PARASHAT HA’AZINOE

Midrash Tanchoema Naso; Bamidbar Rabba 13:6

Neig het oor (Deuteronomium 32:1 – 32:52)

Omdat alle aspecten van de Thora zijn gerelateerd aan de seizoenen waarin zij gelezen worden, ligt het voor de hand dat de lessen van Mozes uitzonderlijk relevant zijn gedurende de Tien Dagen van Inkeer, in welke we parasha Ha’azinoe lezen.

Hoe bereiken we niveaus?

Gedurende het gehele jaar is de dienst van een Jood aan G’D het meest betrokken met “aardse dingen”, Thora en de mitzwot. Met de komst van de Tien Dagen van Inkeer echter, voelt elke Jood zich onvoldaan met zijn aardse toestand en heeft hij het verlangen om teshoewa te doen, terug te keren en omhuld te worden door G’D.
“Een persoon fundeert heiligheid vanuit zijn verlangens”. Vandaar dat dit verlangen om absoluut één te zijn met G’D z’n persoon direct beïnvloed, waardoor hij een staat bereikt “dichtbij de hemel” (het G’ddelijke) en “weg van de wereld”.
Doch dit is echter alleen maar de eerste fase. Spoedig daarna is zijn dorst naar G’ddelijke openbaring gelest en dezelfde persoon realiseert zich vrij snel, dat G’D’s essentie veel gemakkelijker bereikbaar is, door de wereld te transformeren tot een verblijfplaats voor Hem. De persoon voelt zich dan “dichterbij de wereld en ver van de hemel”, hij beseft dat niets belangrijker is, dan dat aardse wezens dragers van G’D’s essentie worden. En dit wordt volbracht door het vervullen van G’D’s gepassioneerde verlangen om een verblijfplaats te hebben, voor Zijn Essentie, in de lagere sferen, met andere woorden, deze wereld.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NITSAVIEM

Aangetreden Deuteronomium. 29:9 – 30:20

De Lubavitcher Rebbe

Likoetei Sichot

Heel je Hart en Ziel

Je zult terugkeren tot G’D…met heel je hart en heel je ziel ( Deuteronomium. 30:2)

Aldus worden we opgeroepen om de mitzwa van teshoewa uit te voeren met heel ons hart en heel onze ziel. In tegenstelling hiermee wordt ons opgedragen om G’D lief te hebben niet alleen met heel ons hart en heel onze ziel, maar met “alles waartoe je bij machte bent” (Deuteronomium. 6:5), implicerend een liefde die onze normale emotionele vermogens te boven gaat. Waarom bestaat dit verschil tussen deze twee schijnbaar dezelfde mitzwot?

“Liefde” is uiteraard een emotie. De Thora vraagt dat onze liefde voor G’d niet alleen een functie van hart en ziel is, maar dat het moet komen van de ongelimiteerde bronnen van binding met G’D die voort komen uit een meer essentiële plaats in ons G’ddelijk bewustzijn. Hieraan wordt gerefereerd als “”alles waartoe je bij machte bent”, de sfeer waarin de diepgewortelde liefde voor G’d zijn oorsprong heeft.

“Terugkeren” daarentegen, is in zijn essentie een handeling van boven je zelf uitgaan. Het normale werkende zelf van een individu plaatst hem in zijn huidige dilemma van te hebben gezondigd en de behoefte om terug te keren. Hij moet daarom zich zelf te boven gaan en naar het diepere streven, een meer essentiëlere laag van zijn identiteit, waar G’D hem meer betekend dan de mateloosheid waaraan hij gewend was geraakt. Eenmaal gevonden moet dit transcendente bewustzijn eigen worden gemaakt aan zijn normatieve bewustzijn.

Dus terwijl de Thora ons aanmoedigt om onze liefde voor G’D te vergroten van normaal tot transcendent, biedt het ons aan om terug te keren tot G’D door onze transcendente verhouding met Hem te integreren in ons normatieve zelf.

SHABBAT SHALOM.

PARASHAT KI TAVÓ

Als je komt Deuteronomium. 26:1 – 29:8

RABBI JITZCHAK LURIA

OVERGEVEN EN TEGENHOUDEN

Ta’amei HaMitzvot en Shaar HaPesukim

In dit Thoragedeelte wordt ons opgedragen om het eerste fruit (bikoeriem) naar de tempel te brengen. (Deuteronomium. 26:1-11) De vruchten moeten in een rieten mand worden gebracht en de vruchten met de mand worden gepresenteerd aan één van de priesters van de tempel. “En de priester neemt je de mand uit de hand en zet die voor het altaar van de Eeuwige, je G’D. ” (Deuteronomium. 26:4) Het Hebreeuwse woord voor “mand”in deze passage is “tene”.

De [esoterische betekenis van de] mitzwa van het eerste fruit is het terugkeren van de Lichten van Noekva [van Zeir Anpin] naar Chesed, welke wordt gepersonifieerd door de priester, zodat kwaad niet in staat is om voeding te verkrijgen [van de G’ddelijke liefdadigheid teweeggebracht door onze vervulling van de mitzwot].

Zoals we al eerder hebben besproken, telkens wanneer er een revelatie is van G’ddelijke liefdadigheid, is er een risico dat de krachten van kwaad voordeel zullen hebben van de overvloed, met andere woorden, alles wat niet op de juiste wijze is geleid naar de vaten. Één manier om dit risico te minimaliseren is het verzekeren dat de vaten ruim genoeg zijn, zodat ongeacht de hoeveelheid G’ddelijke liefdadigheid die hen bereikt, kan worden bevat. We verwezenlijken dit door ordelijke en goed functionerende geestelijke, emotionele en fysieke structuren en situaties in ons leven te bouwen, waardoor wij gemakkelijk nieuwe inzichten kunnen kanaliseren.

