PARASHAT ACHARÉ MOT

Na de dood    Leviticus. 16:1 – 18:30


De Spraak Van De Onderlegde


Profetie Van Boven Is In Staat Om De Zwakken Te Sterken


Rabbi Shimon bar Jochai

Zohar p.61a

Onder de vele onderwerpen die besproken worden in de Zohar deze week, is het aspect van het Heilige. Dit concept is verweven door geheel de Thora en met name van belang met betrekking tot het Tabernakel. Aaron is verteld niet zomaar in het Heilige te komen wanneer hij dat verkiest, zijn kleding wordt Heilig genoemd en het Tabernakel zelf is vanzelfsprekend Heilig. Rebbe Shimon vraagt aan ieder van zijn groep van Wijzen om iets van Thora te onderwijzen terwijl zij eten. De eerste die sprak was Rabbi Chizkiya.

 

Rabbi Chizkiya opent zijn verhandeling met het vers: “G’D, de Eeuwige heeft mij de spraak van de onderlegden gegeven, zodat ik zou weten hen die vermoeid zijn te ondersteunen met een woord.(Jesaja. 50:4)

 

Gezegend is Israël dat de Heilige, Geprezen zij Hij, hen gekozen heeft vanuit de volkeren [om de Thora te ontvangen] en hen “Heilig” noemde, zoals is geschreven, “Heilig is Israël voor G’D(Jeremia. 2:3). Daarenboven gaf Hij hen een bekwaamheid om zich te verenigen met De Heilige Naam [refererend aan de,  Naam Havayah alsmede Zeir Anpin]. Wat was het dat hen de verdienste gaf om zich te verenigen met de Heilige naam [Havayah]? Het was omdat zij waardig waren bevonden om de Thora te ontvangen [op de Berg Sinaï en vandaar uit zich te verenigen met G’D].  Want al degenen die waardig genoeg zijn om de Thora te ontvangen zijn waardig genoeg om de Heilige, Geprezen zij Hij, te verkrijgen.

Verder op leert de Zohar (pagina 73a), dat Israël, de Thora en G’D allen verenigd zijn in één binding. Het concept is dat de Thora de Wil van G’D representeert en door het doen van Israël van deze Wil van G’D door het vervullen van de Schriftelijke en de Mondelinge Thora, worden zij één met Zijn Wil en daarom met Hem.

 

Ook hebben we eerder geleerd van onze meester [Rebbe Shimon] welke [partzoef] Heilig wordt genoemd. Het is de volledige integratie van alles dat Hogere Wijsheid wordt genoemd [Chochma Ilaah].

Dit is de partzoef van Abba die alle andere constellaties van de sefirot beneden injecteert. Wijsheid en de kennis van de perfecte eenheid van de Schepping inbegrepen, eenmaal bereikt, beïnvloedt een persoon in zijn hele doen en laten. Zo ook, worden de partzoefiem Boven allen beïnvloed en verenigd door hogere wijsheid.

 

Het is van deze plaats [Yesod van Abba] dat de Heilig gezalfde olie [het bewustzijn van Zeir Anpin van de zijde van Abba] door bekende paden neerwaarts wordt gehaald.

De Yesod van Abba word een pad genoemd, waar vanuit bewustzijn voortkomt die vloeit in Imma/Bina.

 

Het vloeit naar die plaats genaamd Hoger begrip Bina Ilaah [Yesod van Imma]. Van daaruit emitteren bronnen en rivieren in elke richting totdat zij dat wat wordt genoemd “zot” bereiken.

 

Bronnen zijn fonteinen van kennis van de zijde van Abba,Chochma, en rivieren zijn de stroom van gestructureerd bewustzijn die afkomstig is van Imma/Bina naar al de lagere Sefirot in hun verschillende orden en opstellingen. Deze stroom beïnvloedt en verenigt al de andere Sefirot, zoals Chesed en Gevoera en Tiferet, neerdalend drie “bekende paden”, die de verbindende lijnen vormen in het diagram van de Sefirot.

Zij stromen neerwaarts om hun destinatie te bereiken in de Sefira van Malchoet die bekend is als “zot” of “Dit”. Wijzen naar iets en het “dit ”noemen, geeft aan dat het een fysieke realiteit is, schijnbaar gescheiden van het G’ddelijke. De Hogere Wil daalt af om dit niveau van de Schepping te beïnvloeden dat de Shechina wordt genoemd, wanneer het niet in bewuste vereniging is met het G’ddelijke.

 

Dat niveau nu wordt “dit” genoemd, wanneer zij is gezegend door die hogere plaats, [Heilig, en ook Chochma] Roeach HaKodesh genoemd [G’ddelijke Inspiratie of letterlijk, “Geest van het Heilige”]. Dat betekent dat het geestelijke van dat Hogere heilige [niveau], wanneer het voort emitteert en [de Sefira van Malchoet] opwekkend voorziet met mysteries van de Thora, vervolgens de Heilige Spraak wordt genoemd [refererend aan de Hebreeuwse Taal, letterlijk Heilige Tong].

Rabbi Chizkiya heeft ons nu terug verbonden met zijn openingscitaat, waar de Profeet Jesaja refereert aan de spraak [tong] van de onderlegden. Hier legt hij uit hoe de Sefira van Malchoet de stroom van inspiratie ontvangt die Heilig wordt genoemd. Zij wordt de Heilige Tong genoemd omdat zij de spreekbuis en de tong is waardoor de mysteries van de Thora worden gereveleerd. Vervolgens legt hij uit hoe de orde van neerdaling van bewustzijn in de Sefira van Malchoet eerst in de Sefirot van Netzach en Hod van Zeir Anpin, de plaats van waar de profetie emitteert. Vandaar uit emitteert van Yesod om te worden verenigd met Malchoet.

 

Op het moment wanneer de Heilige zalvingolie [Chochma] is neergehaald [van de partzoef van Abba] naar deze twee pilaren [Netzach en Hod van Zeir Anpin] die “de leer van G’D” worden genoemd en “legers”de overvloed daar verzamelen. Vandaar emitteert het in het niveau dat Yesod wordt genoemd [en van daar wordt het samengevat en gedelegeerd] aan de kleinere wijsheid [Malchoet].

 

Yesod is ook bekend onder de naam “tzadiek”, betekend, “rechtvaardige”De connectie met deze hogere wijsheid kan alleen in de juiste vorm tot stand worden gebracht door een rechtvaardig iemand die handelt en leeft wat verbonden is met Thora leer, mitzwot en goede daden.

 

Want deze [wijsheid in Yesod] wordt “de tong van diepgaande kennis genoemd”.

Yesod is vergelijkbaar met een tong of intermediair voertuig, waarop de Heilige Wijsheid van profetie wordt vervoerd zoals wordt gezegd, de leer van G’D emitteert van Netzach en Hod.

 

Het emitteert van daar om de hogere die heilig zijn aan te sporen [de profeten]. Dan [verwerkelijkt het de woorden van het geciteerde vers] zoals is geschreven, “G’D, de Eeuwige heeft mij de spraak [tong] van de onderlegden gegeven”. En waarom? “Zodat ik zou weten hen die vermoeid zijn te ondersteunen met een woord.(Jesaja. 50:4)

De hogere wijsheid is dus neerwaarts gehaald op een gerectificeerde wijze om met ondersteunende woorden van G’ddelijke profetie voor diegene, de vermoeid geraakten in de duisternis van de verbanning. Het verbindt opnieuw de luisteraar met de G’ddelijke intentie achter “het nieuws”, een glimp gevend van de hogere realiteit begeleid door persoonlijke en nationale historie. Deze nieuwe verbinding met G’ddelijke intentie is het tegenovergestelde van ballingschap, het is het Licht van verlossing.

 

En de Heilige, Geprezen zij Hij, heeft deze [tong van de onderlegde] gegeven aan de Heilige Lamp, Rebbe Shimon [bar Jochai]. Zelfs meer, Hij heeft hem hoger en hoger gebracht [naar de Sefirot van Chochma en Bina in Zeir Anpin, waar hij mysteries leerde die zelfs niet aan de Profeten waren geopenbaard]. Dat is waarom al zijn woorden van wijsheid zijn gesproken op een gereveleerde wijze [in tegenstelling tot de allegorieën en visioenen van de Profeten]. Het is over hem dat is geschreven, “Ik spreek tot hem van mond tot mond, duidelijk en zonder raadsels.(Numeri. 12:8)

 

Hoe fortuinlijk en gelukkig zijn wij om de leerstellingen van Rebbe Shimon te mogen leren.

SHABBAT SHALOM

 

 

 

 

 

 

 

PARASHAT METSORÁ

‘Melaatse’        Leviticus. 14:1 – 15:33


Ongegeneerd kwaad


De geschriften van Rabbi Jitzchak Luria

Het Thoragedeelte van deze week begint met een bespreking van de purificatieritus die een persoon, getroffen door tzara’at, moet ondergaan, wanneer hij is genezen. Een van de karakteristieken van deze ritus is als volgt:

“Dan geeft de Priester opdracht om voor de te reinigen persoon twee levende, reine vogels te nemen, met cederhout, karmozijnrode wol en hysop. Vervolgens geeft de Priester opdracht de ene vogel te slachten boven een voorwerp van aardewerk, boven water uit een levende bron. De levende vogel neemt hij apart met het cederhout, de karmozijnrode wol en de hysop en die doopt hij, samen met de levende, in het bloed van de vogel die geslacht is boven het water uit de levende bron. Dan spat hij zeven keer op de van de tara’at ziekte, te reinigen persoon;daardoor reinigt hij hem; de levende vogel laat hij in het vrije veld wegvliegen. (Leviticus. 14:4-7)

 

De aandoening  tzara’at, is niet simpelweg een medische conditie, maar weerspiegelt een spirituele mentale aandoening, een gebrekkig gedrag in het leven. Dit gedrag is het gevolg van het binnendringen van bepaalde vormen van niet G’ddelijke ideeën of perspectieven in iemands wijze van denken, dat hem uiteindelijk depressief, negatief en asociaal maakt. Het purificatieproces moet dan weergeven hoe zo iemand zichzelf distantieert van deze negatieve wijze van denken.

