HFD. 3: DE OVERDRACHT EN BEHOUD VAN DE TRADITIE

RELATERENDE BRONNEN HOOFDSTUK 3: Overdracht en behoud van de Traditie.

Vanaf de dagen van Mozes tot aan Rabbaynoe HaKadosh was er geen geschreven uitgave om de mondelinge wet openbaar te bestuderen; veeleer, elke en iedere generatie, het hoofd van het Beth Din ( Gerechtshof ) of de Profeet die leefde in die generatie schreef persoonlijke aantekeningen om zichzelf te laten herinneren aan het gene hij hoorde van zijn leraren, maar gaf in het openbaar mondelinge verhandelingen. Gelijktijdig schreef iedereen voor zich zelf, naargelang zijn eigen capaciteit, wat hij hoorde over Thora uitleg en zijn wetten, en nieuwe zaken en onderwerpen geïnstitutionaliseerd in elke generatie, van wetten niet impliciet geleerd aan de Sinai, maar afgeleid door het daar gegeven en uiteengezette Systeem van Thora Uitleg en met akkoord van het Grote Beth Din.

Dat deed de procedure continueren tot aan de tijd van Rabbaynoe HaKadosh.

Hij verzamelde alle lectuur en wetten en uiteenzettingen en verklaringen van Mozes, welke waren onderwezen door het Grote Beth Din in elke generatie op de gehele Thora, en stelde van daaruit de boeken van de Misjna samen. Honderdduizenden mensen en geleerden participeerden in het archiveren en het controleren van de traditie om blijvende fouten te voorkomen. Na opnieuw het gehele werk te hebben herzien, presenteerde hij het met de andere geleerden in het openbaar aan geheel Israël en allen kopieerden het.

Hij verspreidde het overal zodat de Mondelinge Thora niet zou worden vergeten door Israël. Wat was de rede dat Rabbaynoe HaKadosj dit deed , waarom liet hij niet de dingen zoals zij waren? Omdat hij zag dat de leerlingen in aantal terug liepen, door intensivering van de vervolgingen door de Romeinen en hun globale machtsuitbreiding en dat Israël voortdurend werd verspreid naar de uiteinden van de aarde. Daarom bracht hij dit verzamelde werk bijeen om een bezit te zijn voor iedereen, zodat men op een snelle manier kon leren en dat het niet vergeten zou kunnen worden.

HOOFDSTUK 3

DE OVERDRACHT EN BEHOUD VAN DE TRADITIE

Toen Jehoshoea zijn dood voelde naderden, instrueerde hij persoonlijk De Oudsten in wat hij had ontvangen aan verklaringen en wat was ontleend aan de wetten gedurende de periode van zijn leven. De zaken waar reeds beslissingen over waren uitgesproken, stonden niet meer ter discussie. En die zaken welke een onderwerp tot meningsverschil waren, werden met meerderheid van stemmen definitief door De oudsten afgesloten. ( Deze Oudsten zijn genoemd in het boek van Jehoshoea, Hfd. 24, vers 31: “En Israël diende HaShem in alle dagen van Jehashoea en in alle dagen van De Oudsten die Jehoshoea overleefden, die vanuit eerste hand alles kenden wat HaShem had gedaan voor Israël.”)

Daarna instrueerden deze Oudsten de Profeten in alles wat zij hadden gehoord van Jehoshoea; en elke profeet instrueerde de volgende –er was nimmer een periode van afwezigheid van analyse en van de gegeven wetten of van een afleiding van nieuwe wetten van de vorige.

De Geleerden van elke generatie behandelden de laatste woorden van de vorige generatie als vanzelfsprekend: Zij bestudeerden het en trokken er conclusies uit die er betrekking op hadden; maar zij zouden nimmer van mening verschillen.

Deze procedure continueerde zich gedurende de era van De Mannen van de Grote Vergadering : Haggai, Zecharia, Malachi, Daniel, Hannania, Mishael, Azaria, Ezra HaSofer, Nehemia ben Hahalya, Mordechai en Zerubavel ben sh’altial. Aangevuld met degenen die samen waren met de profeten resulteerde dat in een aantal van honderd twintig leden ( Megilla 17B ) ” van specialisten en artiesten of timmerlieden en sleutelmakers” ( Koningen 2, 24:16 )van de Thora, en gelijkwaardigen. Zij analyseerden eveneens de verklaringen van hun voorgangers zoals de generaties geleerden voor hen deden.

De laatste van deze oorspronkelijke groep was de eerste van de geleerden die genoemd werd in de Mishna– Shimmon de Rechtvaardige,–die Kohen HaGadol was van zijn generatie.

RABBI JEHOEDA HANASI

samensteller van de Mishna

Tenslotte brak de tijd aan van Rabbaynoe HaKadosh ( moge hij ruste in vrede ),

die uniek was in zijn generatie en uniek in zijn tijd; een man die geacht werd om zijn nobelheid en zuiver karakter tot op zo een hoogte dat zijn tijdgenoten hem de titel ” Rabbynoe HaKadosh” verleenden. Zijn naam: Jehoeda. Hij bezat ongekend hoge wijsheid en statie: “Sinds de dagen van Mozes hebben wij niet zo’n Thorageleerdheid en grandeur gezien, vereenzelvigd in een persoon ( Gittin 59A ).

Hij was het toonbeeld van piëteit, nederigheid, afstandelijk van alle onnodige luxe: “Sinds de tijd dat de Rebbe overleed, was nederigheid en de vrees voor zonde verdwenen” ( Sota 49A ).Hij gebruikte kristalheldere taal en overtrof iedereen in het gebruik van de Heilige Taal, zelfs zo dat de geleerden bijzondere woorden leerden van zijn bedienden en dienstmeiden, waar zij zelf onzeker over waren! Dit feit werd onsterfelijk in de Talmoed ( Rosh HaShana 26B ).

Hij bezat rijkdom, kapitaal en wijdverspreide eigendommen: “De stalmeester van de Rebbe was rijker dan de Shaboer de Koning van Perzië” ( Bava Metsia 85A ). Hij gebruikte deze rijkdom voor mensen op zoek naar wijsheid en verspreidde Thorakennis over geheel Israël. Hij verzamelde de wetten, de woorden van de geleerden, en de meningsverschillen die daaruit ontstonden sinds de dagen van Moshe Rabbynoe tot aan zijn eigen tijd. En hij zelf was een van de overleveraars van de Traditie. Want hij ontving het van zijn vader, Shimmon III, en Shimmon III ontving het van zijn vader, Gamliel II; en hij ontving het van Shimmon II, zijn vader ;en hij ontving het van Gamliel de Ouste; en hij van Shimmon I; en hij van Hillel; en hij van Shimaja en Avtalion, zijn docenten; en zij van Jehoeda ben Tabbai en Shimmon beb Sheta; en zij van Jehoshoea ben Peraja en Neetai Ha Arbajli; en zij van Antignos van Soho; en zij van Shimmon de Rechtvaardige,en hij van Ezra–want hij ( Shimmon de rechtvaardige )was een van de laatsten van de De Mannen Van De Grote Vergadering; en Ezra van Baroech ben Narja zijn docent; en Baroech van de profeet Jeremia. Idem, ontving Jeramia de traditie van profeet naar profeet ( van Jeramia terug naar Mozes was een lijn van twintig profeten ), teruggaande naar de Richteren, die ontvingen het van Joshoea ben Noen; en hij ontving het van Mozes.

DE KIDDOESH PLECHTIGHEID

De vrijdagavond is niet alleen het begin van de rustdag, maar heeft ook zijn eigen bijzondere betekenis. Ieder uur van de eraan voorafgaande middag geeft een ander niveau aan van een emotioneel sterk geladen overgang van de zes werkdagen van de week naar de Sjabbat. De avond die voorafgaat aan de heilige dag is daardoor op zichzelf zowel een hoogtepunt als een uiteindelijk overgangsstadium naar de volle betekenis van de dag, als een afsluiting van de week en als een overgang naar een hoger bestaansniveau dat uitstijgt boven de zes dagen van aktie, boven de tijd.

Dit hogere niveau van de Sjabbat is verbonden met de goddelijke verschijning in de Sefiera van Malchoet (koninkrijk) [zie studie Kabbala en Chassidisme op deze website], dat de Sjechiena (aanwezigheid van God) vertegenwoordigt en evenals de totaliteit, het ontvangststation dat alles opneemt wat gebeurt en ook verbonden is met de eerste Sefiera,de kroon. Daardoor kan de kwaliteit van de vrijdagavond, die de opsomming is van het werk en de gebeurtenissen in de tijd, ook een voorbereiding zijn voor de verschijning van de Sjabbat als de kroon en het begin van de tijd. De Sefiera van Malchoetof de Siechiena vertegenwoordigt de goddelijke macht zoals die in werke-lijkheid wordt geopenbaard en in een oneindige verscheidenheid van wegen en middelen werkzaam is. Hij heeft zeventig namen, die ieder een ander aspekt uitdrukken, een ander gezicht van deze alles omvattende Sefiera. Want Malchoet is de zevende van de lagere Sefierot enomvat, als de laatste, in zichzelf alle tien Sefierot. Met andere woorden: het drukt alle Sefierotuit, ieder in zeven verschillende vormen.

Daardoor is zeventig het sleutelgetal voor het ontvouwen van het ritueel van de avond die gewijd is aan Malchoeten aan de Sjechiena dieMalchoet vertegenwoordigt.

Alle verschijningen van de Sjechiena hebben gemeen dat zij een bepaald aspekt van het vrouwelijke vertegenwoordigen. Als gevolg daarvan zijn de symbolen en de inhoud van vrijdagavond altijd op het vrouwelijke gericht, met de nadruk op de vrouw zowel in haar universele betekenis als met betrekking tot het joodse gezin.

Als men op vrijdagavond een huis binnengaat, kan men zien hoe het woonhuis in een heiligdom is veranderd. De tafel met de challebroden en de brandende kaarsen roept de Tempel in herinnering, met de Menora en de toonbroden. De tafel herinnert ons aan het altaar in de Tempel, want het eten kan en moet een offerdaad worden. Anders gezegd: de relatie tussen de mens en het voedsel dat hij eet, wat tot uitdrukking komt in de bedoeling die achter het eten van voedsel ligt, komt overeen met de kosmische verbinding tussen het stoffelijke en het geestelijke zoals dat bij ieder offer op het altaar tot uitdrukking komt. Dit geldt in het bijzonder voor de Sjabbat wanneer het Sjabbatfeest het karakter krijgt van een heilige daad, een gemeenschappelijk samen-zijn, bij het doen van de mitswavan de eenheid van de ziel, het lichaam, het voedsel en de essentie van het heilige. Daarom staat tijdens de maaltijd altijd een zoutvaatje op tafel precies zoals zout op het heilige altaar moest staan als een teken van het verbond van zout. De kaarsen die door de vrouw des huizes worden aangestoken, benadruk-ken het licht van de Sjabbat, de heiliging van de dag en de speciale taak van de vrouw als vertegenwoordigster van de Sjechiena van Malchoet.Er zijn twee speciaal gevlochte witte broden, de challes (in sommige gezinnen worden twaalf challot gebruikt), die met een kleedje bedekt worden. Dit herinnert ook aan het manna, het brood dat uit de hemel kwam, dat op Sjabbat in een dubbele portie naar beneden viel, bedekt met een laagje dauw.

