PARASHAT KIE TEETSEE

Als je voortgaat (Deuteronomium 21:10 – 25:19)

De mens is het doel van de Schepping, hij is geschapen in beeld en gelijkenis van G’D, en juist zoals Adam oorspronkelijk twee gezichten had om de gelijkheid van man en vrouw aan te geven, zo was ook de respectievelijk aanwending van lichaam en ziel van de mens perfect, zodat beide waren geheiligd aan hun G’D.
De vrouw werd vervolgens gesepareerd van Adam met de intentie om zijn levensgezellin en partner te worden, om hen de gelegenheid te geven een ware eenheid te vormen, zodat zij “één lichaam” worden. (Genesis. 2,24)
Adam (Mens) verkrijgt door deze separatie zijn perfecte vorm en wordt compleet.

G’D verloste ons van slavernij, om ons in staat te stellen Zijn dienaren te worden, zoals Hij zegt in Leviticus 25,55: “Want de Kinderen van Israël zijn dienaren van Mij.” Dus, door Zijn dienaren te worden, voegen wij meer vermogen toe aan de spirituele essentie van onze zielen. In de uiteindelijke toekomst zullen wij het spirituele niveau, dat Adam bezat toen hij nog de geweven kleding van licht droeg, terugwinnen.
Als we dit punt in onze historie zullen bereiken, zal ons leven oneindig worden en lichaam en ziel zullen een blijvende existentie hebben in deze wereld.
Wij zullen direct van voeding worden voorzien door de shechina, is de unanieme mening van de Kabbalisten en vastgelegd door Nachmanides. Een compleet andere mening daarentegen heeft Maimonides, die de periode in kwestie niet ziet als een leven in deze wereld.
De zuivering en verfijning van ons lichaam en iemands verhouding met de materiele zaken in deze wereld kan alleen worden bereikt door het uitvoeren van de mitzwot. Gezien het feit dat praktisch alle zeventig geboden die worden genoemd in deze parasha betrekking hebben op ons lichaam ofwel onze verhouding tot materiele zaken, mogen we aannemen dat de gehele parasha primair gewijd is, om ons te leren heiligheid tot stand te brengen met ons lichaam en onze omgang met materiele zaken.
We moeten zeer goed bedenken dat het voornaamste punt in het bereiken van heiligheid van het lichaam draait, om het reproductieve orgaan en wie en voor welk doel, wij onze levenspartner kiezen. We moeten ernaar streven dat de zaaddruppel welke de eicel van onze vrouw zal bevruchten heilig is en niet ontaard is door verontreiniging van de serpent (spirituele verontreiniging).
Heilige intenties gedurende copulatie brengt een vereniging teweeg tussen de Sefirot van tiferet en malchoet, welke het tweevoudige gezicht van Adam representeerde vóórdat Eva van hem was gesepareerd.
Deze twee Sefirot symboliseren de esoterische dimensie van ziewoek, copulatie, de fysieke vereniging van man en vrouw.
De heilige gedachten die iemand moet hebben gedurende de geslachtsgemeenschap zijn alleen spiritueel verdienstelijk als iemand de geschikte vrouw heeft gekozen.
De reden dat Eva was gescheiden van Adam op het moment dat er geen andere mensen waren, was om aan te tonen dat de vereniging van Adam en Eva een echtelijke staat was, een vereniging tussen twee partners die geschikt waren voor elkaar.
Als iemand een vrouw kiest, moet hij voor ogen houden tzelem elokiem, het beeld van G’ddelijk aspect van iemands persoonlijkheid.
Als iemand is gemotiveerd door andere overwegingen in het kiezen van een vrouw, of als iemand geslachtsgemeenschap aangaat, zelfs met zijn eigen vrouw, met redenen anders dan het procreëren van G’D vrezende kinderen, is iemands existentie onvolledig. G’D heeft het “tegenovergestelde” gecreëerd, m.a.w om ons te voorzien in het maken van de juiste keuze, voorzag Hij ons van de verkeerde keuze.

SHABBAT SHALOM

NIEUWE WEBSITE T.B.V. KABBALACURSUSSEN

Een nieuwe website http://kabbalawijsheid.org, weleens waar nog onder constructie, is van start gegaan.

Deze site is in het bijzonder gericht op het geven van informatie en de  mogelijkheid om deel te nemen aan de mondelinge cursussen van Rabbijn Juda Groenteman, onder het motto: directe zuivere overdracht van Kabbala kennis van leraar naar leerling. Kabbalawijsheid.org is nauw verbonden en werkt samen met Beth HaMidrash.org.     

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters (Deuteronomium. 16:18 – 21:9)


Rabbi Isaiah Horowitz

Zes Pilaren Van Zilver

Shnei Loechot HaBriet

De opdrachten, vermeld in deze parasha, zijn gebaseerd op de “zes pilaren van zilver”, m.a.w de zes pilaren waarop het universum is gebouwd.
Deze zes pilaren zijn: Thora, [G’ddelijke] Dienst, Handelingen van Barmhartigheid, Oordeel, Waarheid, en Vrede.

De pilaar van Oordeel staat vermeld in het eerste gedeelte van deze parasha, waar de benoeming van rechters en een hoger gerechtshof wordt uitgevaardigd. De regels ten aanzien van een individuele Thorageleerde welke weigert zich neer te leggen bij de meerderheid van stemmen van zijn collega’s en de wet ten aanzien van benoemen van een koning wiens het taak is, het leiden van het volk op de weg van Thora, al dit behoort tot de pilaar van oordeel. Aan een koning is het toegestaan om op sommige manieren van Thoranormen, betreffende de verplaatsing van grenzen, af te wijken, terwijl dit aan andere mensen niet is toegestaan. De regels, niet te oordelen op basis van een enkele getuige, hoe gehandeld moet worden ten aanzien van valse getuigenissen, etc. maken allen deel uit van de pilaar van oordeel.