De andere manier om het risico te minimaliseren is door maatregel te treffen om ervoor te zorgen dat wat er ook zou overvloeien, wordt terug gehouden. Rabbi Shneur Zalman van Liadi verklaart (Igeret HaKodesh 3 tanya, p. 104a ff) : om het in enige vorm mogelijk te maken dat de G’ddelijke liefdadigheid deze wereld bereikt, moet het grotendeels worden samen getrokken. Dit contractieproces is te vergelijken met het boren van kleine gaatjes in een sluier die als bescherming dient tegen een intens stralend licht, slechts kleine straaltjes van licht toestaand om het te doordringen en om het van buiten af zichtbaar te maken. Wanneer eenmaal dit licht zijn destinatie heeft bereikt, moeten de kleine gaatjes worden gesloten om het licht te verhinderen ergens anders te laten schijnen. Als we allegorisch de sefirot de “kleren” van de G’ddelijke vorm of lichaam beschouwen, mag de sluier, verbergende hun licht van de lagere werelden, worden opgevat als een uitrusting, welke vele gaatjes heeft om het licht door te laten. Deze gaatjes zijn bedekt met schubben om te voorkomen dat pijlen kunnen binnendringen, of in onze analogie, voorkomen dat licht zich verspreidt waar het niet gewenst is en zo kracht verleent aan kwaad.
Rabbi Shneur Zalman verklaart dat deze preventieve kracht deel uit maakt van het effect van de handeling van liefdadigheid en goedhartigheid in deze wereld.

Vermoedelijk is het in dit licht dat wij het effect van het geven van het eerste fruit aan de Tempel moeten begrijpen. Het geven van het eerste fruit is een vorm van liefdadigheid, aangezien de priesters de genen zijn die het werkelijke fruit eten en de mitzwa leert ons het eerste en het beste fruit van onze inspanningen te geven aan heilige doeleinden, omdat wij ons aardse leven in dienst stellen om G’ddelijk bewustzijn in deze wereld bekend te maken.

Door ons te verzekeren dat ons aards leven toegewijd en gericht is op G’ddelijke doeleinden, sluiten we de gaatjes in de G’ddelijke sluier en voorkomen daardoor dat G’D’s barmhartigheid wordt afgevoerd in kwade kanalen en zodoende door ons wordt misbruikt.

Zoals we eerder hebben gezien, is de betrokkenheid in de materiële wereld, de feminiene kant van onze persoonlijkheid. Het is dus het licht van het feminiene element dat opwaarts geleid moet worden, naar de bron van G’ddelijke barmhartigheid (G’D’s Chesed ). Uitgaande van haar eigen wil, zal het feminiene aspect in ons zich obsessief richten op de materiële wereld, met als eerste oogmerk het maken van een verblijfplaats voor G’D in deze wereld, maar uiteindelijk dit doel uit het oog verliezend en zien we onze betrokkenheid als een doel op zichzelf.

Het feminiene principe wordt aangeduid door het woord voor “mand”.

Dit is de esoterische betekenis [van de zin] “de priester neemt je de mand uit de hand, ” want de numerieke waarde van het woord voor “de mand” (ha-tene) in het zelfde als dat van de Naam Adni.
Ha-Tene: hé-tet-noen-alef=5+9+50+1=65.
Adni:alef-dalet-noen-joed=1+4+50+5=65
De G’ddelijke Naam Adni geeft de sefira van Malchoet aan, het feminiene principe.

Rabbi Bachya ben Asher voegt het volgende idee toe: Het eerste fruit symboliseert de eerste drie letters van de Naam Havayah, joed-hé-vav, en de mand symboliseert de vierde letter, de laatste hé, welke, zoals we weten, ook de sefira van Malchoet aangeeft. Malchoet is de ontvanger van de G’ddelijke uitstroom van inzicht en barmhartigheid van de sefirot aangeduid door de eerste drie van de Naam Havayah. Het wordt daarom gesymboliseerd door de mand dat het fruit bevat.

G’D die de wereld leidt en animeert, de gaatjes in de rieten mand roept het beeld van G’D op de wereldobserverend vanuit Zijn onopgemerkt strategisch plek en stuurt de aangelegenheden van het leven door Zijn G’ddelijke voorzienigheid.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KI TEETSÉE

Wanneer je uittrekt

Deuteronomium. 21:10 – 25:19

RABBI SHIMON bar JOCHAI

De Thora van een Verenigde Wereld

Zohar, Raya MeHemna,p. 276a

Hoe betreurenswaardig zijn degenen die alleen het stro eten in plaats van het werkelijke fruit van de Thora en de innerlijke diepe aspecten van de Thora niet begrijpen. Zij leren alleen simpele verhalen zoals ze zijn geschreven en de logische conclusies die daarmee zijn verbonden. Zij leren de verhalen als strikte regels. Maar de verhalen zijn als stro en de beperkingen zijn als graan [in het Hebreeuws, “chitah’]. Het “chet” deel van het woord [“chitah”] betekent “zonde” [in Hebreeuws, “chet’] en de hei aan het eind van het woord [“chitah”] is een letter van de wereld van waarheid.
Graan was het fruit van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, van welk Adam en Chava hadden gegeten in de Tuin van Eden. Dus graan is een mengeling van Goed en Kwaad, kaf en koren, zonde en heiligheid worden gereflecteerd in de letters van de naam ervan. De spirituele oorsprong van redenering en logische gevolgtrekkingen is van deze mengeling van goed en kwaad, welke verklaart dat het toepassen van logica alleen om de Thora te begrijpen is, als het eten van stro, in plaats van behoorlijk voedsel.
Nu is het niet gebruikelijk voor een Koning of Koningin om te rijden op een ezel [in het Hebreeuws “chamor” welke de zelfde stam heeft als het woord “choemrot”, met de betekenis “strikte regels”]. Majesteit rijdt op een paard zoals is geschreven, “U reed op Uw paarden, Uw rijtuigen van verlossing” (Habakkoek 3:8). Men kleineert niet een Koningin door haar op een ezel te plaatsen en zeker niet de Koning zelf. Het is het meer gepast voor de dienaar van de Koning om een ezel te berijden.
Het fysieke wordt in het Hebreeuws “chomrioet” genoemd, welke geassocieerd is met het woord “chamor” “ezel”.
Om die reden is geschreven over de Mashiach dat hij ” bekleed is met rechtvaardigheid en zege en nederig op een ezel rijdt” (Zacharia 9:9). Het woord “nederig” [in het Hebreeuws, “oni”] in dat vers wordt gespeld met ayin noen joed en is een acroniem voor de drie traktaten van de Talmoed welke de strikte voorschriften Eroeviem, Nidah, en Yevamot …behandelt.
In esoterische sferen, representeren deze traktaten de controle van de fysieke realiteit zoals die is gegeven aan de engelachtige krachten onder supervisie van de toegewijde dienaar van de Koning, de engel Metatron. De opdrachten van de Koning worden gedelegeerd naar deze engel om ze uit te voeren of om aan anderen verder te leiden. Hij representeert de spirituele krachten die de fysieke wereld beïnvloeden. Totdat de dienaar [Metatron] zijn opdracht vervult, wordt Hij niet Koning genoemd. Het hogere spirituele niveau wordt alleen gereveleerd wanneer er eenheid is tussen het spirituele en het fysieke, tussen de Koning en de Gemeenschap van Israël, dan rijdt hij op zijn paard.
[Hij wordt niet “Koning” genoemd voordat Hij op zijn paard rijdt, welke de Gemeenschap van Israël is. Wanneer de Koning buiten zijn residentie is, niet verenigt met Zijn Koningin [ Israël], is Hij niet volledig Majesteit. In de toekomst, wanneer Hij terugkeert naar Zijn residentie, “zal de Eeuwige, Koning zijn over heel de aarde; op die dag is de Eeuwige Één en Zijn Naam is Één” (Zacharia, 14:9). Heel Israël wordt “de zonen van de Koning” genoemd. Hun verhouding is als vader en zoon, maar alleen als de zonen van de Koning terugkeren naar het Land van Israël en daarmee hun opdracht vervullen. Wanneer zij terugkeren naar het Land Israël, zal de volle majesteit van hun verhouding worden gereveleerd.
SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHOFTIEM

