PARASHAT NOACH

Noach             Genesis. 6:9 – 11:32

 Thora Ohr 11b, Rabbi Shneur Zalman

 “Laat ons naam maken.” (Genesis. 11:4)

De “Generatie van Verspreiding” wensten zich te laten leren door de Hogere Wereld zonder hun ego’s of begeerten in te tomen of te matigen. Hun plan was om lering te verkrijgen van de Naam Havayah ofschoon zij lering verdienden van de laagste niveaus van de Naam Elo-kiem. Zij wilden verder reiken dan de wet en orde wereld van Tikkoen naar de wereld van Akoediem. Daar waar de structuur van Tikkoen niet existeert.

Het vers: “Laat ons naam maken.kan nu als volgt worden geïnterpreteerd:

“Laat ons zelf een naam maken.”: Laat ons voortgaan met  de Naam Havayah.

“zodat we niet worden verspreid”: Opdat we de laagste niveaus van de Naam Elo- kiem verkrijgen.

Om deze eenheid en samenwerking te bereiken, plannen zij het bouwen van een toren. Zoals de middeleeuwse commentator Rabbi Avraham Ibn Ezra het uitlegt: zij waren herders die vaak ver van elkaar rondzwierven en deze hoge toren zou van uit de verte zichtbaar zijn, zodat zij ernaar konden terugkeren om bijeen te komen.

G’D kon daarom hun plan niet toestaan, aangezien zij inderdaad door eenheid in staat zouden zijn om G’ddelijke weldadigheid te verkrijgen van de Naam Havayah en het te kanaliseren in onzuiverheid. Vergelijkbaar met de geschiedenis van Adam, toen hij zich eenmaal in een negatieve staat had gebracht door het eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, kon G’D hem niet toestaan te eten van de Boom van het Leven om onsterfelijkheid te verkrijgen; zodoende duurt de negatieve energie voor eeuwig.

 SHABBAT SHALOM

PARASHAT BERESHIET

In het begin     Genesis. 1:1 – 6:8

 VERBORGEN IN HET BEGIN

 KABBALA LEERT DAT DE OORSPRONG VAN ALLES IN DE GEOPENBAARDE WERELD AFHANGT VAN DE HOGERE VERHULDE WERELDEN.

 RABBI SHIMON BAR JOCHAI

 ZOHAR I, 39b

 In het begin schiep G’D de hemel en de aarde.” (Genesis.1:1)

Onze Wijzen leggen uit dat de wereld werd geschapen met tien uitspraken (Awot. 5:1), die in de periode van zes dagen van de Schepping worden weergegeven.  Ofschoon er alleen negen uitspraken voorkomen, concluderen de Wijzen dat het woord “bereshiet” (“in het begin”) ook een uitspraak is, ondanks het feit dat het niet vooraf gaat met de woorden, “en G’D zei…..(Rosh HaShana 32a; Megilla 21b; Zohar 15a, 30a)

De volgende uitleg verklaart deze mening.

Rabbi Abba zegt: De Hogere Werelden zijn verhuld en alles wat is geassocieerd met de Hogere Werelden is evenzo verhuld, omdat zij allen deel uitmaken van het verheven mysterie van de dag waarin alle andere dagen zijn opgenomen.

In de eerste uitspraak, “Bereshiet”, “In het begin” zijn alle negen uitspraken, verspreid over de zes dagen van de Schepping, inbegrepen.

In deze fase is de Schepping nog niet kenbaar als een fysiek universum. Echter, toen de Heilige, geprezen zij Hij, de Schepping tot een zichtbaar bestaan bracht liet Hij de zes daar uit voortvloeien.

 Het begin is in verhulling, dat betekent dat de Hogere Werelden zijn verhuld.

De zes dagen van de Schepping komen voort uit de fysieke Schepping. De uitspraak “En G’D zei”,gaat vooraf aan de negen uitspraken waar de Schepping uit voortkomt. Maar aangezien de Hogere werelden zijn verhuld en alles wat is geassocieerd met de Hogere Werelden evenzo is verhuld , geeft het vers alleenBereshiet” aan, dat betekent  “bara[Hebreeuws voor “Hij schiep”] “shiet[betekent “zes”].

[Dit impliceert de schepping van] zes hemelse dagen.

De Hogere Werelden zijn “in het begin” verhuld.

 Desondanks, [zo lang dit inhoudt dat de zes dagen van de Schepping nog steeds zijn binnen het “bereshiet”} vermeldt het vers niet wie ze heeft geschapen, omdat dit refereert aan de verborgen verhulde Hogere Werelden.

Deze verhulde Hogere Werelden blijven verborgen voor de geschapen existentie van de lagere werelden (Or HaChama) en om die reden wordt “bereshiet” niet voorafgegaan door de uitspraak “En G’D zei”.

Naderhand, wanneer Hij (verkiest om) te openbaren en uit te spreken [de overgebleven negen uitspraken waardoor de wereld werd gecreëerd, zo stelt het vers,]

“G’D [Elo-hiem] schiep de hemel en de aarde” en niet [het juist eenvoudige dubbelzinnige] “schiep” “bara” [zoals bovenstaand], maar juister uitgedrukt, “Elo-hiem schiep”, want de naam “Elo-hiem” openbaart zich aan het geopenbaarde.

 En daarom gebruikt het vers de G’ddelijk Naam “Elo-hiem”, want deze naam geeft aan de eigenschap van beperking en vermindering van het Oneindige Licht (Or Ein Sof) zodat een fysieke wereld kan existeren. (Zohar, Midrash HaNe’elam, parashat Noach, Ma’amar “Dor Hamaboel”.

De Lagere wereld is geopenbaard.

Met de intentie om te tonen dat alles in de geopenbaarde wereld wordt vooraf gegaan door de oorsprong van de Hogere Werelden en daar ook vanaf hangt.

Dit duidt op het woord “Bereshiet,” die aan de fysieke Schepping voorafgaat.

Wie schiep wordt niet gespecificeerd, omdat het refereert aan de verhulde Hogere Werelden.

De Lagere wereld is geopenbaard:

omdat de daden van de Heilige, geprezen zij Hij [altijd twee niveaus omvatten:] verhuld en geopenbaard. Dit is het mysterie van de Heilige Naam [Havayah] .

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WEZOT HABERACHA / BEREESHIET

SHEMINIE ‘ATSERET – SIMCHAT THORA

Op de feestdag van Sheminie ‘AtseretSimchat Thora (8-9 oktober, buiten Israël), of de gecombineerde feestdag van Sheminie ‘Atseret-Simchat Thora (8 oktober, in Israël ), lezen we het laatste gedeelte van de Thora, WeZot HaBreracha. Direct, aansluitend, begint de voorlezer de eerste Thora paragrafen te lezen van Bereeshiet, het einde verbinden met een nieuw begin. Het hele gedeelte van Bereeshiet wordt gelezen op de eerste Shabbat na Simchat Thora, welke dit jaar 13 oktober is!

