ROSH CHODESH IJAR PARASHOT TAZRÍA – METSORÁ

Zij geeft zaad – Melaatse     Leviticus. 12:1 – 13:59, 14:1 – 15:33

Rabbi Jitzchak Luria

De Geschriften van de Ari, Sefer Ha Likoetiem

En de Eeuwige sprak tot Mozes, zeggend: “Spreek tot de kinderen van Israël ‘Wanneer een vrouw bevallen moet en ze krijgt een jongen, zal zij voor zeven dagen onrein zijn; zij zal onrein zijn zoals zij was in de dagen van haar periode van menstruatie. En op de achtste dag moet hij aan de voorhuid van zijn lichaam besneden worden. ‘”  (Leviticus. 12:1-3)

Weet dat dit [met andere woorden, een onreinheid van een vrouw gedurende zeven dagen na de geboorte van een zoon] was veroorzaakt door de inbreng van het gif in Chava [van de slang].

Hoewel de tekst van de Bijbel alleen zegt dat de slang sprak tot Chava, wordt in de Mondelinge Thora uitgelegd dat de slang in feite geslachtsgemeenschap met haar had (Rashi, Shabbat 146a). De slang personifieert kwaad/imperfectie, met andere woorden, zelfzucht en egocentrisch gedrag, de antithese van G’ddelijk bewustzijn.

Natuurlijk heeft elk individu een unieke ziel, welke is bedoeld om zichzelf uit te drukken als zijn/haar kenmerkende “G’ddelijke persoonlijkheid”, met zijn eigen unieke bijdrage en inbreng aan het wereldse begrip van G’D’s aanwezigheid in de wereld. Dit kan zich op vele manieren kenbaar maken, van vernieuwende inzichten in de Thora, tot artistieke creativiteit, tot handelingen van goedheid, tot het inspireren van anderen dat leidt naar heilig leven, enzovoort. Dit is iemands G’ddelijke “ego”. Dus ego per se is niet bij voorbaat een slechte zaak.

Het probleem echter is dat het G’ddelijk ego vaak versluierd wordt door het alter ego van de dierlijke ziel. Het alter ego begint als het zelfbewustzijn, dat een persoon moet hebben om zijn fysieke behoeften veilig te stellen, volkomen controle verkrijgt over iemands gedachten en hem daardoor egoïstisch en zelfzuchtig maakt. Met andere woorden als aan een kind niet de juiste spirituele educatie wordt gegeven (zoals Thora), die hem richt op het voorrang verlenen aan zijn G’ddelijke ziel, zal zijn dierlijke ziel bij gebrek aan beter het overnemen. Dit is zo omdat het dierlijke ego in beginsel de controle over de ziel is gegeven, want een jong kind moet eerst worden geleerd te zorgen voor zich zelf.

Dit verwaande zelfbewustzijn (met andere worden, opgeblazen boven het basis zelfbewustzijn nodig voor ons om fysiek te functioneren) wordt gedefinieerd als “kwaad/imperfectie, aangezien het onregelmatig de rol, bepaald voor de G’ddelijke ziel, overneemt.

Het streeft er naar om iemands aandacht voor G’ddelijke aangelegenheden een andere richting te geven, soms naar materiële genoegens, soms naar plaatsvervangende vormen van spiritualiteit, om meer aanzien/macht te geven aan zichzelf en zijn interesses. Dit voorwendsel kan zich op een zeer geraffineerde wijze uitdrukken, zowel abstract intellectueel als kunstzinnig. Bij de meeste mensen is hun bewustzijn een mengeling van grotendeels dierlijk ego en enige diepe verlangens van de G’ddelijke ziel die tracht om te voorschijn te komen. Hoe meer men zijn leven spiritualiseert, door het leren van Thora en het doen van mitzwot, gevend daarbij zijn G’ddelijk zelf expressie, des te meer zal zijn vermogen ware G,ddelijkheid uitdrukken  en hem in staat stellen om zich met G’ddelijke elementen te identificeren en zich te richten op G’ddelijke elementen in andere mensen. Het dierlijke/subjectieve/ egoïstische perspectief op het leven werd aan de mensheid geïntroduceerd door de slang in zijn primordiale personificatie. Door zijn psychologische vergift te injecteren in Chava, beroofde de slang Adam en Chava van hun vermogen om de realiteit onbaatzuchtig te zien.

Vandaar dat Chava menstrueerde tijdens de geboorte van Kain, die bloed vergoot en Abel wiens bloed werd vergoten. Dit is de origine van vrouwelijk menstrueel bloed, zoals staat geschreven, “Wanneer een vrouw bevallen moet en ze krijgt een jongen, zal zij voor zeven dagen onrein zijn; [zij zal onrein zijn zoals zij was in de dagen van haar menstruatie]. (Leviticus. 12:2)

 

Het feit dat de Thora onreinheid ten gevolge van geboorte op een lijn zet met onreinheid van menstruatie indiceert dat de twee op thematische wijze zijn verbonden. Menstruatie veroorzaakt dat de vrouw zich fysiek en emotioneel moet concentreren op zich zelf. (Dit is waarom echtelijke omgang gedurende de menstruatie is verboden; de vrouw is te veel op zich zelf gericht, om daarbij zich nog te kunnen concentreren op echtgenoot en/of hun gemeenschappelijke ziel.)

De wetten van Taharat HaMishpacha, familiale reinheid, is de G’ddelijke geleide weg hoe de menstruele ervaring kan worden getransformeerd in wat is bedoeld te zijn: een educatief proces zonder zelf oriëntatie.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHEMINI

 Achtste    Leviticus. 9:1 – 11:47

 

Rabbi Jitzchak Luria

 

Koshere Dieren en Kabbala

 

Geschriften van de Ari, Sefer HaLikoetim.

 

Koshere dieren zijn dieren  die gedomesticeerd zijn (rundvee, schapen en geiten), zeven soorten wilde beesten, vier typen sprinkhanen en verschillende soorten gevogelte en vis.

 

De mens is in het algemeen afgeleid van Zeir Anpin, terwijl de beesten en het vee zijn afgeleid van Noekva [van Zeir AnpinI], en vis, sprinkhanen en gevogelte van Yesod van Zeir Anpin. Om die reden is de numerieke waarde van het woord voor “vis” [in het Hebreeuws, “dag“] 7, want Yesod is de zevende sefira. Bovendien “geeft Yesod aan de arme” [in het Hebreeuws, “gomel daliem”], voor de initialen van deze uitdrukking worden de zelfde letters gebruikt als voor het woord “vis”.

 

Yesod  is feitelijk de zesde sefira van de middot, maar aangezien ze een paar vormt met Malchoet, de zevende sefira, mag het evenzeer in deze context als zevende sefira beschouwd worden. Malchoet wordt geacht “de arme”te zijn, omdat het niet een innerlijk gehalte van zichzelf bezit. Aangezien de inhoud van de voorafgaande sefirot door Yesod wordt gekanaliseerd naar Malchoet, mag van Yesod gesproken worden als of ze “geeft aan de arme”.

 

Met name is [vis] afgeleid van de staat van Chesed gegeven aan Yesod voor zijn eigen doel; dit is de reden waarom zij in water leven.  

 

Bepaalde aspecten van Chesed  worden alleen door Yesod gekanaliseerd, terwijl andere een deel worden van Yesod (aangezien Yesod hoofdzakelijk een sefira van overbrenging is, het reflecteert het gevend aspect van Chesed). In de beeldspraak van Kabbala, is water een metafoor voor Chesed (en daarom een manifestatie van Chesed), daar water altijd neerwaarts stroomt en de bron van het leven is.

 

Sprinkhanen zijn ontleent aan de staten van Gevoera [binnen Yesod] als zij opwaarts terugkeren. Dit is de esoterische betekenis van het vers: “Strek je hand over…..de sprinkhanen en zij zullen opstijgen……(Exodus. 10:12), want zij manifesteren het principe van om hoog gaan.

 

Om gepast over te brengen, moet Yesod zowel Gevoera als Chesed tonen, aangezien zonder ophouden en onbegrensd geven nooit effectief is. Dit element van terugtrekking of beheersing binnen Yesod is belichaamd is sprinkhanen. 

 

De numerieke waarde van het Hebreeuwse woord voor “gevogelte” [“oaf] is gelijk aan dat van het woord “Joseph” [“Josef”]. Joseph personifieert de sefira  van Yesod. Daarom vliegen vogels, want zij manifesteren ook het principe van opstijgen, zoals de staten van Gevoera keren zij terug en vliegen opwaarts.

 

De zeven herders van Israël (Abraham, Isaak, Jacob, Mozes, Aaron, Joseph en David, in die volgorde) corresponderen met en personifiëren de zeven emotionele sefirot van Chesed tot Malchoet. Joseph personifieert hoofdzakelijk Yesod omdat hij ten eerste, het hele koningrijk (Malchoet)  van Egypte ondersteunde en van voedsel voorzag gedurende de jaren van hongersnood, ten tweede zijn seksuele integriteit behield ( seksualiteit wordt geassocieerd met Yesod, de sefira van paring) zelfs bij onderdompeling in de verdorven cultuur van Egypte.   

 

Aangezien vis en sprinkhanen ontleend zijn aan de sefira van Yesod waaraan wordt gerefereerd als zijnde “levend”, vereisen zij geen rituele slachting [zoals wordt gedaan bij rund en vee], maar slechts “verzameld”.

 

De mens, gecreëerd “in het beeld van G’D”, geeft in zijn lichaam en ziel de structuur weer die de sefirot aannemen wanneer zij een partzoef vormen. De analogie tussen de ledematen van het lichaam en de sefirot zijn als volgt:

 

keter schedel
chochma rechter lob van de hersenen
bina Linker lob van de hersenen
daat Achterhoofd (occipitaal)  lob van de hersenen
chesed rechter arm
gevura linker arm
tiferet torso
netzach Rechter been, rechternier, rechter testikel/eierstok
hod Linker been, linkernier, linker testikel/eierstok
yesod voortplantingsorganen
malchoet mond

 

  Yesod correspondeert dus met het voortplantingsorgaan en Yesod van Zeir Anpin met het mannelijke voortplantingsorgaan. Nogmaals, dit is omdat de sefira van Yesod de overbrenging is tussen de ene partzoef en de volgende. Om de inhoud van de voorafgaande sefira over te brengen, moet Yesod  zich volkomen concentreren op zijn doel.

