PARASHOT MATOT – MASEE

Stammen / Reizen (Numeri 30:20-32:42 / 33:1-36:13)

De Mitswot in de Parshot Matot, Masee en Devariem, zijn verdeeld in drie groepen, sommige met de bedoeling om onze ziel te perfectioneren, sommige om ons lichaam te perfectioneren en anderen om onze eigenschappen er voor te bewaren dat zij “puur”blijven, m.a.w dat we ons niet schuldig maken aan roof en oneerlijkheid. Omtrent deze drie aspecten van perfectionering, zegt de Thora: “Je moet van de Eeuwige, je G’D, houden met heel je hart, m.a.w de zetel van je fysieke leven, heel je ziel, m.a.w de zetel van je spirituele leven, en met alles waartoe je bij machte bent, m.a.w met al je economische bezittingen.” (Deuteronomium. 6,5)

In Parashat Matot behandelt de Thora de mitswot die bedoeld zijn om onze ziel spiritueel te ontwikkelen en te perfectioneren. De regels handelen over het afleggen van een officiële eed of belofte, zij bevat tevens de waarschuwing om alle woordelijke uitspraken in ere te houden, “kekol hajotsé mipien ja’asè,” “precies dat wat over zijn lippen is gekomen heeft hij te volbrengen”. (Numeri. 30,3)
Dit is gericht op de ziel, omdat het spraakvermogen wordt verkregen van de eigenschap wijsheid welke op zichzelf een uitvloeisel is van de ziel.
Spraak is alleen maar een externe versie van iemands denken, iets wat de mens verheft boven alle andere levende creaturen. De mens wordt een “medaber” genoemd, een sprekende creatuur. Daarom mag hij niet zijn spraak “ontheiligen”. We zien dat ook bij Onkelos in het weergeven van Genisis 2,7: “waijehie ha’adam lenefésh chaija” zo “werd de mens een sprekende ziel”.
We zijn reeds ervan bewust dat de mens ontwikkeld is geworden vanuit het superieur beeld van een hogere wereld, dat elk van zijn ledematen een tak is van een “boom” in de Celestische Regionen en dat de mond waarmee hij is uitgerust, alleen dient om hem in staat te stellen, de grootheid van de Eeuwige te proclameren en Zijn glorie te verhalen.
Het is een gegeven om de Eeuwige te dienen. Dit bedoelde Koning David, wanneer hij zegt in Psalm 145,21: “Een lofzang op de Eeuwige brengt mijn mond tot uiting en al wat leeft prijst Zijn heilige naam, voor altijd.”

Het gedeelte van Masee bediscussieert de Thora, de onderwerpen die betrekking hebben op het perfectioneren van het lichaam. Het lichaam wordt gezien als een bekleding van de ziel, en is evenzo geschapen in het evenbeeld van G’D (Genesis.1,27). Daarom wordt, als iemand een ander creatuur, die geschapen is in G’D’s evenbeeld, vermoordt, zelf gedood als een passende manier van vergoeding. Door zijn daad heeft hij een ziel gesepareerd van zijn lichaam, [ bekleding ], vandaar dat zijn ziel wordt gesepareerd van zijn bekleding.
De moorddaad wordt gezien alsof de moordenaar ook een leven van een ziel in de Celestische Regioen heeft gescheiden van zijn “lichaam”.
Ofschoon, zo’n separatie vroeger of later, zonder meer zal plaatsvinden { door een natuurlijke dood van het slachtoffer } wordt de moordenaar gestraft voor het premature.
Wanneer de dood van het slachtoffer echter te wijten is aan een daad zonder intentie hem te doden, beschouwt de Thora hem niet schuldig aan het vergieten van bloed. De dood van het slachtoffer was een handeling van G’D, m.a.w de eigenschap van justitie koos iemand als zijn instrument, iemand die een ander, niet ontdekt, vergrijp heeft gepleegd. De doder heeft onbewust G’D’s bedoeling uitgevoerd, hij had geen enkele intentie of plan om het slachtoffer te doden met of zonder moordwapen. De doder zal moeten vluchten naar een asielstad, één van de steden van de Levieten. Deze steden werden beschouwd als steden van het recht. De Levieten zelf representeren de sifera van gevoera, in het patroon van chesset, gevoera teferet, een patroon dat correspondeert met de respectievelijke niveaus van koheen, levie, jisraël.
De doder, zonder voorbedachte rade, moet in de asielstad blijven tot de dood van de Hoge Priester (Numeri. 35,25). Dit is, omdat het lichaam van het slachtoffer was gedood, ook zijn ziel van hem was genomen en in exil moest blijven, tot aan het tijdstip van G’D’s goedvinden. Wanneer de Hoge Priester overlijdt, wanneer zijn ziel opstijgt naar de Celestische Regionen, is het de ziel van de doder eveneens toegestaan om op te gaan naar deze regionen. Een ziel welke in “exil” is, mag worden vrijgelaten van zo’n exil als gevolg van een overlijden van een groot persoon, m.a.w een prominente Tsadik, een Rechtvaardige.

SHABBAT SHALOM

DE DRIE WEKEN

Rabbi Tzvi Elimelech van Dinov

Benei Yissaschar, Tammoez/Aw, sectie 4:5

Van de 17e van de Hebreeuwse maand Tammoez tot en met de 9e van de maand Aw, neemt de Joodse Natie traditioneel een periode van rouw in acht over een reeks gebeurtenissen die hen is overkomen gedurende deze tijd van het jaar over de generaties. Van de lasterlijke spraak van de Verkenners (in Exodus. 13,14), tot de belegering en destructie van beide Heilige Tempels in Jeruzalem, tot het begin van de Kruistochten, tot de climax van de Spaanse Inquisitie, deze drie weken karakteriseren een tijd van verschuiling van G’D’s barmhartigheid.  In de volgende leerstelling reveleert Rabbi Tzvi Elimelech van Dinov, Benei Yissaschar, enige esoterische achtergronden.

De Talmoed verklaart dat op de 15e van de maand Aw, bekend als Toe B’Aw, de ongetrouwde vrouwen van Jeruzalem uit plachten te gaan in geleende witte kleren en kringdansen in de wijngaarden.  Iedere man die geen vrouw had zou komen en een vrouw kiezen, en als zij en haar familie akkoord gingen, zouden zij worden getrouwd. De vrouw zou zeggen, Jongeman, sla je ogen op, en zie wat je koos voor je zelf. Overweeg geen schoonheid, acht familie. Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat, maar een vrouw met ontzag voor G’D, zij zal worden geprezen….” (Spreuken. 31:30)

Zij zouden zeggen, “Jongeman, sla je ogen op…” (Taanit 30) het is de moeite waard zich te concentreren op de reden waarom wij moeten weten wat de vrouw zegt gedurende deze kringdans, en waarom zij zegt “Jongeman, sla je ogen op…”, etc.,  want was niet elke ongetrouwde man daar, en niet alleen maar jonge mannen? En waarom “sla je ogen op…”?

Veel kan duidelijk worden gemaakt door wat ik heb uiteengezet ( betreffende de Drie Weken, 3:8), dat de 22 dagen van de periode van de Drie Weken [kunnen worden verdeeld in] 13 dagen in de maand Tammoez en 9 dagen in de maand Aw. Dit is vanwege de behoefte om de Dertien Eigenschappen van Barmhartigheid terug te brengen in de maand Tammoez door het gebeuren toen [van het breken van de Stenen Tafelen] en op de 9e Aw was de lasterlijke spraak [met betrekking tot het Land Israël, zie Numeri. 13:1-31, 14:1-19], waar Mozes de 9 Eigenschappen opriep (zie Numeri. 14:18). Tot aan de 22e dag van de Drie Weken [met andere woorden, zijn voltooiing], beschermen deze [barmhartige] eigenschappen het Joodse Volk, het was alleen dat zij waren verscholen tijdens deze 22 dagen [van tegenspoed], wat bekend staat als de “verborgen barmhartigheid”.