PARASHAT WEZOT HABERACHA

En dit is de zegen (Deuteronomium. 33:1 – 34:12)

Rabbi Shimon bar Jochai.
Het verwelkomen van gasten van de Soekka.
Zohar, Emor bladzijde 103b.

In Chok L’Jisrael, geeft de Arizal uitleg van parashat Emor van de Zohar, welke correspondeert met parashat Zot HaBeracha.

Kom en zie, op het tijdstip, wanneer een persoon gaat verblijven in de schaduw van de soekka, welke de schaduw van het vertrouwen is, spreidt de G’ddelijk aanwezigheid Haar vleugels over hem uit en Abraham [representerend chesed], en vijf andere tsadikiem delen hun verblijf met hem.

Rabbi Aba zegt, Abraham, en vijf andere tsadikiem, en Koning David maken hun verblijf met hem. Het bewijs hier voor ligt in het “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen” (Leviticus. 23:42).
De Tekst zegt: “Zeven dagen” en niet “gedurende zeven dagen” [verwijzend naar zeven sefirot van chesed tot malchoed]. Gelijk de manier het is geschreven “Omdat de Eeuwige in zes dagen hemel en aarde maakte.”

Dit laat zien dat de zes dagen, de zes sefirot zijn; chesed, gevoera, tiferet, netzach, hod, en jesod, welke samen, de “zes dagen” worden genoemd.
Door deze sefirot creëerde G’D de hemelen en aarde.

Dus zal een persoon door en door gelukkig moeten zijn, gedurende de dagen van Soekkot, en zijn gezicht zal vreugde moeten uitstralen in het hebben van zulke grote spirituele gasten met hem, in de Soekka. Rabbi Aba zegt dat de tekst in het eerste gedeelte van de zin, is geschreven in de tegenwoordige tijd en vervolgens, het tweede gedeelte van de zin, in de toekomende tijd: “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen, alle ingezetenen in Israël zullen in hutten [Soekkot] wonen.”
De eerste heeft betrekking op de spirituele gasten en de tweede refereert aan mensen in deze wereld.
De eerste, referent aan de spirituele gasten, is voortgebracht door de gewoonte van Rav Hamnoema Saba: Als hij de soekka binnenging was hij blij en gelukkig [om een vreugdevolle gezichtuitstraling te tonen aan de spirituele gasten] en ging staan bij de ingang [om aan de gasten duidelijk te maken niet binnen te gaan, tenzij de huiseigenaar aanwezig is]. Dan zou hij zeggen “De gasten zijn uitgenodigd om binnen te komen.”
Vervolgens schikte hij de tafel voor zijn gasten, stond op om hen welkom te heten en sprak de zegening over de mitzwa uit “……..om in de soekka te zitten”. Naderhand zal hij tegen zijn spirituele gasten zeggen, “G’D heeft opgedragen, “Zeven dagen moeten jullie in hutten [Soekkot] wonen”.
Neem alstublieft plaats, gasten van de hogere werelden, neem plaats gasten van het vertrouwen, neem plaats.” Dan zal hij zijn handen opheffen [om zijn 10 sefirot samen te voegen, aangegeven door zijn tien vingers, met de zeven hogere sefirot die hem bezoeken] en vreugdevol zeggen, “Hoe gelukkig is ons deel, hoe gelukkig is het deel van Israël, zoals het is geschreven, “Maar het deel van de Eeuwige is Zijn volk, Ja’akov is Zijn toegemeten erfgoed.” (Deuteronomium. 32:9).

Het belang van een gezicht dat geluk uitstraalt is, dat blijdschap een mechanisme is om deze zeven sefirot te verheffen naar het niveau van bina, en het vers brengt het nederige feit voort, dat deze gasten niet komen uit iemands individuele verdienste; maar dat zij eerder komen omdat G’D Israël heeft gekozen als Zijn volk.

GOED JOM TOV

SOEKOT – LOOFHUTTENFEEST

RABBI JITZCHAK LURIA

 Van de vele mitzwot verbonden aan de feestdag van Soekot, is misschien het meest opvallende de eigenlijke structuur van de Soeka (hut) in welke wij alle feestdagen verblijven en waarnaar het feest is genoemd. Hoewel de expliciete reden voor het bouwen van de Soeka is, om te herinneren aan de miraculeuze uittocht uit Egypte en G’D’s bescherming tijdens de reizen door de Sinaï woestijn, verklaart de Ari dat, op de juiste manier geconstrueerd, de Soeka dient als een model van de spirituele werelden en een kanaal voor verruimend bewustzijn, een kanaliserende G’ddelijke vrijgevigheid in de Lagere Sferen.

 Een belangrijk element voor een geldige Soeka is de “schach”, de dakbedekking, gemaakt van organische natuurlijke materialen welke rusten op de wanden. Chassidische literratuur leert dat zowel de woorden “Soeka” en “schach” verwijzen naar de uitdrukking “beseffen” [Hebreeuws, “sochei” met G’ddelijke inspiratie], welke gebruikt wordt in de beschrijving van onze matriarche Sara, ook bekend als “Isca” (van de zelfde stamletters).

 De Ari leert dat deze connectie tussen schach en G’ddelijke inspiratie, profetie of enig andere verruimend bewustzijn allesbehalve bijkomstig is.

In feite, de schach van een koshere Soeka in het bijzonder dient als een medium door welke wij hemelse wijsheid en begrip absorberen.

Kabbala reikt niet alleen voorbeelden aan van spirituele realiteiten in de celestiale werelden, maar dat ook wij een actieve rol kunnen spelen in hun manifestatie in Deze Wereld. In de Soeka functioneren wij in de rol van de partzoefiem van Zeir Anpin en Noekva, gelijk een onvolwassen zoon en dochter (of kuikens in een nest), en de schach functioneert als een interface met de partzoef van Imma, de verzorgende “moeder”, niet verschillend van “onze moeder” Sara, zwevend over haar jongen in haar nest, toekennend wijsheid en begrip, en hen de mogelijkheid geeft om tot volwassenheid te komen, en hen een glimp te laten opvangen van het universum van uit haar verheven perspectief.

 

SOEKOT, ZEVEN HEMELSE GASTEN

De Zohar vertelt ons dat de “Ushpizien,” (letterlijk, invitatie om plaats te nemen), de zeven “Herders” van het Joodse Volk, iedere Jood in zijn Soeka bezoekt, elke nacht een ander. En elk van hen is een paradigma voor één van de zeven G’ddelijke eigenschappen.