Rechters      Deuteronomium. 16:18 – 21:9

De Kroon van het Oordeel

Zohar, p. 274b

Je moet Rechters en Gerechtsbeambten aan je poorten aanstellen, die de Eeuwige, je G’D, je voor je stammen zal geven en zij zullen het volk berechten met rechtvaardige beslissingen.” (Deuteronomium. 16:18)

Dit is de mitzwa om rechters en ordehandhavende functionarissen aan te stellen en toch wordt er gezegd, “Maar [in het Hebreeuws, ki] de Eeuwige ]Elo-hiem] is de rechter, Hij vernedert deze persoon en verheft de andere”. (Psalm. 75:8)

Het woord “ki” aan het begin van het citaat wordt gespeld met kaf-joed. De numerieke waarde van de letter joed wanneer het voluit wordt gespeld [joed, vav, dalet] is 20. Na het woord “ki” gebruikt het vers het woord voor de G’ddelijke eigenschap van striktheid; “…Elo-hiem is de rechter, Hij vernedert deze persoon”, het woord voor “deze” is 12 in gematria, de zelfde numerieke waarde als de twee letters [voluit gespeld hé-alef] in de Heilige Naam Havayah; “… en verheft de andere”, het woord “en” voluit gespeld vav vav [ook de numerieke waarde van 12] wordt gebruikt.

De letter kaf van het woord “ki” is de eerste letter van de naam van de hoogste sefira, Keter. Het Hebreeuwse woord voor het getal 20 is “esriem“, hetgeen de oorsprong van striktheid uit de hoogste sefira, Keter bevestigt en neerwaarts daalt in deze wereld in de vorm van wijsheid van de op de juiste wijze benoemde rechters. Hun niveau wordt aangegeven door de joed die volgt na de letter kaf. De joed geeft altijd de sefira van Chochma aan en de numerieke waarde van de joed voluit is 20, aantonend zijn verbinding terug met de sefira van Keter. De joed is Chochma en de vav dalet in zijn spelling voluit (samen een numerieke waarde van 10) verwijst naar Bina, die de vonk van wijsheid van Chochma bevat. De twee letters in de heilige naam representeren de sefirot van Bina en Malchoet. De twee vav’s representeren de sefirot van Tifiret en Yesod op het spirituele niveau en de twee getuigen die het bewijs leveren aan de rechters op het fysiek niveau.

De volgende opdracht aan de rechters is om de juiste straf op te leggen hetzij dat het doodsoordeel moet worden voltrokken door zwaard, wurging, steniging of verbranding. Wie wordt ter dood veroordeeld door middel van het zwaard? Sam-el, de spirituele oorsprong van iemands inclinatie van slechte daden. Door iemand te doden, die een vehikel is geworden van zijn eigen kwade inclinatie, redt het gerechtshof in deze wereld zijn ziel voor bestraffing in de spirituele werelden. Dit is de verklaring van het vers ” Want Mijn zwaard doordrenkt de hemel, zie, het zal neerkomen op Edom en op het volk dat een anathema voor Mij is, om hun oordeel te ontvangen” (Jesaja. 34:5)

Het zwaard van de Heilige, Geprezen zij Hij, het zwaard van oordeel in de spirituele sferen wordt specifiek aangeduid in de naam Havayah [gespeld, joed, hé, vav, hé].  De joed representeert het handvat van het zwaard en ook de sefirot van Keter en Malchoet. De vav is het lichaam van het zwaard, de zes richtingen van de wereld, Tiferet, combineert striktheid met barmhartigheid. De twee letters symboliseren de twee scherpe snijkanten [in het Hebreeuws, “pipiyot, twee monden“] van het zwaard, [“pi” betekent “mond”in het Hebreeuws], de hogere mond, Malchoet en de mond van de rechter in Deze Wereld. Er is geschreven met betrekking tot deze twee monden, “Streef naar gerechtigheid, ware gerechtigheid, opdat je in leven blijft en het land in bezit kunt houden dat de Eeuwige, je G’D, je geeft.”(Deuteronomium. 16:20) De herhaling van het woord “gerechtigheid” in de tekst refereert aan de twee beslissingen in het recht: de uitspraak van het gerechtshof in de spirituele sfeer en de gelijktijdige uitspraak van het gerechtshof in de fysieke sfeer. Van uit hier zien wij dat oordeel in alles betrokken is, het maakt niet uit hoe klein de zaak is, zoals we hebben geleerd “Niemand bezeert zijn vinger in deze wereld zonder dat het was verordend tegen hem in de hemel”(Choeliem 7b). De schede van het zwaard van rechtvaardigheid is de naam Ado-nai, representerend  Malchoet, wanneer gecombineerd met de barmhartige heilige naam Havayah. De vereniging hiervan is de meditatieve staat van eenwording met het oneindige, gesymboliseerd door de namen wanneer ze samen worden gespeld: joed alef hé dalet vav noen hé joed.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT RE’ÉE

Zie      Deuteronomium. 11:26 – 16:17

Spiritualiteit en onzelfzuchtigheid

Likoetei Torah and Shaar Hamitzvot

Geschriften van de Ari

“Wanneer er bij jou een behoeftige is……onderdruk dan niet het medegevoel bij je zelf en houd je hand niet krampachtig dicht voor die behoeftige broeder, maar open wijd je hand voor hem……(Deuteronomium. 15:7-8)

Rabbi Chaim Vital, die de leringen van de Arizal optekende, zegt ons:

Wat betreft filantropie en vrijgevigheid, observeerde ik dat mijn leraar niet bijzonder buitensporig was ten aanzien van zijn kleren en dat hij slechts weinig at, betreffende de uitgaven van zijn vrouw gaf hij geld naar gelang haar wensen. Mijn leraar placht overvloedig te geven met grote vreugde en goedhartigheid, met open hand en soms keek hij niet eens of er genoeg overbleef voor hem zelf.

