PARASHAT MAS’ÉE

Reizen Numeri. 33: 1 – 36:13

SHABBAT ROSH CHODESH MENACHIM AV

Tweeënveertig mystische routes

Sefer Baal Shem Tov (Degel Machane Ephraim)

Dit zijn de routes van de Kinderen van Israël die onder leiding van Mozes en Aharon uit Egypte waren getrokken in hun stamverbanden” (Numeri. 33:1)

Er waren bij elkaar tweeënveertig routes. Mijn grootvader [de Baal Shem Tov] legt uit dat zij in het leven van een ieder mens voorkomen, van het moment van geboren worden tot de dag dat men sterft.

Dit kan als volgt worden opgevat: wanneer een persoon wordt geboren en de baarmoeder verlaat, wat correspondeert met de uittocht uit Egypte, trekt hij later van de ene plaats naar de andere, totdat hij het Bovenaardse Hemelse Land van het Leven bereikt [de Toekomstige Wereld, corresponderend met het Land Israël]. Dus staat er geschreven: “Bij het woord van G’D legerden ze en bij het woord van G’D trokken ze op” (Numeri. 9:23), wat correspondeert met beperkt bewustzijn en verruimd bewustzijn.

Ik hoorde ook van een bepaald persoon dat de tweeënveertig routes corresponderen met de tweeënveertig letter Naam Van G’D, welke wordt geteld van de eerste nacht van Pesach tot aan het feest van Shawoeot en wordt voltooid met de ontvangst van de Thora. Hoewel er in totaal negen en veertig dagen zijn, is elke week een complete eenheid, met de oorsprong van hen allen die tweeënveertig zijn.

[De eerste week van de uittocht uit Egypte wordt niet geteld voor rectificatie (tikoen) van de middot die verbind met G’D’s Tweeënveertig Letter Naam, maar van de dag dat zij de rode zee doorkruisten begint de telling van tweeënveertig dagen.]

Deze routes werden in de Thora vastgelegd om ons te leren de juiste weg in ons leven te volgen en dat al onze reizen heilig en puur zijn. Zo hoorde ik van mijn grootvader uit naam van de Briet Menoecha, dat [de plaats] Kivroth HaTa’avah [letterlijk, “begrafenissen van begeerte”] (Numeri. 11:34) corresponderen met de sefira van cochma, want zij begroeven daar de mensen die lust begeerden. Met andere woorden, wanneer iemand het niveau van chochma bereikt, verliest hij al zijn [materiële] begeerten in zijn gehechtheid aan G’D.

Nu kunnen wij begrijpen dat alle reisroutes heilig waren, of aspecten van heiligheid bevatten op verheven niveaus. Tav’erah [andere plaats, letterlijk “Brandend”] was stellig een verheven aspect (Numeri. 11:3). Echter de Israëlieten vervormden de aard van deze plaatsen door hun daden, zoals wordt gezegd over Kivroth HaTa’avah: “En [Mozes] noemde de plaats Kivroth HaTa’avah, want zij begroeven daar de mensen die hunkerde naar gulzigheid (Numeri. 11:34). Dit is ook van toepassing op de andere legerplaatsen, zoals Tav’arah: “En [Mozes] noemde de plaats Tav’erah [“Brandend”] , want G’D’s vuur had hen verbrand.” Maar hadden zij deze plaatsen niet vervormd, zou elk van hen zijn eigen verborgen licht hebben gereveleerd.

Dit is de betekenis van “Dit zijn de routes van de Kinderen van Israël…….Mozes scheef op bevel van G’D de vertrekpunten van hun verschillende routes op en dit zijn dan hun routes in overeenstemming met het opbreken van hun kampementen”(Numeri. 331-2): Mozes noteerde de bovenaardse significantie van elke route, van de baarmoeder tot het Land van het Leven, zodat elk persoon de weg zou weten te volgen in overeenstemming met G’D’s woord. Echter….” dit zijn hun routes in overeenstemming met het opbreken van hun kampementen”. “(Numeri. 331-2): ; is hoe zij zelf dat opbreken van hun kampementen vervormen met hun daden, want het eind van het vers zegt niet: “op bevel van G’D”.

SHABBAT SHALOM

PARASHOT MATÓT

Stammen – Reizen (Numeri. 30:2 – 32:42)

RABBI SHIMON BAR JOCHAI

ZOHAR. P. 259b

“En al de meisjes…..” (Numeri. 31:18) Rabbi Jehoeda zegt, dat we van hieruit leren dat de wereld geleid wordt door “tweekleurigheid” dat afkomstig is van het vrouwelijke aspect van de spirituele wereld.
Dit is de “wijsheid van het hart” die het woord regeert, zoals is geschreven “Alle vrouwen die wijs van hart waren, sponnen eigenhandig en brachten het gesponnen, de hemelsblauwe, purperrode en karmozijnkleurige wol en het fijne linnen als gesponnen draden.” (Exodus. 35:25) Wat was nu de exacte bedoeling van het brengen van dit ongewone offer bij de inwijding van het Tabernakel in de woestijn? De reden was het rectificeren van de kleuren blauw en purper welke elk een mengeling van wit en rood bevatten. Dit wordt eveneens weergegeven in het vers “Ze zoekt wol en linnen uit, en werkt vreugdevol met haar handen” (Spreuken. 31:13). Ook is er geschreven dat de vrouw met een wijs hart “spint met haar handen”. Wat is dat “spinnen”? Rabbi Jehoeda zegt dat zij striktheid en barmhartigheid samen spint.

De kleuren komen bij haar over als een code voor de twee fundamentele sefirot die de G’ddelijke activiteit in deze wereld definiëren, namelijk chesed en gevoera, barmhartigheid en striktheid. Deze twee sefirot worden weergegeven in de richtingen rechts en links door de kleuren wit en rood. De kleur purper geeft een mengeling van wit en rood aan in de sefira van “tiferet“, “esthetica” welke in het midden van de boom van de sefirot is, tussen chesed en gevoera. De kleur blauw representeert “malchoet“, welke de manier aangeeft waarop de wereld in feite wordt geleid.