1e dag – Abraham – chesed

2e dag – Isaac – gevoera

3e dag – Jacob – tiferet

4e dag – Mozes – netzach

5e dag – Aaron – hod

6e dag – Josef – jesod

7e dag – David – malchut

Aan Rabbi Menachem Mendel van Kotsk, werd eens verteld dat een zekere tsadiek elk jaar alle zeven Ushpizien in zijn soeka ziet. De Kotsker antwoordde: “Ik zelf zie ze niet, maar desondanks geloof ik de verklaring van onze Wijzen ,in zaliger nagedachtenis, dat zij naar elke Soeka komen. En door dit te geloven, zie ik meer dan zij doen met hun ogen!”

GOED JOM TOV



PARASHAT HA’AZINOE

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

De Zohar op 32,3 ( Sullam editie Ha-azinoe pagina 92 ) geeft aan: Wat is de betekenis van het vers “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig?”
Rabbi Shimon antwoordt: “geef glorie aan onze G’D!” Rabbi Abba geeft commentaar (op het vers 32,4) als volgt:
De woorden: “geef glorie” zijn een verwijzing naar gedoela, of de sefira chesed. De woorden: “hatzoer tamiem pa’alo”, “De Rots, Zijn werk volmaakt is,” zijn een verwijzing naar de sefira gewoera.
De woorden: “kie kol derachav mishpat,” “want al Zijn wegen zijn Recht” zijn een verwijzing naar de sefira tiferet.
De woorden: “el emoena,” “een betrouwbare G’D,” verwijst naar de sefira netzach.
De woorden: “één awel,” “zonder onrecht,” verwijst naar de sefira hod.
Het woord: “tzadiek,” “rechtvaardig,” verwijst naar de sefira jasod.
Het woord: “wejashar,” “eerlijk,” verwijst naar tsedek, een andere naam voor de sefira malchoet.
Al deze uitdrukkingen verenigd, vormen de naam van G’D. Dit is waarom Mozes zei: “Wanneer ik de Naam van de Eeuwige verkondig.”

Rabbi Chiya voegt toe dat hij veel heeft geleerd van dit vers en dat wat Rabbi Abba had gezegd zeer passend was.
Gezien het feit dat zovele eigenschappen deel uitmaken van G’D’s naam, zou men zich makkelijk kunnen vergissen, waardoor men zou kunnen denken in termen van verschillende machten. Om te voorkomen, dat wij zo’n fout zouden kunnen begaan, gebruikt de Thora het ogenschijnlijk oppervlakkige voornaamwoord hoe, aan het eind van vers 4. Dit voornaamwoord is er om te benadrukken dat, ondanks de verschillende eigenschappen, zij allen eigenschappen zijn van één en dezelfde G’D. Hij is, en Hij zal zijn, voor altijd. Tot zover de Zohar.

SHABBAT SHALOM

JOM KIPPOER-GROTE VERZOENDAG

THORA OR EN LIKKOETEI THORA

Na de zonde van het Gouden Kalf, bracht Mozes tachtig dagen door op de Berg Sinai [met andere woorden, ononderbroken twee maal veertig dagen.] om G’D dringend te verzoeken om de teshoewa van het Joodse Volk te accepteren en hen te vergeven voor de begane zonde. [Teshoewa wordt gebruikelijk vertaald als “berouw.” Echter zoals de maamar  verder gaat met uitleggen, is de betekenis van de term niet beperkt tot deze vertaling  maar refereert Teshoewa  aan een alomvattend proces van terugkeren tot G’D en het hernieuwen van de gevestigde verbinding met Hem. ]

Uiteindelijk op de tiende dag van de maand Tishré, stemt G’d in en verleent hen complete verzoening. Op die dag werd Jom Kippoer ingesteld als een dag van teshoewa en verzoening voor alle tijden, zoals Maimonides schrijft: “ Jom Kippoer is de periode van teshoewa voor iedereen, voor de enkeling en voor de gemeenschap, het is het hart van vergeving en vergiffenis voor het Joodse Volk.” Op die zelfde dag gaf Mozes voor de tweede keer de Stenen Tafelen, daarmee aangevend dat de dag niet alleen is verbonden met teshoewa, maar ook met de Thora en zijn studie.

 OOG IN OOG KOMEN MET G’D

Het concept van teshoewa, verklaart dat het niet alleen vergoeding van zonden nastreeft, maar het streeft ook een verlangen om dichter tot G’D te komen na. Dichter tot G’D komen houdt niet in dat een fysieke afstand wordt overwonnen,  maar het zodanig richten van iemand zodat de verhouding met Hem een innerlijke verbinding wordt

Om te kunnen begrijpen hoe een dergelijke verbinding tot stand komt , ligt de nadruk op het belang van de studie van de Thora : waarin Thora studie prioriteit heeft over al de mitzwot; waardoor die studie van de Thora het brengen van offers kan compenseren en waarin het belang ligt van het waarom van een mitzwa  om de hele Thora te bestuderen, zelfs die aspecten die voor iemands gedrag relevant zijn.

Thora studie is niet slechts een intellectuele bezigheid, maar meer een proces waarin iemand zich vereenzelvigd en verenigt met G’D. Dit concept stelt ons in staat om de geïmpliceerde volgorde  van het Shema Jisrael te begrijpen, die de mitzwa van Thora studie in verband brengt met de eenheid van G’D en de liefde voor Hem. Het bewustzijn van G’D’s eenheid wekt liefde voor Hem op en een verlangen dat Zijn Licht in ons denken en hart zich eigen zal maken. Door de studie van de Thora worden wij in staat gesteld dit te realiseren.

Want in de Thora zijn de leerstellingen en gedragsregels te doorgronden door de mens omdat het is bekleed met het Licht. Het Licht is hier gereduceerd en samengetrokken, want G’D’s Licht reikt voorbij alle grenzen, is oneindig. De leerstellingen en regels, genereren gedragscodes en ethiek en ogenschijnlijk geen transcendente G’ddelijkheid. De G’ddelijkheid echter blijft de innerlijke essentie. Wanneer iemand zich intensief bezig houdt met Thorastudie, gaat hij boven de intellectuele dimensie van de Thora uit en ziet meer en meer dat het een medium is waardoor iemand G’ddelijk essentie kan waarnemen en zich kan verenigen met deze G’ddelijke essentie.

SPREKEN MET G’D’S STEM

 Dit is niet zomaar een abstract concept. Door de studie van de Thora, identificeert een persoon zich met G’D  dusdanig dat al zijn mogelijkheden van uitdrukking Hem weerspiegelen: zijn gedachten zijn G’D’s gedachten en zijn woorden zijn G’D’s woorden. Dit proces wordt benadrukt in het Shema Jisrael wanneer we verklaren: “Ik zal regen voor jullie land geven,” sprekend als het ware in G’D’s Naam.

Om deze vereenzelviging te laten gebeuren, moet iemands Thorastudie worden gekenmerkt door bittoel [Zelf wegcijferen, het menselijke concept van wegcijferen tot aan het punt van erkenning dat G’D de enige ware realiteit is]. Wanneer iemand zijn eigen egocentrisch belang kan prijsgeven en zichzelf wijdt aan G’D, kan hij zich identificeren met het G’ddelijke op zodanige wijze dat de woordenschat van de Thora die hij uitspreekt, de “woorden van G’D“ zijn.