En daar [in 3:8] spraken wij ten aanzien van de aanduiding in het vers “Van de Eeuwige kwam dit [in het Hebreeuws ‘zot’…” (Psalm 118:23), dat het woord “zot” een acroniem is voor “Tikoenei Zeir Anpin en Arich Anpin, en de continuatie van het vers… dit is een wonder in onze ogen”, betekenend dat zij [Zeir Anpin en Arich Anpin], verborgen verhuld zijn in deze twee maanden, waaraan wordt gerefereerd als “ogen”, Tammoez het rechter oog en Aw het linker oog.

Sefer Yetzira weidt uit en beschrijft de specifieke gedeelten van het gezicht in relatie met elk van de maanden. De maanden Tammoez en Aw zijn geassocieerd met de rechter en het linker oog.

En in de huidige tijd vanwege ons negatief gedrag, wordt ten aanzien van deze twee maanden gezegd, “Mijn oog[en], mijn oog[en], brengen [schenken] water voort” (Klaagliederen. 1:16) (dat de zoute tranen de spirituele krachten van oordeel representeren, Etz Chaim). En in de Toekomst, de Hafthorot van Troost zal worden gelezen: “Hef uw ogen over u op en zie….” (Jesaja. 60:4), waarin G’D Zijn barmhartigheid zal gebieden en uitschenken over het Joodse Volk, dat zij hun blik verheffen [letterlijk hun “ogen”] en “rondkijken”, want telkens wanneer hun ogen zijn gevuld met tranen, want met zo veel tranen in de ogen is het onmogelijk om rond te kijken [met andere woorden, met wijde blik].

Dit is niet het geval wanneer de ogen mooi en helder zijn, zij kunnen periferieën [met andere woorden, in het rond zien]. En dit is wat de profeet zei, in G’D’s naam “Hef uw ogen over u op en zie….”, de “ogen” refereren aan de twee maanden, Tammoez en Aw.  ( En dit is waar de Wijzen aan refereerden toen zij Taanit 24 onderwezen, dat een mogelijke bruid, iemand die wordt erkend als hebbende mooie ogen, behoeft geen verdere waardering voor schoonheid.)

Het is al eerder onderwezen dat de Dertien Rectificaties van de Baard van Arich Anpin de aspecten van Oudere zijn [ met andere woorden, volwassen bewustzijn], terwijl de Negen Rectificaties van de Baard van Zeir Anpin de aspecten zijn  van Jongeling [of jongeman, met andere woorden, onvolwassen bewustzijn]. En wanneer het gerectificeerd wordt [met andere woorden, volwassen,  “zich verheft”, in spiritueel formaat], wordt Zeir Anpin’s Baard, de Jongeling, volwassen en wordt Dertien Rectificaties, zoals die van Arich Anpin]. Dit is de mystieke betekenis achter het vers, ” Dan zullen de ongetrouwde vrouwen zich in hun kringdans verheugen, jeugd en oudere tezamen….”(Jeremia. 31:12)

En dit is waarom de ongetrouwde vrouwen die uit plachten te gaan om te kunnen kringdansen op de 15e Aw specifiek uitriepen, “Jongeman, sla je ogen op”, en hier stop ik, want ik ben bang om meer te spreken, en ik heb vele aanwijzingen gegeven in deze leringen voor degene die wij zijn om te begrijpen en mag de Goede Naam [G’D] ons vergeven en mag het zijn dat onze monden niet iets zeggen [reveleren] wat niet Zijn Wil is.

PARASHAT PINCHAS

Pinchas Numeri. 25:10 – 30:1

Rabbi Jitzchak Luria

De Sterkte van de Zusters

De Geschriften van de Ari

Shaar HaPesukim and Likutei Torah

In de Thoralezing van deze week, geeft G’D de geboden betreffende de verdeling van het Land van Israël onder de stammen en families van het Joodse Volk. Na het horen van deze geboden argumenteerden de vijf dochters van een man Tzelofchad, die geen zonen had, dat zij ook recht zouden hebben op een erfdeel van het Land, ondanks het feit dat het Land expliciet alleen werd toebedeeld aan zonen. (Numeri. 27:1-11)

Wees er van bewust dat Tzelofchad de oorsprong van de vijf gesteldheden van Gevoera verpersoonlijkt. Dit is aangegeven door het feit dat de letters van zijn naam het woord “de schaduw van angst [in Hebreeuws, ‘tzel pachad’]” spellen.

De emotie angst wordt geassocieerd met de eigenschap van Gevoera.

De vijf dochters verpersoonlijken de vijf gesteldheden van Gevoera.

Er zijn vijf gesteldheden van gevoera in bina en da’at, welke vervolgens resulteren in de belangrijkste sefirot van de emoties, van Chesed tot Hod.

In specifieke zin, personifiëren zij de vijf gesteldheden van Gevoera die in Yesod van Zeir Anpin blijven en dus niet Malchoet binnengaan. In plaats daarvan nemen andere gesteldheden van Gevoera hun plaats in en treden Malchoet binnen.

De eerste series gesteldheden van Gevoera die afstammen van Imma tot Zein Anpin blijven binnen Yesod totdat zij zijn “verzacht” door de gesteldheden van Chesed  in Zeir Anpin. Vervolgens treden zij Malchoet/Noekva binnen.

Om die reden was Mozes onzeker of zij nu wel of niet recht hadden op een aandeel van het Land, met andere woorden in Malchoet.

De aarde en specifiek het Land van Israël, verpersoonlijken Malchoet. Deze vijf dochters personifiëren de vijf gesteldheden van Gevoera, maar zij zijn kopieën van de vijf gesteldheden die Malchoet niet bereikten, dus Mozes was er niet zeker van of zij de kopieën verpersoonlijken die Malchoet bereikten of niet.

G’D zei tot hem, aangezien zij licht doen stralen in Malchoet, verdienen zij een aandeel in het Land.

Zelfs de kopieën van de vijf gesteldheden van Gevoera die zichzelf niet laten binnengaan in Malchoet stralen iets van hun licht in Malchoet en daarom, wat voor kopieën van de vijf gesteldheden van Gevoera de vijf dochters van Tzelofchad dan ook verpersoonlijken, verdienen zij een aandeel in het Land.

Van deze vijf gesteldheden van Gevoera, zijn drie van hen verzacht door de gesteldheden van Chesed [in Zeir Anpin] en twee niet.

De drie die zijn verzacht werden gepersonifieerd door de dochters Hoglah, Milcah en Tizah.

Dit is omdat Hoglah “zij heeft een feestdag” betekent [Hebreeuws, ‘hag lah’]. Zij viert feest omdat zij verzacht is door Chesed.

 Milcah’s naam geeft haar essentie aan.

Milcah” kan worden uitgesproken als “Malka” wat “koningin” betekent, wat duidelijk associeert met Malchoet in de betekenis van “soevereiniteit”

Tirzah betekend “wil” en “barmhartigheid”.

Tirzah betekent “zij zal willen” aangevend welwillendheid en wenselijkheid, welke alleen mogelijk zijn als gevoera is gezoet en verzacht door Chesed.

