PARASHAT WAJECHÍ

En hij leefde (Genesis 47:28 – 50:26)

Zohar, blz. 212b

Rebbe Shimon Bar Jochai legt, in de onderstaande vertaling uit, hoe een persoon de G’ddelijke aanwezigheid ertoe brengt om in hem te verblijven en wat het ertoe brengt om te vertrekken.

Kom en zie. “En toen hij de wagens zag, die Joséf gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest [roe’ach] van hun vader Ja’akov weer op [vatechi].” (Genisis. 45,27)

Het schijnt alsof zijn geest in eerste instantie dood was en zodoende niet een andere geest kon ontvangen.

Het woord “vatechi” in ons citaat, betekent, terugkomen, herleven of voortbestaan. Rebbe Shimon stelt nu, hoe iets, dat opgehouden heeft te bestaan, weer tot leven kan komen. Roe’ach is één van de drie niveaus van de ziel, die uit een opgaande spirituele orde bestaat vanNefeshRoe’ach en NeshamaNefesh is de bruisende levenskracht die via het bloed door het lichaam stroomt, het lichaam stimuleert en in staat stelt om te functioneren. Roe’ach is de levenskracht die een voertuig is voor de Neshama, analoog aan de wijze waarop het lichaam een voertuig is voor het manifesteren van de Nefesh. De andere geest die door de Roe’ach kan worden afgestemd voor ontvangst, is deNeshama / ziel en de Shechina of G’ddelijke Geest.

Dit is omdat de hogere geest niet verblijft in een leeg verblijf.

De hogere geest hier refereert aan de Shechina die niet verblijft of rust op een persoon die geen Neshama heeft. Daarom, zodra Ja’akov het nieuws hoorde dat Joséf leefde, moet hij zijn Neshama terug hebben verdiend, implicerend dat onmiddellijk ook zijn Roe’ach weer opleefde.

Rabbi Jossi zegt dat de Shechina op geen enkele plaats verblijft die niet compleet is, of in een plaats met een smet, of in een plaats die droef is.

Rabbi Jossi gaat nu uitleggen waarom de Shechina tot dit punt niet verbleef op Ja’akov. Een persoon die niet deze drie spirituele niveaus heeft verworven, heeft nog niet het werk gecompleteerd wat een vereiste is voor verbetering van iemands Sefirot, en de emotionele en intellectuele niveaus die zij impliceren. Wat inhoudt dat zijn spirituele opmaak een smet heeft. Zijn wandaden weerhouden zijn spirituele completering, een reden dat hij niet waardig is een verblijf te zijn voor de Shechina. Droefheid is ook een reden omdat het een positief gebod is om G’D te dienen in vreugde. Een staat van droefheid weerhoudt een iemands vermogen om G’D op de juiste wijze te dienen.

Integendeel, de Shechina verblijft in een plaats die af is, een vreugdevolle plaats.

Een plaats die klaar is om een verblijfplaats te worden voor deShechina is een persoon die eerlijke vreugde heeft in het uitvoeren van de mitswot, geboden.
De herkomst van vreugde is de sefira van bina, welke zowel is verbonden met het hart als met het verstand. Vreugde kan daarom in een persoon doordringen en dienen als een verstandelijk geestelijk raamwerk die de persoon in zijn geheel beïnvloedt, net zoals het hart het hele lichaam beïnvloedt.
Een vreugdevol persoon is verenigd in lichaam en geest en kan daarom een drager, een voertuig zijn voor de manifestatie van een hogere eenheid, de Shechina. Dit is niet mogelijk in een droevig persoon.