Een studie op dit niveau verheft een persoon boven alle grenzen van wereldse existentie. Het naleven en in acht nemen van de mitzwot daarentegen, hangt af van  begrenzingen, want mitzwot  moeten worden vervuld binnen de grenzen van tijd en ruimte. Deze contradictie komt tot uiting bij het aanleren aan een persoon over de wetten van het brengen van offers, dat kan dan worden beschouwd alsof de persoon zelf het offer brengt.  Ofschoon hij nachts leert en buiten de Beth HaMikdash [de Tempel], waar het brengen van offers verboden is, is het bestuderen van de wetten  equivalent aan het eigenlijk brengen van offers. Want de studie van Thora stelt de mens in staat zich te verbinden met G’D’s Wil, zoals het existeert in Zijn gedachten, niet in tijd en ruimte.

De mitzwot daarentegen betekent de vervulling van G’D’s Wil binnen deze begrenzingen.

NIET VOOR ENGELEN

Ondanks dat we G’D’s mogelijkheden hebben die ons met de capaciteit voor bittoel begiftigen, hebben we andere mogelijkheden die voortkomen uit de sfeer van klipa [de kabbalistische term voor kwaad], die worden gekarakteriseerd door een bewustzijn die leidt naar een verlangen van zelfzucht en een verlangen naar wereldse zaken. Wanneer iemand zich in de aanwezigheid van G’D bevindt en een leven in eigenbelang probeert te bewerkstelligen zal worden vervuld met onbehagen en schaamte.  Dientengevolge zal hij G’D aanroepen in complete teshoewa. Een dergelijke betrokkenheid van de kant van de mens roept een respons op vanuit G’D’s Essentie, waardoor een neerwaartse energie wordt teweeg gebracht  die de persoon in staat stelt om al zijn voorafgaande negatieve gedragingen te corrigeren.

Tussen Rosh HaShana en Jom Kippoer zijn de Tien Dagen van Teshoewa, elke dag zuivert en verheft één van onze tien zielsvermogens. Op Jom Kippoer, is de completering van dit proces, is de persoon compleet gewijd aan G’ddelijkheid. Om die reden rijst hij compleet boven zijn wereldse aangelegenheden, zoals tot uiting komt in het verbod om te eten en drinken en dergelijke.

Dus Jom Kippoer representeert het wezen van de twee boven beschreven processen. Het representeert de Stenen Tafelen die voor de tweede keer worden gegeven en het representeert de volledige identificatie van een persoon met de Thora. Er zijn momenten dat we niet voldoen aan deze normen. Dan is teshoewa, ook een vereenzelviging met Jom Kippoer, en stelt ons in staat om te dienen als een goedmaking voor alles wat ontoereikend is en ontwikkelt zelfs een diepere verbinding met G’D.                                           

 GOED JOM TOV

 JUDA GROENTEMAN

PARASHAT WAJÉLEECH

En hij ging            Deuteronomium.  31:1 – 31:30

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar. p. 285b

Antwoorden met Amen

 

Rabbi Jehoeda interpreteert het vers “…. want degenen die Mij eren zal Ik eren en degenen die Mij verachten zal weinig geacht worden” (Samuel I, 2:30). Een persoon die niet weet de Naam van zijn Schepper te eren, weet niet de juiste gedachten te hebben bij het zeggen van “Amen” en zal weinig geacht worden. Dit is zoals we hebben geleerd dat iemand die met “Amen” antwoordt, groter is dan degene die de zegen uitspreekt. [Als iemand een zegen hoort behoort hij te antwoorden met “Amen: ]

 

De gepaste intentie in het zeggen van “Amen” is om de oneindig barmhartige Naam Havayah te verenigen met het aspect van Malchoet – Ado-nai, zoals we hebben uitgelegd in Parashat Shoftiem . De gene die de zegening uitspreekt gebruikt de Naam Ado-nai, terwijl de persoon die antwoord me “Amen” het oneindige aspect van de Schepper één maakt met het aspect van Malchoet. Dus de persoon die antwoordt met “Amen” verenigt dus twee Namen van G’D, in tegenstelling tot de ene Naam die de persoon gebruikt bij het uitspreken van de zegen. Dit fenomeen wordt aangetoond door het woord “Amen” dat de numerieke waarde heeft van 91, de zelfde numerieke waarde als dat van de G’ddelijke Namen Havayah en Ado-nai samen.

Dit is zoals wij hebben geleerd van Rabbi Shimon bar Jochai, namelijk dat met het beantwoorden met “Amen” zegeningen neerwaarts gehaald worden van de onuitputtelijk spirituele bron naar de Koning en van daar naar de Koningin.

 

Dit veroorzaakt een gunstige influx, een toevloed van de verenigde werelden van Abba en Imma naar Zeir Anpin, de spirituele spiegel boven de fysieke wereld en van daar naar deze fysieke wereld.

We hebben evenzo geleerd in het esoterische boek van Rabbi Elazar de Combinaties van Letters, dat het meditatieve pad van het woord “Amen”  is gereflecteerd in de letters van het woord zelf. Dus men trekt de spirituele overvloed van de letter alev van het woord “Amen” naar de mem en van de mem naar de noen.

Alev representeert eenheid, mem representeert Imma/Bina en noen representeert Zeir Anpin.

 

Wanneer de zegen de noen bereikt wordt [deze spirituele influx]  er uit ontlokt en  vloeit voort in de spirituele en fysieke werelden en verspreid zich over alle werelden. Een stem komt voort en verkondigt: “Drink van het elixer van zegeningen die deze met name genoemde persoon, een dienaar van de Heilige Koning  die een uitstroom te weeg heeft gebracht.”  Wanneer Israël beneden nauwlettend luistert naar de zegen van de leider van het gebed om te kunnen antwoorden met “Amen” en naderhand met de juiste meditatie en zorgvuldig hun harten concentreren zoals wordt vereist, hoeveel poorten van zegeningen worden dan voor hen boven geopend en hoeveel zegeningen worden neergehaald naar hen beneden! Hoe groot is het goede dat alle werelden bedekt en groot is de vreugde die overal doordringt!

 

Wat is de beloning voor Israël die dit alles veroorzaakt? Zij verkrijgen een beloning in zowel deze fysieke wereld als in de spirituele wereld. Hun beloning in Deze Wereld is dat op het moment degenen die hen haten en hen willen breken en hen misère willen brengen en Israël hun Schepper aanroept, een stem voortkomt en in alle werelden verklaart, “Open de poorten voor de intrede van het heilige volk die hun vertrouwen behielden [in het Hebreeuws, ‘emoeniem’] (Jesaja. 26:2). Interpreteer het woord “vertrouwen” niet als emoeniem’, maar als “ameniem“, betekenend, degenen die Ämen” zeggen. Dus de opdracht om de poorten te openen is een reflectie op het feit dat Israël de poorten van zegeningen opent. Nu de poorten van gebed voor hen zijn geopend als beloning en zij bewaard zijn voor degene die hen wilde breken is dat hun beloning in Deze Wereld.