 

Deze negativiteit of egocentrisme heet ongegeneerd “kwaad”in Kabbala. Het imaginaire beeld dat hiervoor wordt gebruikt is een “schil”, een grof, oneetbaar omhulsel, dat het fruit of vlees van de noot omringt. De beeltenis is kenmerkend op twee punten: allereerst, het feit dat de schil niet kan worden gegeten, het fruit afsluit en verwijderd moet worden, indiceert dat egocentrisme geen plaats heeft in een joods leven. In de tweede plaats, het feit dat de schil dient om het fruit te beschermen tijdens het rijpingsproces indiceert, dat in de context van zelfbehoud, het ego een doel nastreeft. In elk geval, centraal in het begrip van het purificatieproces van egocentrische negativiteit is de Kabbala “topologie” van kwaad. Het is dit onderwerp dat het grootste onderdeel zal vormen van de verhandeling van de geschriften van de Arizal.

Waarop ik (JG) in een later artikel op terug zal komen.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT TAZRIA

Zij geeft zaad


Leviticus 12:1 – 13:59


Een verhandeling vanuit de geschriften van de Ari

De wekelijkse parasha begint met drie ogenschijnlijk niet verwante topics. De rituele onreinheid van een vrouw, verkregen na de geboorte van een kind, het gebod om een mannelijk kind acht dagen na zijn geboorte te besnijden, en de rituele onreinheid tengevolge van de omstandigheid genaamd Tsara’at. (Een term die vaak verkeerd wordt vertaald als “lepra”, in feite verwijst het naar een unieke aandoening, die alleen existeerde in de tijd toen de Tempel bestond en alleen maar een enigszins uiterlijke overeenkomst vertoont met wat wij heden ten dage lepra noemen.)
Aangezien de orde van de onderwerpen in de Thora zeer kenmerkend zijn, smeekt de juxtapositie van deze drie topics om uitleg.

Bovengenoemde types van rituele onreinheid, zowel de menstruele onreinheid, welk ook een deel is van de volgende verhandeling, zijn puur spirituele omstandigheden en moeten niet worden verward met medische of hygiënische condities. Hoewel spirituele onreinheid wordt teweeg gebracht door fysieke condities en fysieke repercussies hebben, is het meer een psychologische malaise dan een fysieke. De rituele onreine persoon lijdt aan typische psychologische aandoeningen die geassocieerd zijn met dood, depressie, ego, of andere condities, en zijn antithetisch voor een vreugdevol optimistisch karakteristiek van een gezonde spiritualiteit.
Om een actief en gezond spiritueel leven te hervatten, moet hij “gereinigd” zijn van deze mentaliteiten. Dit is evident in de verhandeling van de Arizal.

De parasha opent met (letterlijke Hebreeuwse tekst): En G’D sprak tot Mozes, zeggend: “Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend: Als een vrouw moet bevallen en ze krijgt een jongen dan wordt ze zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn. En op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden.” (Leviticus. 12:1-3)
Het is de moeite waard om te onderzoeken, waarom de Thora het woord “zeggend” twee maal vermeldt in deze passage, daar eenmaal meer dan voldoende is.
En we moeten ons ook richten op het feit waarom het gebod van besnijding wordt genoemd in de context van menstruele onreinheid en dat de onreinheid plaats vindt door tsara’at. Wat hebben zij gemeen?

Bovendien, continueert de Thora: “Wanneer iemand op de huid van zijn vlees een zwelling krijgt of een uitslag of een glimmende plek, die zich daar tot een huidziekte, Tsara’at, ontwikkelt………” (ibid. 13,2)
De woorden in dit vers lijken in een verkeerde volgorde te staan, het zou moeten zijn: ”Wanneer iemand in de huid van zijn vlees de Tsara’at ziekte heeft, in de vorm van een zwelling, een uitslag, een glimmende plek…….”
Al het bovenstaande maakt de verklaring van onze geleerden begrijpelijker dat naar aanleiding van Eva’s ongehoorzaamheid aan het gebod van G’D, zij de bloeding van menstruatie en de maagdelijke bloeding bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer moest ondergaan. (Eroeviem 100b)
Zij concluderen deze dubbele bloeding van de dubbele uitdrukking in het hebreeuwse vers, “Ik zal [je lijden] dubbel verhogen.” (Genesis. 3-16)

Oorspronkelijk was de vrouw fysiologisch geschapen zonder een menstruele cyclus en het proces van zwanger worden en het baren veroorzaakten geen bloedingen. Evenmin had zij bloedingen bij het eerste huwelijkse geslachtsverkeer. Deze, en zowel als alle andere facetten van het leven kwamen tot realiteit als gevolg van de primordiale zonde. Met andere woorden, door de onjuiste wijze van denken en de verkeerde kijk op het leven, die Adam en Eva leidde naar het nemen van het verboden fruit, vonden er in de realiteit zekere fysieke veranderingen plaats, waaronder de menstruele cyclus en de maagdelijke bloeding.
Door ervaring met dit fenomeen en er op de juiste wijze mee om te gaan, zou de mensheid een ideale spirituele volwassenheid ondergaan, die tenslotte zou leiden naar de uiteindelijk Verlossing. In die tijd zijn deze condities van een gevallen realiteit niet langer van toepassing, en het leven, inclusief de vrouwelijke fysiologie, zal terugkeren naar zijn Paradijselijke staat.

Dit is de uitleg van het openingsvers:

“En G’D sprak tot Mozes, zeggend”- dit is, wat Ik te zeggen heb aangaande menstruele en maagdelijke bloeding. Als het Joodse Volk jou vraagt waarom zij onrein worden door menstruele bloeding, aangezien zij een heilig volk zijn, dan……….

“Spreek tot de Kinderen van Jisraël, zeggend.” – “Zeg hen dat het is omdat Eva overschreed wat Ik haar vertelde te doen, zij was het die de onreinheid van menstruatie tot lijden bracht. Om deze reden………”

“Als een vrouw bevalt en een zoon baart, is zij voor zeven dagen onrein, net zo lang als de afzonderingstijd bij haar ongesteldheid, zal ze onrein zijn.”

Tot zo ver heeft de Arizal zijn eerste vraag beantwoord, namelijk, waarom de herhaling van het woord “zeggend” in het openingsvers. Het eerste verwijst naar G’D’s aanspreken van Mozes aangaande de geboden van geborenen, en de tweede is het antwoord aan het Joodse Volk voor hun potentiële vraag naar de reden van deze geboden. Zij zijn een gevolg van anderen, anders “zeggend”
G’D’s gebod aan Adam en Eva.

Het gebod om te besnijden wordt genoemd in verband met de onreinheid van menstruatie, aangezien het de besneden persoon zal weerhouden om zich te verontreinigen aan spirituele onreinheid van menstruatie. Dit is de reden dat G’D ons oplegt om een mannelijke baby te besnijden wanneer hij acht dagen oud is, want daardoor verzwakken wij de onreine kracht en elimineren de kwade aandrift.
De voorhuid van het mannelijk voortplantingsorgaan effectueert zijn belevenis van echtelijke relatie op twee manieren: het verhoogt in grote lijnen zijn seksuele genot en verlaagt zijn gevoeligheid voor zijn vrouw door zich van haar, in bepaalde mate, te isoleren.
Door verwijdering van de voorhuid, wordt de ervaring van de echtelijke relatie voor de man een minder narcistische bevrediging en vormt een ware, meer spirituele hechte verbintenis met elkaar. Als eenmaal de spirituele dimensie is mogelijk gemaakt, verhoogt het de fysieke dimensie eveneens.
De wijzen van de Talmoed verklaren om die reden dat idealiter, het Joodse paar de ware vreugde ervaart in de echtelijke relatie.

Gedurende de vrouwelijke menstruatieperiode, is zij te zelfbewust om echtelijke relatie aan te gaan met de gepaste spirituele oriëntatie.
De Thora verbiedt dus echtelijke relatie gedurende die periode.
Wanneer een man is besneden, bewaart hij meer controle over zijn seksuele passie, en is dus minder zwichtbaar. Zijn besnijdenis helpt hem dus om niet verboden echtelijke relaties aan te gaan en relatie te hebben met zijn vrouw, gedurende haar periode.

Vervolgens, indiceert de besnijdenis dat de man de dienaar van G’D is, gekenmerkt met Zijn zegel. Als zodanig zal hij zeker niet de geboden van zijn Meester overtreden.

De Thora verwijst naar de besnijdenis als een “teken”van het verbond tussen G’D en het Joodse Volk. De Joodse man is dus gebrandmerkt als G’D’s dienaar, dit bewustzijn dient om hem te herinneren dat hij verantwoordelijkheden heeft tegenover een hogere autoriteit.

Om die redenen is het gebod van de besnijdenis geplaatst
tussen de geboden van menstruele onreinheid en onreinheid die tsara’at veroorzaakt, want de besnijdenis beschermt hem van beide. Hij wil geen seksuele relaties aangaan met een menstruerende vrouw, en wil ook nederig en bescheiden van geest blijven, en de arrogantie schuwen, zoals een dienaar betaamt met een zegel van zijn Meester.

De Arizal heeft nu de tweede vraag beantwoord, waarom is het gebod van de besnijdenis geplaatst tussen de geboden van menstruele onreinheid en tsara’at. De Arizal zal nu uitleggen dat arrogantie of meerwaardigheidsgevoel de wezenlijke essentie is van tsara’at.

Er zijn drie types van arrogantie: een persoonstype is arrogant in zijn hart, maar tegenover iedereen gedraagt hij zich nederig. Over dit persoonstype zegt de Thora, “wanneer een man in de huid van zijn vlees een zwelling heeft,” betekent dat, dat zijn arrogantie [“zwelling”] diep verborgen is in het vlees van zijn huid en niet zichtbaar is voor iedereen. Het is een egocentrische persoonlijkheid.

Een tweede type van arrogantie is, wanneer een persoon zich superieur voelt aan diegene die is zoals hij, maar niet aan diegene welke hem overtreft in wijsheid of status. Dit type van arrogantie wordt “een uitslag” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor “uitslag”, “sapachat”betekent een verbonden toevoeging zoals in het vers, “Voeg mij toe alstublieft (“sapcheini”), tot een van de priesterlijke plichten (Samuel 1, 2:36), in de zin van “deel uit maken” en “verbinden”. Het verwijst dus naar iemand die zich alleen superieur voelt aan diegene van zijn eigen kaliber.