We zien dit in het dagelijkse leven: iemand kan niet effectief communiceren met een ander persoon als hij is afgeleid en zijn gedachten ergens anders zijn. Fysiek kan het mannelijke voortplantingsorgaan niet het zaad overbrengen dat het in zich draagt, noch kan het vrouwelijke voortplantingsorgaan het zaad van de man ontvangen, tenzij zij volkomen op elkaar zijn geconcentreerd. Deze concentratie of gerichtheid wordt in Kabbala omschreven als “zijnde in leven”, juist zoals in Joods Recht het recht opstaande voortplantingsorgaan “leven” wordt genoemd (en in zijn slappe vorm, “dood”).

Evenzo, effectieve communicatie wordt gekarakteriseerd door levendigheid en opwinding, in tegenstelling tot een “uitdrukkingloos gezicht ” dat de luisteraar niet stimuleert. Yesod , wanneer het tenminste efficiënt handelt, wordt dan de “levendige”sefira genoemd.

 

Dus de dieren (vis en sprinkhanen) die afgeleid zijn van deze sefira worden geacht intrinsieke levenskracht te bezitten en behoeven daarom op geen enkele manier een ritueel proces te ondergaan om hen geschikt te maken voor Joodse consumptie. (Merk op dat de Arizal tot nu toe nog niet heeft verklaard waarom gevogelte, alhoewel afgeleid van de zelfde sefira, geen rituele slachting behoeft.

 

Dit is niet het geval met rundvee: zij zijn afgeleid van Noekva van Zeir Anpin en behoeven daarom rituele slachting.

 

Rundvee wordt beschouwd als een lager niveau van leven dan gevogelte en sprinkhanen. Opdat hun levenskracht naar behoren zal worden opgenomen, moet het een bijkomend rectificatie proces van rituele slachting ondergaan. Door dit proces is de inherente levenskracht van het dierlijk vlees veranderd en in staat om te worden geabsorbeerd in spiritualiteit zodat het geconsumeerd kan worden door een Jood.

 

De Arizal richt zich nu tot de discussie met betrekking tot het onderwerp van de vogels.

 

 Nu is het zo dat de engelen voortkomen van de Yesod van Zeir Anpin van Atziloet. Deze Engelen zijn [spirituele] vogels die van dit niveau zijn afgeleid. Zoals is gezegd van [de engel] Gabriel, “en de vogel zal vliegen in de hemel” (Genesis. 1:20). In tegenstelling hiermee, zijn fysieke vogels zijn van Yesod van Zeir Anpin van [de drie lagere werelden] Beriya, Yetzira en Asiya.

 

Daar waar de fysieke vis en sprinkhaan voortkomen uit Yesod van Zeir Anpin van Atziloet, komt gevogelte slechts voort van de projectie van dat niveau op de lagere werelden. Het verschil tussen Atziloet en de drie daarop volgende werelden is dat het doordringende bewustzijn in de wereld van Atziloet  totaal ondergedompeld is in de G’ddelijke Aanwezigheid. “Bewoners” van deze wereld kunnen zichzelf niet als onafhankelijke wezens voorstellen, maar eerder als aspecten van G’ddelijkheid. In de lagere werelden is het doordringende bewustzijn dat van zelfbehoud; de “bewoners” van deze werelden zijn zich van zichzelf bewust als onafhankelijke entiteiten, hoewel onderhevig aan G’ddelijke leiding. Dit wordt aangegeven door het feit dat vissen in het water moeten leven, dat wil zeggen, hun existentie is praktisch compleet afhankelijk  onderdompeling in de oceaan, net zoals de “bewoners”van de wereld van Atziloet totaal ondergedompeld leven in G’ddelijk bewustzijn.

 

Dit is de esoterische betekenis van [ de uitspraak van onze wijzen dat gevogelte] uit de modder is gecreëerd [met andere woorden, een mengsel van water en aarde] (Choelien 27b). Zeir Anpin van Beriya, die mannelijk is, existeert in de vrouwelijke wereld, want alle lagere werelden zijn massa’s van Noekva van Zeir Anpin [van Atziloet].

 

Elke wereld is gecreëerd uit Noekva (feminiene partner) van Zeir Anpin van de voorafgaande wereld, net zoals een fysiek kind wordt gecreëerd uit zijn ouders. En juist zoals de ouders (en in het bijzonder de moeder) het nieuw geboren kind moeten grootbrengen, is Noekva van Zeir Anpin  van elke wereld afzonderlijk belast met de taak om het licht of bewustzijn, van zijn wereld in de wereld daaronder te verspreiden. Omdat alle drie lagere werelden (Beriya, Yetzira en Asiya) gemeenschappelijk als werelden het onafhankelijk bewustzijn delen, kunnen zij gezamenlijk worden gegroepeerd en worden beschouwd als te voorschijn gekomen als een groep uit de “baarmoeder”van Noekva van Zeir Anpin van Atziloet. Aangezien de drie lagere werelden dan de rol overnemen van de ontvanger vis-à-vis Atziloet, in zoverre voorbestemd dat zij zoveel mogelijk het  bewustzijn behorend bij de wereld van Atziloet absorberen, worden zij als feminien beschouwd en het masculiene relatief aan elkaar.

 

Terwijl water in mystieke zin refereert aan de sefira van Chesed , refereert aarde aan de sefira van Malchoet, de laagste van de tien sefirot en de allegorische “bodem” van de wereld waartoe het behoort.

 

Het volgt zo [dat de lagere werelden] de ontrokken staten van Chesed zijn nadat zij “ontwikkeld/verwerkt” zijn door Noekva van Zeir Anpin van Atziloet. Dit is de esoterische betekenis van het vers “En de vogels zullen zich vermeerderen op aarde” (Genesis.1:22), implicerend dat zij zijn gecreëerd uit de aarde. [Maar aangezien ook wordt aangegeven: “Laat het water wemelen van…….vogels (Ibid. 1:20), betekent het dat de vogels ook zijn gecreëerd uit het water op de aarde, met andere woorden, de staten van Chesed in Yesod van Zeir Anpin. Daarom hebben zij schubben op hun voeten als vis, aan de andere kant, vliegen zij als sprinkhanen.

 

Gevogelte is dus gecreëerd uit elementen van zowel Chesed als Gevoera en bezit daarom visachtige en sprinkhaanachtige karakteristieken. Omdat zij niet direct afgeleid zijn van de wereld Atziloet, maar van Atziloet als zij “ontwikkeld/verwerkt”, verminderd en afgezwakt in de lagere werelden, is rituele slachting vereist voor zij kunnen worden geconsumeerd.

 

SHABBAT SHALOM

 

 

PARASHAT TSAV

SHABBAT HAGADOL

 

Draag op    Leveticus.  6:1 – 8:36

 

Van begin tot eind spreekt het Thoragedeelte van deze week over de verschillende offers die gebracht werden in het Tabernakel en later in de Tempel. De offers dienden verschillende doelen. Er waren dagelijkse offers om ons elke dag met G’D te verbinden, speciale offers in verband met verschillende feestdagen, dankoffers en zondeoffers, vredeoffers en eerstgeboren dieroffers. De Wijzen verklaren dat met de verwoesting van de Tempel, haar heiligheid elk Joods individu omringt. Door onze gebeden, eetgewoonten zoals voorgeschreven en pogingen G’D’s aanwezigheid in deze wereld te reveleren, herscheppen wij de energie van de Tempel en brengen wij verbinding met G’D voort, met ons en met de wereld.

 

Rebbe Mendel van Kosov schreef dat in de tijd van de Tempel, wanneer een persoon in zonde zou vervallen, hij een offer zou brengen en er daardoor voor worden verzoend. Heden ten dage bereiken we het zelfde door vermeerdering van tzedaka. Maar hoe geven we op Shabbat wanneer we geen geld gebruiken? We inviteren één of meerdere behoeftigen of alleenstaande personen ( elke gast is goed). De gasten eten en de huisbewoners zijn verzoend. Trouwens, in verband met de gewoonte om elke dag tzedaka te geven, geven we op vrijdagmiddag voor een tweede keer, of de middag voor een feestdag om de heilige dag ook te beslaan.

 

 En de Eeuwige sprak tot Mozes, ” Draag [in het Hebreeuws, ‘tzav’]) Aaron en zijn zonen het volgende op, ‘Dit is de Thora voor het in vlammen opgaand offer”. (Leviticus. 6:1-2) 

 

Rashi verklaart dat het woord “tzav” alleen wordt gebruikt in het geval waarin op snelheid wordt aangedrongen of een bijzonder enthousiasme in het uitvoeren van een mitzwa, en dat dit onmiddellijk van toepassing is, nu en voor altijd. De Lubavitcher rebbe zegt dat “tzav” zinspeelt op hoe wij verondersteld worden elk van de mitzwot te doen, betekenend dat zij energiek gedaan moeten worden, doordrenkt met vreugde en hevig verlangend om de wens van onze Schepper te vervullen. Rashi’s keuze van het woord “onmiddellijk” laat ons zien dat wanneer een mitzwa tot ons komt, we het niet moeten uitstellen, maar onmiddellijk moeten uitvoeren. Zijn gebruik van het woord “voor altijd” houdt in dat deze handeling niet eenmalig is, maar continueert tot het einde der tijden in twee dimensies; ten eerste brengt het vruchten voort, fruit van vruchten en ten tweede, de handeling van de mitzwot zelf continueert voor altijd. Parashat Tzav gaat gewoonlijk Pesach vooraf en het is gepast dat we Pesach  en het jaar dat volgt, ingaan met een gewaarwording van wat het doen van een mitzwa is.