De pilaar van waarheid wordt weergegeven door de wetgeving hoe te handelen ten aanzien van magiërs welke het volk proberen te misleiden, een valse profeet, etc. allen die hun oorsprong vinden in de linker zijde van de sefirot, het domein waar vanuit leugens voortkomen. De uitvaardiging om voorzichtig te zijn tegenover een valse profeet, niet bang te zijn om de eisen die hij je oplegt te overtreden. En ook de belofte dat G’D de ware profeten toewijst, maken allen deel uit van de pilaar van Waarheid.
De pilaar van Vrede wordt weergegeven als deel van de wetgeving die oorlogsvoering behandelt (op voorwaarde dat de oorlog niet tegen de zeven naties is welke Kana’aan bewoonden in de tijd dat het Joodse Volk er binnen trok), om te tonen hoe de Thora met vrede omgaat en benadrukt.  Desondanks geeft de Thora de opdracht voor de absolute vernietiging van alle inwoners van het Land Kana’aan met als reden dat ware vrede alleen kan existeren als het kwade wordt verwijderd of een boeteling wordt. Zelfs wordt ons het behoud van ecologische “vrede opgelegd”, wanneer de betreffende vegetatie voor direct universeel nut is voor de mens, m.a.w vruchtdragende bomen. Zulke vegetatie mag niet vernietigd worden, zelfs als zij de oorlog kan verkorten. De zalving van de priester die zich richt tot de soldaten op hun weg naar het slagveld is bestemd om de soldaten te verzekeren dat G’D van hun houdt en hun welzijn in gedachten heeft. Wanneer wij van G’D houden, zal er vrede zijn tussen Hem en ons, en oorlog onder Zijn vijanden. Om die reden legt de Thora ons op om geen angst te hebben voor onze vijanden.

De pilaar van Thora behandelt de wetgeving betreffende de ontkenning dat de stam van Levie een aandeel heeft in het land dat wordt verdeeld onder de andere stammen. Hun [stam Levie] taak is om Thora te leren en te onderwijzen, zoals we weten van het vers “Zij leren Uw rechtsnormen aan Ja’akov  en Uw Thoravoorschriften aan Jisraël.” (Deuteronomium. 33:10)
Als de Thora hen landbouwgrond en fruitteelt had toebedeeld, zouden zij daar zeer door in beslag zijn genomen met het bewerken van het land en niet in staat  hun spirituele taken te vervullen. Vandaar dat de Thora de Israëlieten instrueerde om een bepaalde giften te geven aan de Levieten, zodat zij bevrijd waren van de last van levensonderhoud om zodoende de zware last op hun schouders te nemen van Thorastudie. Toen eenmaal de priesters in aantal waren toegenomen, werd hun tempeldienst beperkt naar een paar dagen per jaar voor elke dienstgroep. Op feestdagen echter, wanneer zij sowieso in Jeruzalem waren, konden zij een aandeel van het vlees van de vele offers op het altaar verkrijgen. Zij creëerden eveneens een geregeld inkomen van de porties vlees welke terzijde werden geplaatst van dieren die werden geslacht voor private consumptie en ook van de eerstgeborene mannelijke dieren en de “teroema” (ongeveer 2% van de opbrengst van graan, olie druivenoogst van de landbouwer).
De Leviet droeg ten behoeve van de priesters 10% bij van de tienden die hij ontving.

De pilaar die “Dienst”wordt genoemd in onze parasha, wordt vertegenwoordigd door het verbod om een boom te planten in de omsloten ruimten en terreinen van de Tempel en het verbod om stenen monumenten op te richten. Eveneens valt hieronder de wet welke het offeren van dieren met gebreken verbiedt.

De pilaar van Handelingen van Barmhartigheid betreft het laten zien aan mensen, de ware goedheid na hun dood. In onze parasha wordt deze pilaar vertegenwoordigd door de wet betreffende vluchtsteden, welke voorzien in gedeeltelijk restitutie voor personen die onopzettelijk moorden hebben gepleegd. Zo ook het vereiste om te doden het “gebroken nek kalf” [als een niet geïdentificeerd lichaam is gevonden, neemt de dichts bijzijnde stad verantwoordelijkheid, want zij hebben mogelijk de mitzwa van gastvrijheid verwaarloosd, wat indirect dood veroorzaakt] ook het onachtzaam zijn van dit gebod valt hieronder.

SHABBAT SHALOM

SHABBAT ROSH CHODESH ELLOEL

De maand Elloel is de maand van barmhartigheid, waarin de dertien eigenschappen van G’ddelijke barmhartigheid uitstralen. Dit is de maand van medelijden, waarin de poorten van G’ddelijkheid geopend zijn voor al diegene die verlangen om dichterbij heiligheid te komen en G’D te dienen door inkeer, gebed en Thorastudie.

Dit is de laatste maand van het jaar dat eindigt, die het heden passeert naar het verleden.

Het is de maand van spiritueel zelfonderzoek en inventarisatie, waarop iemand zich bezint hoe hij het afgelopen jaar heeft doorleefd en volledig teshoewa doet over wat onwenselijk was en zich voorneemt om uiterst nauwgezet en waakzaam te zijn met het in acht nemen van de mitswot, eerlijke en zorgvuldige studie van Thora en tefilla en zich eigen maakt aan positieve karaktereigenschappen.

Dit is de maand van voorbereiding op het nieuwe jaar.

Elloel is de zesde maand gerekend van af de maand Niesan, welke wordt aangegeven in de Thora als de eerste maand van het joods nationaal jaar. In het algemene kalenderjaar van de joodse traditie echter, is Tishri de eerste van alle maanden, vandaar dat Elloel de laatste maand is.

De naam Elloel werd aangenomen, zoals alle anderen, bij de repatrianten van de eerste Babylonische verbanning, zoals onze wijzen hebben verklaard: “de namen van de maanden kwamen van Babylon”. Omdat Elloel de laatste maand van het jaar is en direct voorafgaat aan Rosh HaShana (de dag van het gerecht voor alle wereldbewoners), is het daarom de maand van teshoewa en het reciteren van Selichot, de traditionele gebeden voor vergeving.

Vanaf de Sinaï waren er dagen van verzoening tussen G’D en Israël. Toen de Israëlieten de zonde van het gouden kalf pleegde, besteeg Mosje de berg en smeekte voor Goddelijke barmhartigheid en vergiffenis, G’D was verzoenend naar hem en zei:” Hou uit twee Tafelen van steen, zoals de eersten “.

Mosje besteeg de berg op Rosh Chodesh Elloel en verbleef daar veertig dagen tot de tiende Tishri. Op de tiende Tishri bracht hij het tweede paar stenen tafelen naar beneden, welke G D had gegeven aan Israël als een teken van hernieuwde Goddelijke begunstiging en genegenheid.

