten jullie in loofhutten (Soekot) wonen “(Leviticus, 23:42). Naderhand geeft hij gedetailleerd aan dat deze mitswa van Soekot verplicht is voor mannen, maar niet voor vrouwen (Soeka 2:8);dat evenmin de zieken, noch de reizende hoeven te voldoen aan deze verplichting (Soeka 4 Gemora Soeka, pg26a); en dat de soeka een losse dakbedekking moet hebben van natuurlijke loofproducten en niet van wol, of zijde, of Keliem (accessoires) –inclusief ook die gemaakt zijn van aardse producten– zoals kussens, dekbedden en kleding. En verder geeft hij aan dat eten, drinken en slapen in de soeka verplicht is voor al de zeven dagen en zijn binnenruimte niet minder mag zijn dan 7×7 tefahim (handbreedte), noch zijn hoogte minder dan 10 tefahim.
Toen Mozes De Profeet nader kwam op de berg Sinai, gaf HaShem hem deze opdracht met zijn uitleg en zo was het met al de 613 opdrachten van de Thora; zij en hun uitleggingen zijn beide gegeven; de opdrachten schriftelijk en de uitleg mondeling. In het veertigste jaar, in de elfde maand (deut. 1:3), op de eerste dag van de maand Sjewat, Verzamelde Mozes het volk en zei tot hun: ” De tijd van mijn sterven is aangebroken. Als er iemand onder jullie een halacha ( een bindend praktijk voorschrift, lett; de weg die men gaat ) heeft gehoord maar vergeten is, laat hij dan naar mij toe komen en ik zal het verklaren. En iedereen die bepaalde onzekerheden heeft omtrent het een of ander van de Thora, laat hem dan komen en ik zal de zaak voor hem verhelderen,” zoals gezegd wordt in de Thora: Mozes [voor de laatste keer] begon uiteen te zetten deze (geschreven) Thora, zegende………” (Deut. 1:5).
“Ieder die een voorschrift vergeet–laat hem komen en het zal onderwezen worden; en ieder die uitleg behoeft–laat hem komen en het zal worden gegeven “(cf. Sifray, loc.cit.).
Dus zij verwierven en werden opgehelderd over de Halachot (m.v.) van Mozes` lippen, en zij bestudeerden intensief de verklaringen vanaf de eerste Sjewat tot aan de zevende Adar. Vlak voor zijn dood , begon Mozes te schrijven de Thora op rollen-dertien Thorarollen op perkament -alomvattend vanaf de eerste letter beet van bereshieth tot aan de letter lamed van leéné kol Jisraél (Bava Basra, 16A). Hij gaf één rol aan elk van de twaalf stammen van Israël zodat zij zich met haar inhoudelijk konden bekwamen en wandelen in haar voorschriften. De dertiende rol gaf hij aan de Levieten, zegende tot hen ” Neem deze Thorarol en leg het aan de kant van de Ark met het Verbond van de Eeuwige, jullie G`D, want daar kan het getuigen tegen jullie zijn…”(Deut,31:26).
Naderhand, besteeg hij op het middaguur van de zevende Adar de berg Newo
(Megilla 13B), zoals is berekend door de Traditie. De ervaring welke toen hem overkwam schijnt op ons over te komen als zijn dood, sindsdien hebben wij hem niet langer om ons heen, wat is bewaard, is zijn aandenken; maar wat hem betreft , is het een continuering van het leven in het licht van de hoge positie naar welke hij opsteeg. In deze gemoedstoestand zeggen de geleerden, ” Mosje Rabbijnoe stierf niet , maar steeg op en studeert nu boven.” [ Sota, 13A ].
Echter, een complete behandeling van deze concepten zou teveel tijd in beslag nemen en daar is ook dit niet de juiste passage voor.

En toen, nadat hij Jehoshoe`a had vervuld met de G`D gegeven verklaringen, “stierf ” Mozes vrede zij met hem. Jehoshoe`a en zijn tijdgenoten analyseerde het overgeleverde zeer nauwkeurig. Maar er waren geen vragen in welke vorm dan ook over wat hij en de oudsten expliciet hadden gehoord van Mozes en er werd niet over gedebatteerd . Die vertakkingen of die verklaringen welke niet expliciet waren gehoord van de profeet`s lippen, werden opgelost door hun interpretatiesysteem De Dertien methoden van Thora Interpretatie gegeven op de Sinaï. Sommigen van deze voorschriften waren zo gedefinieerd dat zij geen controversen opriepen, zij werden unaniem aanvaard. Maar sommigen van hun waren onderwerpelijk aan een andere opinie: de ene autoriteit zou de feiten willen schikken in een bepaalde rangorde, komend tot een resultaat en daar overtuigd van zijn, de ander zou hen anders willen rangschikken, zoals gebeurt in vormen van grondprincipes. Wanneer zich zo een controverse zou voordoen onder de autoriteiten, dan zullen zij volgen de meerderheid van stemmen, zoals de Thora voorschrijft in dergelijke situaties: “je zult beslissen volgens de meerderheid” (Exodus, 23:2).