 

De Shabbat voor Pesach wordt Shabbat HaGadol (“de Grote Shabbat”) genoemd, omdat onmiddellijk voor onze verlossing uit Egypte, op de 10e van de maand Niesan, elke familie het gebod kreeg opgelegd om een lam uit te kiezen voor het brengen van hun Pesachoffer vier dagen later. De Midrash zegt dat Mozes verbaasd was: “Weet U niet dat het lam een god voor hen is?” En G’D antwoordde, “Het is beter om Mij onmiddellijk te geloven”! Israël zal Egypte niet verlaten voordat zij de god van de Egyptenaren in aanwezigheid van hen hebben geslacht, om aan te tonen dat hun goden niets zijn”. En zo gebeurde het dat in dat jaar de 10e van de maand Niesan viel op Shabbat. De eerstgeborenen van de Egyptenaren verzamelden zich en vroegen de Joden wat zij aan het doen waren en de Joden antwoordden dat het lam diende als Pesachoffer voor G’D omdat Hij de eerstgeborenen van de Egyptenaren zou treffen. Dit is de betekenis van het vers in het ochtendgebed van Shabbat “de Egyptenaren te treffen met hun eerstgeborenen”. Dit is een belangrijke gebeurtenis en de 10e  van de maand Niesan zou waardig geweest zijn als feestdag, ware het niet dat Miriam stierf op de zelfde datum veertig jaar later, dus in de plaats daarvan vieren we het jaarlijks op de Shabbat vóór Pesach. Zorg ervoor dat je het vermeldt aan de Shabbat tafel.

 

Het feitelijk basis idee van Shabbat HaGadol is dat je slechts een paar dagen hebt tot Pesach en de Seder. Al dan niet verantwoordelijk voor het schoonmaken, Sedervoorbereidingen, niemand kan garanderen dat jij en diegene die verantwoordelijk zijn het meeste uit de feestdag zal halen, behalve jij zelf. De heilige Ari van Safed verzekert dat door het nakomen van de Voorschriften van Pesach we zullen worden verlost van al onze spirituele en fysieke limitaties. Dit echter zal alleen gebeuren als er voorbereidingen zijn getroffen.

Één voorbereiding (een andere reden waarom het Shabbat HaGadol wordt genoemd) is de gewoonte dat iedereen gaat luisteren naar zijn Rabbi die spreekt en uitleg geeft over de voorschriften van Pesach, één van de meest belangrijke verhandelingen van het jaar. Elke gemeenschap heeft zijn specifieke nuances, dus is het belangrijk om een locale expert te horen.

 

Nog een andere voorbereiding is het wijdverspreide en aanbevolen gebruik om de Haggada te lezen rond Mincha, het middaggebed op Shabbat HaGadol; dit was toen de eigenlijke verlossing begon. Het helpt ons ook de tekst voor de Seder  fris en eigen in onze gedachten te hebben.

 

SHABBAT SHALOM

SEVEN DAYS YOU SHALL NOT EAT CHAMETZ

A lesson on Passover – by Seree Cohen.

The Torah says don’t eat chametz, eat matzah. What could this possibly have to do  with Cohanim?  (1)

Passover is around the corner and it’s a good time to take a quick look at some of the things we do during this holiday, and especially on the first evening, known as Leyl haSeder, the night when the Seder (order) is conducted along with reading the Haggadah (from the root for ‘relating, telling’ – Ex.13:8 vehigadta ).

For this brief study, we first need to read Shemot (Exodus) chapters 12 & 13.  Further in this article, I’ve summarized the verses most relevant to this discussion, but it is important that both chapters are read fully.

Those of you who have participated in the courses will have learned that there is a difference between an absolute commandment and a conditional one.  We saw this with Adam and Chava, who were told not to eat of a certain tree lest they die – in other words, they should not eat of it, but if they do, they will not be punished.  Rather, they will set in motion a process called ‘death’ which encompasses a range of experiences that cannot coexist with living in Eden.   In the verses of Ex.12-13, we can also see two aspects of the same commandment: you shall eat matzah (unleavened bread); and, you shall not have any chametz (leavening) in your possession (and therefore, of course, you shall not eat it) for 7 days.

Let us look briefly at the main points of Ex.12:

v.3 – on the 10th day of the month, every household shall set aside a lamb

v.5 – it shall be young and free of blemish (it may also be a goat)

v.6 – it shall be kept aside for the next 4 days (that is, ‘dedicated’)

v.8 – the flesh shall be roasted on the night of the 14th, eaten with unleavened bread

v.9 – the whole animal must be completely roasted

v.10 – whatever is not eaten must be thoroughly burned through: nothing shall remain of it in a useful state

v.11 – it shall be eaten hastily, with the people of Israel in a state of readiness: with your shoes on your feet, etc.

v.14 – this day shall be a memorial…forever

v.15 – from the first day (of this dedicated week) all leaven must be out of the home, and whoever eats leaven during the coming 7 days will be cut off from Israel.

v.19 – repeats the fact that no leaven can be found in Israel’s habitations

v.21 – Moses conveys the command to all heads of families to kill the Passover lamb and eat it within the family group

v.29 – At midnight G-d smites all Egypt’s firstborn, both human and beast.

v.41 – (At midnight), G-d brings out the whole of His host

Ch.13:2 – Every first born of Israel (and of beast) is sanctified to G-d

First we must clarify the following:  as we see from the verses in these chapters and particularly, the summarized verses, we are commanded to eat matzah up until midnight of the first day of the festival (remembering that ‘day’ in the Jewish calendar commences at sundown) [Ex.12:29, 41].  However, it is further commanded that it is forbidden to eat any form of chametz for a full seven days.  Other than the first evening, there is no positive commandment to eat matzah, but there is a commandment concerning what NOT to eat.  We could say that the default is: only matzah on the first night, and NO chametz for the whole 7 days.

At this point, it is worth taking a brief glimpse at the significance of the two different blessings made on eating the matzah.  During the seder itself, the blessing is: Blessed are You, G-d, our Lord, King of the Universe, on eating the matzah [al achilat matzah]. During the rest of the festival, the blessing is the same as that for bread:  Blessed are You, G-d, our Lord, King of the Universe, who draws bread out from the earth [hamotzi lechem min ha’aretz].

By setting these specific blessing, the Sages have clearly indicated the two different aspects involved in eating matzah:  for most of the festival, eating matzah represents the equivalent of eating everyday bread, and thus the blessing pronounced is the same as that for bread; in other words, the blessing we make indicates the default of NOT eating chametz.  But during the Seder conducted on the first night, the blessing clearly corresponds to the positive commandment to eat matzah [Ex.12:8]. We can now also understand, very easily, why this commandment to eat matzah is limited to being completed by midnight [v.29, 49].

But there is an additional explanation of why we MUST eat matzah by midnight of the first day, and MUST NOT eat chametz for a full week.  The sages explain that for this week, the whole people of Israel are like Cohanim (Cohen – priest; plural – Cohanim) in G-d’s eyes; and that when G-d told Moses he would redeem the Hebrews, as they were still known, he was in fact redeeming B’ni, B’chori – my son, my firstborn.  We can see how this is alluded to by drawing on the laws relating to the Cohen and comparing them with some of the actions we take during the seder service.

Somewhat later in the Torah, we learn that the Israelites were divided into 3 main groups: Cohen (priests), Levi (Levites; Leviim) and Israel (everyone else).  All those considered ‘Israel’ received a portion of land; only the Cohanim and Leviim did not.  The tribe of Levi and particularly, the Cohanim from within that tribe, were considered ‘firstborn’ to G-d and thus, wholly dedicated to G-d’s service. While the focus of life for ‘Israel’ was generally the physical and material, the focus for the Leviim and Cohanim was the spiritual.  The connection between the two spheres, Cohen-Levi  and Israel, came about through the services centered around the altar.  The Israelites would bring their sacrifices and offerings, and the Cohanim and Leviim would carry out the required preparations, and receive a part of these sacrifices, then return the rest to the person or family who had brought the offering (2). Every action made by a Cohen during his shift that involved touching something moist or intended for holy purposes (the offerings and sacrifices) required that a Levi would first pour water over the Cohen’s hands to purify them, though no blessing was made.  In addition, one of the strictest laws concerning priestly service was that absolutely no leaven was allowed ever to touch the altar; nor was any iron allowed to touch it.

We can now take a closer look at some of the interesting actions universally undertaken by Jews celebrating the seder service.  These actions, while often called ‘customs’ or ’traditions’, actually contain far deeper meaning and raise Jews who keep them to a very high spiritual level:

We note that immediately after the blessing over the wine, we wash our hands and then eat ‘karpas’ (variously, lettuce, parsley or some other leafy vegetable) but we do not recite a blessing over washing the hands in the manner that we normally do before we sit down to a full meal that includes bread.  In fact, one attendee of the seder service brings a bowl of water to each of the others at the table; hands are washed and no blessing is recited. This follows the actions of the Cohen’s service at the altar; the Cohen’s hands are washed by the Levi.

Among the symbolic items on the seder plate there is usually a piece of meat with bone, roasted completely while still maintaining an edible state, representing  the Passover sacrifice [Ex.12:9-10].  When we refer to it during the reading of the Haggada, we usually point to it or touch it with our finger but must not touch it with our cutlery or utensils: this is in accordance with the command that no metal object may touch the altar or anything on it.

The Hebrews and later, the Israelites, are commanded to take a Passover sacrifice and eat it in their family group.  This is the only sacrifice of which the Cohanim did NOT receive a portion.  Instead, it is used in entirety by the family.

Let us look for a moment at a slightly earlier situation, appearing in Ex.1:9:   [v.8 – Now there arose a new king over Egypt who did not know Joseph].  V.9 – And he said to his people, ‘Behold, the nation-of-the-children-of-Israel are too numerous and too mighty for us.