Het is interessant om te weten dat deze kleuren worden gebruikt door de gerechtelijke macht in de samenleving, b.v in het Britse rechtssysteem worden witte pruiken door de rechters gedragen, welke barmhartigheid representeren en rode toga’s passend voor hun rechtsactiviteit. Koningschap verwijst naar als “blauwaderig. ”

Wit is eveneens verbonden met licht, welke de bron is van spiritualiteit, in Kabbala heeft dit betrekking op het “Oneindige Licht”. In de zelfde zin representeert witte wol chesed en draderig vlas, gevoera. De vlijtige vrouw (malchoet) weet hoe deze twee materialen tot weefsels moeten worden verwerkt, het weefsel van het leven mengt de juiste balans van barmhartigheid en striktheid.

Rabbi Jizchak vroeg Rabbi Jehoeda waarom het Hebreeuwse woord voor vrouw “isha” is. Hij antwoordde, omdat het woord zowel strikt oordeel als barmhartigheid in zich draagt. Bekijk het op deze manier: Rabbi Eliëzer zegt dat elke vrouw “oordeel” wordt genoemd, tot aan het punt dat zij de smaak van barmhartigheid proeft.
Dit is zoals we hebben geleerd, de foetus verkreeg het wit van de man en het rood van de vrouw. Wanneer een vrouw de chesed van de man proeft, begrijpt zij dat chesed voorkeur heeft tegenover gevoera.

In het Hebreeuws betekent het woord “Ish” “man” en “Isha” “vrouw”. Dat geeft aan dat een meisje, wanneer zij het stadium van een gehuwde bereikt, het vrouwelijke aspect van gevoera met het mannelijke aspect van chesed combineert. Het resultaat van vereniging van deze twee aspecten is een foetus die wit (zoals beenderen en het wit van de ogen) en rood (zoals bloed en huid) bevat.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT PINCHAS

Pinchas Numeri. 25:10 – 30:1

De Geest van al het lijfelijke

Toldot Ja’akov Joséf, p. 19b, 10c

Laat de Eeuwige, de G’D die de geest van al het lijfelijke kent, een man aanstellen over de gemeente, die hen voorgaat bij uitgaan en binnenkomen, die hen uitgeleide doet bij het weggaan en hen binnen leidt bij het thuiskomen, zodat de gemeenschap van de Eeuwige niet zal zijn als schapen die geen herder hebben.”

De leider van een generatie is in staat om alle spraakuitingen van het volk van zijn generatie te verheffen….het verenigen van het fysieke met het spirituele. Dit is gelijk aan de twee grappenmakers…..

De Talmoed, tractaat Ta’aniet 22a, brengt met elkaar in verband dat Rabbi Broka eens converseerde met de profeet Elia op het marktplein van Bei Lefet: “Is er op dit marktplein iemand die de Komende Wereld zal ontvangen? vroeg hij hem. Elia wees naar twee mannen. Rabbi Broka vroeg aan hen wat zij deden, zij vertelden hem dat zij grappenmakers waren en dat wanneer zij zagen dat het volk gedeprimeerd was, hen gingen opvrolijken. [Ben Porat Joséf,p. 16a]

Yesod wordt “alles” genoemd [in het Hebreeuws, “Kol“] omdat al de hemelse eigenschappen [Sefirot] daarin zijn begrepen. Het verenigt hen allen en laat [hen] uitstralen in Malchoet, die “de bruid” genoemd wordt [Hebreeuws, “Kalla´] volgens de zelfde redenering dat die eigenschappen ook in haar zijn inbegrepen.

Het woord “alles”, “kol“, en het woord “bruid”, “kalla” delen de zelfde stam, kaf lamed. Echter het woord “Kalla” heeft een aanvullende letter hé, die correspondeert met zowel de sefira van Malchoet als met de laatste letter van het Tetragrammaton. Zowel Malchoet, als Yasod zijn een microkosmos van de gehele sefirotische sfeer. Echter is Malchoet vrouwelijk en ontvankelijk, terwijl Yesod mannelijk en inspirerend is.

Voor de enkeling, “[Thora studie] niet omwille van G’D leidt tot studie omwille van G’D” (Pesachiem 50b). Dat wil zeggen, hij verheft zijn eigen zelfgerichtheid door middel van zijn eigen onbaatzuchtige studie.

Maar als dit aspect niet wordt gevonden in elk persoon, wordt het gevonden in de leiders van de generatie. Dus het bovenstaande vers [in ons Thoragedeelte] zegt, “….en hen binnen leidt.” Met andere woorden, die hen zal brengen in zijn perspectief [van onbaatzuchtige dienst aan G’D].

Vredelievende Eenwording van Zielen

Toldot Ja’akov Joséf, p. 96d

Zeg het daarom voort: Zie, Ik geef hem Mijn vredesverbond.” (Numeri. 25:12)

Volgens de Zohar en Likoetei Thora, waren Nadav en Avihoe “twee helften van een lichaam”.

Zie Zohar III, 57b; Likoetei Thora, parashat Vajikra, door de Arizal. Nadav en Avihoe waren nooit getrouwd, dus de Zohar beschouwt hen als een half persoon. Toen Pinchas Zimri en Kosbi tijdens hun onwettig handelen doorboorde, verenigde de zielen van Nadav en Avihoe zich met zijn eigen ziel.

Dus Pinchas nam beide zielen, zodat zij als één worden beschouwd. Aldus is geschreven: “Zie, Ik geef hem Mijn vredesverbond”, want wanneer twee dingen worden verenigd, wordt het “vrede”genoemd. Vandaar dat Yesod “vrede” wordt genoemd, etc.