Als onderdeel van de voorbereidingen voor de Kiddoesh ceremonie (heiliging), zingen of zeggen de leden van het gezin een stuk uit Spreuken waarin de ‘esjet chajil’ bezongen wordt, ‘Een geweldige vrouw, wie zal haar vinden?’ (31, 10-31). Het lied waaruit waardering voor de vrouw, de moeder, de vrouw des huizes spreekt, heeft op deze vrijdagavond een dubbele betekenis, als lofzang op de vrouw des huizes en als verheerlijking van de Sjech’ena van Malchoet,die in zekere zin de moeder, de huishoudster van de wereld is. Hierna wordt Psalm 23 gezegd, waarin het vertrouwen in God wordt uitgedrukt. Daarna is men gereed voor de eigenlijke Kiddoesh plechtigheid.

Volgens de Halacha is de Kiddoesh de uitvoering van het vierde van de Tien Geboden: ‘Gedenk de Sjabbatdag door hem wijding te geven’. Aan het begin van de Sjabbatdag moet er een of andere daad van scheiding, van wijding plaats vinden om daarmee het verschil tussen de werkdagen en de heilige dag te benadrukken en om de ziel de gelegenheid te geven in een staat van innerlijke rust en geestelijke ontvankelijkheid over te gaan. Daarbij komt dat de woorden van de wijding ook bij het avondgebed en andere gelegenheden gezegd worden. Maar in het jodendom bestaat een algemeen principe dat abstrakte gebeurtenissen, processes en alles wat daartoe behoort zoveel mogelijk verbonden moeten worden met specifieke en duidelijk omschreven daden. Zo is de wijding van de Kiddoesh verbonden met het drinken van wijn, dat op zijn beurt weer een deel van een plechtigheid vormt die verbonden wordt met de Sjabbat wijnoffers van de Tempel.

————

De Kiddoeshbeker symboliseert het vat waaruit en waarin de zegenspreuk komt. De numerieke waarde van de letters in het woord voor beker (kos)is gelijk aan die van de letters in de naam van G`d die de G`ddelijke openbaring in de wereld, in de natuur en in de wet uitdrukt. In de beker wordt de overvloed uitgeschonken, de wijn die de macht van de zegening van het woord ‘wijn’ vertegenwoordigt. De getalswaarde ervan is zeventig en dat is ook de getalswaarde van de vrijdagavond. Wijn roept de overvloed op, de grote volkomenheid en macht. Rode wijn brengt in het bijzonder een bepaald aspekt van de Sefiera van Gewoeratot uitdrukking, dat ook een aspekt van strengheid en rechtvaardigheid heeft. Nadat men het grootste deel van de wijn in een beker heeft geschonken, wordt er wat water aan toegevoegd, symbool van dankbaarheid en liefde, om zo de juiste vermenging of harmonie te krijgen tussen Chessed en Gewoera. Nadat de beker, die nu het vat van wijding is dat de G`ddelijke overvloed bevat, gevuld is, neemt men de beker op een zodanige manier in de rechterhand dat de gekromde vingers die hem omsluiten lijken op en doen denken aan een roos met vijf bloembladeren. Want een van de symbolen van Malchoetis de roos. De wijnbeker, die de Sjechienauitdrukt, staat in het midden van de handpalm en wordt vastgehouden door de bloembladeren van de roos. Nu is de tijd aangebroken voor het reciteren van het eigenlijke Kiddoeshgebed.

De Kiddoesh bestaat uit twee delen. Het begint met dat deel uit de Thora (Genesis 2, 1-3), waarin de Sjabbat voor het eerst wordt genoemd. Daarna volgt een gebed dat door de wijzen speciaal is samengesteld voor Kiddoesh en waarin de verschillende betekenissen van de Sjabbat poetisch en nauwkeurig worden opgesomd. Tussen de twee delen in staat de zegen over de wijn of druivensap. In beide delen staan precies 35 woorden, in totaal 70, het getal voor de vrijdagavond. Voordat de eerste woorden uit de Thora gedeclameerd worden, worden er twee woorden toegevoegd – de laatste woorden van het voorgaande vers: ‘de zesde dag’ – omdat zij passen bij het reciteren van ‘Zo werden de hemel en de aarde voltooid . . . ‘ en omdat de eerste letters van deze woorden de afkorting vormen van de Heilige Naam. In dit eerste deel wordt de Sjabbat behandeld als de dag waarop de Schepping voltooid was en waarop G`d rustte. Het tweede deel dat door de wijzen uitgekozen is geeft uitdrukking aan een ander aspekt van de Sjabbat, de imitatie van G`d door Israel.

Voor het zegenen van de wijn wordt de aanwezigen met twee aramese woorden gevraagd klaar te zijn voor de zegening. De volgende woorden van de Kiddoeshdrukken de primaire elementen van de Sjabbat uit en de bijzondere relatie tussen de Sjabbat en het volk. Eerst komt de verklaring ‘Gezegend zijt Gij … door wiens gebeden wij geheiligd zijn’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de mitswaeen manier is om een niveau van heiligheid te bereiken, een weg tot G`d. Daarna vertelt het gebed over de uitverkorenheid van Israel en dit heeft tot gevolg dat Israel meer dan alle andere volkeren de taak op zich moet nemen de daad van de Schepping en de daaropvolgende rust en heiligheid voort te zetten. Daarna wordt de uittocht uit Egypte genoemd volgens de versie van de Tien Geboden in Deuteronomium (5, I 5). Daar herinnert de Sjabbat, als rustdag, aan de tijd van de slavernij in Egypte en wordt op een lijn gesteld met de G`ddelijke daad van bevrijding uit de slavernij en het verkrijgen van de verlossing. Daarom is de Sjabbat ook de wekelijkse dag van de vrijheid, waarbij de vrijlating en de uittocht uit Egypte wordt gevierd, evenals de opvatting van de verlossing die, als het einde der tijden, de Sjabbat van de wereld is.

Uit deze nadruk op de G`ddelijke keus en liefde en omdat het noodzakelijk is te begrijpen dat de mens tegenover G`d verplicht is door te gaan met scheppen en in staat moet zijn om uit te stijgen boven de schepping tot aan de Sjabbatrust, sluit het Kiddoeshgebed af met de relatie van het joodse volk tot de Sjabbat. Zo wordt de cirkel van de relatie tussen God en de mens gesloten. Daarna drinkt degene die het Kiddoesh gebed gezegd heeft zelf uit de beker, waarbij hij deelneemt aan de vereniging van het stoffelijke met het geestelijke, dat de essentie van ieder ritueel is. Dan nemen alle tafelgenoten een slokje uit dezelfde beker. Op deze wijze neemt iedereen deel aan de betekenisvolle daad van het beginnen van de Sjabbat, die vertegenwoordigd wordt door het bloeien van de roos. Dat is de beker van de verlossing van het individu, van het volk en van de gehele wereld.

Volgende plaatsing : KASJROET

SHABBAT 4: HET MAKEN VAN SHABBAT

HET MAKEN VAN SHABBAT

Refererend aan het eerder genoemde vers, “En de Kinderen van Israel zullen Shabbat houden (v`shamroe), door de Shabbat te maken (la`asot),…enz.”, verklaren onze wijzen dat v`shamroe verwijst naar al de voorschriften die betrekking hebben op het staken van werk en op alles wat wij niet mogen doen op Shabbat: daarin tegen verwijst la`asot naar alle dingen die wij hebben te doen om Shabbat te maken, door het te eren, behagen in te scheppen en het te voorzien van heiligheid door gebed en studie. (Talmoed Shabbat 218a/b; Rambam, Hilchot Shabbat 30)

Joden maken de Shabbat en Shabbat maakt het Joodse Volk.

Dit wordt bedoeld bij het refereren aan de Shabbat en het Joodse Volk als echte levensgezellen, zoals eerder aangehaald. En inderdaad, meer dan het Joodse Volk hield de Shabbat, want de Shabbat verenigd het Joodse volk in de gehele wereld meer dan enig iets anders.

Het Joodse Volk was altijd een minderheid onder de volkeren van deze wereld en meestal omgeven door vijandigheid. Maar door het houden van de Shabbat, participeerde het Joodse Volk in de oneindige sterkte van de Schepper: zoals de Shabbat zelf is “Gezegend” en “Heilig” is het Joodse Volk door het houden van de Shabbat gezegend en heilig en blijft onder de directe bescherming van G`D zelf.

Daar de Shabbat en het Joodse Volk waren bestemd vanaf de Schepping als onafscheidelijke ” levenspartners ” en uniek Joods bleef, is haar universele boodschap voor de gehele mensheid en zeker in deze dagen, meer relevant dan ooit. Het proclameert, als boven genoemd, de soevereiniteit van de Schepper, Zijn constant waken (Hashachah) en de rechtsgeldigheid van de Thora, de drie meest fundamentele waarheden die het Joodse Volk constant bevestigt door het heilig houden van de Shabbat, zoals Nachmanides benadrukt.

De Thora incorporeert ook de zogenoemde Noachidische geboden— de zeven fundamentele morele en ethische basis voorschriften, met al hun onderverdelingen, die G`D bindend heeft opgelegd aan de nakomelingen van Noach (m.a.w. aan de gehele mensheid) [zie Willem Zuidema, En G`D sprak tot Noach en zijn zonen, Ten Have/ Baarn].

Deze G`Ddelijke opgelegde morele voorschriften moet de fundatie vormen van elke menselijke samenleving, wil het een ware menselijke samenleving zijn. Geen door mensen gemaakte wetgeving echter kan deze G`Ddelijk opgelegde morele voorschriften steunen of vervangen, omdat de door mensen gemaakte wetgeving van nature onderhevig is aan allerlei belangen, machten en intressen, zoals de mensheid treurig genoeg door de eeuwen heen heeft getuigd.

Daarvoor is de Shabbat een herinnering aan de gehele mensheid dat het voortdurend moet streven richting de ” Shabbat van alle dagen “–een wereld waar alle naties van de wereld willen erkennen de soevereiniteit van de Schepper en Zijn heerschappij over deze wereld, in welke geen conflict is, noch geweld, noch onrecht, want de geest van de Shabbat vrede zal de gehele wereld doordringen.

Het is de belofte van de Thora dat de eventuele “Shabbat van alle dagen” zeker een realiteit zal worden.

Volgende Plaatsing: De Kiddoesj Plechtigheid

DE G`DDELIJKE MANIFESTATIE

Om alvorens verder te gaan (2 september 2001) met het volgend onderwerp “De Sefierot” van onze studie ” Een introductie van Kabbalistische concepten en doctrines”, beginnen wij met een inleidende uitleg.

DE G`DDELIJKE MANIFESTATIE

De Heilige, Gezegend Hij, heeft een onnoemelijk aantal namen. AI deze namen duiden slechts verschillende aspekten aan van de G`ddelijke manifestatie in de wereld, in het bijzonder zoals deze aan mensen kenbaar worden gemaakt. Boven en buiten deze verscheidenheid van aanduidingen is het G`ddelijke wezen zelf, dat geen naam heeft en geen naam kan hebben. Wij noemen dit wezen, of G`d-in-Zichzelf, bij een naam die op zichzelf een paradox is: ‘de Oneindige, (in het hebreeuws; een sof) Gezegend Hij’.