This is the one and only time ever when the Hebrews are called am-bnei-yisrael or, as I have tried to indicate in the translation, nation-of-the-children-of-Israel. We know that up until this point, the persons who came to Goshen, an area adjacent to Egypt proper, were Jacob and his extended family.  Yet generations later, in Ex.1: 8-9, a new Pharaoh prophetically calls this people, who have proliferated despite their hardship, the ‘nation of the children of Israel’ – a strange term that encompasses the transition from a loose populace to a unified group, before they themselves realize they are about to become a nation.

Additionally, we eat a ‘sandwich’ comprised of two pieces of matzah around lettuce or karpas, which is noted specifically in the Haggadah as ‘according to Hillel’ and called “Korech”.  Hillel the Elder has in fact adopted this act straight from the Cohanim and integrated it into the seder: the Cohanim would eat matzah with their regular meals during their shifts.  In this way, they ensured that no chametz could come into contact with the altar.  Simply stated, we eat the Korech, emulating the actions of the Cohanim during priestly service.

Finally, immediately following the Torah’s detailing of the Passover sacrifice and how the Hebrews must prepare themselves [Ex.12] we find, in Ex.13:2 what seems to be a strangely inserted reference to ‘dedicated firstborns’.  Yet its position here beautifully sums up the state of the Hebrews as they flee Egypt and transform into a nation.

We are now well positioned to understand that all differentiations between Jews are eliminated on the Seder night.  We are all equally considered dedicated  like  ‘cohanim’ to G-d, who redeemed His goy kadosh (3), His holy people, who are like first-borns, like priests.  On this night, 14th of the first month of the year of months, it was as though the Hebrews were like newborns, about to be reconnected with G-d in a unique form that culminated in multiple miracles and finally, the giving of the Torah.  Therefore, on this night, up until midnight, we are commanded to eat matzah in memory of the hastiness of our exit from Egypt, and in recollection of the fact that in G-d’s eyes, we were all as first-borns and thus dedicated to Him, as the Levites and Cohanim are dedicated forever.  For one full week, sheva yamim, we remain in this state of dedication, and therefore may not eat any chametz whatsoever.  At the end of the sheva yamim, this state of firstborn, dedication, or priesthood, is ‘redeemed’ and we return – shav – to our normal status, of Cohen, Levi, and Israel, and can then return to eating chametz.

May we enjoy a wonderful Pessach.

*  *  *  *  *

(1)  In the name of my teacher, Rabbi Y.(M) Kujawsky.

(2)  In this way, the inverse aspects, being the spiritual wellbeing of Israel and the physical wellbeing of the Levites and Cohanim, were also closely inter-related: any change for better or worse in one group would impact to the same degree on the other group.

(3)  This specific term appears in Ex.19:6 – v’atem tih’yu li mamlechet cohanim vegoy kadosh – and you shall be unto Me a kingdom of priests, and a holy nation.  In Deuteronomy, which recapitulates the various laws that the Children of Israel must observe, Deut.16:1-8 restates the laws of Passover, and 28:9 refers to the people again as am kadosh – a holy nation.

PARASHAT TSAV

SHABBAT HAGADOL

 

Draag op    Leveticus.  6:1 – 8:36

 

Van begin tot eind spreekt het Thoragedeelte van deze week over de verschillende offers die gebracht werden in het Tabernakel en later in de Tempel. De offers dienden verschillende doelen. Er waren dagelijkse offers om ons elke dag met G’D te verbinden, speciale offers in verband met verschillende feestdagen, dankoffers en zondeoffers, vredeoffers en eerstgeboren dieroffers. De Wijzen verklaren dat met de verwoesting van de Tempel, haar heiligheid elk Joods individu omringt. Door onze gebeden, eetgewoonten zoals voorgeschreven en pogingen G’D’s aanwezigheid in deze wereld te reveleren, herscheppen wij de energie van de Tempel en brengen wij verbinding met G’D voort, met ons en met de wereld.

 

Rebbe Mendel van Kosov schreef dat in de tijd van de Tempel, wanneer een persoon in zonde zou vervallen, hij een offer zou brengen en er daardoor voor worden verzoend. Heden ten dage bereiken we het zelfde door vermeerdering van tzedaka. Maar hoe geven we op Shabbat wanneer we geen geld gebruiken? We inviteren één of meerdere behoeftigen of alleenstaande personen ( elke gast is goed). De gasten eten en de huisbewoners zijn verzoend. Trouwens, in verband met de gewoonte om elke dag tzedaka te geven, geven we op vrijdagmiddag voor een tweede keer, of de middag voor een feestdag om de heilige dag ook te beslaan.

 

 En de Eeuwige sprak tot Mozes, ” Draag [in het Hebreeuws, ‘tzav’]) Aaron en zijn zonen het volgende op, ‘Dit is de Thora voor het in vlammen opgaand offer”. (Leviticus. 6:1-2) 

 

Rashi verklaart dat het woord “tzav” alleen wordt gebruikt in het geval waarin op snelheid wordt aangedrongen of een bijzonder enthousiasme in het uitvoeren van een mitzwa, en dat dit onmiddellijk van toepassing is, nu en voor altijd. De Lubavitcher rebbe zegt dat “tzav” zinspeelt op hoe wij verondersteld worden elk van de mitzwot te doen, betekenend dat zij energiek gedaan moeten worden, doordrenkt met vreugde en hevig verlangend om de wens van onze Schepper te vervullen. Rashi’s keuze van het woord “onmiddellijk” laat ons zien dat wanneer een mitzwa tot ons komt, we het niet moeten uitstellen, maar onmiddellijk moeten uitvoeren. Zijn gebruik van het woord “voor altijd” houdt in dat deze handeling niet eenmalig is, maar continueert tot het einde der tijden in twee dimensies; ten eerste brengt het vruchten voort, fruit van vruchten en ten tweede, de handeling van de mitzwot zelf continueert voor altijd. Parashat Tzav gaat gewoonlijk Pesach vooraf en het is gepast dat we Pesach  en het jaar dat volgt, ingaan met een gewaarwording van wat het doen van een mitzwa is.

 

De Shabbat voor Pesach wordt Shabbat HaGadol (“de Grote Shabbat”) genoemd, omdat onmiddellijk voor onze verlossing uit Egypte, op de 10e van de maand Niesan, elke familie het gebod kreeg opgelegd om een lam uit te kiezen voor het brengen van hun Pesachoffer vier dagen later. De Midrash zegt dat Mozes verbaasd was: “Weet U niet dat het lam een god voor hen is?” En G’D antwoordde, “Het is beter om Mij onmiddellijk te geloven”! Israël zal Egypte niet verlaten voordat zij de god van de Egyptenaren in aanwezigheid van hen hebben geslacht, om aan te tonen dat hun goden niets zijn”. En zo gebeurde het dat in dat jaar de 10e van de maand Niesan viel op Shabbat. De eerstgeborenen van de Egyptenaren verzamelden zich en vroegen de Joden wat zij aan het doen waren en de Joden antwoordden dat het lam diende als Pesachoffer voor G’D omdat Hij de eerstgeborenen van de Egyptenaren zou treffen. Dit is de betekenis van het vers in het ochtendgebed van Shabbat “de Egyptenaren te treffen met hun eerstgeborenen”. Dit is een belangrijke gebeurtenis en de 10e  van de maand Niesan zou waardig geweest zijn als feestdag, ware het niet dat Miriam stierf op de zelfde datum veertig jaar later, dus in de plaats daarvan vieren we het jaarlijks op de Shabbat vóór Pesach. Zorg ervoor dat je het vermeldt aan de Shabbat tafel.

 

Het feitelijk basis idee van Shabbat HaGadol is dat je slechts een paar dagen hebt tot Pesach en de Seder. Al dan niet verantwoordelijk voor het schoonmaken, Seder voorbereidingen, niemand kan garanderen dat jij en diegene die verantwoordelijk zijn het meeste uit de feestdag zal halen, behalve jij zelf. De heilige Ari van Safed verzekert dat door het nakomen van de Voorschriften van Pesach we zullen worden verlost van al onze spirituele en fysieke limitaties. Dit echter zal alleen gebeuren als er voorbereidingen zijn getroffen.

Één voorbereiding (een andere reden waarom het Shabbat HaGadol wordt genoemd) is de gewoonte dat iedereen gaat luisteren naar zijn Rabbi die spreekt en uitleg geeft over de voorschriften van Pesach, één van de meest belangrijke verhandelingen van het jaar. Elke gemeenschap heeft zijn specifieke nuances, dus is het belangrijk om een locale expert te horen.

 

Nog een andere voorbereiding is het wijdverspreide en aanbevolen gebruik om de Haggada te lezen rond Mincha, het middaggebed op Shabbat HaGadol; dit was toen de eigenlijke verlossing begon. Het helpt ons ook de tekst voor de Seder  fris en eigen in onze gedachten te hebben.

 

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJIKRÁ

En Hij riep                      Leviticus. 1:1 – 5:26Rabbi Jitzchak LuriaSha’ar HaMitzwot en Ta’amei HaMitzwotHet Offeren van de Dierlijke Ziel

“En elk meeloffer van jou moet je met zout bestrooien; bij al je offers moet je zout brengen.”

Wanneer het vertroebelende deel van de Dierlijke Ziel in de mens opstijgt naar de ziel van Asiya om er voeding van te verkrijgen, brengt het hem tot negatief gedrag.

Onopzettelijk negatief gedrag wordt goedgemaakt door offers Wat veroorzaakt bij een persoon negatief gedrag? Wanneer iemand zich met opzet negatief gedraagt, kunnen we dit toeschrijven aan een zekere” tijdelijke vorm van waanzin “, met andere worden, het feit dat hij wordt bedrogen (door zichzelf of door iemand anders), door te denken dat negatief gedrag geen kwaad zal veroorzaken of in feite een voordeel is voor zijn G’ddelijk bewustzijn. Maar wanneer het brein er niet bewust bij betrokken is, waarom zou iemand dan zondigen? En bovendien, als zijn negatief gedrag onopzettelijk was, waarom zou hij dan naar verzoening moeten streven?