Mijn leraar zei, dat elke mitzwot is geassocieerd met één van de tweeëntwintig letters [van het Hebreeuwse alfabet], en wanneer iemand een miztwa uitvoert, straalt de letter, waarmee de mitzwa is geassocieerd, van zijn voorhoofd, vervangend de vorige letter op zijn voorhoofd van de voorafgaande mitzwa die hij uitvoerde. [De letter bleef op zijn voorhoofd] slechts zolang als hij de mitzwa uitvoert [waarmee het is geassocieerd]; naderhand wordt de mitzwa in [hem] geabsorbeerd. Als hij echter een miztwa van liefdadigheid doet,  verdwijnt de letter waarmee het is geassocieerd niet zo snel als de letters die geassocieerd zijn met de andere mitzwot, maar blijft op zijn voorhoofd stralen voor een week. Dit is de esoterische betekenis van het vers, “Zijn rechtvaardigheid duurt voor altijd” (Psalm. 111:3, 112:3,9).

Aangaande het kopen van spullen die worden gebruikt voor het uitvoeren van Thora mitzwot, zoals een loelav en een etrog, zag ik dat mijn leraar de handelaren de prijs gaf die zij het eerst noemden en niet met hen daarover onderhandelde. Soms plaatste hij zijn portefeuille voor hen met het verzoek om te nemen wat ze wilden. Hij vertelde mij dat iemand niet moet afdingen op de prijs als het om een mitzwa gaat. Rabbi Shimon bar Jochai zegt het zelfde in de Zohar.

We zullen nu de esoterische betekenis verklaren van het vers, “Iemand die vrijgevend is, eindigt met meer” (Spreuken. 11:24), hetgeen onze wijzen van toepassing achten op de mitzwa van liefdadigheid (Yalkoet Shimini ad loc). Inderdaad relateren we [dit vers] aan het zelfde onderwerp, want Yesod wordt de “de rechtvaardige” genoemd [in het Hebreeuws, “tzadik “, omdat het liefdadigheid [“tzedaka“] geeft aan noekwa, die a priori omschreven wordt als “rechtvaardigheid” [in het hebreeuws, “tzedek“], maar daardoor “liefdadigheid” [“tzedaka“] wordt.

Het woord voorliefdadigheid”, “tzedaka“, bestaat uit het woord voor “liefdadigheid” (“tzedek“, gespeld tzadi-dalet-koef) plus een toegevoegde . Omdat de aan het eind van een woord een teken van een vrouwelijke vorm is, mag ´tzedaka” als de vrouwelijke vorm van ´tzedek” worden beschouwd. Dus Yesod transformeert Noekwa in een vrouw.

Om die reden wordt Yesod waarschijnlijk “Jozef” genoemd.

Zoals we verschillende malen eerder hebben verklaard, wordt Jozef geassocieerd met Yesod in deugdzaamheid van zijn seksuele puurheid. Hier moet opgemerkt worden dat “Jozef”[in het Hebreeuws, “Josef “hij zal toevoegen” betekent, zinspelend op de toenemende groei van Jozef, met andere worden, de heilige verbinding met Noekva, veroorzaakt in Zeir Anpin.

Zo zal het zijn met iemand die aan financiële liefdadigheid doet. [Hij zal door het geven geen financieel verlies lijden, in tegendeel, hij zal er rijker op worden, en meer bezitten dan voorheen.

De esoterische betekenis van tzedaka en gebed is, aangezien de joed-hé gesepareerd is van de vav-hé [vanwege negatief menselijk gedrag], dat we tzedaka moeten geven of moeten bidden om G’D’s Naam met Zijn Shechina te verenigen, met vrees en liefde, in naam van heel Israël.

Negatief gedrag is alleen mogelijk omdat het intellect is gescheiden van de emoties (en hun expressie). Intellectueel kan een persoon begrijpen dat het niet goed is om kwaad te doen. Maar zolang als dit begrip niet de gelegenheid wordt gegeven (gewoonlijk door bezinning en meditatie) om zijn gevoelens over dingen te beïnvloeden, blijft het abstract en steriel.

De yoed-hé van G’D’s Naam Havayah geeft aan de sefirot van Chochma en Bina, respectivelijk, de twee hoofd componenten van het intellect. De vav-hé geeft de emoties aan (collectief beschouwd) en hun manier van expressie (idee, spraak en actie).

Door onze verbinding met G’D te vernieuwen in gebed en het uitvoeren van daden van barmhartigheid, laten we zien dat ons intellect inderdaad onze emoties en acties hebben beïnvloed, waarbij de breuk tussen de twee helften van de Naam van G’D worden geheeld.

Zoals we weten zijn de twee eerste letters van de naam Havayah een naam van G’D in hun eigen recht, de naam Y-ah. De laatste van de naam Havayah, die afdaalt om het intellect en emoties uit te drukken van de eerste drie letters in de lagere werelden, wordt omschreven als de Shechina, de “G’ddelijke Aanwezigheid”.

De zin van het geven van financiële liefdadigheid voor het gebed is, om de [eerste twee letters van de naam Havayah] joed-hé, welke zijn gesepareerd van de [laatste twee letters,] vav-hé, te verenigen.

Voor het doen van een goede daad of het geven van financiële liefdadigheid, moet daarom gezegd worden, “[Ik doe dit] om de Heilige, Geprezen zij Hij, en Zijn Shechina te verenigen, in liefde en vrees [voor G’D], in naam van heel Israël.” [Op deze wijze] verbindt hij de joed-hé met de vav-hé.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT ÉKEV

Als gevolg Deteronomium. 7:12 – 11:25

Magie tijdens het Diner

Zohar, p. 271b

Onder de mitzwot van de parasha van deze week is een aanmaning om bewust van G’D te blijven zelfs wanneer we eten (Deuteronomiun.8:10-11). In de Zohar vertaling die volgt, leert de ziel van Mozes Rebbe Shimon op welke wijze de geëigende ambiance moet worden opgeroepen bij een maaltijd die gegeven wordt ter ere van het doen van een mitzwa, zoals een besnijdenis, of de voltooiing van een traktaat van de Talmoed enz.