Deze aanduiding is bedoeld om te gebruiken voor het G`ddelijke wezen in zichzelf, dat bij geen enkele andere naam genoemd kan worden omdat de enige naam die voor het ware wezen van God gebruikt kan worden werkelijk alles, zowel het verwijderde en het nabije, moet omvatten. Wij weten dat op het gebied van het abstrakte denken zoals in de wiskunde en de filosofie, oneindigheid datgene is wat niet te meten is en buiten bereik ligt, terwijl de term tegelijkertijd beperkt wordt door zijn eigenlijke definitie, dat het een kwaliteit van iets eindigs is. Er zijn bijvoorbeeld veel dingen in de wereld, zoals getallen, die oneindigheid als een van hun eigenschappen hebben en toch hetzij in hun funktic of doel of in hun eigenlijke aard beperkt zijn. Maar als wij spreken van de Oneindige, Gezegend Hij, bedoelen we de uiterste volmaaktheid en abstraktie, datgene wat alles omvat en boven alle mogelijke grenzen uitstijgt.

Het enige dat we dan over de Eeuwige mogen zeggen, zou het ontkennen van alle eigenschappen betreffen. Want de Eeuwige is boven alles dat in wat voor termen dan ook gevat kan worden – positieve of negatieve. Het is niet alleen onmogelijk om van de Eeuwige te zeggen dat Hij op een of andere manier begrensd is of dat Hij slecht is; men kan zelfs niet het tegenovergestelde zeggen, dat Hij uitgestrekt is of dat Hij goed is. Net zoals Hij geen materie is, is Hij geen geest, noch kan er van Hem gezegd worden dat Hij in enige dimensie bestaat die ons iets zegt. Het dilemma dat door deze betekenis van oneindigheid ontstaat is meer dan een gevolg van het onvermogen van de menselijke geest. Het vertegenwoordigt een eenvoudigweg onoverbrugbare kloof, een kloof die niet door iets wat te omschrijven is overgestoken kan worden.

Het lijkt daardoor of er zich een afgrond uitstrekt tussen G`d en de wereld – niet alleen de stoffelijke wereld van tijd, ruimte en zwaartekracht, maar ook de geestelijke werelden, waarbij het er niet toe doet hoe verheven die zijn, omdat zij beperkt zijn binnen de grenzen van hun eigen definitie. De Schepping wordt zelf een goddelijke paradox.

Om deze afgrond te overbruggen, blijft de Eeuwige doorgaan met het scheppen van de wereld. Zijn scheppen is niet het vormen van iets uit niets, maar het is de daad van de openbaring. De Schepping is een uitstraling van het G`ddelijke licht; zijn geheim is niet het tot stand brengen van iets nieuws maar de omvorming van de G`ddelijke werkelijkheid in iets dat afgebakend en beperkt is – in een wereld. Deze omvorming brengt een proces of een mysterie van samentrekking met zich mee. G`d verbergt Zich en zet daarbij zijn wezenlijke oneindigheid opzij en onthoudt zijn eindeloze licht voor zover dat nodig is opdat de wereld kan bestaan. Binnen het werkelijke G`ddelijke licht kan niets zijn eigen bestaan handhaven; de wereld wordt alleen mogelijk door de bijzondere daad van het goddelijke terugtrekken of samentrekken. Een dergelijk G`ddelijk niet-zijn of een dergelijk verborgen-zijn is dus de elementaire voorwaarde voor het bestaan van datgene wat eindig is.

Toch wordt de wereld, zelfs al verschijnt zij als een eenheid in zichzelf, gevormd en gesteund door de G`ddelijke macht die in dit oerwezen wordt gemanifesteerd. De manifestatie neemt de vorm aan van tien Sefierol, de fundamentele krachten of de goddelijke energiekanalen. En deze Sefierot, die de middelen tot G`ddelijke openbaring zijn, verhouden zich tot het oorspronkelijke G“ddelijke licht zoals het lichaam zich tot de ziel verhoudt; zij zijn een soort instrument of het voertuig om zich uit te drukken, als een wijze van scheppen in een andere dimensie van bestaan. De tien Sefierot kunnen ook als een rangschikking of konfiguratie gezien worden, die lijkt op een rechtopstaande menselijke gestalte waarvan iedere ledemaat met een van de Sefierot overeenkomt. De wereld staat daarom niet in rechtstreekse verbinding met de verborgen G`dheid, die in deze vergelijking lijkt op de ziel in relatie tot het mensbeeld van de Sefierot. De wereld staat eerder in relatie met de G`ddelijke manifestatie in de tien Sefierot, wanneer en hoe deze manifestatie ook optreedt. Net als de ware ziel van een mens, zijn niet-waarneembare zelf, nooit aan anderen wordt geopenbaard maar zichzelf manifesteert door zijn geest, emoties en lichaam, zo wordt het Zelf van G`d niet in Zijn oorspronkelijke essentie geopenbaard, behalve door de tien Sefierot.

De tien Sefierot vormen tesamen een fundamentele en allesomvattende Werkelijkheid. Bovendien is het patroon van deze Werkelijkheid organisch., ieder van de Sefierot heeft een unieke funktie, vult ieder van de anderen aan en is essentieel voor de verwerkelijking of vervulling van de anderen en van het geheel.

Vanwege hun diepzinnige veelzijdigheid, lijken de tien Sefierot in een mysterie gehuld te zijn. En inderdaad hebben ze ieder zo veel ogenschijnlijk niet verbonden betekenisniveaus dat alleen een opsomming van hun namen hun wezen niet voldoende uitdrukt, waarbij nog komt dat de niveaus onverbonden schijnen. Wanneer men zegt dat de eerste Sefiera, Keter (kroon) de oorspronkelijke G`ddelijke wil is en ook de bron van alle verrukking en vreugde, raakt dit slechts de buitenkant. Hetzelfde geldt voor Chogma (wijsheid), dat intuttieve, onmiddellijke kennis is, terwijl Biena (inzicht) meer naar logische analyse neigt. Da’at (kennen, weten) verschilt van beiden; het is niet alleen de opeenstapeling of de optelling van datgene wat bekend is, maar een soort elfde Sefiera, die wel en toch niet bij de tien hoort. Chesed (genade) is de vierde Sefiera en is de onbedwingbare zich uitbreidende impuls of Gedoela (grootheid) van liefde en groei. Gewoera (macht, kracht) is zelfbeheersing en koncentratie, zowel beheersing als angst en vrees, terwijl Tiferet (schoonheid) de kombinatie is van harmonie, waarheid en hartstocht. Netsach (eeuwigheid) is de overwinning of het vermogen om dingen te boven te komen. Hod (majesteit) kan ook als vasthoudendheid of doorzettingsvermogen gezien worden. En jesod (basis) is o.a. het voertuig, de drager van de ene staat naar de andere staat. Malchoet (koninkrijk) de tiende en laatste Sefiera is behalve hoogste gezag of heerschappij, het woord en de uiteindelijke vruchtbodem.

Keter

Biena Chogma

(Da’at)

Gewoera Chesed

Tiferet

Hod Netsach

jesod

Malchoet

AI deze Sefierot zijn oneindig in hun mogelijkheden hoewel zij eindig zijn in hun wezen. Ze verschijnen nooit afzonderlijk, in een zuivere toestand, maar altijd in een of andere kombinatie, in een verscheidenheid van vormen. En iedere enkelvoudige kombinatie of detail van zo’n kombinatie brengt een andere openbaring tot uitdrukking.

De uiteindelijke som van al deze Sefierot in hun onderlinge relatie vormt de permanente verbinding tussen G`d en Zijn wereld. Deze verbinding werkt in feite naar twee richtingen, want de wereld kan antwoorden en ook op zichzelf handelen. Aan de ene kant zijn de tien Sefierot verantwoordelijk voor de universele wet en orde, wat we de werking van de natuur in de werelden zouden kunnen noemen. Als zodanig vermengen zij zich en dalen af, trekken samen en veranderen van vorm terwijl zij van de ene wereld naar de andere gaan, totdat zij onze stoffelijke wereld bereiken, die het eindstation is van de manifestatie van de G`ddelijke macht.

Aan de andere kant zijn de gebeurtenissen in onze wereld voortdurend van invioed op de tien Sefierot en werken in op de aard en kwaliteit van de relaties tussen het neerstromende licht, de neerstromende macht en de ontvangers hiervan.

Een oude allegorie illustreert deze invloed door de wereld voor te stellen als een klein eilandje in het midden van de zee, bewoond door vogels. Om hen van voedsel te voorzien, heeft de koning een ingewikkeld netwerk van kanalen laten aanleggen, waardoor het noodzakelijke voedsel en water stroomt. Zolang de vogels zich gedragen zoals de natuur ze heeft toegerust, zingend en door de lucht vliegend, gaat de stroom van overvloed ononderbroken door. Maar als de vogels in het vuil gaan spelen en in de kanalen gaan pikken, verstoppen de kanalen of raken ontregeld en kunnen niet meer goed funktioneren; de stroom van boven wordt afgebroken. Zo hangt het eiland, dat onze wereld is, ook af van het juist funktioneren van de Sefierot. En wanneer zij verstoord raken, wordt het systeem ontregeld en de faktoren die dit veroorzaken lijden zelf onder de gevolgen.

In deze betekenis is de gehele orde van de Sefierot met zijn wetten van aktie en reaktie in veel opzichten mechanisch. Niettemin kan de mens, die het enige schepsel is dat in het systeem tot vrij handelen in staat is, in het patroon en de werking ervan veranderingen van verschillende omvang veroorzaken. Want alles wat de mens doet, heeft betekenis. Een slechte daad zal in het algemeen een scheuring of negatieve reaktie in het uitgestrekte systeem van de Sefierot veroorzaken, en een goede daad korrigeert of verheft de dingen naar een hoger niveau. ledere reaktie strekt zich uit tot alle werelden en komt in de een of andere vorm terug in de onze, terug op onszelf.

In deze uitgestrekte verheven orde vormen de mitswot het bestuderen en in praktijk brengen van de Tora, gebed, liefde en inkeer slechts details of richtlijnen. De mitswot leren ons hoe bepaalde daden,

gedachten en manieren van doen op de Sefierot van invloed zijn en een gewenste kombintie van zegen en volheid tevoorschijn brengen, die de wereld beter maken. In feite moet men voor het doen van iedere mitswa bepaalde woorden hardop zeggen – woorden die bedoeld zijn om een grote overvloed van de hogere werelden in ons te doen vloeien teneinde onze zielen te verlichten. Dit betekent dat iedere mitswa een specifiek wezen heeft waardoor hij het systeem van de werelden beinvloedt en een soort verbinding schept tussen de werelden en de mens. Dus zelfs hoewel onze wereld vanuit vele gezichtspunten bekeken klein is, kan hij gezien worden als het kruispunt van alle andere werelden, hoofdzakelijk vanwege deze macht van de menselijke wezens, schepselen die in het bezit zijn van een vrije wil, om de vastgestelde orde van de dingen te veranderen. Het is alsof onze wereld een soort kontrolekamer is van waaruit de tien Sefierot in hun verschillende mogelijke kombinaties in werking gezet kunnen worden.

Een overtreding – een breuk van de orde in het systeem – heeft twee gevolgen. In de eerste plaats veroorzaakt hij een soort kortsluiting en doet de afdaling van de goddelijke volheid afbuigen of vervormt hem. In de tweede plaats stimuleert de schok als gevolg van de kortsluiting de wereld van de Keliepot, de buitenste schillen, en leidt er toe dat zij een negatieve lading krijgen binnen het speciale systeem dat toebehoort aan het leven van de overtreder.