Het derde type van arrogantie is ernstiger [en vereist daarom een langer proces van zuivering]. Dit is de “glimmende vlek”, wat betekent, dat de persoon zich superieur voelt en handelt zelfs tot diegenen die hem in wijsheid, status of rijkdom overtreffen. Hij handelt schaamteloos tegenover iedereen.
Daarom zinspeelt dit type van arrogantie op de sterk glimmende vlek.

G’D verafschuwd al deze vormen van arrogantie, alle drie vormen veroorzaken het lijden aan de onreinheid van Tsara’at, zelfs de eerste, welke de meest onschadelijke is van de drie, omdat het alleen innerlijk is. Daarom herhaalt de Thora de frase “in de huid van”, om te aan te geven dat hij weloverwogen is getroffen met deze onreinheid, zelfs al was het niet zichtbaar voor de buitenwereld en dat hij naar behoren gestraft wordt. Uiteraard, en zelfs meer in het geval van de twee andere vormen van arrogantie, welke gruwelijker zijn.

De Arizal heeft nu zijn derde vraag beantwoord, met betrekking tot de volgorde van de woorden in het vers over tsara’at.
Hij bespreekt nu in het kort het algemene probleem van arrogantie.

Zoals eerder is genoemd, werpt arrogantie z’n grove smet op iemands persoonlijkheid, zo zelfs dat G’D het haat. Vandaar dat er is geschreven, “De Eeuwige regeert, Hij is gekleed in hoogmoed.” (Psalm 93:1) m.a.w Dat G’D Zich omhult met het kledingstuk van arrogantie en hoogmoed in het regeren van de wereld om zijn schepselen schrik aan te jagen, maar zich direct er weer van ontdoet. Om aan te geven hoe afschuwelijk dit is. Waarop onze wijzen verklaren: “Telkens wanneer er in de Bijbel G’D’s grootheid wordt aangehaald, wordt onmiddellijk Zijn nederigheid genoemd.” (Meggilla 32a)

Met de boven gegeven uitleg kunnen we de gequoteerde verzen beter begrijpen.

Rabbi Jitschak Luria […Ashkenazie ben Shlomo] ( 5294 – 5331 = 1534 – 1572 ) Jaartijd van overlijden: 5e Av. Begraven op het oude kerkhof van Tzfat.
Gewoonlijk bekend als de Ari, Ook Rabbenoe HaAri HaKadosh [de heilige Ari] of Arizal [de Ari in gezegende herinnering].

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT SHEMINI

SHABBAT PARA

Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47


Rabbi Shimon bar Jochai


Van Wijn en Appels


Zohar, parashat Shemini p. 40a

Dit Thoragedeelte bespreekt de inauguratie van het Tabernakel, de ontmoetingsplaats tussen de mens en de Oneindige. Hier behandelt de Zohar het vraagstuk van verbanning uit die verheven staat van verbinding met het G’ddelijke. Wat wordt heden ten dage vereist?

 

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met het vers, “ Ondersteun mij met glazen bokalen met wijn [in het Hebreeuws, “ashishot”], heel mij met appels, want ik ben ziek van liefde”. (Hooglied. 2:4). We hebben dit vers reeds eerder op een prachtige wijze uitgelegd, maar hier kan het geïnterpreteerd worden op een andere wijze als volgt: De Congregatie van Israël [de Shechina en de Sefira van Malchoet] zegt deze woorden als zij tot ballingschap vervallen. [ Zij pleit met haar kinderen, het Volk van Israël] “Ondersteun mij”. Wat betekent dit “Ondersteun mij”? Iemand die valt behoeft ondersteuning, zoals staat geschreven, ´G’D steunt degenen die vallen(Psalmen. 145:14) Omdat de Congregatie van Israël in ballingschap is gevallen [van G’D die anders haar zou hebben geholpen], zegt zij, “Ondersteun mij”. En wie vraagt zij om haar te ondersteunen? [Zij vraagt steun van] haar kinderen Israëls, die met haar in ballingschap zijn.

De ballingschap van de Shechina is een val van het niveau van bewustzijn  van de eenheid met het G’ddelijke, gesymboliseerd door het Tabernakel. Dit bewustzijn  kan in gelijke mate worden teruggebracht in de staat van ballingschap door die “kinderen”van de Shechina die, door meditatieve eenwording, een influks van G’ddelijk Licht  teweeg brengen in de Sefira van Malchoet en haar op haar voetstuk plaatst door opnieuw te verbinden met haar oorsprong in de Sefira van Bina; dit kan het innerlijke aspect van ballingschap rectificeren. De externe fysieke ballingschap kan alleen worden gerectificeerd met de herbouw van het Tabernakel in de vorm van de Derde Tempel.

 

Door wat wordt zij ondersteund? Door glazen bokalen met wijn [ashishot], Die de Voorvaderen zijn.

De Voorvaderen, Abraham, Izaak en Jacob, zijn de archetypen van de Sefirot Chesed, Gevoera en Tiferet. Zij zijn de emotionele eigenschappen van goedhartigheid, vrees/oordeel en barmhartigheid en zijn gelijk aan vuur. Het woord voor vuur in het Hebreeuws is “aish”, en het woord “ashishot” is als een meervoudsvorm voor vuur. Chesed is een wit vuur, Gevoera is zwart vuur en de combinatie van de twee is Tiferet. Meditatief gebed brengt teweeg dat deze Sefirot worden gevuld met overvloed (bekend als “Sheva”) van Bina en dit op zijn beurt wordt doorgeven, door de Sefira van Yesod, naar Malchoet.

 

Zij vullen eerst die goede wijn, die heeft gerijpt op zijn sedimenten, de overvloed van Bina. Wanneer ze zijn gevuld met overvloed door meditatief gebed, is zegen aanwezig de Sefira van Malchoet, door bemiddeling wat rechtvaardig wordt genoemd, [verwijzend naar de Sefira van Yesod]. En iemand die weet hoe de Heilige Naam te verenigen en zo doet om de Shechina te ondersteunen, steunt en assisteert de Congregatie van Israël in haar ballingschap, alhoewel geen zegen wordt gevonden in de wereld, vanwege de overmaat aan streng oordeel.

Het vers continueert , Heel mij met appels”…., en beide zijn het zelfde zoals we hebben uitgelegd.

Appels komen in verschillende kleuren voor, maar voornamelijk in het rood, wat verwijst naar de Sefira van Gevoera. Het feit dat zij ook van binnen wit zijn verwijst naar Chesed. Zij combineren daarom de twee aspecten van Chesed en Gevoera en zijn geassocieerd met de Sefira van Tiferet, als zijnde ashishot. Tiferet is geassocieerd met de middelste lijn in de Boom van de Sefirot en, zoals genezing, brengt onevenwichtige extremen terug in harmonie. De Zohar stelt evenzo dat appels een ontnuchterende invloed hebben.

 

Maar het geheim hiervan is, dat bokalen de uitwerking van wijn vergroten, en appels werken het effect van wijn tegen en verstevigen de kracht van iemands doorzettingsvermogen. Dit verklaart waarom het vers zowel bokalen als appels vermeldt: bokalen om het effect van wijn te verspreiden en appels om iemands wil te verstevigen zodat de wijn zijn wil niet zal beïnvloeden.

Aan “wijn” wordt hier gerefereerd als beïnvloeding van de andere Sefirot en refereert daarom aan de Sefira van Bina. De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord, “yayin” is 70, de zelfde numerieke waarde als van het Hebreeuwse woord voor “verborgen , mysterie”, “sod”. De intellectuele eigenschap wordt als “verborgen, mysterie” beschouwd in relatie tot de emotionele eigenschap en wordt alleen bekend door spraak. Wijn brengt spraak teweeg, die een revelatie is van iemands gedachten. Dus zeggen de Geleerden, “Wijn gaat in, en geheimen komen uit”. Het effect van wijn is om de mentale activiteit te stimuleren, gerelateerd aan de overvloed die wordt gegenereerd in Bina. Te veel wijn veroorzaakt dronkenschap, die onder controle wordt gebracht door het eten van appels.

 

Dit alles met welke reden? [het ondersteunen van de Shechina]. Omdat “ik ziek van liefde ben” in ballingschap.

Malchoet in ballingschap hunkert om te worden verenigd met de directe invloed van het G’ddelijke, door zich opnieuw te verbinden met Zeir Anpin. Zij is gek van liefde als iemand die emotioneel overstuur is in de fysieke wereld en bijgestaan door een stevig drank.  De “wijn”die haar ondersteunt, is het meditatieve gebed van haar zonen.

 

En iemand die de Heilige Naam verenigt [veroorzakend overvloed vloeiend van Bina naar Malchoet] moet op een gepaste wijze oordeel met barmhartigheid combineren.

 

Het geheim van meditatief gebed op de Heilige Namen zoals zij in verschillende fasen voorkomen in het Staande Gebed, is om de harde realiteit van de fysieke wereld te “verzachten” door combinatie van barmhartigheid, het aspect van de Naam Havayah, met strengheid, relateert aan de Naam Ado-nai. Dit is waarom vele gebedenboeken de Naam Havayah hebben geassocieerd met de klinkers van de Sefirot waaraan zij zijn gerelateerd en de Naam Ado-nai ingesloten in de laatste letter van de Naam.

 

Dit veroorzaakt [Haar] te worden verzacht en rectificeert alles als passend en dit ondersteunt de Congregatie van Israël in ballingschap.

De staat van ballingschap is de afwezigheid van het beïnvloedende gevoel van het G’ddelijke in de fysieke realiteit. Meditatieve gebeden, zowel als reciteren van zegeningen in gepaste vorm, rectificeren dit en brengen dit bewustzijn van het G’ddelijke terug in elk aspect van het leven.

 

SHABBAT SHALOM

 


 

PARASHAT TSAV

Gebied           Leviticus. 6:1 – 8:36


Verterend Vuur van Liefdevolle Goedheid


De Zohar leert dat de oordelende krachten op het altaar worden verbrand


Zohar, parashat Tsav. P. 27a

Rabbi Acha opent zijn verhandeling met het vers:

Een vuur moet aanhoudend op het altaar blijven branden, het mag niet uitgaan; en de priester moet er hout aan toevoegen, iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

Wat is de reden dat er altijd vuur moet blijven branden op het altaar en waarom moet het elke ochtend worden aangewakkerd [wanneer de Sefira van Chesed heerst]? En waarom wordt aan de priester opgedragen het vuur te maken?