Daarom verbleef de Shechina niet op Ja’akov gedurende de jaren dat hij droevig was. Dat waren de jaren dat Joséf was gescheiden van zijn vader.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIGÁSH

En hij naderde                                Genesis. 44:18 – 47:27

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR I, P. 210b

Het volgend gedeelte van de Zohar verklaart het geheim van de “Merkawa”, letterlijk “voertuig of rijtuig”. Het voertuig, beschreven in Ezekiël’s profetisch visioen (Ezekiël hoofdstuk 1), is het voertuig voor G’ddelijk openbaring in de wereld van Yetzira, de volgende wereld voorbij de spirituele dimensie van onze fysieke wereld, de wereld van Asiya.
Meditatie over verscheidene aspecten van de Merkawa was voor een belangrijke stroming in Joods mysticisme een centraal punt. De Zohar verklaart hier dat Josef zijn Merkawa inspande om een hoger niveau van G’ddelijke openbaring te bereiken. De verklaring draait rond het begrijpen van het woord “Chaya” (letterlijk “ongetemd dier”, meervoud “Chayot”) wat in de Zohar “animerende kracht” betekent.
“Josef spande zijn wagen in en trok Israël, zijn vader, naar Goosen tegemoet.” (Genesis. 46:29)
Rabbi begon zijn uiteenzetting met het citeren van het vers. “En boven de hoofden van de Chaya was een gelijkenis van een uitgestrekte oppervlakte, zoals glinsterend ijs, angstwekkend, deze oppervlakte strekte zich hoog boven hun hoofden uit.” (Ezekiël. 1:22).
Dit vers is alreeds eerder uiteengezet [als verwijzing naar een animerende kracht, Chayot, in de wereld van Yetzira].
Maar kom en zie [hoe de term “Chaya” wordt gebruikt in verschillende contexten, in dit vers en in de volgende verzen, zodat er een Chaya boven Chaya is, een hiërarchie van niveaus.
[Het hoogste niveau is] is “Heilige Chaya”, boven de hoofden van de Chayot. En daar een hogere vorm van “Chaya” [met andere woorden, hoger dan de Chayot, maar lager dan de Heilige Chaya] welke boven elke andere Chaya staan en hen allen controleert, zodat wanneer deze Chaya verlichting geeft aan hen allen, zij vervolgens opwaarts reizen, en één aan de ander [ levenskracht] doorgeeft en zodoende de ander controleert.
Overeenkomstig, er zijn drie niveaus van Chaya: “Heilige Chaya “, welke is chochma; “Chaya” (Bina) welke boven Chayot is en de Chayot controleert, en “Chayot”, de levenskracht die Zeir Anpin animeert en op elkaar inwerken. (Mikdash Melech)
Als nu al deze aspecten van de Merkawa zijn geplaatst in hun gepaste orde, wat geeft het dan weer? “En boven de expansie die zich boven hun hoofden uitstrekte zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens.” (Ezekiël. 1:26)
Ergens anders in de Zohar wordt verklaard dat de troon de wereld van Beriya is. (Pardes, Archai)

Wij stellen dus vast dat de troon van waardevolle stenen staat op vier poten. [Dit zijn de vier Sefirot, Keter, chochma, Bina, Da’at] (Mikdash Melech)
En dat op die troon de gelijkenis van een mens is. [De openbaring van G’ddelijkheid in de wereld Atziloet]
Wanneer al deze niveaus in de persoon zelf zijn gerectificeerd, zodat al de niveaus een Merkawa, [een voertuig] voor G’ddelijkheid zijn, staat er geschreven, “”Josef spande zijn wagen in en trok Israël, zijn vader, naar Goosen tegemoet.”
Met andere woorden, wanneer de verschillende niveau van de ziel van een persoon, Nefesh (corresponderend aan het woord Asiya), Roeach (corresponderend aan Yetzira), Neshama (corresponderend Beriya) zich hebben gerectificeerd en op de juiste wijze zijn geplaatst (ingespannen), is hij in staat om te klimmen naar het niveau van Chaya (Atziloet) en te communiceren met de G’ddelijke Aanwezigheid, zoals is geopenbaard in Zeir Anpin van Atziloet, refererend aan het vers als “zijn vader, Israël, en het visioen van de Merkawa als “de gelijkenis van een mens”.
Dit is wat Josef had bereikt toen “hij zijn voertuig inspande”.
SHABBAT SHALOM

PARASHAT MIKEETS, SHABBAT CHANOEKA

Aan het einde   Genesis. 41:1 – 44:17

DROMEN EN VERBANNINGEN

Net zoals dromen, zijn onze levens vaak een onsamenhangende en verwarrende mengeling van goed en kwaad. (zie Genesis. 41:25-26)