De Arizal verklaart hier dat onopzettelijk negatief gedrag een uitvloeisel is wanneer het dierlijke in een persoon de overhand heeft over zijn G’ddelijke wezen. De “vertroebeling” van het dierlijke perspectief, de tendens om te relateren tot de wereld in termen van “natuur” eerder dan in termen van zijn G’ddelijke origine, maakt de persoon ongevoelig voor G’ddelijkheid.

Het deel van de ziel dat het bewustzijn vormt van de mens, is altijd verbonden met de delen van de ziel die boven dat bewustzijn uitreiken, met andere worden, de oorsprong van de ziel in de hogere werelden. Wanneer iemand een dierlijk bewustzijn cultiveert (opzettelijk of onopzettelijk), beïnvloedt dit perspectief de lagere niveaus van zijn zielsoorsprong in de hogere werelden; deze onvolkomenheid in zijn zielsoorsprong heeft nawerking in zijn onderbewustzijn, waar uit vervolgens onopzettelijk negatief gedrag resulteert.

Maar wat is de oorzaak van de vertroebeling [van de dierlijke oriëntatie] in de eerste plaats? Is het de Dierlijke Ziel van de mens, die extern is [aan de G’ddelijke Ziel]?

Door zijn dierlijke natuur en behoeften te overvloedig tevreden te stellen, desensibiliseert de persoon zichzelf ten aanzien van G’ddelijke aangelegenheden, zoals we al zeiden. Het is om die reden dat onopzettelijk gedrag verzoening vereist: zij is een barometer van het individuele niveau van G’ddelijk bewustzijn. Wanneer iemand een onopzettelijk gedrag vertoont, betekent dit dat ergens in zijn psyche zijn dierlijke natuur de overhand krijgt.

Daarom, wanneer een mens zich negatief heeft gedragen, [is zijn restitutie] het offeren van een Dierlijke Ziel van een dier, want zij was de oorzaak van het negatieve gedrag. Dan daalt er vuur neerwaarts van uit de Hemel en verbrandt dit negatieve gedrag. De oorsprong van de Dierlijke Ziel in de mens is dan gereinigd en gezuiverd en ermee verzoend, want al deze zijn gehouwen vanuit de zelfde bron. Het begrijpen van het brengen van de offers is een zeer diepe spirituele aangelegenheid.

De purificatie van de Dierlijke Ziel komt tot stand door G’D’s vertering van een realistische manifestatie van de Dierlijke Ziel, een dier. Want de intelligentie van een dier is praktisch geheel gericht op het bevredigen en zorgen voor zijn dierlijke noden en instincten. Door zichzelf aan G’D te vertegenwoordigen [een persoon] in de vorm van een dier, erkent de persoon die het offer brengt, tot op zekere hoogte, dat hij dierlijk “werd”.

Hier zien we opnieuw dat de Kabbalistische definitie van kwaad ( die eenvoudig de Joodse definitie van kwaad verwoord in de context van mystieke kosmologie) in het geheel niet de stigma’s van kwaadaardigheid draagt die het woord suggereert in de westerse cultuur. Kwaad is gewoonweg datgene dat niet G’ddelijk bewustzijn bevordert, het is ten aanzien er van antagonistisch. Ja, kwaad is slecht en schadelijk, maar alleen omdat het G’ddelijk denken belemmert, niet omdat er zoiets is als intrinsiek slecht.
Dus het beeld dat gebruikt wordt om kwaad aan te duiden in Kabbala “kelipa”, is de ” schil” die de toegang tot het binnenste van het fruit belemmert.

Dus in deze passage zien we dat de morele neutrale fysieke wereld wordt omschreven als “kwaad”, dit omdat het dient om G’ddelijke te verhullen van ons bewustzijn. Het erkennen en accepteren van G’ddelijkheid aanwezigheid in de Schepping breekt de schil open. Maar zoals een omhulsel of schil van fruit of noten, dient kwaad ook een constructief doel; het beschermt en koestert het fruit er in tot het rijp is. Zo ook wanneer een kind bijvoorbeeld zich ontwikkelt, moet hij eerst zijn eigen zelf, zijn ego waarnemen en vestigen. Alleen later kan hij zichzelf opnieuw definiëren in termen van een breder maatschappelijk bewustzijn en uiteindelijk G’ddelijkheid.

Daarom, toen de Tempel bestond, brachten de offers teweeg dat de vonken opstegen. In onze dagen nemen de gebeden de plaats in van de offers. Daarom bestaan de gebeden uit twee delen: actie en spraak, zoals is verklaard in Sefer HaKawanot, Sha’ ar HaTeffilla.

De liturgie evenaart het omhoog stijgen van de ziel door de vier werelden, net zoals het offer. De ochtendzegeningen en gebeden tot aan Baroech She’ amar (Gezegend zij Hij die sprak…”) beschrijft de Tempeldienst en is dus parallel aan de wereld van Asiya. De “Verzen om G’D’s lof te bezingen” (Pesoeke Dezimra, van Baroech She’ amar tot Jishtabach) stuurt de emoties en is daarom dus parallel aan de van wereld van Yetzira. Het reciteren van het Shema en de zegeningen er voor en er na richten zich naar het intellect en zijn daarom parallel aan de wereld van Beriya. Het staande gebed (Shemone Esre) geeft de vereniging met G’D weer en is parallel aan de wereld van Atziloet.
Gebed is hoofdzakelijk en vooral een zaak van spraak, het articuleren van woorden. Maar aan het begin van elke stijging naar een hogere wereld, is een begeleidende handeling. Voor het binnengaan de wereld van Asiya, wast iemand zijn handen voor het zeggen van de eerste zegen, ” …. Die ons heeft opgedragen de handen te verheffen.” Bij het binnengaan van de wereld van Yetzira, neemt de persoon de twee voorste tzitziet in zijn linkerhand en zegt tijdens het vasthouden Baroech She’ amar. Bij het binnengaan van de wereld van Beriya, raakt de persoon zijn Tefillien aan als hij de zegen ” …die licht heeft gevormd en duisternis heeft gecreëerd….” (Pri Chaim, Keriat Shema 1, Zohar III:120b)

De articulatie van de woorden van het gebed drukken onze emoties uit (Yetzira), onze intellectuele meditaties over de begrippen in de liturgie (Beriyai) en onze transcendente vereniging met G’D (Atziloet). Door het opnemen van actie (Asiya) in de gebeden, kan dit niveau ook opstijgen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WAJAKHEEL- POEKOEDÉ

En hij liet samenkomen – De berekeningen Exodus. 35:1 – 38:20 – 38:21 – 40:38

Rabbi Jitzschak Luria

Van de geschriften van de Ari, Sha’ar HaPesoekiem

Wetend waar je behoort

Het Thoragedeelte van verleden week, Ki Tiessá, beschrijft het beruchte incident van het Gouden Kalf. De Arizal ziet het begin van het Torahgedeelte van deze week als terugverwijzing naar dat incident en beschrijft de wijze waarop het Joodse Volk haar spirituele status kon herstellen naar hoe die was vóór het incident.

Ons werd onderwezen dat, hoewel de meerderheid van het Joodse Volk het Gouden Kalf aanbad, de instigators van dit incident niet de Joden zelf waren, maar de „gemengde menigte“ die met hen uit Egypte trokken (Exodus 12:35). Deze waren de eerste bekeerlingen van het Joodse Volk.

Wanneer een niet Jood er naar streeft om over te gaan naar het Jodendom en geaccepteerd wordt als een deel van het Joodse Volk, houdt de rabbi of het rabbijns gerechtshof toezicht op dit proces om zeker te zijn dat zijn/haar motieven zuiver zijn en dat hij/zij niet probeert over te gaan met andere bedoelingen. Het was om die reden dat tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon geen bekeerlingen werden geaccepteerd en niet zullen worden geaccepteerd wanneer eenmaal Mashiach is gekomen: Wanneer het Joodse Volk materieel welvarend zal zijn, zoals zij waren tijdens de regeringsperiode van Koning Solomon en zoals zij zullen zijn in de Messiaanse Era, dan is het namelijk onmogelijk om vast te stellen of de motieven van een toekomstige bekeerling puur zijn.

Evenzo is, de “ gemengde menigte” van niet Joden die zich verenigde met het Joodse Volk toen zij Egypte verlieten, een klassiek voorbeeld van onoprechte opportunistische bekering. Want zij waren getuigen van de Tien Plagen (die plaats vonden over een periode van een jaar), het is niet moeilijk voor te stellen dat zij aan de kant van het Joodse Volk stonden eerder vanuit een algemeen menselijke zwakte voor macht en succes, dan vanuit een oprechte toewijding aan waarheid tot elke prijs.

Dus toen het onaangenaam begon te worden, kwam de zwakheid van deze betrokken mensen aan het licht en zochten zij naar hulp. Mozes kwam niet terug van de berg, het volk bleef achter zonder leider, zonder iemand die een intermediair was tussen hen en G’D. Het antwoord was voor de hand liggend voor deze gemengde menigte, die slechts kort geleden afstand had gedaan van hun oude afgodische godsdiensten om de Joden te kunnen vergezellen: “En het volk dat merkte dat Mozes talmde om van de berg te komen, liep tegen Aaron te hoop en ze zeiden tegen hem: “Kom maak een god voor ons die ons kan voorgaan, want deze man Mozes die ons uit Egypte heeft gevoerd…. Wij weten niet wat van hem geworden is!” …..Dus [Aaron] nam het goud van hen ….en gaf er vorm aan en maakte er een gegoten kalf van; en ze zeiden : “Dezen zijn jullie goden, O’ Israël die jullie uit Egypte hebben gevoerd. “” (Exodus. 32: 1-4) Merk op dat de makers van het Gouden Kalf Israël aanspreken in de tweede persoon, betekenend dat zij zichzelf niet beschouwden als behorend tot het oorspronkelijke Joodse Volk.