Deze veertig dagen werden van toen af vast gelegd voor alle generaties, als dagen van teshoewa en vergiffenis. Hoewel teshoewa altijd wordt geaccepteerd, zijn deze specifieke dagen uitermate geschikt voor teshoewa en vergiffenis, want zij kenmerken een blijvende terugkeer van Goddelijke meegaandheid.

De periode kenmerkt zich door het reciteren van talrijke Selichot ( gebeden om vergeving ). In sommige plaatsen is het gebruikelijk om Selichot te reciteren gedurende de laatste uren van de nacht van de gehele maand Elloel, met uitzondering van Rosh Chodesh en Shabbat en sommigen beginnen vanaf de vijftiende Elloel. De Ashkanasize rite echter is om Selichot te beginnen te reciteren met de eerste dag van de week in welke Rosh HaShana valt , mits dat er vier dagen resten voor Rosh HaShana . Daarom, als Rosh HaShana valt op de tweede dag of derde dag van de week, begint de recitatie van Selichot op de eerste dag van de voorgaande week.

Beginnend met de tweede dag Rosh Chodesh Elloel tot erev Rosh HaShana worden dagelijks vier sjofartonen ( ramshoorn ) geblazen na shacharit (ochtendgebed): Tekie a, Sjewariem, Teroe a, Tekie a. Deze tonen van de sjofar zijn niet voorgeschreven door de Thora , maar vinden hun oorsprong in de joodse minhagiem (gewoonterecht).

Toen Mosje op Rosh Chodesh Elloel de berg Sinaï besteeg om voor de tweede keer de stenen tafelen te ontvangen, was het kamp vol van sjofarklanken , om duidelijk te maken aan allen Israëlieten, dat Mosje zich omhoog had begeven; zodat zij zich niet opnieuw zouden bezondigen aan afgoderij. Daarom had Israël het gebruik aangenomen om de sjofar te blazen op Rosh Chodesh Elloel en om de herhaalde oproep aan Mosje om de berg te bestijgen; Israël’s teshoewa na de zonde van het gouden kalf ; de vergiffenis die hun was verleend, en het geven van de tweede stel stenen tafelen.

De intentie om deze gebeurtenissen te herinneren is, om ons te sturen naar bekentenis van teshoewa. De sjofar word alleen geblazen na het ochtendgebed, omdat Mosje’s bestijging van de berg plaats vond vroeg in de ochtend.

De aard van de sjofarklank is, het opwekken van schroom in het hart, zoals is geschreven: “Als de sjofar wordt geblazen in de stad, zullen de mensen dan niet huiveren??” (Amos 3).

Het geluid van de sjofar proclameert : ” worden jullie wakker die slapen en worden jullie die ingedommeld zijn gewekt, gaat nauwkeurig jullie daden na en keer terug naar de goede weg ” ( RamBam, Maimonides).

Op erev Rosh HaShana wordt geen sjofar geblazen , met de bedoeling een scheiding aan te brengen tussen het sjofar blazen in Elloel, welke zijn oorsprong heeft in het gewoonterecht en het sjofar blazen op Rosh HaShana welke is opgelegd en voorgeschreven door de Thora.

SELICHOT

De essentie van de Selichot gebeden is , het reciteren van de ” dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid ” welke zijn weergegeven in het vers:
EEUWIGE, EEUWIGE, een almachtige G’D, barmhartig, en genadig, lankmoedig, vol van liefde, en waarheid, die liefde blijft betonen aan duizenden geslachten, die misdaad, schuld, en zonden vergeeft, maar niet geheel en al ongestraft laat en die de misdaad der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht. ( Shemot 34 6-7 )

Evenzo wordt Widdoej ( zondebelijdenis ) gezegd tijdens selichot, omdat het eveneens een essentieel onderdeel is van de gebeden van vergiffenis.

En de Rabbijnen citeren Rabbi Jochanan die zegt: ” als het vers niet geschreven zou zijn, was het onmogelijk om het te zeggen. We leren van G D s woorden aan Mosje dat G D zich zelf als het ware omhulde met een taliet zoals een shliach tsiboer ( voorganger ) en hem leert de orde van het gebed van de dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid en G D zij tot hem: “Telkens als Israël zondigt, laten zij houden aan deze orde van gebed en IK zal hun vergeven”.

De dertien eigenschappen van Goddelijke barmhartigheid zijn als volgt:

1) Eeuwige: IK ben het die medelijdend is voordat de mens zondigt, hoewel IK weet dat hij uiteindelijk zal zondigen.

2) Eeuwige: En IK ben het die medelijdend is nadat de mens zondigt en spijt betuigt.

3) G’D: ook dit is een eigenschap van barmhartig zoals is gezegd : ” Mijn G D waarom heeft u mij verloochend? ” iemand kan niet zeggen tot de eigenschap van strenge gerechtigheid: “Waarom heeft u mij verloochend?”.

4) Die barmhartig is: HIJ is met barmhartigheid met de armen ; m.a.w. als je de armen en zwakken minacht, minacht je mij ook.

5) En Genadig: HIJ is genadig naar de rijken.

6) Lankmoedig: HIJ is geduldig en niet snel met het vorderen van vergelding, in de hoop dat de schuldige teshoewa doet.

7) Vol van liefde: Hij handelt met liefdevolle goedheid naar diegene die gebrek hebben aan verdienste.

8) En waarheid: Hij eert en beloont die zijn wil vervullen.

9) Die liefde blijft betonen tot in het duizendste geslacht: HIJ beschermd de liefdevolle goedheid welke een persoon doet voor HEM tot in het duizendste geslacht, zelf tot het tweeduizendste.

10) Die misdaad: verdraagzaamheid ten aanzien van overtredingen welke mensen begaan opzettelijk.

11) Schuld: HIJ draagt de ongerechtigheid die een persoon begaat in een opwelling van opstandigheid.

12) En zonden vergeeft: HIJ draagt zonden die niet moedwillig zijn begaan.

13) Maar niet geheel en al ongestraft laat: HIJ zal degenen zuiveren die teshoewa doen, maar niet degenen die verzuimen om teshoewa te doen.

De dertien Goddelijke eigenschappen worden alleen gezegd in een Minjan, een gemeenschap van tenminste tien mannen.