De twee die niet werden verzacht waren Mahla en Noa.

Mahla” kan worden geïnterpreteerd als “zij zal worden tenietgedaan”, vergelijkbaar met “En Hij verdelgde” [Hebreeuws, ‘vayimach‘ al het leven…..”(Genesis. 7:23)]

Noa is gelijk aan [de woorden “zwalkt en waggelt” in] het vers “De aarde zwalken en waggelen als een dronkaard; [ze zwaait heen en weer als een hut in de storm. Haar onrechtvaardigheid drukt zwaar op haar, ze valt en staat niet meer op]” (Jesaja. 24:20).

Deze twee namen zijn dus geassocieerd met de gesteldheden van Gevoera die niet zijn verzacht door Chesed.

SHABBAT SHALOM 

PARASHAT BALÁK

Balak (Numeri 22:2 – 25:9)

Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar, parashat Balak, p.185a

In de Zoharvertaling van deze week verklaart een jong kind aan twee studenten van Rebbe Shimon, Rabbi Jehoeda en Rabbi Jitzchak, het mysterie over het uitspreken van de Zegen Na De Maaltijd over een beker wijn. Deze mysteries staan in contrast tot de magie van Bilaam, wiens enige intentie, met betrekking tot zegeningen en vervloekingen, eigenbelang was.

Zij zeiden tot hem: : Kom en zegen” {de oproep om de dankzegening uit te spreken Na De Maaltijd over een beker wijn wanneer er meer dan drie joodse mannen of meer, tezamen hebben gegeten}.
Hij zei tot hen: “Wat jullie hebben gezegd is zeer goed, omdat de Heilige Naam (de Shechina) alleen gezegend is, in een Dankzegging Na De Maaltijd, die vooraf is gegaan door een invitatie bij degenen die aanwezig zijn.”

De Sefardische rite, die het dichtst bij de bewoording van de Zohar staat, luidt: “Hav lan venavreech LeMalka Ila-ah”- “Kom en zegen de Hemelse Koningin”. De Ashkenasische rite begint met de woorden; “Rabossai nevareech”- “Mijne heren, laat ons de dankzegging uitspreken”.

Hij begint zijn verhandeling met het vers: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer; steeds is een lofzang voor Hem in mijn mond”. (Psalm. 34:2)
Wat bracht Koning David er toe, om te zeggen: “Zegenen wil ik de Eeuwige altijd weer”? {als hij G’D wilde zegenen, waarom dan niet onmiddellijk?}
David zag, dat bij het zeggen van Dankzegging Na De Maaltijd, een uitnodiging vereist was [aan de Shechina en aan het gezelschap om te reageren op de zegen].

De Rabbijnen hebben alle zegeningen, die we uitspreken t.a.v. G’D, vastgelegd, met uitzondering van één. Dankzegging Na De Maaltijd is nadrukkelijk vermeld in het Thoravers: “En als je dan genoeg gegeten hebt, dank dan de Eeuwige, je G’D, voor het goede land dat Hij je gegeven heeft.” (Deuteronomium. 8:10)

Hij zei: “Ik wil zegenen” [in de aard van een uitnodiging] aangezien op het moment, als een persoon aan zijn maaltijd zit, de Shechina daar eveneens aanwezig is.

“Daar” wachtend om de vonk van heiligheid te ontvangen die het voedsel in zich draagt, die door de zegening werd vrijgegeven en welke de persoon het vermogen geeft om Thora te leren en het doen van mitzvot.

De “Andere Zijde” staat daar evenzo.

Het fysieke voedsel en het cultisch genoegen van de eters ervan, maakt deel uit van de fysieke wereld en verwijdert elke vorm van heiligheid, vandaar dat het de “de Andere Zijde” wordt genoemd. Invitatie aan de eters is daarom vereist om de Dankzegging Na De Maaltijd te zeggen, en te laten zien dat de eters de intentie hebben om de spirituele bron van het voedsel te zegenen en niet de Andere Zijde.

Wanneer een persoon zichzelf en anderen uitnodigt om de Heilige, geprezen zij Hij [Zeir Anpin] te zegenen, dan brengt deze invitatie de Shechina naar een hoger niveau om zegening te ontvangen [van de sefira van bina]. Wat de “Andere Zijde” gedwee en meegaand maakt.

De uitnodiging verhoogt het bewustzijn van de eters om de bron van alle zegeningen te zegenen en zodoende eenheid tussen de spirituele en fysieke werelden teweeg te brengen.
De bron van de zegen is in het bewustzijn van het G’ddelijke vertegenwoordigd door de sefira van bina of Zeir Anpin de Hogere Moeder geheten, zoals boven vermeld in de Sefardische invitatie.
Dit alles verschuift het fysieke cultische genot van het voedsel en de lust geassocieerd met de jetzer hara (slechte inclinatie) naar een tweede plaats.
Anders gezegd, zonder de voeding van de heilige vonken, is de “Andere Zijde” beroofd van al zijn krachten.

De beker is een reservoir om wijn te ontvangen. Dit representeert de Shechina die als het ware als een reservoir dient om de zegen te ontvangen, gesymboliseerd door de wijn.

De Zohar stelt wijn altijd gelijk aan de sefira van bina. Het maakt een persoon gelukkig, zoals bina, “verstandelijk begrijpen”, welke de bron van geluk is. Het stimuleert ook het verstand, zoals in het gezegde “Wanneer wijn binnendringt, komen de geheimen te voorschijn”. (Rashi, Baba Batra 90b)

Dus wijn symboliseert het G’ddelijke van bina in Zeir Anpin dat neerkomt om de Shechina te dragen.
Dit is de reden waarom de vrouw des huizes de eerste zou moeten zijn om de beker te ontvangen, nadat de zegen er over is uitgesproken. Zij symboliseert de Shechina, zodat zij als eerste de beker ontvangt voor de rest van het gezelschap.

Daarom zijn [de woorden van invitatie] vermeld op een verhullende wijze, omdat de hogere wereld is verhuld.

De Shechina is relatief meer geopenbaard in de fysieke wereld. Daarom is het vasthouden van de beker als aanwijzing genoeg. Dit is niet het geval met de hogere, meer verhulde niveaus van de spirituele wereld. Juist zoals ons eigen bewustzijn en denkproces niet zichtbaar is, zo ook is het bewustzijn van het G’ddelijk niet “zichtbaar”.
Om die reden zeggen we, “Gezegend is Hij van Wiens voedsel we hebben gegeten”. “Hij” is verhuld, maar niet Zijn voedsel!

Er is geen andere specifieke invitatie tot Hem, dan de zegening beker.

De Zohar stelt een algemene regel, die niet de geaccepteerde Halacha (geldend joods recht) is. Het vereiste, dat de invitatie wordt uitgesproken over een beker wijn, is vanwege het mysterie dat het symboliseert.
De geaccepteerde Halacha echter, veroorlooft ons om de “invitatie” te maken zonder een beker wijn.
Een interessante voetnoot daarbij is, dat wanneer er een beker wijn wordt gebruikt in de Sefardische rite, de “invitatie” begint met, “Malka Ila-ah” (symboliserend bina) wat beantwoord wordt met “Shamajiem”, betekenis, “Hemelen” een verwijzing naar Zein Anpin.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting (Numeri 19:1 – 22:1)

Rabbi Shimon bar Jochai
Zohar, parashat Choekat, p.180b

Dit is de wet van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: Draag de Kinderen Van Jisraël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is. (Numeri. 19:2)

Deze vaarskalf werd buiten het kamp verbrand door de Sagan (onder-Hoge Priester) en het as werd gebruikt om de ritueel onreine persoon in staat te stellen deel te laten nemen aan de activiteiten van de Tempel. Vreemd genoeg, werd degene die werd besprenkeld, rein, terwijl degene die het water met de as sprenkelde onrein werd. Dit wordt een “inzetting, een ordinantie” genoemd (in het Hebreeuws, “chok” de naam van deze parasha) omdat het alle logica te boven gaat.