Brandend vuur in welke plaats dan ook representeert streng oordeel. De priester is van de rechterkant [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed], die ver verwijderd is van streng oordeel, [de linkerzijde van de Boom]. Vuur is verbonden met boos worden, woede [zoals het woord vurig in de negatieve zin uitdrukt.] Een priester is nooit betrokken bij streng oordeel, en toch moet hij hier] streng oordeel teweeg brengen, [met andere woorden, verterend vuur], om in de wereld op telaaien, zoals staat geschreven:…. de priester moet er hout aan toevoegen iedere morgen zodat het op laait.(Leviticus. 6:5)

 

Het antwoord is, zoals we hebben geleerd, dat een persoon die tot negatief gedrag komt voor zijn Meester, zijn eigen gebeente in vlam zet met het vuur van zijn kwade inclinatie, met andere woorden, hij doet zichzelf schade aan. De kwade inclinatie is geworteld in de onzuivere zielsspiritualiteit, die wordt opgeroepen in iemand wanneer hij zich negatief gedraagt.

Want bijvoorbeeld, volgens onze Geleerden, zichzelf toestaan om kwaad, woedend te worden, staat gelijk aan afgoderij. Iemand die woedend is verteerd zijn vurige boosheid tot aan het punt waar hij compleet gevoel van realiteit verliest.

 

Soms is het bekend en herkenbaar welk type van offer wordt vereist om te worden gebracht, in welk opzicht het hersteld.

Een persoon moet offer brengen overeenkomstig aan zijn negatief gedrag. Net zoals een onzuivere zielsspiritualiteit verblijft in een persoon, zo moet hij dus nu laten opgaan in de vlammen van het Altaar.

 

De onzuivere zielsspiritualiteit, hetzij van de persoon zelf of van hemelse oorsprong vanwaar het kwam, laat zichzelf niet opgaan of verwijderd zichzelf niet, behalve in de vlammen van het Altaar. De vlamman verteren de onzuivere zielsspiritualiteit en allerlei vormen van kwaad in de wereld, omdat het een vuur is dat vuur verteert. Als de priester dienst doet aan het Altaar [die komt van de zijde van Chesed], moet hij in gedachten hebben een vuur te prepareren die allerlei vormen van kwaad in de wereld verteerd.

De reden nu dat het vuur van het Altaar niet uit mag gaan is, dat zijn vermogen en kracht niet zal worden verzwakt omdat het altijd in staat moet zijn het vermogen van die ander kwade kracht te breken en te verdrijven uit deze wereld. Vandaar de frase: “…….het mag niet uitgaan”.

Dit representeert de voortdurende bewuste strijd en inspanning in het herkennen van het heilige en zuivere, de vlam van bewustzijn brandend houden, zelfs in de meest duistere momenten.

 

De priester had de taak van het instellen en het in stand houden van het vuur op het Altaar en het oplaaien in de vroege ochtend elke dag, omdat dit de specifieke tijd is wanneer zijn zijde [van de Boom van de Sefirot, de zijde van Chesed] heerst en omhoog stijgt in de wereld. Dit is gedaan om de wereld te verzachten (letterlijk “aangenaam zal ruiken, zoals een offer op het Altaar) zodat en het streng oordeel zal worden onderworpen en niet zal ontwaken in de wereld.

En dit is wat we hebben geleerd, dat er een vuur is dat vuur eet. Het hogere vuur eet het “andere”vuur. Het vuur van het Altaar consumeert het “andere”vuur. Dus dit vuur mag nooit en te nimmer worden geblust en het is juist de priester [van de zijde van Chesed] die het dagelijks moet leiden.

 

SHABBAT SHALOM

 

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep Leviticus. 1:1 – 5:26Offeren van de Dierlijke Ziel“En elk meeloffer van jou moet je met zout bestrooien; bij al je offers moet je zout brengen.”

Rabbi Jitzchak LuriaSha’ar HaMitzwot en Ta’amei HaMitzwotHet

 

Wanneer het vertroebelende deel van de Dierlijke Ziel in de mens opstijgt naar de ziel van Asiya om er voeding van te verkrijgen, brengt het hem tot negatief gedrag.
Onopzettelijk negatief gedrag wordt goedgemaakt door offers Wat veroorzaakt bij een persoon negatief gedrag? Wanneer iemand zich met opzet negatief gedraagt, kunnen we dit toeschrijven aan een zekere” tijdelijke vorm van waanzin “, met andere worden, het feit dat hij wordt bedrogen (door zichzelf of door iemand anders), door te denken dat negatief gedrag geen kwaad zal veroorzaken of in feite een voordeel is voor zijn G’ddelijk bewustzijn. Maar wanneer het brein er niet bewust bij betrokken is, waarom zou iemand dan zondigen? En bovendien, als zijn negatief gedrag onopzettelijk was, waarom zou hij dan naar verzoening moeten streven?
De Arizal verklaart hier dat onopzettelijk negatief gedrag een uitvloeisel is wanneer het dierlijke in een persoon de overhand heeft over zijn G’ddelijke wezen. De “vertroebeling” van het dierlijke perspectief, de tendens om te relateren tot de wereld in termen van “natuur” eerder dan in termen van zijn G’ddelijke origine, maakt de persoon ongevoelig voor G’ddelijkheid.
Het deel van de ziel dat het bewustzijn vormt van de mens, is altijd verbonden met de delen van de ziel die boven dat bewustzijn uitreiken, met andere worden, de oorsprong van de ziel in de hogere werelden. Wanneer iemand een dierlijk bewustzijn cultiveert (opzettelijk of onopzettelijk), beïnvloedt dit perspectief de lagere niveaus van zijn zielsoorsprong in de hogere werelden; deze onvolkomenheid in zijn zielsoorsprong heeft nawerking in zijn onderbewustzijn, waar uit vervolgens onopzettelijk negatief gedrag resulteert.
Maar wat is de oorzaak van de vertroebeling [van de dierlijke oriëntatie] in de eerste plaats? Is het de Dierlijke Ziel van de mens, die extern is [aan de G’ddelijke Ziel]?
Door zijn dierlijke natuur en behoeften te overvloedig tevreden te stellen, desensibiliseert de persoon zichzelf ten aanzien van G’ddelijke aangelegenheden, zoals we al zeiden. Het is om die reden dat onopzettelijk gedrag verzoening vereist: zij is een barometer van het individuele niveau van G’ddelijk bewustzijn. Wanneer iemand een onopzettelijk gedrag vertoont, betekent dit dat ergens in zijn psyche zijn dierlijke natuur de overhand krijgt.
Daarom, wanneer een mens zich negatief heeft gedragen, [is zijn restitutie] het offeren van een Dierlijke Ziel van een dier, want zij was de oorzaak van het negatieve gedrag. Dan daalt er vuur neerwaarts van uit de Hemel en verbrandt dit negatieve gedrag. De oorsprong van de Dierlijke Ziel in de mens is dan gereinigd en gezuiverd en ermee verzoend, want al deze zijn gehouwen vanuit de zelfde bron. Het begrijpen van het brengen van de offers is een zeer diepe spirituele aangelegenheid.
De purificatie van de Dierlijke Ziel komt tot stand door G’D’s vertering van een realistische manifestatie van de Dierlijke Ziel, een dier. Want de intelligentie van een dier is praktisch geheel gericht op het bevredigen en zorgen voor zijn dierlijke noden en instincten. Door zichzelf aan G’D te vertegenwoordigen [een persoon] in de vorm van een dier, erkent de persoon die het offer brengt, tot op zekere hoogte, dat hij dierlijk “werd”.
Hier zien we opnieuw dat de Kabbalistische definitie van kwaad ( die eenvoudig de Joodse definitie van kwaad verwoord in de context van mystieke kosmologie) in het geheel niet de stigma’s van kwaadaardigheid draagt die het woord suggereert in de westerse cultuur. Kwaad is gewoonweg datgene dat niet G’ddelijk bewustzijn bevordert, het is ten aanzien er van antagonistisch. Ja, kwaad is slecht en schadelijk, maar alleen omdat het G’ddelijk denken belemmert, niet omdat er zoiets is als intrinsiek slecht.
Dus het beeld dat gebruikt wordt om kwaad aan te duiden in Kabbala “kelipa”, is de ” schil” die de toegang tot het binnenste van het fruit belemmert.
Dus in deze passage zien we dat de morele neutrale fysieke wereld wordt omschreven als “kwaad”, dit omdat het dient om G’ddelijke te verhullen van ons bewustzijn. Het erkennen en accepteren van G’ddelijkheid aanwezigheid in de Schepping breekt de schil open. Maar zoals een omhulsel of schil van fruit of noten, dient kwaad ook een constructief doel; het beschermt en koestert het fruit er in tot het rijp is. Zo ook wanneer een kind bijvoorbeeld zich ontwikkelt, moet hij eerst zijn eigen zelf, zijn ego waarnemen en vestigen. Alleen later kan hij zichzelf opnieuw definiëren in termen van een breder maatschappelijk bewustzijn en uiteindelijk G’ddelijkheid.