DEFINITIE VAN HET CONCEPT TESHOEWA

Teshoewa wordt doorgaans vertaald met berouw. Dat is geen teshoewa, omdat berouw in het Hebreeuws charata is. Niet alleen zijn deze twee termen niet synoniem, ze zijn elkaars tegengestelde. Charata houdt in: wroeging of een schuldgevoel over het verleden en de intentie om zich in de toekomst anders te gaan gedragen. De persoon wenst of beslist een herboren of een nieuw mens te zijn.

Teshoewa betekent terugkeren naar het oude, naar de natuurlijke origine van iemand. Grondprincipe van het concept teshoewa is: het feit dat elk mens in essentie goed is. Begeertes, verlangens en verleidingen kunnen hem tijdelijk afbuigen van zijn eigen wezen. Maar zijn essentie blijft waarheidsgetrouw. Het slechte wat hij doet is niet een deel van hem of doet niet af aan zijn zuivere natuur. Teshoewa is terugkeren naar jezelf, terwijl berouw inhoudt het verleden verdringen en opnieuw starten.

Teshoewa betekent teruggaan naar je G’ddelijke oorsprong, je innerlijke oorsprong die G’ddelijk is en te beseffen je ware ik. Bijvoorbeeld een tsaddik, een totaal rechtvaardig mens, die geen strijd meer in zichzelf hoeft te voeren, die een en al goed is, die alleen maar in dienst staat van G’D en medemens, zo’n mens heeft geen reden tot berouw. En een zondaar die niet in staat is om berouw te hebben, maar beiden kunnen teshoewa doen. De zondaar om terug te keren en de tsaddik om meer goed te doen. De rechtvaardige, ofschoon hij geen zonden doet, streeft constant naar zijn innerlijk, naar G’D. En de zondaar, hoe ver dan ook verwijderd van G’D, kan altijd terug keren, omdat teshoewa is niet iets nieuws creëren, alleen opnieuw ontdekken het goede dat altijd al aanwezig was in jezelf.

PARASHAT Re’ée

Zie (Deuteronomium. 11:26 – 16:17)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar 106b

De volgende verhandeling van de Zohar werd gekozen door de heilige Ari als lezing voor “Chok L’Jisrael“, tweede dag parashat Re’ée. Het behandelt berouw, wat zeer passend is, aangezien parashat Re’ée gelezen wordt, vlak voor de periode dat Israël begint met het zeggen van Selichot, smeekgebeden om vergeving, die leiden naar Rosh Hashana.

We hebben geleerd dat er niets in deze wereld in de weg staat (het accepteren van G’D) van Teshoewa (terugkeer, berouw). Bovendien, iedereen die terugkeert [naar G’D, zelfs de slechten] is zeker van het ontvangen van dankbaarheid door de Heilige, Geprezen Zij Hij. En als hij terugkeert, wordt hij teruggebracht tot de Weg van het Leven.

“Leven” refereert hier aan het leven in de Ware Wereld, verder dan de strijd van goed en kwaad, welke deel uitmaakt van een lager bewustzijn, dat faalt in het zien van het Heilige, welke de waarheidsgetrouwe wereld is. De berouwhebbende (“Ba’al Teshoewa”, genaamd) wordt “gesommeerd” omdat G’ddelijke Voorzienigheid hem leidt en assisteert in zijn terugkeer naar de ware weg.

Dan, alhoewel hij dingen heeft bevlekt en schade toegebracht, wordt alles hersteld en alles terug gebracht tot zijn origine en pure vorm.

De veroorzaakte ontsiering bevlekt iemands spirituele gesteldheid. Deze bevlekking, welke het licht van de ziel verhindert te penetreren in persoonsbewustzijn, wordt verwijderd door oprecht berouw, en zal het licht onbelemmerd laten terugkeren.

Want zelfs met betrekking tot een besluit aangaande [welke G’D heeft gemaakt] een eed, welke men betreurt],  inviteert G’D hem om terug te komen. Zoals staat geschreven, “Zo waar Ik leef – spreekt de HEER -, ook al droeg Ik jou, koning Jechonja van Juda, zoon van Jojakim, als een zegelring aan Mijn rechterhand, ik zou je ervan afrukken. ” (Jeremia. 22:24) En er is geschreven [later in vers 30], “Dit zegt de HEER: “Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren.” Echter, nadat hij terugkeerde in berouw, staat geschreven, “De zoon van Jechonja was Assir; diens zonen waren Sealtiël.” (Kronieken I 3:17)

Op een andere plaats leren we dat Jechonja en Coniah een en de zelfde persoon is. Inderdaad had hij kinderen ondanks het G’ddelijk decreet.

Van hier uit zien wij door berouw oordelen en decreten worden te niet gedaan en ijzeren ketenen breken, en niemand kan een Ba’al Teshoewa er van weerhouden om terug te keren. Dit is waarna verwezen wordt in het vers, “Zij zullen uitgaan en de lijken zien van de mannen die van Mij afvallig geworden zijn.” (Jesaja. 66:24) Het vers stelt niet dat de gene zonden hebben begaan in het verleden: maar het stelt uitdrukkelijk dat zij zondigen in de tegenwoordige tijd. Zij zondigen nog steeds omdat zij weigeren berouw te tonen.  Maar wanneer zij zichzelf zouden verlossen door berouw, zal zeker de Heilige, geprezen zij Hij, hen ontvangen.

Daarom, als een persoon, zelfs als hij tegen Hem in overtreding is en een ongepaste bevlekking veroorzaakt  [in de hogere Sefirot], terugkeert naar G’D, zal hij worden geaccepteerd met vergevingsgezindheid. G’D is absoluut vol van medelijden en is geheel barmhartig in al de werken van Zijn hand. Zoals in het vers wordt gesteld, “Goed is de Eeuwige voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich uit over al Zijn werken.” (Psalm 145:9)
Zelfs dieren en vogels ontvangen zijn vergevingsgezindheid, en als zij Zijn vergevingsgezindheid ontvangen, hoe veel te meer zullen mensen Hem erkennen en beseffen hoe ze hun Meester moeten prijzen.  Zijn barmhartigheid zal hen zeker bereiken en over hun zetelen. Dit bedoelde Koning David toen hij zei, “Groot is Uw medelijden, O G’D; geef me leven in overeenstemming met Uw gerechtigheid. ” (Psalm 119:156)

SHABBAT SHALOM

PARASHAT ÉKEV

Als gevolg (Deuteronomium 7:12 – 11:25)