Dit is wat er bedoeld wordt met de beloning en straf die naar men zegt op iedere daad van een menselijk wezen volgt. Niet alleen een daad beroert op deze wijze het systeem van de Sefierot, maar ook een gedachte, een bedoeling, of ieder ander facet van de verschillende roerselen van de menselijke ziel. Wanneer iemand bijvoorbeeld bidt – of hij nu op de voorgeschreven wijze bidt, gericht op de hogere werelden of dat hij in een persoonlijk gebed verzonken is dat hij hardop zegt of alleen maar overpeinst in zijn hart – is hij in staat de orde van de gebeurtenissen te befnvioeden. In feite reiken iemands spontane innerlijke bewegingen, die niets te maken hebben met zijn openlijke daden noch met zijn bewuste gedachten, dikwijls tot hogere niveaus en werken daarop in. Wanneer iemand bijvoorbeeld bij ziekte om genezing bidt, vraagt hij om genade, om een verandering in een uitgestrekt netwerk van systemen: van het vastgelegde systeem dat goed en kwaad als een geheel verdeelt tot die sekundaire en wisselende systemen waarvan het fysieke gebied afstamt met zijn eigen deel aan pijn en ellende. Hij vraagt in andere woorden een her-rangschikking binnen een enorm komplex van in elkaar sluitende ordeningen zowel in de hogere werelden als in de wereld van de natuur.

Dit patroon van G`ddelijke manifestatie en de menselijke relatie ermee kan mechanisch lijken in zijn determinisme, maar in de bijbelse bronnen wordt het met veel meer persoonlijke en symbolische beeldvorming beschreven. Dat wil zeggen dat in de verschillende godsdienstige en filosofische werken van de joodse traditie, een verscheidenheid aan allegorische tekenen en metaforen gebruikt worden om hetzelfde aan te duiden. We Iezen bijvoorbeeld over het oog van G`d dat het aangezicht van de aarde afzoekt; de oren van G`d die alle geluiden horen; over de Heilige, Gezegend Hij, die verheugd of boos is, glimlacht of weent. Dit alles houdt natuurlijk verband met het patroon van Zijn manifestatie door de tien Sefierot in hun verschillende gedaantes zoals de Sefierot, als delen, analoog zijn aan de organen en ledematen van het menselijk lichaam (de mens die naar het evenbeeld van God is gemaakt, zowel naar lichaam als ziel). Zo hebben wij een voorbeeld van de wezenlijke relaties in het universum, en misschien wel tussen de wezens zelf. En we kunnen van de rechterhand van God spreken als de kracht of macht die geeft, die de overvloed uitstort, die helpt en bemint; en we kunnen van de linkerhand spreken als de kracht die steunt en beschermt, klein maakt en straf toedient, en die de harmonie of de levende verbinding tussen alles en iedereen in het systeem van de Sefierot herkent.

Dus ook wanneer de profeten hun verheven visioen van G`d, Zijn openbaring van Zichzelf, in de Sefierot beschrijven, moeten zij het visioen in een menselijke kontekst presenteren om de emotionele betekenis van het visioen voor de mensen waar te maken. Hun beschrijvingen kunnen beschouwd worden als allegorische omlijstingen, waarbij de mens als een metafoor voor de Allerhoogste wordt gebruikt: zowel in de menselijke details als in het denkbeeld dat de mens een volledige eenheid is, een mikrokosmos. De menselijke hand wordt dan analoog aan Chesed (genade), wat in een andere gedaante als water of licht of ieder andere variatie van een symbolische metamorfose voorgesteld kan worden. Daarom kan iemand, wanneer hij bidt of een mitswa doet en met een hoger systeem in verbinding staat, dat systeem beelden opleggen, metamorfoses van dezelfde hogere kracht, waarbij hij zover gaat dat hij G`d als een menselijke figuur op een troon ziet zitten waarvan iedere trek een openbaring binnen de Sefierot uitdrukt, in verschillende werelden, de een boven de ander.

Zelfs ondanks het feit dat de orde van krachten bijna oneindig is in zijn onmetelijkheid en komplexiteit en mechanisch en automatisch lijkt – en zelfs ondanks het feit dat wat mechanisch lijkt niet alleen de materie en de wetten van de natuur omvat, maar ook de werking van de wetten buiten de natuur, van goed en kwaad, bedoeling en gebed, gedachte en gevoel – wordt deze orde niettemin gevoed met de stroom van de G`ddelijke volheid. En in deze orde is de mens, hoewel hij slechts een heel klein deeltje van het geheel is, ook een doeltreffende en betekenisvolle speler.

Het feit dat de mens slechts een heel klein detail is, een vlekje en minder dan dat vergeleken met de Oneindige, wordt in evenwicht gebracht door het feit dat hij in zijn nietigheid juist degene is die aan ieder deel zijn betekenis verleent. Omdat er, een orde van oorzaken en invloeden en een eerste oorzaak van alle werelden is, kan ieder mens in zijn daden, gedachten en aspiraties elk van deze punten van het bestaan bereiken. Niet alleen is de mens vrij om het systeem te beinvloeden, maar ieder van zijn daden is – in alle werelden, in termen van ruimte en tijd en van de Allerhoogste of de Uiteindelijke Werkelijk-heid – van een onschatbare betekenis. In tegenstelling tot alle automatische krachten van patronen die in de kosmos funktioneren, beweegt alleen de mens zich onafhankelijk binnen het systeem. Alleen hij is belangrijk voor de manifestaties omdat hij hen kan veranderen, hen van het ene naar het andere niveau kan doen bewegen. Bovendien krijgt de mens – omdat hij in twee verschillende werelden verblijft en aan een diepe innerlijke strijd onderhevig is – de kans ver boven het niveau van ons bestaan en de plaats waarin hij zichzelf geestelijk bevindt uit te stijgen en de hogere werelden eindeloos te beinvloe-den. Juist omdat het G`ddelijke als een oneindige, en niet als een eindige kracht wordt begrepen, is alles in de kosmos, klein of groot, slechts een klein deel van het patroon, zodat er geen verschil is in gewicht of zwaarte tussen het ene deel of een ander. De beweging van iemands vinger is net zo belangrijk of onbelangrijk als de ergste ramp, want ten opzichte van de Oneindige zijn ze beide van dezelfde dimensie. Net zoals de Oneindige gedefinieerd kan worden als onbeperkt, in de zin van buiten alles, zo kan Hij ook gedefinieerd worden als dichtbij en alles aanrakend. Dit is het punt van het persoonlijke menselijke kontakt, want ondanks de uitgestrektheid en de orde van al die systemen, kunnen de onafhankelijke daden van de mens – zijn mt’tswot en zijn overtredingen – niet in verband met mechanische daden of aan de andere kant, magische daden verklaard worden. Wanneer men alleen een relatie heeft met de Sefierot, heeft men niet een relatie met iets werkelijks. Want daden of gedachten kunnen niet uit zichzelf werkzaam zijn, los van de Oneindige, Hij die het leven van de werelden is. Alle systemen van de tien Sefierot hebben in zichzelf niets werkelijks, ondanks het feit dat zij de wetten van de natuur, en ook de wetten die daarbuiten vallen, uitvoeren. In relatie tot het Oneindige Licht Zelf zijn zij minder dan niets, gekleed of bedekt door de schijn van iets werkelijks. Zij zijn slechts namen, aanduidingen, vertrekpunten om een relatie aan te gaan maar zij hebben niets wezenlijks in zich. Dit houdt in dat gebed, inkeer, de roep van de mens naar God, zelfs hoewel zij afhankelijk zijn van een begrensd, deterministisch systeem en er dwars doorheen gaan, dit systeem niet beinvloeden en er zich zelfs niet op richten. Wanneer een mens bepaalde hoogten bereikt, leert hij meer over G`d, de orde en de rangschikking van de dingen, de relaties tussen de ene daad en de andere en de macht en betekenis van de wet. Niettemin is de relatie tot het goddelijke uiteindelijk individueel. De relatie van de enkeling is een geheel eigen aangelegenheid door het unieke van zijn zelf en persoonlijkheid en in de afwezigheid van het besef van de oneindige afstand tussen hemzelf en G`d, juist omdat G`d in Zijn oneindige verwijderdheid, buiten enig mogelijk kontakt, Zelf degene is die de wegen en de middelen tot kontakt schept. Daarlangs kan iedere gedachte, iedere huivering van voorgevoel en menselijk verlangen, zijn weg zoeken totdat zij de Eeuwige Zelf, de Oneindige, Gezegend Hij, bereikt.

HFD. 2: Beloften van Voorspoed (2) & ANSHAJ KNESSET HA-G`DOLA

Aangaande dit alles, als een profeet je zou zeggen om te overtreden de woorden van de Thora Gehoorzaam hem, uitgezonderd heidenisme.

Dit is echter alleen waar op die conditie dat het niet een permanente, eeuwigdurende decreet is. Hij mag niet zeggen dat De Heilige Geprezen Zij Hij heeft opgedragen een mitswa nietig te verklaren voor altijd. Hij mag alleen opdragen een tijdelijke suspensie van een mitswa als de situatie dit nodig acht.

Zoals het Beth Din zou doe in noodwetgeving, en zoals de profeet Elia deed op de Berg Carmel ( Koningen, 18 ) door het offeren van een offer buiten Jeruzalem, terwijl de Beth HaMikdash ( Heilige Tempel ) binnen haar muren stond, terwijl het ondernemen van zo een actie zonder de uitdrukkelijk opdracht van een profeet, zal leiden tot iemands kaurat ( hemelse straf oplegging, letterlijk vertaald, afgesneden, afgesneden in deze wereld en afgesneden van de komende wereld [Sanhedrin 64b]). We worden hier op geattendeerd in het vers,

“Pas er voor op dat je je in vlammen opgaande offers niet brengt op iedere willekeurige plaats die je ziet” [Deuteronomium 12:13], en we zijn gewaarschuwd dat iemand die dit verbod overtreed onderhevig is aan kaurat in het vers dat spreekt over iemand die offert buiten Jeruzalem: “die man wordt dat als bloedschuld aangerekend, bloed heeft hij vergoten en die man zal worden afgesneden van zijn volk” [Leviticus, 17:4] m.a.w. buiten de gemeenschap geplaatst.

Inderdaad had men Elia zelf, vrede zij met hem, gevraagd op het moment van zijn offering van zijn offer op de berg Carmel, ” Mogen wij zoiets doen vanaf nu?” zou hij hebben geantwoord, dat iedereen die buiten Jeruzalem offert is onderhevig aan kaurat en dat zijn eigen handelen enkel en alleen een gevolg is van een tijdelijk noodsituatie om bloot te leggen de bedrieglijkheid van de profeten van Baal en een einde te maken aan hun cult.