Hij [de toegewijde herder Mozes] opent zijn verhandeling met het citaat: “Je moet een tafel maken van acaciahout [in het Tabernakel]…..”(Exodus.25:23)

Kom en zie [schilderend de rangschikking van de Boom van het Leven diagram van de sefirot], De Meesters van het diner demonstreren ter ere van de Koningin aanzienlijke en prachtige gebruiken. Dit laat zien dat zij de zonen waren [die aten aan] de Konings tafel.

De gewoonten van de Wijzen met betrekking tot een feestmaal had als doel het bewustzijn te verhogen en om de G’ddelijke zegen neerwaarts te halen en overvloed van het niveau van Zeir Anpin naar Malchoet.

Als eerste moet de meest geëerde [“gadol“in het Hebreeuws] van het eetgezelschap zijn handen wassen.

Gadol“is één van de namen van de sefira van Chesed; een persoon is alleen beduidend, afgemeten aan de mate waarin hij goed doet. Bovendien, de sefira van Chochma, die onmiddellijk boven Chesed is, geeft zijn gulheid alleen aan een persoon die deze eigenschap heeft verfijnd.

Het wassen van de handen voor het eten symboliseert de verbanning van de kelipot, het met water van de handen representeert chesed.

. Het is daarom passend dat de gene die de sefira van Chesed representeert het eerst zijn handen wast. Hij heft zijn handen op om de zegen teweeg te brengen en zegt vervolgens zelf de zegen met betrekking tot het handen wassen. Hij wacht op de rest van het gezelschap, zittend op een sofa die speciaal voor hem is gearrangeerd op te rusten tijdens de maaltijd, totdat ook zij hun handen hebben gewassen.

En op het moment waarop allen de eetkamer zullen binnengaan, de meest geëerde als eerste [omdat hij een drager representeert om de sefira van Chochma te onvangen]. De tweede [in geleerdheid, representeert de sefira van Bina], zit naast [letterlijk,”lager” dan hem en de derde [representerend de sefira van Da’at], zit naast hem. Zij worden de “drie de sofa’s” genoemd, om de drie aartsvaders en om bovendien de Priesters, de Levieten en de Israëlieten te ontvangen.

In Hooglied (3:7) wordt Koning Solomon beschreven als rustend op zijn sofa. De verwijzing is naar de Sefira van Malchoet, die als een sofa is waarop alle hogere Sefirot afdalen. De eerste van deze sefirot zijn de intellectuelen, dit is een toespeling op de verwijzing naar de “sofa” van Solomon, de meest wijze mens. Deze aanwezigen op de drie sofa’s representeren de sefirot van Chesed, Gevoera en Tiferet in Zeir Anpin.

Deze drie sefirot worden op hun beurt geactualiseerd in de drie lagere sefirot van Netzach, Hod en Yesod, terug te voeren op de code “Priesters, de Levieten en de Israëlieten”.

Ten Tweede, de heer des huizes [zegt de zegen over het brood en] snijd het brood. Dit omdat hij het kan snijden met een goed oog en de zegen complementeert en het brood volledig op snijdt.

De gastheer weet de hoeveelheid voedsel hij nodig heeft voor zijn gasten. Hij moet overvloedig zijn, tonend een “goed oog” omdat dit een overvloedige zegen over het gezelschap neerwaarts laat komen. De frase “goed oog” is een code die verwijst naar het vers “Hij die een overvloedig oog heeft zal worden gezegend, want hij heeft zijn brood gegeven aan de behoeftige.”(Spreuken. 22:9) En de wijzen zeggen, “Lees niet dat hij zal worden gezegend, maar eerder dat hij degene is die de zegen moet maken.”(Sota 38b) De reden hiervan is dat zijn overvloedig oog een overvloedig reactie zal aanmoedigen in de spirituele wereld die allen aan zijn tafel ten goede komt. Hij zegt de zegen over het brood met overvloedige intentie en dan snijd hij het op een overvloedige wijze voor zijn gezelschap, als eerste bedienend de drie representanten van hoger bewustzijn.

Zoals we hebben uitgelegd bij de Meesters van de Mishna (Berachot 47a), hebben de genodigden geen toestemming om van het voedsel te eten totdat hij die de zegen heeft gesproken de eerste hap neemt en hij heeft geen toestemming om te eten totdat alle gasten “Amen”hebben gezegd (op zijn zegen).

De gastheer is parallel aan De Meester van het Huis (G’D) en als zodanig representeert hij het kanaal waardoor zegeningen op al de genodigden neerdalen. Tegelijkertijd is de respons van “Amen”van de genodigden een integraal deel van de zegen, dus hij moet wachten op hun antwoord om te kunnen eten. Door het zeggen van “Amen” bevestigt het gezelschap dat zij de zegen beamen en er deel van wensen uit te maken; dan worden zij een ontvankelijk reservoir, zij kunnen het ontvangen.

En als de gastheer wenst om [één van de aanwezigen te eren met het zeggen van de zegen over het brood en het aansnijden], heeft hij de autoriteit om dit te doen.

We hebben verder uitgelegd (Berachot 46a) dat de gast die de Zegen na de Maaltijd leidt omdat die de zegen van de heer des huizes bevat.

De verklaring in esoterische termen is dat de frase “de heer des huizes snijdt af” refereert aan de middelste lijn [van de sefirot in de Levensboom]. Deze middelste lijn [bevat de sefira van Tiferet in Zeir Anpin] en op Shabbat moet hij [één van] de twee broden aansnijden. Zij representeren de twee lettres hé, en de heer des huizes is de vav in het midden. Om de gasten niet te gulzig te maken, kan hij elke gast een portie ten grote van een ei geven.

De heilige naam van G’D wordt gespeld joet hé, vav hé. De herhaling van de letter verwijst naar de samenhang tussen sefirot Bina en Malchoet. De vav representeert de zes sefirot van Chesed naar Yesod en specifiek naar de sefira van Tifiret die hen allen verbindt, brengend het hogere bewustzijn van Bina tot in Malchoet. Het deel wat dat de gastheer geeft representeert de joet van de naam dat altijd staat voor Chochma.