De Zohar, op onze parasha, Sullam editie blz. 18, beschrijft de relatie tussen de tien voorschriften die bepalen op welke manier we onze maaltijden moeten consumeren als een zinspeling op de tien emanaties. De tien voorschriften [ gebaseerd op de avondmaaltijd van Shabbat ] bestaan uit: 1) het wassen van onze handen; 2) het bereiden van twee hele broden; 3) het eten van drie maaltijden; 4) het aansteken van een kaars op de tafel, symboliserend de kandelaar in de Tempel welke naast de tafel met de toonbroden stond; 5) de zegeningen van wajechaloe over wijn (Kidoesh); 6) het spreken over Thora tijdens de maaltijd; 7) het garanderen dat behoeftige mensen zijn geïnviteerd tijdens de maaltijd; 8) het wassen van iemands handen voorafgaand aan de dankzegging na de maaltijd; 9) de dankzegging na de maaltijd; 10) het drinken van de wijn waarover de dankzegging na de maaltijd is uitgesproken.
Het is belangrijk om te weten dat ons “eten” een vervanging is voor de offers, en onze “tafel” een vervanging voor het altaar. De bovenliggende gedachte is om te onthouden, dat de offerdienst een expressie was van ons ontzag en eerbied voor G’D.
De Zohar verklaart het wezen van jirat Hashem, ontzag, (godvrezend,) in zijn commentaar op Parashat Bereshiet (Sullam editie blz 185, volume 1).
Hij zegt dat het hoofdelement van jirá is, dat de mens de Schepper van het universum, die zijn Meester is, moet vrezen, waarbij vergeleken iedereen en alles geheel onbeduidend is. De mens moet zijn verlangen concentreren in een plaats genoemd jirat. Deze weinige woorden bevatten een diepe betekenis en vragen om analyse en opheldering. Het verwerven van waar ontzag en eerbied voor G’D is in direct ratio tot iemands absorberen van Thora, en iemands bewustwording van G’D’s grootheid, is het resultaat van het absorberen van de Thora op alle niveaus. Er is geen einddoel in het streven van ontzag en eerbied voor G’D. Wanneer een persoon gelooft, met betrekking tot anderen, dat hij veel inzicht heeft verworven, zowel in de kennis van het fysieke als ook in dat van het Celestische deel van het universum, komt hij tot het besef dat deze inzichten niets zijn in vergelijking met de grandeur van G’D Zelf. De uiteindelijke bron van alle wijsheid is G’D Zelf. Om die reden leert Koning Salomon ons in Spreuken. 22,4: “ekev jirat HaShem anawa” “Het gevolg van bescheidenheid is, vrees voor de Eeuwige.” Wat Koning Salomon bedoelt is, hoe meer vrees en ontzag men verwerft, des te nederiger en bescheiden men wordt. Anders uitgedrukt: Hoe meer inzicht men verwerft over de grootheid van G’D, hoe meer men zich bewust wordt van zijn eigen onbeduidendheid. Hoe geleerder de geleerde wordt, des te nederiger hij wordt.
De meest ultieme wijsheid die wij kunnen vergaren, is het besef dat we heel weinig weten.
We zullen dit later verklaren in relatie met de eigenschappen van G’D, zoals die zijn beschreven in Deut. Vers10,17 als, Ha’l hagadol hagibor wehanora, de grote machtige, ontzagwekkende G’D, eigenschappen die men zich alleen bewust kan worden door aan deze eigenschappen uiting te geven en door ze in acht te nemen.
In het zicht, wat we tot nu toe hebben behandeld, is het zeer begrijpelijk dat Mozes wordt beschreven als, de nederigste en meest bescheiden mens die ooit heeft geleefd, want hij had meer inzichten verworven van de werken van G’D en het universum, op alle niveaus, dan ooit iemand voor en na hem.
Een echt nederig en bescheiden persoon is een indicatie dat deze persoon een hoge mate van inzicht heeft van de grootheid van de Schepper.
Ieder die arrogantie ten toon spreidt, zich superieur opstelt, laat zien hoe oppervlakkig en leeg hij in wezen is.
Na deze uiteenzetting over de rechtschapenheid van nederigheid en bescheidenheid, kunnen we begrijpen waarom G’D, Zijn Aanwezigheid laat rusten op nederige en bescheiden, pretentieloze mensen. Het rust op hen omdat zij de grootst mogelijke kennis en inzicht hebben vergaard, een diepe bewustwording van Hem. Zelfs mensen die niet intellectueel zijn uitgerust om door hun studie bescheiden te worden, m.a.w door het zien van de kloof, tussen wat zij weten en wat zij niet weten, kunnen G’D’s Aanwezigheid ervaren. Als zij arm zijn, leed en verdriet hebben, moeten zij G’D hun vertrouwen schenken. Zij zijn bereidwillig dit te doen dan een rijk persoon, die gelooft dat hij G’D’s hulp niet nodig heeft.
Wanneer Rabbi Jochanan zegt in Megilla 31:” In elke plaats waar je bewijs aantreft van G’D’s grootheid, vind je ook bewijs van Zijn nederigheid,” haalt hij een schriftelijk bewijs aan van de Thora (10,17) en ook uit verzen uit de boeken der Profeten en Hagiografie.
De essentie van ontzag en vrees voor G’D is dus, een bewustzijn van Zijn grootheid.
Aanwijzingen van het begrip jirá vinden wij zowel aan het begin van onze parasha, als aan het einde van onze parasha. Aan het begin is het, het specifieke woord ekev welke hint naar de vrees voor G’D. In het midden van de parasha, (8,12), waarschuwt de Thora ons dat materieel succes in het Heilige Land niet het gevolg mag hebben dat we de Eeuwige, onze G’D vergeten, want Hij is de bron van al onze voorspoed en geluk. Aan het einde van onze parasha, spreekt de Thora over het onderwerp waarmee wij deze paragraaf zijn begonnen (10,12).