Een andere profeet die een tijdelijke suspensie van een bijbels verbod verordende als noodmaatregel was Elisha, in zijn opdracht een oorlog aan te gaan met Moab werd verordend het omhakken van vruchtdragende bomen:

“En je zult elke goede boom omkappen” (Koningen 2 3:19) ondanks het feit dat HaShem in de Thora ons dit heeft verboden (“Als je gedurende lange tijd een stad moet belegeren om die, door er oorlog tegen te voeren in te nemen, moet je de vruchtbomen ervan niet vernietigen door de bijl er in te slaan….” Deuteronomium, 20:19] ).Had men Elisha gevraagd of dit gebod vanaf nu teniet is gedaan, en dat het vanaf nu toegestaan zou zijn om vruchtdragende bommen om te kappen telkens wanneer we een stad zouden belegeren, zal hij geantwoord hebben, dat het niet zal worden toegestaan en dat deze handeling enkel en alleen was vereist voor exceptionele noodsituatie. In het volgende hypothetische geval zal ik aangeven als illustratie dit basis concept welke inhoud al de geboden: Als iemand die een profeet is, wiens authenticiteit van profetie duidelijk voor ons is, in een wijze zoals we hebben beschreven, ons zou zeggen dat wij op de dag van Shabbat allen moeten aantreden—vrouwen en mannen—een vuur aansteken, daarin wapens vormen, en elke man zijn wapen moet omgorden, om op deze dag ten streide te trekken, naar een bepaalde plaats, op deze dag, welke is de dag van Shabbat en dat we hun bezittingen moeten plunderen en hun vrouwen gevangen moeten nemen—dan zou het zijn een verplichting voor ons—-wij, die zijn onder het gebod van de Thora van Mozes—treden onmiddellijk aan en zonder enig uitstel, juist zoals is verordend doen wij alles wat de profeet ons oplegt met bereidwillige enthousiasme en speciale liefde, zonder enige bezorgdheid of schroom. En we moeten vertrouwen dat alles wat we doen op die dag, ondanks het feit dat het de dag van Shabbat is—het aansteken van vuur, het doen van m`lacha ( De collectieve term voor die activiteiten die verboden zijn op Shabbat ), het doden en de oorlogsvoering—het een mitswa is en dat we zullen verwachten te worden beloont door De Heilige Geprezen Zij Hij, aangezien wij uitvoeren het gebod van de profeet, welke is een “gij zult” gebod, zoals is gezegd door Mozes “Een profeet, uit je eigen kring, uit je broeders, zoals ik, laat de Eeuwige, je G`D, bij je opstaan, naar hem moet je luisteren” (Deuteronomium, 18:15).

En de mondelinge Wet formuleert (Sanhedrin, 90A): Betreffende dit alles, als een profeet je zou zeggen te overtreden de woorden van de Thora—gehoorzaam hem, uitgezonderd heidenisme. (b.v., als hij ons zou zeggen, “vereer vandaag, alleen, dit beeld,” of “Brandt wierrook voor deze ster alleen voor dit uur,” zal hij toch moeten worden geëxecuteerd, en niemand mag naar hem luisteren.)

We gaan nu verder met onze illustratie: Als een persoon die rechtschapen is en met Hemelse vrees, die ouderdom naderbij ziet komen zou denken bij zichzelf, “Zie, ik ben op een gevorderde leeftijd gekomen, het einde van mijn dagen komen naderbij en in mijn bezit heb ik zo en zo veel jaren waarin ik nooit heb overtreden een enkel gebod—hoe kan ik dan aan treden op deze dag, welke is de dag van Shabbat, een gebod overtreden wiens straf is sikeela ( een executievorm hoofdzakelijk uitgevoerd van een hoogte met dood als gevolg ) en ten strijde trekken? Terwijl ik voor mij zelf niet in staat ben slecht of goed te doen; anderen kunnen zeker gevonden worden en mijn plaats innemen; er zijn vele anderen die zulke dingen kunnen doen!”— dan is deze persoon een oproerling en overtreed de woorden van HaShem en hij is onderhevig aan dood door Hemelse handen, omdat hij niet gehoorzaamd de verordening van de profeet. Hij Die ons de Shabbat heeft oplegt is de zelfde Die ons gebied te luisteren naar de woorden van de profeet en dat wat hij uitvaardigt.

Iedereen die zijn woorden overtreed is schuldig en aansprakelijk voor straf, zoals is verklaard. Dit is wat het Schrift zegt Deuteronomium 18:19: En diegene die niet luistert naar Mijn woorden die hij uit Mijn naam zal spreken, van hem zal Ik zelf rekenschap vragen Niettemin, op deze zelfde Shabbat, als iemand, tijdens het uitvoeren van deze M`lachot (mv. van m`lacha activiteiten die verboden zijn op Shabbat.) dit ondermijnt en niet van plan is om gevolg te geven aan het geen wat de profeet oplegt, maakt diegene zich schuldig aan een zonde met als gevolg sikeela. En als deze zelfde profeet die ons dit heeft opgelegd en wiens woord wij gehoorzamen ons zou zeggen door bepaling dat de T`hoeme Shabbat ( De Shabbat Limiet: De maximale afstand die iemand mag afleggen vanuit zijn woonomgeving ) is een amoh minder dan twee duizend amohs (1 amoh = + 1 meter), of dat het een amoh meer is dan twee duizend amohs, en schrijft deze kennis toe aan de hem verleende profetie, eerder dan een conclusie bereikt door Thora analyse en rangschikking van feiten tot in een grondstelling, dan is het duidelijk dat hij een valse profeet is en hij zal geëxecuteerd moeten worden doormiddel van henek (zie noten executie, Sanhedrin).

Door de bovenstaande illustratie hebt je een methode van inzicht over alles wat een profeet je zou kunnen opleggen, en in het Schrift zal je vinden elke beschrijving met betrekking tot de Profeet die in contradictie is met de mitswot

of een facet daarvan. Dit basisprincipe is een sleutel tot het begrip van dit gehele onderwerp; Alleen in dit opzicht is de profeet eminent onder de andere stervelingen, zo ver als de mitswot betreft. Maar wat betreft Thora analyses, construeren van grondstellingen en afleiding van mitswot, is hij gelijk aan alle anderen geleerden, zij, die niet het vermogen bezitten van profetie, zijn gelijk aan hem.

Wanneer een profeet een grondstelling construeert welke vertoond een bepaalde halachische (wettelijke) conclusie en hij die niet een profeet is komt evenzo tot een bepaalde conclusie, maar de profeet verklaard, “De Heilige Geprezen Zij Hij heeft mij gezegd dat mijn redenatie van logica is de enige correcte”— dan moet je niet naar hem luisteren. Zouden duizend profeten, allen op het profetische niveau van Elia en Elisha één redenatie van logica hebben, terwijl duizend geleerden zonder het vermogen van profetie, plus nog één geleerde, behorend tot tegenovergestelde redenatie van logica,— “Volg het standpunt van de meerderheid!” ( Exodus, 23:2 ); de halacha is aan deze duizend geleerden plus één, en niet aan de duizend eminente profeten. Dit is wat onze geleerden verklaren: “Bij G`D!! Indien Joshoea ben Noen mij dit uit zijn eigen mond had verteld, zou ik niet luisteren en geen aandacht aan hem schenken!” (goelin, 124A). Nogmaals, “Als Elia zou komen en zegt dat Galietza ( zie Deuteronomium, 25:6 ) gedaan moet worden met een schoen, dan luister naar hem. Maar als hij zou zeggen,….met een sandaal, luister dan niet naar hem!” (Jawamot 102A)—betekenis, er is geen toestemming om iets toe tevoegen c.q. te verwijderen van een mitswa door middel van profetie. Evenzo als de profeet wil beweren dat De Heilige Geprezen is Hij hem heeft gezegd dat de praktische toepassing van een bepaalde mitswa is zo en zo, en dat de grondstelling van de ene autoriteit, juister is dan die van een ander en correcter, die “profeet”moet worden executeert , want hij is een valse profeet; zoals wij hebben vastgesteld (pag. 11-12) als een centraal principe: Er is geen Thora gegeven na de eerste profeet, Mozes en er is geen toestemming om er iets aan te amenderen noch om er iets van te verwijderen, zoals het zegt:” Het is niet ( langer) in de hemel” (Deuteronomium, 30:12). En De Heilige Geprezen Zij Hij heeft ons niet toegestaan om de Thorawetten te leren van de profeten [ in hun capaciteit als profeten], maar alleen van de geleerden, mensen met logische opinies en redenaties. Hij verklaarde niet: Wanneer er een probleem ontstaat……zul je gaan naar de profeet die er zal zijn in die dagen. Hij verklaarde, “je zult gaan naar de Kohanim-Leviiem (Priesters-Levieten), of naar de rechter die in die dagen de autoriteit is, vraag dan en zij zullen je de gerechtelijke uitspraak mededelen” (Deuteronomium, 17:9). De geleerden hebben dit punt zeer uitvoerig en omvangrijk behandeld, en dit is de authentieke presentatie.

noten;Sanhedrin, Executie, Kohanim, Levie`im, Mishna.

——

ANSHAJ KNESSET HA-G`DOLA, of DE MANNEN VAN DE GROTE VERGADERING

De Titel is verleend aan een zekere generatie van het Sanhedrin gedurende de Perzische periode. Het Sanhedrin was alleen werkzaam in het Heilige Land en na de eerste Babylonische verbanning, Nahemia kwam naar Jeruzalem en begon met het samenstellen van de Grote Vergadering zowel uit profeten en niet profeten, constitueerde de zeventig leden vereist voor een Groot Sanhedrin, plus functionarissen en de belangrijkste discipelen, tot een totaal aantal van 120. Gedurende hun eigen tijd werden zij gerefereerd als “Officieren,” (Ezra 8:29, 9:1, 10:8e.v.; Nehemia 10:1; 12:31).

Daar de natie niet langer onafhankelijk was en het niet voorhanden zijn van een Joodse Koninklijke macht om toe te zien op de naleving van Thorawetten, legde dit Sanhedrin grote nadruk op dit principe, “Maak een omheining (m.a.w. maak voorzorgsmaatregelen) rond de Thora.” Het was onder die omstandigheden nodig te reguleren, vastleggen en formaliseren alle facetten het Thoraleven om te verzekeren de wezenlijke comp leet georganiseerde, zelfnaleving en zelf functionerende entiteit. Daarom het:

1) Afsluiting van het Schrift

2) Completering van alle sociale instituties

3) Formulering en Formaliseren van de gebeden en de taal ervan

4) Formaliseren de taal van de Mondelinge Wet in zijn exacte permanente oorsprong: De Mondeling Mishna welke uiteindelijk later schriftelijk geredigeerd werd voor de eerste keer door Rabbi Jehoeda HaNasi.

Wegens haar grote verdienste is dit Sanhendrin later genoemd De Grote vergadering.

EXECUTIE: Sanhedrin is verplicht en heeft de taak voor uitvoering van iemand die verdiend de dood en is in overtreding van een gebod als zij zich daarvan onthoud, doodstraf is geen wraak, maar is bedoelt als vergoeding, juist zoals vasten op Jom kippoer betekend vergoeding en niet een bestraffing. Het is een extreme maatregel die genomen moet worden, en het Beth Din ( Sanhedrin ) vast de hele dag waarop de executie zal plaatst vinden. Toegevoegd aan de al bestaande nauwgezette voorzorgsmaatregelen nodig om te verzekeren dat geen onschuldig persoon wordt gevonnist door schuldig aan dood ( twee onberispelijke ooggetuigen moeten hebben gezien de gepleegde handeling en deze ooggetuigen moeten elkaar gezien hebben—indirect bewijs is ontoelaatbaar— zij verplicht de crimineel te waarschuwen in bepaalde termen voor de consequenties van zijn misdrijf, zijn onder ander het eerste vereiste ) zijn, scrupuleuze maatregelen om hoorzittingen toe te staan voor herziening van de zaak, als zich maar de geringste mogelijkheid voordoet van nieuw bewijs, ook die van de beschuldigde zelf.

Bovendien, moet al het mogelijke worden gedaan om de maatregelen onder deze pijnlijke omstandigheden te verzachten, hetzij fysiek, mentaal of emotionel, in overeenstemming met de eis van de Thora om “Heb je naaste lief zoals je zelf”. Aldus, in alle vormen van de doodstraf moet de veroordeelde voor zijn strafoplegging gedrogeerd worden. Bij het uitvoeren van sikeela, moet de gekozen hoogte vanwaar de veroordeelde wordt afgegooid verzekerd zijn van een snelle dood, terwijl het er niet toe mag leiden dat het lichaam mismaakt wordt, zoals niet het schenden van”het aangezicht van G`D”;dit is maar een summiere opsomming van gerechtelijke maatregelen in geval van executie, er was geen executie mogelijk als men niet aan deze gerechtelijke voorwaarden en maatregelen voldeed. De Talmoed vermeld; Een Beth Din die een doodvonnis velt in zeventig jaar, een bloedrechtbank kan genoemd worden.