Aangezien Mozes en de generatie van de woestijn op het [spirituele] niveau van Yesod Abba waren, moest Mozes hen bijeenbrengen zodat zij konden terugkeren naar hun oorsprong en een deel van hem konden worden. Op deze manier [heelde hij hen] van de misstap van ´ liep het tegen Aaron te hoop” liet op hen het licht van heiligheid schijnen en wiste zo de onreinheid van [het dienen] van het [Gouden] Kalf voor hen uit.

Vanwege het feit dat de generatie van de Exodus de leerlingen waren van Mozes en de originele ontvangers, werden zij evenzo verheven tot dit diepgaande niveau van bewustzijn. Aldus wordt in de Talmoed gerefereerd aan deze generatie als de “generatie van kennis”.

In het Judaïsme wordt zonde gedefinieerd als iets dat in bepaald opzicht iemands bewustzijn van G’D degenereert of vervormt. Er zijn natuurlijk vele niveaus, variërend van de subtiele “onschuldige” zonden zoals doen waar je zin in hebt van gepermitteerde genoegens ( glatt koshere chocola) tot de door en door openlijke zonden waarop serieuze bestraffingen staan. Het gemeenschappelijke kenmerk echter is dat in meerdere of mindere mate zij allen worden overweldigd door “tijdelijke misvatting” dat G’D het niet erg vind of het over het hoofd ziet. De wet van inertie dicteert dat onschadelijke overtredingen geleidelijk verworden tot regelrechte zonden.

Dit was het geval met de zonde van het Gouden Kalf. Ondanks hun intens bewustzijn van G’D’s realiteit in hun leven en juist omwille van deze realiteit, besefte deze generatie dat er iemand moet zijn zoals Mozes, die kan dienen als een kanaal tussen hen en G’D’s boodschappen. Toen hij niet terugkeerde van de berg op de vastgestelde tijd, was de gedachte om te continueren zonder zo’n medium onverdraaglijk. In plaats van zich te verlaten op G’D’s voorzienigheid, verlieten zij zich op hun eigen oordeel ( zij hadden een onjuiste berekening gemaakt van Mozes terugkeer van de berg). Het subtiele gebrek aan vertrouwen ontaardde volledig in een afgodische zonde, aangezien zij beide verschillende gradaties van ontkenning van G’D’s aanwezigheid zijn in iemands leven.

Dus door het plegen van de zonde van het Gouden Kalf, viel het Joodse Volk van hun vorige staat van bewustzijn, Yesod Abba. In plaats van hun vermogen van Yesod, te gebruiken om de wijsheid van de Thora en, het besef van G’D in deze wereld te brengen en te kanaliseren, gebruikte zij Yesod om “te hoop te lopen tegen Aaron” en dwongen zij hem om een afgod voort te brengen, een proclamatie dat G’D afstand heeft gedaan van Zijn betrokkenheid met de wereld ten gunste van ondergeschikte krachten. In hun gedachten, werd de G’ddelijke boodschap niet langer geconcentreerd en gekanaliseerd door Mozes, maar geheel verspreid over de krachten van de natuur, waardoor het nu noodzakelijk werd om die te eren en over te halen om te mogen dienen, voor het waarnemen van de verhulde spiritualiteit.

Zoals we eerder hebben uitgelegd, is Abba de naam van de partzoef (een volledige serie van Sefirot) die voortkomt uit de Sefira van Chochma. Chochma is in het algemeen het fundamentele inzicht of de wijsheid van de Schepping, met andere woorden, de Thora, die G’D gebruikte als Zijn “blueprint” voor het creëren van de wereld. Elk nieuw inzicht dat een persoon ontvangt betreffende een of ander aspect van de realiteit is, in zijn waarlijk pure vorm, een inzicht in de Thora. Mozes, die het menselijke kanaal was waardoor G’D de Thora aan de wereld gaf, personifieert en belichaamt dus dit spirituele niveau.

En in het bijzonder, zegt de Arizal, personifieert hij de sub- sefira van Yesod van Abba. Yesod is de sefira van verbinding en overbrenging; al de voorgaande sefirot vloeien samen in Yesod en worden er door gekanaliseerd. In de gelijkenis die bestaat tussen de sefirot en het lichaam, correspondeert Yesod met de voortplantingsorganen.

Deze nadrukkelijke samenvloeiing is de oorsprong van sexuele zonde, door welk een persoon zij creatieve krachten in vele richtingen verspreidt in plaats van het te concentreren in één gewijd kanaal. In plaats van zijn creativiteit te gebruiken voor het bouwen en sterken van een familie, een achtergrond door welk het bewustzijn van G’ddelijkheid kan worden vergroot en vermeerderd in deze wereld, verspreidt hij het in de natuur, gevolgd door de teleurstelling aangeboden door de tijdelijke opwinding. Zo wordt ons dus onderwezen dat de verering van het Gouden Kalf niet alleen idolatrie maar ook orgie is. De heling natuurlijk moet er nadrukkelijk op gericht zijn om de spirituele focus terug te brengen naar waar die hoort, naar Mozes, het legitieme kanaal voor G’ddelijke energie en wijsheid in de Schepping.

Dus staat er geschreven, “En verzamelde de gehele gemeenschap”(Exodus.35:1) Het woord voor “gemeenschap” [in het Hebreeuws, “adat”] kan worden herschikt tot het woord “kennis” [in het Hebreeuws, “daat”].

Door zich te focussen op Mozes en het licht te zoeken van de Thora, bracht het Joodse Volk haar kennis van G’D terug in haar gepaste vorm. Dit wordt aangegeven door het feit dat de woorden voor “gemeenschap” en “kennis” exact de zelfde letters bevatten, alleen in een andere volgorde.

Bovendien hebben de woorden voor “gemengde menigte” [in het Hebreeuws, “erev rav” ook de zelfde numerieke waarde als het woord voor [“daat”]. Dit omdat zij ook dit [sublieme] aspect van G’ddelijkheid bezitten, hoewel enkel de residu’s.

Omdat zij eveneens de zonde van het Gouden Kalf begingen door samen te komen tegen Aaron, zoals staat geschreven “en het volk verzamelde zich rond Aaron”, benodigde zij een andere, [heilige] gemeenschap om hen te rectificeren, zoals staat geschreven: “En Mozes verzamelde de gehele gemeenschap”.

Aan de ene kant, ervoer de gemende menigte de G’ddelijke mirakels in Egypte en de G’ddelijke voorzienigheid toe het Joodse Volk had begeleid gedurende de daarop volgende drie maanden*, met als resultaat dat zij enigszins een bewustzijn hadden bereikt dat gegeven was aan het volk. Aan de andere kant konden zij, omdat hun motieven niet zuiver waren, niet volledig assimileren met het Joodse Volk zelf.

*De Exodus vond plaats op de 15e van de maand Nissan; de zonde van het Gouden Kalf gebeurde op de 16e van de maand Tamoez.]

Bovendien, aangezien zij zondigde door het woord “dezen” te gebruiken, zoals zij zeiden: “Dezen zijn jullie goden, O’Israël”, het tegenovergestelde [en heilige gebruik van dit woord] werd aangewend om hen te rectificeren toen [Mozes] zei [in de huidige context]: “Dit zijn de…… “

We zouden hebben verwacht dat de gemengde menigte tegen het Joodse Volk zou zeggen “dit is jullie god, O’Israël”, aangezien per slot van rekening er maar één kalf was. Het feit dat zij verkozen om hun bewering in de meervoudsvorm uit te drukken betekende, dat hun degenererende intentie zo groot was “dat zij er naar verlangden een menigte van goden te dienen”. (Rashi op Exodus. 32:1) Om deze aberratie te rectificeren moest de zelfde term worden gebruikt om hen terug te focussen in de gepaste oorsprong van spiritueel licht van Thora.

Aangezien iemand die afgoden dient wordt beschouwd als of hij de hele Thora heeft verloochend, gaf [Mozes] hen het bevel aangaande twee dingen die als gelijkwaardig aan de hele Thora worden beschouwd. [De eerste was] Shabbat, want een persoon die de Shabbat in acht neemt wordt beschouwd als of hij de hele Thora naleeft.

En zoals als we zeiden is idolatrie de bewering dat G’D ofwel niet bestaat ofwel Zijn macht heeft gedelegeerd aan ondergeschikten en geen directe betrokkenheid meer heeft met de wereld. Dus idolatrie is een duidelijke ontkenning van de boodschap van de Thora, welke exact het tegenovergestelde is: dat G’D existeert en dat Hij zeer intiem zorg draagt voor wat in de wereld omgaat.

Door het houden van Shabbat, verklaart de Jood dat G’D de wereld heeft geschapen. Door te rusten van werk stelt in de eerste plaats hij de Shabbat weer in, toen G’D ophield met het werk van de Schepping. Ten tweede, door het werk te laten rusten spreekt hij zijn vertrouwen uit dat G’D de wereld beheert en kan voorzien in zijn noden alhoewel hij niet de hele week werkt. Zoals bekend beschouwde de Romeinen de Joden als lui en traag vanwege het nemen van een vrije dag eenmaal per week.

[De tweede was] de constructie van het Tabernakel.

Het Tabernakel, de draagbare Tempel die het Joodse Volk construeerde en met zich mee droegen, was het instrument waardoor G’D’s aanwezigheid terugkeerde en in hun bewustzijn bleef. Zoals de Thora het uitdrukt: “Zij zullen Mij een heiligdom maken, opdat Ik te midden van[en in] hen kan verblijven”(Exodus. 25:8). Aangezien het Tabernakel het doel volbrengt van de Thora in het algemeen, de vestiging van een verblijfplaats voor G’D in deze wereld en in de mens zelf, werd zijn constructie ook als equivalent beschouwd aan de verwekelijking van de gehele Thora. Wat de Shabbat volbrengt in tijd, bereikt de Tempel in ruimte; Shabbat is een heiligdom in tijd, terwijl de Tempel een fysieke Shabbat is.