DEZE KOE KWAM OM TE ZUIVEREN, EN HET LOUTERT DE ONREINE

Het woord “vaarskalf”, in het hebreeuws “parah”, wordt gevormd door drie letters, , reesh, hee. en reesh, gespeld “par” vaarskalf, heeft een numerieke waarde van 280 (80+200). Het getal 280 representeert de 280 “deniem”, strikt oordeel, de numerieke waarde van de som van de vijf Hebreeuwse letters, die van vorm veranderen aan het einde van een woord, de zogenaamde sluitletters: mem, noen tzadie, en chaf. Daar zij het eind van een woord aangeven wat equivalent is aan eindigheid, het tegenovergestelde van oneindigheid. Daarom representeren zij “de afstand” van het oneindige licht.

Deze eindigheid wordt benadrukt door de letter hee in het woord “parah” welke de sefira van malchoet symboliseert. Als zodanig vertegenwoordigt het woord “parah” de sefira van malchoet, welke verwijderd is van de invloedsfeer van het oneindige. Deze staat veroorlooft de externe krachten onreinheid om te gedijen.

Rabbi Jitzchak Luria
Sefer HaLikoetiem, de geschriften van de Ari

Het as van de rode koe (vaarskalf) werd gebruikt om een persoon te zuiveren van rituele onreinheid door contact met een dode. Confrontatie met de “dood” is een spirituele staat van vermindering van het G’ddelijk bewustzijn naar een lager bewustzijn (of een gebrek eraan). Daarom bevat het gebod van de rode koe, in zich, de mythische uitleg van kwaad en van zuivering van onreinheid, kwaad/dood, m.a.w verlies van G’ddelijk bewustzijn.

De Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon: “Dit is de wet van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de Kinderen Van Jisraël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is. Jullie moeten die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester El’azarneemt dan met zijn vinger iets van bloed ervan en spat van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten. Men verbrandt de koe voor zijn ogen; men moet de huid, het vlees en het bloed ervan tezamen met het mest ervan verbranden.” (Numeri. 19:1- 5)

Wetend dat de vijf vormen van de sluitletters de vijf toestanden van gevoera aangeven, hun gecombineerde numerieke waarde is 280, en wanneer we de vijf toevoegen wegens de vijf letters zelf, hebben we 285, de numerieke waarde van het “parah”.

Vijf letters van het Hebreeuwse alfabet krijgen een andere vorm als zij aan het eind van een woord staan. Daar deze eindvorm een pauzesignaal indiceert in het lezen van de woordenstroom, geven zij de vijf staten van strengheid (gevoera), of zelfbeheersing aan. De letters met hun numerieke waarden zijn:

mem (40), noen (50), tzadie (90), (80), chaf (20). 40 + 50 + 90 + 80 + 20 = 280.

“Vaarskalf” in het Hebreeuws, “parah”– pé-reesh-hé = 80 + 200 + 5 = 285

Alternatief, [de extra , wiens numerieke waarde de vijf is, is noodzakelijk om gelijk te zijn aan de numerieke waarde van “parah”, en geeft aan dat de vijf staten van gevoera] door naar bina, welke een verwijzing naar de eerste letter van de naam Havayah – of door malchoet, welke verwijst naar de tweede letter (van de naam Havayah). Om die reden wordt het vaarskalf “parah” genoemd, m.a.w de koe (“par”) van de .

De twee eerste letters van het woord voor “vaarskalf” (“parah”) zijn simpelweg het mannelijke of genetische woord voor “koe”, “par”.

Het vaarskalf moet rood zijn, omdat (de vijf staten van gevoera aangeeft) het voortkomt uit bina, welke rood is. Rood is de kleur van bloed, gewoonlijk geassocieerd met gevoera, of de bron van gevoera, bina.

Daarom is het woord voor “rood” zonder de verwachte vav geschreven, zodat de numerieke waarde 50 is, een verwijzing naar de “vijftig poorten van bina” (Rosh Hashana 21b), “waardoorheen strikt oordeel komt” (Zohar II:175b).

“Rood” in het Hebreeuws “adoemah” — alev-dalet-mem-hé =1+4+40+5= 50.

Inderdaad, wanneer de spirituele stroming, [aangegeven door de rode koe] binnen de sfeer van heiligheid blijft, is het “puur, en heerst er geen besmetting”. Maar wanneer het verder gaat, in het domein van het kwaad, komt de oorzaak van onzuiverheid, met in zich, de staat van strikt oordeel, vrij.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KÓRACH

Kórach

Numeri.16:1 – 18:31

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Onderbreking

 

De Geschriften Van De Ari

 

Likoetei Thora en Sefer Halikoetiem

In de Thoralezing van deze week wordt onderwezen dat iemand die opzettelijk afgoden dient zal worden “afgesneden” van het Joodse Volk. Letterlijk beschrijft het vers dit proces:

“En de ziel die [dit] doet met een verheven hand…lastert G’D, en die ziel zal worden afgesneden uit het midden van zijn volk. Want hij heeft het woord van G’D tot schande gemaakt en Zijn mitzwa tenietgedaan; die ziel zal worden afgesneden, ja afgesneden, [zolang als] zijn overtreding in hem is [met andere woorden, als hij geen teshoewa doet.] (Numeri. 15:30-31)

Het woord voor “zijn overtreding” in dit vers [Hebreeuws, “avona“] kan ook worden gelezen als “tijdsperiode” [“ona“], zoals in de zinsfrase, “hij zal haar huwelijkse rechten niet aantasten” (Exodus. 21:10).

Het woord “ona” betekend “tijdsperiode” of “seizoen” en word ook gebruikt in de zin van “huwelijks rechten” of “herhaling van “huwelijkrelaties”

Dit betekent dat als de ziel in kwestie heilig was gebleven en zich niet negatief had gedragen, zich zou hebben verbonden met zijn partner in het Paradijs en daardoor de ziel van bekeerling zou hebben voortgebracht, zoals wordt aangehaald in de Zohar (III:167b, 168a).

De huwelijkse vereniging van zielspartners is altijd vruchtbaar; als het geen fysieke nakomelingen voortbrengt, brengt het goede metafysische “energie”voort die zich over de hele wereld verspreid. Soms nemen deze nakomelingen de vorm aan van zielen die uiteindelijk overgaan tot het Jodendom. In het spirituele hiernamaals verenigen zielspartners zich ook in huwelijkse verbondenheid na middernacht; dit brengt zielen van bekeerlingen voort.

Zielen van bekeerlingen worden ook voortgebracht door Thorastudie.

Thorastudie is een belangrijke bezigheid van de ziel in het Paradijs. (Zie Shaar HaCilgoeliem, introductie 34)

Maar de ziel in kwestie, die zo een serieuze overtreding ten uitvoer brengt dat hij onderhevig wordt aan straf van excisie, wordt afgesneden van zijn partner. Dus wat de “huwelijkse handeling”  [“ona”] zou zijn geweest, wordt “overtreding” [“avon“] en hij wordt afgesneden van zijn partner.