WELNU JISRAËL, WAT VRAAGT DE EEUWIGE, JE G’D, ANDERS VAN JE DAN ONTZAG TE HEBBEN VOOR DE EEUWIGE, JE G’D……

SHABBAT SHALOM

TOE B’AV

DONDERDAGAVOND – VRIJDAG 2-3 AUGUSTUS, DE VIJFTIENDE DAG VAN DE MAAND AV, TOE B’AV 

 De vijftiende dag van Av (Toe B’Av) is een zeer gelukkige dag in de Joodse Traditie, hoewel een verborgen feestdag in de Thora kalender, bezit Toe B’Av de zelfde heiligheid als Jom Kippoer. Het markeert de dag waarop het decreet van uitsterven van generatie van de wildernis werd beëindigt en ook de jaardag van de reconciliatie van de Stammen van Israël met de Stam van Benjamin, na het incident van de Concubine van Giv’a, het verhinderde uitsterven van die stam, door de leden toe te staat om vrouwen te huwen van andere stammen.  (Richteren, 19-20, 21-19; Ta’anit 30b).

Onder Hoshea ben Ela, Koning van de Tien Stammen, werden de wegversperringen, opgezet door Yeravaam ben Nevat (Jeraboam) om pelgrimage naar de Tempel in Jeruzalem te verhinderen, verwijderd en onder de Romeinse bezetting kon de vermoorde Beitar worden begraven.

 Dus de vijftiende dag van Av is een dag van reconciliatie tussen mens en G’D en tussen mensen onderling.

 “Op deze dag gingen de dochters van Israël uit en dansten in de wijngaarden en iemand die geen vrouw had nam voor zich daar een vrouw…..” (Ta’anit 30b)

 HEDEN TEN DAGE IS HET BIJZONDER GUNSTIG GEBEDEN TE ZEGGEN VOOR HET VINDEN EN VERBINDEN MET IEMANDS ZIELVERWANTE.

 Komende Vrijdagavond- Zaterdag 3-4 Augustus, 16e Av is Shabbat Nachamoe, de Shabbat van Troost, Parashat We’etchánan, met de Haftara Jesaja, 40:1-26,

 “Troost, troost, Mijn volk……” is de eerste van de Zeven Haftarot van Vertroosting en Aanmoediging die gelezen worden tussen Tisha BeAv en Rosh HaShana. Op Zaterdag avond, na het einde van Shabbat Nachamoe, wordt de Komende Verlossing aangekondigd, het is de gewoonte voor diegene die in omgeving van Haifa, Israël wonen, om de Grot van Elija op de Berg Carmel te bezoeken.               

PARASHAT WA’ETCHANÁN

En ik smeekte (Deuteronomium 3:23 – 7:11)

De mitswot, die genoemd worden in deze parasha, duiden allen naar het hoofdthema van dit Thoragedeelte, de drie wonderbaarlijke giften die G’D aan het Joodse Volk heeft geschonken. Deze zijn: De Thora, het Heilige Land, en het Hiernamaals.

De mitswa om de Thora te bestuderen en te onderwijzen refereert naar de gift van Thora.

De mitswa om de zeven Kanaänitische Naties te elimineren, is direct verbonden met de heiliging van het Heilige Land welk een deel van G’D Zelf is.
G’D koos Israël als Zijn Natie omdat “chelek HaShem amo” Israël is een onderdeel van G’D’s “deel”.

We moeten ons een aantal kenmerken realiseren die typerend zijn voor deze zeven naties. Elke natie afzonderlijk had zijn eigen vertegenwoordiger in de Celestische Regionen. Deze vertegenwoordigers, gewoonlijk bekend als sar, zijn ook bekend als elokiem achériem “andere godheden.” Dank zij haar status als “een onderdeel van G’D’s ‘deel‘” is Israël direct aan Hem gehecht, wat de Kabbalisten noemen, atsiloet ha’binjan, de wereld van de “troon”. Het is van dit domein dat de 7 emanaties van binjan, constructief neerwaarts ontwikkelen, totdat zij in een fysieke wereld resulteren, malchoet.
Elk van de emanaties is opgebouwd uit subcategorieën van alle tien emanaties, representerend alle concepten welke de tien emanaties symboliseren. Zodat we een totaal van zeventig hebben voor de zeven emanaties bestaande uit binjan.
Ja’akov kwam naar Egypte met 70 personen welke de kern vormden van de Joodse Natie. Deze zeventig worden in de Thora aangehaald als één enkele newesh, één ziel, omdat zij de mystieke dimensie zijn van dit nummer zeventig.
De zeven kanaänitische naties onderling, symboliseren elk eveneens tien niet-joodse naties, een totaal van zeventig makend, m.a.w het algemeen bekende concept van de “zeventig naties van de wereld.” [ de verenigde andere naties van deze wereld ]
Echter, deze zeventig naties representeren niet de heiligheid welke zijn oorsprong heeft in de wereld van atsiloet, eerder representeren zij de klipot, het spirituele domein tussen heiligheid, onzuiverheid en kwaad.
Geen wonder dat onderling trouwen met naties wiens spirituele oorsprong elohiem achériem representeert, is verboden.
De Ari Zal verklaart de reden dat de Thora (Deut. 20,16 ) eist van het Joodse Volk om van deze zeven Kanaänitische naties geen enkele ziel in leven te laten: Lo techajèkal-neshama.
Echter als de Thora ons instrueert hoe te handelen tegenover de andere naties zoals Se’ier, m.a.w Edom, Ammon, en Moab, draagt het ( Deut. 2,9 ) aan het Joodse Volk onder Mozes alleen op, absoluut geen oorlog aan te gaan met deze naties.
De Kanaänitische naties vertegenwoordigen de zeven klipot, m.a.w de negatieve aspecten van de zeven emanaties welke bestaan uit, wat we noemen, binjan, de constructieve krachten die de mogelijkheid schept voor een perfect fysiek universum.
Zelfs, zoals wij reeds eerder hebben uitgelegd in verband met de naam “Sama-el”, heeft Satan ( iemand die iets verhinderd ) zijn oorsprong in iets heiligs, m.a.w E-L, G’D. Het spiritueel verval van deze nakomelingen van het oorspronkelijke Kanaän, de vervloekten, was van dien aard, dat er geen enkel spoor van heiligheid meer in hen resteerde. Dat betekent automatisch dat er geen neshama, spiritueel verheven ziel van hen zou overleven.
De drie andere naties wiens land G’D had beloofd als deel van Erets Israël, het Land Israël, bewaarden inhoudelijk een vonk van heiligheid. Tot zo ver de Ari Zal.
Het Land Israël kan gezien worden als het “vrouwelijke” deel van de vereniging tussen het volk Israël en haar Land. Het in bezit nemen van het Land Israël, is een eufemisme voor de vereniging tussen Israël en haar Land als man en vrouw.