Het is in beide gevallen duidelijk, als we zeggen dat zij equivalent zijn aan het in acht nemen van de hele Thora, dat we niet bedoelen dat zij in de plaats treden voor het in acht nemen van de Thora. De mens heeft zowel in het algemeen als in het bijzonder de specifieke details nodig van hoe G’D in ons leven wordt gebracht door het houden van alle mitzwot van de Thora.
[Mozes] begon met de constructie van het Tabernakel met de mitzwa : “Zes dagen mag er werk verricht worden…..”(Exodus. 35:2) Dit verwijst [niet naar werk in het algemeen, maar specifiek] naar het bouwen van het Tabernakel, welke daarom is uitgedrukt in de gebiedende wijs.

Onze wijzen in de Talmoed leiden de categorieën van verboden werkzaamheden op Shabbat af van de typen van werkzaamheden die noodzakelijk waren voor de constructie van het Tabernakel. Hier kunnen we zien waarom dit zo is: zij zijn naast elkaar geplaatst als zijnde absoluut equivalent aan elkaar; als je het ene doet, benodig je niet het andere te doen en vice versa. Een Jood is voorbestemd om constant betrokken te zijn in het bevorderen van G’ddelijk bewustzijn in de wereld. Gedurende de week doet hij dit door “het bouwen van het Tabernakel” met andere woorden, de fysieke wereld geschikt maken voor G’ddelijke revelatie. Op Shabbat doet hij dit door het staken van activiteiten van het verbeteren, in plaats daarvan opent hij zichzelf alleen voor de G’ddelijke Aanwezigheid waarvoor hij de achtergrond gedurende de week heeft voorbereid. Dus het Tabernakel en de Shabbat zijn eenvoudig twee kanten van de zelfde medaille: de voorbereiding en de vervulling.

[Mozes gebruikte de lijdende vorm] en zei “mag er werk gedaan worden” in plaats van [de actieve vorm], “je zult werken” om aan te geven dat het werk op eigen kracht zal worden gedaan. Op de zelfde wijze is gezegd: “[geen hamer of bijl noch enig ander ijzer gereedschap werd gehoord] tijdens het bouwen van het Huis” (Koningen I. 6:7)

Op deze manier, “maar de zevende dag moet het iets heiligs zijn voor jullie zijn “ (Exodus. 35:2). Want je heiligt je zelf op de wekelijkse dagen, tijdens het bouwen van het Tabernakel, het zal zonder twijfel heilig voor je worden op Shabbat. Je zult een bijkomende staat van heiligheid ervaren en een bijkomend [niveau van] de ziel bezitten.

Als we beide condities vervullen, dat is, ons bezighouden met de fysieke wereld gedurende de week om het te verheffen tot heiligheid en het bewustzijn behouden tijdens dit proces dat we eenvoudigweg vertegenwoordigers zijn van G’D, zullen we door Shabbat ons volledig ontvankelijk hebben gemaakt voor de heiligheid die we in de wereld hebben gebracht en zullen volledig in staat zijn om het de gehele heilige dag te ervaren. De viering van de Shabbat zal niet een eenvoudige beëindiging zijn van werk, maar een tastbare ervaring van heiligheid in gebed, viering en fijn voedsel, Thora studie en sociaal familieleven. Zelfs de aardse aspecten van het leven zullen G’ddelijke dimensies aannemen en ontmoetingen worden met de wonderbaarlijke realiteit van G’D zelf. Dit wordt beschreven in de Talmoed als de familiare metafoor van het bezitten van een “extra ziel” op Shabbat.

Samen, vormen Shabbat en de Tempel de complete rectificatie voor de zonde van het Gouden Kalf, de ontkenning of verontreiniging van het idee van G’D’s verenigde aanwezigheid door hele de realiteit van ruimte en tijd.

SHABBAT SHALOM

SHABBAT PARÁ PARASHAT KI TIESSÁ

Wanneer je opneemt Exodus. 30:11 – 34:35

Rabbi Jitzschak Luria

Van de geschriften van de Ari, Sha’ar HaPesoekiem

Vermengde Zielen

De 9e van de Hebreeuwse maand Av herdenkt niet alleen de verwoesting van de Eerste en de Tweede Tempel , het is ook de datum van het breken van het eerste stel Stenen Tafelen op de Berg Sinaï, als gevolg van het aanbidden van het Gouden Kalf.

Om het incident van het Gouden Kalf te kunnen begrijpen, moeten we op de hoogte zijn van wat de intentie was van de Gemengde Menigte in het maken van dit kalf op dat moment.

Zoals de Wijzen aanhalen, het was de “Gemengde Menigte” (Exodus. 12:38) van niet Joden die de Joden in hun exodus uit Egypte begeleidden, die tot de verafgoding van het Gouden Kalf aanspoorden.

Ik heb jullie reeds eerder attent gemaakt, [in mijn commentaren] op het vers “En er stond een nieuwe koning op over Egypte” (Exodus. 1:8), betreffende het begrip van de Gemengde Menigte, [in het bijzonder] hoe zij waren voortgekomen uit de onzuiverheden en verontreiniging van [de ziel van] Mozes, wiens ziel is ontleend aan Da’at van Zeir Anpin zelf, [welke op zijn beurt voortkomt ]uit het vermogen van Abba.

Mozes ziel is voortgekomen uit Da’at, wat betekent dat hij een expressie is van het begrip van het nemen van het intellectuele idee en het vertalen hiervan naar een persoonlijke relevantie, voortbrengend een emotionele reactie en praktische uitdrukking. Het feit dat Da’at is ontwikkeld door het vermogen van Abba betekent dat het nieuw, revolutionair, initieel G’ddelijk inzicht is dat tracht om relevant te worden gemaakt en om de realiteit te veranderen.

Maar elk initieel begrip verschijnt in het bewustzijn samen met een vermenging van onzuiverheid, in de vorm van illusies en misleidingen, die opgehelderd en gescheiden moeten worden van het ruwe materiaal van inzicht via het proces van Bina. Mozes vergissing was het niet herkenen van deze aberraties voor wat zij waren in het inzicht dat hem werd verleend, denkend dat zij konden worden samengevoegd en verheven tot één geheel, één totaal beeld. In wezenlijke realiteit is dit weergegeven als zijn opneming van de Gemengde Menigte in de Exodus.

Ergens anders verklaart de Arizal dat de Gemengde Menigte inderdaad voorbestemd was om uiteindelijk toch te worden verheven, maar Mozes probeerde dit vroegtijdig te doen. Dit is een duidelijk klassiek voorbeeld van de Baal Shem Tov’s lering dat elk spiritueel groeiproces door drie fasen moet gaan van onderwerping (van het ego, om nieuwe inzichten te kunnen verkrijgen), van separatie (van goed en kwaad, om het begrip te zuiveren en te purifiëren) en van verzachten (van de onpure elementen van het inzicht met de kracht die is voortgebracht door het pure gezuiverde inzicht). Mozes probeerde de middelste fase van dit proces over te slaan.

Desalniettemin bevatte zij een additief van heilige vonken en daarom wendde Mozes al zijn energie aan om de Gemengde Menigte te verzamelen onder de vleugels van de G’ddelijke Aanwezigheid, [met andere woorden, om hen te laten over gaan tot het Judaïsme].

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TETSAVÉ

Je zult gebieden Exodus 27:20 – 30:10

Rabbi Jitzchak Luria

Geschriften van de Ari, Ta’amei HaMitzvot

Licht van de Heilige Hoofdband

De Thora zegt dat de tefillien (gebedsriemen), “een [middel tot] herinnering tussen jullie ogen zijn”. Hieruit maken wij op dat de hoofd tefillien zijn bedoeld om ons geestvermogen te beïnvloeden, om de Uittocht uit Egypte en al haar significaties, te allen tijde in ons bewustzijn te houden. Zoals we eerder hebben aangehaald, is de betekenis van de Uittocht uit Egypte de bevrijding (of geboorte) van de heilige emoties van de baarmoeder van het verstand, die ons toestaat om ons G’ddelijk geestvermogen uit te drukken in onze emotie, eerder dan het hebben van niet heilige emoties die het gevolg zijn van beperkt bewustzijn. De Uittocht is dus een werking van Imma, de moeder van de emoties. De tefillien, waarvan het doel is om dit proces gaande te houden, zijn dus een expressie van Imma. De tefillien banden, vallend naar beneden, zijn de middelen waardoor het vermogen van Imma neerdaalt in hart en lichaam, waar de emoties worden gevoeld.

Daarom is de tzitz (de Heilige hoofdband) hoger geplaatst dan de tefillien, om aan te geven dat deze het geestvermogen van Abba personifieert, terwijl de tefillien het geestvermogen van Imma personifiëren.

(Alles wat boven is gezegd met betrekking tot tefillien geldt in het bijzonder tot Rashi- tefillien. Rabbeinoe Tam-tefillien daartegen bedoelen het geestvermogen van Abba te personifiëren, precies zoals de hoofdband.)

Om die reden werden de woorden “Heilig tot G’D” er op gegraveerd, aangezien het woord “heilig”, zoals bekend, altijd refereert aan het intellect, en in het bijzonder aan het geestvermogen van Abba (Chochma), dat “heilig”genoemd wordt.

“Heilig” (in het Hebreeuws, “kadosh”) betekent “gesteld boven”, gesepareerd”, “uitnemen”, “verder dan”. In vergelijking tot de emoties wordt het intellect als “heilig”beschouwd”, aangezien het intellect objectief is en een persoon voorbij zichzelf brengt, terwijl de emoties inherent subjectief en op het zelf gericht zijn. Binnen de sfeer van het intellect zelf wordt Chochma als “heilig” beschouwd ten opzichte van Bina, want Chochma in het alles overtreffende begrip dat de persoon boven het zelf uit doet stijgen, terwijl Bina de ontwikkeling is van het eigen individele intellect persé.