Likoetei Sichot, vol.1, p.85-87, vol.15, p.345-347

Vanwege de dromen van Jozef en de Farao werd het Joodse Volk tot de eerste verbanning in Egypte geleid: want vanwege zijn dromen werd Jozef verkocht als een slaaf in Egypte en vanwege Farao’s dromen werd Jozef gekroond tot onderkoning in Egypte, uiteindelijk resulteerde het in de eerste Egyptische ballingschap, de voorloper van al onze ballingschappen.

(Likoetei Thora [Ari-zal],Teitzei. Zie Bereishiet Raba 16:4)

De verbanning wordt vooraf gegaan door dromen omdat de realiteit van verbanning gelijk staat aan dat van een droom. Dromen bestaan uit onsamenhangende illusies waarin conflict en andere tegenstrijdige elementen naast elkaar kunnen bestaan. Evenzo is ons leven in verbanning een verwarrende mengeling van schijnbare tegenstrijdigheden in gedrag die worden veroorzaakt door de combinatie van een dierlijke egoïsme en spirituele voorrang. We bidden tot G’D met absolute devotie, en toch, in enkele minuten, bevinden we ons in een situatie waarbij we handelen in contradictie met G’D’s voorschriften. Onze handelingen komen niet overeen met onze woorden en onze woorden komen niet overeen met onze gedachten. Net zoals dromen, zijn onze levens vaak een onsamenhangende en verwarrende mengeling van goed en kwaad.

Leven in deze onwezenlijke situatie kan tot frustratie en wanhoop leiden. We kunnen denken dat we niet vooruit komen, dat we bedrieglijk zijn. We voelen, gezien al onze gebreken, dat onze verbinding met G’D niet reëel is en dat onze inspanningen om spiritualiteit naar waarde te schatten oppervlakkig en vergeefs zijn.

De Thora benadrukt daarom de relatie van dromen met ballingschap, om ons te leren dat ondanks onze inconsistente handelingen die op het moment hypocriet lijken, we niet ontmoedigd moeten worden, omdat het de aard van de “droom” is waarin we leven. We moeten proberen zo consequent mogelijk te leven met onze idealen en we moeten niet opgeven vanwege onze voorbijgaande misstappen. Want de effecten van misstappen zijn vergankelijk, zij zullen alleen intact blijven tot het moment dat we de schade repareren door berouw. Het effect van onze goede daden daarentegen, duurt eeuwig.

Farao’s droom verwoordt in het bijzonder de essentie van verbanning, de samenhang van tegenstrijdigheden: de simultane aanwezigheid van overvloed en schaarste. Overvloed en verzadiging, verwijzen naar het gevoel dicht bij God te zijn tijdens het gebed. Schaarste en hongersnood verwijzen naar bezorgdheid en ongerustheid over dagelijkse materiële aangelegenheden, dat een gebrek aan vertrouwen en nabijheid schendt  ten aanzien van G’D. Gedurende de verbanning kunnen deze tegenstrijdige gevoelens naast elkaar bestaan.

Dromen zijn irrationeel, een oppervlakkige reden daarvoor is dat gedurende de slaap het voorstellingsvermogen niet wordt gecontroleerd door rationeel denken. Gedurende  de verbanning, is ons “rationeel verstand”, ons beoordelingsvermogen en ons begrip van G’D zwak.

Een dieper liggende reden voor de irrationaliteit van dromen en voor verbanning, is dat beiden de oorsprong hebben in de overstijgende oneindigheid van G’ddelijkheid, die logica trotseert en tegenstrijdige gevoelens toestaat te bestaan. Wanneer deze Verhevenheid Zichzelf manifesteert in dromen en in verbanning, is zijn oneindigheid verborgen in een omhulling van verwarring.

Aangezien de ziel van Jozef geworteld was in G’D’s Oneindigheid, was hij in staat om de dromen te interpreteren door de oneindige verborgenheid te onthullen.