SHABBAT SHALOM

SHABBAT VISIOEN

Gebaseerd op Tiferet Shlomo van Rabbi Shlomo van Radomsk

Rabbi Shlomo van Radomsk schrijft dat “Shabbat Chazon“, de Shabbat vóór Tisha B’Av, de meest belangrijke Shabbat van het jaar is. Hij baseert zijn gedachte op het vers:

“Dan zal het Land genieten [of tevreden zijn vanwege] zijn Shabbatot.” (Leviticus. 26:34) Het vers duidt op de grootsheid van Shabbat in het algemeen en Shabbat Chazon in het bijzonder. Op Shabbat is er een uitzonderlijke eenheid tussen G’D en de Joden. Dit wekelijkse eiland van eenheid is zeer kostbaar en een bron van grote vreugde voor G’D gedurende deze lange sombere periode van verbanning van het Joodse volk.

Toen de Tempel stond, was deze eenheid duidelijk kenbaar en existeerde zelfs gedurende de week. En hoewel de kracht van unificatie groter was op Shabbat, omdat het reeds op een zeer hoog niveau was gedurende de week, was het niet een waarneembaar grotere bron van vreugde.

Nu dat de Tempel niet langer staat en we in verbanning zijn en meer verwijderd zijn van G’D, is er een begrijpelijk gebrek aan eenheid. Wanneer Shabbat komt en de Joden in staat zijn om hun relatie met G’D te vernieuwen, heeft Hij zelfs meer vreugde dan Hij had tijdens de periode dat de Tempel stond. Van duisternis naar Licht, G’D verheugt Zich uitzonderlijk in deze eenheid met Zijn Volk. Dit idee kan bijvoorbeeld vergeleken worden met een lichtflits overdag. Zelfs de sterkste lichtstraal is niets vergeleken met het licht van de zon. Alleen wanneer het zonlicht afneemt en duisternis intreedt, is de lichtstraal zichtbaar.

Nu kunnen we het vers “Dan zal het Land genieten [of tevreden zijn vanwege] zijn Shabbatot.” begrijpen. Tijdens de periode van verbanning na de destructie van de Tempel, is het Shabbat wat G’D tevreden maakt. Zijn verlangen en bron van vreugde is eenheid met het Joodse Volk en dit wordt voornamelijk gerealiseerd op Shabbat.

Hiermee hebben we een indrukwekkend inzicht in de woorden van Lecha Dodi het gedicht dat gezongen wordt op Shabbatavond: “…Rav Lach Shevet B’emek HaBacha…” “Veel te lang hebben jullie je opgehouden in de Vallei van Wenen.” Het kan ook anders gelezen worden, “Groot is de Shabbat te midden van het wenen.” Groot is de Shabbat gedurende de tijd van bittere verbanning.

Waarom? Omdat het een moment van eenheid is tussen G’D en het Joodse Volk.

Bovendien kan “de Vallei van Wenen.” begrepen worden als een verwijzing naar de drie weken tussen de 17e Tammoes en de 9e Av. Groot zijn deze Shabbatot tijdens deze drie weken verheven boven alle andere van het jaar en de Shabbat dichtst bij de 9e Av het meest van al. Naar gelang de omvang van G’D’s pijn is de grootheid van Zijn vreugde.

Het bovengenoemde kan ons ook inzicht verschaffen in het begrijpen van een Midrash van Midrash Pliah (een verzameling van extreem moeilijk te begrijpen Midrashiem) die stelt, “Nog nooit is er een feestdag geweest in Israël zoals de dag dat de Tempel is verwoest.”

Daarbij wordt deze Shabbat “Shabbat Chazon” genoemd, naar het eerste woord van het Boek van Jesaja, die de Haftora voor deze Shabbat is. “Chazon” betekent “visioen” of “ziende”. Deze Shabbat, in achtgenomen met vreugde en concentratie, maximaliseert de mogelijkheid voor eenheid met G’D. Men kan baat vinden bij deze staat van eenheid en de gelegenheid geboden worden om niet alleen een unieke en doordringend visioen van zijn persoonlijke spirituele status te zien, maar evenzo van de totaliteit van het hele Joodse Volk.

Daaraan moet het volgende worden toegevoegd, de verwoesting van de Tempel was niet alleen een nationale en fysieke destructie maar ook een persoonlijke en emotionele verwoesting. De Talmoed (Yoma 9b) verklaart dat de Eerste Tempel was verwoest omdat de Joden zich hadden gedegenereerd tot wijdverspreide overtredingen van het verbod tegen afgoderij, seksuele perversie en buitensporig bloedvergieten. Tijdens de Tweede Tempelperiode waren zij, ondanks het feit dat de natie compleet Teshoewa had gedaan over die drie primaire overtredingen, toch voordurend in onenigheid met elkaar in een eindeloze cyclus van ongefundeerde en onzinnige haat.

De Talmoed concludeert daarom dat de overtreding van zinloze haat gelijk staat aan deze drie primaire overtredingen. Daarom moet onze rouw op Tisha B’Av, rouw inhouden over het grote spirituele en persoonlijke verlies van ons hogere zelf, een verlies dat wij nog steeds proberen te herstellen tot vandaag toe.

Mag deze Shabbat Chazon ons het visioen verlenen dat ons op de weg terug leidt naar G’D. Mogen we in staat zijn om Zijn Thora te leren tot en het doen van Zijn mitzwot met liefde voor Hem en voor onze mede Joden, een liefde die geen grenzen kent, noch enige andere rechtvaardiging behoeft dan dat we één Volk zijn. Moge we spoedig de 9e Av ervaren als een ware feestdag voor ons en voor de hele wereldse mensheid, een omhoog gaan van de Vallei van Wenen tot de Berg van G’D in vreugde en vrede.

SHABBAT SHALOM

DE MAAND MENACHEM AW EN SHABBAT CHAZON

De Shabbat van het visioen van Jeshajahoe (Jesaja 1, 1-27)

SEFER DEVARIM

het boek Deuteronomium

Het boek Devarim ,ook wel genoemd “Mishné Thora”,ofwel, herhaling of overzicht van de Thora , bevat desondanks toch meer dan zeventig nieuwe mitswot (opdrachten).