Aangezien hoofdelijk zaken alleen mogen berecht worden in de Tempel met een geïnstalleerd Sanhedrin ( M.T. San. 14:1 )is de berechting van zulke zaken veertig jaar voor de verwoesting van de Tempel beëindigd, doordat het Sanhedrin was verbannen.

Koheen Gadol en Kohaniem: Alle nakomelingen van Aaron de Leviet (broer van Mozes), werden apart geplaatst van de andere Levieten om gekend te worden als Kohaniem, zoals het vers zegt: “Ook moet je je broer Aaron en met hem zijn zonen naar je toe laten komen vanuit de Kinderen van Israël om hen tot priester voor Mij aan te stellen….(Exodus 28:1). De functie van de Kohaniem was, uit te voeren de procedure van de verschillende types van offers aan HaShem, volgens de complexe eisen en details van de Thora. Wegens hun heilige positie werden zij overeenkomstig gebonden aan speciale leefregels, welke zijn beschreven in Leviticus 21. Zij waren ontvangers van een zeer bepalende bijdrage, bevoorrecht boven anderen in heilige zaken en werden door de natie als zodanig gerespecteerd ,van hun werd verlangt een nobel gedrag.

Koheen Gadol: De Koheen Gadol was het gezalfde hoofd over de Kohaniem, volgends de functie van Aaron, de eerste Koheen Gadol die presideerde over zijn Koheense zonen (Exodus 28:1, 38 e.v.). Na Aaron`s dood, was zijn zoon El`azar Koheen Gadol, van af die tijd werd de positie gevestigd door aanstelling van nazaten van El`azar (Numeri 20:25-9).

Oorspronkelijk werd de Koheen Gadol alleen benoemd door Opperste Beth Din (Sanhedrin) van zeventig leden, geschikt door zijn buitengewone wijsheid, er waren speciale wetten welke hem verzekerde van eerbewijs (M.T. Klay Beth HaMikdash, III). Zijn inzegeningsceremonie werd formeel verricht, door middel van het aantrekken van acht ambtsgewaden van De Koheen Gadol (Exodus, 29:29-30).

Het Beth Din van de Kohaniem (Ketoebot 12A) en de Oudsten van de Kehoena (Joma 18) hielden een zeer nauwkeurig oog op alle details van de dienst in het Heiligdom en verlangde een eed van de Koheen Gadol in functie om uit te voeren de leerstelling van de Geleerden zonder enige deviatie en de dienst van het Heiligdom voortdurend met uiterste nauwgezetheid te doen, in vasthoudend aan de Wet (Theocratische Thora Staat).

S`GAHN: De S`gahn was de Koheen benoemt als de tweede na de Koheen Gadol, vergelijkbaar als een vizier bij een koning. Gedurende de offergaven stond hij altijd rechts van de Koheen Gadol, en alle anderen Kohaniem vielen onder zijn autoriteit. Onder hem was een neergaande serie van acht andere Koheense posities, elke positie had autoriteit over degene onder zich. (Mishne Thora, Klé Beth HaMikdash,111)

Levie`im: Levie`im zijn alle nakomelingen van Levie (een van de twaalf zonen van Jakob en dus een van de broers van Jozef), geboren voor de tijd van Mozes (een achter kleinzoon van Levie). Zij waren apart geplaatst (“geheiligd”) voor de dienst in het Heiligdom. Gedurende het eerste jaar van de Exodus, toen sommige van Israël zondigden aan de affaire met het Gouden Kalf, was de stam van Levie de enigste stam waarvan niet èèn van de 22.000 leden (Numeri 3:39) zondigde. Zie Exodus 32:26-35.

Als beloning voor hun toewijding tot Hem, droeg HaShem de verdienste ten aanzien van de dienst in het Heiligdom over van alle eerstgeborene van Israël naar alle leden van de stam Levie (Numeri 3:11 e.v., 8:17, 40 e.v.)

“In die Tijd zonderde de Eeuwige de stam Levie af om de ark voor het verbond met de Eeuwige te dragen, om staande voor de Eeuwige de dienst voor Hem te verrichten en uit Zijn naam de zegen uit te spreken—tot vandaag de dag.” (Deuteronomium, 10:8).

De Functie van de Levie`im zo lang als de blijvende Tempel nog niet was gevestigd was, het transporteren van de draagbare componenten van de Mishkan (Tabernakel) met de omvattende heilige objecten, naar zijn verschillende lokaties (Numeri 3). Een andere functie van hun was, op te treden in dienst van de Koheen Gadol, om te bewaking de Mishkan ( en later de Tempel ) voor het binnenkomen van niet Kohaniem Hun functie bestond ook uit het begeleiden en bewaken van de offergaven van het volk namens hun in de Mishkan en later in de Beth Ha Mikdash (Tempel).

Werkend volgens een rotatie schema, waren sommige Levie`im poortwachters, belast met het openen en bewaken van de poorten, sommigen waren zangers die begeleidende psalmen zongen bij de verplichte gemeenschappelijke offergaven en de shalmay atserret gedurende de wijn plengoffer;

De trainingperiode van een Levie begon wanneer hij vijfentwintig jaar was en het continueerde voor vijf jaren. Zo lang als de Beth HaMikdash niet permanent was gevestigd op een vaste plaats was de maximale leeftijd vijftig jaar (Numeri, 8:25).

Toen de Beth HaMikdash eenmaal was gevestigd, zou een Levie alleen kunnen worden ontheven van zijn dienst, als zijn stem geschaad zou zijn door ouderdom (Mishne Thora, Klé Beth HaMikdash, 3).

De Levie`im zijn vooral zeer gerespecteerd voor hun enorme bijdrage aan de educatie van de natie. “Zij leren Uw rechtsnormen aan Ja`akov en Uw Thora-voorschriften aan Israël” (Deuteronomium 33:10). (Leerplicht werd ingesteld + 500 v.d.g.j. vanaf de leeftijd van 3 jaar).

Omdat zij uitsluitend waren bestemt in de dienst van G`D en de studie van ZIJN Thora, hadden zij geen aandeel voor zichzelf van het land. Voor die reden (Gids 3:39) waren er specifieke wetten betreffende bijdragen voor de Levie`im, “En laat de Levie, die binnen je poorten verblijf houdt niet in de steek; want hij heeft bij jou deel of erfgoed” (Deuteronomium, 14:27).

Het is in deze capaciteit van educatieven in welke de Levie`im zijn voorbestemd in de tekst Deuteronomium, 10:8, zoals aan het begin van deze uitleg over de Levie`im.

Het woord Mishna is afgeleid van de term mishna l`meleh (ondersteunend, bijstaan tot de Koning), de Schriftelijke Thora zijnde de “Koning,”aangezien het de verwoording van HaShem is, terwijl de schriftelijke Mondelinge Thora (de Mishna) ondersteunend is aan het. Het is ook afgeleid van het woord wat betekend te leren, zoals ook het woord Tanna (m.v: Tanna`iem) welke verwijst naar een spreker in de Mishna. Het woord Mishna komt uit het Hebreeuws, terwijl het woord Tanna (im) komt uit het Aramees.

De originele mondelinge uitleg en gedetailleerde behandeling van de Thora was niet toevertrouwt tot schrift, maar werd levend gehouden door een breed maatschappelijk systeem van studie. Echter omdat later in de verstoorde en onzekere dagen van de Ptolemies, de zonen van Tovia.

Antiochus Epiphanes, de Hellenisten, Jochanon Hyrcanus, Yannai, Aristobulos en Hyrcanus en vlak voor en na de verwoesting van het tweede heiligdom, er ontstonden talrijke controversen in de interpretaties, mineur van detail, van de fundamentele mondelinge Mishna in zijn vorm vastgelegd in de Bijbelse dagen van de Anshay Knesset HaGedola; de omstandigheden weerhield het bijeen komen van al de geleerden voor een stemming, zodat deze uiteenlopenden meningen levend bleven tot na de Verwoesting. Dan, in Javne, was een bijeen komen mogelijk en werden deze opinions en toegevoegde detail verklaringen geleid binnen het formele orgaan van de mondelinge Mishna. Dit gebeurde opnieuw in de dagen van Rabbi Jehoeda HaNasi, die de Mishna redigeerde en vastlegde voor de eerste keer in schriftelijke vorm. Deze maatregel was noodzakelijk omdat het nu extreem moeilijk was geworden de informatie vast te houden zoals het was gedaan tot aan zijn tijd. Coëxisterend met de woordelijk gememoriseerde mondelinge Mishna geformuleerd door de Anshay Knesset HaGadola , was de minder exact gememoriseerde commentaar genoemd Gemora.

Sommige minder belangrijke details veroorzaakte hevige beroering hoe deze gemora geïnterpreteerd moest worden in op welke wijze Uiteindelijk werd deze Gemora evenzo schriftelijk vastgelegd in de dagen van Ravina en Rav Ashi. De participanten in de Gemora die de Mishna analyseerden zijn Amoraiem.

TZIMTZUM 2

Aldus, “toen het ontstond in de Goddelijke Wil” om de wereld en zijn creaturen voort te brengen, was de eerste handeling in het creatieve proces, het scheppen van ruimte in welke de Goddelijke uitstraling en de uiteindelijke ontwikkeling en de eindige wereld een plaats zou kunnen hebben om te existeren. Deze ‘oer ruimte’ werd voortgebracht door samentrekking of terugtrekking” en concentratie van goddelijkheid in zichzelf: het alomtegenwoordige, oneindige Licht van de En Sof werd ’teruggetrokken’ tot in zichzelf: dat houdt in, het werd afgeschermd, gedimd, verborgen en verhuld en waar het was gedimd — waar deze verborgenheid en verhulling van het Licht gebeurde—een ‘lege’ plaats, een leegte (makom panoej: chalal) ontwikkelde oer ruimte.

Dit is de handeling van de eerste tzimtzum, de radicale handeling van dilug en kefitzah, als het ware: een handeling van Goddelijke Zelf Beperking, anders gezegd, het tegenovergestelde van openbaring.

Echter letterlijk betekend dit niet dat de chalal leeg en zonder Goddelijke straling is, dat de goddelijke aanwezigheid in letterlijke zich totaal heeft teruggetrokken. Zo een interpretatie zou suggereren een onrechtmatige toekenning van ruimtelijkheid—- stoffelijkheid tot het oneindige——en overtreed het principe van alomtegenwoordige bevestiging in de meest letterlijke zin door Schrift en Traditie. (Er is geen plaats op aarde zonder de Goddelijke aanwezigheid (Shechina). Machilta de Rashbie en Midrash HaGadol-Shamot.)