Yesod is de negende sefira en dient om de hoger gelegen sefirot te verenigen met de tiende sefira van malchoet. Dus wordt het “vrede” genoemd.

“En van uit mijn lichaam zal ik toch G’D aanschouwen.” (Job 19:26)

Chassidische geschriften citeren dit vers vaak, om het idee te versterken dat de fysieke, emotionele en mentale constitutie van een menselijk wezen met de werkingen van de hemelse sefirot gelijklopen en weerspiegelen en door welk G’D de wereld stuurt. De sefira van Yesod correspondeert met het mannelijk lid, dat het orgaan van eenwording is. Yesod correspondeert ook met de Tzadiek, wiens bewustzijn hemel en aarde verenigt.

Analoog hieraan, wanneer er verdeeldheid is onder het volk, wordt degene die hen kan verenigen een “doorzetter van vrede” genoemd. De reden dat Nadav en Avihoe de fout ingingen was gelegen in het feit dat zij niet elkaar om raad vroegen [voor het binnengaan van Het Heilige der Heilige], zoals het vers zegt: “En Nadav en Avihoe, de zonen, namen ieder voor zich een vuurpan”. (Leviticus. 10:1) Er was vrede tussen hen. Maar Pinchas rectificeerde dit toen aan hen het vredesverbond werd gegeven, om de zielen van Nadav en Avihoe te verenigen in één lichaam.

SHABBAT SHALOM

.

PARASHAT BALÁK

Balak Numeri. 22:2 – 25:19

De geschriften van de Ari

En Moab werd heel bang voor het volk, omdat het zo talrijk was en Moab was vol afkeer [van de Israëlieten]. Numeri. 22:3)v

De esoterische uitleg is als volgt:

Er waren twee verschillende typen van [mensen waaruit] Israël [bestond in die generatie]. De eerste waren de Joden zelf die in die generatie leefde, de oorsprong van hun zielen waren vonken van Mozes [ziel], die op zijn beurt voort kwam uit Abel. (Dit werd uitgelegd in onze uiteenzetting over de generatie van de woestijn, in het vers, “En een nieuwe Koning heerste over Egypte.”)

Het tweede type [van mensen] was de Gemengde Menigte, die in de Schrift wordt aangehaald als “het volk”, zonder enig bepalend woord. (Zie Rashi op Exodus. 32:7: Likoetei Sichot, vol. 16, pp. 408 ff) Zij komen voort uit het kwade aspect van Cain.

Het is met betrekking tot hen dat wordt geschreven, En Moab werd heel bang van het volk , want zij waren talrijk.” Dit verwijst naar de Gemengde Menigte, die wordt beschreven als “talrijk”.

De letterlijke vertaling van de woorden die vertaald worden als “Gemengde Menigte” (in het Hebreeuws, “erev rav” is “een grote mengelmoes”. Daarom verwijst de frase “het volk, want zij zijn talrijk”, zeer duidelijk naar de Gemengde Menigte.

De beschrijving vervolgt met te zeggen dat “Moab vol afkeer was omdat de Israëlieten“, hetgeen refereert aan Joden zelf, die voort kwamen uit Abel.

De letterlijke vertaling van de woorden vertaald als “de Israëlieten” (benei Yiraël) is “de kinderen” of “nakomelingen” van Israël, met andere woorden, van Jacob; dit refereert alleen aan de nakomelingen van Jacob, in tegenstelling tot Mozes bekeerlingen.

Rabbeinoe Bachya

De Eeuwige had een gebeurtenis met Bilaam (Numeri. 23:4)

Later in (vers 16) vinden we dat Bilaam zelfs een visioen ervaart van Havayah, een hogere eigenschap dan [dat wat wordt gerepresenteerd door de naam] Elo-hiem. Dit gebeurde tengevolge van Bilaam’s visioen welke hem reeds had verheven naar een status waar hij profetische inspiraties kon ontvangen van de zelfde celestische bron als Mozes. Het was toen dat hij zich realiseerde dat het idee van vervloeking van Israël compleet absurd was, aangezien Israël onder de beschermende vleugels van de eigenschap van Barmhartigheid was.

Zolang als Bilaam werd “bezocht” door de eigenschap van Recht, durfde hij te hopen dat hij ergens een zwakke plek zou vinden in Israëls spirituele uitrusting om hen te vervloeken zodat de eigenschap van Recht bereidwillig zou zijn om zich op het volk te storten. Zodra G’D hem benaderde in Zijn hoedanigheid als Havayah, realiseerde Bilaam zich dat zijn hoop tevergeefs was.

De grote “spirituele bevordering” welke Bilaam ondervond toen hij werd benaderd door de eigenschap van Havayah duurde niet lang, aangezien het slechts omwille van het Joodse Volk was, en niet vanwege Bilaam’s eigen spirituele verdiensten.

G’D wilde niet dat de volkeren van de wereld zouden beweren dat als aan hen het niveau van de profeet Mozes zou worden verleend, zij zelf spiritueel verheven zouden worden gelijk aan het Joodse Volk. Door Bilaam vermogens en inzichten te geven, gelijk aan die van Mozes, demonstreerde G’D aan de volkeren van de wereld dat ondanks het ter beschikking hebben van een opmerkelijk begaafd persoon als Bilaam, hetgeen impact heeft op hun morele/ethische wijze van gedrag. Dit gaf evenzo het Joodse volk een argument ten gunste van hun bevoordeelde positie ten opzichte van G’D, toen zij konden wijzen op het feit dat de profeet en spiritueel leider van al deze volkeren de spirituele superioriteit toegaf van het Joodse volk weerspiegeld in zijn lofzangen tot hen.