Daarom, toen de Tempel bestond, brachten de offers teweeg dat de vonken opstegen. In onze dagen nemen de gebeden de plaats in van de offers. Daarom bestaan de gebeden uit twee delen: actie en spraak, zoals is verklaard in Sefer HaKawanot, Sha’ ar HaTeffilla.
De liturgie evenaart het omhoog stijgen van de ziel door de vier werelden, net zoals het offer. De ochtendzegeningen en gebeden tot aan Baroech She’ amar (Gezegend zij Hij die sprak…”) beschrijft de Tempeldienst en is dus parallel aan de wereld van Asiya. De “Verzen om G’D’s lof te bezingen” (Pesoeke Dezimra, van Baroech She’ amar tot Jishtabach) stuurt de emoties en is daarom dus parallel aan de van wereld van Yetzira. Het reciteren van het Shema en de zegeningen er voor en er na richten zich naar het intellect en zijn daarom parallel aan de wereld van Beriya. Het staande gebed (Shemone Esre) geeft de vereniging met G’D weer en is parallel aan de wereld van Atziloet.
Gebed is hoofdzakelijk en vooral een zaak van spraak, het articuleren van woorden. Maar aan het begin van elke stijging naar een hogere wereld, is een begeleidende handeling. Voor het binnengaan de wereld van Asiya, wast iemand zijn handen voor het zeggen van de eerste zegen, ” …. Die ons heeft opgedragen de handen te verheffen.” Bij het binnengaan van de wereld van Yetzira, neemt de persoon de twee voorste tzitziet in zijn linkerhand en zegt tijdens het vasthouden Baroech She’ amar. Bij het binnengaan van de wereld van Beriya, raakt de persoon zijn Tefillien aan als hij de zegen ” …die licht heeft gevormd en duisternis heeft gecreëerd….” (Pri Chaim, Keriat Shema 1, Zohar III:120b)
De articulatie van de woorden van het gebed drukken onze emoties uit (Yetzira), onze intellectuele meditaties over de begrippen in de liturgie (Beriya) en onze transcendente vereniging met G’D (Atziloet). Door het opnemen van actie (Asiya) in de gebeden, kan dit niveau ook opstijgen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PEKOEDÉ

De berekeningen Exodus 38:21 – 40:38

HET TELLEN VAN GOUD EN ZILVER

“Dit zijn de Pekoedé van de donaties voor de Mishkan.” (Exodus. 38:21)

Pekoedé betekent een berekening en een inventarisatie. Hier berekent de Thora de hoeveelheid goud en zilver en koper, die de Kinderen van Israël hebben gedoneerd aan de Mishkan. (Woning van het Getuigenis, Tabernakel)
Onze Wijzen zeggen dat een zegen niet rust op iets dat wordt geteld of genummerd. Als dat zo is waarom zou de Thora dan een berekening en een inventarisatie maken voor de Mishkan?
Laat ons eerst begrijpen wat een zegen [Hebreeuws, bracha] aangeeft. Een zegen leidt altijd naar een toename, verhoging en een toevoeging. We vinden in de Handeling van de Schepping dat een zegen drie keer werd uitgesproken:

1. Van het scheppen van de vissen wordt gezegd, En G’D zegende hen en zei, “Wees vruchtbaar en vermeerder je.”
2. Van het scheppen van de mens man en vrouw staat geschreven, “Wees vruchtbaar en vermeerder en G’D zegende hen”
3. Van de Shabbat staat geschreven, “En G’D zegende de zevende dag”.

Het belang van G’D’s zegeningen aan de mens is dat niet alleen de mens is gezegend, maar zegeningen komen ook vanuit hem voort naar anderen. Dit is de betekenis van “Wees vruchtbaar en vermeerdert.” Een compleet iemand, bestaande uit masculiene en feminiene zielsmaten, brengt veel mensen voort. Zo ook met vissen. Evenzo ten aanzien van Shabbat, want er wordt duidelijk gesteld in de Zohar, dat niet alleen de dag van Shabbat is gezegend, maar dat alle zes dagen van de week zijn gezegend vanuit Shabbat.
Naar dit zegenings concept wordt verwezen in het vers: “Een gul persoon zal worden gezegend” (Spreuken. 22:9) Wanneer een persoon gul en blij een gift of lening geeft aan iemand anders, zal de ontvanger slagen in zijn handelen en zakelijke aangelegenheden met het ontvangen geld. Echter als hij de zelfde som geld ontvangt van een vrekkig en gierig persoon, zullen al zijn zakelijke aangelegenheden geen succes hebben, zoals staat geschreven, “ Eet niet van het brood van een vrekkig en gierig persoon.”(Ibid. 23:6)
De tiende Sefira, gewoonlijk Malchoet genoemd, wordt ook wel “Cheshbon” (“een rekening”) genoemd, zoals staat geschreven in de Zohar in Parashat Pinchas. Dit omdat Malchoet het Licht ontvangt van alle voorgaande Sefirot, en dit emaneert naar de Lagere werelden. Daarom wordt Malchoet eveneens het “Paleis van zegeningen” genoemd, aangezien Malchoet alle uitvloeiingen bevat en vanuit Malchoet allen worden gezegend. Bovendien, aangezien Malchoet alle Sefirot verenigt, wordt Malchoet ook de “Kroon van Malchoet” genoemd, net zoals een deugdzame koning niet alleen voor zichzelf zorgt, maar eerder zorg uitstraalt naar zijn volk en zijn koninkrijk.
Nu kunnen we begrijpen dat een zegening niet rust op een geteld of genummerd gegeven, wanneer iemand rekent en telt om te weten hoe veel zij bezitten, voor het doel van vermeerdering van hun eigen verlangens en aspiraties. Echter als alle overvloed (van geld) voor het doel is van geven aan anderen, dan zal integendeel, een zegen rusten op het getelde, want hoe meer wordt weggeven, des te meer wordt vermeerderd.
Dit idee wordt dit jaar zelfs meer benadrukt. In de meeste jaren worden Wajakheel en Pekoedé samen gelezen op de zelfde Shabbat. Dit jaar lezen we Pekoedé afzonderlijk, de week na Wajakheel.
Wajakheel betekent “bijeen brengen, verzamelen” en representeert veelomvattendheid en eenheid, zoals Mozes heel het volk samen brengt en verzamelt om het te verenigen met één verlangen. Pekoedé, daarentegen betreft de afzonderlijke details, de hoeveelheid aan goud en zilver en koper die het volk heeft gedoneerd.
Elk type van metaal heeft een ander doel. De Ark was gemaakt van goud, van waaruit de Thora en leerstellingen voortkomen. De tafel en de Menora waren eveneens van goud; fysiek licht straalde hiervan uit. Het Altaar was gemaakt van koper om verzoeningen te weeg te brengen voor iemand die heeft gezondigd.
Wanneer het volk in een staat van totale eenheid is en het geeft voor het “geheel”, dan is het mogelijk de fysieke “delen” te tellen en om hen te inventariseren. Het “Kwade Oog”heeft dan geen controle over hen, aangezien zij van een verenigde gemeenschap komen, omwille van gerichtheid aan anderen. Dit zou niet het geval zijn als zij waren geteld en genummerd voor iemands eigen welzijn, dan zou de zegen niet aanwezig zijn; daar zou geen zegen op rusten.
Moge het de Wil van G’D zijn dat we eenheid verdienen en de spirituele pijplijn van uitvloeiingen alleen goedheid zal voortbrengen aan het Volk van Israël en aan alle andere Volkeren van deze wereld en we onze volledige verlossing spoedig zullen verkrijgen, Amen.
SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL

En hij liet samenkomen   Exodus. 35:1 – 38:20


SHABBAT EN DE WERELDEN


Het Heiligdom moest worden gebouwd als deze wereld, die correspondeert met het lichaam van de mens.

En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap van de Kinderen van Israël in vergadering bijeen en zei tegen hen: “Dit zijn de geboden die de Eeuwige mij heeft opgedragen om ze tot uitvoering te brengen.

Zes dagen mag er werk verricht worden maar de zevende dag moet heilig voor jullie zijn.” (Exodus. 35:1-2)

We moeten begrijpen wat de verbinding is tussen de bouw van de Mishkan, [het Heiligdom, het Tabernakel], bijna het gehele onderwerp van deze parasha, en het onderhouden van Shabbat, beschreven in de openingsverzen.

Het voornaamste doel van het bouwen van de Mishkan is, om een verblijfplaats in deze wereld te creëren voor de Shechina, zoals is geschreven in Parashat Teroema,En maak voor Mij een heiligdom, opdat Ik te midden van hen kan wonen” (Exodus. 25:8).

Daarom bestond de Mishkan uit levenloze, plantaardige en dierlijke materialen. De levenloze materialen waren de grond waarop het stond en de voorwerpen van goud en zilver en koper. Van plantaardige materialen waren de planken en de balken.

Van dierlijke materialen waren de gordijnen van geitenvel en Tachash (veelkleurige huiden van een dier), die waren gemaakt voor de bedekking.

Al deze materialen maakten deel uit van de Mishkan en droegen er aan bij om de materialen van deze wereld te verheffen tot heiligheid, om het in een staat te brengen een verblijfplaats te zijn voor de Shechina, die zal neerdalen van “Boven naar Beneden”. Dit is in tegenstelling tot Shabbat, die de opgang is van de werelden van “Beneden naar Boven”.

Op die dag is er een stijging van de werelden en zelfs hier in deze wereld is het als in “de Komende Wereld”, daarom is in deze fysieke wereld werk op Shabbat verboden. Alle vormen van werk die werden uitgevoerd voor de Mishkan zijn verboden op Shabbat, omdat de functie van de doordeweekse werkdag is om Heiligheid in deze fysieke wereld te brengen. Maar op Shabbat is er geen noodzaak voor werk en herstel, aangezien de fysieke wereld opstijgt naar de spirituele werelden.

De Mishkan moest gebouwd worden zoals deze wereld, die lijkt op het lichaam van de mens. Het brein correspondeert met de Ark in het Heilige der Heilige, de Menora en de Shoelchan [Tafel] corresponderen met het hart en de longen. De rest van de voorwerpen corresponderen met de lagere delen van het lichaam. De Mishkan was de verzoening voor de misstap van het Gouden Kalf, toen Israel een fysiek object vorm gaven en zeiden dat het G’ddelijk was. Het herstel van deze misstap is om te laten zien dat alhoewel Heiligheid neerdaalt in de materie, Shabbat niettemin bewijst dat Heiligheid daarentegen verhevener is. G’D moge verhoeden dat men materie gelijk stelt met Heiligheid.

De Mishkan was gemaakt van de tienden van heel Israel, zodat dat zij er allen een aandeel in hadden, zoals geschreven in Parashat Teroema, “Neem van jullie zelf tienden.” Dit is gelijk aan wat is geschreven in de Parasha van deze week,  “En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap ”die door eenheid, de separatie veroorzaakt door de misstap van het Gouden kalf, had hersteld.

Dit is ook het geheim van onze verlossing. Door onze verwerkelijking van, “En Hij verzamelde en bracht bijeen vanuit alle volkeren de Kinderen van Israel.” Door nationale eenheid zullen we complete verlossing verkrijgen, spoedig in onze dagen, Amen.