Dus de zin van het boven aangehaalde vers wordt: “Die ziel zal worden afgesneden [van zijn partner]; zijn overtreding verhinderd het plaatsvinden van de verbinding [met zijn partner].”

Dit is één type excisie. Dit type van excisie wordt soms opgelegd aan iemand die geprobeerd heeft om kinderen voort te brengen, zoals vermeld in de Zohar (II:106a).

Wanneer de Thora de uitdrukking gebruikt “hij zal worden afgesneden”, wordt de bestraffing waaraan het refereert “excisie genoemd. Dit kan een aantal vormen aannemen.

Ofschoon niet trouwen en proberen kinderen te krijgen niet één van de overtredingen van de Thora is waarop bestraffing van afsnijding staat, stelt de Zohar dat iemand die niet probeert kinderen te krijgen in Deze Wereld soms wordt bestraft door geen toestemming te krijgen om in het leven van het hiernamaals een paar te vormen met zijn zielspartner.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij

Numeri.  13:1 – 15:41

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Het Verheven Land Onderzoeken

 

Zohar, p. 159b

De interpretatie van de Thora valt onder vier categorieën bekend als “peshat” (eenvoudige betekenis), “remez” ( aanwijzingen), “drash” (applicatie en conclusie van nieuwe wetten en feiten vanuit de Thora), en “sod” (diepere betekenis, o.a. kabbala). (Zie Pardes) De Zohar handelt op consequente wijze over de inhoudelijk diepere betekenissen in de verzen. Een klassiek voorbeeld is de wijze waarop Rebbe Shimon het vers handelend over de werkwijze van de verkenners, trachtend het Land te verkennen (in het Hebreeuws, “latour“); ja, “latour” betekent rondreizen in het Hebreeuws en dat woord mag de spirituele oorsprong zijn voor “toer”en “toerist” en “route” in het Nederlands. Hij gebruikt deze verzen als een meditatief begrip, om in de nabijheid van de spirituele wereld te komen.

Rebbe Shimon zegt: Vanuit dit Thoragedeelte (over de verkenners) leer ik diepzinnige wijsheid en hoor daardoor nog meer waardevolle diepzinnige wijsheid.

Zelfs binnen het niveau van de mysteries van de Thora zijn er verschillende niveaus.  Verborgen wijsheid relaterend aan de diepere betekenis van het vers en waardevolle diepzinnige wijsheid relateert aan de wijze waarop de partzoefiem van sefirot op elkaar inwerken.

In deze uitleg, verklaart Rebbe Shimon Numeri 13:17-25. Onze vertaling eindigt bij vers 22. In het kort zegt het vers, “En toen Mozes hen wegzond om het Land Kana’an te verkennen zei hij tegen hen: “Trekken jullie van hieruit de Negev binnen en beklimmen jullie het gebergte. Dan kunnen jullie zien hoe het Land is en de mensen die er in verblijven en of het volk dat er in woont sterk is of zwak, of het weinig of veel in aantal is…..hoe het met de steden gesteld is waarin zij wonen…..of er hout in is of niet…..En zij stegen op via de Negev en kwamen aan Chewron, waar de reuzen Ahiman, Sheshai en Talmai leefden. En Chewron was zeven jaar eerder gebouwd dan Tsoan in Egypte”

Kom en Zie. De Heilige, Geprezen zij Hij, wordt geloofd in de Thora en zegt [tot Israël], “Ga in Mijn wegen en stel jezelf in Mijn dienst en Ik je zal naar hogere werelden van goedheid leiden. De mensen die niet vertrouwen [in G’D] weten het niet [Thora] en kijken niet [het onderzoeken], tot hen zegt de Heilige, Geprezen zij Hij [zoals in de instructies aan de verkenner wordt aangegeven], ‘Ga en verken die goede wereld, dat hogere begeerlijker Land’. En zij zeiden tegen Hem, ‘ Hoe kunnen wij mogelijkerwijs daar opgaan en dat alles ontdekken [wat in de Thora is].?”

De doorsnee persoon, die voor de eerste keer in contact komt met de Thora kan overweldigd worden door de gecompliceerdheid van de Geschreven en Mondelinge Leer. Eerst moet het principe van straf en beloning begrepen worden, zegt G’D. De Ramak verklaart dat het Land van Israël zelf “Kana’an” genoemd wordt, van het Hebreeuwse woord voor “onderwerpen”, “nichna‘, omdat de eerste stap tot het binnen gaan van de wereld van Thora is om iemands dierlijke ziel te onderwerpen aan de verlangens van G’D. Dit is de diepere betekenis van het “Land binnen gaan”. Daarna volgen een reeks van instructies hoe men zich moet gedragen binnen de grenzen van het Land.

Wat staat er geschreven? “ Ga op door de Negev. (Numeri. 13:17) Zich inspannen om leren Thora. Dan zal je zien. Zij staat voor je en door haar zal je begrijpen [de spirituele waarheden]

De Negev is het Zuiden van Israël waar Abraham, die de sefira van Chesed representeert, leefde. Strevend naar onderwerping van zichzelf aan G’D’s Wil, moet iemand moeite doen de eigenschap van Chesed te verwerven, die hem in staat stelt waardig te zijn en om succesvol te zijn in het begrijpen van de Thora. Bovendien is Het Zuiden geassocieerd met wijsheid, zoals in het Talmoedische idioom, “Hij die naar wijsheid verlangt zal zuidwaarts (keren/gaan)…”. Het woord “Negev” betekent ook droogwrijven en is een instructie om zich te ontdoen van de beperkingen van de fysieke wereld om zodoende de ervaringen van de spirituele wereld door de Thora te verdienen.

“dan kunnen jullie zien hoe het Land is….” (Numeri. 13:18) Zie door haar [de ogen van de Thora] die [spirituele] wereld welke het Land is dat je zult erven en stijg op [na het verlaten van de fysieke wereld].

“..en de mensen die er in verblijven…” (ibid). Deze zijn de rechtvaardigen in de Tuin van Eden [die hun beloning ontvangen voor het verwezenlijken van de Thora]. Zij staan, rij na rij in hoog aanziem en voortdurend niveau [elk ontvangt de beloning voor de Thora die zij hebben geleerd en de goede daden die zij deden tijdens hun aanwezigheid in de wereld].

“of het volk dat er in woont sterk is of zwak.” (ibid). Door hen te zien [zal je begrijpen] of zij allen deze beloning verdienen omdat zij hevig geworsteld hebben met hun kwade inclinatie of niet, of het is omdat zij dag en nacht ernaar streefden om Thora te leren, of daarvoor niet de kracht hadden.

Sommigen streefden er hard naar om hun begeerten te overwinnen en anderen vonden het niet zo moeilijk, sommigen studeerden dag en nacht, anderen hadden niet de kracht. Allen ontvangen hun juiste beloning.

“…of het weinig of veel in aantal is…” (ibid) [Dit verwijst naar de] velen die streefden naar het doen van Mijn dienst en zich zelf hebben gesterkt in het leren van Thora en dit alles [beloning] verdienen of niet.

Alhoewel het moeilijk schijnt te zijn om dit Land binnen te gaan,  wanneer je Thora leert zal je zien dat er velen zijn die de Tuin van Eden verdienen.

“…of er hout in is of niet.” (ibid. 13:20) Dit betekent of de Boom van het Leven, die leven geeft aan alle werelden voor altijd er in is ofwel de “bundel van het leven” er is.