Zodra Bilaam zijn lofzang op het Joodse volk had beëindigd, met andere woorden, hun morele superioriteit over de ander volkeren had bezongen, ontnam G’D hem deze geest van profetie. Hij keerde terug tot het vertrouwen in magie en dat is waarom hij eindigde door de dood van het zwaard in plaats van zichzelf te verzekeren van de dood der rechtvaardigen die hij voor zichzelf wenste.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT CHOEKAT

De inzetting Numeri. 19:1 – 22:1

Rabbi Jitzchak luria

De Geschriften van de Arizal

De Thoralezing van deze week opent met de mitzwa van de rode koe (vaars). De as van de rode koe werd gebruikt om iemand te zuiveren van de onreinheid van dood. “Dood” is een spirituele afname van de ene staat van G’ddelijk bewustzijn naar een lagere (of gebrek aan) G’ddelijk bewustzijn. Dus de mitzwa van de rode koe bevat in zich de esoterische verklaring van kwaad en de purificatie van bezoedeling van kwaad/dood, met andere woorden, verlies van G’ddelijk bewustzijn.

“De Eeuwige sprak tot Mozes en tot Aharon, ‘Dit is de choekat van de Thora die de Eeuwige uitvaardigde. Hij zei: draag de kinderen van Israël op dat ze je een volkomen rode koe brengen, zonder gebrek, waarop nog geen juk gelegd is.

Jullie moeten die aan de priester El’azar geven en die moet haar naar buiten de legerplaats brengen en men slacht haar waar hij bij is. De priester El’azar neemt dan met zijn vinger iets van het bloed ervan en spat van dat bloed zeven keer in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomsten.

Men verbrandt de koe voor zijn ogen; men moet de huid, het vlees en het bloed ervan samen met de mest ervan verbranden. (Numeri. 19:1-5)

Aangaande de essentie van de [rite van de] rode koe zei Koning Solomon, zaliger gedachtenis, ” Ik zei, tegen mijzelf, laat ik wijsheid zoeken, maar ze bleef ver weg” (Prediker. 7:23) leggen onze wijzen uit. (Bamidbar Rabba. 19:3)

Koning Solomon was het meest wijs van alle mannen , maar zelfs hij kon niet begrijpen hoe de rite van de rode koe de purificatie van een persoon kon bewerkstelligen.

Weet dat de grondslag van de rite van de rode koe ligt in het feit hoe Malchoet het ontvangt van de achterzijde van de Heilige Namen en niet van de voorzijde.

Omdat de rite van de rode koe een staat van werkelijkheid illustreert in welke de G’ddelijke zijn “Gezicht” niet toont, maar eerder zijn “achterzijde”, zintuiglijk voelen we ons in deze context als zijnde verwijderd, of ver van G’D’s aanwezigheid. Dit is de reden dat Koning Solomon zijn onvermogen beschrijft ten aanzien van het doorgronden van de rite van de rode koe als “ver” van wijsheid.

Om die reden moest de koe rood zijn om de staat van streng oordeel aan te geven [aan welke malchoet is onderworpen].

Rood is de kleur van gevoera, strengheid. Iemand die blootgesteld is aan of fysiek in aanraking is geweest met dood, is in een staat van extreem ernstige beperkt G’ddelijk bewustzijn. De schrille confrontatie met de realiteit van dood draagt in zich de kiem van miserabele depressie geboren uit nihilistisch fatalisme, heidens, houding tegenover het leven. Diegene moet daarom zichzelf “purifiëren”van deze bezoedeling.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT KÓRACH

Korach

Numeri. 16:1 – 18:32

Rabbi Shimon bar Jochai

Het geven van dank in harde tijden

Zohar. p. 176b

Rabbi Jehoeda opent zijn verhandeling met [een vers van waar Elihoe, de jongste onder de vrienden van Job, zijn woorden van troost over het rouwen van Job begint door te zeggen:] “Luister, wijzen, naar mijn woorden, jullie die alles weten, hoor wat ik zeg.” (Job 34:2)

Kom en zie wat is geschreven: “En hij [Elihoe] ontstak in woede tegen Jobs drie vrienden, omdat ze niets tegen Job wisten aan te voeren [ aangaande Jobs beklag tegen G’D] en hem toch schuldig verklaarden [omdat hij bleef doorgaan met het verkeerd begrijpen van de tragische gebeurtenissen die hem overkwamen en G’D daarom verwijten maakte”]. (Job. 32:3) Zij zeiden woorden van troost tot Job, maar dit verlichte zijn rouwen niet. Hier leren wij van dat hij die een huis van een rouwende binnengaat om de rouwende te troosten van te voren moet weten welke woorden hij zal gaan zeggen [zodat zij gepast zullen zijn en troostend voor de rouwende]. Per slot van rekening zeiden Jobs vrienden troostvolle [en wijze] dingen, maar zij waren niet [wijs genoeg om te weten hoe] ze hem konden troosten. Om een rouwende te troosten moet je dingen zeggen die hem dankbaar maken [ten aanzien van G’D] voor dat wat hij heeft.

Dit is niet gemakkelijk om te doen omdat een rouwende zich wanhopig voelt, lijdt en in pijn is. Daarom moet men zijn gevoel van eigenwaarde versterken en zijn vermogen loven om de pijn en het lijden te accepteren met liefde.

Door dit te doen, wordt de rouwende aangemoedigd de wrede gevolgen met liefde te accepteren en dankbaarheid te betuigen aan G’D, de Heilige.

Als een rouwende zich er toe kan brengen om dankbaarheid te schenken voor zijn toestand, dan kan hij terugkeren naar de realiteit zoals die is, gearrangeerd door een liefdevolle G’D. Rouwen is een emotionele staat van vorming. Door het leed in rechtvaardigheid te accepteren, wordt de treurende zelf gerechtvaardigd en gerectificeerd.

Wat is er geschreven? “En Elihoe wachtte met spreken tot Job, omdat zij [zijn andere vrienden] ouder in dagen waren dan hij [maar niet in wijsheid] (Jop. 32:4).