Deze tafelgebruiken, die vandaag nog steeds gangbaar zijn tijdens de maaltijden ter ere van het doen van een mitzwa, hebben een diepe en betekenisvolle zin in het neerwaarts halen van overvloedige zegeningen op diegene die verdienen er te zijn.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT WA’ETCHANÁN

En ik smeekte       Deuteronomium. 3:23 – 7:1

De Geschriften van de Ari

Aan het begin van dit Thoragedeelte, zegt Mozes tegen het Joodse Volk dat G’D kwaad op hem werd voor het dringend vragen om hem toe te staan het Land van Israël binnen te gaan. “En G’D bleef boos op mij vanwege jullie en luisterde niet naar mij en G’D zei tegen mij: “Genoeg jij, je moet hierover niet meer met Mij spreken!” (Deuteronomium. 3:26). Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt voor “werd kwaad”, “yitaber” is ongebruikelijk en is etymologisch afgeleid van het woord voor “zwangerschap”, ïboer”. Dit is de basis voor de Arizals diepere interpretatie van dit vers.

Zoals je weet, ontwikkelt Zeir Anpin zich door drie fasen van bewustzijn: foetaal [iboer], zuigeling [yenika] en volwassen [gadloet]. Op de zelfde manier ontwikkelt elke ziel zich door deze fasen van bewustzijn.

Fysiek ontwikkelt een persoon zich door drie fasen van voedselinnamen: Wanneer hij existeert als een embryo in de baarmoeder van zijn moeder, wordt hij gevoed direct door haar; wanneer hij een zuigeling is, ontvangt hij nog steeds voeding van zijn moeder maar doet dat door zijn eigen actieve betrokkenheid; nadat hij is gespeend, eet hij op zich zelf. Op de zelfde manier maakt het geestvermogen van de  ziel de zelfde drie ontwikkelingsprocessen door. Dit proces vindt aanvankelijk plaats in samenhang met de fysieke ontwikkeling, dat wil zeggen, in de embryonale staat, de zielfuncties op het niveau van foetaal bewustzijn; en na het spenen bereikt de ziel volwassen bewustzijn. Parallel hieraan kan een persoon door ondervinding deze drie fasen op een ander niveau, gedurende de weg van zijn leven doorlopen.

Zowel het fysieke fenomeen van deze drie fasen als het mentaal/spirituele fenomeen welke ervaren wordt door de ziel worden afgeleid van het parallelproces dat plaatsvindt in de ontwikkeling van de partzoef van Zeir Anpin. Bedenk dat Zeir Anpin de partzoef is van de midot, de emoties. Dus de mentale ontwikkeling van een persoon wordt afgemeten aan de aard van verwantschap tussen zijn intellect en emoties.

Met andere woorden, wanneer een idee in eerste instantie in het verstand wordt ontvangen (als een inzicht van Chochma) en dan ontwikkelt (in Bina), zal de emotionele reactie die voortvloeit uit dit idee nog niet evident zijn; het is alleen daar in potentie. We mogen daarom aannemen dat het idee “zwanger” is en zal leiden tot emotie. De foetale positie van het kind in de baarmoeder is zodanig dat de lagere ledematen onder de rest van het lichaam worden gebogen, aangevend dat zijn potentieel volledige gestalte, zichzelf nog niet kan manifesteren. “Embryonaal bewustzijn” is dus puur intellectueel, emotie existeert alleen in potentie.

Wanneer eenmaal het idee volledig is ontwikkeld, kan het leven schenken aan zijn inherent emotionele reactie. Wanneer het kind nog jong is, is zijn begrip van leven onvolgroeid, zijn de emoties voortgebracht door zijn intellect, direct verbonden met hun bron. Zolang als hij zich bewust is dat iets begeerlijk is, wil hij het, en niets kan de intensiteit van zijn verlangen matigen. Zolang als hij zich bewust is dat iets anders schadelijk is, is hij er bang voor en niets kan zijn vrees of afschuw van dat gebeuren verlichten. “Spenend bewustzijn” is dus een meer volwassen fase dan “embryonaal bewustzijn” waarin het intellect zichzelf uitdrukt door de emoties, maar dit gebeurt nog steeds op een relatief onvolgroeide wijze.

Als hij volwassen is ontplooit het intellect van het kind en hij kan het aantrekkelijke of onaantrekkelijke van iets zien in een veel bredere context, met andere woorden, consequenties zien op langere termijn, onmiddellijke uitwerkingen op zijn omgeving enzovoort. Dus in deze fase weerspiegelt zijn emotionele respons een veel diepere en breder begrip van ophanden zijn de zaken. Dit is “volwassen” bewustzijn.

Mozes de Verlosser

De Arizal bespreekt nu de betekenis van de woorden “Genoeg jij”( in het Hebreeuws, “rav lach“), wat ook “je hebt een leraar” betekent.

Dit betekent dat Mozes oorspronkelijk de leraar van alle ander profeten was.

Mozes, de eerste profeet die de woorden van G’D overbracht aan het Volk, was het prototype voor alle volgende profeten en leiders van het Joodse volk. Zij zouden allen van hem leren en streven naar zijn niveau. Maar toen hij pleitte om het Beloofde Land binnen te gaan met de rest van het Joodse Volk om te kunnen continueren als herder voor hen, beantwoorde G’D in zekere zin zijn gebed door hem te verzekeren dat zijn ziel zal terugkeren en zal worden gevestigd in de ziel van iedere leider van elke volgende generatie. In dit geval echter was hij in het begin niet de leraar maar de student:

Maar naderhand, [ met andere woorden, als Mozes ziel zal terugkeren] in elke generatie, zal hij [in de vorm van de volgende leider van die generatie] een leraar nodig hebben om hem te onderwijzen. [In het bijzonder], de profeet Elia zal komen en hem onderwijzen en de generatie zal beginnen te schijnen in hem.

Mozes ziel, geïmpregneerd in elke nieuwe generatie opkomende leider, moet beginnen vanaf het begin en moet Thoraleren van anderen. Één van de missies van de Profeet Elia, die levend opsteeg naar de hemel en een soort van engel werd, is, om de diepere betekenissen van de Thora te onderwijzen aan deze geleerden van elke generatie die het waard waren. Wanneer eenmaal een persoon begint de innerlijke dimensies van de Thora te leren, begint hij zich te identificeren met de unieke psychosociale context van zijn generatie en ontwikkelt daardoor zijn aangeboren kwaliteiten als leider.