De Boom van het Leven refereert aan het licht van de Sefira van Tiferet

Er is een invloed van dit niveau, maar er is ook een hoger niveau genaamd “niets”     ( in het Hebreeuws, “ayin“).  Dit niveau van “ayin” refereert aan de hogere Sefirot van Chochma en Bina en, in het bijzonder, hun oorsprong in Keter. Dit denkbeeld dat leegte G’D bevat  is een diep mysterie dat kan worden ervaren door te mediteren op de letters die het woord “niets”, ayin spellen; deze letters kunnen herschikt   worden om “ani” te spellen, het Hebreeuwse woord voor “Ik”. Bovendien is “Ani” één van de G’D’s namen, zoals in het vers “Ik ben de eerste en Ik ben de laatste” (Jesaja. 44:6). “De bundel van het leven”is de Sefira van Yesod, omdat het de invloed van alle Sefirot er boven bevat. Rebbe Shimon maakt ons duidelijk om te mediteren op deze verschillende aspecten van het G’ddelijke.

“En zij stegen op via de Negev en kwamen aan Chewron.” (ibid. 13:21) Te stijgen via de Negev [droogte] leert dat er mensen zijn die naar haar [de Thora] opstijgen op een slome manier, als of iemand leert op een droge[bezadigde] manier en werkt voor niets. Zij denken dat er geen beloning is voor het studeren en nemen aan dat iemand zich rijkdom onthoudt in deze wereld vanwege haar. Zij denken dat dit alles droog is [zonder de rijke overvloed van de fysieke wereld]. Zoals is gezegd in het vers  [na de vloed] “De wateren waren opgedroogd van de aarde” (Genesis. 8:13). Dit wordt [in het Aramees] vertaald als “negivoe” [wat het zelfde is als ´Negev” in het Hebreeuws].

Hierna [is geschreven] “…..en kwamen aan Chewron” (Ibid. 13:22). [Dit refereert aan het punt waarop een persoon zich verbindt [In het Hebreeuws, “lehitchaberi”] met haar [de Thora], haar leest en opnieuw en opnieuw leest.

Het woord “Chevron” bevat het idee van “vriend” (Hebreeuws, “chaver“) en verbinding. De essentie van Thora studie is zich te verbinden met haar en het niet te beschouwen als droog materiaal dat mechanisch geleerd moet worden. De Wijzen van de Zohar refereren altijd aan elkaar als “chaver“.

“Waar de reuzen Ahiman, Sheshai en Talmai leefden.” (ibid) Daar [in de Thora] vind je vele verschillende meningen, zuiver en onzuiver, verboden en wat is geoorloofd, kosher en ongeschikt, straf en beloning en eveneens het taalgebruik van de Thora dat van de zijde van Gevoera komt [omdat het het taalgebruik limiteert en beperkt].

De Midrash stelt dat deze drie reuzen half mens en half engelen waren en deze tweevoudigheid wordt gereflecteerd in de manier waarop de Thora realiteit in verschillende categorieën scheidt, weergevend de dualiteit van het spirituele versus de fysieke wereld.

“En Chewron was zeven jaar eerder gebouwd…”(ibid) Dit zijn de “zeventig gezichten”, omdat er zeventig gezichten van de Thora zijn. Elk gezicht bestaat uit tien.

De houders, om de Thora te omvatten, zijn de zeven Sefirot van Chesed tot Malchoet. Elk van deze aspecten bestaat uit tien Sefirot, zodat er 10×7= 70 “gezichten” of aspecten zijn, door welk de Thora kan worden begrepen of worden “gevormd”. Elk persoon begrijpt en doorgrondt vanuit de positie of Sefira die dominant voor hem is.

En Chevron is de Thora en iemand die haar tot zijn hoofd aangelegenheid maakt in het leven wordt een “vriend” [Hebreeuws, “chaver“] genoemd, aangezien “cHaVeR” de zelfde stam deelt als “CHeVRon”].

Er is een Thora die een houder is om de Thora te ontvangen. Dit is de Geschreven Thora en de Mondelinge Thora [Zeir Anpin en Malchoet]. En “Chevron” [verwijzend naar de Mondelinge Thora en Malchoet] vloeit voort uit de Geschreven Thora, zoals staat geschreven in het vers: “Zeg tot wijsheid, Je bent mijn zuster.” (Spreuken. 7:4) En deze [lagere wijsheid] werd gebouwd in zeven jaar, om die reden is het “Bat Sheva” genoemd, de “dochter van zeven”.

De hogere wijsheid van de Geschreven Thora wordt weergegeven in haar “dochter”, de Mondelinge Thora, Malchoet.

“….dan Tsoan in Egypte.” (ibid) Dit is zoals in het vers, “En Solomon’s wijsheid overtreft de wijsheid van alle mensen van alle volkeren van het Oosten en alle wijsheid van Egypte.” (Koningen I, 5:10)

De wijsheid van de Koning der Koningen tegenover “Zoan in Egypte” hoger dan de wijsheid van die meesters van magie en illusie. Het is de bron van alle ware wijsheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt (Numeri. 8:1 – 12:16)

Door de verkregen inzichten over de bijzonderheid van de cijfers drie en vier, zullen wij de betekenis van de Midrash hane-elam op parashat Chayé Sara, waarin wordt verklaard dat het gebod is gebaseerd op de esoterische dimensie van tefillien, gebedsriemen, beter leren begrijpen. Rabbi Eliezer bericht in die Midrash dat hem is verteld dat G’D in Zijn grote liefde voor Israël van het Joodse Volk verlangt, Hem een verblijfplaats te bouwen die gelijk is aan de “wagen”, merkawa, [ Ezechiël’s visioen van de G’ddelijke wagen, wat de uiteindelijk onderwerping aan G’D’s wil representeert] in de Celestische Regionen, welke Zijn aanwezigheid ondersteunt, zodat Hij onder hen kan verblijven. Dit is de betekenis van we’asoe lie mikdash we’shachantie betochaam, Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat ik te midden van hen wonen kan. ( Exodus. 25,8 )
De inhoudende boodschap die dit vers bevat, onthult de metafysische bijzonderheid van het gebod van tefillien.
De vier geschreven paragraven van de Thora die de tefillien in zich draagt, corresponderen met de vier letters van de onuitsprekelijke Naam van G’D, zoals is verklaard in Tikkoené HaZohar.
De “dragers” van G’D’s glorie ontlenen aan deze vier letters in Zijn naam, de uitvloeiingen drie en vier, zoals we verder zullen uitleggen. Dit wordt duidelijk aangegeven door het feit dat aan een kant van de tefillien, de letter shin met drie “pootjes” staat geschreven en aan de tegenovergestelde kant met vier “pootjes.” De herkomst van deze toepassing komt van het vers Exodus 28,39:
We’shiebatsta haketonet shésh we’asieta mitsnèfet shésh”, “Het onderkleed moet je met ingeweven vakjes laten weven van fijn-linnen, ook de tulband moet je van fijn-linnen maken.” De Talmoed, Zevachiem 19, zegt, dat er een bepaalde plaats was op Aaron’s voorhoofd waar hij zijn tefillien aanlegde, tussen de mitsnéfet, tulband en de tziets, gouden plaat. (Exodus 28,36)
Het woord shésh verwijst naar de twee shins die op de tefillien staan.
Het feit dat het zelfde woord ook gebruikt wordt in verband met de tuniek, ketonet, m.a.w een kledingstuk om het lichaam te bedekken, moet worden begrepen zoals de Zohar het uitdrukt “hier in deze wereld zijn de tefillien gemaakt van een lichaamshuid, m.a.w or. Echter, in hun ultieme, opperste plaats, mekomam eljon, zijn zij gemaakt van licht, or. (Or, huid en or, licht, wordt in het hebreeuws niet exact het zelfde geschreven, maar wel het zelfde uitgesproken)
De teifillien van licht zijn, volgens onze geleerden, de teifillien die G’D bij Zichzelf aanlegt, aangezien de uitvloeiingen van tiferet optreden als een kroon, een tooi in de Celestische Regionen. Als Adam niet had gezondigd, of, als Israël niet daarna had gezondigd met het gouden kalf, konden ook zij tefillien aanleggen gemaakt van or, licht.
Na de zonde echter, was Israël alleen bevoegd voor tefillien shel or, gebedsriemen gemaakt van een (dierlijke) huid.
Dit betekent dat het oorspronkelijke licht, geschapen door G’D aan het begin van de schepping, een proces van samentrekking onderging, waardoor het meeste van zijn kracht verloren ging.
De Zohar gaat verder op dit thema met de connectie wa’ja’as hashem elokiem le’adam oelieshto katnot or wa’jalbieshem, En de Eeuwige G’D maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van huiden en kleedde hen. (Genesis 3,21)
Met als gevolg dat ketonet or = ketonet shésh, en de tefillien de instrumenten zijn die de mens in staat stellen om zich te rehabiliteren nadat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de zonde in de Tuin van Eden.
Op een vergelijkbare manier rehabiliteert Israël zichzelf na de zonde met het gouden kalf door de mishkan, het Tabernakel.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NASÓ