Het woord voor “wachtte” gebruikt in het vers wordt ook gebruikt in het vers “Onze ziel wacht voor de Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild”. (Psalm. 33:2) Net zoals dat vers een specifieke vorm van “wachten” aanduidt, verwachting, op handen zijnde redding, zo gebruikt onze tekst het woord “wachten” om het gevolg van Elihoe’s woorden te beschrijven en hem aan te moedigen om voorwaarts te kijken naar betere dagen en zijn persoonlijke verlossing. Dat hij slaagt wordt aangetoond door Job’s respons.

Want Job betuigt vervolgens dank aan G’D, de Heilige, geprezen zij Hij, en accepteert voor zichzelf het recht welke het Hemelse Hof heeft uitgevaardigd.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT SHELÁCH LECHÁ

Zend jij Numeri. 13:1 – 15:41

Rabbi Isaiah Horowitz

Shnei loechot HaBrit

Met bloed en tranen

Aangaande challa, met andere woorden brood, zegt de Thora ons, “De mens leeft niet van brood alleen, maar eerder door alles dat voortkomt van de mond van G’D”. (Deuteronomium. 8:3)

Ik heb uitvoerig elders verklaard, in naam van de Arizal, dat dit vers het raadsel oplost dat de wetenschappers lang in verwarring heeft gebracht, wat betreft de vraag hoe de opname van bepaald voedsel de ziel in staat stelt verbonden te blijven met het lichaam, ondanks het feit dat de ziel per definitie, niet behoeft te eten.

Het antwoord is dat voedsel zowel fysiek al spiritueel is. Er is eenvoudig niets in deze wereld dat niet een bepaalde spirituele input krijgt van de “hogere” regionen. Hemelse krachten veroorzaken dat spiritueel potentieel wordt geactiveerd hier beneden in deze wereld. Vandaar dat de ziel ook van die spirituele ingrediënten in voedsel profiteert, juist zoals het lichaam kracht verkrijgt van de bouwstoffen in het voedsel. Daarom blijft de ziel verbonden met het lichaam zolang als het lichaam voldoende juist voedsel ontvangt. Dit is wat met het hierboven geciteerde vers wordt bedoeld, dat de mens niet alleen van brood leeft.

Het betekent dat het lichaam door de fysieke samenstelling van het voedsel wordt gehandhaafd, met andere woorden, door brood, als het ware. Daarbij, wordt leven gehandhaafd, met andere woorden, de ziel leeft voort, door de onzichtbare spirituele elementen in voedsel. Nog anders gezegd, door G’D’s opdracht om die spirituele elementen actief te laten worden binnenin de persoon.

Om die reden legt de Thora ons op om de challa opzij te zetten, af te zonderen, het te geven aan de Koheen, priester; door deze mitzwa te vervullen, wordt het spirituele element in het brood “geactiveerd” en levert een bijdrage aan het onderhouden van de ziel. Aangezien, in het gunstigste geval, dit challa is afgezonderd wanneer het brood nog niet is gebakken maar slechts nog deeg is, is het een methode om ons brood te zuiveren door heiligheid toe te voegen nog vóór dat het brood gebakken is. Het brood dient daardoor als een zuiveringsinstrument voor lichaam en ziel.

De eerste mens, Adam werd beschouwd als de challa van het universum (Jerusalem Talmoed Shabbat 2). Hij was volmaakt in lichaam en geest totdat hij de status van de wereld veranderde “De aarde zal doornen en distelen voortbrengen…..met bloed en tranen zal je brood eten.” (Genesis. 3:18-19) Het netto effect op het brood nadat het challa terzijde is gelegd en is gegeven aan de Koheen, is om een persoon de zegen te verlenen inherent aan het vers “brood zal het leven van de mens ondersteunen” (Psalm 104:15).

De mitzwa van tzitzit [ draden aan vier hoeken van kleding] vervult een vergelijkbare functie. Het verwijst naar de vier richtingen van de globe en de numerieke waarde van het woord, daaraan toegevoegd de acht draden van de eigenlijke franje plus de vijf knopen die we leggen wanneer we ze verbinden aan de kleren, geeft ons een totaal van 613, welke ons herinnert aan al de mitzwot van de Thora. Zij dienen ook als een herinnering aan de Hogere Regionen, een herinnering aan de ziel welke zijn onmiddellijke oorsprong heeft onder de “troon van G’D”. Onze Wijzen hebben het dus als volgt uitgedrukt: “De blauwe wol lijkt op de oceaan, de oceaan lijkt op de kleur van de hemel, de hemel lijkt op de zuiverheid van de saffier en de saffier lijkt op de troon van G’D.” (Choellien 89) We vinden daarom dat deze mitzwa een zuiveringsinstrument is voor het niet fysieke deel van de mens, zijn Nefesh. De twee mitzwot zijn dus bestemd om mentale en lichamelijke excessen te voorkomen, om er voor te zorgen dat de mens een pure geest en puur lichaam heeft.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEHA’ALÓTCHA

Wanneer je ontsteekt Numeri. 8:1 – 12:16

Rabbi Shimon bar Jochai

Het geheim van de lamp

Zohar, p. 151a

De parasha van deze week begint met de voorschriften over de zevenarmige kandelaar [Menora] die Aaron in het tabernakel in de woestijn aansteekt. De beschrijving van de Menora wordt herhaald, evenals de wijze waarop deze moet worden aangestoken. Deze dingen werden reeds behandeld in de wekelijkse Thoralezing van Teroema en Tezave. Deze herhaling leidt naar de volgende verhandeling door de zoon van Rebbe Shimon, Rabbi Elazar.

Rabbi Elazar stelt met betrekking tot de herhaling in deze parasha, beschrijvend de bewerking en het gebruik van de Menora en alles wat ermee verbonden is, de vraag. Waarom wordt het herhaald op een ander tijdstip?

De reden hiervoor is dat de prinsen van de stammen hun offergaven hadden gebracht bij de inwijding van het altaar [ zoals beschreven in de parasha Bemidbar, twee weken geleden] zowel als al hun andere offergaven en nu gaat de tekst ons duidelijk maken [opnieuw] over het functioneren van de Menora, welke werd gedaan en uitgevoerd door Aaron [ dus aantonend dat het belangrijker was dan alle andere offers].