 

SHABBAT SHALOM

ROSH HASHANA 5773

INTRODUCTIE

 De Alter Rebbe sprak:”Toen ik in de Mezrirch was, hoorde ik de volgende leerstelling van mijn geëerde leraar, de Maggid,( (uit naam van zijn geëerde leraar, de Baal Shem Tov):  

“Atem nitzaviem hajom”, “Jullie staan vandaag allen voor de Eeuwige, jullie G’D.” (Deuteronomium.29:9)

 Het woord “vandaag” verwijst naar Rosh HaShana, de Dag van Oordeel. 

Want de frase “De dag komt,” wordt door de Targoem weergegeven met de woorden, “De grote dag des oordeels is gekomen.” Met betrekking tot deze dag zegt de Thora ons: “Jullie staan”; dat wil zeggen: rechtvaardig wordt over jullie geoordeeld.

 Op de Shabbat voor Rosh HaShana, de laatste Shabbat van de maand Elloel, lezen we de parasha die begint met de woorden “Atem nitzaviem hajom”. Deze lezing brengt de zegeningen die G’D geeft op Shabbat Mevarchiem, tot uitdrukking de Shabbat die de zevende maand zegent. De maand die gezegend is met overvloed, een gulle overvloed die het gehele Joodse Volk het hele jaar overlaadt.

 Zoals de volgende maamar, verhandeling, benadrukt, maakt Parashat Nitzaviem niet alleen G’D’s zegeningen voor Rosh HaShana kenbaar, maar het verwijst eveneens naar de G’ddelijke Liturgische Dienst die met die dag in verband staat.  Want het vers op Rosh HaShana impliceert dat alle Joodse zielen worden verheven naar hun bron van oorsprong. Het vers vermeldt

vervolgens tien categorieën van mensen, parallel lopend aan de tien Sefirot, die de afzonderlijke spirituele eigenschappen van een ieder begrenst. Niettemin zijn al deze zielen fundamenteel één. Deze eenheid wordt geopenbaard op Rosh HaShana wanneer de zielen zich verheffen tot hun transcendente spirituele bron. De eenheid van het Joodse Volk maakt hen een geschikt medium om G’D’s aanwezigheid neerwaarts te halen.

 De fundamentele eenheid van het Joodse Volk is een gevolg van de innige verbondenheid die zij delen met G’D. Want – zoals de geciteerde passage boven continueert- ons volk is verbonden met G’D door een verbond: “Om toe te treden tot het verbond van de Eeuwige, je G’D”. Een verbond vereeuwigt de verhouding door de eenwording van  de betrokken, zij worden tot één entiteit gemaakt. Dat betekent dat deze verbinding altijd zal bestaan ook indien vanwege redelijke of logische redenen deze verbinding verbroken zou moeten worden.

 EEN G’DDELIJK VERZOEK

 Onze Geleerden beschrijven de G’ddelijke Dienst van Rosh HaShana als volgt.

G’D vraagt het Joodse Volk: “Zeg [verzen die] koningschap [weergeven] voor Mij, om Mij Koning te maken over jullie, [en verzen die] herinnering [oproepen] zodat een aandenken zal komen voor Mij voor goed. Door wat wordt dit bereikt? Door de Shofar.” (Rosh HaShana 16a, refereert specifiek aan de drie zegeningen: Malgiot, Zigronot, Shoferot, in de Moessafdienst op Rosh HaShana)

 In de volgende verhandeling verklaart de Alter Rebbe dat deze zegeningen drie verschillende grondthema’s in onze verhouding met G’D weergeven. Door de zegeningen van Malgiot, Zigronot te reciteren, roepen we de openbaring van G’D’s Koningschap over ons af, door te herinneren aan het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. 

 “Door wat wordt dit bereikt? Door de shofar,” want de klanktonen van de shofar voegt een derde grondthema toe,als een kroon op het hartgrondig uitdrukken, aan het oprechte teshoeva van het Joodse Volk. Het geeft het innerlijke uitschreeuwen van de ziel weer, een roep naar G’D voorbij de grenzen van reden en logica. Want op Rosh HaShana wordt de innerlijke G’ddelijke essentie van onze harten opgeroepen. Met als resultaat dat onze G’ddelijke dienst zich volledig richt op het vestigen van een binding met G’D’s Essentie, zoals is geschreven: “Ik zal zoeken naar Uw Gezicht, met andere woorden, Uw innerlijke dimensie, O G’D.” (Psalm 27:8, gereciteerd gedurende de maand Elloel, continuerend op Rosh HaShana en de hele maand Tishré tot aan Hoshana Rabba.)

Doorgaans is onze verhouding met G’D afhankelijk van Zijn externe dimensies, de wijze waarop Hij Zich manifesteert in deze wereld. Op Rosh HaShana echter, verbinden wij ons aan de essentie van Zijn Koningschap. Om een verbinding op dat niveau te kunnen bewerkstelligen, is herinnering nodig. In zijn essentie is G’D ver verwijderd van al het aardse bestaan.  Door de herinnering aan Zijn innerlijke liefde voor het Joodse Volk is er een motivatie om te verbinden.  Dit wordt bereikt door het blazen van de shofar die Zijn absolute Essentie oproept.

 Het doel van het verbond die G’D vestigde met het Joodse Volk is “om jullie te verheffen Zijn Volk te zijn.” Weergevend: “Er is geen koning zonder een volk.”

(Rabbenoe Bachaya commentaar op Bereishiet. 38:30) Met andere woorden, voor het bestaan van een koning moet er een “volk” zijn, een volk die op een vergelijkbaar niveau  Hem kan erkennen. Met betrekking tot G’D’s Koningschap, is dit ogenschijnlijk onmogelijk, want er is geen vergelijking mogelijk met Hem. Niettemin verbindt Hij Zichzelf met het Joodse Volk door een verbond. Dit verheft hen op een niveau van verbinding met  G’d als Koning.

 Het is een interactief proces. Door het oproepen en uitdrukking geven aan hun G’ddelijk innerlijke, motiveren de Joden G’D om aan hen te herinneren en het verbond te belichten dat Hij deelt met hen. Door zo’n liturgische dienst, roepen zij Zijn zegeningen op voor een jaar, zowel in materiële als spirituele voorspoed. 