Practisch Joods Recht – DE THORA

De Heilige Boeken die beginnen bij de bijbel en de daarop volgende vele verklaringen en commentaren, zoals de Talmoed, de Kabbala en andere geschriften, nemen zo’n centrale en bijzondere plaats in het jodendom in, dat de Hebreeuwse naam voor deze heilige literatuur, Thora niet goed in enige andere taal vertaald kan worden. Zoals iemand het eens juist samenvatte: andere godsdiensten hebben een concept van de heilige Schrift waarbij deze uit de Hemel afkomstig is maar het jodendom schijnt op de gedachte gebaseerd te zijn dat de boeken van de Thora zelf Hemel zijn. Met andere woorden, de Thora van de joden is de essentie van de goddelijke openbaring; het is niet alleen een basis voor het sociale, politieke en godsdienstige leven, maar het is in zichzelf iets van de allerhoogste waarde.
Lees verder

Kabbala & Chassidisme – VOORWOORD “DE MYSTIEKE TRADITIE”

De mystieke dimensie van Judaïsme is de absolute ziel van de Thora.

De Existentie van een mystieke dimensie en traditie in Judaïsme is een voldoende bewezen en een reeds lang gevestigd feit. Echter, geeft de algemene gedachte allerlei verschillende voorstellingen weer.

Het meest vereenzelvigd opgeroepen beeld van “mystiek” en “Kabbala” is die van magie, amuletten, incantatie, geesten, en anderen niet natuurlijke fenomenen. Deze beelden op zich, brengen verschillende reacties teweeg. Één uiterste is zo gefascineerd, dat zij willen speuren in de geheime wereld van de mystiek, om zich in staat te stellen de natuurlijke orde van dingen te manipuleren, een ander uiterste is die, die onder het voorwendsel van het rationeel zijn, het totale concept afdoen als zijnde primitieve fantasie en bijgeloof, geworteld in onwetendheid en naïviteit.

Om heel duidelijk te zijn, er is zoiets als Kabbala ma’asit “praktische Kabbala“, met een systeem en techniek die transcendentaal uitreikt over de natuurlijke orde. Zijn toetsing echter is onderhevig en afhankelijk aan Kabbala iyunit, de filosofische theorie en perspectief van het Joodse mysticisme, welke op zijn beurt is beperkt tot aan de totale afbakening van de Joodse traditie (pardes, R. Jismael)

Kabbala perse richt zich op het principe van de alomtegenwoordige realiteit van G-D. De authentieke mysticus zoekt naar de ‘aanraking’ van het Goddelijke en daarin te worden geabsorbeerd. Hij zoekt geen macht, nastreving van zelfverheffing en bekwaamheid tot manipulatie is vreemd voor hem.

Zijn doel is om zichzelf weg te cijferen en uit te reiken boven de vergankelijke waarde van materie en tijdelijke realiteit. Kabbala ma’asit in dat opzicht is compleet het tegenovergestelde, daarom wordt vanuit de opinie van de ware mysticus het afgedaan als gevaarlijk en averechts. (zie de strikte waarschuwingen van R.Isaac Luria de Ari in R.Chaim Vital, Sha’ ar Hamitzvot, R.Moshe Cordovero, Pardes Rimonim, R.Josef David Azulay,Petach Einayim).

Kabbala iyunit vertegenwoordigt een compleet (hoewel complex) systeem van zijnsleer, kosmogonie en kosmologie, zoals Tzimtzum, sefirot, Olamot, Orot,

Kelim, Partzufim enz. Deze studie behandeld de algemene natuur en perspectief van de Joodse Mystiek en zijn plaats binnen het normatieve Jodendom, de unieke aspecten die zich onderscheiden van haar niet Joodse tegenhangers en het belang om het doorgeven en begrijpelijk maken aan de volgende generatie.

MYSTIEKE CONCEPTEN
Een introductie van kabbalistische concepten en doctrines.

Deze studie handelt over de fundamentele concepten en doctrines die zijn origine heeft in de basis werken van de Kabbala, zoals Sefer Yetzirah en de Zohar-geschriften. Maar in deze werken verschijnen zij meestal embryonaal en rudiment. Zij namen hun geaccepteerde gezaghebbende vorm aan alleen in de verstandelijke uiteenzettingen en verklaringen van R. Mozes Cordovero en R. Isaac Luria.