Rabbi Jitzschak Luria

Van de geschriften van de Ari, Sha’ar HaPesoekiem

Wetend waar je behoort

Het Thoragedeelte van verleden week, Ki Tiessá, beschrijft het beruchte incident van het Gouden Kalf. De Arizal ziet het begin van het Torahgedeelte van deze week als terugverwijzing naar dat incident en beschrijft de wijze waarop het Joodse Volk haar spirituele status kon herstellen naar hoe die was vóór het incident.

Ons werd onderwezen dat, hoewel de meerderheid van het Joodse Volk het Gouden Kalf aanbad, de instigators van dit incident niet de Joden zelf waren, maar de „gemengde menigte“ die met hen uit Egypte trokken (Exodus 12:35). Deze waren de eerste bekeerlingen van het Joodse Volk.

Wanneer een niet Jood er naar streeft om over te gaan naar het Jodendom en geaccepteerd wordt als een deel van het Joodse Volk, houdt de rabbi of het rabbijns gerechtshof toezicht op dit proces om zeker te zijn dat zijn/haar motieven zuiver zijn en dat hij/zij niet probeert over te gaan met andere bedoelingen. Het was om die reden dat tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon geen bekeerlingen werden geaccepteerd en niet  zullen worden geaccepteerd wanneer eenmaal Mashiach is gekomen: Wanneer het Joodse Volk materieel welvarend zal zijn, zoals zij waren tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon en zoals zij zullen zijn in de Messiaanse Era, dan is het namelijk onmogelijk om vast te stellen of de motieven van een toekomstige bekeerling puur zijn.

Evenzo is, de “ gemengde menigte” van niet Joden die zich verenigde met het Joodse Volk toen zij Egypte verlieten, een klassiek voorbeeld van onoprechte opportunistische bekering. Want zij waren getuigen van de Tien Plagen (die plaats vonden over een periode van een jaar), het is niet moeilijk voor te stellen dat zij aan de kant van het Joodse Volk stonden eerder vanuit een algemeen menselijke zwakte voor macht en succes, dan vanuit een oprechte toewijding aan waarheid tot elke prijs.

Dus toen het onaangenaam begon te worden, kwam de zwakheid van deze betrokken mensen aan het licht en zochten zij naar hulp. Mozes kwam niet terug van de berg, het volk bleef achter zonder leider, zonder iemand die een intermediair was tussen hen en G’D. Het antwoord was voor de hand liggend voor deze gemengde menigte, die slechts kort geleden afstand had gedaan van hun oude afgodische godsdiensten om de Joden te kunnen vergezellen: “En het volk dat merkte dat Mozes talmde om van de berg te komen, liep tegen Aaron te hoop en ze zeiden tegen hem: “Kom maak een god voor ons die ons kan voorgaan, want deze man Mozes die ons uit Egypte heeft gevoerd…. Wij weten niet wat van hem geworden is!” …..Dus [Aaron] nam het goud van hen ….en gaf er vorm aan en maakte er een gegoten kalf van; en ze zeiden : “Dezen zijn jullie goden, O’ Israël die jullie uit Egypte hebben gevoerd. “” (Exodus. 32: 1-4) Merk op dat de makers van het Gouden Kalf Israël aanspreken in de tweede persoon, betekenend dat zij zichzelf niet beschouwden als behorend tot het oorspronkelijke Joodse Volk.

Aangezien Mozes en de generatie van de woestijn op het [spirituele] niveau van Yesod Abba waren, moest Mozes hen bijeenbrengen zodat zij konden terugkeren naar hun oorsprong en een deel van hem konden worden. Op deze manier [heelde hij hen] van de misstap van ´ liep het tegen Aaron te hoop” liet op hen het licht van heiligheid  schijnen en wiste zo de onreinheid van [het dienen] van het [Gouden] Kalf voor hen uit.

Vanwege het feit dat de generatie van de Exodus de leerlingen waren van Mozes en de originele ontvangers, werden zij evenzo verheven tot dit diepgaande niveau van bewustzijn. Aldus wordt in de Talmoed gerefereerd aan deze generatie als de “generatie van kennis”.

In het Judaïsme wordt zonde gedefinieerd als iets dat in bepaald opzicht iemands bewustzijn van G’D degenereert of vervormt. Er zijn natuurlijk vele niveaus, variërend van de subtiele “onschuldige” zonden zoals doen waar je zin in hebt van gepermitteerde genoegens ( glatt koshere chocola) tot de door en door openlijke zonden waarop serieuze bestraffingen staan. Het gemeenschappelijke kenmerk echter is dat in meerdere of mindere mate zij allen worden overweldigd door “tijdelijke misvatting” dat G’D het niet erg vind of het over het hoofd ziet. De wet van inertie dicteert dat onschadelijke overtredingen geleidelijk verworden tot regelrechte zonden.

Dit was het geval met de zonde van het Gouden Kalf. Ondanks hun intens bewustzijn van G’D’s realiteit in hun leven en juist omwille van deze realiteit, besefte deze generatie dat er iemand moet zijn zoals Mozes, die kan dienen als een kanaal tussen hen en G’D’s boodschappen. Toen hij niet terugkeerde van de berg op de vastgestelde tijd, was de gedachte om te continueren zonder zo’n medium onverdraaglijk. In plaats van zich te verlaten op G’D’s voorzienigheid, verlieten zij zich op hun eigen oordeel ( zij hadden een onjuiste berekening gemaakt van Mozes terugkeer van de berg). Het subtiele gebrek aan vertrouwen ontaardde volledig in een afgodische zonde, aangezien zij beide verschillende gradaties van ontkenning van G’D’s aanwezigheid zijn in iemands leven.

Dus door het plegen van de zonde van het Gouden Kalf, viel het Joodse Volk van hun vorige staat van bewustzijn, Yesod Abba. In plaats van hun vermogen van Yesod, te gebruiken om de wijsheid van de Thora en, het besef van G’D in deze wereld  te brengen en te kanaliseren,  gebruikte zij Yesod om “te hoop te lopen tegen Aaron” en dwongen zij hem om een afgod voort te brengen, een proclamatie dat G’D afstand heeft gedaan van Zijn betrokkenheid met de wereld ten gunste van ondergeschikte krachten. In hun gedachten, werd de G’ddelijke boodschap niet langer geconcentreerd en gekanaliseerd door Mozes, maar geheel verspreid over de krachten van de natuur, waardoor het nu noodzakelijk werd om die te eren en over te halen om te mogen dienen, voor het waarnemen van de verhulde spiritualiteit.

Zoals we eerder hebben uitgelegd, is Abba de naam van de partzoef (een volledige serie van Sefirot) die voortkomt uit de Sefira van Chochma. Chochma is in het algemeen het fundamentele inzicht of de wijsheid van de Schepping, met andere woorden, de Thora, die G’D gebruikte als Zijn “blueprint” voor het creëren van de wereld. Elk nieuw inzicht dat een persoon ontvangt betreffende een of ander aspect van de realiteit is, in zijn waarlijk pure vorm, een inzicht in de Thora. Mozes, die het menselijke kanaal was waardoor G’D de Thora aan de wereld gaf, personifieert en belichaamt dus dit spirituele niveau.

En in het bijzonder, zegt de Arizal, personifieert hij de sub- sefira van Yesod van Abba. Yesod is de sefira van verbinding en overbrenging; al de voorgaande sefirot vloeien samen in Yesod en worden er door gekanaliseerd. In de gelijkenis die bestaat tussen de sefirot en het lichaam, correspondeert Yesod met de voortplantingsorganen.

Deze nadrukkelijke samenvloeiing is de oorsprong van seksuele zonde, door welk een persoon zij creatieve krachten in vele richtingen verspreidt in plaats van het te concentreren in één gewijd kanaal. In plaats van zijn creativiteit te gebruiken voor het bouwen en sterken van een familie, een achtergrond door welk het bewustzijn van G’ddelijkheid kan worden vergroot en vermeerderd in deze wereld, verspreidt hij het in de natuur, gevolgd door de teleurstelling aangeboden door de tijdelijke opwinding. Zo wordt ons dus onderwezen dat de verering van het Gouden Kalf niet alleen idolatrie maar ook orgie is. De heling natuurlijk moet er nadrukkelijk op gericht zijn om de spirituele focus terug te brengen naar waar die hoort, naar Mozes, het legitieme kanaal voor G’ddelijke energie en wijsheid in de Schepping.

Dus staat er geschreven, “En verzamelde de gehele gemeenschap”(Exodus.35:1) Het woord voor “gemeenschap” [in het Hebreeuws, “adat”] kan worden herschikt tot het woord “kennis” [in het Hebreeuws, “daat”].

Door zich te focussen op Mozes en het licht te zoeken van de Thora, bracht het Joodse Volk haar kennis van G’D terug in haar gepaste vorm. Dit wordt aangegeven door het feit dat de woorden voor “gemeenschap” en “kennis” exact de zelfde letters bevatten, alleen in een andere volgorde.

Bovendien hebben de woorden voor “gemengde menigte”  [in het Hebreeuws, “erev rav” ook de zelfde numerieke waarde als het woord voor [“daat”]. Dit omdat zij ook dit [sublieme] aspect van G’ddelijkheid bezitten, hoewel enkel de residu’s.

Omdat zij eveneens de zonde van het Gouden Kalf begingen door samen te komen tegen Aaron, zoals staat geschreven “en het volk verzamelde zich rond Aaron”, benodigde zij een andere, [heilige] gemeenschap om hen te rectificeren, zoals staat geschreven: “En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap”.

Aan de ene kant, ervoer de gemende menigte de G’ddelijke mirakels in Egypte en de G’ddelijke voorzienigheid toe het Joodse Volk had begeleid gedurende de daarop volgende drie maanden*, met als resultaat dat zij enigszins een bewustzijn hadden bereikt dat gegeven was aan het volk. Aan de andere kant konden zij, omdat hun motieven niet zuiver waren, niet volledig assimileren met het Joodse Volk zelf.

*De Exodus vond plaats op de 15e van de maand Nissan; de zonde van het Gouden Kalf gebeurde op de 16e van de maand Tamoez.]