Dit is de diepere betekenis van Jozef’s interpretatie van Farao’s droom: Door te slagen in het passeren van de externe oppervlakkige contradictie van Farao’s droom, gaf Josef het Joodse Volk de kracht om te slagen in het passeren van de externe contradictie van verbanning, door de oorsprong te zien in G’ddelijke Oneindigheid. Dit werk zal worden voltooid in de messiaanse era, wanneer de Oneindigheid van G’ddelijkheid zal worden geopenbaard.

SHABBAT SHALOM

CHANOEKA

HET CIJFER “ACHT” ROEPT ONS OP OM WONDEREN TE ZIEN IN DE NATUURLIJKE ORDE.

WIE KENT ACHT?

Dat het openlijke wonder van Chanoeka, het licht van de Menora, aanhield voor acht dagen, was geen toeval, maar wezenlijk. De Thora informeert ons dat G’d de wereld creëerde in zes dagen en ophield met werken op de zevende dag, de Shabbat. Het cijfer zes representeert zo gezegd de natuurlijke wereld die was gecreëerd in tijdslimiet van zes dagen met zijn zes ruimtelijke richtingen (oost – west, noord – zuid, boven – onder). Het cijfer zeven representeert G’D’s immanentie, de verhulde aanwezigheid van G’ddelijkheid in het hart en binnenste van deze wereld. Met andere woorden, zeven is de absolute ziel van zes en laat het doordringen met (transcendente heiligheid) en verheft het naar zijn perfectie. Het volgende cijfer, acht, representeert G’D’s transcendentie boven en verder dan deze wereld. Zoals alle wonderen, vond Chanoeka plaats op het niveau van “acht”, hetgeen boven de natuurlijke structuur uitreikt. Echter zijnde het laatste wonder van dien aard tot de komst van Mashiach, moest Chanoeka op een unieke zeer speciale wijze “acht” benadrukken. Het moest “acht” uitademen.

In het Hebreeuws heeft het woord shemona (acht) exact de zelfde letters als hashemen (de olie), neshama (ziel) en mishna (overgedragen leer). Zoals vastgelegd in de Talmoed, hadden de Syrische Grieken bij het binnendringen van de Tempel al de olie bezoedeld. Deze olie representeert het diepste niveau van de Joodse ziel. Het representeert het Joodse potentieel om te ontwaken vanuit de diepste sluimer van verbanning, en tot leven te komen zelfs (en misschien in het bijzonder) onder de meest moeilijke omstandigheden. Alleen één kruikje pure olie werd gevonden, verzegeld met de zegel van de Koheen Gadol ( Hoge Priester), de heiligste Jood die het niveau van “acht” personifieert krachtens de acht speciale kledingstukken die hij droeg wanneer hij dienst deed in de Tempel.

De siddoer (gebedenboek) informeert ons dat het Mattitjahoe de Chashmonai en zijn zonen waren die de Joden hergroepeerden om de Thora te verdedigen en tegen de Grieken te vechten. De naam Chashmonai heeft twee componenten, de letter chet de achtste letter van het alef – bet, gevolgd door het woord voor olie, shemen. Dus de Cha – shemanai familie belichaamt de kracht van Acht.

“Acht” maakt ons duidelijk om de beklemming tijd en ruimte te boven te gaan, om te zien door een wereld die G’ddelijk verbergt en onze zielen overspoelt en bedreigt met materie. “Acht” roept ons op om mirakels te zien in de natuurlijke orde, in verwarrende gebeurtenissen van ons individuele en collectieve leven, in het verborgen pad van G’ddelijke Voorzienigheid dat ons leidt.

“Acht” kan ons doen ontwaken uit onze collectieve sluimering. Door ons te laten herinneren aan de tijd toen G’D inderdaad openlijk “interfereerde” om de natuurlijke loop van de geschiedenis te veranderen, het versterkt ons verlangen naar de revelatie van G’D’s verlossing die wij verwachten in onze tijd.