De chalal is metaforisch gesproken als een leegte, in relatie tot wat is ‘daarboven’ of ‘buiten’ is de chalal: buiten de chalal is er een totale manifestatie van het Or En Sof terwijl binnen de chalal het Licht is verhuld. De En Sof zelf, het lichtgevende (Ma-or) van waar het Licht uit voortkomt , is totaal onaangetast, niet beïnvloed, ongewijzigd door tzimtzum. Tzimtzum gerelateerd alleen naar het Licht van de En Sof . Bovendien, zelfs in Het Licht per se hoe dan ook is geen echte verandering: het is niet verminderd noch verwijderd maar slechts verhuld. Maar zelfs deze verhulling en verborgenheid is strikt genomen uiterst relatief: relatief aan de leegte en haar aansluitende inhoudelijken, zonder—strikt genomen—het Licht zelf in enig opzicht te affecteren. Bovendien, in relatie tot de leegte is er een absolute en totale terugtrekking: enig residu of spoor (reshimoe) van het Licht blijft in de chalal. Ondanks al deze quotaties en metaforische interpretaties van terugtrekken van het Licht, is deze eerste handeling van tzimzum een radicale sprong (dilug) dat creëert de mogelijkheid voor het plaatsvinden van een gradueelproces en evolutie van uitvloeiing en om te culmineren in het creëren van eindigheid en materiele eenheden.

De principieel doelstelling van tzimtzum is om een chalal te creëren waarin de Goddelijke creaturen in staat zullen zijn om te kunnen existeren en in leven blijven, in tegenstelling tot het opgaan in de Goddelijke Almacht. De oneindige staling van het Goddelijk Licht gedimd en verhuld als het ware zal nu niet langer opnemen en nullificeren de inhoudelijken van de chalal op een manier zoals bijvoorbeeld, dat een vonk totaal geconsumeerd en nullificeerd wordt in de vlam zelf, of hoe bijvoorbeeld het licht van een kandelaar zou worden geabsorbeerd en nullificeerd in het intense licht van de zon.

In de tweede fase van het scheppende proces wordt een open straal of straling van het Goddelijke Licht voortgebracht in de oer ruimte. Deze dunne straal of ‘Lijn’ (kav) bestraald de chalal en is de bron van de opeenvolgende uitvloeiing of uit stromingen: beide zijn de scheppende en leven gevende kracht van de schepping (chalal en Lijn); het is de immanentie van G`D in de schepping terwijl het verhullende Licht de alles omvattende transcendentie is van G`D innemend de gehele schepping. Echter ondergaat de kaf zelf ook een reeks van talrijke successievelijk samentrekkingen en verhullingen. Elk van deze samentrekkingen en verhullingen maken het mogelijk om een successievelijk lagere fase of schepping te doen laten plaats vinden om uiteindelijk culminerend in de laagste fase, vertegenwoordigend door deze eindige, materiele en pluralistische wereld. Het is via deze kav dat het proces van successievelijk uitvloeiing en causale ontwikkeling plaats vindt. Anders dan de eerste tzimtzum —- welke wijze is door dilug (‘sprong’) kan van deze ontwikkeling en evolutie gesproken worden als zijnde gradueel en causaal.

SHABBAT (3): HERINNERING AAN DE UITTOCHT VAN EGYPTE

HERINNERING AAN DE UITTOCHT VAN EGYPTE.

In de Kiddoesh (de inwijding door wijn van de Shabbat en de Feestdagen) gereciteerd op vrijdagavond, danken wij G`D voor het geven van de Shabbat “als een herdenking aan het creëren van de schepping” en ook “als een herinnering aan de uittocht van Egypte.”
Deze twee primaire basis begrippen zijn afgeleid van het vierde gebod in Tien Geboden, welke handelt over Shabbat. In het eerste Decaloog wordt verklaard: “Gedenk de Shabbat dag…………..Want in zes dagen heeft de Eeuwige de Hemel en De Aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is en Hij ruste op de zevende dag; daarom heeft de Eeuwige de Shabbat tot een zegen gemaakt en hem wijding gegeven.” (Exodus 20:8-11) De tekst in de tweede Decaloog zegt: “Houd je strikt aan de Shabbat door hem wijding te geven……………Gedenk dat je een slaaf bent geweest in het land Egypte en dat de Eeuwige, je G`D, je van daar heb weggevoerd met sterke hand en met uitgestrekte arm; daarom gebiedt de Eeuwige, je G`D, je de Shabbat dag te vieren.” (Deuteronomium 5:12-15)
Commentariërend op de verschillende aspecten van Shabbat zoals weergegeven in de Tien Geboden van Exodus en Deuteronomium verklaard respectievelijk, de Ramban (Nachmanides) dat zij geen contradictie zijn, in tegendeel zij zijn ondersteunend en aanvullend. Want als de dag van rust getuigenis is aan de Schepping, breng dat eveneens ook tot gedachte dat het Joodse Volk slaven waren in Egypte waar geen rust plaats vond op die dag; zij hadden te werken op alle zeven dagen van de week. Vandaar dat de Thora benadrukt, “…….noch je slaaf of je slavin, noch je vee, noch degene die een vreemdeling bij je is binnen je poorten.” (Exodus 20:10)
In een diepere zin vervolgt de Ramban, De uittocht van Egypte versterkt en bevestigt ons vertrouwen en zonder twijfel dat G`D de schepper is van dit Universum. Tot aan de uittocht van Egypte kwam het geloof in Èèn G`D tot het Joodse Volk van Abraham, Izaak en Jakob, de voorvaders van de Joodse Natie, voorkomend uit het unieke verbond dat was gevestigd tussen G`D en de Patriarchen en hun nakomelingen. Echter gedurende de eeuwen van slavernij kwam traditie en vertrouwen hevig onder druk. Velen, of misschien wel de meesten van de Joodse slaven moesten getwijfeld hebben aan het zijn van een Opperwezen, Schepper en Meester van de Wereld, of dat zo een Wezen de wereld aan zijn lot had overlaten, of aan de machtige farao`s.
De Uittocht van Egypte, met al zijn wonderen en mirakels, toont zonder enige twijfels dat G`D de ware Schepper is en Meester over deze wereld, aangezien Hij in staat en de wil had om de natuurorde te suspenderen en te veranderen. Vervolgens demonstreert de uittocht van Egypte ook, dat de Goddelijke Hashgacha (voorzienigheid) uitreikt naar elk onderdeel en detail van de gecreëerde orde , zowel naar mensen als naar de lagere orden van dieren en planten en zelfs naar de onbezielde natuur.
Een derde essentieel onderdeel van de Uittocht was de ervaring van openbaring via profetie. Het vestigde het feit dat de Schepper niet alleen aan Mozes de gave van Profetie verleende, maar maakte hem de grootste van alle profeten (achtenveertig mannen en zeven vrouwen volgen onze geleerden Magilla 14a)Het was bij de miraculeuze doortocht van de Jam Soef (de Rode Zee) dat de bevrijde Israëlieten compleet vertrouwen bereikte “En vertrouwde op de Eeuwige en op Zijn dienaar Mozes” (Exodus 14:31 )—betekenend, “in de profetie van Mozes Zijn dienaar@ (Onkolos 14:31 ) Dit absolute vertrouwen in de waarheid van Mozes`s profetie is niet minder fundamenteel in de Joodse Godsdienst dan de twee fundamentele principes zoals boven genoemd, namelijk, de existentie van een Supreme Wezen als Schepper van dit universum en Goddelijke voorzienigheid uitreikend naar het kleinste detail van de natuurlijke orde (Micro en Macro). Want, ofschoon de hele natie getuigen was van de Goddelijke openbaring op de Berg Sinaï en hoorde de Decaloog, was het Mozes die de gehele Thora met al zijn 613 Mitswot door gaf aan de natie; als G`D`s ware profeet, hij fungeerde als G`D`s “spreekbuis” en zijn getuigenis had de zelfde autoriteit en kracht als het direct horen van G`D Zelf.
In de belichting zoals bovengenoemd, geeft de Ramban aan, kunnen we de Talmoedische verklaring realiseren dat de “Shabbat gelijkwaardig is aan alle Mitwot” (Jerushalmi Barachot 1:15 Bavli Nedarim, einde Hfd. 3, Shamot Rabba 25:16) want door het houden van Shabbat getuigen wij alle fundamentele principes van de Joodse Godsdienst: Schepping ex nihilo, Goddelijke Voorzienigheid en Goddelijke Profetie.
Aldus concludeert de Ramban, Shabbat is een herinnering aan Jetziat Mitzraim (de Uittocht van Egypte), terwijl Jetziat Mitzraim op zijn beurt een herdenking is aan de Shabbat van de Schepping. (Ramban op Deuteronomium 5:15)

VOLGENDE PLAATSING: HET MAKEN VAN SHABBAT

HFD. 2: Beloften van Voorspoed (1)

Beloften van Voorspoed

Maar, nogmaals, als hij belooft dat een goede tijding op een bepaalde tijdstip zal plaats vinden, zeggend, “Dit jaar zal zijn vredig en aangenaam,” doch een oorlog breekt uit; of hij verklaart, “Dit zal een jaar zijn van regen en zegening,” maar hongersnood en droogte vindt plaats, dan weten wij dat hij een valse profeet is en zijn leugenachtige claim van profetie is onthuld.

In deze toestand zegt het schrift: “Met brutaal opzet heeft die profeet het dan uitgesproken; heb dan geen angst voor zijn persoon” (Deuteronomium,18:22), m.a.w. laat je niet afschrikken of intimideren door hem om hem te onthouden van executie. Want wanneer De Heilige geprezen zij Hij een goede tijding beloofd door een profeet, is het onmogelijk om te zeggen dat Hij niet Zijn woord houdt en Zijn boodschap onjuist laat voorspellen.

Dit is wat onze geleerden hebben gezegd, vrede zij met hun (Brachot, 7a): “Elke goede tijding die de mond van Heilige geprezen zij Hij verlaat –inbegrepen een met stipulatie–Herroept HIJ niet.” — Maar wat betreft Jacob`s angst dat hij zou sterven — “Ja`akov werd zeer bang, hij kreeg het benauwd” (Genesis, 32:8 ), “…bang dat hij had gezondigd welke zou brengen zijn dood” (Brachot 4a), ondanks het feit dat De Heilige Geprezen Zij Hij hem alreeds goede tijding had belooft, “IK ben immers bij je en zal overal waarheen je gaat je behoeden” (Genesis, 28:15) — Wat schijnt in te houden dat ondanks De Heilige Geprezen Zij Hij goede tijding heeft belooft, toch, als iemands zonden zou toenemen, deze tijdingen onvervuld zouden blijven — Het zou inderdaad zo moeten worden opgevat dat zoiets alleen kan plaatsvinden in een situatie waarbij De Heilige Geprezen Zij Hij en de profeet betrokken zijn. — Echter, wanneer de Heilige Geprezen Zij Hij de profeet vertelt te beloven goede tijdingen anderen mensen, in een expliciete, ondubbelzinnige verklaring, zonder stipulaties, dan is het zonder enige discussie onmogelijk dat het goede niet komt. Anders, als het niet een feit zou zijn dat HaShem niet doet herroepen goede tijdingen gelegd in de monden van de profeten, dan zou er geen enkele mogelijkheid zijn om vast te stellen de authenticiteit van iemands profetisch advies; doch De Heilige Geprezen Zij Hij heeft ons gegeven een essentieel principe in Zijn Thora dat de profeet authentiek is door zijn beloften welke zijn vervuld (Deuteronomium 18:21).