Eerst zal hij “stom zijn, niet wetend hoe hij zijn mond moet openen”. (Psalm. 38:14)

Hij heeft niet de kunst van articulatie en inspirerend spreken geleerd.

In feite zien we dat zelfs dan [met andere woorden, in Mozes eigen leven, Mozes had in het begin problemen om in het openbaar te spreken] iets van deze belofte werd vervuld. Onze wijzen verklaren (Sotah 13b) in relatie tot het vers, Ik kan niet langer gaan en komen”, dat het refereert aan Thora studie (Rashi op Deuteronomium, 31:2)), bedoelend dat de fonteinen van wijsheid voor hem gesloten waren en dat hij Thoraonderwijs nodig had van Jehoshoea.

Op de dag van zijn dood zei Mozes tot het Volk, “Ik ben 120jaar oud vandaag; Ik kan niet langer gaan en komen. G’D zei tot mij, “Je zal niet deze rivier de Jordaan oversteken”, [maar in plaats van mij], zal G’D voor jullie [het Joodse Volk] uitgaan. Hij is het die deze volkeren vóór jou op de vlucht zal vernietigen, zodat jij ze verdrijven kunt. Jehoshoea zal jullie leiden, zoals de Eeuwige geboden heeft.” (Deuteronomium, 31: 2-3)

Dit is een aanvullende betekenis van de woorden “Je hebt een leraar”, met andere woorden, dat je al een leraar hebt, namelijk Jehoshoea..

Dus deze woorden, gesproken op de eerste dag van de maand Shevat in het laatste jaar van Mozes leven, ziet 37 dagen vooruit naar de 7e van de maand Adar, de laatste dag van zijn leven, wanneer de G’ddelijke inspiratie, nodig om Thora te leren aan het Joodse Volk zal worden overgedragen aan Jehoshoea. Dit is natuurlijk naast de belofte dat Mozes ziel zal terugkeren naar het Joodse Volk in elke generatie om zodoende eerst aan een andere leraar te worden onderwezen.

SHABBAT SHALOM

DE MAAND MENACHEM AW EN SHABBAT CHAZON

De Shabbat van het visioen van Jeshajahoe (Jesaja 1, 1-27)

SEFER DEVARIM

het boek Deuteronomium

Het boek Devarim ,ook wel genoemd “Mishné Thora”,ofwel, herhaling of overzicht van de Thora , bevat desondanks toch meer dan zeventig nieuwe mitswot (opdrachten).

Moshé richtte zijn woorden ( devarim ) tot de generatie die Eretz Yisrael zou binnen gaan. Hij herhaalde daarom ook nadrukkelijk de geboden ten aanzien van “Awoda Zara” ( afgodendienst ), om de joden er voor te waarschuwen zich niet in te laten met de praktijken van de heidense volkeren in Eretz Kana’n, maar loyaal te blijven aan de Thora.

Sefer Devariem kondigt daarom ook de eventuele straffen aan bij verloochening van de Thora, waarvan verspreiding wereldwijd, van het joodse volk, er één is. Het sluit af met de bevestiging van de uiteindelijke verlossing (30:3), de voltooiing van de schepping, een historische cyclus die was begonnen met de schepping.

PARASHAT DEVARIEM

Woorden (Deuteronomium 1:1 – 3:22)

De Parasha van Devariem wordt altijd gelezen op de Shabbat vóór de 9de Aw, de datum waarop beide Tempels werden verwoest. Deze tragedies vinden hun reflectie in de keuze van de Haftara (profetenlezing na het lezen van de Thora op Shabbat, Feestdagen en Vastendagen) van afgelopen weken en de komende weken. Die van voor de 9de Aw benadrukken profetieën van berisping voor de zonden die de spirituele oorzaak waren van de verwoesting; de Haftarot na 9de Aw behielden in zich de boodschap van troost en bemoediging. De Haftara van deze week de fameuze “Visioen van Jesaja” (1, 1-27) geeft zijn naam aan de dag, Shabbat Chazon, de “Shabbat van het Visioen”. Traditioneel wordt dit gezien als een zeer krachtige aanklacht tegen een rebels volk. Maar vanuit de Chassidische traditie gezien schuilt zelfs in een vervloeking ook een G’ddelijke zegen. Rabbie Levi Jitschak van Berditchev, een van de eerste Chassidische leraren, zag het als een toekomst visioen van de Derde Tempel in de Messiaanse Tijd. Deze uiteenzetting onderzoekt de relatie tussen deze gedachten en de inhoud van de Parasha van Devariem.

DE SHABBAT VAN HET VISIOEN

Er is een uitspraak van Rabbi Levi Jitschak van Bertditchev dat deze Shabbat, Shabbat Chazon (als de fameuze Haftora van het vizioen ( chazon ) van Jasaja gelezen wordt) een dag is waarop een visioen aan ons wordt getoond van de toekomstige Derde Tempel, zelfs al zien we het alleen van een grote afstand. ( de woordenkeus visioen “chazon” geeft een visioen aan vanuit een afstand ) Dit stelt ons in staat de relatie te begrijpen tussen het “visioen” van de Haftara en de lezing van Devariem, welke altijd samen gelezen wordt op de Shabbat vóór de 9de Aw.

Want met Devariem begint de “Tweede Thora” Mozes herhaling van de Thora. Het boek Deveriem verschilt ten opzichte met de vier andere boeken van de Choemash, (de vijf boeken van de Thora) doordat het zich in zijn geheel richt op de generatie die op het punt staat het Heilige Land binnen te trekken. Zij benodigden raad en waarschuwing op een wijze die de vorige generatie niet benodigde.

Want het volk dat de wildernis doorkruist had bezat een directe kennis van het G’ddelijke, het had G’D gezien op de Sinaï.

Maar de volgende generatie was al betrokken met hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de fysieke wereld, zij waren het directe kwijt, zij hoorden G’D maar zagen Hem niet. Zij werden met de woorden toegesproken (Devariem 4,1) ” Nu dan Israël, luister…”

Het verschil tussen horen en zien is: iemand die met eigen ogen getuige is van een gebeurtenis is onwrikbaar in zijn verklaring hierover, hij heeft het met zijn eigen ogen gezien. Maar degene die hoorde over de gebeurtenis kan mogelijk enige twijfel hebben. Horen verleent geen zekerheid.