 Neem op            Numeri.4:21 – 7:89

 

DE LUBAVITCHER REBBE

 

Likoetei Sichot,

 

Vervreemding en Verheffing

 

…….de zonen Gershon” (Numeri. 4:22)

 Er zijn twee fasen in het voorbereiden van een paleis van een koning. Eerst worden kamers schoon geschrobd en dan worden zij gedecoreerd met prachtig meubilair en met kunst objecten. De eerste fase gaat logischerwijze aan de tweede vooraf.

 De zelfde twee fasen zijn van toepassing op hoe wij van ons leven en ons zelf een verblijfplaats of heiligdom maken voor G’D. We onthouden ons van wat verkeerd is en zijn ondernemend in het doen van het goede. De namen en de respectievelijke opdrachten van de families Gershon en Kehot weerspiegelen deze twee fasen.

 De naam “Gershon”is afgeleid van het werkwoord “verbannen” [Hebreeuws, “le-garesh]. De noodzaak aangevend om kwaad te verbannen. Hun voornaamste lading was de buitenste bedekking van het Tabernakel, die het beschermde van ongewenste elementen. Dit correspondeert met ons werk in het vermijden van schadelijk activiteiten en invloeden.

 De naam “Kehot”, daarentegen, betekent “samenkomen”of “inzamelen” [Hebreeuws, “yika“]. Hun opdracht was het dragen van de voorwerpen van het Tabernakel, die elk corresponderen met een speciale positieve inspanning. Dus deze familie personifieert de taak van actief streven naar positieve energie.

 Net zoals Gershon was geboren vóór Kehot, is het noodzakelijk om zichzelf eerst te ontdoen van kwaad om in staat te zijn goed te doen. Desondanks werd Kehot geteld voor Gershon, want zichzelf ontdoen van kwaad is alleen een voorbereiding voor het ware werk, dat van het streven naar het goede.

 In de Thoralezing van deze week is er de passage aangaande een vrouw verdacht van overspel (Numeri. 5:11-29). De details van de rite van een vrouw verdacht van overspel hebben hun correlatie in het kosmische huwelijk van G’D en het Joodse Volk. Het equivalent van de tevoren gegeven mededeling van de echtgenoot is G’D’s opdracht “Laten er geen andere goden voor je zijn naast Mij. ” Dit is echter problematisch omdat G’D’s aanwezigheid overal is; hoe kan dan worden gezegd dat iemand zich heeft afgezonderd of verborgen voor G’D?

 De arrogante persoon, vol van zichzelf, heeft geen ruimte voor G’D in zijn leven, dus G’D is verplicht Zich terug te trekken. Dus arrogantie, oorsprong van alle zonden, brengt ons er toe te worden “verborgen” voor G’D.

 Desondanks is deze verborgenheid niet “echt”, maar eerder kunstmatig opgelegd door G’D, omdat Hij hoogmoedigheid verafschuwt (zie Spreuken. 16:5). Daarom, net zoals een echtgenoot  de betrokkenheid van zijn  vrouw in een zwaar vergrijp kan annuleren wanneer haar “zonde” bij wijze van spreken, tot stand is gebracht door zijn toedoen (dit is de reden dat hij haar naar de priester moet leiden, want het gaat ook om zijn dierlijke ziel), zo kan G’D altijd onze betrokkenheid in zonde vergeven, zonder de behoefte te hebben, om de proef van de bittere wateren na te streven.

 Als echter, “de rol reeds is gewist”, met andere woorden, het wordt duidelijk dat wanneer we zondigen onze verbinding met G’D was als tussen inkt en het perkament waarop het is geschreven, de twee die van elkaar gescheiden kunnen worden, dan hebben we de status van een vrouw verdacht van overspel. We moeten daarom een offer brengen van gerst, dier voedsel. Dit betekent dat we ons hebben te realiseren dat onze benadering ten aanzien van het leven tot nu toe ontoereikend was met betrekking tot kwaliteit en kwantiteit: we hebben niet genoeg nagedacht over het leven en dat het denken tot nu toe, om het even wat, gebaseerd was op zelfbewustzijn en zelforiëntatie; we hebben ons uitsluitend gericht op onze dierlijke behoeften.

 De metafoor volgend van een vrouw, verdacht van overspel, als iemand die van G’D is afgedwaald, kunnen deze verzen als volgt verklaard worden:

 “De man moet [zijn vrouw] naar de priester brengen….” (Numeri. 5:15): Wanneer iemand zondigt, moet hij zijn dierlijke ziel naar de priester brengen. “De “priester” hoeft niet per se een kohen te zijn, maar iedereen wiens leven is geweid aan G’D en Zijn Thora. En juist zoals ons is geleerd dat we een man van G’D moeten vragen te bemiddelen voor een ziek persoon, zo wordt ons geleerd dat we een man van G’D moeten benaderen voor genezing van iemand die spiritueel ziek is. (Mishne Thora, Deiot 2:1)

 “De priester neemt……. wat heilig water ….” (Numeri. 5:17): Teneinde de spirituele zieke te helen, de priester neemt “heilig water”, want water is vaak een metafoor voor de Thora en “heilig” water suggereert de innerlijke dimensie van Thora. De aard van water is om af te dalen, terwijl “heilig” iets onafhankelijks en afstandelijks beschrijft; iets dat niet afdaalt. Deze tegenovergestelde karakteristieken co-existeren in de innerlijke dimensie van Thora. Aan de andere kant, zijn de mysteries van de Thora te subliem om te worden gevat door het menselijk brein; daarentegen kan de innerlijke dimensie van de Thora mensen een helpende hand reiken, inspireren en mensen meer bewegen dan het exoterische aspect van Thora. Daarom wordt iemand zelfs aangemoedigd Thora te leren om egoïstische redenen, daar we er zeker van zijn dat de innerlijke dimensie van de Thora hem uiteindelijk zal inspireren om vanuit gepaste motieven te leren

 “De priester neemt in een aarden voorwerp wat “heilig water”; iets van de aarde die op de bodem van het Tabernakel ligt neemt de priester op en doet dat in het water ” (Numeri. 5:17); Een aarden voorwerp is het minst prestigieuze type voorwerp. Bovendien, wordt aarde toegevoegd aan het water, wat het water smerig en afstotend maakt. Dit betekent dat de “priester” zeker moet zijn dat de innerlijke dimensie van de Thora kenbaar wordt gemaakt op zo danige wijze dat het het laagste aspect van realiteit bereikt, om de gevallen ziel te verheffen en te purifiëren.