Dit omdat Boven [in de wereld van Atziloet] de Menora [die wijsheid vertegenwoordigt verlichtend de sefira van Malchoet] al de lichten op zijn armen [die de sefirot representeren] alles verlicht door de verrichtingen van Aaron.

Aaron steekt de Menora aan bij dageraad. Dit is de tijd van Chesed, aangezien goedhartigheid is geassocieerd met overdag. Het licht van de zon is een goedheid van G’D aan de mensheid, welke ons in staat stelt de wereld om ons heen te zien, vegetatie toestaat om te groeien en de wereld te laten functioneren. Aaron representeert de sefira van Chesed. Zijn aansteken van de Menora is een fysieke meditatieve handeling, om een stroom van overvloed van de wereld van Atziloet te weeg te brengen van de hogere sefirot aan deze wereld, welke wordt gerepresenteerd door elke olie lontje afzonderlijk in elke arm van de Menora.

Kom en zie. Het externe altaar werd opgedragen en op de juiste wijze voorbereid door de twaalf prinsen, zoals we dit hebben uitgelegd.

De opstelling van de twaalf stammen onder hun vlag in de woestijn representeren de 12 verschillende combinaties van de vier – letterige naam van G’D. Deze vier letters en vier hoofdvlaggen representeren de vier richtingen, Noord, Zuid, Oost en West. Nu stelt de Zohar “Kom en zie” omdat het visualiseren van de Sefirot boom iemand helpt te begrijpen, dat deze vier richtingen in de fysieke wereld op hun beurt de vier hoofd sefirot van Chesed, Gevoera, Tifert en Malchoet weergeven.

Elk van deze vier hoofd sefirot zijn verbonden met elke andere in de sefirot boom, bestaande uit drie lijnen. Deze drie lijnen representeren de drie verschillende richtingen van invloedstroom en laat zien hoe zij samenkomen en onderling reageren met de ander sefirot. Op het moment dat de prinsen van de stammen het externe altaar hadden opgedragen was het geschikt als een representatie van de sefira van Malchoet. Elke prins bracht van zijn opgedragen “richting”, representerend het koninkrijk van de Koning der Koningen.

Aaron de Hoge priester was aangesteld om de zeven lontjes van de Menora aan te steken, allen op de wijze van [de spirituele wereld] Boven.

De olie in de Menora representeert de sefira van Chochma. Zoals men kan zien aan het diagram van de sefirot, de eerste van de zeven “emotionele” in het ontvangen van het licht van wijsheid is Chesed. Aaron representeert Chesed, de sefira direct onder Chochma. Hij heeft vrede en Chesed lief, en streeft er naar om disputen op een vriendelijke wijze bij teleggen. Het was daarom gepast om hem te benoemen voor het aansteken van de olie/wijsheid en er over te mediteren, het gevoel op zich te nemen van alle zeven “lichten” van menselijke emoties, gerepresenteerd door de zeven sefirot van Chesed, Gevoera, Tiferet, Netzach, Hod, Yesod en Malchoet. In de wereld “Boven” worden deze sefirot, Zeir Anpin genoemd. De heilige Ari verklaart dat wierrook alle tien sefirot van Zeir Anpin verbind door het bewustzijn van Bina/Imma. De olie van de Menora representeert het bewustzijn van Chochma/Abba. Dit was de reden om wierrook aan te steken van op de zelfde tijd als de Menora, aangezien zij samen het neerwaarts halen van de hogere niveaus van bewustzijn in eenheid representeren.

Het bestaan van de Menora was op zichzelf en de wijze waarop het gevormd was een groot mirakel, zoals [in parashat Teroema] wordt uitgelegd.

De Menora was gemaakt toen Mozes een kikar (een maat) goud wierp in een oven en tot G’D bad om het te vormen.

Het verscheen onmiddellijk geheel in zijn vorm. Dit verbindt de Menora verder met de sefira van Chochma.

En het interne altaar en de Menora stonden samen om allen vreugde te geven, zoals staat geschreven: “Olie en wierrook verheugen het hart.” (Spreuken. 27:9)

Het tabernakel, en later de Tempel, had een intern binnenhof waar de Menora en het Wierrook altaar stond en een extern binnenhof waar het buitenste altaar was geplaatst. Olie representeert wijsheid dat altijd wordt begrepen wanneer woorden worden gesproken op een vreedzame en rustige wijze. Dit is weergegeven in fysieke realiteit, waar olie kalmeert en lawaai stopt. Wierrook representeert Bina, zoals wordt aangeduid door de Hebreeuwse en Aramese naam, “Ketoret“. In het Aramees staat de letter “t” vaak voor de letter “s” in het Hebreeuws; dus “Ketoret” kan als “Keshoret” worden gelezen, betekenend, “verbinden”. Bina verbindt al de lagere sefirot om de gekozen functie in realiteit uit te voeren. Deze twee “verborgen” sefirot van Chochma en Bina zijn daarom vertegenwoordigd in het interne binnenhof, of “brein”van de Tempel, terwijl het externe binnenhof werd vertegenwoordigd door de sefira van Malchoet. De sefira van Malchoet wordt “het hart”genoemd, omdat het alle voeding van de andere sefirot/organen ontvangt. Iemand is waarlijk gelukkig wanneer hij ziet dat de realiteit wordt bedekt met het begrip van wijsheid en glorie van het G’ddelijke.

We hebben al eerder uitgelegd dat er twee altaren zijn. Één altaar binnen om vreugde voort te brengen en één buiten waarop offers werden gebracht. Het binnen altaar verspreidt zijn werking naar het buitenste altaar.