Daarom werd de generatie die het Land Israël zou binnentrekken, die G’D had gehoord maar niet had gezien, geïnstrueerd over zelfopoffering en dergelijke, een waarschuwing die compleet overbodig zou zijn voor de generatie van de wildernis.

Kortom, de latere generatie miste de spirituele directheid van hun ouders. Maar, desalniettemin, waren zij in een bepaalde staat die onbereikbaar voor hun vaders zou zijn, die was gezegd: “Jullie hebben tot nog toe niet de rust en het erfgoed bereikt die de Eeuwige, onze G’D je geeft.” (Devariem 12. 9)

Shilo en Jeruzalem was alleen haalbaar door de latere generatie.

Want alleen door betrokkenheid met materiele zaken, de omvorming van G’D’s wil tot praktische handelingen, zou de volbrenging zijn van de “de rust en het erfgoed”. (Babylonische Talmoed Megilla, 10a. Zevachiem, 119a. Jeruzalem Talmoed Magilla 1. Zohar, deel II, 241a, 242a.)

Devariem, vertelt ons over de paradox, dat ware betrokkenheid met het aardse, ware verheffing teweeg brengt; het hoogst bereikbare van de geest is haalbaar in aardse zaken, niet in hemelse sferen.

En dat is evenzo de boodschap van het “visioen” alhoewel deze Haftara gelezen wordt in de “Negen Dagen” van rouw om het verlies van de Tempels, is het niettemin dat door de resulterende verbanning ware verlossing zal komen, het visioen welke ons een vluchtige kijk geeft ( volgens de woorden van de Berditchever ) op de toekomstige hoop.

DROEFHEID EN VREUGDE

Het rouwgevoel, dat ons bewustzijn domineert tijdens de Negen Dagen wanneer wij ons de verwoesting van de Tempels herinneren, wordt gebroken door de Shabbat, de dag waarop vreugde prevaleert.

Inderdaad, op de Shabbat vóór de 9de Aw worden we gelast om meer vreugdevoller te zijn dan gewoonlijk om mogelijke melancholie van de omliggende periode niet te laten binnendringen in de Shabbat sfeer.

Maar het gelasten heeft een diepere betekenis. Shabbat is een weerspiegeling van de Komende Wereld; de toekomstige verlossing zal zo volkomen zijn dat zij alle sporen van de verbanning heeft uitgewist.

Daarom is op deze dag geen plaats voor evocatieve gevoelens van verbanning. We gaan verder dan alleen maar het elimineren van droefheid, we verhogen onze vreugde. Want de toekomstige verlossing zal spiritueel intenser zijn dan alle anderen tevoren.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT DEVARIEM

Woorden Deuteronomium. 1:1 – 3:2

G’ddelijke ontmoeting in Egypte

Zohar, p. 84b

Dit zijn de woorden die Mozes sprak tot heel Israël in het Transjordaanse, in de woestijn, in de Atawah-vlakte, tegenover de Rode Zee, tussen Paran en Tofel, Lawan, Chatserot en Di’zahaw.” (Deuteronomium. 1:1)

Rabbi Eleazar opent zijn verhandeling met het citaat: “Maar Ik ben de Eeuwige, van het Land Egypte en je zult geen andere goden kennen buiten Mij; want buiten Mij is er niemand die je redt.” (Hosea. 13:4)….Merk op dat er niet staat geschreven “Ik ben je G’D die je uit het Land Egypte heeft genomen, maar eerder zegt de tekst “Ik ben je G’D van het Land Egypte“. Impliceert dit dat vanaf [hun verblijf in het] Land Egypte Hij hun Koning was, en niet er voor? Dit zou niet kunnen, want Jacob vertelde zijn huisgezin zijn schoonvader Lawan te verlaten, “Doe al het vreemde weg dat jullie bij je hebben, reinig je en trek andere kleren aan. Daarna maken we ons gereed en trekken naar Beth-El; daar maak ik een altaar voor de G’D die mij hoorde op de dag dat ik in nood verkeerde en met mij was op de weg die ik heb afgelegd.” (Genesis. 35: 2:3) De verhouding tot G’d hier is duidelijk van vóór dat het volk van Israël in Egypte was, en toch zegt de tekst “Ik ben je G’D van het Land Egypte“!

De verklaring is dat vanaf de eerste dagen dat Israël in de wereld existeerde zij niet de ware Majesteit van de Heilige, geprezen zij Zijn Naam, kenden. Dit gebeurde pas nadat zij slaven werden, en gedwongen werden om slaven arbeid te verrichten en zich schreiend van leed tot Hem wendde. Alhoewel zij slaven waren, veranderden zij hun gewoonten niet, en daar in Egypte werden onze voorvaderen getest, zoals goud wordt gescheiden van zijn afval in een smeltoven. Bovendien waren zij elke dag blootgesteld aan allerlei typen van tovenarij en kwaadaardigheid bestemd om het volk op een dwaalspoor te brengen. Maar toch dwaalden zij niet van hun weg af, noch naar rechts noch naar links.

Alhoewel zij niet werkelijk de glorie van G’D kenden, continueerden zij toch de gewoonten van hun voorvaderen. Het was alleen, nadat zij zo vele mirakels en machtige daden van de Heilige, geprezen zij Hij, zagen, dat hij hen aannam om Zijn dienaren te zijn. Het was in Egypte dat zij allen zo veel mirakels en wonderen zagen met hun eigen ogen en al die fameuze tekenen en machtige daden. Dit is de reden dat er is geschreven “Ik ben de Eeuwige, van het Land Egypte”; het Land waar Hij Zijn Glorie reveleerde!

Hij reveleerde Zichzelf ook aan hen toen zij werden achtervolgd aan de kust van de Rode Zee. Daar zagen zij de pracht van Zijn Hoogste Glorie van aangezicht tot aangezicht met het splijten van de zee en het doen verdrinken van hun vijand. Dit alles, zodat niet zou worden gezegd dat het een andere god zou zijn geweest die tegen ons sprak. Integendeel, “Ik ben Degene Die al deze 10 plagen over het Land Egypte heeft gebracht.” [ Dit betekent,] “Vanwege wat Ik deed voor jullie, zullen jullie geen andere goden kennen buiten Mij. Dit alles, zodat jullie niet zeggen dat het een of andere god is die tegen jullie sprak, maar dat Ik het ben voor alle tijden.

SHABBAT SHALOM