CHAG SAMEACH

PARASHAT WAJEESHE

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJISHLÁCH

Zohar pagina 165b:

wajishlách ja’akov mal’achiem levánáv el- ésav achiev arsta se’ier sedé èdom,”

“Ja’akov zond engelen voor zich uit naar zijn broer Esav, naar de rode velden van het land Se’ier.” (Genesis. 32:4)

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met vers: “Want voor u geeft Hij Zijn engelen opdracht over u te waken op al uw wegen.” (Psalm. 91:11)
Dit vers is door de mede geleerden verklaard met de betekenis dat, wanneer een persoon in deze wereld komt, de jetzer hara al op hem wacht.

“Kwade Inclinatie” is de meest kenmerkende vertaling van “jetzer hara.” De stam van het woord “jetzer” is “veroorzaken, teweegbrengen “en refereert aan hoe iemands instinctieve dierlijke driften op bepaalde tijden vragen om aan zijn”behoeften” te voldoen.
De jetzer hara is voortdurend bezig een persoon te strikken om kwaad te doen en als aanklager te dienen in de spirituele wereld. Dit is de betekenis van het vers: “De zonde [Hebreeuws, chatat] ligt voor de deur op de loer, klaar om aan te vallen.” (Genesis. 4:7)
Wat is het, wat loert, wat wacht, om zich te storten op een persoon die het lichaam van zijn moeder verlaat en in deze wereld komt?

Het is de Jetzer Hara, Koning David verwijst eveneens naar de Jetzer Hara als “Chatat”, als hij zegt: “En mijn zonde [Hebreeuws, chatati] me steeds voor de geest staat”. (Psalm. 51,5)
De Jetzer Hara staat voortdurend klaar, elke dag, om een persoon ertoe te brengen verkeerde dingen te doen in de ogen van G’d en verlaat hem niet vanaf het moment dat hij geboren is.

Daarentegen komt de Jetzer Tov [Goede Inclinatie] in een mannelijk persoon, wanneer hij de leeftijd van dertien jaar heeft bereikt, bij meisjes bij twaalf, welke de leeftijd is die een persoon in staat stelt zichzelf te purifiëren en te verbinden met zijn spirituele wortels bij het uitvoeren van mitzwot.

Op die leeftijd, wanneer een persoon verplicht is om mitzwot te doen, komt de Jetzer Hara om hem te assisteren en de twee inclinaties fuseren met de persoon, de Jetzer Tov aan zijn rechterzijde en de Jetzer Hara aan zijn linkerzijde. Deze twee inclinaties zijn eigenlijk in feite engelen, puur spirituele krachten, die belast zijn met de bescherming van de persoon voor alles dat hem zou kunnen schaden. Nooit en te nimmer verlaten zij een persoon.
Wanneer hij besluit om zichzelf te purifiëren en terugkeert naar zijn spirituele wortels [teshoewa], zwicht de Jetzer Hara voor de Jetzer Tov, en de goede inclinatie heerst over de kwade. Beide verenigen zich in een wederzijdse overeenkomst om de persoon op de weg die hij gaat te behoeden om slecht te doen.

Daarom zegt het vers: “Hij geeft opdracht aan Zijn engelen, bij jou, om op je te passen en zich om je te bekommeren, waar je ook gaat. De engelen verwijzen naar de twee inclinaties en wanneer een persoon besluit om zijn goede inclinatie sterker te laten zijn dan zijn kwade inclinatie, zegt de kwade inclinatie, zelfs tegen zijn wil in: “Amen”.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJEETSÉE

En hij vertrok Genesis 28:10 – 32:3

“Ot hajom gadol lo-ét hé’aseef hamiknè hashkoe hatzon oelchoe rè’oe”, “De dag is nog zo lang,het is toch nog geen tijd dat de kudden bijeen gedreven worden.” (Genesis. 29,7)
Toen Ja’akov de herders vermaande dat hun werkdag nog niet ten einde was, betoogde hij dat het in het belang van iedereen is om anderen aan plichten te laten herinneren, wanneer zij tekort schieten.

De Zohar in parashat Wa’etchanán (Sullam editie pagina 62), becommentarieert Ja’akov’s uitspraak, dat de dag nog zo lang is, dat als Israël teshoewa, zou doen, haar verbanning niet langer dan een dag zou voortduren, en dat het zou terugkeren naar het Heilige Land.