Bovendien, aangezien zij zondigde door het woord “dezen” te gebruiken, zoals zij zeiden: “Dezen zijn jullie goden, O’Israël”, het tegenovergestelde [en heilige gebruik van dit woord] werd aangewend om hen te rectificeren toen [Mozes] zei [in de huidige context]: “Dit zijn de…… “

We zouden hebben verwacht dat de gemengde menigte tegen het Joodse Volk zou zeggen “dit is jullie god, O’Israël”, aangezien per slot van rekening er maar één kalf was. Het feit dat zij verkozen om hun bewering in de meervoudsvorm uit te drukken betekende, dat hun degenererende intentie zo groot was  “dat zij er naar verlangden een menigte van goden te dienen”.  (Rashi op Exodus. 32:1)  Om deze aberratie te rectificeren moest de zelfde term worden gebruikt om hen terug te focussen in de gepaste oorsprong van spiritueel licht van Thora.

Aangezien iemand die afgoden dient wordt beschouwd als of hij de hele Thora heeft verloochend, gaf [Mozes] hen het bevel aangaande twee dingen die als gelijkwaardig aan de hele Thora worden beschouwd. [De eerste was] Shabbat, want een persoon die de Shabbat in acht neemt wordt beschouwd als of hij de hele Thora naleeft.

En zoals als we zeiden is idolatrie de bewering dat G’D ofwel niet bestaat ofwel Zijn macht heeft gedelegeerd aan ondergeschikten en geen directe betrokkenheid meer heeft met de wereld. Dus idolatrie is een duidelijke ontkenning van de boodschap van de Thora, welke exact het tegenovergestelde is: dat G’D existeert en dat Hij zeer intiem zorg draagt voor wat in de wereld omgaat.

Door het houden van Shabbat, verklaart de Jood dat G’D de wereld heeft geschapen. Door te rusten van werk stelt in de eerste plaats hij de Shabbat weer in, toen G’D ophield met het werk van de Schepping. Ten tweede, door het werk te laten rusten spreekt hij zijn vertrouwen uit dat G’D de wereld beheert en kan voorzien in zijn noden alhoewel hij niet de hele week werkt. Zoals bekend beschouwde de Romeinen de Joden als lui en traag vanwege het nemen van een vrije dag eenmaal per week.

[De tweede was] de constructie van het Tabernakel.

Het Tabernakel, de draagbare Tempel die het Joodse Volk construeerde en met zich mee droegen, was het instrument waardoor  G’D’s aanwezigheid terugkeerde en in hun bewustzijn bleef. Zoals de Thora het uitdrukt: “Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van[en in] hen kan verblijven”(Exodus. 25:8). Aangezien het Tabernakel het doel volbrengt van de Thora in het algemeen, de vestiging van een verblijfplaats voor G’D in deze wereld en in de mens zelf, werd zijn constructie ook als equivalent beschouwd aan de verwekelijking van de gehele Thora. Wat de Shabbat volbrengt in tijd, bereikt de Tempel in ruimte; Shabbat is een heiligdom in tijd, terwijl de Tempel een fysieke Shabbat is.

Het is in beide gevallen duidelijk, als we zeggen dat zij equivalent zijn aan het in acht nemen van de hele Thora, dat we niet bedoelen dat zij in de plaats treden voor het in acht nemen van de Thora. De mens heeft  zowel in het algemeen als in het bijzonder de specifieke details nodig van hoe G’D in ons leven wordt gebracht door het houden van alle mitzwot van de Thora.

[Mozes] begon met de constructie van het Tabernakel met de mitzwa : “Zes dagen mag er werk verricht worden…..”(Exodus. 35:2) Dit verwijst [niet naar werk in het algemeen, maar specifiek] naar het bouwen van het Tabernakel, welke daarom is uitgedrukt in de gebiedende wijs.

Onze wijzen in de Talmoed leiden de categorieën van verboden werkzaamheden op Shabbat af van de typen van werkzaamheden die noodzakelijk waren voor de constructie van het Tabernakel. Hier kunnen we zien waarom dit zo is: zij zijn naast elkaar geplaatst als zijnde absoluut equivalent aan elkaar; als je het ene doet, benodig je niet het andere te doen en vice versa. Een Jood is voorbestemd om constant betrokken te zijn in het bevorderen van G’ddelijk bewustzijn in de wereld. Gedurende de week doet hij dit door “het bouwen van het Tabernakel” met andere woorden, de fysieke wereld geschikt maken voor G’ddelijke revelatie. Op Shabbat doet hij dit door het staken van activiteiten van het verbeteren, in plaats daarvan opent hij zichzelf alleen voor de G’ddelijke Aanwezigheid waarvoor hij de achtergrond gedurende de week heeft voorbereid. Dus het Tabernakel en de Shabbat zijn eenvoudig twee kanten van de zelfde medaille: de voorbereiding en de vervulling.

[Mozes gebruikte de lijdende vorm] en zei “mag er werk gedaan worden” in plaats van [de actieve vorm], “je zult werken” om aan te geven dat het werk op eigen kracht zal worden gedaan. Op de zelfde wijze is gezegd: “[geen hamer of bijl noch enig ander ijzer gereedschap werd gehoord] tijdens het bouwen van het Huis” (Koningen I. 6:7)

Op deze manier, “maar de zevende dag moet het iets heiligs zijn voor jullie zijn “ (Exodus. 35:2). Want je heiligt je zelf op de wekelijkse dagen, tijdens het bouwen van het Tabernakel, het zal zonder twijfel heilig voor je worden op Shabbat. Je zult een bijkomende staat van heiligheid ervaren en een bijkomend [niveau van] de ziel bezitten.

Als we beide condities vervullen, dat is, ons bezighouden met de fysieke wereld gedurende de week om het te verheffen tot heiligheid en het bewustzijn behouden tijdens dit proces dat we eenvoudigweg vertegenwoordigers zijn van G’D, zullen we door Shabbat ons volledig ontvankelijk hebben gemaakt voor de heiligheid die we in de wereld hebben gebracht en zullen volledig in staat zijn om het de gehele heilige dag te ervaren. De viering van de Shabbat zal niet een eenvoudige beëindiging zijn van werk, maar een tastbare ervaring van heiligheid in gebed, viering en fijn voedsel, Thora studie en sociaal familieleven. Zelfs de aardse aspecten van het leven zullen G’ddelijke dimensies aannemen en ontmoetingen worden met de wonderbaarlijke realiteit van G’D zelf. Dit wordt beschreven in de Talmoed als de familiare metafoor van het bezitten van een “extra ziel” op Shabbat.

Samen, vormen Shabbat en de Tempel de complete rectificatie voor de zonde van het Gouden Kalf, de ontkenning of verontreiniging van het idee van G’D’s verenigde aanwezigheid door hele de realiteit van ruimte en tijd.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt    Exodus. 30:11 – 34:35


RABBI SHIMON BAR JOCHAI


ZOHAR Ki Kiessá

De Eeuwige zei tegen Mozes: “Als je het totaal van de Kinderen van Israël wilt opnemen door hen te tellen, zal ieder een losgeld geven voor zijn ziel, ter ere van de Eeuwige, opdat geen ramp hen zal treffen doordat men hen telt.“ (Exodus. 30:11-12)

We worden eraan herinnerd dat Hemelse zegeningen niet aan iets bijdragen dat is geteld of genummerd en toch werden de Kinderen van Israël onderworpen aan een volkstelling. Niettemin werd Israel gezegend omdat zij waren vrijgekocht.

Rabbi Aba, Rabbi Acha en Rabbi Yosi waren reizende van Tiberias naar Tzipori. Tijdens de reis zagen zij Rabbi Elazar komen met Rabbi Chiya. Rabbi Aba zei: we zullen zeker verenigd worden met de Shechina. Zij wachtten totdat zijn hen bereikten. Zodra zij bij hen waren, zei Rabbi Elazar: zeker is geschreven: “De ogen van HaShem zijn op de rechtvaardigen gericht en Zijn oren staan open voor hun noden.” (Psalmen. 34:16) (Het einde van dit onderwerp is in het gedeelte van pekoedei, para. 68f).

Kom en zie: het is bewezen en vastgesteld dat Hemelse zegeningen niet verblijven op iets dat is genummerd. En als je vraagt hoe Israël werd geteld, Hij nam van hen een losgeld voor Zichzelf. En zij telden niet totdat al het losgeld was verzameld. Dus in het begin was Israël gezegend toen het losgeld werd ontvangen, naderhand, toen zijn het losgeld hadden geteld, werden zij opnieuw gezegend. Zo vinden we dat Israël werd gezegend aan het begin en aan het einde en zij niet te lijden hadden van een of andere plaag.

Hij vraagt: Waarom wordt er een plaag teweeg gebracht door telling? Hij antwoordt: Omdat de zegening niet verblijft op iets dat is geteld en aangezien de zegen is vertrokken, verblijft de Andere Zijde daar op en kan schade aanbrengen. Daarom ontvangen we losgeld en bevrijden het om zodoende de telling te kunnen verrichten.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden      Exodus 27:20 – 30:10


Rabbi Jitzchak Luria


Geschriften van de Ari, Ta’amei HaMitzvot


Licht van de Heilige Hoofdband

In de Thoralezing van deze week, gebiedt G’D Mozes om de acht kledingstukken te maken van de Hoge Priester en de vier van de gewone priester. Één van de acht kledingstukken van de Hoge Priester is de hoofdband [of “tzitz]: “Maak een Hoofdband van zuiver goud en graveer daarin [de woorden] “Gewijd aan de Eeuwige”. [Havayah]. Maak deze dan vast aan een hemelsblauw snoer zodat die zich bij de tulband zal bevinden; dichtbij de voorkant van de tulband moet dat zijn. Deze moet op Aharons voorhoofd zijn; dan zal Aharon de overtredingen ten aanzien van de gewijde zaken en wel ten aanzien van alle geheiligde gaven die de Kinderen van Israël zullen wijden, op zich nemen; deze moet dus op zijn voorhoofd zijn opdat zij welgevallen bij de Eeuwige zullen vinden. (Exodus. 28, 36-38)

Wanneer de mentaliteit van Abba Zeir Anpin binnengaat, ontstaat er een overtollige (niet geabsorbeerde) straling van dit licht dat schijnt buiten het voorhoofd van Zeir Anpin.