 Zie hoe op de volgende wijze onze Geleerden de G’ddelijk Dienst op Rosh HaShana beschrijven: “De Heilige, geprezen zij Hij zegt:’ “Zeg [verzen die] koningschap [weergeven] voor Mij, om Mij Koning te maken over jullie, [en verzen die] herinnering [oproepen] zodat een aandenken zal komen voor Mij voor goed.’ Door wat wordt dit bereikt? Door de Shofar.” (Rosh HaShana 16a, refereert specifiek aan de drie zegeningen: Malgiot, Zigronot, Shoferot, in de Moessafdienst op Rosh HaShana)

 Want het vers zegt op Rosh HaShana: “Dit is het begin van Uw daden, een herinnering aan de eerste dag.” Op Rosh HaShana was de eerste mens Adam geschapen en hij verklaarde: “G’D is Koning; Hij omhulde Zichzelf in pracht,” omdat toen Zijn soevereiniteit werd geopenbaard.

 Op dat moment, kwam het bewustzijn van G’D’s soevereiniteit als een resultaat van een ontwaking van Boven. Tegenwoordig echter moeten wij een “herinnering van de eerste dag” overbrengen, door een oproep van beneden. Wij moeten de openbaring van G’D’s Koningschap over ons afroepen door te herinneren aan het verbond en de verbinding die we delen met Hem.

 Dit wordt bereikt door de shofar, die teshoevah ilaah representeert, de hogere dimensie van teshoevah, uitschreeuwend met een stem die voortkomt vanuit de diepte van ons hart. De diepte is de essentie van het innerlijk hart van een ieder, de plaats waar vermogens van spraak niet is te controleren, vanwege een eenvoudige kreet. Daarom staat er , “er is geen spraak en woorden” slechts een shofar stoot; een eenvoudige toon. Het is juist binnen de toonklank zelf, dat er verscheidene dimensies van impulsen zijn (kermen, snikken…). 

De verklaring van dit concept kan worden begrepen op basis van het vers in Tehilliem. 27:8: “Om U zegt Mijn hart, Zoek naar Mijn innerlijke dimensie.” Panai, vertaalt als “innerlijke dimensie”, refereert aan de innerlijke dimensie van het hart. Want er zijn twee dimensies ten aanzien van de kreet van het hart, een innerlijke dimensie en een externe dimensie.

 De externe dimensie van het hart wordt gemotiveerd door kennis: meditatie over de grootheid van G’D en de uitstraling van G’D’s Oneindige Licht aan de gecreëerde wezens; al de menigten van de sublieme spirituele werelden; onze wereld, met alles wat zich daarin bevindt, dat alles tot bestaan is gebracht vanuit het absolute niets [zoals we zeggen in onze gebeden]: “In Zijn goedheid, vernieuwd Hij ononderbroken het werk van de Schepping, en U verleend aan hen allen leven.” (Nechemia. 9:6, onderdeel van het Pesoeké De Zimra ochtendgebed.

Wanneer iemand zijn mediatie wil verdiepen en ook daartoe een wil heeft die dit verlangen deelt, zal hij worden aangemoedigd om te schreeuwen vanuit zijn hart. Zijn hart zal roepen tot G’D en aangetrokken worden tot Hem met een sterk verlangen en dorst om zich aan Hem te hechten.

 [Met andere woorden, zijn overdenkingen over G’D’s grootheid zal een uitschreeuwen van het hart teweegbrengen, en een diepe liefde voor G’D doen ontstaan. Desalniettemin refereert deze liefde nog steeds aan het “externe aspect” van de persoon en van G’d omdat:

a )Betreffende de persoon, de liefde die ontstaat is een gevolg van het intellect. Dus het geeft niet zijn ware innerlijke zelf.

b) Betreffende G’D, z’n liefde relateert aan de dimensie van G’ddelijkheid die de schepping tot stand brengt. Dit is alleen het externe aspect van Zijn existentie, niet Zijn innerlijke.

 Deze liefde wordt weergegeven in het vers van Hoshea. 11:10, “ Zij zullen volgen nadat G’D brult als een leeuw.” Dit verwijst  naar de leeuw in Jechezkiél’s visioen van het G’ddelijke Voertuig “het gezicht van de leeuw aan de rechterzijde” (Jechezkiél. 1:10), die alle engelen in het kamp van de Aartsengel Michael inhouden, wiens dienst en gebrul wordt geïdentificeerd met de rechter vector, het aspect van liefde.

De grootheid van hun liefde en hun sterk verlangen om zichzelf op te heffen en te worden opgenomen in G’D’s Oneindige Licht die hen tot zijn heeft gebracht en leven gaf. De behoefte te willen opgaan is een gevolg van hun begrip van hoe zij tot existentie zijn gebracht vanuit ex nihilo, en dat hun levensenergie, de handhaving van hun existentie en de invloed die daaraan wordt verleend een neerwaartse beweging is die ieder moment door Hem wordt gegeven. 

Dit alles wordt “de externe dimensie” van het hart genoemd, omdat het stamt van G’D’s externe dimensie, de stralende weergave van Zijn Licht op de gecreëerde wezens. Hoewel het bevattingsvermogen van de gecreëerde wezens in staat zijn om te worden verheven tot dit begrip, overeenkomstig ieders vermogen, representeert het echter alleen G’D’s uitstraling.

 Met andere woorden, de wijze waarop Hij uitstraalt voor anderen, is niet de wijze Hij die Hij is voor Zichzelf.

 De glorie en de Essentie van de Heilige, geprezen zij Hij, daarentegen, is verheven en eerwaardig, zoals kan worden geconcludeerd uit het vers in Tehilliem 148:13, “Zijn naam is alleen verheven.” Implicerend dat zelfs Zijn naam op een niveau die “alleen” is en ongeëvenaard, want “er is geen gedachte die Hem kan vatten”. (Tikkoenei Zohar. p.17a)

En er is geschreven in Malachi. 3:6: “Ik G’D, verander niet,” want net als voor de Schepping van de werelden, existeert Hij en Zijn naam alleen,” zo existeren zij ook op dit niveau zelfs na de Schepping van de werelden, zoals als wordt verklaard in andere bronnen. (Likkoetei Thora, Bamidbar. p.70c)

 Dit concept kan worden verklaard op basis van onze dagelijkse gebeden: “De Koning Die verheven is, uniek voor alle tijd, hoog geprezen, verheerlijkt en te eerbiedigen.

De intentie van de frase is dat “voor alle tijd”, voor de schepping van de werelden was de eigenschap van koningschap aanwezig, afzonderlijk en alleen als “Zijn Naam”.  Zelfs nu, bij het bestaan van een historie van de werelden, is G’D, desondanks toch “hoog geprezen, verheerlijkt en eerwaardig” boven deze Historie, ofschoon  Zijn invloed niet een openlijke  geopenbaarde verschijning betreft.  Hij Zelf maakt er ook geen deel vanuit en is niet afhankelijk van deze Schepping, Hij blijft er buiten onveranderd en onaangetast.