Moshé richtte zijn woorden ( devarim ) tot de generatie die Eretz Yisrael zou binnen gaan. Hij herhaalde daarom ook nadrukkelijk de geboden ten aanzien van “Awoda Zara” ( afgodendienst ), om de joden er voor te waarschuwen zich niet in te laten met de praktijken van de heidense volkeren in Eretz Kana’n, maar loyaal te blijven aan de Thora.

Sefer Devariem kondigt daarom ook de eventuele straffen aan bij verloochening van de Thora, waarvan verspreiding wereldwijd, van het joodse volk, er één is. Het sluit af met de bevestiging van de uiteindelijke verlossing (30:3), de voltooiing van de schepping, een historische cyclus die was begonnen met de schepping.

PARASHAT DEVARIEM

Woorden (Deuteronomium 1:1 – 3:22)

De Parasha van Devariem wordt altijd gelezen op de Shabbat vóór de 9de Aw, de datum waarop beide Tempels werden verwoest. Deze tragedies vinden hun reflectie in de keuze van de Haftara (profetenlezing na het lezen van de Thora op Shabbat, Feestdagen en Vastendagen) van afgelopen weken en de komende weken. Die van voor de 9de Aw benadrukken profetieën van berisping voor de zonden die de spirituele oorzaak waren van de verwoesting; de Haftarot na 9de Aw behielden in zich de boodschap van troost en bemoediging. De Haftara van deze week de fameuze “Visioen van Jesaja” (1, 1-27) geeft zijn naam aan de dag, Shabbat Chazon, de “Shabbat van het Visioen”. Traditioneel wordt dit gezien als een zeer krachtige aanklacht tegen een rebels volk. Maar vanuit de Chassidische traditie gezien schuilt zelfs in een vervloeking ook een G’ddelijke zegen. Rabbie Levi Jitschak van Berditchev, een van de eerste Chassidische leraren, zag het als een toekomst visioen van de Derde Tempel in de Messiaanse Tijd. Deze uiteenzetting onderzoekt de relatie tussen deze gedachten en de inhoud van de Parasha van Devariem.

DE SHABBAT VAN HET VISIOEN

Er is een uitspraak van Rabbi Levi Jitschak van Bertditchev dat deze Shabbat, Shabbat Chazon (als de fameuze Haftora van het vizioen ( chazon ) van Jasaja gelezen wordt) een dag is waarop een visioen aan ons wordt getoond van de toekomstige Derde Tempel, zelfs al zien we het alleen van een grote afstand. ( de woordenkeus visioen “chazon” geeft een visioen aan vanuit een afstand ) Dit stelt ons in staat de relatie te begrijpen tussen het “visioen” van de Haftara en de lezing van Devariem, welke altijd samen gelezen wordt op de Shabbat vóór de 9de Aw.

Want met Devariem begint de “Tweede Thora” Mozes herhaling van de Thora. Het boek Deveriem verschilt ten opzichte met de vier andere boeken van de Choemash, (de vijf boeken van de Thora) doordat het zich in zijn geheel richt op de generatie die op het punt staat het Heilige Land binnen te trekken. Zij benodigden raad en waarschuwing op een wijze die de vorige generatie niet benodigde.

Want het volk dat de wildernis doorkruist had bezat een directe kennis van het G’ddelijke, het had G’D gezien op de Sinaï.

Maar de volgende generatie was al betrokken met hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de fysieke wereld, zij waren het directe kwijt, zij hoorden G’D maar zagen Hem niet. Zij werden met de woorden toegesproken (Devariem 4,1) ” Nu dan Israël, luister…”

Het verschil tussen horen en zien is: iemand die met eigen ogen getuige is van een gebeurtenis is onwrikbaar in zijn verklaring hierover, hij heeft het met zijn eigen ogen gezien. Maar degene die hoorde over de gebeurtenis kan mogelijk enige twijfel hebben. Horen verleent geen zekerheid.

Daarom werd de generatie die het Land Israël zou binnentrekken, die G’D had gehoord maar niet had gezien, geïnstrueerd over zelfopoffering en dergelijke, een waarschuwing die compleet overbodig zou zijn voor de generatie van de wildernis.

Kortom, de latere generatie miste de spirituele directheid van hun ouders. Maar, desalniettemin, waren zij in een bepaalde staat die onbereikbaar voor hun vaders zou zijn, die was gezegd: “Jullie hebben tot nog toe niet de rust en het erfgoed bereikt die de Eeuwige, onze G’D je geeft.” (Devariem 12. 9)

Shilo en Jeruzalem was alleen haalbaar door de latere generatie.

Want alleen door betrokkenheid met materiele zaken, de omvorming van G’D’s wil tot praktische handelingen, zou de volbrenging zijn van de “de rust en het erfgoed”. (Babylonische Talmoed Megilla, 10a. Zevachiem, 119a. Jeruzalem Talmoed Magilla 1. Zohar, deel II, 241a, 242a.)

Devariem, vertelt ons over de paradox, dat ware betrokkenheid met het aardse, ware verheffing teweeg brengt; het hoogst bereikbare van de geest is haalbaar in aardse zaken, niet in hemelse sferen.

En dat is evenzo de boodschap van het “visioen” alhoewel deze Haftara gelezen wordt in de “Negen Dagen” van rouw om het verlies van de Tempels, is het niettemin dat door de resulterende verbanning ware verlossing zal komen, het visioen welke ons een vluchtige kijk geeft ( volgens de woorden van de Berditchever ) op de toekomstige hoop.

DROEFHEID EN VREUGDE

Het rouwgevoel, dat ons bewustzijn domineert tijdens de Negen Dagen wanneer wij ons de verwoesting van de Tempels herinneren, wordt gebroken door de Shabbat, de dag waarop vreugde prevaleert.

Inderdaad, op de Shabbat vóór de 9de Aw worden we gelast om meer vreugdevoller te zijn dan gewoonlijk om mogelijke melancholie van de omliggende periode niet te laten binnendringen in de Shabbat sfeer.

Maar het gelasten heeft een diepere betekenis. Shabbat is een weerspiegeling van de Komende Wereld; de toekomstige verlossing zal zo volkomen zijn dat zij alle sporen van de verbanning heeft uitgewist.

Daarom is op deze dag geen plaats voor evocatieve gevoelens van verbanning. We gaan verder dan alleen maar het elimineren van droefheid, we verhogen onze vreugde. Want de toekomstige verlossing zal spiritueel intenser zijn dan alle anderen tevoren.

SHABBAT SHALOM