Vanuit het interne altaar (Bina), dat wordt gerepresenteerd door de naam Havayah, vloeit G’ddelijke zegen en overvloed naar het externe altaar (Malchoet) dat wordt gerepresenteerd door de naam Ado-nai.

En iemand die kijkt en mediteert [hierop] zal de hogere wijsheid realiseren, dat is het mysterie van de naam Ado-nai Elo-hiem.

Door heel de Tenach, waar ook deze twee namen verschijnen worden zij uitgesproken zoals boven geschreven. De naam Elo-hiem is geassocieerd met de sefira van Bina en de tekens passend aan de naam worden gebruikt om te laten zien hoe de vier – letterige naam moet worden uitgesproken. Het associeert daarbij Bina met Malchoet.

Daarom werd het wierrook offer alleen geofferd op het tijdstip waarop de olie van de Menora werd aangestoken.

Dit garandeerde dat er eenheid was tussen de intellectuele sferen van Chochma, Bina en Malchoet.

Nu kunnen we de innerlijke – reden begrijpen voor het gezegde “korbanot” als onderdeel van de ochtend dienst. Wierrook en Menora worden eerst genoemd en dan de afzonderlijke typen van offers. Dit verbindt Chochma en Bina met Malchoet, zoals we hebben uitgelegd, en rectificeert de wereld van Asiya.

Een laatste belangrijke noot is dat Chochma in het diagram boven de sefira van Chesed is. Dit impliceert dat wijsheid (Chochma) alleen met handelingen van goedheid en barmhartigheid is geassocieerd, zoals wordt gesymboliseerd bij Aaron. Dit verklaart waarom kwaad nimmer zegeviert, het heeft eenvoudig geen manier om de wijsheid te ontvangen die wordt vereist om zijn opponenten te overwinnen.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT NASÓ

Neem op Numeri. 4:21 – 7:89

Rabbi Yisrael Baal Shem Tov

Tzafnah Pbaneach, Teroema 3,p 90

Vonken van Teshoewa

Spreek tot de Kinderen van Israël: Wanneer een man of een vrouw een of andere menselijke overtreding begaat, waardoor ze ook tegenover de Eeuwige in ontrouw handelen, en zijn ziel is schuldbewust, dan zal zo iemand restitutie doen voor zijn schuld.” (Numeri. 5:6)

Ik hoorde van mijn Leraar dat het genoegen van een overtreding voortkomt uit de vonken van de Primordiale Koningen die vielen gedurende de Versplintering [van de Vaten] in de Kelipat Noga.

De Zohar en Luriaanse geschriften bespreken de cataclysmische gebeurtenis in het vroege stadium van de Schepping genoemd de “Versplintering van de Vaten”, of de “Dood van de Acht Koningen”, gebaseerd op het vers, “Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land van Edom, voordat er een koning regeerde over de Kinderen van Israël” (Genesis, 36:31). Simpeler gezegd, volgens deze leringen, waren de vaten van de lagere acht sefirot (van da’at tot en met malchoet) niet in staat om op gepaste wijze het licht voortkomend uit de Ein Sof te ontvangen, en de acht versplinterden en vielen in de Kelipat Noga, een sfeer van de Schepping die tussen het zuivere en het onzuivere staat.

Dit zijn de vonken van Heiligheid die ingekleed zijn in de Schepping en alle elementen van de Schepping stimuleren. Zij zijn de spirituele oorsprong van alle fysieke genoegens, inclusief het plezier voortkomend uit negatief gedrag. Het is de opdracht van het menselijk individu om deze vonken te verheffen naar hun hemelse oorsprong. Dit wordt gedaan door de weg van Thora en mitzwot en in geval van negatief gedrag door teshoewa.

Het is enkel en alleen door deze vonk dat iemand tot berouw komt. Want wanneer iemand zijn gedrag betreurt, verheft hij deze vonk naar de Hemelse Wereld , zoals is geschreven: ” ….wie draagt onrechtvaardigheid…. ” (Exodus. 34:7)

Dat wil zeggen, iemand die berouw heeft draagt letterlijk, of verheft, de zonde die hij heeft begaan en zend de vonk van heiligheid terug naar zijn oorsprong.

SHABBAT SHALOM

PARASHAT BEMIDBAR

In de woestijn Numeri. 1:1 – 4:20

Rabbi Schneur Zalman van Liadi

En de Eeuwige sprak tot Mozes in de woestijn Sinaí in de tent der samenkomsten…. [letterlijk] “Verhoog de hoofden [van het Joodse volk] naar hun schedel” [in het Hebreeuws, “ligoelgilotam”]…..

De eigenschappen van het fysieke lichaam weerspiegelen die van de ziel. Het fysieke hoofd bijvoorbeeld is analoog aan het spirituele hoofd, het “hoofd” van de ziel.

Een “schedel”, “gulgolet” in het Hebreeuws, omgeeft het fysieke hoofd, of brein. Op overeenkomstige wijze wordt het hoofd/brein van de ziel, omgeven door een “schedel”, gemaakt van de drie intellectuele vermogens, chochma, bina, da’at. De “schedel” van de ziel is “Radzon”, wil. Juist zoals de fysieke schedel het fysieke hoofd en brein omgeeft en bedekt, zo “omgeeft” de wil de ziel, met andere woorden, uitreikend boven het intellectuele aspect van de ziel.

Meer gedetailleerd, er zijn twee niveaus van de wil: één die het intellect vooraf en te boven gaat en de andere die ondergeschikt is aan het intellect en er uit voort komt.

Lagere Wil

Wanneer iemand de drie vermogens van zijn brein gebruikt om te contempleren en de ontzaglijkheid van de G’ddelijke realiteit te overdenken, ervaart hij een bewuste erkenning in zijn hart en een verlangen om zich aan Hem te hechten.