Ter verklaring: Binnen Abba is de naam Havayah zichtbaar, letter voor letter gespeld met de letter Joed.

Dit is de naam AB (=72) gespeld joed-vav-dalet hei-joed vav-joed-vav hei-joed. Het feit dat de naam Havayah in dit geval letter voor letter is gespeld met de letter joed geeft aan dat het is geassocieerd met Chochma, want in de naam Havayah zelf, belichaamt de joed Chochma; de eerste hei, Bina; de vav, de emoties, en de laatste hei, Malchoet.

Deze [letter voor letter spelling] bevat vier joed’s, elk bezit een [uitgebreide] numerieke waarde van 100. Dus de gecombineerde [uitgebreide] numerieke waarde van de vier joed’s van de naam AB is 400.

De normale numerieke waarde van de joed is 10. Iedere joed geeft een reeks van tien sefirot aan, die door onderverdeling elk 100 sub sefirot bevatten.

Als we het cijfer 4 toevoegen, vertegenwoordigend de vier joed’s bereiken we de numerieke waarde van het woord voor “heilig” [in het Hebreeuws, “kodesh”] zoals we hebben uitgelegd.

400+4=404
“Kodesh”wordt gespeld: koef-dalet-shin=100+4+300=404

Het licht van de vier innerlijke geestvermogens van Abba [dat niet kan worden beheerst door Zeir Anpin] dringen buitenwaarts [op het niveau van] het voorhoofd van Zeir Anpin, met name, van de twee zijden van het voorhoofd, aangrenzend aan de oren. De alles overtreffende radiatie van Chochma van Abba en de staat van Chesed binnen Daát van Abba emitteert vanuit de rechterzijde. De alles overtreffende radiatie van Bina en de staat van Gevoera binnen Daát van Abba [emitteert] vanuit de linkerzijde.

De hoofd tefillien bevat vier compartimenten, waarin vier strookjes perkament zijn gevoegd waarop de vier passages van de Thora zijn geschreven waarin de tefillien worden vermeld. (Exodus. 13:1-10, 13:11-16, Deuteronomium. 6:4:9, 11:13-21) Dit geeft aan dat er vier aspecten zijn van het bewustzijn van de Uittocht die we in stand moeten houden. Deze vier geestvermogens worden geïdentificeerd in Kabbala als de vier aspecten van het intellect: Chochma, Bina, de oorsprong van Chesed binnen Daát, en de oorsprong van Gevoera binnen Daát. Aan de oorsprong van Chesed en GevoeraI binnen Daát wordt gerefereerd respectievelijk als “de staat van Chesed binnen Daát” en “de staat van Gevoera binnen Daát”.

Juist zoals het intellect in het algemeen is verdeeld in deze drie/vier sefirot, is het geestvermogen Abba ook onderverdeeld in deze vier aspecten. Twee hiervan, Chochma van Abba en Chesed van Daát van Abba, zijn masculien en emitteren daarom aan de rechterzijde; en de twee anderen, Bina van Abba en Gevoera van Daát van Abba, zijn feminien en emitteren daarom aan de linkerzijde.

Vervolgens verspreiden zij zich rond het voorhoofd [van Zeir Anpin], vormend de hoofdband van de Hoge Priester.

Mij dunkt dat ik [Rabbi Chaim Vital] ook hoorde van mijn meester [de Arizal], van gezegende herinnering, dat de naam Havayah was ingegraveerd op de hoofdband als volgt; de joed en de vav waren gegraveerd aan de rechterzijde, één boven de ander, en de twee hei-s aan de linkerzijde, één boven de ander. Maar ik herinner me dit niet meer exact.

Dit zou goed overeen kunnen komen met wat eerder was verklaard, namelijk dat het masculiene “Licht” emitteert via het gebied rond het rechteroor en het feminiene “Licht” via het gebied rond het linkeroor.

Dus stond de Hoge Priester model voor de Hemelse Mens en droeg daarom de kledingstukken van de Hemelse Mens.

De “Hemelse Mens” is Zeir Anpin, de schikking van de sefirot in de menselijke vorm.

[Aangaande iedereen die de voorkant van de hoofdband zou voorbijgaan, als hij een rechtvaardig persoon is, zou het op zijn [eigen] voorhoofd zichtbaar zijn, want zijn Bina zal op zijn voorhoofd worden gereveleerd. Letters zijn op het niveau van Bina, zoals we eerder hebben verklaard en dat is waarom letters worden gereveleerd op het voorhoofd, dat iemands [individuele] Bina is de reden.

De heiligheid van de hoofdband brengt de heiligheid van iemands intellect “naar boven”, en veroorzaakt dat het zichtbaar zal worden op het voorhoofd van die persoon.

Hoewel de beleving van Chochma in essentie verder gaat dan verwoording (met andere woorden, “letters”), is het de taak van Bina om deze transcendente beleving waar te nemen en over te zetten in een taal (”letters”).

Als de persoon slecht zou zijn, zou zijn gelaat terechtkomen in de Andere Zijde en zou hij in verlegenheid gebracht worden door de heiligheid [van de hoofdband] en zou hij berouw hebben.

De “Andere Zijde” (Sitra Achra) refereert aan de sfeer van kwaad. De kwaadaardigheid van de persoon zou, bij confrontatie met de heiligheid van de hoofdband, zichtbaar worden op zijn voorhoofd en hierdoor in verlegenheid gebracht, zou hij worden aangespoord om berouw te hebben.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT TEROEMÁ

Heffing    Exodus 25:1 – 27:19

 

Rabbi Shimon bar Jochai

 

Zohar II, 128a-b

 

De Eeuwige sprak tot Mozes: “Spreek tot de Kinderen van Israël dat zij voor Mij een gewijde gave afzonderen. Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort moet je deze voor Mij afgezonderde gewijde gave in ontvangst nemen.

En dit zijn de af te zonderen gewijde gaven die je van hen in ontvangst moet nemen: goud, zilver en koper. (Exodus. 25:2-3)

 

Iemand die er naar streeft om een mitzwa te vervullen moet niet proberen om het te vervullen zonder betaling, zoals het vers verklaart, [Drie maal per jaar moeten al je mannen voor de Eeuwige, je G’D, op de plaats die Hij zal uitkiezen verschijnen; op het feest van de Matzot, op het Wekenfeest, en op het Loofhuttenfeest, hij zal niet met lege handen verschijnen. Ieder naar wat hij bij machte is te geven, al naar gelang de zegen die de Eeuwige, je G’D, je gegeven heeft. (Deuteronomium. 16:16-17)

 

Als iemand op de verplichte pelgrimage ging naar de Tempel in Jeruzalem, drie maal per jaar, werd van hem verlangd om een offergave mee te brengen. Dit toont duidelijk aan dat iemand moet betalen wanneer hij een mitzwa doet.

 

Maar als je beweert dat staat geschreven, “Ga! Koop en eet; ga en koop wijn en melk zonder geld en zonder prijs” (Jesaja. 55:1), geeft dat aan dat dit gratis is, het laatstgenoemde refereert alleen aan Thorastudie. Al wie het wenst kan Thorastudie verwerven zonder er voor te betalen.

 

Wanneer echter iemand er naar streeft G’D te dienen door daad [ mitzwot], Is het niet toegestaan dit te doen zonder betalen, omdat iemand niet een atmosfeer van heiligheid op zich kan laden, zonder de volle prijs te betalen, hetzij veel of weinig. Omdat er altijd een atmosfeer van onzuiverheid rust op dat wat voor niets is. Maar een atmosfeer van heiligheid is anders, het wordt alleen verworven wanneer men de volle prijs betaalt, met grote intentie en purificatie van iemands lichaam en met de wil van hart en ziel. Zou iedereen maar uiteindelijk het privilege kunnen verwerven om in zichzelf een verblijfplaats voor de Heilige, Geprezen zij Hij te maken. (Zoals het vers, Maak voor Mij een Heiligdom en Ik zal in hen verblijven Exodus. 25:8, in ieders hart, Reishiet Chochma, Shaar HaAnava Hft.3; Sefer Hareidiem, Hft.66) Hierop betrekking hebbend wordt gezegd, “[….Laat hen een offer nemen voor Mij, van een ieder die “een man” wordt genoemd” (Hebreeuws ish), met andere woorden iemand die zijn kwade inclinatie heeft overwonnen.

 

Dit kan worden begrepen als, “Zij zullen Mij nemen als offer”, betekenend dat als een persoon een mitzwa doet, hij de Heilige, Geprezen zij Hij “aantrekt”. (Vajikra Rabba 30) 

 

Wat is de betekenis van “Van een ieder wiens hart hem daartoe aanspoort“? Dit betekent dat de Heilige, Geprezen zij Hij naar hem verlangt, zoals staat geschreven,  “Voor Uw Naam, zegt mijn hart…..(Psalm. 27:8), en “Rots”van mijn hart”, “Rots” [Hebreeuws, “Tzoer”geeft eigenlijk een onveranderde, stabiele vorm aan] refereert aan de Heilige, Geprezen zij Hij.

 

Hoe weten we nu dat de Heilige, Geprezen zij Hij naar hem verlangt en wenst om Zijn Heiligdom in zijn hart te plaatsen? Wanneer we zien dat hij behagen schept in het vervullen van een mitzwa en de dienst aan de Heilige, Geprezen zij Hij nastreeft met heel zijn hart, dan weten we zeker dat de G’ddelijke Aanwezigheid [Shechina] op hem rust. Dan moeten we zo’n persoon “verwerven” voor de volle prijs, door in zijn gezelschap te zijn en van hem te leren. [zie Ketoebot 111b]  

 

Op een vergelijkbare manier, moet een rechtvaardig persoon er naar streven een verdorven persoon te verwerven voor de volle prijs [met ander woorden, maximale inzet aanwenden] om de schadelijke invloed van hem te verwijderen en zijn aspect van onzuiverheid te matigen en zijn te ziel rectificeren.

 

SHABBAT SHALOM