Dit is gebaseerd op Klaagliederen 1,13: “Hij plaatste mij in verlatenheid en liet mij de hele dag in misère.” Als Israël faalt om tot inkeer te komen, zegt G’D: “de dag heeft een lange tijd te gaan , het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen” [Een dag in het perspectief van G’D is duizend jaar]. Echter, er is een remedie voor Israël namelijk, “ga en geef de kudde te drinken,” m.a.w. laat de mensen Thora leren, drink de waters van Thora, dan kun je gaan naar de plaats waar je rust vindt, naar het Land Israël, je nalatenschap.

Een alternatieve mening interpreteert het vers als een referentie naar de dag van beroering, de dag waarop de Tempel werd verwoest en Israël gedwongen was om in verbanning te gaan. Wegens Israëls imperfectie, heeft die dag een lange weg te gaan, m.a.w. “de dag is nog steeds lang” het is nog niet de tijd om de kudde te verzamelen. Aangezien het aan hen zelf te wijten was dat de dag lang duurde, is de remedie, het leren van Thora, zoals de eerste visie in deze Zohar. Aangaande laatstgenoemde visie, antwoordde Israël op deze oproep met de passage van de herders Genesis 29,8, “lo noechal ad asher jé’asfoe kol-ha’adriem wegalloe et-haèwen méal pie habeèr”, “Dat kunnen wij niet voordat alle emanaties bijeen zijn, dan kan men pas de steen (verbanningdecreet) van de bronopening wentelen”; “op die dag wordt de bron, m.a.w. de toegang tot de kennis van Thora, toegankelijk en de kudde kan van water worden voorzien.”

De samengebundelde krachten van de emanaties rollen de zware steen weg, het wrede decreet van de mond van de bron, m.a.w. de laagste van de emanaties malchoet, zodat de Thora in de be’èr, bron, in staat zal zijn om ons gedurende de rest van de verbanning te ondersteunen en onze kudde (Volk) van water te voorzien (ondersteund door Thora). Aan het einde van deze lange “dag,” zal G’D ons terug leiden naar Erets Jisraël, het Land Israël.

Als Bilam spreekt over de “be achariet hajamiem”, “einde der dagen” waarin Israëls vergelding wordt beschreven op Moab (Numeri. 24,14), refereert hij aan de periode gedurende welke Israël heeft geleden in verbanning en aan het eind waar G’D die naties zal vergelden die zich tegenover Israël hebben misdragen tijdens die verbanning. De “dag” waarover Ja’akov spreekt tegen de herders is een verwijzing naar deze “be achariet hajamiem”, “einde der dagen.” Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TOLEDOT JITSCHAK

De geslachten van Jitschak (Genesis 25:19 – 28:9

We hebben reeds eerder uitgelegd dat de esoterische dimensie van ma’aser, tienden, kenbaar wordt gemaakt door de drie dimensies van de letter joet welke ontplooit in drie giften aan het Joodse Volk, met andere woorden, Thora, Erets JisraëlOlam Haba. Het concept Thora kan worden samen gevat door de letter joet, met andere woorden, De Tien Geboden, welke symbool staan voor alle 613 geboden van de Thora. Het totaal aantal letters in de Tien Geboden is 613 (de letter joet heeft een numerieke waarde van 10). De Tien Geboden zijn heilig.

De tweede gift is Erets Jisraël; de Mishna Keliem 1,6 beschrijft tien successievelijke fasen van heiligheid, van heilige gebieden, Erets Jisraël, als zodanig is de bodem van de lijst van deze heilige gebieden.
De volgende, de hogere graad van heiligheid, is gegrondvest in ommuurde steden (daterend uit de tijd toen Jozua het Land veroverde) binnen Erets Jisraël, gevolgd door plaatsen binnen de ommuring van Jeruzalem, gevolgd door de Tempelberg enzovoorts, tot aan het Heilige der Heilige, in het Heiligdom, De Heilige Tempel.