 Dit wordt aangegeven door het vers in Devariem, 4:24: “De Eeuwige, je G’D, is een verterend vuur.” De intentie van de analogie is dat het vuur van nature opwaarts stijgt, dan dat het neerdaalt en zich verspreid. Evenzo, G’D blijft als het ware verwijderd van alle existentie. De invloed en uitstraling van G’D’s Oneindige Licht in de werelden dat neerdaalt, is analoog aan de eigenschap van water. Het licht daalt neer in gradaties van een hogere sfeer naar een lagere sfeer in als een ketting.  Dit proces is alleen relevant nadat G’D’s Licht verschillende typen van contracties heeft ondergaan en zichzelf heeft gekleed in verschillende niveaus van existenties als vele sluiers om de openbaring van G’D’s Essentie en Glorie te verhullen.

 Mocht het Licht niet z’n verhulling ondergaan, zouden de existentie van werelden worden te niet gedaan. Het zou zijn alsof ze nooit hadden bestaan en ze zouden terugkeren tot het niets. Het is niet relevant daartegen om te spreken van enige invloed komende van G’D alsof Hij is geopenbaard in Zijn Glorie en Zijn Essentie, niet op een wijze van memale kol almin, Letterlijk, “dat alle werelden vult”, met andere woorden, het Licht wordt geopenbaard in elke wereld aangaande zijn eigen natuurlijk aard.  noch op een wijze van sovev kol almin. Letterlijk, “dat alle werelden omgeeft”, een Licht dat te transcendent is om te worden geopenbaard binnen de werelden zelf, vandaar dat wordt beschreven als zijnde boven hen. Desalniettemin deelt het ook een verbinding met de werelden. G’D’s Essentie, daarentegen is totaal boven de Schepping.

Dienovereenkomstig wordt Hij “de sublieme G’D” genoemd, met andere woorden, verheven, eerbiedwaardig en hoog, compleet boven het niveau van alle gecreëerde wezens.

 Vanuit dit essentiële niveau is de mogelijk voor de mens om het uitschreeuwen [tot G’D] van zijn innerlijke hart teweeg te brengen, boven het niveau van enig begrip, zodat hij niet zal worden gesepareerd van G’D’s Eenheid, zodat zijn hart zal branden “met vlammen van vuur” met “een vuur dat stijgt uit eigen beweging”, zonder enige reden of logica, “om de ziel voort te laten stromen in de boezem van zijn Vader”, om zich over te geven door te verklaren ‘G’D is Een, “want Zijn volk is een deel van G’D”, en “Israël rees op in G’D’s gedachte, in zijn innerlijke dimensie”, zoals is verklaard in Zohar II, p119a, Zohar III, p. 33a en andere bronnen. 

 Bovenstaand roepen, behoeft de innerlijke dimensie van G’D van een verhullende staat te komen tot openbaring, hetgeen mogelijk is vanwege de innerlijke dimensie van Zijn Koningschap om te worden geopenbaard aan ons, zoals is geschreven in jirmeyahoe 31:2: “Van verre verschijnt G’D aan mij”.

 Dit is de intentie van de Zichronot zegen, want zicaron, “herinnering” refereert aan iets dat ver weg van ons is. Daarom is er gezegd,”U herinnert de daden van de wereld,” want zij zijn ver verwijderd van het Licht van Zijn gelaat. Wij wekken G’D’s herinnering op van Zijn innerlijke liefde voor het Joodse Volk vanwege Zijn Essentie en innerlijk Wezen door het geluid van  de shofar, die een eenvoudige klank voortbrengt als van de innerlijke dimensie van het hart, zoals boven is uitgelegd.

 KESIVA VACHASIMA TOVA, dat je mag worden ingeschreven en verzegeld voor een goed jaar en de zegen, LESHANA TOVA UMESUKA, een goed en zoet jaar.

 Juda Groenteman

PARASHAT NITSAVIEM

Aangetreden (Deuteronomium 29:9 – 30:20)

De Lubavitcher Rebbe.

Likoetei Sichot.

En als je terugkeert tot de Eeuwige, je G’D….met ganser harte en met heel je ziel.” (Deuteronimium. 30:2)

De oproep luidt dus om teshoewa te doen, (terugkeren naar G’D is meer dan alleen maar het tonen van berouw), met heel ons hart en ziel. In vergelijking met de mitzwa om van G’D te houden met heel ons hart, heel je ziel en met alles waartoe je “bij machte bent” (Deut. 6:5), wat inhoudt, een liefde die onze normale emotieve vermogens te boven gaan. Waarom bestaat dit verschil tussen deze twee, op het eerste gezicht, zelfde mitzwot?

Natuurlijk is “liefde” een emotie. De Thora vraagt, dat onze liefde voor G’D niet alleen maar het uiten is van hart en ziel, maar, dat het inspiratie haalt uit de onbegrensde bron die ons verbindt met G’D, die voortkomt uit de essentiële diepte van ons G’ddelijke bewustzijn. Dit is de verwijzing naar, alles waartoe je “bij machte bent”, de sfeer waar de diep gewortelde liefde voor G’D existeert.

“Terugkeren” aan de andere kant, is in essentie een daad waarbij iemand zichzelf overtreft. Zijn normaal werkende individuele ego heeft hem, door te hebben gezondigd, in een hachelijke situatie geplaatst, de noodzaak van terugkeer is nodig.
Hij moet daarom zichzelf te boven gaan om te trachten een diepere, een meer essentieel onderdeel van zijn identiteit te bereiken, waar G’D meer betekent voor hem, dan het genoegen waar hij aan gewend was geraakt. Wanneer hij dit eenmaal gevonden, moet dit overtreffende bewustzijn eigen worden gemaakt aan zijn normatieve bewustzijn.

Dus, terwijl de Thora ons aanbiedt om onze liefde voor G’D van normaal tot alles overtreffend te vergroten, verlangt het van ons, om terug te keren naar G’D, door middel van onze alles overtreffende verhouding met Hem, en dit tot een normatieve te maken.

*****************************

ONDERWORPENHEID

Een gedachte over de sjofar:

Rosj HaShana is de verjaardag van de schepping van de mens, het laatste schepsel in de volgorde van de Schepping, en het hoogst ontwikkelde.
De superioriteit van de mens aan het dier is in zijn intellect gelegen. Men had daarom kunnen denken, dat de dienst van Rosj HaShana zou bestaan uit wetenschappelijke verhandelingen en discussies, waarin de mens zijn superioriteit zou kunnen demonstreren. Maar de essentie van de dienst op Rosj HaShana is juist een eenvoudige ceremonie, n.l. het blazen op de hoorn van een ram, geen verfijnd muziekin­strument, maar een eenvoudige hoorn die eenvoudige ge­luiden voortbrengt.