 SHABBAT SHALOM

SHAWOE’OT – WEKENFEEST

MOZES TAAK WAS, DE JOODSE ZIELEN TE VERBINDEN MET HUN ESSENTIE

 

 VERLANGEN EN ESSENTIE

 

Rabbi Shneur Zalman van Liadi

 

Likoetei Thora

 

Ik ben de Eeuwige, je G’D, die je uit het Land Egypte heeft uitgevoerd, uit het slavenhuis.” (Exodus. 20:2)

Er zijn twee niveaus van verlangen: één dat voorafgaat aan het intellect en er boven uitreikt en een ander dat ondergeschikt is aan het intellect en er een gevolg van is.

Lagere Verlangen

Wanneer iemand gebruik maakt van de drie vermogens van zijn brein om te mediteren over de indrukwekkendheid van de G’ddelijke realiteit, komt hij tot de erkenning van G’D in zijn hart en een verlangen om aan Hem te hechten. Het menselijke doel is om te contempleren over G’D’s grootheid.

Alhoewel er is gezegd dat “geen gedachte Hem kan bevatten”, is dat alleen waar met betrekking tot G’D’s essentie. Iemand kan echter wel G’D’s uitstralende Licht  vatten. Inderdaad is het menselijke doel om te contempleren over G’D’s grootheid, dat Hij een oneindig aantal hemelse en lagere werelden heeft gecreëerd, dat Hij die in stand houdt en elk moment opnieuw uit het niets creëert.

Deze meditatie varieert overeenkomstig de persoon. Maar ieder persoon kan zijn capaciteit gebruiken voor meditatie om zijn verstand te ontwikkelen, zijn hart en ziel te ontbranden, om zijn ziel aan G’D te binden en om zich aan Hem te hechten, alles volgens de diepzinnigheid van zijn intellect, zijn wijsheid en toewijding.

Deze meditatie leidt naar een verlangen om datgene te doen wat je dichter bij G’D brengt en te mijden dat wat het tegenovergestelde bereikt. Dit niveau van verlangen is ondergeschikt aan het intellect, betekenend dat het vanuit de meditatie van het brein voortkomt en zal variëren in intensiteit naar de mate van meditatie.

Hogere Verlangen

Er is echter een hoger niveau van verlangen, één dat geheel uitstijgt boven het type dat is geboren uit het intellect. Dit verlangen stamt uit een staat van niet zijn, met andere woorden, zijn waarneming, zijn perceptie (en dat van alle creaturen), maar vanuit het gezicht van de G’ddelijke Essentie en Zijn Oneindigheid en Verhevenheid. Hier kunnen we zeggen dat geen gedachte op geen enkele wijze Hem kan bevatten. Hij is boven de categorie van het absolute weten. De termen G’ddelijke immanentie en G’ddelijke transcendentie (in het Hebreeuws, “memalei” en “sovev”) zijn alleen van betekenis in de context van G’ddelijke radiatie. Maar Hij Zelf is boven deze categorieën. De ziel is dus in beweging gebracht om te ontsnappen aan zijn omhulsel met een verlangen en hunkering om zichzelf te vleien aan de boezem van haar Vader, de G’ddelijke Essentie voor Wie alles niets is.

De Ziels Essentie

De mens is gecreëerd naar het beeld van G’D. De essentie van de ziel, die stamt van G’D’s essentie, daalt niet volledig neer in het lichaam en dierlijke ziel. Alleen een klein gedeelte bereikt en dringt binnen het bewustzijn van het intellect en emoties. De zielskern is ver boven de categorie van het menselijke intellect. Het blijft verenigd met zijn Bron de Levende G’D in een eeuwig verbond. Het heeft maar één verlangen en dat is tot haar Vader in de Hemel alleen, voor altijd, onveranderlijk, in een staat van onbaatzuchtigheid en nullificatie tot Hem.

De ziel ervaart alleen veranderingen in de lagere aspecten van de ziel, die in het menselijk bewustzijn. Maar de zielsessentie hangt boven, “omgeeft”, en overstijgt de persoon (zoals de G’ddelijke essentie in relatie tot de wereld).

Op Shavoe’ot, door het geven van de Thora, werd dit niveau van de ziel gereveleerd op een zeer krachtige wijze, binnen het menselijke bewustzijn, met andere woorden, dat alle zielen die stonden aan de Sinai na elke uiting van één van de Uitspraken door G’D wegvlogen als het ware, betekenend dat zij werden uitgetild boven de schaal van het in intellect en werden omwikkeld en omgeven met het G’ddelijke.

Het bovenstaande begrip wordt weergegeven in de eerste uitspraak aan de Sinai, “Ik ben Havayah je G’D die je uit het land Egypte (in het Hebreeuws “Mitzrajiem) heeft uitgevoerd (Exodus. 20:2).

“Ik….”: de naamloze “Ik”: de G’ddelijke essentie die boven elke beschrijving is.

….ben Havayah je G’D”: de G’ddelijke vonk die in je zetelt, de essentie van de ziel, die boven het menselijke bewustzijn blijft.

“…..die je heeft uitgevoerd uit het land Egypte”: al de werelden en niveaus die beneden dit niveau van de zielsessentie zijn, worden dienovereenkomstig Egypte genoemd  (“Mitzrajiem” in het Hebreeuws betekenend “limitaties”). Alle andere staten van wisselwerking met het G’ddelijke zijn beperkt tot bepaalde domeinen en grenzen.

Wanneer dit niveau van de ziel wordt gereveleerd, vervullen we het Mishna dictum:

“Nullificeer je verlangen voor Zijn verlangen” (Avot 4:2). Je staat het hogere verlangen toe, de essentie van de ziel, je ware zijn te illumineren zodat jouw wil G’D’s Wil is…

Laat ons eerst een vergelijkbaar dictum verklaren: “Maak je verlangen zoals Zijn verlangen”. Dit dictum refereert aan een persoon wiens verlangen buiten de G’ddelijke sfeer is, maar die door meditatie op G’D’s grootheid, zijn wil wijzigt om te conformeren aan de G’ddelijke Wil. Dit is het lagere verlangen zoals boven besproken.

“Nullificeer je verlangen voor Zijn verlangen”, daarentegen betekent, dat je geen verlangen hebt buiten G’ddelijkheid. Je staat het hogere verlangen toe, de essentie van de ziel, je ware zijn te illumineren, zodat jouw wil G’D’s Wil is.

Elevatie

G’D beveelt Mozes om het lagere zielsverlangen te nemen, dat is voortgekomen uit het zielsintellect en dat gekleed in menselijk bewustzijn en het bindt en het verheft tot grotere hoogten, naar zijn bron en oorsprong: de zielsessentie die boven verblijft in alles overtreffende superieure staat.

Mozes taak was om het “hoofd van de mens, de bron van het lagere verlangen, te verenigen met de essentie van de ziel, een niveau waarop de essentie van G’D volledig wordt gereveleerd.

GOED JOM TOV