Zeir Anpin is de Partzoef van de emoties; Abba is de Partzoef van Chochma, met andere woorden, van transcendent inzicht. Ofschoon iets van de mentaliteit van Abba wordt door gegeven aan [ of laat schijnen in] Zeir Anpin, zodat de emoties de ingevingen volgen en leiden tot nieuw begrip, kan Zeir Anpin niet alle intensiteit van de mentaliteit van Abba dat binnendringt bevatten en vasthouden. Het aspect van de Abba mentaliteit dat niet kan worden vastgehouden, vloeit over, om zo te zeggen, en verspreidt zich in het brein.

Dus de mentaliteit (of het “licht) van Abba aanwezig in Zeir Anpin valt uiteen in twee aspecten: het immanente Licht, dat wordt geabsorbeerd in en direct de mentaliteit van Zeir Anpin beïnvloed en transcendent Licht, dat niet is en dat niet doet.

Dit Licht fungeert als omhullend Licht dat de mentaliteit van Zeir Anpin omgeeft, dit omhullend Licht wordt fysiek gemanifesteerd in de hoofdband van de Hoge Priester.

Het transcendente Licht van Abba is niet verloren, geenszins, het omgeeft de mentaliteit  van Zeir Anpin, treedt op als inspiratie en beïnvloedt Zeir Anpin indirect.

De hoofdband wordt de “tzitz” genoemd, een zelfstandig naamwoord in de masculiene vorm, omdat het de mentaliteit van Abba benadrukt, die ook masculien is.

Het woord “tzitz” roept onmiddellijk de associatie op met het woord “Tzitzit” [“kwastje of draad”], de wollen draden die vastgemaakt dienen te worden aan de vier hoeken van een kledingstuk. Aan het zelfstandig naamwoord “tzitz” ontbreekt enig vrouwelijk suffix, het is een masculiene vorm. “Tzitzit” is het zelfde woord, maar met als laatste letter een tav, wat de vrouwelijke vorm aangeeft.

Abba is de bron van inzicht die de Partzoef van Imma (Bina) “bevrucht” om een nieuwe manier van kijken naar de realiteit te ontwikkelen en wordt als mannelijk beschouwd met betrekking tot Imma.

Daarom was de hoofdband van de Hoge Priester geplaatst op het voorhoofd boven de [hoofd] tefillien, want de tefillien benadrukt de mentaliteit van Imma, terwijl de hoofdband de mentaliteit van Abba benadrukt.       

De Thora zegt dat de tefillien (gebedsriemen), “een [middel tot] herinnering tussen jullie ogen zijn”. Hieruit maken wij op dat de hoofd tefillien zijn bedoeld om ons geestvermogen te beïnvloeden, om de Uittocht uit Egypte en al haar significaties, te allen tijde in ons bewustzijn te houden. Zoals we eerder hebben aangehaald, is de betekenis van de Uittocht uit Egypte de bevrijding (of geboorte) van de heilige emoties van de baarmoeder van het verstand, die ons toestaat om ons G’ddelijk geestvermogen uit te drukken in onze emotie, eerder dan het hebben van niet heilige emoties die het gevolg zijn van beperkt bewustzijn. De Uittocht is dus een werking van Imma, de moeder van de emoties. De tefillien, waarvan het doel is om dit proces gaande te houden, zijn dus een expressie van Imma. De tefillien banden, vallend naar beneden, zijn de middelen waardoor het vermogen van Imma neerdaalt in hart en lichaam, waar de emoties worden gevoeld.

Daarom is de tzitz (de Heilige hoofdband) hoger geplaatst dan de tefillien, om aan te geven dat deze het geestvermogen van Abba personifieert, terwijl de tefillien het geestvermogen van Imma personifiëren.

(Alles wat boven is gezegd met betrekking tot tefillien geldt in het bijzonder tot Rashi- tefillien. Rabbeinoe Tam-tefillien daartegen bedoelen het geestvermogen van Abba te personifiëren, precies zoals de hoofdband.)

Om die reden werden de woorden “Heilig tot G’D” er op gegraveerd, aangezien het woord “heilig”, zoals bekend, altijd refereert aan het intellect, en in het bijzonder aan het geestvermogen van Abba (Chochma), dat “heilig”genoemd wordt.

“Heilig” (in het Hebreeuws, “kadosh”) betekent “gesteld boven”, gesepareerd”, “uitnemen”, “verder dan”. In vergelijking tot de emoties wordt het intellect als “heilig”beschouwd”, aangezien het intellect objectief is en een persoon voorbij zichzelf brengt, terwijl de emoties inherent subjectief en op het zelf gericht zijn. Binnen de sfeer van het intellect zelf wordt Chochma als “heilig” beschouwd ten opzichte van Bina, want Chochma in het alles overtreffende begrip dat de persoon boven het zelf uit doet stijgen, terwijl Bina de ontwikkeling is van het eigen individele intellect persé.

Ter verklaring: Binnen Abba is de naam Havayah zichtbaar, letter voor letter gespeld met de letter Joed.

Dit is de naam AB (=72) gespeld joed-vav-dalet  hei-joed  vav-joed-vav hei-joed. Het feit dat de naam Havayah in dit geval letter voor letter is gespeld met de letter joed geeft aan dat het is geassocieerd met Chochma, want in de naam Havayah zelf, belichaamt de joed Chochma; de eerste hei, Bina; de vav, de emoties, en de laatste hei, Malchoet.

Deze [letter voor letter spelling] bevat vier joed’s, elk bezit een [uitgebreide] numerieke waarde van 100. Dus de gecombineerde [uitgebreide] numerieke waarde van de vier joed’s van de naam AB is 400.

De normale numerieke waarde van de joed is 10. Iedere joed geeft een reeks van tien sefirot aan, die door onderverdeling elk  100 sub sefirot bevatten.

Als we het cijfer 4 toevoegen, vertegenwoordigend de vier joed’s bereiken we de numerieke waarde van het woord voor “heilig” [in het Hebreeuws, “kodesh”] zoals we hebben uitgelegd.

400+4=404

Kodesh”wordt gespeld: koef-dalet-shin=100+4+300=404

Het licht van de vier innerlijke geestvermogens van Abba [dat niet kan worden beheerst door Zeir Anpin] dringen buitenwaarts [op het niveau van] het voorhoofd van Zeir Anpin, met name, van de twee zijden van het voorhoofd, aangrenzend aan de oren. De alles overtreffende radiatie van Chochma van Abba en de staat van Chesed binnen Daát van Abba emitteert vanuit de rechterzijde. De alles overtreffende radiatie van Bina en de staat van Gevoera binnen Daát van Abba [emitteert]  vanuit de linkerzijde.

De hoofd tefillien bevat vier compartimenten, waarin vier strookjes perkament zijn gevoegd waarop de vier passages van de Thora zijn geschreven waarin de tefillien worden vermeld. (Exodus. 13:1-10, 13:11-16, Deuteronomium. 6:4:9, 11:13-21) Dit geeft aan dat er vier aspecten zijn van het bewustzijn van de Uittocht die we in stand moeten houden. Deze vier geestvermogens worden geïdentificeerd in Kabbala als de vier aspecten van het intellect: Chochma, Bina, de oorsprong van Chesed binnen Daát, en de oorsprong van Gevoera binnen Daát. Aan de oorsprong van Chesed en GevoeraI binnen Daát wordt gerefereerd respectievelijk als “de staat van Chesed binnen Daát” en “de staat van Gevoera binnen Daát”.

Juist zoals het intellect in het algemeen is verdeeld in deze drie/vier sefirot, is het geestvermogen Abba ook onderverdeeld in deze vier aspecten. Twee hiervan, Chochma van Abba en Chesed van Daát van Abba, zijn masculien en emitteren daarom aan de rechterzijde; en de twee anderen, Bina van Abba en Gevoera van Daát van Abba, zijn feminien en emitteren daarom aan de linkerzijde.

Vervolgens verspreiden zij zich rond het voorhoofd [van Zeir Anpin], vormend de hoofdband van de Hoge Priester.

Mij dunkt dat ik [Rabbi Chaim Vital] ook hoorde van mijn meester [de Arizal], van gezegende herinnering, dat de naam Havayah was ingegraveerd op de hoofdband als volgt; de joed en de vav waren gegraveerd aan de rechterzijde, één boven de ander, en de twee hei-s aan de linkerzijde, één boven de ander. Maar ik herinner me dit niet meer exact.

Dit zou goed overeen kunnen komen met wat eerder was verklaard, namelijk dat het masculiene “Licht” emitteert via het gebied rond het rechteroor en het feminiene “Licht” via het gebied rond het linkeroor.

Dus stond de Hoge Priester model voor de Hemelse Mens en droeg daarom de kledingstukken van de Hemelse Mens.

De “Hemelse Mens” is Zeir Anpin, de schikking van de sefirot in de menselijke vorm.

[Aangaande iedereen die de voorkant van de hoofdband zou voorbijgaan, als hij een rechtvaardig persoon is, zou het op zijn [eigen] voorhoofd zichtbaar zijn, want zijn Bina zal op zijn voorhoofd worden gereveleerd. Letters zijn op het niveau van Bina, zoals we eerder hebben verklaard en dat is waarom letters worden gereveleerd op het voorhoofd, dat iemands [individuele] Bina is de reden.

De heiligheid van de hoofdband brengt de heiligheid  van iemands  intellect “naar boven”, en veroorzaakt dat het zichtbaar zal worden op het voorhoofd van die persoon.

Hoewel de beleving van Chochma in essentie verder gaat dan verwoording (met andere woorden, “letters”), is het de taak van Bina om deze transcendente beleving waar te nemen en over te zetten in een taal (”letters”).

Als de persoon slecht zou zijn, zou zijn gelaat terechtkomen in de Andere Zijde en zou hij in verlegenheid gebracht worden door de heiligheid [van de hoofdband] en zou hij berouw hebben.

De “Andere Zijde” (Sitra Achra) refereert aan de sfeer van kwaad. De kwaadaardigheid van de persoon zou, bij confrontatie met de heiligheid van de hoofdband, zichtbaar worden op zijn voorhoofd en hierdoor in verlegenheid gebracht, zou hij worden aangespoord om berouw te hebben.

SHABBAT SHALOM