Alhoewel er is gezegd dat “geen gedachte Hem kan bevatten of vasthouden”, is dit slechts waar van de essentie van G’D. Iemand kan desondanks G’D’s uitstalling waarnemen. Sterker nog, het is compleet de bedoeling van de mens om G’D’s grootheid te over denken, dat Hij een aantal hemelse en lagere werelden heeft gecreëerd en dat Hij die aanhoudt en die elk moment opnieuw van uit het niets tot zijn brengt.

Deze meditatie varieert al naar gelang de persoon. Maar ieder persoon kan zijn capaciteit gebruiken om zijn gedachten te ontplooien, om zijn hart en ziel te ontbranden, om zijn ziel te binden aan G’D en zich aan Hem te hechten, al naar gelang zijn intelligentie, wijsheid en toewijding.

Deze meditatie leidt naar een verlangen en het doen om dichter tot G’D te komen en het mijden van het tegenovergestelde. Dit niveau van wils verlangen is ondergeschikt aan het brein, wat betekent dat het voortkomt vanuit het mediterende brein en zal variëren in intensiteit al naar gelang mate van meditatie.

Hogere Wil

Er is echter een hoger niveau van de wil, één die geheel boven het aangeboren intellect is. Dit wils- verlangen komt vanuit het niets, van zijn perceptie (en dat van alle creaturen) ten aanzien van de G’ddelijke essentie en Zijn oneindige opgetogenheid. Hier kunnen we zeggen dat geen enkele gedachte Hem kan bevatten. Hij is boven de categorie van het weten. De termen G’ddelijke immanentie en G’ddelijker transcendentie (in het Hebreeuws, “memalei” en “sovev“) zijn alleen betekenisvol in de context van G’ddelijke uitstraling. Maar Hij Zelf is boven zulke categorieën. De ziel is dus genoodzaakt zich te ontdoen van zijn beschermende omhulsel doormiddel van wils- verlangen en smacht ernaar zichzelf te storten in de boezem van haar Vader, de G’ddelijke essentie wie vóór alles niets is.

Dit wonderlijk verlagen werd gevoeld door de zielen van het Joodse volk op Shavoeot (Wekenfeest), gedurende het geven van de Thora. Hun ziel verliet hen na elke uitspraak van de Tien Geboden. Elk gebod was een communicatie van G’D’s essentie met hun ziel en resulteerde in hun ziels vlucht.

De Ziels Essentie

De mens is geschapen naar G’D’s evenbeeld. De essentie van de ziel, die afkomstig is van G’D’s essentie, daalt niet in het lichaam en dierlijke ziel af. Alleen een uitstraling van de ziel bereikt hem en komt in het bewustzijn van het intellect en emoties.

De ziels essentie is ver voorbij de categorie van het menselijke intellect. Het blijft samen met zijn Bron in de levende G’D als een eeuwige bond. Het heeft alleen maar één verlangen en dat is naar haar Vader in de hemel, voor altijd, onveranderlijk, in een staat van onbaatzuchtigheid en nullificatie tot Hem.

De ziels ervaringen veranderen alleen in de lagere aspecten van de ziel, welke het menselijke bewustzijn binnengaat. Maar de ziels essentie zweeft boven, “omgevend”, en uitreikend boven de persoon ( zoals de G’ddelijke essentie in relatie tot de wereld).

Op Shavoeot, door het geven van de Thora, werd dit niveau van de ziel gereveleerd op een krachtige wijze in het menselijke bewustzijn. Dat hun zielen na iedere uitspraak weg vloog betekent dat zij verheven werden boven het niveau van het intellect en gewikkeld werden in het G’ddelijke.

Het bovengenoemde idee wordt weergegeven in de eerste uitspraak op de Sinaï, “Ik ben Havayah jullie G’D die jullie uit het land van Egypte (“Mitzrajiem“) heeft genomen.

“Ik…” de naamloze “Ik”, de G’ddelijke essentie welke boven alle beschrijvingen is.

“…ben Havayah, jullie G’D”: de G’ddelijke vonk die in jullie zetelt, de essentie van de ziel welke boven het menselijk bewustzijn blijft.

´…. die jullie uit het land van Egypte heeft genomen”: alle werelden en niveaus die beneden dit niveau van de ziels essentie zijn worden Egypte (“Mitzrajiem“) genoemd, Mitzrajiem betekend “Limitaties”. Alle ander staten van interactie met het G’ddelijke zijn gelimiteerd tot bepaalde domeinen en grenzen.

Wanneer dit niveau van de ziel wordt gereveleerd, vervullen wij de Mishna uitspraak: “nullificeer je wil voor Zijn Wil” (Awot 4:2).

Laat ons een vergelijkbare uitspraak verklaren: “Maak jouw wil tot Zijn Wil”. Deze uitspraak verwijst naar een persoon wiens verlangen buiten de G’ddelijke sfeer is, maar door meditatie op G’D’s Grootheid, zijn wil wijzigt en vervolgens conformeert met de G’ddelijke Wil. Dit is de lagere wil zoals boven besproken.

“Nullificeer je wil voor Zijn Wil” aan de ander kant betekent dat je geen enkel ander verlangen hebt buiten het G’ddelijke. Je staat de hogere wil de essentie van de ziel toe, om je hele zijn te illumineren zodat jouw wil G’D’s Wil is.

Vandaar

“Verhoog de hoofden…. naar hun schedel….”

G’D beveelt Mozes de lagere ziels- wil te nemen, die is geboren in het ziels hoofd en brein en welke is gekleed in menselijk bewustzijn en het te binden en te verheffen tot grote hoogten, tot zijn bron en oorsprong: de ziels essentie welke boven zweeft, alles overtreffend. Anders verlicht de ziel niet het lichaam, vanwege negatief gedrag die de persoon afzondert van het G’ddelijke. Het lichaam is afgescheiden van het hoofd.

Mozes werd opgedragen om de “hoofden” te verhogen, de oorsprong van de lagere wil en te verenigen met zijn “schedel”, de essentie van de ziel, een niveau waarop de essentie van G’D volledig is gereveleerd.

SHABBAT SHALOM