De derde gift aan het Joodse Volk is de gift van Olam Haba, de Komende Wereld, welke we naar weten was gecreëerd met de letter joet in tegenstelling tot de huidige wereld, welke was gecreëerd met de letter .
De Erets Jisraël in onze wereld moet gezien worden als “tegenovergesteld” aan hetzelfde gebied in een “hogere” wereld aangehaald, door Jesaja, 60,21: “Uw volk (Israël) is rechtvaardig; het zal een eeuwig land erven.”
Dit “eeuwig” land is een esoterische dimensie van de tien directieven waarmee G’D het universum creëerde. We weten dat een enkel directief de nucleus was van alle andere directieven, juist zoals de eerste van de Tien Geboden de nucleus is voor alle anderen geboden. Het kan daarom worden omschreven als het Kodesh Kodoshiem, het Heilige der Heilige. Al deze giften zijn direct gerelateerd aan de patriarchen.
De gift van Erets Jisraël begon werkelijkheid te worden toen Izaak werd verboden om het land te verlaten, zelfs tijdens een periode van hongersnood en G’D legde uit dat dit was omdat dit land was gegeven aan hem en zijn nakomelingen. (Genesis. 26, 2-3)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHAYEE SARA

De jaren van Sara’s leven (Genesis. 23:1 – 25:18)

RABBI SHIMON BAR JOCHAI
ZOHAR I. P. 121b,122b

Sara’s leven was honderdzevenentwintig jaar, de jaren van Sara’s leven.” (Genesis. 23:1)

Rabbi Jose verklaart: Sara verschilde van alle andere vrouwen van de toenmalige wereld in de beschrijving van haar dood in de Thora, daar het overlijden van andere vrouwen niet zo wordt beschreven.

Rabbi Chiya betwijfelt deze stelling. Is dit werkelijk zo? Maar er staat geschreven, “Rachel stierf en werd begraven op de weg naar Efrat” (Genesis. 35:19), en er staat geschreven, “Miriam stierf hier….”(Numeri. 20:1), en er staat geschreven, “Dewora, Rebecca’s dienstmeid, stierf” Genesis. 35:8), en er staat geschreven, “Shoea’s dochter, de vrouw van Jehoeda, stierf” (Genesis. 38:12)?

Rabbi Jose antwoordde: Geen enkel van hen is geportretteerd zoals Sara ( het heengaan), zoals het vers bevestigt, “Sara’s leven was honderdzevenentwintig jaar, de jaren van Sara’s leven.”
De precieze jaren van de andere vrouwen werden niet expliciet vermeld, zoals bij Sara. Bovendien draagt, na aanleiding van hun heengaan, een parasha niet hun naam, zoals bij Sara. Hoe dan ook, dit wijst naar het mysterieuze niveau waarvan alle jaren en dagen van mensen afhangt.

Dit verwijst naar de Shechina. Na de zonde van Adam en Eva met de Boom der Kennis, was de ziel van de mensheid besmet en daalde af in het domein van kelipot. Echter, Sara in haar rechtschapenheid verhief elk aspect van haar leven boven de krachten van dood en onzuiverheid en steeg op tot het eeuwige leven [commentaar van Midash Melech], zoals de Zohar nu zal uitleggen.

Kom en zie: Toen Eva in deze wereld kwam , verbond zij zichzelf met de slang, de kracht van onzuiverheid en dood. En hij injecteerde zijn vergif van onzuiverheid in haar, wat uiteindelijke de dood ten gevolge had [geen eeuwig leven in deze wereld] voor haar en haar echtgenoot en de gehele mensheid. Maar Sara kwam in deze wereld en steeg, na haar rechtschapen leven in deze wereld op, zonder ermee in contact gekomen te zijn, zoals het vers vermeldt, ” Abram ging op van Egypte samen met zijn vrouw Sara en alles wat zij bezaten” (Genesis. 13:1)