Hoofdstuk 1. ANTROPOMORFISME EN METAFORA

1. Antropomorfisme

De terminologie van kabbala, en dus de volgende uiteenzettingen van onze studie, zijn in zeer hoge mate antropomorfistisch. De termen zijn ontleend van menselijke concepten en de empirische wereld. De reden is uiteraard dat zij de enige soort van woorden zijn, die de mens op een zinvolle wijze kan hanteren.

De vormen van het concept ruimte en tijd zijn opgelegd aan de geest van de mens die leeft in een wereld van ruimte en tijd. Het is voor deze uitdrukkelijke rede dat de Thora, de Profeten, en onze Geleerden antropomorfistische taal gebruiken, zoals het is verklaard “De thora spreekt in de taal van mensen.”

Want “Had zij zichzelf gelimiteerd tot abstracte termen en concepten passend aan G`D, zouden wij noch de termen noch de concepten hebben begrepen.

De gebruikte woorden en ideeën zijn dus zodanig aangepast aan de mentale capaciteit van de toehoorder, dat het onderwerp eerst doordringt tot zijn verstand, in de fysieke zin, waarin de concrete termen worden begrepen.

Dan pas kan men verder gaan naar een begrip dat het gepresenteerde alleen een aangeving is en metafoor, en dat de realiteit te subtiel is, te verheven en te ver weg van ons om haar subtiliteit te kunnen doorgronden.

De wijze denker tracht de essentie te ontdoen van de termen van omhulling (m.a.w. haar materialistisch zin) en wil zijn conceptie verhogen, stapsgewijs zodat hij zoveel als mogelijk kennis van de waarheid zal vergaren, tot aan zijn intellectuele bevattingsvermogen.”

Het is dus om in gedachten te houden voor alle tijden, dat de termen en concepten ontdaan moeten worden van alle tijdelijke, ruimtelijke en lichamelijke bijbetekenissen.

Alle antropomorfistische begrippen en concepten, zijn letterlijk, niet toe te schrijven aan het Goddelijke, zoals het Schrift expliciet verklaart: “Met wie wil je G`D vergelijken? Of welke gelijkenis wil je vergelijken met Hem? …..Met wie wil je me vergelijken dat gelijk IK zou zijn, zegt de HEILIGE” (Isaiah 40:18,25). Deze kardinale premisse is geadopteerd door Maimonides als de derde grondregel van de “Dertien fundamentele grondprincipes van het Jodendom”.

Gelijktijdig echter, zou moeten worden aangetekend dat de antropomorfistisch terminologie zoals gebruikt in het Schrift, de mysticus en bij anderen, niet willekeurig is omdat het valt onder de boven genoemde kwalificatie. Integendeel, deze termen zijn zorgvuldig gekozen en bezitten een wijze en diepzinnige betekenis.

De rabbijnse-Midrashtiek en Mystieke schrifturen refereren overvloedig aan het begrip dat de lagere wereld in het algemeen en de mens in het bijzonder, zijn gecreëerd in het beeld van de hogere wereld. Alle gegrondveste categorieën in de lagere wereld en in de mens zijn homonieme representaties van, en toespelingen op, zekere bovennatuurlijke concepten en begrippen aan welke zij corresponderen. Om alle duidelijkheid, er is geen enkele gelijkenis in welke vorm dan ook, tussen G`D en het gecreëerde en op de bovennatuurlijke niveaus van de absolute spirituele sfeer, er zijn geen dingen zoals, ogen, oren, handen, enz. noch activiteiten en affecties zoals horen, kijken, wandelen, praten enz; echter, al deze ruimte-tijd handelingen en concepten, doen symboliseren, en in feite, komt het om die rede tot het ZIJN in correspondentie tot het originele bovennatuurlijke absolute en zuivere spirituele categorieën.

In een wijd en zijd geciteerde passage verklaard R.Joseph Gikatilla passend deze corresponderende- verhouding in de volgende analogische betekenis.

Wanneer een naam van een persoon is geschreven op een stuk papier is er ongetwijfeld geen gelijkenis, verwijzing of verwantschap tussen de geschreven letters of woorden op papier en de fysio-mentale entiteit van de persoon welke zijn naam is genoteerd. Zelfs als dat schrijven een symbool of teken is relaterend aan of oproept de geest en aanduid de volle concrete entiteit van die persoon. En aldus is het zo met antropomorfisme en antroponymische concepten en termen: ofschoon er geen concreet of directe verwijzing of gelijkenissen zijn tussen hun en de betekenissen die zij proberen uit te drukken, zijn er desondanks toch corresponderende tekens en symbolen die gerelateerd zijn aan en verwijzen naar specifieke categorieën, begrippen en concepten van strikt spirituele aard, niet ruimtelijk en niet tijdelijk.

In die zin moet de antropomorfistische terminologie begrepen worden.