Het ging om dit grote principe waarnaar Jeremia verwijst in zijn controverse met Hanania ben Azur ( Jeremia, 28). Jeremia profeteerde dood en verderf, verklarend dat Nebuchadnezzar zou groeien in kracht, zou overwinnen en vernietigen de Tempel; en Hanania ben Azur voorspelde goede voorspoed en het terugkomen naar Jeruzalem van de voorwerpen die nodig zijn voor de Tempeldienst (welke waren versleept naar Babylon).
Om die rede dus debatteerde Jeremia met hem aangaande het essentiële principe, verklarend dat als zijn eigen profetische voorspelling niet zou worden vervuld — Nebuchadnezzar niet zou groeien in kracht, en de voorwerpen zijn teruggekeerd naar het Huis van G`D, zoals zijn opponent claimt wat zou gebeuren — dat het niet zou inhouden een ontkenning van zijn ( Jeremia )eigen profetische waarschuwing — het is namelijk mogelijk dat De Heilige Geprezen Zij Hij medelijden zou hebben over het volk. Maar als zijn tegenstanders woorden niet zou vervuld worden, verklaard Jeremia, en de rituele gebruiksvoorwerpen niet waren terugkeren, zou het duidelijk zijn ‘profetisch’ advies ook vals was; de authenticiteit van zijn profetie zou niet zijn bevestigd tenzij zijn beloften van goede voorspoed waren gerealiseerd (Jeremia 28:7-9):

“Desondanks, hoor nu deze verklaring die ik
inspreek in je oren en in de oren van heel het volk:
De profeten die voor jou en mij tot nu toe hebben
geprofeteerd tegen vele landen en koninkrijken, of
oorlog, catastrofe en epidemie; maar de profeet die
voorspelt vrede — door het waar komen van het woord
van die profeet, zal de profeet HaShem’s ware
zending laten kennen,”

doelend op ‘deze verklaring’ dat wij niet kunnen bepalen enkel door de voorspellende profetieën van die profeten welke voorspellen goed en kwaad, hetzij dat zij oprecht zijn in hun preken of leugenaars.

De functie van de Profeet–
Zijn vermogens en beperkingen
van beïnvloeding ten aanzien
van de Thoravoorschriften

Wanneer een profeet’s profetie is vervuld in overeenstemming met de regels die wij hebben bevestigd, en die profeet wordt fameus, zoals Samuel en Elija en de anderen, dan heeft die profeet de mogelijkheid iets te doen met de Thora welke geen ander mag doen. Namelijk wanneer hij wil opleggen een opschorting van enig voorschrift het even wat of van enige van de ‘gij zult’ voorschriften, of hij wil vaardigt uit toestemming voor een handeling verboden door de ‘gij zult niet’ voorschriften, als een tijdelijke noodmaatregel, zolang het niet gaat om een voorschrift voor het doen van heidense aanbidding, is het een plicht voor ons om te luisteren naar zijn woord en te gehoorzamen aan zijn beschikking.
Iedereen die zijn verordeningen overtreedt, is onderworpen aan dood door hemelse handen. Dit is onvoorwaardelijk duidelijk voor onze geleerden van de Talmoed (Sanhedrin, 90A).

SHABBAT (2)

SHABBAT DEEL 2

Deze zijn samengevat door Maimonides (Mishne Thora, Zemaniem Hilchot Shabbat 30) en luiden als volgt:

De Shabbat en het verbod van afgoderij wegen samen op tegen de rest van de geboden van de Thora. De Shabbat is een eeuwigdurend teken tussen G`D en het volk van Israël. Daarom wordt de jood die op enigerlei wijze de andere geboden ontheiligd beschouwd als een schender, terwijl hij die de Shabbat public ontheiligd wordt gezien als een heiden ( het bestaan van G`D ontkennen ). Hij die de Shabbat houdt zo als het moet, haar eert en naar goed geweten behaagd, geeft een beloning aan deze wereld, die ver uit gaat boven de beloning die voor hem is gereserveerd in de Komende Wereld.

Als geen ander gegeven heeft de Shabbat het Joodse Volk, door de eeuwen heen, doen onderscheiden van alle anderen volkeren van de wereld. Want dit was niet zomaar een simpele aangelegenheid, of gewoonte, maar iets fundamenteels van de Joodse Godsdienst en de Joodse manier van leven.
Èèn hele dag van de week (om precies te zijn 26 uur) wordt apart gezet, gedurende welke de jood niet alleen ophoud met werken, sluiten van winkels, fabrieken, ondernemingen en alle werkzaamheden thuis, maar compleet getransformeerd wordt tot een heilig persoon, de tijd weidend aan gebed en studie. En zelfs naar buiten toe wordt deze transformatie duidelijk herkenbaar– aan iemands kleding, voedsel, gaan en spreken.
Duizenden jaren lang konden de volkeren van de wereld deze Joodse Shabbat niet begrijpen. Zij, hadden überhaupt geen enkele notie van rustdag van de week, het was zeer betreurenswaardig voor een natie om een vrije dag te nemen. Toen Haman zich beklaagde tegenover Koning Achasuerus over ‘een volk’ verstrooid en verspreid onder de volkeren (Ester, 3:8) was het de Shabbat en de feestdagen die hij ridicuul vond.(Ester Rabba 7:14)

Klassieke Romeinse Historici noemden het Joodse volk “lui en ongeciviliseerd” voor hun aanhankelijkheid ten opzichte van de Shabbat.
Toen de Naties van de wereld uiteindelijk de Thora als een heilig boek erkende, noemde zij het “De Bijbel” en adopteerde sommige principes ervan. Zij introduceerde evenzo een Shabbat of een “dag van rust,” zondag in het Christendom en vrijdag in de Islam.
De Shabbat bleef Joods voor de Joden alleen! Men kan hier in duidelijk zien de Hand de Goddelijke Voorzienigheid. Hoewel “imitatie de hoogste vorm is van vleierij” kan de imitatie niet het originele, de Goddelijk opgelegde, heilige Shabbat benaderen en iedereen die eigen is met de wetten van Shabbat en haar betekenis weet dit.

Volgende plaatsing: Shabbat 3, Herinnering aan De Uittocht van Egypte.

HFD. 2: Profeet versus Waarzegger

Profeet versus Waarzegger

Nu denk niet, dat, ” Door het vervullen van zijn voorspellingen en het onthullen van onbekende feiten dat het vast staat dat hij een authentieke profeet is, want dan zijn evenwel de waarzeggers, sterrenwichelaars, en de die gene met sterke intuïtie ook in staat te claimen het bezit van de door G`D gegeven leidraad, want we zien met onze eigen ogen, hoe zij de toekomst vertellen elke dag!”Nu is dit een extreem belangrijk punt van discussie en het betaamt ons om dit onderwerp zeer goed te verhelderen, zodat het verschil tussen een voorspelling van iemand die profeteert in naam van G`D, en de voorspelling van iemand met een sterke intuïtie, heel goed wordt begrepen.
De Waarzeggers, sterrenwichelaars, magiërs en al de leden van die groep, vertellen inderdaad toekomstigen evenementen, maar hoewel hun verklaringen gedeeltelijk zullen worden geverifieerd, zal de rest onvermijdelijk als vals bewezen worden. Dit is waar wij voortdurend getuigen van zijn, en zelfs de presenteerders van deze bekwaamheid geven het zelf toe, hun “mirakels” zij niet bestendig. Het enige belangrijke van de ene tegenover de andere ligt in het aantal leugens, een hogere totaliteit tegenover een lagere totaliteit leugens dan zijn medevrienden; maar, dat al de details van de voorspelling zijn vervuld— dat is onmogelijk.
Met andere woorden, jij hebt tien leugens en ik heb vijf, dus mijn voorspelling zijn beter. Zij hebben zelfs niet de pretentie om te zeggen dat alles waarheidsgetrouw uit zal komen, ze weten dat het niet gebeurt.
Een zou zeggen, “Dit jaar zal een jaar zijn van droogte, waar in absoluut geen regen valt,” terwijl echter het resultaat is, dat er geringe regen valt. Of hij zou zeggen, ” Het zal morgen regenen,”terwijl het pas een dag later regenend. En zelfs deze vrij nauwkeurige precisie is alleen mogelijk door een meesterexpert in de kunst. Dit idee komt tot uitdrukking door Jesaja in zijn beschimpende woorden aan Babylon, “Laat hun opstaan, en jullie verlossen–deze astrologen, deze ster aanstarenden die voorspellen gedeeltelijke gebeurtenissen van de maand aangaande jullie!” (Jesaja, 47:13). Onze Rabbijnen noteren dat Jesaja verklaard,”….die voorspellen maar gedeeltelijk de gebeurtenissen …” en dat hij niet verklaard, ” die voorspellen de totaliteit van die gebeurtenissen.

Hoe dan ook, de getuigenissen en voorspelingen van de profeten zijn compleet verschillend: Al hun beloftes zijn letterlijk waarheidsgetrouw; geen woord van hun verklaringen uitgesproken in naam van de Almachtige bleef ooit onvervuld, het zij een essentieel deel van de gehele profetie, of een gering. Daarom, wanneer enig detail van een voorspeling van iemand die claimt het vermogen van profetie onbevestigd blijft, is zijn fraudeurschap hierbij blootgelegd, “………. Want niets van het woord van HaShem zal te gronde gaan” (Koningen 2, 10:10)
Dit idee wordt verduidelijkt door Jeremia, die zegt dat de visioenen van dromers weergeven op een profetische wijze en zou gaan plaatsvinden, bewezen moet worden op zijn precieze zuiverheid. HIJ zal weerleggen de valse profeten en te niet doen hun claims tot profetie uit Naam van G`D (Jeremia, 23:28),

“De profeet bij wie een droom is–zal zijn droom vertellen aan anderen; en de gene met wie MIJN woord is–hij zal proclameren MIJN woorden van waarheid. Wat heeft het kaf te doen met het koren? “Zegt HaShem.

De geleerden leggen dit uit als; dat profetie helder is, met geen vermenging van valsheid, analoog aan het rijke koren wanneer het is gesepareerd van het kaf afval. De dromen, etc, van de waarzeggers, zijn meestal vals, zoals het onzuivere kaf welke alleen bevat een paar graankorrels tarwe. “Juist zoals het onmogelijk is koren zonder kaf, zo is het onmogelijk [ voor een gewoon persoon] om een droom te hebben ontbloot van onzinnige aangelegenheden ” (Brachot, 55A).

Profetische dreigement

Nochtans blijft er een zeer belangrijk concept die wij nader moeten toelichten; namelijk, wanneer een profeet over het volk moeilijkheden voorspeld en rampzalige gebeurtenissen, zoals dreigende hongersnood, oorlog, aardbevingen en andere natuurrampen, omdat zij zondig gehandeld zouden hebben, maar niets wordt verwezenlijkt van het bovengenoemde, alles blijft vredelievend en aangenaam, De Hemel zij geprezen, de profeet is niet daarop bewezen als vals.
Het zou incorrect zijn te suggereren dat hij een valse profeet is en onderworpen is aan executie; De Heilige Geprezen Zij Hij vergeeft kwaad.
Het is absoluut mogelijk dat het volk van haar verachtend gedrag berouwd, of dat De Heilige Geprezen Zij Hij, in ZIJN begaanheid, hun straf opschort, en zal eventueel ZIJN boosheid aan hen tonen een andere keer, zoals HIJ deed met Ahav in ZIJN zeggen door Elija; “IK zal niet brengen de tegenspoed gedurende zijn dagen; gedurende zijn zoon`s dagen zal IK tegenspoed brengen” (Koningen1, 21: 29). Of, HIJ zal over hen medelijden hebben om vroegere verdiensten. Het principe van “vervulling van de voorspelling kwam niet uit en werd niet verwezenlijkt” (Deuteronomium, 18:22) gronden waarop een zogenaamde profeet zou kunnen worden geëxecuteerd, zijn hier niet van toepassing.