Hierin ligt een diepzinnige les opgesloten: Het jaar wordt door middel van het blazen op een ramshoorn ingewijd om ons te leren dat, al is de mens een schepsel met intellect, de basis voor zijn intellectuele leven onderworpenheid aan G’D moet zijn. Een absolute onderworpenheid zoals deze aanwezig is bij een van intellect gespeend dier.

RABBI M.M. SCHNEERSON

SHABBAT SHALOM EN L’SHANA TOVA.

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt         Deuteronomium. 26:1 – 29:8

Rabbi Jitzchak Luria

Uitvloeiingen van het kwaad

Van “de geschriften van de Ari”.

Aan het begin van parasha Re’ée wordt het Joodse Volk opgedragen om “de zegen te plaatsen op de Berg Geriziem en de vloek op de Berg Ewal” op het tijdstip dat zij de Rivier de Jordaan oversteken en het Land van Israël binnengaan. (Deuteronomium. 11:29)

 De discussie hoe dit moet gebeuren neemt wordt niet weergegeven in die passage, maar is opgenomen in het gedeelte van de Thoralezing van deze week, wanneer het Joodse Volk wordt opgedragen:

Wanneer jullie de Jordaan oversteken moeten de volgende (stammen) op de Berg Geriziem gaan staan tijdens het zegenen van het Volk: Lévi, Juda Issachar, Joséf en Benjamin. En de volgende (stammen)  moeten op de Berg Ewal staan tijdens het vervloeken: Reuben, Gad, Ashér, Zewoeloen, Dan en Nafthalie.” (Ibid, 27:12-13).

Dan volgt een lijst van elf vervloekingen die worden verkondigd door de Levieten. De zegeningen worden niet expliciet genoemd, maar volgens de Geleerden waren zij gewoonweg het tegengestelde van de vervloekingen.

Ik heb jullie  eerder onderwezen over de elf ingrediënten van de wierrook, de elf bedekkingen van geitenwol [van het Tabernakel] en de elf vervloekingen van parasha Ki Tavo.

Wat hier opvallend is, is het getal elf. Aangezien de G’ddelijke energie welke de wereld creëert en instant houd, georganiseerd is in een structuur van tien sefirot (Sefer Yetzirah is zeer precies over dit cijfer: ” tien en niet elf; tien en niet negen” ), omdat tien als cijfer het complete en het standvastige aangeeft, een heilige orde van vermogens. Het cijfer elf daartegen, wordt gezien als een indicatie van destructieve overmaat, een egotistische tendens om beter te zijn dan het G’ddelijke systeem. In de woorden van  de Geleerden: ” al wie toevoegt verminderd” (Sanhedrin 29a). Daarom geeft het kwaad en vervloeking aan.

Het tabernakel was overtrokken met drie gordijnen: één, gemaakt van tien aan elkaar vastgemaakte gordijnen, elk geweven van een mengsel van verschillende materialen; één, gemaakt van elf geitenvellen aan elkaar vastgemaakt en één van tachash vellen ( de tachash was een kleurrijk dier welke in onze dagen niet meer bestaat).

Hun significatie is, dat net als er tien heilige sefirot zijn, er tien sefirot van het kwaad zijn.

Aangezien kwaad een ontaarding is van Heiligheid, heeft dat als gevolg, dat voor elke schaduw van heiligheid (weergegeven in de tien sefirot), er een corresponderende schaduw is van kwaad.

Bovendien, is er in [de tien heilige sefirot] een vonk van heiligheid dat hun draagt. Dit is de mystieke betekenis van het vers “en Zijn Koningschap heerst over alles” (Psalm 103:19).

Het gemeenschappelijke kenmerk van  alle sefirot is dat zij een expressie zijn van G’D’s soevereiniteit over de Schepping. Dit is de basis voor hun wederzijdse onderlinge insluiting en harmonieus functioneren.

[Hetzelfde is waar betreffende de tien sefirot], met het volgende verschil: De tien heilige Sefirot  zijn opgebouwd uit “essentie” en “vaten”.

De essentie van een sefira is de G’ddelijke aandrijving van energie; het vat van een sefira  is haar identiteit, of het gedetailleerde G’ddelijke vermogen welke het manifesteert. De meer familiaire terminologie  voor “essentie” in deze context is “licht”. Hier wordt het licht de “essentie” genoemd, aangezien natuurlijk het G’ddelijke vermogen de sefira tot een instrument maakt of anders gezegd, een “nuttig” werktuig in de handen van G’D; het vat of de gedetailleerde identiteit van het vermogen wat wordt gemanifesteerd, is in verhouding een bijkomstigheid.

De essentie nu [ingeval van de tien heilige sefirot], welke de levenskracht zijn die de sefirot dragen, is opgenomen en verborgen in hen. Dus is er geschreven in de Zohar, “Hij en dat welk Hij tot leven wekt [dat wil zeggen het “licht”] zijn één; Hij en hetgeen Hij veroorzaakt [dat wil zeggen de “vaten”] zijn één”. (Tikoenei Zohar, introductie, 3b) Dit is de reden dat hun aantal tien zijn; zij zijn de tien overhangende gordijnen van het Tabernakel.

Heiligheid wordt gekarakteriseerd door onderwerping aan G’D’s wil, en onderworpenheid aan G’D’s wil stelt een entiteit in staat om te coëxisteren met zijn tegenovergestelde (als het G’D’s wil is dat dit gebeurt). Ofschoon hier essentie en expressie van nature tegenovergesteld zijn, kan licht en vaten samen coëxisteren, zolang beide zich onderwerpen aan het G’ddelijke schema. Deze onderwerping aan de G’ddelijke wil wordt weergegeven door te bestaan uit tien sefirot, het cijfer voor evenwicht en beperking van krachten. De tien gordijnen die de innerlijke bedekking vormen van het tabernakel, dicht bij de heiligheid van de ark en de andere voorwerpen, benadrukken deze de onderwerping.

Maar in het geval van de tien kwade sefirot,  kan de heilige levenskracht niet in hen worden geabsorbeerd, want het heilige laat zich niet vermengen met het profane. Het hangt boven hen en stimuleert hen van verre.

Want de kwade sefirot benadrukken rebellie tegen de G’ddelijke wil, er kan geen verzoening zijn tussen essentie en expressie. Bovendien, de essentie kan niet het vat binnendringen, want de essentie gehoorzaamd G’D’s wil (want het is alleen door de goedheid van G’D’s wil dat het kwaad kan existeren of enig vermogen bezit) terwijl de vaten niet kunnen coëxisteren met de essentie, omdat zij zich niet onderwerpen aan de G’ddelijke wil ( zoals we hebben gezegd, de vaten zijn een uitdrukking van rebellie tegen G’D’s wil).

Om die reden dus kan de levenskracht (de “essentie” of “licht”) niet worden gerekend als een aspect van de tien sefirot, maar als een entiteit op zichzelf. En daarom bestaat het kwade uit elf: tien kwade sefirot en de levenskracht.

SHABBAT SHALOM