Toen Noach in deze wereld kwam, wat werd er toen geschreven? ” Hij dronk wijn  en werd dronken en ontkleedde zich” (Genesis. 9:21) [ verzuimend om zichzelf te ontdoen van onzuiverheid]
Maar omdat Abraham en Sara het onzuivere niet omhelsden, verdiende Sara het leven in de Komende Wereld voor haar zelf , haar echtgenoot, en al haar nakomelingen… want zij klemde zich vast aan het leven, daarom waren haar jaren en dagen “in leven”. Overeenkomstig vermeldt het vers, “deze zullen zijn (jaren) het leven van Sara,” want ze continueerde boven, honderd in de hogere werelden, twintig in de hogere werelden, en zeven in de hogere werelden.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJERÁ

En Hij verscheen (Genesis 18:1 – 22:24)

Rebbeinoe Bachya

“Een engel van de Eeuwige riep hem vanuit de hemel toe en zei: “Awraham, Awraham.” En hij zei: “Hier ben ik.” En hij zei: “Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat je Godvrezend bent en dat je Mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden.” [Genesis. 22:11-12]

Het ogenschijnlijk vreemde fenomeen in deze paragraaf, dat G’D degene is die Abraham onderwerpt aan een beproeving, en die engel voorkomt dat hij daarin verder gaat, moet als volgt worden opgevat: De “engel” is niet van de categorie van “nifradiem” [spiritueel creatuur, gescheiden van het lichaam], maar van wat bekend staat als de “netiyot” [de emanaties van G’D”, een G’ddelijke stem veel dichter tot G’D’s Essentie dan “louter”engelen].

Had de engel, welke Abraham riep en hem instrueerde te stoppen, behoord tot de categorie bekend als “nifradiem”, zou Abraham hem hebben genegeerd, en zou zichzelf niet toestaan, als ondergeschikte van degene die hem in eerste instantie heeft opgedragen, om te annuleren. Bovendien, is het verreweg ondenkbaar dat een engel van de “lagere”categorie van “nifradiem” zou zijn toegestaan om tegen Abraham te zeggen, “Je hebt je zoon niet aan Mij onthouden”; hij zou gezegd hebben “van Hem”. Dit maakt duidelijk dat de stem welke de Thora beschrijft als, voortkomend uit een “engel van G’D”, van een superieur G’ddelijk niveau was.

Deze “engel”, bekend onder de naam “groot engel”, manifesteert zichzelf in Exodus 14:9, als de Thora hem beschrijft als “De engel van G’D, die het kamp van Israël voorgaat” [en daarbij allerlei mirakels volbrengt]. Bij het gebruiken van de woorden “malach ha Elo-hiem” bedoelt de Thora niet “engel van G’d”, want het woord “malach” [gewoonlijk vertaald als “engel”] is niet een bezittelijk voornaamwoord, de engel is slechts een eigenschap van G’D. Het woord ”Elo-hiem” in dit vers, moet worden opgevat als, uitleg van het woord “malach”. Wanneer de Thora deze G’ddelijke voortbrenging beschrijft als “malach” betekent dit dat G’D inhoudelijke aanwezig is in deze G’ddelijk voortbrenging.

We komen iets dergelijks tegen in Exodus 23:21, waar G’D aan Mozes uitlegt dat de engel/malach, die het Joodse Volk zal begeleiden, met het allergrootste respect gerelateerd moet worden aan “Mijn naam in hem”.

Het woord is klaarblijkelijk in plaats gesteld voor de eigenschap van G’D, wat we noemen “de vrees van Izaak”, een eigenschap welke op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

Wanneer we lezen in Genesis 48:16, als Jacob voor zijn dood zegent, “ De engel die mij verloste……is in het midden van de aardse wereld,” welke een verwijzing is naar de eigenschap van “meesterschap” [“adnoet”] welke deze “engel” representeert. Hij heeft de autoriteit binnen het gehele aardse universum.

Rebbeinoe Bachya, Rabbi Bachya ben Asher [1255-1340] van Saragosa Spanje, was een uitzonderlijke leerling van Rabbi Shlomo ben Aderet ( de “Rashba”), de voornaamste leerling van Rabbi Moshe ben Nachman (de “Ramban”). Verscheidene boeken zijn geschreven op de Kabballa baserende Thoragedeelten van R. Bachya’s commentaren.

SHABBAT SHALOM